Arthur, oftewel: niet alles gaat altijd geheel volgens de verwachting

Arthur balanceerde op de rand van de dakgoot.

Dat deed hij altijd wanneer hij kwaad was geworden, omdat hij zijn zin niet kreeg.

Natuurlijk was zijn moeder hem, zoals altijd, achterna gelopen. De deur had hij voor haar neus  dicht gesmeten en zoals altijd had ze gesmeekt hem weer open te doen.

Het was al zo vaak gebeurd dat hij precies wist wie wat aan het doen was, wanneer hij zijn vlucht naar het dak had ondernomen.

Hij wist heel zeker dat zijn vader de krant zat te lezen. De actualiteiten had hij onder zijn fauteuil geschoven, want alleen de sport mocht zich in zijn belangstelling verheugen. Moeder zou nu snel naar beneden lopen. Hij kon haar natuurlijk niet horen lopen, maar dat hoefde ook niet. Hij wist het gewoon. Zijn broertje zat huiswerk te maken. Broertje kon zich eindelijk concentreren. Na alle ruzies was de stilte een verademing. Moeder zou, eenmaal beneden, proberen haar echtgenoot tot actie aan te zetten. Spoedig zou ze tot het besef komen dat het vergeefse moeite was. Ze zou naar buiten gaan en zich bij de toeschouwers voegen op straat en roepen of hij alsjeblieft naar binnen wilde gaan om het uit te praten.

Hij lachte.

Het gebeurde altijd zo.

En zoals altijd was het einde van het liedje elke keer hetzelfde. Hij kreeg gewoon zijn zin. Zoals altijd.

Ineens begon de dakgoot te kraken. Hij verloor zijn evenwicht en viel.

Tijdens zijn val voelde hij alleen een snijdende wind – alsof duizenden duiveltjes met evenzovele messen in zijn lijf sneden.

Vandaag kreeg hij zijn zin dus niet.

(c) Jos Smies, 1983

 


(1) De verlaten aarde; Jungle

Een ijskoude wind blies door talloze openingen van het gebouw. Gebrekkig onderhoud begon zich te wreken, ruiten waren gesneuveld en metselwerk brokkelde af. Elke nieuwe storm veroorzaakte meer en meer schade.

Het deerde de jongen weinig. Voorlopig had hij een schuilplaats. En wanneer de zorg voor zijn zusje hem te veel werd, ontvluchtte hij in alle stilte het grote huis.

Jack waakte ondertussen over Ellen; die onbetaalbare, betrouwbare, altijd aanwezige, nimmer klagende Jack, hun elektronische huisdokter, butler, kok, vader en moeder tegelijk. Vroeger had hij Jack wel eens vervloekt, diens halsstarrige eigenwijze rechtlijnigheid vormde een akelig irritante eigenschap. Sinds papa niet meer leefde, was Jack toch wel een belangrijke figuur geworden, de spil waar het huiselijke leven om draaide. Je kon zijn belang moeilijk overschatten.

Het oude gebouw met zijn afbrokkelende metselwerk stond aan de voet van Heuvel 18, net buiten de afrastering. Stephen kwam er regelmatig, hoewel de temperatuur nauwelijks zulke uitstapjes rechtvaardigde. Op aandringen van Jack trok hij zijn warmste parka aan, zo’n jas waarin je zelfs bij min tien nog transpireerde en trok de ritssluiting helemaal omhoog, zodat je slechts de vage contouren van zijn gezicht kon zien. Hij liet de poort achter zich dichtvallen en ontweek een valstrik, nog geen anderhalf jaar geleden geïnstalleerd door zijn vader die had hem geleerd behoedzaam manoeuvrerend de woning te bereiken… of achter zich laten, zoals Stephen nu deed. Je moest exact de route kennen, aangezien je anders verstrikt zou raken in dodelijke valstrikken. De laatste keer dat zoiets gebeurde, was tien maanden geleden. Bovendien de laatste keer dat hij een menselijk wezen had gezien, buiten zichzelf en zusje Ellen.

Jack telde niet mee. Jack was een robot.

Die ouwe man volgde hem al een tijdje en mogelijk hield hij zich schuil in dat vervallen gebouwtje waar hij zelf eveneens regelmatig kwam. Stephen droomde wel eens over het gezicht van die ouwe. Echt zo’n doorleefd gelaat met diepe groeven, waarschijnlijk het gevolg van een paar hevige koortsaanvallen. Tenslotte volgde hij hem en slaagde erin door te dringen tot het park op de heuvelrug. En eerlijk is eerlijk… de achtervolger hield het erg lang vol, maar vond tenslotte toch zijn einde. Stephen durfde al enige tijd niet over zijn schouder te kijken, want met die capuchon moest je stil blijven staan en ècht staren. Uiteindelijk weerklonk er een duidelijk ZWOEFFF. Oké, het was veilig. Stephen keek om en zag dat een stalen speer die ouwe man aan een boomstam had genageld. Duidelijke taal. Ook al waren er geen gieren, of andere aaseters die zijn lijk opruimden. De koorts was een meedogenloze niets of niemand ontziende plaag geweest die de planeet leeg had achtergelaten.

Bovenop de heuvel stond zijn huis en dat van Ellen natuurlijk, grotendeels omgeven door een groot park. ‘Jungle’, zei papa heel vaak. Om die ‘jungle’ was een massieve, drie meter hoge muur gebouwd, bijna vijftig centimeter dik. Dit landgoed vormde een volmaakt ondoordringbaar terrein, barstensvol met valstrikken. Stephen kende ze, Ellen niet en papa heeft wel eens gezegd dat Jack nooit buiten kwam.

Aan de achterzijde bevond zich een groot half overdekt terras. Indien je recht omlaag keek, zag je de brede langzaam stromende rivier met zijn bloeddorstige bewoners. Hoe koud het ook werd buiten… de rivier bevroor nooit helemaal. Tegenwoordig hoefde Stephen niet meer op zijn tenen te gaan staan, maar als hij over die brede marmeren rand naar beneden keek… en eventjes geduld in acht nam… zag je die grote lijven tenslotte door het water glijden. Het was een gruwelijke aanblik.

Een enkele keer dacht Stephen dat die monsters wachtten op een nieuwe springer, iemand die zijn aardse bestaan beu was en zich overgaf aan hun bloeddorstige muilen.

Jack wachtte in de deuropening, keurig achter glas en zijn zusje Ellen stond angstig turend naast hem, omdat papa bijna een jaar geleden op die brede marmeren balustrade was geklommen. Stephen wist waarom hij dat ging doen, namelijk die verdomde koorts, tijdens de incubatietijd, nog niet besmettelijk. Er lag een brief in zijn bureau, die Stephen moest lezen als hij oud genoeg was. Jack zou ervoor zorgen dat de boodschap bewaard bleef. Er volgde destijds een langdurige stilte, er gebeurde helemaal niets en papa stond besluiteloos op die balustrade. Ellen huilde natuurlijk, Stephen deed alsof het hem allemaal niet zo veel raakte. Nadat papa’s grote lichaam uit zicht was verdwenen, mocht Stephen gaan kijken. Jack gaf toestemming. Hij rende naar de balustrade en keek omlaag. Er lag een grote grillig gevormde bloedrode vlek over de wateroppervlakte, gevormd door die woest omhoog springende monsters. En later ging Stephen gewoon kijken, controleren of die beesten er nog steeds waren. En of het mogelijk was dat vader in dat woeste water was verdwenen. Jack begreep het niet, en Ellen zou het binnen enkele jaren gaan begrijpen. Stephen zou het zijn zusje laten zien, terwijl hun elektronische voogd hoofdschuddend achterbleef in huis, zoals papa buiten gehoorsafstand van Jack nadrukkelijk bevolen had.

Tegenwoordig kwam Stephen wat vaker buiten, ja… zo noemde hij dat, maar het was al zo vreselijk moeilijk die jungle uit te komen en daarna nog die gevaarlijke wereld. Jack was de oudste, wist echter alleen verhalen te vertellen over vroeger, leuke grappige anekdotes… leuk en nutteloos tegelijk.

Stephen realiseerde zich gaandeweg dat die oude grappige verhalen van Jack getuigden van een lang vervlogen wereld, dus voordat de koorts vrijwel de complete wereldbevolking wegvaagde. Het ging zo snel, volgens papa, dat ‘ze’… wetenschappers dus, niet eens de kans kregen een naam te bedenken. Daarom bleef het bij ‘de koorts’. Papa en mama bouwden vervolgens dit huis… hun huis, hoewel het er mogelijk allang stond en bedoelde papa alleen dat ze de veiligheidsmaatregelen in de jungle hebben geïnstalleerd. Al die barbaarse valstrikken bedoeld om indringers buiten de omheining te houden. Toch raar, want zoveel indringers waren er niet meer.

Inmiddels bood het huis alle benodigdheden die een langdurig verblijf prettig maakten, zoals levensmiddelen, kleding, warmte natuurlijk; boeken die je kon lezen, boeken die je maar beter kon verbranden.

Het was een ideale schuilplaats, uiterst comfortabel en warm, zelfs wanneer de sneeuw omlaag viel en de Aarde veranderde in een compacte ijzige hel. Stephen vond dat een volmaakt contrast met het zwaar beschadigde gebouw onderaan Heuvel 18.

Nogmaals… er wachtte hem daar helemaal niets van waarde. Stephen ging er hoofdzakelijk heen vanwege de prettige herinneringen aan papa, die er graag kwam, al zei hij helaas nooit waarom. Niettemin trotseerde de jongen graag ijzige weersomstandigheden, alle draconische beveiligingen in het park, zodat hij hooguit een uur, anderhalf uur kon doorbrengen binnen de muren van het krot. In eerste instantie realiseerde hij het zich nauwelijks, maar na verloop van tijd besefte Stephen dat hij werkelijk nergens anders heen kon gaan. Hij en Ellen waren gevangenen in het grote huis bovenop die heuvel en Jack zou altijd de afstandelijke toeschouwer zijn.

Vroeger leefden er veel mensen, vertelde papa wel eens. Tijdens lange koude avonden, als het holografische vuur de woonkamer verwarmde en verborgen speakers knetterende en knappende geluiden weergaven, kwamen die lang vervlogen tijden weer tot leven. Stephen luisterde gespannen naar vader, terwijl Ellen langzaam in slaap viel. Ja, de wereld van vandaag was een uitgestorven lege vlakte. Huh… De bevroren lijken in het park vertelden een ander verhaal, er lagen er immers genoeg. In de loop der tijden hadden veel mensen geprobeerd hun domein binnen te dringen. Het werden er steeds minder. Dus papa had wel een beetje gelijk.

De laatste poging dateerde van tien maanden geleden, die ouwe man met zijn doorleefde gelaat. Het kostte Stephen heel veel moeite de speer weer op scherp te zetten, zodat vroeg of laat er weer een indringer door verrast werd. ‘Onvoorstelbaar toch, dat het ooit anders is geweest.’ Jaren geleden woonden er miljoenen mensen in steden, honderdduizenden in dorpen en je slaagde er met geen mogelijkheid in een dag te leven zonder mensen tegen te komen. Of je moest je huis hermetisch afsluiten voor de buitenwereld, gordijnen dicht, voldoende eten en drinken in voorraad, zodat je in alle rust een oud moeilijk boek kon lezen. Stephen vond het ongelofelijk dat mensen zichzelf wilden opsluiten binnen de weliswaar comfortabele muren van hun woning. Destijds heette zulk gedrag ‘excentriek’, volgens Jack tenminste, die er laatst een verhaal over vertelde. ‘Excentriek’ betekende dat een mens zich compleet anders gedroeg dan zijn soortgenoten… zonderling of vreemd, volgens het woordenboek. Vandaag de dag noemde je zoiets puur lijfsbehoud. Misschien leerde Stephen ooit nog eens waarom ze dat vroeger deden, terwijl op datzelfde moment de buitenwereld lonkte, met een uiterst mild klimaat zelfs. Onvoorstelbaar.

Ellen stelde regelmatig moeilijke vragen, steeds vaker eigenlijk, Stephen moest het antwoord meestal schuldig blijven. Hij wist immers ook niet zo veel. Jack vulde de leemte dan maar in en deed dat met verve, als een volleerde podiumartiest. Zijn zusje lachte er heel hard om, Stephen keek tevreden toe, en begreep dat er gedurende enkele uren of dagen geen nieuwe vragen over vroeger meer volgde.

Ja, daarom zocht hij de afzondering van dat tochtige krot. Stephen hoefde geen enkele angst meer te koesteren voor ronddwalende mensen, of akelige monsters, die er in de winter toch nauwelijks waren. De rivier werd druk bevolkt door monsters, zoals Ellen ze hardnekkig noemde. Natuurlijk had ze volkomen gelijk. De rivier was een gevaarlijke plek. Volgens papa waren die dingen er vroeger nooit. Ze zijn er later pas gekomen, gerevolutioneerd in feite, en dat gebeurde in de laatste fase van de koorts. Spaarzame overlevenden richtten gigantische brandstapels op, zodat de lijken werden vernietigd. Wellicht hoopten ze dat daarmee het virus ook verdween. Papa vertelde eveneens over levenden, mensen die ziek werden en vervolgens verbrand werden. Slimmeriken waagden zich slechts buiten gewapend met een vlammenwerper, zodat je zieken direct kon vernietigen. Er verscheen een grijns op papa’s gezicht, toen hij dit zei, want slim mocht je het amper noemen, eerder meedogenloos. Effectief was het beslist. Goed, in de nadagen van die verwoestende pandemie verschenen er monsters. Het duurde enige tijd voordat mensen zoals papa begrepen hoe die smerige dingen ontstonden. Eigenlijk waren ze gewoon mensen, alleen veranderde hun ziekte hen in wezens die de gewijzigde klimatologische omstandigheden konden weerstaan. De winters werden plotseling strenger, duurden ongelofelijk lang. Zomers waren er nauwelijks, of waren verschrikkelijk warm en vochtig. Die monsters waren getransformeerde mensen. Zei papa.

Daarom sprong hij die bewuste dag omlaag. Om zijn lichaam in de muilen van hongerige monsters te laten verdwijnen, zodat Stephen en Ellen de kans kregen op te groeien. En hopelijk kwam er ooit een dag waarop het verschrikkelijke virus zou verdwijnen. Papa zei namelijk dat zulke dingen wel vaker waren gebeurd in het verleden. Plotseling ontstond er een ziekte, die talloze mensenlevens eiste, duizenden, en nog veel meer, miljoenen soms. Tenslotte verdween het virus, of de bacterie, maar je kon met hetzelfde gemak zeggen dat er mensen waren overgebleven die er immuun voor waren. Veel mensen, papa’s tijdgenoten, geloofden in de rol van het dodelijke en muterende virus, dat alle ellende veroorzaakte.

Zoals gebruikelijk vertelde papa dit soort zaken in het oude krot, dat vervallen woninkje net buiten de omheining. Stephen begreep niet zo goed waarom hij altijd wachtte met vertellen over vroeger als ze met zijn tweeën de afzondering hadden opgezocht. Het maakte hem weinig uit.

Vooral niet omdat papa op zekere dag vertelde dat alle gebeurtenissen heel verklaarbaar waren. Een Engelsman genaamd Darwin had ooit een boek geschreven over de natuur en hoe alle levende organismen zich aanpaste aan de omstandigheden. Het was een volkomen natuurlijk proces, zelfs die monsterachtige verschijningen, vond hij verklaarbaar. De natuur veranderde voortdurend, en als een levend wezen niet ogenblikkelijk mee veranderde, dan liep het de kans van de aardbodem weggevaagd te worden. Het was de enige gelegenheid waarbij Darwins naam ooit genoemd werd, en Stephen probeerde later wel eens zijn boek te lezen, maar besloot na drie of vier pagina’s dat je er beter een haardvuur mee kon aansteken. Het was onleesbaar. Gortdroog. Stephen las veel liever een spannend avontuur, bijvoorbeeld over de kolonisatie van Mars.

En daar woonden nog wel heel veel mensen.

Papa zei dikwijls dat de aarde, als iedere planeet, over een zelfverdedigingsmechanisme beschikte, misbruik werd streng bestraft, omdat de natuurlijke omstandigheden wijzigden en de mens opzadelden met een vijandige omgeving.

Papa en mama zouden graag op Mars hebben gewoond, of de Maan, een nog grotere kolonie, maar die vervloekte koorts gooide roet in het eten. Ze waren te laat. En mama stierf na de geboorte van Ellen. Zei papa. Stephen stelde zich voor hoe hij het levenloze lichaam van zijn moeder over die balustrade moest hebben gegooid. Verder sprak papa nooit over mama. Die was dood en dat gebeurde lang geleden.

In ieder geval stond Stephen redelijk beschut, ook al was de kou tot ver in de bodem doorgedrongen. Hier en daar stonden wat meubels. Op de vloer lag kleding. Bij elke stap kraakte het gebroken glas onder zijn voeten.

Er waren tekenen van menselijke aanwezigheid, nou ja… niet hier op aarde natuurlijk, maar boven zijn hoofd vlogen er regelmatig toestellen voorbij die een enkele keer langdurig stil bleven hangen in de atmosfeer. Eenzaamheid was relatief, zou Jack zeggen, want op de Maan hoefde geen mens zich eenzaam te wanen. Daarom was die verre, onbereikbare Maan zo’n mooi, altijd veranderend schilderij. Het liefst bracht hij hen allebei in zo’n toestel naar die grote drukbevolkte Maan. In papa’s studeerkamer stonden verschillende telescopen, zorgvuldig afgestelde apparaten, een volmaakt zicht, veraf kwam daarmee heel dichtbij. Was het mogelijk heimwee te hebben naar zo’n plek, al stond hij sinds zijn geboorte met beide voeten keihard op deze verlaten aarde? Stephen schopte tegen de muur, en er sprongen verscheidene stukjes baksteen weg.

Ze zouden nooit een drager van het virus toelaten. Stephen en Ellen waren gedoemd de rest van hun leven in het huis door te brengen. Zijn periodieke uitstapjes naar de verlaten woning vormde zo’n beetje het enige avontuur dat voor hem was weggelegd. Hier voelde Stephen de ijskoude wind, rolde hij de kraag van zijn trui verder omhoog, en dankzij de capuchon zag je alleen de priemende heldere ogen die zijn vader ook had gehad. Op deze plek voelde je tenminste het leven. Volmaakte rust, geen bemoeienis van Jack, het binnennetwerk, dat de leefomgeving bestuurde en bewaakte.

Er bestond natuurlijk nog een buitennetwerk, ook gemaakt door papa, Joe geheten, en dat diende ter beveiliging van de huisbewoners. Stephen gebruikte die naam zelden of nooit. Jack wist niet van het bestaan van Joe, en dat moest zo blijven. Papa werkte aan een verbinding tussen die twee systemen, maar werd ziek en dus bleef het werk onvoltooid. Sommige valstrikken waren digitaal, holografisch, zoals het haardvuur in de leefkamer, en weer andere waren mechanisch.

Deze schuilplaats zou altijd een mystieke plek voor hem blijven, en al zou Ellen ooit mee willen gaan, dan nog begreep ze vermoedelijk niet waarom dit zo bijzonder was. Papa was immers nooit met zijn zusje hierheen gegaan. Stephen kon er wel een speciale plek van hèm en Ellen van maken. Misschien lukte dit.

Stephen stond pas een kwartier bij het gebroken raam, half achter de muur, en staarde omhoog. In de verte naderde een sneeuwfront, zo’n eindeloos noodweer die het huis op Heuvel 18 liet kermen en zuchten. Nog twee, wellicht drie uurtjes, en dan moest hij weer binnen zijn. Hij liep naar de deuropening, en bleef staan. Hoog boven zijn hoofd ging weer zo’n prachtig toestel, maar het zette koers richting sneeuwfront.

‘Slecht idee jongens.’

Stephen mompelde zijn woorden en grinnikte, omdat hij wist dat ze hem onmogelijk konden horen. Het zou wel mooi wezen als ze eens een tussenstop zouden inlassen en hier beneden rondkeken. Natuurlijk droegen ze van die witte of gele ruimtepakken, zodat hun luchtwegen niet werden blootgesteld aan een dodelijk muterend virus. Oké, wetenschappers of toeristen? Allebei een beetje, meende de jongen, want hoeveel wetenschappers zagen de aarde voor het eerst van zo dichtbij. Ook zo’n opmerking van papa. Vroeg of laat kwamen de mensen terug naar aarde, om eerst uitgebreid te onderzoeken wat er precies was gebeurd. En dat zou met de grootst mogelijke voorzichtigheid gebeuren. Niemand wilde een uitbraak in de Maankolonie. Om diezelfde reden koesterde Stephen nauwelijks de illusie dat ze hier ooit wegkwamen.

Intussen maakte het vliegende schip een zwenkende beweging, draaide honderdtachtig graden en probeerde ditmaal aan de gestaag voortrollende sneeuwstorm te ontkomen.

‘Tja, ik zei het toch.’

Stephen bleef staan, terwijl zijn linkerhand rustte op de deurklink. Het luchtschip maakte slagzij, alsof er problemen waren. De jongen haalde eerst diep adem en opende vervolgens de deur om aan zijn wandeling door de jungle te beginnen. Die deur was nooit op slot, hoefde ook niet, want geen mens haalde levend het huis. In al die jaren was het niemand gelukt. Je moest een ingewijde zijn om zover te komen. Over het worstelende schip maakte Stephen zich geen zorgen meer. Het zou wel goed komen. Eerst maar eens naar huis. Dan konden ze met zijn tweetjes naar de sneeuwstorm kijken. En misschien naar dat vreemd manoeuvrerende toestel.

De deur gleed langzaam in het slot. Stephen hoorde de gebruikelijke ‘klik’. En vrijwel meteen verdween ook het worstelende schip uit zijn gedachten. Er wachtte hem een zware wandeling. Omlaag was nooit zo’n enorme moeite. Als hij terugkeerde naar huis… je weet wel… het was een behoorlijke klim. Geen enkele keer mocht hij zijn concentratie laten verslappen. Jack zei natuurlijk nooit dat hij op diende te passen. Jack wist namelijk nergens van. Binnennetwerk.

Na bijna twee meter deed hij een stap opzij, naar rechts. Rechtdoor lopen was een slecht idee, want je viel met je kont in die bamboestaken. Er lag beneden al iemand. Papa noemde hem wel eens zijn persoonlijke saté. En grinnikte steevast als hij dit had gezegd. Natuurlijk zag een eventuele binnendringer die voetstappen in de sneeuw, maar ’s zomers, wanneer de temperatuur richting dertig graden vloog, lagen de zaken er heel anders voor. Elk jaargetijde vereiste zijn eigen dodelijke val. Papa had veel tijd besteed aan digitale beveiliging die Stephen herkende als eigenaar van het huis. Joe dus. En of Joe op de hoogte was van Ellens bestaan, wist Stephen uiteraard niet. Hij hoopte van wel. ’s Nachts lag hij wel eens in bed, staarde langdurig naar het plafond, en stelde zichzelf dit soort vragen. Het scheen hem een nachtmerrieachtig idee in gezelschap van Ellen hierheen te moeten komen. Zo’n twee meter voorbij die kuil. Daar ergens stond Ivanhoe te wachten wiens zwaard dorstte naar vers warm bloed, zoals hij altijd zei. Talloze ongenodigde bezoekers waren dankzij Ivanhoe niet verder gekomen. Stephen herinnerde zich de ontwerptekeningen heel goed. Papa liet er ooit een paar zien. Eentje toonde een kleurenprent van zo’n middeleeuwse ridder van wie je dacht dat zijn blinkende zwaard nooit zelfs maar een druppeltje bloed had geproefd. Hij legde zijn vinger op die afbeelding.

Dus Ivanhoe werd het. Volgens papa een oeroude televisieridder. In werkelijkheid waren ridders echte slachters, psychopathische moordenaars. Volgens papa dan.

Er zwalkten wel meer van die bewakers rond in het park. Enkele meters verderop – Tussen enkele versteend ogende bomen en struiken lag het onderaardse hol van een draak. Het dier spuwde vuur. Stephen wierp het altijd een handvol snoepjes toe, bont gekleurde zuurtjes die hij speciaal voor dit doel meebracht. Hoofdschuddend passeerde de jongen het drakenhol. Geknars van tanden en brekende snoepjes pijnigden zijn oren. De draak kroop terug in zijn schuilplaats.

Stephen vroeg zich wel eens af hoe die verschijningen precies werkten. Papa was verantwoordelijk geweest voor hun bestaan, had ze allemaal gecreëerd. Mechanisch waren ze in elk geval niet, digitaal… ja, ze hadden een digitale oorsprong, maar bestonden ook ècht. Het zwaard van Ivanhoe kon je levensgevaarlijk verwonden, doden zelfs, en de adem van die draak verkoolde een menselijk lichaam binnen enkele seconden. Verschillende identiteiten, één oorsprong… Joe, het buitennetwerk, gevaarlijk, moordzuchtig, ontworpen voor de veiligheid van een jongen en een meisje. Het was ronduit bizar dat er mensen stierven dankzij een persoon of dier, fabeldier soms, dat eerst alleen op papier bestond. Stephen ontweek behendig detectieogen die de metalen speer activeerde waardoor die ouwe man tien maanden geleden gedood werd. Ergens toch wel een beetje knap; Ivanhoe ontweken, zelfs de draak, maar vond tenslotte zijn einde tegen een boomstam. Zou het pijn hebben gedaan? Of ging het zo vreselijk snel dat je onmiddellijk wegraakte? Mogelijk had papa ook niets gevoeld toen hij in het water terechtkwam. Jack vertelde dat mensen het bewustzijn verliezen in dat ijskoude water. Kon niets gevoeld hebben. Zei Jack tenminste. Ach, en of je hem nou moest geloven.

Lucht betrok in hoog tempo. Wellicht schoof dat grote luchtschip momenteel voor de zon. Je wist maar nooit. Stephen bleef een ogenblik staan. Enkele passen verder en dat halfnaakte wijf zou opdoemen uit een digitale mist. Papa had zich indertijd grandioos vermaakt tijdens die oneindig lange dagen en nachten en buitenissige valstrikken gebouwd die hun werk echter zeer effectief uitvoerden. Stephen wachtte, keek omhoog, en zag een gigantische grauwe slagschaduw verschijnen. Het toestel verloor hoogte. Straks stortte het nog neer. Hij moest opschieten. Zo vaak gebeurde dat niet. Was wel leuk voor Ellen. Je was niet elke dag getuige van een scheepscrash. Warme mist kringelde rond zijn enkels. Stephen deed een stapje opzij. Er kringelde een cynisch glimlachje rond zijn lippen. Dat wijf beschikte over akelig lange hoektanden, een enkele keer droop er een straaltje bloed langs haar kin. In vroeger tijden noemde je zo iemand een vampier.

Hij vroeg zich dikwijls af of ze ook werkelijk bestaan had. Jack zei van niet. Hoe kon papa zo’n monster bedenken? Ivanhoe had werkelijk bestaan. Er hebben ridders geleefd in de Middeleeuwen, en miljoenen jaren terug waren er draken, al noemden moderne mensen zulke beesten dinosauriërs. Opnieuw volgens Jack. Het bleef verwarrend. Mensen bedachten vroeger vreemde dingen. Normaal gesproken zou je toch afstand willen bewaren tot zulke vreemde verschijningen, toch bleef het elke keer opnieuw verbazen hoe mensen zich lieten verleiden. Stephen respecteerde de denkbeeldige lijn iedere keer opnieuw. Papa’s stem galmde tijdens elke wandeling opnieuw in zijn hoofd. Elke valstrik uitleggend. Hoe die gemaakt was. En waarom. Een erg bont gezelschap. Net een driedimensionale encyclopedie van horror.

Hij bereikte het huis, negeerde de uitnodigende poort die je kon gebruiken als je wegging, maar niet wanneer je terugkeerde… De meest dodelijke, best verborgen valstrik van allemaal. Papa was er destijds erg lang mee bezig geweest en Stephen gaf wel eens gereedschappen aan tijdens de bouw. Wanneer iemand het huis binnendrong, activeerde die persoon een guillotine. Een lichaam werd compleet in tweeën gesneden.

Stephen vond het heel normaal die poort te gebruiken bij vertrek en dacht nooit aan de vlijmscherpe valbijl die boven zijn hoofd hing. Ja, de lessen van papa waren zeer goed geweest. De jongen herinnerde zich alles op het juiste ogenblik.

Al die valstrikken moesten hem en zijn zusje een gevoel van veiligheid bezorgen. Het was een zekere waarborg, dat er geen zieke mensen van buitenaf hun domein zouden besmetten. En eigenlijk was het allemaal onzin. Er bestonden geen mensen meer, dus ook geen zieken. Stephen en Ellen waren de laatste levende mensen op aarde. Nou ja, eventjes nog, want zo meteen stortte dat ruimteschip neer op die besneeuwde vlakte bijna twintig kilometer hier vandaan. De traag stromende rivier met zijn hongerige monsters lag er eveneens tussen. Al waren er overlevenden, dan nog zouden ze nooit deze kant van de oever bereiken. Stephen slaagde er niet in te bedenken hoe ze dat voor mekaar moesten krijgen. Maanbewoners, toeristen, onderzoekers, wetenschappers, mensen die verbaasd naar Ivanhoe zouden kijken voordat zijn zwaard een arm of hals afsneed.

“Ellen! Zie je het schip buiten?”

“Ja Stephen, we kijken allang, Jack en ik.”

De jongen ontdeed zich snel van zijn jas, bemerkte voor het eerst dat er een rood gelakte nagel in zijn mouw haakte. Huh, niet eens gemerkt dat hij zo dichtbij was geweest. Stephen staarde verbaasd naar de afgebroken nagel, en propte het tenslotte in zijn broekzak. Hij rolde de kraag van zijn trui weer terug, en nam zijn positie achter Ellen in. Zoals gebruikelijk haalde hij haar haren door de war en legde tenslotte zijn ijskoude vingers plagerig in haar nek.

“Hé… hou op, dat doe je nou altijd. En… bah… je hebt koude handen.”

“Je gaat steeds vaker.”

“Yep, het blijft leuk om te zien waar papa altijd heenging. Op zekere dag gaat Ellen ook mee.”

“Haast je vooral niet.”

Stephen moest er honderd procent zeker van kunnen zijn dat Ellen haar mond zou houden over alles wat ze buiten te zien zou krijgen. Bovendien mocht ze niet zo schrikachtig reageren. Zijn zusje groeide beschermd op, precies zoals papa bedoelde, toen hij al die gevaarlijke valstrikken in de jungle installeerde. Stephen legde zijn handen op haar smalle schouders en keek zwijgend naar het langzaam naderende schip, dat slechts enkele tientallen meters boven de aarde zweefde. Gelukkig zorgde het ijskoude water ervoor dat overlevenden van die crash het huis niet konden bereiken. Oké. Er was hier helemaal geen ijs, bevroren water. Zo meteen stortte dat toestel neer… en de schipbreukelingen zouden eerst geduldig wachten op hulp. Daarna, als de voedselrantsoenen afnamen, gingen die mensen pas op zoek. En uiteindelijk kwamen ze hier terecht. Stephen probeerde het idee uit zijn gedachten te verdrijven. Bevroren water dacht hij huiverend. Een gat in de beveiliging. Hopelijk had papa daar rekening mee gehouden. Ijs. Er verscheen een zorgelijke trek op zijn gezicht.

“Stephen… Kan dat vliegtoestel ook ontploffen?”

“Nee, vroeger gebeurde dat nog wel eens. Tegenwoordig is dat onmogelijk geworden. Als het neerstort, zal er hooguit een hoop schade ontstaan.”

“Gaan er dan mensen dood?”

“Misschien… denk het wel.”

“Moeten we niet helpen?”

“Onmogelijk zusje, de rivier ligt tussen ons en dat schip. Ik heb geen idee hoe we aan de overkant moeten komen. En de monsters houden ons tegen.”

“Die mensen kunnen ook niet hierheen komen?”

“Worden ook tegengehouden ja.”

“En wat gebeurt er met die mensen?”

“Er zal een ander schip komen om ze te redden, denk ik.”

“Als dat niet gebeurt?”

‘Dan gaan ze dood,’ wilde Stephen zeggen, maar zweeg. Verderop raakte het schip de besneeuwde bodem. Hij hoefde zijn zin niet meer uit te spreken. Ellen richtte haar aandacht op het spektakel dat zich recht vooruit ontvouwde. Er was een afstand van bijna vijf kilometer overgebleven. Hopelijk hadden ze een goede bescherming tegen de kou meegenomen… Misschien was er een pak voor iedere opvarende aanwezig. In het andere geval overleefden die mensen de kou amper een halve dag. Sneeuwwolken stoven omhoog en hulden het schip deels in een wolk. Donderend geraas en gekraak drongen vaag echoënd door tot de oren van Stephen en Ellen. Jack bleef stoïcijns naar de crash kijken, verblikte of verbloosde niet. Hoe kon iemand zoiets overleven? Het schip drong door tot diep in de aarde, restanten van verlaten gebouwen werden opzij gedrongen. Stephen bedacht dat ze vandaag veel geluk hadden gehad. Dat toestel had evengoed bovenop hun huis kunnen vallen.

‘Godskolere.’

‘Twee, misschien drie kilometer.’ Het ruimtetoestel lag eindelijk stil te midden van een geweldige hoeveelheid half gesmolten sneeuw, staal en beton. Normaal moest je die afstand makkelijk kunnen lopen. En eventuele overlevenden zouden het beslist proberen. Om vervolgens op die rivier met zijn monsters te stuiten. Misschien bleven ze wel bij het schip hopend op redding, die mogelijk kwam, maar dat hing af van politieke besluitvormers daarboven. Was het gebruikelijk om schipbreukelingen op te halen van aarde waar een dodelijke ziekte de complete bevolking had uitgeroeid? Stephen durfde er geen weddenschap over af te sluiten. Hij zou het spoedig merken. En anders zouden de overlevenden vrij snel ten prooi vallen aan diezelfde ziekte waar al die andere mensen aan waren doodgegaan. Hoe dan ook, binnenkort zou dit incident slechts een herinnering zijn, keurig afgedekt door een dikke laag sneeuw. En die sneeuw ging binnen een half uur vallen. Die overlevenden moesten zich straks naar buiten graven. Er lag een grimmige trek rond zijn mond. “Vervelend,” zei hij. “Kom zusje. We hebben nog wat schoolwerk te doen. Nietwaar jack?”

“Zeker.”

Stephen deed zijn best om het ongeluk te vergeten. Zijn leven ging verder. Hetzelfde leven dat hij gisteren leidde, en eergisteren, en dat altijd hetzelfde zou zijn. En Jack bleef dezelfde. En het huis. Ellen en hij werden ouder totdat Jack als enige overbleef. Soms gebeurde er iets opwindends. Zoals het gecrashte toestel. Stephen wist heel zeker dat hij erheen zou gaan als het mogelijk was geweest. De rivier hield niet alleen de overlevenden tegen. Tenzij het water een kilometer stroomopwaarts koud genoeg was om te bevriezen. IJs. Hij moest zijn voornaamste taak onthouden. Zijn zusje. Ellen. En hij hoorde het meisje te beschermen tegen het kwaad. Ja, Stephen was helemaal vergeten dat water hoorde te bevriezen.

Bij temperaturen onder nul graden Celsius hoorde water te bevriezen. De rivier zou moeten bevriezen, maar dat gebeurde niet. Er kwam ergens warmte vandaan, zoveel had Stephen zelf ook al bedacht. Mogelijk dezelfde kracht die het huis voorzag van warmte en stroom. Alle verschijningen in de jungle hadden hun bestaan te danken aan diezelfde mystieke krachtcentrale. Stephen legde zijn boek open. Langzaam bladerde hij verder naar de juiste bladzijde. Jack zou alles moeten kunnen vertellen over de herkomst van energie in en rond het huis. Bijna drie maanden terug stelde Stephen hem de vraag die papa altijd weigerde te beantwoorden. Natuurlijk probeerde hij het herhaaldelijk, maar doorgaans volgde er slechts een humeurige grom. En jack wist niets. Zei niets. Mogelijk had papa hem zo geprogrammeerd, alleen snapte Stephen weinig van de geheimzinnigheid waarmee het werd omgeven. Hij moest immers op de hoogte zijn van alle relevante informatie over het huis. Het was immers zijn huis. En dat van Ellen natuurlijk, maar die was nog erg jong.

’s Avonds, het liefst wanneer Ellen sliep en Jack zich in zijn privé-vertrekken terugtrok, zocht hij naar de verborgen geschiedenis van het huis. Ergens moest die kennis bewaard zijn, bijvoorbeeld in papa’s voormalige werkkamer. Daar waren enkele tekeningen en krabbels achtergebleven. Hij vond gedetailleerde studies over hologrammen, de driedimensionale verschijningen die ‘zijn kinderen moesten beschermen’. Boven de werktafel van papa hing een flauw opgloeiend lampje, want papa was zelf erg zuinig met verlichting. Bovendien stond de verwarming in tegenstelling tot het overige deel van hun huis erg laag, nauwelijks twintig graden. Zijn zoektocht moest voorzien in een behoefte die echter nooit werd bevredigd. Het leek wel of papa eerst al zijn sporen had uitgewist, en daarna een einde aan zijn leven had gemaakt.

Natuurlijk dacht hij vaak aan papa’s afscheidsbrief, die alles verklarende laatste boodschap in zijn bureaula. Hij zocht en vond helemaal niets. Stephen vroeg Jack of hij soms wist waar de brief was gebleven. Jack antwoordde nergens van te weten. Als die brief inderdaad was geschreven door zijn vader, moest hij nog steeds in het bureau liggen. Een heel simpele redenering. De jongen kende Jack goed genoeg om te weten dat er vandaag geen waarheden werden ontfutseld aan de efficiënt functionerende huisrobot. Het was erg frustrerend. Er verdween informatie. Brieven. Nou ja, één brief. Wel een heel belangrijke, die van een stervende vader aan zijn kinderen.

“Stephen, je moet je schoolwerk doen,” zei Ellen, die eventjes omhoog keek, nadat ze langdurig met haar neus over haar tablet had geleund.

“Ja… ja,” zei hij.

Buiten vielen de eerste sneeuwvlokken, langzaam dwarrelend, wisten kennelijk niet zo goed waar ze neer wilden komen. Hij glimlachte. Van schoolwerk kwam vanmiddag weinig meer terecht. Zo meteen ontstond er een ondoordringbaar wit sneeuwgordijn. Kilometers verderop waren er zwoegende overlevenden, mensen vochten wanhopig voor hun leven. Mannen en vrouwen probeerden uit alle macht computersystemen terug online te krijgen, zodat ze de barre koude konden doorstaan. Hij zag het heel helder op zijn netvlies. De chaos. Doden. Er waren ongetwijfeld doden gevallen, maar ook gewonden. En natuurlijk de geluksvogels die altijd de dans ontsprongen. Zulke figuren had je in elke groep. De storm zou enkele dagen duren. Wanneer de situatie onder controle was, volgde het lange wachten op een reddingsoperatie. Die er mogelijk nooit kwam. Vanwege de koorts. Stephen knikte langzaam als erkenning dat het erg logisch klonk.

En diezelfde overlevenden in dat toestel zagen uiteraard de warme uitnodigende verlichting van het huis. Dat kon moeilijk anders. Vanuit die stalen graftombe hielden ze onmiskenbaar de omgeving in de gaten. Hij zuchtte diep. Ellen legde haar pen neer en staarde lange tijd zwijgend naar Stephen. Alsof ze iets wilde vragen, maar niet goed durfde of wist hoe ze haar vraag moest formuleren. “Ik zou televisie wel leuk vinden.”

Stephen keek verstrooid naar Ellen. “Wat zei je?”

“Televisie. Leuk.”

“Hebben we toch al.”

“Nee, echte televisie bedoel ik. Net als in die oude verhalen.”

“Er is geen televisie meer.”

“Op de Maan hebben ze dat wel.”

“En hier hebben we dat niet.”

“Jammer.”

“Ja… inderdaad.”

Opnieuw viel er een stilte, maar de pen bleef nog altijd onaangeroerd op tafel liggen. Ellen staarde nog steeds naar Stephen. “Denk je dat we ooit op de Maan komen?”

“Daar is weinig kans op.”

“Vanwege de koorts?”

Stephen knikte bevestigend. “Gesteld dat ze daarboven weten dat er nog gezonde mensen zijn hier.”

“We zijn toch dra-gers.”

“Inderdaad… zo heet het… als je wel de koorts hebt, maar er niet ziek van wordt.”

“Als je ziek wordt hè… Verander je dan altijd in een monster?”

“Mm… ja.”

“Heb je dat wel eens zien gebeuren? Ik bedoel… Met eigen ogen?”

“Nee, dat niet. Papa vertelde er altijd verhalen over.”

“O… oké.”

Hij deed zijn uiterste best niet geïrriteerd te lijken. Ellen mocht alles zeggen en vragen. Vandaag tenminste. Hij was niet altijd zo geduldig. Stephen kon erg kortaf reageren. Net als papa.

“Zou je op de Maan willen wonen?”

“Natuurlijk. Al zou ik er aan moeten wennen. Al die mensen.”

“Ja, dat is wel een beetje raar dan hè.”

De sneeuwstorm duurde bijna drie volle dagen. Zoals gewoonlijk. ’s Middags werd het donker en dat bleef het ook tot de lucht eindelijk opklaarde. Dit gebeurde ’s ochtends, rond negen uur, toen Stephen en Ellen nog aan de ontbijttafel zaten. Jack was met de afwas bezig. Er werd niet gesproken.

Straks ging Stephen iets doen wat hij nooit eerder had gedaan. IJs zoeken. Ergens moest er een plek zijn waar je de rivier kon oversteken. En mogelijk hoefde hij lang zo ver niet te gaan. Het was een verplichting tegenover zichzelf en zijn zusje. Jack kon het allemaal niets schelen. Een robot had nu eenmaal geen emoties. De crash veranderde hun beider leven meer dan je zo op het eerste gezicht zou denken. Na de eerste ogenblikken waarin chaos overheerste in dat neergestorte toestel, moesten die mensen de zaken redelijk onder controle hebben. Er waren drie dagen gepasseerd. Ze hadden gekeken – natuurlijk hadden ze gekeken, en het was opgevallen dat er echte werkende verlichting aanwezig was in dat huis op die heuvel. Bovendien bleef er verdraaid weinig sneeuw liggen op dat dak, dus werd het huis verwarmd. Stephen moest onderzoeken. Het was een kwestie van tijd voordat die mensen hierheen kwamen. Ook al waren er talrijke valstrikken in de jungle aanwezig die het sterftepercentage in hun geledingen zouden opschroeven. Hoeveel mensenlevens wilden die mensen opofferen? Geen idee. Stephen zou het snel genoeg ontdekken.

“Wees je voorzichtig?”

“Altijd. Je kent me toch, Jack.”

“Ik heb het idee dat je het gevaar erg slecht inschat.”

“Wat kan me nou gebeuren?”

“Meer dan je denkt. Ook al zijn jullie tweeën immuun voor de koorts. Er blijven voldoende gevaren over in deze wereld,” zei Jack. “En voor het geval je iets geheim probeert te houden, raad ik je eveneens aan geen afgebroken vingernagels in je broekzak achter te laten. Vooral niet als ze rood gelakt zijn.” Hij haalde verontschuldigend zijn schouders op. “Een huisvrouwenkwaal. Ik controleer altijd broekzakken op inhoud voordat ik een broek in de wasmachine gooi.”

Helemaal vergeten. Stephen had die vingernagel afkomstig van de vampiervrouw weg moeten gooien. Niet gedaan. Stom. Zou nooit meer gebeuren. “Ik ken de wereld beter dan je denkt, Jack.”

“Het is geen echte mensachtige vingernagel, vreemd genoeg. Ik herken er een bekende programmatuur in. Die van je vader en mijnheer Harold had helaas ook zo zijn geheimen.”

Stephen zweeg en bleef Jack strak aankijken, knipperde zelfs niet één keer met zijn ogen.

“Het enige wat ik je wilde vertellen… voordat je zo akelig begon te reageren, beste jongen, is dat je voorzichtig moet zijn. Je hebt zo je verplichtingen tegenover je zusje. Mocht er wat met jou gebeuren, dan is ze helemaal alleen.”

“Ik moet weten of die mensen in dat wrak hierheen kunnen komen.”

“Dat lijkt me volstrekt reëel,” zei Jack.

“Dan zijn we het eens.”

“En doe toch maar voorzichtig.”

Af en toe verdacht hij Jack ervan echte gevoelens te hebben. Uiteindelijk lag er altijd een volstrekt logische redenering aan ten grondslag, dus geen emotie, maar keihard logica. Geen ware betrokkenheid, maar een simpele rekensom. Stephen moest voorzichtig zijn, anders bleef Ellen alleen achter. Ja, dit had hij zelf ook allang bedacht. ’s Nachts. Als hij weer eens naar dat vervloekte plafond lag te staren. Vandaag nam Stephen papa’s geweer mee. Er volgde een expeditie. Hij ging ergens heen waar hij nooit eerder was geweest. Vandaag bracht zijn zwerftocht hem op het ijs, of in elk geval in de nabijheid van ijs. Het lag nauwelijks voor de hand om direct al op dat ijs te gaan staan. Hij controleerde het wapen, en veronderstelde dat er voldoende patronen waren. Negenentwintig stuks. Al jarenlang dezelfde negenentwintig patronen. De planeet aarde bood al lange tijd een verlaten aanblik. Er waren geen mensen meer. Alleen monsters die ooit mensen waren geweest. En computergestuurde verschijningen, keiharde energie, gebundelde materie, digitale restanten van een verdwenen beschaving. Mocht je spreken van een nieuwe levensvorm? Door papa geschapen. Hij trok de ritssluiting omhoog, verborg zijn hoofd onder de capuchon en verliet het huis. Eerst die aangebouwde ontvangsthal, gevolgd door een poort, de verborgen guillotine. Vandaag volgde er geen ontmoeting met die vampiervrouw. Hij ging rechtsaf. En dan slingerend omlaag langs een bonte verscheidenheid aan digitale geestverschijningen. Jack kwam mogelijk het dichtst in de buurt van een zelfstandig functionerende levensvorm. Die andere dingen waren weinig meer dan stukjes energie, want het zwaard van Ivanhoe was in werkelijkheid geen zwaard, maar energie. Wel vormvaste energie. Die afgebroken nagel van de vampiervrouw had zijn oorspronkelijke vorm behouden. Zouden ze nieuwe vaardigheden kunnen bijleren? Zoals de gevoelens van Jack. Het was een interessant idee. En tegelijkertijd een heel griezelige.

Zodra Stephen buitenkwam, en die bekende klik achter zich hoorde, begreep hij een belangrijke denkfout te hebben gemaakt. Veel te optimistisch. Wat had hij nou eigenlijk gedacht? Na een bijna drie dagen durende sneeuwstorm! Er lag zoveel sneeuw, dat het onmogelijk was ergens heen te gaan. Er waren hulpmiddelen nodig, zoals je in oude films wel eens zag, sneeuwscooters en dat soort dingen. Ski’s. Hij bleef enkele ogenblikken stilstaan. Ja, papa had met veel rekening gehouden behalve de barre winterse omstandigheden. Weifelend keek hij over zijn schouder. Binnen stond Ellen. Bij het raam. Stephen lachte en zwaaide. Godzijdank was Heuvel 18 redelijk begaanbaar. Er bleef weinig sneeuw liggen, omdat het erg lang duurde voordat de grond koud genoeg werd. Het vormde één van die onverklaarbare wonderen die deze heuveltop kenmerkte. In de winter lag er altijd wel sneeuw, maar nooit zoveel. Hij ging verder. Zelfs zijn enkels verdwenen deze keer in de kleverige brei. Alsof er ergens daarbeneden een kacheltje ging branden bij bepaalde temperaturen, zo’n koudesensor die aangaf als er sneeuw viel. Zou zoiets bestaan? Stephen glimlachte.

Papa had een perfect kasteel gebouwd voor hem en zijn zusje. Overal had hij aan gedacht. Zijn digitale verdedigers mochten niet verdwijnen onder een dikke laag sneeuw. Tegelijkertijd waakte hij ervoor dat er helemaal niets op de bodem lag. Het was een bizar idee. Of er was echt weinig gevallen. Enkele meters verderop kwam hij het eerste gevaar tegen, links, net voorbij de bocht. Stephen bleef behoedzaam rechts lopen… zover mogelijk bij dat beest met zijn stinkende kwijlende bek vandaan. Een hond. Of eigenlijk een monster. Ellen zou absoluut de zenuwen krijgen van dat smerige beest. Diens gele tanden, en stinkende bek, terwijl gekleurd slijm langs zijn tanden en onderlip droop. Oké. Hij voelde zich zelf ook nooit zo’n grote held in de nabijheid van dat mormel.

Stalen kettingen rammelden. Eerst heel zachtjes. Kennelijk duurde het even voordat de nabijheid van een menselijk wezen tot het beest doordrong. Daarna volgde er een woeste ruk. De ketting oogde als een strak gespannen veer. Het dier kwam grommend – en woest happend uit de bruinige mist tevoorschijn. Stephen richtte zijn wapen en dreigde hooguit. Het gaf schijnrust. Je richtte niets uit tegen zo’n monster. Zelfs een halfautomatisch wapen gaf geen zekerheid. Het beest had een spierwitte vacht, bloedrode vochtige ogen, maar alleen ’s winters. Wanneer de sneeuw verdween, veranderde de kleur van zijn vacht en werd lichtbruin. Op Heuvel 18 verdween de sneeuw. Buiten de omheining vaak niet. Er golden andere regels voor de bewoners van het huis en de jungle. Stephen liet het beest enige tijd wild aan zijn ketting rukken. Soms probeerde hij zich voor te stellen wat er zou gebeuren als die ketting brak. Onzin natuurlijk. Papa had die ketting sterk genoeg gemaakt. Er was nog nooit iemand in de kaken van dat beest terechtgekomen. En eigenlijk wilde hij het ook niet zeker weten. Net als de gevoelens van Jack, of die van zijn tweelingbroer Joe, het buitennetwerk. Er speelde een vage herinnering in Stephens hoofd. Het beest had oorspronkelijk een bruine vacht, dus ook als er sneeuw lag. ’s Nachts in bed, als hij weer eens naar dat plafond staarde, dacht hij hier over na. De jongen probeerde zich gerust te stellen. Alleen dan viel hij rustig in slaap. Het hoorde gewoon zo. En die valstrikken waren bedoeld om indringers buiten te houden. Ze oogden allemaal curieus, trokken onmiskenbaar de aandacht en sloegen vervolgens meedogenloos toe. Ivanhoe volgde een vast patroon, net als de vampiervrouw, die alleen verscheen als het betrekkelijk donker was, zoals enkele dagen terug voorafgaand aan die sneeuwstorm. En die draak kende geen enkele voorkeur en verkoolde alles en iedereen. Zijn lijfwachten waren beslist levensgevaarlijk.

Voor buitenstaanders waren ze gevaarlijk… oké, voor ingewijden net zo goed. Je moest voorzichtig zijn, nooit ondoordacht passeren, of dichterbij komen dan je normaal gesproken deed. Drie dagen terug kwam hij thuis met een rood gelakte nagel in zijn mouw. Erg vreemd. Hij was niet eens zo dichtbij geweest. Dus meestal gedroegen ze zich voorspelbaar. Niet altijd.

Stephen voelde de laatste tijd een toenemende behoefte met iemand anders over al deze kwesties te kunnen praten. Ellen was natuurlijk veel te jong. Ze begreep de helft niet eens van alle onderwerpen die zelfs Jack en hijzelf bespraken. Broer en zus scheelden bijna tien jaar. Het meisje was echt een nakomertje geweest en hij meende zelfs een ongelukje. Voor moeder een fataal ongelukje. Jack mocht niets weten van het buitennetwerk, maar had inmiddels een duidelijke aanwijzing gevonden dat er zoiets bestond. Natuurlijk was het belangrijk dat het huis verdedigd werd tegen indringers, maar dit was toch wel absurd. Of geloofde papa niet dat iemand buiten wilde komen? Weggaan was net zo riskant als binnenkomen. Er kwam werkelijk een dag waarop Ivanhoe dat blinkende zwaard dwars door zijn borstbeen stootte, of dat de vampiervrouw met haar messcherpe tanden zijn halsslagader in stukken scheurde.

Hij volgde het pad omlaag. Via deze kant ging het veel sneller naar beneden. De andere route was prettiger, ondanks alle valstrikken inclusief de meest dodelijke van allemaal, die stalen speer. Mogelijk kwam hij Maanschaduw tegen, een onverstaanbare lispelende figuur die meestal in het maanlicht zijn sikkel door de lucht liet zweven en met plezier binnendringers vermoordde. Hij was een van de niet-plaatsgebonden lijfwachten. Ja, absurd… bizar, maar wel Stephens thuis. Zijn hele wereld bestond uit een warm, veilig huis en daar omheen een buitenissige verzameling lijfwachten, wezens die het onderscheid niet wisten tussen vriend en vijand.

Stephen voelde zich een ontdekkingsreiziger. Zo’n onbezonnen dappere figuur uit oude boeken die met gevaar voor eigen leven de grenzen van het bestaan opzocht. Onbekende gebieden. Vreemde volkeren. Grote triomfen, maar ook treurige nederlagen, mannen die omkwamen in woestenijen van ijs of zand of water. Stephen ging vandaag voorbij de grenzen van het paleis dat aan hem en Ellen was achtergelaten. Het krot buiten, net voorbij die omheining, waar ook die ouwe man een tijdje had verbleven, beschouwde hij als een voorpost. Uitvalsbasis. En de muur vormde een prachtig kraaiennest, uitkijkpost of hoe zo’n ding op oude schepen ook mocht hebben geheten.

De ketting kon helemaal niet breken, want er was geen ketting.

Stephen ging verder. Het beest verdween in de mist. Al die dingen leefden dankzij een gegarandeerde onveranderlijkheid. Ze waren altijd hetzelfde. Over honderd jaar sprong dat smerige stinkende dier nog steeds net als vandaag uit die plotseling opdoemende bruine mist. En wellicht vormde de mist nou juist de enige waarschuwing dat er een vreselijke dreiging aanstaande was. Het maakte weinig verschil. Als je te dichtbij kwam, was je altijd te laat. Zou dat monster ook vastgeketend zijn wanneer er een indringer langsliep? Papa heeft alles gemaakt in de wetenschap dat Stephen en Ellen tussen deze verschijningen moesten leven. Die stonden in dienst van twee menselijke bewoners. Lijfwachten dus. Hij durfde het niet uit te proberen. Toch bleef het een interessant idee. Hij zou een mogelijkheid moeten bedenken om die vraag aan Jack te stellen. Zinloos. Waarschijnlijk gaf Jack het geijkte antwoord, namelijk over zijn software en dat hij geen handelingen buiten de gewone programmatuur om kon verrichten. En daarmee gaf hij uitsluitsel over die wezens buiten in de jungle. Stephen bukte. Er hingen versteende wit gekleurde takken over het pad. Heel voorzichtig… Niet wegglijden…

Een eindje verderop scharrelde Maanschaduw rusteloos tussen bomen en struiken. Hij was er elke dag, maar alleen als de opkomende zon te weinig licht over die versteende ijssculptuur heen kon tillen. Een nachtwezen. Net als de vampiervrouw. Over zijn knokige schouders hing een donkerbruine bijna zwarte jas die tot zijn enkels reikte. Maanschaduw vertelde continu volkomen onverstaanbare verhalen. Stephen probeerde wel eens te luisteren en bleef staan. Geconcentreerd, maar tevergeefs.

Maanschaduw vormde misschien wel zijn allergrootste dreiging, omdat hij niet gebonden aan een vaste locatie mocht ronddwalen over het terrein. Je kon hem overal tegenkomen. Hij gebruikte zijn gitzwarte zeis ter ondersteuning, zodat je continu wel ergens een zachte TIK hoorde. Stephen wist dat Maanschaduw zich in zijn nabijheid bevond. Papa waarschuwde altijd voor hem. Overdag had je natuurlijk betrekkelijk weinig te duchten, maar ’s nachts jaagde hij op indringers en het maakte Maanschaduw weinig uit waar ze vandaan kwamen. De allergrootste dreiging bestond uit zijn voorkomen, zijn onophoudelijke onverstaanbare gebabbel. Je was geneigd te blijven luisteren, zodat hij langzaam naderde en tenslotte meedogenloos uithaalde met die vlijmscherpe zeis. Net zo dodelijk als het zwaard van Ivanhoe, of de nagels en tanden van vampiervrouw. Stephen begreep niet goed waarom papa hem zo gemaakt had, het voegde een vreselijk onvoorspelbaar element toe aan de jungle. Vermoeide zonnestralen klommen langzaam naar een hoger punt in het zenit, moeizaam over die ijssculpturen heen. Maanschaduw verdween in het licht, maar je hoorde nog steeds die TIK een eindje verderop. Stephen liet hem achter tussen zijn bevroren bomen en struiken, een ijzig wit roerloos tableau. Hij wilde naar het kraaiennest en daar had je een volmaakt zicht op het Veld der Geesten. Misschien zag hij het gecrashte schip liggen, grote stukken verwrongen metaal of alleen heel veel sneeuw.

Je kwam niet zomaar bij die muur. Papa bereidde altijd een allerlaatste verrassing voordat je in veiligheid was. Langs de muur strekte zich een onschuldig ogend vennetje uit, bijna tien vierkante meter, maar behoorlijk diep. In zijn nachtmerries verschenen er wel eens monsters waar je normaal gesproken het half overdekte terras voor moest betreden, omdat je anders geen behoorlijk zicht had op de rivier. Soms leek er een onaardse verbinding te bestaan. Dat was natuurlijk onzinnig. Stephen beschikte over een goed ontwikkeld evenwichtsgevoel, omdat er vijf grote platte keien in het water dreven. Nou ja, water… Hij noemde het water, omdat er geen andere uitdrukking voor bestond… en anders zou Stephen dat spul gelei moeten noemen. Er leefden geen echte wezens in het vennetje… Poel des Levens… want het spul leefde en als je ook maar het minste druppeltje in beroering bracht, was je leven in gevaar. Hij hoefde slechts tweeënhalve meter te overbruggen, en het toverwoord luidde ‘kalmte’. De Poel des Levens weerhield hem ervan hier vaker te komen. Vandaag eiste zijn missie een oversteek, omdat er een geïmproviseerd trappetje was neergelegd. Papa kende misschien een heel andere route, had echter verzuimd Stephen in te lichten. Geheimen. Jack merkte het daarstraks terecht op.

De zon verdween achter een wolk en Maanschaduw stond amper tien meter verderop. Hij babbelde, onverstaanbaar, zoals altijd. Stephen greep zijn halfautomatisch wapen steviger vast, concentreerde zich en zette de eerste stap. De steen wiegde een beetje. Er gebeurde niets. Het oppervlak bleef rimpelloos, net een spiegel, maar Stephen ontweek zijn eigen reflectie. Kijken was verboden. Papa waarschuwde hem meer dan eensmen beval Stephen feitelijk rechtstreeks, nooit ofte nimmer in deze uithoek van de jungle te komen. Hij vroeg zich af waarom papa de naam “Poel des Levens’ aan deze schijnbaar onschuldige valstrik had toegekend.

Hij concentreerde zich wederom op de oversteek, en verdreef vaders waarschuwing uit zijn gedachten. Hij hoorde een treiterige TIK, harder dan normaal, maar volhardde en zette zijn voeten op de tweede steen, die een beetje lusteloos heen en weer wiegde. Er gebeurde verder niets. TIK. Opnieuw die irritante verschijning. Maanschaduw volgde zijn verrichtingen met meer dan gemiddelde interesse. Net zo abnormaal als de witte vacht van het beest. Stephen wist zeker dat diens oorspronkelijke kleur bruin was geweest. De capuchon verhinderde een snelle blik over zijn linkerschouder. Hij haalde diep adem en liep snel maar gefocust verder… steen nummer drie, vier èn vijf in relatief hoog tempo… Het draaide inderdaad om evenwicht. Niets anders. Die laatste steen schommelde meer dan de andere vier. Kon ook bijna moeilijk anders. Stephen besloot direct tot een sprongetje naar de bevroren bodem. Veilig. Hij draaide zich om. Maanschaduw moest er nog altijd zijn. Stephen wilde hem triomfantelijk in de ogen kijken, uitdagend.

‘Volg mij dan… hierheen… als je kunt.’

Je moest geen gesprekken aangaan met digitale geestverschijningen in papa’s jungle. Zinloos. Maanschaduw schoof het lange dunne grijze haar opzij, maar het viel direct weer terug. Er lag een akelig heldere glans in zijn ogen, eentje die Stephen nooit eerder had waargenomen. Een lange magere vinger wees naar zijn eigen borstkas. “Maanschaduw.” Vervolgens strekte hij zijn lange licht trillende arm. Ondanks de grote afstand voelde Stephen een dreigende toenadering. “Zonnewind.” Voor het eerst verstond hij wat Maanschaduw zei. Dus zijn onverstaanbaarheid was inderdaad gewoon een trucje. Maanschaduw stelde een zekere gemeenschappelijkheid vast. Allebei zwierven ze regelmatig rond in dit park. Stephen voelde een tot neerslachtigheid stemmende herkenning opkomen.

Hij lachte niet meer. Staarde langdurig naar Maanschaduw, terwijl er een beklemmend idee hem bijna letterlijk de adem benam. Was dit dan zijn toekomst? En dat van Ellen? Een rondslenterende schim, die in de schaduw van Zon en Maan zijn werk verrichtte. Om nog vele tientallen jaren in deze parkjungle te lopen, voorzichtig sluipen, en Ellen zou niet durven en sloeg elke keer angstig gade. Jack onttrok zich als gebruikelijk aan dit gedeelte van hun dagelijks leven en onderhield hun geheimzinnige energiebron. Zijn zusje zou altijd één van die vijf verrekijkers gebruiken, zorgvuldig op een statief geplaatst en gericht op een specifiek doel… De Maan… het Veld der Geesten… Het vervallen huis net buiten de omheining… Het territorium waar Maanschaduw zich doorgaans ophield… De vampiervrouw… De verrekijkers waren ook papa’s werk en misschien was mama het wel geweest, omdat ze urenlang verlangend omhoog keek naar de onbereikbare Maan en dat prachtige eeuwig veranderende kleurrijke mozaïek bestudeerde.

Stephen vroeg zich af of papa dit wel zo leuk heeft gevonden. Je moest je immers met het hier en nu bezighouden. Geen onbereikbare verlangens. Die moest je onderdrukken. Toch begreep hij mama wel. De koorts zou hij nooit kunnen krijgen. Stephen en Ellen waren slechts dragers. Ze konden andere mensen besmetten. Dat wel. Het betekende tevens dat Stephen inderdaad de komende zestig jaar dagelijks op dit terrein zou rondzwerven – net als Maanschaduw. Stephen had een echte bijnaam gekregen… Zonnewind. Het woord droeg een betekenis met zich mee. Ze zouden elkaar tegenkomen. Dagelijks. En Stephen werd ouder. In tegenstelling tot Maanschaduw. Dat was zijn boodschap geweest. “Zonnewind, alles blijft altijd hetzelfde.” Stephen beklom heel zorgvuldig de trap die uit los op elkaar gestapelde keien bestond. Toch leek het eindresultaat erg stabiel. Bovenop die winderige muur nam Stephen zijn belangrijkste beslissing ooit.

Stephen schopte eerst restjes smeltend sneeuw opzij. En daarna nam hij het besluit, al had Stephen geen idee hoe hij zijn voornemen moest uitvoeren of wat de reactie van Ellen zou gaan worden. Hij zou -hoe dan ook- niet oud worden binnen de veilige muren van papa’s huis op heuvel 18. Zijn voornemen behelsde tevens een grote onzekerheid. Waar moest je heengaan op deze aarde zonder menselijke bewoners? Hij glimlachte heel eventjes, al was het een plichtmatige glimlach. Hijzelf leefde natuurlijk nog, en Ellen uiteraard. Dus mocht je verwachten dat er meer moest zijn. Steden wellicht. Niet meer zo groot als vroeger. Maar toch. Het werd tijd om uit papa’s schaduw te stappen en een nieuwe gedurfde onderneming te beginnen. Een wereld te ontdekken.

Stephen keek omlaag. De rivier verwijderde zich van het huis en verdween enkele tientallen meters verderop onder het ijs dat er bijna altijd moest liggen. Het weidse uitzicht verdreef zijn neerslachtige stemming een beetje. Ver weg in het zuiden hing een krachteloze zon boven de vlakte. Er waren hoogteverschillen. Een milde bries betastte zijn gezicht. Stephen trok de ritssluiting omlaag, en schoof zijn capuchon terug. Die verschillen in hoogte werden onder andere veroorzaakt door stedelijke ruïnes, enkele maanden terug verdwenen onder dikke lagen sneeuw. Tijdens de zomer smolt die sneeuw nooit meer helemaal. Er bleef altijd wel iets achter. Hij staarde nadenkend omlaag en overwoog zijn kansen als hij naar beneden sprong. Drie meter hoog. Er lag een dikke laag sneeuw, bijna anderhalve meter tegen de muur. Vijf meter lopen en je stond aan de rivieroever. Onbegonnen werk. Hij kwam nooit door die dikke laag sneeuw heen. Het was te vroeg. Hij moest enkele weken wachten. Stephen zuchtte diep. Eigenlijk wilde hij omlaag springen, de wereld gewapenderhand ontdekken.

Hij vergat zijn impuls. Richtte zich op een terugkeer naar huis. Met een beetje geduld en nog meer voorzichtigheid moest je over die muur kunnen lopen en dat krot bereiken. Uiteraard was de ondergrond erg glad, maar zijn schoenen waren voor dit terrein gemaakt. Er kon niets gebeuren. Hoogstens een val in anderhalf meter diep sneeuw. Dat overleefde je wel. Zolang hij naar de juiste richting zou neervallen, mocht dat gebeuren, want je wist nooit welke dodelijke valstrik je activeerde. Gelukkig hielp die bijzondere klimatologische omstandigheid rond Heuvel 18 bij zulke expedities. Zelfs op de vijftig centimeter brede muur bleef haast geen sneeuw liggen. Stephen verwonderde zich er wel eens over dat papa zo’n grote dikke muur heeft gebouwd – en misschien stond die muur er al toen hij er jaren terug kwam wonen. Gewoon gebruikmakend van bepaalde omstandigheden, een ontvolkte aarde, en je kon je keuze laten vallen op elk willekeurig gebouw dat aan je voorwaarden voldeed. Zo moest het ongeveer zijn gegaan, bedacht Stephen. Papa en mama hadden domweg een gebouw in bezit genomen. Het stond er al. Net als deze muur waarop Stephen momenteel liep. Ideale omstandigheden. Passend bij een vooruitziende blik. En niet iedereen was een dergelijke gave gegund. Zoals papa. Die dacht altijd enkele stappen verder dan alle andere mensen. Niet ver genoeg blijkbaar. Anders woonden Ellen en hijzelf momenteel op de Maan, of Mars. Stephen keek opzij. Op de andere rivieroever, langs een steile half vermolmde beschoeiing, had iemand een knalgeel bord neergezet met slordig geschilderde rode letters…

HIER BEGIND HET KONINGKREIK VAN DE KAKKURLAKKEN

Stephen moest zijn verrekijker tevoorschijn halen, omdat hij aanvankelijk niet eens geloofde wat er stond. Er had een enorme hoeveelheid sneeuw gelegen, maar die was over de beschoeiing heen gezakt en lag inmiddels op het ijs.

Talloze verfdruipers bemoeilijkten de leesbaarheid. Stephen plaatste zijn voeten verder uit elkaar, stond wat steviger en nam ruimschoots de tijd om die tekst goed tot zich door te laten dringen. Er zaten spelfouten in die regel, maar het belangrijkste was dat er niet ver hier vandaan een gemeenschap moest bestaan. Met echte levende mensen. Die net zo min als Ellen en hijzelf welkom waren in de buitenaardse koloniën… Heel even dacht hij terug aan dat spannende ogenblik tien maanden geleden, toen die oude man tegen de boomstam werd gespietst. Zou het zo vreemd zijn om te denken dat hij afkomstig was uit het dorp… de stad… Hoe je tegenwoordig zoiets ook moest omschrijven. Geen idee eigenlijk. Stephen liet de verrekijker zakken. Hij staarde peinzend om zich heen.

Eerst links. Waar schijnbaar levenloze bomen en dicht struikgewas roerloos wachtte… een schitterende zilveren verleiding, bloeddorstig loerend naar argeloze voorbijgangers. Rechts wachtte een uitgestrekte lege wereld, maar niet zo vreselijk leeg als hij tot nu toe meende. Er waren mensen. Jack zou er ongetwijfeld een scherpe analyse op loslaten. Stephen glimlachte. Je moest er toch ooit eens gaan kijken… stiekem… heel voorzichtig, omdat je voorbereid moest zijn op vijandige reacties. Papa vertelde daar dikwijls verhalen over. Mensen zochten elkaars gezelschap, omdat mensen nu eenmaal kuddedieren waren. In een gemeenschap was je sterk. Vroeg of laat deed iemand een stap naar voren en liet zichzelf chef noemen. Ooit – En dat gebeurde altijd, want mensen konden niet anders, en vaak werd zo’n man tot leider benoemd, of koning van de kakkerlakken. Met of zonder spelfouten. Stephen keek opnieuw door zijn verrekijker. Het bord oogde erg vers… nieuw en als hij deze route niet had genomen vanwege het gecrashte toestel zou Stephen het nooit hebben gezien. Kakkerlakken…

Dit zou een spectaculaire ontdekking moeten zijn, maar Stephen zag slechts de nodige bedenkingen. Jack zou uiteraard eindeloze tegenwerpingen bedenken, zeer logische argumenten formuleren en Stephen zou weinig anders kunnen doen dan hem gelijk geven. Welke gemeenschap noemde zich nou het ‘koninkrijk van de kakkerlakken’? Het was gewoonweg idioot. Je zou een eervolle naam verwachten, eentje waar je trots op kon zijn.

Stephen verlegde zijn aandacht. De verrekijker werd haast magnetisch aangetrokken door het gecrashte ruimtetoestel dat zo goed als volledig onder een dikke laag sneeuw was verdwenen. Daar konden nog mensen leven, afkomstig uit één van die welvarende sterrenkoloniën. Het duurde een tijdje voordat hij iets vond. Bewijs. Een stukje metaal dat boven de sneeuw uitstak. Stephen ontdekte nog iets. Een vermoeid omlaag hangende blauwe vlag. Er prijkte enkele sterren op die vlag. Goed. Europa dus. Het was een Europees toestel. Met het blote oog verdween die eenzame vlag in de grootse verlatenheid. Zijn verrekijker bracht dat toestel dichterbij. Zouden ze wachten op redding, of gingen de overlevenden een expeditie ondernemen naar dat verlichte huis? Stephen knipperde enkele malen met zijn ogen en vervloekte zichzelf, omdat hij een zonnebril was vergeten. Hij staarde naar het ijs, zag bijna tien meter verderop het bekende open water en natuurlijk gleed één van die afschuwelijke monsters afwachtend voorbij. Mensen. Maar dan gemuteerd. Door het virus. Opnieuw plaatste hij de verrekijker tegen zijn rechteroog en keek. Er waren enkele mensen, gekleed in parka’s net als Stephen. Dus geen geavanceerde ruimtepakken. Hij liet verbaasd de verrekijker zakken en keek enkele seconden later opnieuw. Die mensen zwaaiden energiek met hun armen. Zochten zijn aandacht. Hij betrapte zichzelf op een zekere weerzin. Mensen. Ziekteverwekkers… Nou ja… In elk geval geen kakkerlakken.

Besluiteloos bleef hij staan. Natuurlijk trok hij stilstaand op de muur geweldig veel aandacht, kijkend, loerend, gebruikmakend van een kleine inschuifbare verrekijker. Zijn stoutmoedige voornemen om de wereld desnoods gewapenderhand te veroveren was compleet verdreven. Hij verborg de verrekijker, greep het halfautomatische wapen steviger vast en ging verder. Negeerde de groep zwaaiende en mogelijk schreeuwende mensen bij het wrak. Genoeg ontdekkingen voor één dag.

Er waren mensen in de open lucht bij dat neergestorte toestel zonder enige angst voor een dodelijk muterend virus. In de nabijheid van Heuvel 18 bevond zich een kleine nederzetting. Hij glimlachte bij het bedenken van deze zegswijze. Inderdaad. Een nederzetting. Zo noemde je dat. Een groepje gelijkgezinde mensen. Papa zei het vroeger al. Ze benoemden eerst een chef en legden vervolgens de grens van hun territorium vast. Het koninkrijk van de kakkerlakken.

Misschien was het een goed idee om dat toegangsdeurtje naast de portierswoning weer te barricaderen. Het kon. Al deed hij het normaal nooit. En vervolgens terug naar huis. Rustig nadenken over alles wat hij vandaag had gezien.

Benieuwd wat Jack zou zeggen.

Eenmaal bij de woning, vroeg Stephen zich af of hij hem wel zou inlichten.

Jack was immers maar een robot.


picknick

Jos Smies's avatarKorte verhalen & feuilletons

Geloof me. Ik had werkelijk geen idee.

De buren woonden ruim vijftig jaar samen. Twee mensen die elkaar door en door hadden leren kennen. Hij was langer gepensioneerd dan hij had gewerkt. Ze woonden tegenover me. Ik ben een keer bij die mensen in huis geweest en het zag er uit alsof de tijd stil was blijven staan. Elvis Presley moest zijn eerste plaatje nog opnemen.

Hij vroeg me eens een kistje sigaren mee te nemen. Zijn dochter wilde niet dat hij nog rookte, maar zijn vrouw vond die geur zo lekker en ‘je moest toch ergens dood aan gaan’. Buurman lachte enkele bruine tanden bloot en ik lachte een beetje schaapachtig mee, alsof hij een geweldige mop had verteld.

Het kostte wel enige moeite om zijn sigaren te vinden. In winkel nummer vier vond ik het merk dat hij opgegeven had. Ik zweeg over alle moeite die ik had…

View original post 2.676 woorden meer


KOOIVOETBAL

Jos Smies's avatarKorte verhalen & feuilletons

Regels waren er niet. Alles mocht. Het spel werd gespeeld door twee teams met elk drie spelers. Een duistere variant op voetbal. Normaal gesproken werd er gespeeld op goed onderhouden grasvelden. Nu waren het duistere achterafstraatjes. Flatgebouwen zonder liften en balkons vormden bergen van steen, een perfecte barrière. Auto’s kwamen rond middernacht de wijk binnen, koplampen waren zoeklichten die een kooi zochten. Het adres was kort van tevoren vrijgegeven per SMS en daar moest stevig voor betaald worden. Het waren grote bedragen die tevens als inleg dienden.

Kooivoetbal was begonnen in Utrecht, een uit de hand gelopen weddenschap, waarbij er ineens gesproken werd over een paar duizend euro’s. Snel verdiend geld en er waren zes kerels nodig die voetbalden tot er één team met twee punten voorstond. Er was geen scheidsrechter bij de wedstrijden aanwezig. Niet nodig. Alles mocht immers.

In het begin lag de organisatie bij twee jonge broers…

View original post 1.742 woorden meer


de drakentuin – een avontuur van tom van alsem

Het onderbewustzijn van Tom was levensgevaarlijk terrein. Sinds twee maanden beschikte hij over bijzondere gaven en stond in kleine kring bekend als tovenaar. Vervelend genoeg waren er in zijn wereld geen mensen die konden vertellen hoe hij met zijn talent om moest gaan. Nu gebeurde er overdag nooit zoveel, maar ’s nachts wilde er wel eens een risicovolle gedachte aan zijn brein ontsnappen. Zijn moeder ontdekte voor het eerst dat er iets bijzonders aan de hand was toen ze zijn bed zwevend boven de grond aantrof. Natuurlijk geloofde ze haar eigen ogen niet en nog minder haar herinnering de volgende ochtend. Ze vond het verstandiger te wachten, te kijken of het nog eens wilde gebeuren. Omdat het verschijnsel zo bizar was geweest, besloot mevrouw Van Alsem niets te zeggen tegen haar echtgenoot die ongetwijfeld zou denken dat ze stapelgek was geworden.

Tom ontdekte de waarheid achter zijn losgebroken onderbewustzijn eveneens in de nachtelijke uren. Hij opende zijn ogen en een mysterieus blauw licht vulde zijn slaapkamer. Het was zijn computer, een tekstdocument met blauwe achtergrond. Hij kwam dichterbij. In slordig genoteerde zinnen, veelal zonder hoofdletters, punten en komma’s, stond er heel gedetailleerd beschreven wat hij had gedroomd. Onnodig te zeggen dat Tom die nacht vrijwel geen seconde meer sliep. Volgende ochtend informeerde zijn moeder terloops of hij goed had geslapen. Tom mompelde ‘matig’ en besloot het onderwerp verder te negeren.

Zijn moeder duwde elke nacht heel eventjes de deur van zijn slaapkamer open en checkte of ze het bed opnieuw boven de grond zag zweven. Zijn onderbewustzijn maakte gebruik van de computer die als perfecte bliksemafleider fungeerde. ’s Ochtends controleerde hij altijd de teksten die er op het beeldscherm waren ontstaan. Vaak ging het om verwarrende, moeilijk leesbare verhalen. Allemaal onzin. Hij bewaarde het document. Dat weer wel. Elke avond, voordat hij ging slapen, opende hij het document en zocht de laatst genoteerde woorden. Het was net zo natuurlijk geworden als tandenpoetsen. Bijna twee weken leek het een perfecte oplossing voor het probleem, zijn onderbewustzijn was onder controle. Hij sliep ’s nachts weer goed en zijn moeder begon te vergeten dat ze zich had voorgenomen elke nacht naar binnen te kijken.

Op een donderdagavond vergat hij het ritueel. Misschien verkeerde hij in de veronderstelling dat hij zijn pc ingeschakeld had gelaten, maar dat was niet het geval. Tom ging slapen zonder bliksemafleider die al zijn dromen en nachtmerries zou kunnen aftappen. Zijn hoofd viel op het kussen, ogen vielen dicht en hij bevond zich weldra in de Bossche Tweelingstraat. Hij had er eerder gelopen. Verderop waren vier motorrijders stil blijven staan en eentje wees er naar een café dat Tom moest betreden. Tom draaide zich om in bed en alle beelden vervaagden weer. Morgenochtend wist hij zich niets meer te herinneren en het langzaam uitdijende tekstdocument bevatte nu eens geen verse teksten.

Een boomtak tikte ritmisch tegen zijn slaapkamerraam, alsof iemand, al dan niet een bekende, probeerde binnen te komen. De geest van Tom daalde af naar een onbekende, duistere wereld. Zijn bed kwam los van de vloer, maar daalde ook weer tot het de keiharde bodem raakte. Tom begon minder diep te slapen en uiteindelijk opende hij zijn ogen.

Er hing een broeierig rood licht in zijn slaapkamer die alle vertrouwde kenmerken was verloren. Rookslierten kronkelden over de vloer, alsof de pijn van duizend zielen er in was opgenomen. Tom had vreselijke hoofdpijn, wilde zijn hoofd laten terugvallen op het kussen. Er klonk muziek, een vaag stampend gedreun dat soms dichterbij leek te komen. Het was tijd om op te staan en Tom plaatste zijn voeten op de vloer, of wilde dat doen, maar constateerde dat ze verdwenen in een wolk.

Hij zocht een verschijning – er was altijd wel een verschijning op dit soort ogenblikken. Al wist hij nooit goed wie zich wilde vertonen en waarom. Misschien hing het af van zijn humeur. Ver weg hing een vervaagde zon – normaal een lichtbron. Tom dacht dat er sprake moest zijn van een afwijkende wereld met totaal andere atmosfeer. De muren van zijn slaapkamer waren verdwenen. Hij kon kilometers ver kijken. Heuvels stegen op uit een vlak land, loodzwaar ogende wolken drukten de toppen omlaag.

Zijn bewustzijn ontwaarde een kudde eenhoorns die waren geschrokken van een of ander gevaar. Tom probeerde te ontdekken wat het was geweest en zag wolven met menselijke koppen en ze maakten jacht op de dieren die een glanzende vacht bleken te hebben – ‘zilver’, dacht Tom.

Walgend keerde hij zich om. Toen hoorde hij de stem die toebehoorde aan een man die ruim twee maanden geleden een ongezonde belangstelling voor hem had getoond. De vier natuur-krachten, onder aanvoering van Witoog, hadden hem uitgeschakeld, of opgedragen de jongen uit Utrecht niet langer lastig te vallen. Nou ja – er bestonden kennelijk andere regels voor zijn eigen onderbewustzijn.  

-Dag jongen.

Het was Sluijters. Natuurlijk was hij het. Mogelijk wilde hij het gesprek voortzetten dat begin september door de vader van Tom abrupt was onderbroken.

-Hallo.

-Je klinkt niet erg verbaasd.

-Nee. Waarom zou ik?

-Het hoort bij je leeftijd om alles maar normaal te vinden.

-Voor mij is het dat ook. Tegenwoordig wel tenminste.

-Heb je enig idee waarom ik je onderbewustzijn ben binnengedrongen? Nee hè? Ik heb je de afgelopen weken gevolgd en vind het ronduit treurig om te zien hoe je zo normaal mogelijk probeert te leven. Voor het geval je de echte boodschap nog steeds niet snapt… Je bent een tovenaar… je hebt de gave… jij zult je leven echt niet slijten achter het bureau van een stoffig overheidskantoor.

-Waar bemoei je je mee, oude man?

-Ik ben de vrucht van je verbeelding… Je angsten ontsnappen aan je onderbewustzijn en krijgen vaste vorm… Je maakt me sterker… en sterker.

-Bullshit.

-En je spreekvaardigheid gaat er ook niet op vooruit. Wat is dat nou weer voor een woord? Bullshit?

Ver weg op de vlakte stortten enkele wolven zich op een eenhoorn die achterop was geraakt. Menselijke kaken boorden zich in warm vlees en Tom meende zilverkleurig bloed te zien stromen.

-Je hebt me nodig om je gave te leren beheersen. Je kent mijn winkel. Kom me nou eens opzoeken. Ik ben een aardige man, geloof me.

Tom bleef ondertussen naar de wolven kijken die stukken vlees losrukten van de eenhoorn.

Sluijters wilde een vriendschappelijke hand op de schouder van Tom legde die onmiddellijk achteruit stapte.

-Denk er eens over na. Je weet waar je me moet zoeken.

Nog altijd keek Tom naar de vretende wolven.

-Ik denk dat ik zojuist vegetariër ben geworden.

Sluijters draaide zich om en liep niet weg, maar verdween, na één enkele stap, in het niets.

Tom bleef achter en zocht naar de wolven die nog altijd hun honger probeerden te stillen, maar zag grillige schaduwen op het behang van zijn slaapkamermuur. Buiten was de wind gaan liggen, er tikte tenminste geen tak meer tegen het raam. Niet langer een broeierig rood licht, maar gewone duisternis.

Weifelend bleef hij staan. Tom schakelde eerst zijn computer weer in. Het duurde lang, net zo lang als normaal, maar het scheen veel meer tijd in beslag te nemen. Tenslotte klikte hij op het icoontje van zijn nachtdocument en zocht de laatste woorden van gisternacht. Daarna ging hij naar bed.

*****

Volgende dag nam hij tijdens de middagpauze stilzwijgend plaats aan tafel. Enkele van zijn vrienden hadden plaatsgenomen en er vonden gesprekken plaats over allerlei onderwerpen. Sophie zat tegenover Tom en bestudeerde hem met een diep bezorgde blik in haar ogen.

“Is er iets?”, vroeg ze.

“Eh, alleen een beetje slecht geslapen, da’s alles.”

“Nachtmerrie gehad?”

“Zoiets, ja.”

“Over Sanne?”

“Nee.”

Sophie staarde heel eventjes twijfelend omlaag, naar de tafel. “Voor het geval je erover zou willen praten,” zei ze.

“Ja, ik weet het, dank je, maar geen dank,” zei hij.

“Bijna weekend,” zei Chris die zijn kreet als een baksteen in een vijver met stilstaand water gooide.

“Gelukkig wel,” reageerde Tom die ontspannen achteruit begon te leunen. Voorlopig volgden er geen moeilijke gespreksonderwerpen meer.

“Ga je nog iets doen?”

“Naar Den Bosch, familiebezoek, voor het eerst in lange tijd. Is ook wel weer eens leuk.”

“Je nichtje Astrid,” zei Sophie.

“Ja, ik ben benieuwd, ze schijnt echt veel beter te zijn geworden.”

“Ze tekent toch heel goed?”, vroeg Sophie.

Tom knikte. “Geen elfjes, maar enge draken.”

“Maak ‘ns een foto van haar werk,” vroeg Chris.

“Ik dacht dat ze al een website had… een weblog of zo,” antwoordde hij. “Hopelijk vergeet ik er niet naar te vragen.”

“Deelt ze dat niet op facebook?” Opnieuw kwam de vraag van Chris.

“Nee, instagram, dacht ik. Geen facebook.”

“Facebook is uit. Dat weet je toch?” Emke bemoeide zich voor het eerst met het gesprek.

“O ja, helemaal vergeten,” zei Chris.

“Je ouders hebben toch net een account aangemaakt op facebook. Die mensen denken dat dat nog helemaal hip is,” zei Tom met een grijns op zijn gezicht.

“Ja ja, lach er maar mee, ze zijn er ontzettend trots op,” zei Chris, “ze vinden zichzelf he-le-maal modern.”

“Ach, misschien heb je wel gelijk,” zei Tom.

Hij maakte zijn broodtrommeltje open en pakte een boterham met kaas. Terwijl hij dit deed, mompelde Sjors een onverstaanbare groet en ging eveneens zitten, zodat het gezelschap bijna compleet was. Alleen Rien, de neef van Aafke, ontbrak nog.

****

Het was zaterdag – vroeg in de middag. Ze vertrokken om twee uur naar Den Bosch; vader, moeder en Tom.

Zijn oom en tante woonde in een oud huis langs de Oude Vlijmenseweg. Ze waren de derde generatie die zich eigenaars mochten noemen en alle voortekenen wezen erop dat Astrid er eveneens lange tijd zou wonen. Erg groot was het huis niet eens, maar het herbergde talloze kamers, omdat het was ontworpen voor een gezin met acht kinderen.

Tom vond de tuin het mooist. Bijna zeventig meter diep. Er stonden veel verschillende soorten bomen, fruitbomen zelfs, struiken en natuurlijk was er een vijver met karpers. Helemaal achteraan, achter bijna verwilderd struikgewas, lag het basketbalveld. Daar was Astrid meestal. Niet vanwege de sport. Nee, het asfalt leende zich uitstekend voor prachtige tekeningen.

Ze kwamen binnen via een deurtje dat zich aan het einde van de oprijlaan bevond. Het bood toegang tot die geweldige tuin. Eerst betrad je het terras en als je rechts keek ontvouwde zich een terrein dat aan een sprookje deed denken.

“Goed, ga maar,” zei zijn moeder, terwijl er een prettige glimlach rond haar lippen speelde.

“Je weet me te vinden,” antwoordde hij en zocht het trappetje met zijn diep uitgesleten treden. Zijn vader begon het gesprek met oom Dick over vissen en vijvers. Volwassenen voerden altijd dezelfde gesprekken. Er waren kleine variaties, maat vaak dezelfde onderwerpen. Zijn vaders stem stierf weg boven het wateroppervlak. Binnenkort zouden ze zelf ook wel zo’n vijver krijgen in de tuin. Je kon er op wachten.

Links een statige muur, rechts een heg die hoog boven zijn hoofd uittorende en misschien moest die heg wel voorkomen dat hij in de vijver viel die veel dieper scheen te zijn dan je zou denken. Zijn oom en tante hielden van een dicht begroeide verwilderde tuin. Tom volgde een smal pad dat bijna willekeurig kronkelde langs lage struiken. Oude bomen vormden een natuurlijk schild tegen fel zonlicht.

Het was een warme dag vandaag, gezien het late herfstseizoen één van de laatste prettige dagen van het jaar. Begin november en bijna twintig graden. Tom herkende het basket, zonder een netje natuurlijk, want dat was jaren geleden al gesneuveld. Astrid werkte er aan een fabeldier. Hij liep geruisloos verder. Het was een sport zo stilletjes mogelijk bij het basketbalveld te geraken. Soms duurde het erg lang voordat Astrid zijn aanwezigheid opmerkte. Ook al had ze zo’n goed gehoor. Tom naderde volledig geluidloos. Ze hoorde hem nooit. Haar tengere gedaante doemde op tussen dunner wordende begroeiing, haar borsten en heupen waren duidelijk maar niet prominent zichtbaar. Astrid deed juist enkele stappen achteruit, zodat ze haar werk beter kon bekijken. Tom ontweek een tak met smerige doorns en bleef staan. Nu moest ze hem kunnen zien.

Op het asfalt lag een grote draak – die zijn snuit tegen een glazen vloer gedrukt leek te hebben. Alsof hij elk ogenblik uit zijn onderaardse gevangenis zou kunnen ontsnappen. Astrid gebruikte erg veel zwart en rood, een beetje geel vanwege de zwaveldampen die het monster uit zijn neusgaten perste. Ze deed het echt veel beter dan hij zich herinnerde. Astrid moest erg veel tijd besteden aan haar tekenwerk, heel veel tekenen, elke dag opnieuw. Er viel nauwelijks te ontkomen aan het hypnotiserende perspectief. Een beangstigend groot en dreigend dier. Erg jammer dat een felle regenbui vandaag of morgen haar werk zou wegvagen. Zelf haalde ze er haar schouders bij op. “Vergankelijke kunst,” zei Astrid dan, “oefenmateriaal.” Tom was jaloers op haar gave, wilde ook wel zo’n geweldige tekenaar zijn. Hij wist dat hij dat nooit zou leren.

“Hé… Tom van Alsem,” zei Astrid zonder ook maar even op te kijken, “je bent de enige die ik nooit dichterbij kan horen komen. Weet je dat wel? Je ben net een geest.”

“Mooie tekening,” zei Tom

“Mijn laatste draak voorlopig,” zei ze, “het begint erg makkelijk te worden.”

“Hoelang kun je nog beter worden dan je al bent?”

“De rest van mijn leven, hoop ik.”

Tom liep om het kunstwerk heen en liet zich in het droge gras vallen. Zijn nichtje ging onverstoorbaar verder met haar werk, trok wilde strepen over het asfalt, vulde vlakken en het leek alsof ze al tientallen jaren niets anders had gedaan.

Hij leunde met zijn rug tegen een boomstam, volgde de verrichtingen van Astrid, terwijl zijn ogen half gesloten waren. Zijn bewustzijn vervloog in de schaduw van een boom die rood, geel en bruin gekleurd was. Astrid grinnikte een beetje pesterig, hij wilde wakker blijven, maar zakte weg in een droomloze slaap. Erg lang had het niet geduurd. Hij werd weer wakker en begreep heel goed dat hij had geslapen. Astrid stond peinzend omlaag te kijken, naar het kunstwerk dat ze had gecreëerd. Het beest zag eruit alsof hij vanuit een onpeilbaar diepe put omhoog probeerde te komen. Zijn bek was wijd opengesperd. Net een gigantische dinosaurus die twee slachtoffers in één hap wilde verslinden.

‘Ik ben de vrucht van je verbeelding. Je angsten ontsnappen aan je onderbewustzijn en krijgen vaste vorm, je maakt me sterker en sterker.’ Opnieuw hoorde hij Sluijters praten, een ingebeelde persoonlijkheid of misschien een werkelijk bestaand iemand. Tom wist het niet zeker. Wel snapte hij dat de grenzen tussen werkelijkheid en fantasie begonnen te vervagen. Er begonnen barsten te ontstaan in het asfalt. Iets drukte de oude vloer uiteen of trachtte dit te doen.

“Hé Tom… Vind je het niet raar allemaal?” Astrid formuleerde haar verbazing bijna in een verbaasde zucht.

“Ja,” zei hij.

Zijn brein werkte op volle toeren. Hij stelde zich allerlei vragen. Wat gebeurde er? Sliep hij nog steeds? Had hij dit veroorzaakt? Begon het beest tot leven te komen? Er viel een stilte. Hij had het idee dat zelfs vogels geen geluid meer durfde te maken of op de vlucht waren geslagen. Er lag een vreemde duistere gloed over het verweerde asfalt. Hij herkende putjes die gevuld waren met rood of zwart pigment en scheuren die er mogelijk allang waren geweest. Tom keek omlaag en keek het beest in de strot. Als hij dit getekend perspectief moest noemen, dan was het een meesterproef van zijn nichtje. Hij dacht ècht in de strot van een monster te kijken. Tanden, scherp genoeg om elk prooidier te verscheuren. Kaken, zo krachtig dat je nooit zou kunnen ontsnappen aan de dood. Zijn klauwen leken het asfalt kapot te willen scheuren en hij zag inderdaad diepe scheuren beginnen bij de nagels. Tom kon zich niet meer herinneren of het dezelfde tekening was die hij daarstraks had gezien. Hij twijfelde en Astrid staarde naar de draak, alsof ze niet kon geloven dat ze hem echt zèlf had gemaakt. De ogen van het beest spuwde vuur. Astrid had er haar helderste rood voor gebruikt – glanzend als magma – gloeiend gesteente dat langs een vulkaanhelling omlaag stroomde – en het beest had alle dimensies van een levend wezen.

“Wat heb ik gedaan?”, vroeg Astrid en de bevroren verbazing op haar gezicht was veranderd in angst.

“Ik denk dat we het samen hebben gedaan,” zei Tom.

“Maar wat ge-beurt er nou ver-dom-me!” Haar stem hamerde elke afzonderlijke lettergreep door de lucht.

Hij wilde een antwoord geven dat al veel te vanzelfsprekend klonk voordat hij het had uitgesproken. Ze deed een paar stappen achteruit en even dacht Tom dat ze wilde vluchten. In plaats daarvan bleef ze gefascineerd omlaag staren. Asfalt begon te breken, er ontstonden scheuren. Het beest leek werkelijk met zijn klauwen door het oppervlak heen te breken. Rookslierten dwarrelden uit openingen omhoog.

“To-hom… Ik ben bang,” zei Astrid.

“Ik ga het oplossen,” reageerde hij, maar in werkelijkheid had Tom geen idee hoe hij dat moest doen.

Langzaam groeide er een reliëf onder zijn voeten. Alsof er in snel tempo een berglandschap begon te ontstaan of een vulkaan die volkomen onverwacht uit de oceaan omhoog kwam. nagels krasten geluidloos over een harde ondergrond – plafond – vloer, een spiegel die elk ogenblik moest breken.

Tom meende de adem van het beest te ruiken – zwavel – het moest zwavel zijn. Niet langer denkbeeldig, maar een bittere realiteit. De kop van het fabelachtige wezen kwam omhoog – een aarzelende beweging – alsof het zelf niet eens wilde geloven dat het mogelijk was. Het draaide zijn bek opzij en hapte heel traag naar een been van Tom, het was net een film in slowmotion. Er hing een plooi rond het beest – transparant, glanzend bijna, ondoordringbaar ook – want het slaagde er niet in door zijn flexibele gevangenis heen te breken. Het probeerde een nieuwe wereld binnen te dringen, de wereld van Tom en Astrid, maar tegelijkertijd hield een onbekende macht hem tegen. Een ontzagwekkend lichaam begon uit de bodem op te rijzen. Tom en Astrid deinsden verder achteruit. Hij pakte een arm van zijn nichtje vast, omdat ze dreigde te struikelen. Er volgde nieuwe venijnige happende bewegingen van het dier. Al die tijd werd het beest gevangen gehouden door iets dat erg veel op een krachtveld leek.

“Ik ga het oplossen,” herhaalde Tom die zijn nichtje losliet en naar het worstelende beest leek te willen lopen.

“Wat doe je nou joh?”

Tom bleef staan, dichterbij het wezen dan hij feitelijk wilde, maar net buiten bereik van alsmaar happende kaken. Moest hij zijn handen bezwerend vooruit steken zoals hij in films wel eens zag? Het leek onzinnig. Alleen een beetje show voor de goegemeente. Hij keek over zijn schouder.

“Hou dat ding liever in de gaten!”, schreeuwde ze.

Zo meteen zouden zijn ouders tussen de bomen vandaan kwamen – en ook die van Astrid natuurlijk – aangetrokken door het lawaai in de tuin. Buren zouden gealarmeerd toelopen. Politie werd gebeld. Allemaal ellende die hij veroorzaakte.

Vreemd genoeg voelde hij nauwelijks enige angst voor het beest dat nog altijd gevangen werd gehouden in een onverwoestbare, glanzende zeepbel. Tegelijkertijd zocht hij een oplossing en wist er geen te bedenken. Hij dacht aan van alles behalve een manier om het beest niet alleen terug te dringen in de aarde maar ook weer levenloos te maken – de tekening die hij behoorde te zijn. Misschien moest hij gewoon denken dat het beest weer terug moest. Tom wilde omkijken, omdat hij zijn ouders en die van Astrid verwachtte. Ze gingen zich ermee bemoeien en hadden geen idee hoe ze het beest moesten bedwingen. Hij begon te praten, heel zachtjes, zodat niemand anders hem zou kunnen horen. Stank van zwavel werd heviger en er kwam iets anders bij – de rottende maaginhoud van het dier. Het vlies – of de plooi zou hem nog maar korte tijd tegen kunnen houden. Nog eventjes en Tom moest voor het eerst ècht bang worden. “Ik wil dat je verdwijnt,” en Tom herhaalde zijn woorden enkele malen. Het beest beet en klauwde naar alles wat hij meende te zien. Tom stond er als enige en hoorde de stemmen van zijn ouders, maar negeerde ze domweg.

Recht vooruit stond plotseling een oude dame. Achter het vermolmde hek. Lang zilvergrijs haar, vriendelijke ogen. Tom zag geen spoortje van de doodsangst die er bij zijn eigen moeder ongetwijfeld wel te zien moest zijn.

Iets verder naar links, ook achter het hek, verscheen een vrouw die veel overeenkomsten vertoonde met de oude dame. Ze had dezelfde serene gezichtsuitdrukking, terwijl haar innerlijk veel gelijkenis zou moeten vertonen met een tornado. Een draak die probeerde te ontsnappen uit een onderaardse gevangenis. Dat zag je niet iedere dag.

Tom wist, zonder te kijken, dat er iemand achter hem stond. Zijn vader. Natuurlijk. Wie zou het anders kunnen zijn?

“Ik tel tot drie en dan zetten we ‘m op een lopen,” hoorde hij zijn vader zeggen.

“Nee, ik moet dit oplossen, pap, dat heb ik Astrid beloofd.”

Tom van Alsem spreidde zijn armen, stak ze allebei schuin omhoog, als een soort bezwering en hij voelde zich een volslagen idioot terwijl hij dat deed. Het was een zinloos gebaar, maar mensen vonden het leuk om te zien.

Tom keek naar de dame met het zilveren haar, zijn ogen maakte contact met de hare en hij begreep dat ze hem zou helpen.

Het beest vocht tegen zijn gevangenis, trachtte los te komen en bleef onvermoeibaar happen naar Tom en het brulde, grauwde, hapte, klauwde.

Tom keek naar de dame die hem hielp en meende iets roods te zien op haar bovenlip – ze had een bloedneus. Hij moest opschieten. Ze zou het niet lang volhouden. Wie ze ook was.

De verandering was net zo onverwacht als duidelijk zichtbaar. Het beest begon trager te bewegen, een onbekende macht leek hem omlaag te trekken. Het verloor zijn power en de aarde eiste zijn oeroude recht weer op. Tom zag het dier gewoonweg afbrokkelen, veranderen in asfalt en aarde. Geen sporen van pigment, de kleuren die Astrid eerder had aangebracht. De stank van zwavel begon te vervliegen in de atmosfeer. Er restte slechts een hoopje aarde en de herinnering aan een magisch ongeluk.

Tom bleef omlaag staren. Het oude basketbalveld. Er was niets meer van over. Zijn vader kwam naast hem staan. “Nou – je hebt het echt opgelost – zoals je hebt gezegd dat je zou doen,” zei hij tegen Tom, “maar ik begrijp niet hoe het heeft kùnnen gebeuren.”

“Ik heb het gedaan, niet Astrid,” zei Tom die nog altijd naar de oude dame stond te kijken, omdat ze op het hek leunde en haar kin rustte bijna op haar borst. “Sorry pap, ik moet die dame even helpen,” zei hij en Tom passeerde wat er was overgebleven van het beest.

“Ik ben Tom.” Hij legde korte tijd zijn hand op haar schouder.

Met een papieren zakdoekje veegde ze haar bovenlip af. “Mijn naam is Elisabeth van Zuidtleeven,” zei ze, “en ik dacht dat je mijn hulp heel goed kon gebruiken.”

“Geen idee hoe je me hebt geholpen,” zei Tom. Zijn vader en moeder waren er bij komen staan. “Ik ben je heel erg dankbaar, zou het nooit alleen hebben kunnen doen.”

“Ik… eh, ben een medium,” zei ze, “mijn hoofd barstte zo ongeveer uit elkaar toen het begon. Je begrijpt… Ik moest zien wat er gebeurde.”

“En ik heb altijd gedacht dat het flauwekul was,” zei de vader van Tom.

Zijn moeder zweeg en dacht aan het zwevende bed dat ze een tijdje terug had gezien.

Astrid legde haar hand op de schouder van Tom die geluidloos ‘sorry’ zei.

“Mocht je er behoefte aan hebben,” zei Elisabeth, “en alleen als je ouders er mee eens zijn, dan wil ik je helpen je gave te controleren, dus voordat er echte ongelukken gebeuren.”

“Ik vind het goed,” zei de moeder van Tom. Zijn vader knikte instemmend.

Tom dacht aan het bod van Sluijters om hem te helpen. Die man hielp alleen zodat hij er zelf beter van werd.

“Ik ben niet de eerste die heeft aangeboden je te helpen, hè?”, vroeg ze.

Tom knikte langzaam. “Jochem Sluijters.” Hij noemde alleen de naam en het was voldoende.

Er glansde een zekere herkenning in haar ogen. “Ja, ik ken hem. Niet zo’n aardige man.”

“Ik weet het.”

“Nee, Astrid,” hoorde hij zijn oom Dick zeggen, “ik laat het echt niet opnieuw asfalteren.”

“Jammer,” zei zijn nichtje.

“Laten we afspreken,” zei Elisabeth, “mocht er iemand vragen stellen over dit… incident… Er is niets gebeurd.”

“Heel verstandig,” zei de vader van Tom.

“Is het misschien een idee als u een kopje thee met ons komt drinken?”, vroeg de tante van Tom.

“Ja – graag,” zei Elisabeth. “Mag ik dan ook mijn dochter aan voorstellen? Daphne.”

“Elisabeth,” begon Tom te vragen, “ken je toevallig een man die Herbert Weiss heet?”

“Ik doe het poortje even los,” zei oom Dick.

“Wel eens tegengekomen, ja, lang geleden, moeilijke man.”

“Heb hem in Zeeland ontmoet, tijdens de herfstvakantie.”

“Nou – ik denk dat we elkaar precies op tijd tegen het lijf zijn gelopen, beste Tom.”

Het onderbewustzijn van Tom was nog altijd levensgevaarlijk terrein, maar er gloorde licht in het donker.

Tom en Astrid bleven staan en bekeken de wanorde die was ontstaan nadat het beest was verdwenen. Ze begrepen allebei dat die hoop aarde zo zou blijven liggen en dat er tenslotte wilde bloemen zouden groeien als herinnering.

“Komen jullie?” Het was de moeder van Astrid die riep.

“Ja,” antwoordde Astrid. “Weet je,” ging ze verder, “Sophie heeft me verteld over jouw… gave… talent… en ik vond het erg moeilijk haar te geloven. Ze verzint nooit wat, dus ik moest wel, maar het is toch onvoorstelbaar.”

Ze begonnen richting het huis te lopen.

“Mijn leven staat een beetje op zijn kop sinds dit gedoe is begonnen,” zei Tom, “ik dacht dat het wel mee zou vallen.”

“Toch fijn dat Elisabeth je wil helpen.”

“Ja, maar ze is een bekende van Herr Weiss.”

“Wie?”

“Herbert Weiss, laat zich Herr Weiss noemen. Hij heeft dezelfde gave als ik, maar is er natuurlijk veel beter in, want hij is een ouwe man.”

“Dit is dus niet echt een einde van het avontuur.”

“Helaas niet, het begint pas.”

“Hou op zeg, je klinkt wel erg ouwelijk zo.”

“Mm, ja, beetje wel, hè.”

 


De Poortwachter/hoofdstuk een/het zwijgende broertje (1)

Het display van zijn wekkerradio bewees dat er een stroomstoring was geweest. David herinnerde zich een klap die het huis op zijn grondvesten had doen schudden. Raam stond open. Regen en wind hadden vrij spel. Het was donker, soms schoot er een lichtflits door de atmosfeer die werd gevolgd door een rollende donder. David gooide zijn dekbed opzij. Eerst zou hij dat vervloekte raam sluiten voordat alles binnen drijfnat zou worden.

Hij voelde een felle pijn in zijn voet en stapte achteruit. Regen geselde de gevel van zijn ouderlijk huis. Wind verschoof vuilnisbakken. Afgebroken boomtakken verpletterde auto’s. Er was geen schijn van kans dat hij terug naar bed kon gaan terwijl de storm zoveel ellende het huis binnenbracht. David liep naar de deur, deed het licht aan en bekeek zijn voet. Hij plukte een glassplinter uit zijn voet.

Er was een kleine overloop, drie vierkante meter plus een vlizotrap net naast het midden, een badkamer, vier slaapkamers, een zolder die uiteraard een slaapkamer was geworden.

Ze waren met zevenen; vader, moeder, vijf kinderen, ondenkbaar dat in één van die slaapkamers iets gebeurde zonder dat iemand ervan op de hoogte zou zijn. Links tegenover hem lagen vader en moeder te slapen alsof er geen storm over de stad raasde. Rechts de slaapkamer van maria. Hij moest de wankele vlizotrap beklimmen om bij de slaapkamer van zijn oudste broer te kunnen komen – die twee weken terug is getrouwd en niet langer thuis woonde. De slaapkamerdeur van zijn broers Michael en Rodin stond op een kiertje èn er kwam een fel groen licht naar buiten. Er was een ontzettende klap geweest die voor een stroomuitval had gezorgd. David vloekte – en elke letter kwam zo ongeveer uit zijn tenen. Zijn ouders sliepen en wisten nergens van, maar waren volstrekt veilig. Michael en Rodin waren verstandelijk beperkt, volgens een moderne definitie, al zou Rodin zich nooit zelfstandig kunnen redden. Zijn zus Maria voldeed ook aan die moderne definitie, was verstandelijk beperkt, al Rodin scoorde het slechtst.

David duwde de deur opzij en betrad een ruimte die een ongekend schouwspel bood. Zelfs in zijn stoutste fantasie had hij nooit zoiets kunnen bedenken. Hij knipperde een paar keer met zijn ogen voordat zijn verstand wilde registreren wat er gebeurde. Er stonden piraten middenin de slaapkamer. Ze droegen grote slappe omlaag hangende hoeden die hun ogen grotendeels aan het zicht onttrokken. Langs hun benen bungelden degens. Laarzen bedekten hun knieën. Ze droegen vuistdikke baarden. David zag een loopplank op de vensterbank. Die kerels waren bewapend met pistolen die na elk schot opnieuw geladen moesten worden. Geheel links, tegen de muur, stond het bed van Michael – die zich buiten de groene wolk bevond en dus verder sliep. Rechts zat Rodin op het randje van zijn bed zo goed als aangekleed en hij keek met zijn typerende triomfantelijke blik naar David.

Het was knap wat Rodin had gedaan.

Hij had zich aangekleed; hemd aangetrokken, knoopjes dichtgemaakt, al klopte het patroon natuurlijk niet, knoopjes waren in de verkeerde gaatjes terechtgekomen en zijn riem bungelde slapjes omlaag, elke voet stak keurig netjes in een schoen, maar dan wel de verkeerde, de gulp van zijn broek stond wagenwijd open. “Ik mag met de piratenmannen mee,” zeiden de ogen van Rodin en er gloeide een triomfantelijke glans die David nooit eerder had gezien bij zijn broertje.

De piraten spraken net zo min als Rodin. David vulde elk woord van zijn broertje in en bleef in de deuropening staan. Zijn ouders sliepen nog altijd, net als broer Michael die het einde van de moderne wereld mis zou kunnen lopen. Normaal gesproken hadden ze aan het minste geluidje voldoende om wakker te worden. Nu verbleven ze in een ondenkbare luchtbel, een geïsoleerde wereld. Er waren geen kinderen, of die kinderen bevonden zich net buiten die groene wolk.

Hij bedacht dat dit een droom moest zijn. Er waren piraten en als hij piraten zag die gekleed waren als in Disney-films dan moest hij dromen.

David liep verder en betrad de wereld van zijn broertje Rodin, liet de werkelijkheid achter zich en knielde plechtig neer.

Zo kun je toch niet mee broertje,” zei David, “ik schaam me kapot als je er zo uitziet.”

Auto?” Rodin bedoelde natuurlijk geen automobiel, maar het schip dat met een geweldige klap tegen de gevel van zijn ouderlijk huis was gesmeten. Diezelfde klap had de stroom uitgeschakeld, de ruit in de slaapkamer van David verbrijzeld, maar bijna iedereen sliep rustig verder alsof er helemaal niets aan de hand was. Misschien droomde hij wel dat hij wakker was en sliep hij ondertussen verder.

Je moet die schoenen wel aan de goeie voeten doen, broertje,” zei David en hij begon de schoenen uit te trekken om ze daarna aan de goede voeten te doen. David kwam overeind en trok Rodin omhoog, zodat hij het overhemd los kon maken. Een hemd met schreeuwerige bloemetjes. Elke knoop ging nu in het juiste knoopsgat en in de tussentijd bleef Rodin naar het raam wijzen, naar de piraten, naar het schip. “Auto?” Hij bleef het woord herhalen, steeds weer opnieuw. David stopte het overhemd zorgvuldig in Rodins broek, deed het knoopje dicht en de riem vast, trok de ritssluiting omhoog.

Nou – je bent er helemaal klaar voor,” zei David.

De piraten hadden afgewacht, niet-begrijpend bijna, een enkele keer gleed er een sabel langs een andere sabel, een pijp rokende piraat blies blauwgrijze rook de atmosfeer in. Ze zeiden geen woord, keken alleen naar David en Rodin.

David deed een stap achteruit, terwijl Rodin zich bij de piraten voegde. Er hing nog steeds een groen licht dat traag door het huis kroop. Nog even en zijn ouders zouden ook deel uitmaken van dit universum. Rodin probeerde te bedenken hoe hij op die loopplank moest klimmen. Twee jonge piraten met donsbaardjes op de kin hielpen hem, grepen onhandig zijn bovenarm vast en zetten Rodin op de loopplank.

Onzeker wankelde hij verder. Rodin wierp eerst nog een laatste blik op zijn slaapkamer voordat hij verdween. Een laatste afscheid, zo leek het wel.

Houdoe’. De piraten volgden Rodin erg snel, bewezen minder moeite te hebben met klimmen, hoewel sommigen een stoel gebruikten als opstapje. Eentje bleef er uitdagend staan, hing bijna nonchalant voorover en wierp iets omlaag.

Het was een munt. Hij raapte de penning op die zwaarder woog dan hij had verwacht. De loopplank werd binnengehaald met veel onnodig lawaai gevolgd door enkele bevelen die werden geschreeuwd. Het schip begon zich los te maken van de gevel. David liep naar het raam, negeerde regen en wind. Hij wilde met eigen ogen zien hoe het schip naar de horizon zeilde en langzaam maar zeker verdween. Hij speelde met de munt die de man voor zijn voet had neergegooid en probeerde het piratenschip te blijven volgen dat langs flatgebouwen manoeuvreerde. Bliksemflitsen veroorzaakten een spookachtig licht dat minder dan een seconde het traag deinende zeilschip uit de duisternis wegtrok.

David draaide zich om en staarde naar de slaapkamer. Tot dusverre had hij domweg gehandeld, niet nagedacht en gedaan wat hij juist achtte. Het raam stond open. Michael sliep nog steeds. Kleding van Rodin was verdwenen; Rodin was verdwenen. Gordijnen hingen aan de verkeerde kant van het venster. Regen vormde een grillig zompige plek op de vloer. David overwoog het raam weer te sluiten, maar begreep de zinloosheid van het idee. Michael trok het dekbed mopperend omhoog. David liet de slaapkamer van zijn broers achter zich en probeerde te bedenken of dit alles een droom moest zijn geweest. Het kon gewoon niet echt zijn. Onmogelijk. David wachtte op de overloop en keek naar zijn slapende ouders. Ze wisten nergens van. Het felgroene licht werd al minder en vormde een soort krachtveld in het kapotte slaapkamerraam. Hij bleef nog een minuutje staan wachten of het groene licht helemaal wilde verdwijnen. Droom of geen droom? Zijn verstand vertelde hem dat hij droomde. Zulke dingen gebeurde in werkelijkheid niet. David keerde terug naar bed, trok het dekbed over zich heen en vervloekte de wind die vrij spel had.

Het duurde ongeveer vijftien minuten, maar tenslotte wist hij de slaap te vatten.

Hij droomde niet – of niet opnieuw.


Ze waren met zijn vieren – een kerstverhaal

Een moeder dirigeerde haar kinderen voor zich uit om plaats te nemen in de coupé. “Néé, rechtsaf, niet links, daar kan ik jullie beter in de gaten houden.”

De trein was ruim tien minuten te laat. Het was koud. De temperatuur daalde gestaag en het zou gaan vriezen. Boven slootjes hadden die middag dampslierten gehangen, een gevolg van snel afkoelend water. Het werd de eerste echt witte kerstmis in jaren, maar er ging een rampzalige kerstavond aan vooraf. Als je onderweg was, zou het je enorm veel moeite kosten om op de plaats van bestemming te komen.

Een man van ongeveer veertig jaar ging schuin achter de moeder zitten. Eerst leek hij met zijn rug naar de deur plaats te nemen, maar hij bedacht zich en besloot dat andersom toch beter was. Misschien was hij zo’n reiziger die er niet tegen kon achteruit te rijden. Ondertussen knoopte de moeder de jassen los van haar kinderen die mopperden, omdat het niet erg warm was in die trein.

Het was een coupé die zitplaatsen bood aan vierentwintig personen, niet-roken, zoals er in die tijd gelegenheid bestond voor reizigers om te kiezen uit roken en niet-roken. Op het perron stond je koortsachtig te zoeken naar een coupé die beantwoordde aan je voorkeur – dus met of zonder blauwgrijze rookslierten. De moeder van die kinderen wilde een coupé zonder asbakken die verzonken waren in armleuningen, een beperkt aantal zitplaatsen en toiletten binnen handbereik, hoewel niemand er voor zijn lol in een trein gebruik van zou willen maken. De passagiers kregen relatief harde, rode banken met bagagerekken boven hun hoofden.

Vanuit mijn coupé had ik redelijk zicht op de wachtruimte. Achter een groezelige ruit stonden een oudere man en vrouw bij de koffieautomaat. Het restaurant was op kerstavond gesloten vanaf 18:00 uur. Die eigenaar had zich geen minuut extra gegund om enkele laatste reizigers van dienst te zijn. Ik wachtte op het fluitje van de conducteur – net als iedereen trouwens. Voorlopig bleef het stil. Buiten begon er iets neer te vallen dat sneeuw noch regen leek te zijn.

De oudere man en vrouw betraden elk voorzien van een bekertje koffie de coupé. Ze gingen zitten, vrijwel naast de moeder en haar kinderen, maar gescheiden door het gangpad. Ik dacht heel even dat er een korte conversatie volgde tussen de twee vrouwen. De jonge moeder glimlachte beleefd, terwijl ze haar jas begon los te knopen en haar sjaal bijna nonchalant om haar hals liet hangen.

Terwijl de kinderen begonnen te bekvechten over de vraag of ze al dan niet een spelletje zouden spelen en zo ja, welke, ondernam hun moeder een poging de koffer in het bagagerek te krijgen. De man die een bank vóór mij zat, kwam snel overeind en bood aan te helpen. “Laat mij maar, mevrouw,” hoorde ik hem zeggen. Ik zag alleen zijn rug, maar de vrouw keek een beetje omhoog en haar ogen leken op te lichten als bij een herkenning, alsof ze een oud schoolvriendje terugzag.

Ze knikte dankbaar met haar hoofd, haar knotje wiebelde losjes heen en weer. “Dank je wel. Ik hoop alleen dat je lang genoeg blijft zitten om die koffer weer naar beneden te helpen.” Er volgde een nerveus lachje.

“Helemaal tot Deventer,” zei hij.

“O gelukkig,” zei ze en er gleed een lichte blos over haar gezicht.

Hij nam weer plaats. Die man had een vriendelijk gezicht.

Er stroomde koudere lucht binnen. Een studente stapte in en sloot eerst de deuren voordat ze verderging. Sneeuwvlokken hadden haar kleding bedekt onder een witte laag die tegelijkertijd begon te glinsteren en spoedig doorzichtig werden. De vloer die tot dan toe droog was geweest, veranderde in een vieze natte massa. Ze ging tegenover de veertiger zitten, die de moeder zo mooi had geholpen. Zelf had ik de beste plek van iedereen, ik zat helemaal achteraan, rechts, naast het raam. Mocht het nodig zijn, dan kon ik nog altijd ongeïnteresseerd naar buiten kijken.

Het meisje boog voorover, liet de speelkaarten die ze vasthield even zakken en fluisterde enkele woorden in de oren van haar moeder. “Ja, inderdaad,” antwoordde ze. Ik was heel benieuwd waar moeder en dochter het over eens waren.

Eindelijk klonk het schrille fluitje van de conducteur.

Ik voelde een zekere opluchting, staarde naar buiten en zag de atmosfeer steeds voller worden – natte sneeuw – enorme vlokken natte sneeuw. Het was toch wel een mooi begin van een kerstavond. We zouden steeds dieper doordringen tot het kloppende hart van een witte kerst.

Voordat de deuren sloten, hoorde ik harde stemmen en stampende voeten van enkele mannen die de trein probeerden te halen. Er volgde een stilte. Mijn buurman, die links van het gangpad was gaan zitten, mompelde ‘dat ze binnen waren’.

Opnieuw blies de conducteur op het fluitje, waarna de machinist meteen begon te rijden. Ik dacht heel even dat hij bang was hier anders nooit meer weg te zullen komen.

Ondertussen begon het minder hard te sneeuwen, wat een verademing was, maar ik zag wit besneeuwde weilanden en donkere glimmende wegen en huizen die helder verlicht aan de horizon stonden. De oudere man kwam overeind en trok de deur dicht.

“Natuurlijk doe ik een spelletje mee… Meindert, jij moet delen.” Ik had geen idee wat voor kaartspel ze speelden, misschien hadden ze er gewoon een bedacht. Met gespeelde tegenzin begon het jongetje de kaarten te schudden en vervolgens te delen.

Mijn buurman mompelde iets onverstaanbaars en raakte ineens geïnteresseerd in een relatief nieuw tijdschrift dat hij uit het bagagerek had gevist.

“Volgens mij heeft de conducteur een kerstmannenmuts op zijn hoofd,” zei het meisje.

“Dat kan,” zei haar moeder, “ik heb daar niet zo op gelet. Jouw beurt, Femke.”

De man die die moeder had geholpen liet zijn hoofd wegzakken tegen de leuning alsof hij elk ogenblik in slaap zou kunnen vallen. Ik bleef uit het raam kijken, maar liet me ook afleiden door de moeder en haar kinderen die onverstoorbaar hun spelletje zaten te spelen. Ik begon me af te vragen of ze misschien gescheiden was. Plusminus veertig jaar oud, maar wel een vrouw die overduidelijk probeerde te verdoezelen dat ze erg knap was.

Ik bestudeerde de sneeuwval, die nu eens minder leek te worden, dan weer erger werd en een schier ondoordringbaar wit gordijn vormde. Misschien had ik eerder naar huis moeten gaan – dat is mijn ouderlijk huis natuurlijk. Aan de andere kant bedacht ik dat een trein altijd zijn eindbestemming haalde. Zeker in die tijd, toen dit gebeurde, was dat beslist het geval. Het was een andere wereld. Er bestond geen internet en mobiele telefoons waren nauwelijks meer dan onhandige gadgets. Mijn buurman zat nog steeds het tijdschrift te lezen en toonde geen interesse voor zijn medereizigers.

De veertiger leunde nog altijd met zijn hoofd tegen de zijkant van zijn bank. De studente die tegenover hem plaats had genomen maakte aantekeningen. Ik zag haar reflectie in de ruiten. Het oudere echtpaar voerde gesprekken op zachte toon, alsof er een belangrijke samenzwering in gang werd gezet.

De slaapverwekkende cadans van de trein zorgde voor een rust die je deed verlangen naar warme worstenbroodjes, koffie of warme chocolade en misschien zelfs een nachtmis.

Alles veranderde in één enkele klap.

Eerst vloog de deur open en drie kerels van pakweg twintig jaar kwamen binnen. Eentje droeg een muts, een kerstmannenmuts zoals het meisje had gezegd, een ronduit smerig ding die uit een afvalcontainer leek te zijn gepakt. Bovendien rookten ze alle drie een sigaret terwijl we ons in een niet-roken coupé bevonden. De oudere vrouw zei er direct iets van, maar ze kreeg geen antwoord. Ze gingen zitten, degene die de muts droeg, een leiderstype, gooide zijn half verrookte sigaret neer en zette zijn voet er bovenop. “Jongens, je mag hier niet roken,” zei hij met een grijns op zijn gezicht. “Jullie kunnen toch wel lezen?” Zwijgend trapten ze hun sigaretten uit, maar hun aanvoerder deed alweer een nieuwe sigaret tussen zijn lippen. Ik zag hem nog niet tasten naar een aansteker.

“Anton,” zo begon de leider, “hé homo, luister eens… Je hebt toch wel kaartjes?”

“Nee Wàlter, die heb ik niet en zit niet zo te kutten… en je bent zelf een homo, homo.”

Walter nam zijn muts af en begon hem in de vuilnisbak te proppen.

“Hou nou eens op zeg, stelletje zeikstralen, het is kerstavond, vreten op aarde en zo, dan mag je gratis reizen. Dat heb ik in de krant gelezen,” zei de enige wiens naam ik nog niet kende. “Wat moeten die mensen wel niet van ons denken?”

Ik hoopte dat die gasten bij de eerstvolgende halte uit zouden stappen, anders werd het een vervelende reis. Inmiddels dacht ik niet eens meer aan worstenbroodjes en warme chocolade. Hopelijk had mijn vader eraan gedacht mij van station op te halen. Met dit smerige weer ging ik liever niet lopen of nog een slordige drie kwartier staan wachten op een bus die misschien niet eens zou kunnen komen. Ik zag de eerste wit gekleurde straten opdoemen uit een langzamer bewegende duisternis. Nog even en we zouden station Den Bosch binnenkomen. Ik koesterde stille hoop dat we van die drie schooiers verlost zouden worden en wist heel zeker dat er andere passagiers waren die hetzelfde dachten. Behalve de slapende man voor me die geen benul leek te hebben van wat er gaande was. Hij sliep – ik dacht dat hij sliep.

Sneeuw bleef liggen op het perron. Studente had haar spullen inmiddels gepakt en scheen oprecht blij dat ze uit mocht stappen. Ik benijdde haar bijna. Haar zalig kerstfeest ging van start zodra ze een voet op het perron zette en de ongemakkelijke sfeer in de coupé achter zich liet. De moeder begon de kaarten weer op te bergen. Haar kinderen hadden er weinig zin meer in, zo was wel gebleken. Ze begonnen afwisselend naar elkaar en naar buiten te kijken. Hun moeder vroeg of ze iets lustten, een broodje of zo. Meindert en Femke schudden hun hoofd. Ze hadden geen trek.

“Hé Marco,” zei Walter die steeds weer op een uitdagende toon scheen te moeten spreken, “je zou toch voor bier zorgen?”

“Negen kratjes,” zei Marco en zijn gezicht veranderde in een opgewekte grijns. “Denk je dat het genoeg zal zijn?”

“Ik hoop het,” zei Walter, “jij doet de logistiek. Als we te kort komen, is het jouw probleem.”

Marco keek eerst langdurig zwijgend naar Walter en begon tenslotte bulderend te lachen.

“Ja, lach maar, jongetje, ik waarschuw je… Als ik drink… àls ik ga drinken… dan drink ik ook goed. Deze jongen is geen mietje.”

De conducteur blies op zijn fluitje, trein begon weer te rollen en ik zag de moeder van Femke en Meindert ongemakkelijk om zich heen kijken.

“Het spijt me heel erg, jongens, maar jullie moeder moet toch echt even naar de wc,” zei ze op een verontschuldigende toon.

“Ga maar rustig… hoor, mevrouw,” ze de oudere man en zijn vrouw knikte instemmend, “we letten wel op.”

“O, dank je, ik heet trouwens Irene.”

“Nou Irene, ik ben Frits – mijn vrouw Sypke – Ga maar rustig doen wat je moet doen … we houden hier wel een oogje in het zeil.”

Op hetzelfde moment, alsof het zo afgesproken was, verlieten Walter en Marco de coupé.

“Geen paniek, lieve mensen, we gaan alleen een peuk roken. Da’s alles,” zei Walter.

Irene kwam omhoog en wierp een geruststellende blik op haar kinderen. “Ben zo terug,” zei ze.

Ik vroeg me af of ze zich niet al te veel zorgen maakte. Die gasten maakten hooguit een hoop lawaai. Ze waren erg vervelend, maar daar bleef het bij. Zeker, iets minder schuttingtaal mocht van mij ook wel. Mijn buurman had zijn tijdschrift eindelijk laten zakken en volgde het incident dat er geen was. De veertiger, de man die eerder zo behulpzaam was geweest, vertoonde geen tekenen van bewustzijn. Zijn hoofd leunde nog altijd opzij. Ik meende hem zelfs te horen snurken. Slapen in een trein, ik heb dat nooit gekund.

Irene ging al snel naar het toilet, Frits trok de deur voor driekwart naar zich toe. Ik zag Walter staan die bijna dwangmatig aan zijn sigaret stond te zuigen. Een enkele keer zei hij iets tegen zijn metgezel. Frits schudde onrustig met zijn hoofd, alsof hij wel kon verstaan wat die kerels bespraken. Ik zat echt veel te ver weg. En die veertiger zal nog steeds lekker te slapen.

Eerst hoorde ik een vrouwenstem, het was haar stem, een klank die begon met verbazing en veranderde in verbijstering. En afkeer. Frits stond meteen bij de deur die hij open wilde trekken, maar Anton probeerde hem tegen te houden. “Nee ouwe, je laat mijn maatje rustig zijn gang gaan. Hij wil gewoon een beetje met dat vrouwtje dollen. Meer niet.”

Ik wilde opstaan, net als mijn buurman, Frits te hulp schieten, maar die veertiger, de man die al sinds ons vertrek uit Tilburg leek te hebben geslapen, trok Anton ruw achteruit en dwong hem weer plaats te nemen. “Jij gaat zitten èn blijft zitten. Duidelijk?”

“Ja mijnheer,” knikte Anton.

Sypke ontfermde zich over Femke en Meindert, terwijl Frits de deur open trok. De veertiger stapte in de deuropening. Hij moest zelfs even bukken, omdat hij zijn hoofd zou kunnen stoten. Ik negeerde Anton wiens gezicht enorme angst verraadde – die zou geen kwaad meer uitrichten.

Walter viel nog steeds Irene lastig en rekende op rugdekking van zijn makker. Het was een situatie die vreselijk uit de hand zou kunnen lopen. Marco stapte uitdagend naar de man die hem wegduwde. Het lichaam van Marco dreunde tegen de deur. De vreemdeling pakte Walter bij zijn nek en rukte hem weg.

“Hé man, het was maar een grapje,” riep Walter.

“Je hebt die dame maar met rust te laten,” zei de man. Er lag een toon in zijn stem die geen tegenspraak duldde.

“Er is he-le-maal niks gebeurd!”, riep Walter.

“Er zal ook niks gebeuren,” zei de vreemdeling, alsof er een voorspelling verborgen ging achter die woorden. “Niet tussen jullie drieën en deze dame.”

“Mam?”, vroeg Femke en haar stem klonk heel aarzelend alsof het om een verboden woord ging.

“Met mij is alles goed hoor, liefje,” zei Irene.

Ik hoorde een stem die opgelucht moest klinken. Ze probeerde haar kleding weer glad te strijken, haar knotje te herstellen. Dat soort dingen.

“Nog effe en we zijn in Oss, dan gooien we die lamstralen gewoon uit de trein,” zei mijn buurman en hij genoot van een Anton die nog steeds angstig om zich heen zat te kijken. Er viel niets te bespeuren van de opgefokte persoon die ik eerder had gezien. Deze Anton was een bang jongetje.

De vreemdeling had een merkwaardige uitwerking op zijn slachtoffers, zoals trouwens Walter begon te merken en Marco eveneens had ondervonden.

“Ik stond hier gewoon met m’n maat een peuk te roken toen jij hier als een dolle de boel op stelten kwam zetten,” zei Walter, maar feitelijk stond hij te schreeuwen.

“Luister,” en de man legde zijn hand op de schouder van Walter die dit vreemd genoeg accepteerde, “je hebt geen krediet meer en volgens mij snap je echt wel wat ik bedoel.”

“W-wie ben jij?”, vroeg Walter en ook in zijn ogen kwam diezelfde onvoorstelbare angst te liggen.

“Je hebt geen krediet meer, Walter van der Dunken.”

De lippen van Walter vormden het woordje ‘hoe’, maar hij waagde het niet zijn vraag ook werkelijk uit te spreken.

De conducteur kwam nog net niet op een drafje aanlopen, een stevig gebouwde man met wit haar en een baardje. Hij droeg inderdaad net zo’n muts als de kerstman, het oogde niet zo misplaatst als eerder die avond bij Walter. Ik zag hoe de conducteur stond na te hijgen, omdat hij zich kennelijk toch had moeten haasten. Geen beste conditie, die man. “Zaak is volledig onder controle,” zei hij na een tijdje, “mooi zo.” Zijn wangen kleurden nog roder dan ze al waren.

Marco leunde tegen de deur, Frits duwde Anton door de opening, zodat het drietal herenigd werd.

“Wie ben jij?”, vroeg Anton en ik kon zijn gezicht weliswaar niet zien, maar het betekende geenszins dat ik de doodsangst in zijn ogen was vergeten.

“Een heel gewone vent.” De man duwde Anton opzij zodat Irene kon passeren en weer plaatsnemen bij haar kinderen. “Maurits, zo is mijn naam.”

Femke had de woorden opgevangen en keek naar haar moeder. “Hoor je dat, mama? Hij heet Maurits. Net als papa.”

“Maurits, ja,” zei Irene, hoewel haar woorden klonken als een langgerekte zucht.

De trein verminderde vaart. Nog even en de conducteur zou die deuren ontgrendelen.

Hopelijk stonden er politie te wachten, al zou dat misschien iets te veel zijn gevraagd voor een paar klootzakken die zich hadden misdragen in een trein. Tenzij ze meer op hun kerfstok hadden en de woorden van de man die zich Maurits noemde duidden hier een beetje op.

“Ik mag het eigenlijk niet vragen,” zo begon Sypke die stilviel voordat ze haar vraag goed en wel had uitgesproken.

“Auto-ongeluk,” zei Irene. Ze liet haar vingers over het hoofd van haar zoon glijden. “Sindsdien durft mama geen auto meer te rijden… Hè jongens? Dus reizen we per trein. Eigenlijk gaat het altijd wel goed.”

Maurits verscheen in de deuropening. “De vraag is of je een aanklacht wil indienen tegen die jongens,.”

“Nee,” zei ze, “er is niks gebeurd.”

“Oké,” zei hij, “je hebt het gehoord, neem ik aan?” Hij sprak tegen de conducteur.

Ik begon terug te keren naar mijn plek achter in de hoek. Nee, er was niks gebeurd en er zou niks meer gebeuren die avond. Ik ging worstenbroodjes eten en warme chocolade drinken. Misschien zou ik naar de nachtmis gaan, als ik op tijd was.

De trein stopte. Ik hoorde hoe de conducteur de deuren ontgrendelde.

Irene zei: “Mijn Maurits sliep altijd in de trein – echt altijd. Hij ging zitten en had dan meteen zijn ogen dicht. Dat haatte ik wel eens. Nu mis ik dat.”

Ik wilde bijna roepen dat deze Maurits ook het grootste deel van de reis had zitten snurken. Toeval. Ik beet op mijn lippen en zweeg.

Er was politie aanwezig, maar liefst vijf politieauto’s met blauwe zwaailichten. Ik vond het erg veel voor drie schooiers die een stel mensen hadden lastiggevallen in de trein.

“Die platte petten hebben op die jongens staan wachten,” merkte mijn buurman op. Hij had gelijk. Er waren geen bandensporen zichtbaar in de sneeuw. Alleen voetstappen. Niets dan voetstappen.

Eerst stapte Anton uit de trein, direct daarna gevolgd door Walter. Ik hoorde Marco roepen, schreeuwen bijna. Het was duidelijk voor wie zijn woorden waren bedoeld. “Ik weet wie je bent!” Niet veel later hoorde ik die kreet opnieuw: “Ik weet wie je bent!”, maar nu een stuk verder weg. De klanken sloegen dof neer op het besneeuwde perron. Mijn buurman en ik stonden schouder aan schouder uit het raam te kijken, sneeuwvlokken dwarrelden neer. We zagen hoe er drie agenten nodig waren om Marco in een auto te krijgen.

“Er is toch niks vervelends gebeurd daarnet?”, vroeg Sypke.

Irene schudde haar hoofd. “Nee hoor.”

“Waarom staat er dan zoveel politie op die mannen te wachten?”, vroeg Meindert.

“Omdat ze vanmiddag iets slechts hebben gedaan,” zei Maurits.

“Wat dan?”, vroeg Femke.

“Iets slechts,” herhaalde Maurits.

Ik hoorde de conducteur op zijn fluitje blazen, ongetwijfeld voelde hij erg veel opluchting. Vertraging was minimaal gebleven, iedereen wilde zo snel mogelijk naar huis.

“Niet verder vragen, Femke, je weet genoeg,” zei Irene. Vervolgens keek ze naar de vreemdeling die zich voorgesteld had als Maurits. Toevallig ook de voornaam van een man met wie Irene getrouwd is geweest. “Is dat je echte naam? Maurits?”

“Ik wil je mijn paspoort wel laten zien, als je wilt,” zei hij en er lag niet eens een glimlach rond zijn lippen.

De conducteur kwam verder, keek eventjes rond en zei: “Ik geloof het allemaal wel voor vanavond, prettige feestdagen, beste mensen.” Hij draaide zich om en verdween in de andere coupé.

Irene keek naar Maurits, die op zijn beurt weer leek te verwachten dat de vrouw werkelijk zijn paspoort wilde inzien. Ik begon het idee te krijgen dat we getuigen waren van een spel dat al lang geleden was begonnen. Het leek bijna ongelofelijk dat deze twee mensen, deze man en vrouw, elkaar nooit eerder hadden ontmoet. We wachtten op een onmiskenbare blijk van genegenheid; een zoen, een nerveuze lach, een bijna terloopse opmerking die liefde verraadde. Ik voelde me een voyeur en was zeker niet de enige.

Irene glimlachte, haar ogen sprankelden, voor het eerst sinds ze met kinderen in die trein was gestapt. Zo vaak lachte ze niet, volgens mij. “Laat zien,” zei ze op dwingende toon.

Alleen zijn arm bewoog, maar Maurits pakte het zwarte vod uit zijn jaszak en gaf het aan Irene. Ze begon te bladeren en staarde korte tijd later naar een pagina… dè pagina… Ik stelde me een ietwat gedateerde foto voor, enkele jaren oud, minder grijs, minder rimpels… een achternaam… voornaam… geboortedatum… En wat stond er nog meer in zo’n paspoort? Ze sloeg het dicht, kinderen durfden niets te zeggen, of keken gespannen toe, zoals wij allemaal. Irene gaf het paspoort terug zonder commentaar, niet één grappig bedoelde opmerking.

“Een rijbewijs heb ik al een jaartje of tien niet meer… verlopen… ingeleverd… Snap je wel?”

“Ja ja,” zei ze, “ik bedoel… ja.”

“Ma-ham,” zei Femke. “Wat is d’r nou?”

Waarom kreeg ik het gevoel dat die man en vrouw het antwoord allang wisten, maar weigerden uit te spreken?

“Dan… eh, ga ik weer terug naar mijn plek,” zei Maurits.

“Ga je dat echt doen?”, vroeg Irene. “Laat je me gewoon hier zitten met de kinderen?”

Ze kenden elkaar toch helemaal niet? Of toch wel?

Ik had tot dusverre in de overtuiging verkeerd dat die twee mensen vreemden voor elkaar waren. Toch stonden ze daar als een vleesgeworden déjà vu.

Buiten begon het minder te sneeuwen en de machinist leek een hogere snelheid te willen behalen, maar werd in zijn streven gehinderd door een respectabele laag sneeuw. Frits en zijn vrouw Sypke hadden alweer plaatsgenomen. Ik zat direct naast het gangpad, net als mijn buurman. We volgden allemaal het spel dat zich voor onze ogen afspeelde.

Irene veegde een lok achter haar linkeroor. “Je moet het me niet kwalijk nemen, hoor,” zei ze.

De vreemdeling wachtte alleen af.

“Ik bedoel… je hebt dezelfde naam… lichaamsbouw… zelfde oogopslag… bent zelfs geboren in dezelfde plaats. Als een tweelingbroer. Spookachtig gewoon.”

De trein maakte een scherpe bocht naar links.

Man en vrouw hielden zich vast aan een leuning. Er bleef afstand tussen die twee.

“En dan heb je ook nog eens dezelfde lichaamsgeur als mijn… eh, als Maurits.”

“Ach,” zei Frits, “er zal vast een logische verklaring voor bestaan, dubbelgangers en zo.”

Irene nam plaats, zoals Maurits zijn eigen plek bij het raam weer innam en ik verwachtte dat hij elk ogenblik zijn ogen zou sluiten.

“Hoe dan ook… Bedankt voor alles wat je gedaan hebt,” zei ze.

“Graag gedaan,” en hij zette een voet op de bank tegenover de zijne.

“Deed papa dat nou ook altijd?”, vroeg Meindert.

Irene vermeed het gezicht van de man. Ik zag haar gezichtsuitdrukking daarom niet goed. Femke zei: “Ja dus.”

“Ophouden nu, jongens,” zei ze, “’t is gewoon allemaal toeval.”

De stilte werd alleen verbroken door de geruststellende cadans van een trein die zich in een witte wereld naar zijn eindstation spoedde. Ik pakte het tijdschrift dat eerder nog mijn buurman zo geboeid had weten te houden, bladerde er een beetje in en gooide het achteloos op de bank voor me. Irene sprak enkele bijna onverstaanbare woorden en waarschuwde haar kinderen het onderwerp verder te laten rusten. Ik keek op mijn horloge en constateerde dat de vertraging verder begon op te lopen. Die nachtmis zou ik zeker kunnen vergeten – worstenbroodjes en warme chocolade vormden nog steeds een optie. Frits en Sypke begonnen zich aan te kleden. Sjaals om, hoed of muts op, géén ludieke verwijzingen naar de kerst overigens, handschoenen aan, jassen zover mogelijk dicht. Mijn buurman ging zich eveneens klaarmaken voor een ijskoude kerstavond. We zouden met zijn vijven in onze coupé overblijven. Tenzij er nieuwe reizigers zouden komen. Ik rekende er niet echt op. Je stuurde nu zelfs geen hond meer naar buiten.

Haastig achtergelaten voetstappen bleven achter in maagdelijk ogende sneeuw. Vervagende gedaanten betraden het gebouw, schaars verlicht, ijzig koud en volstrekt sfeerloos. Na een korte onderbreking begon de trein heel langzaam te rijden. Ik zag lichtbundels in het duister zoeken naar een eindbestemming. Er waren blijkbaar toch nog mensen onderweg, zoals er passagiers op het perron hadden gestaan. Ze kwamen niet in onze coupé terecht. Het leek wel of een onzichtbare hand ze weg hield. Ik zat op mijn nieuwe plek, direct naast het gangpad. Irene en haar kinderen spraken over wat ze komende kerstdagen zouden doen. Maurits zat bij het raam. Ik kon helaas niet zien of hij zijn ogen geopend had.

Volgend station moest ik uitstappen. Er brandde een ontembare nieuwsgierigheid naar de afloop van deze ontmoeting tussen twee mensen die bekenden van elkaar moesten zijn. Ze waren met vieren, mezelf niet meegerekend, ik speelde een onopvallende toeschouwer.

In gedachten volgde ik elke stap terug en besloot dat de gelijkenis toeval moest zijn geweest. Ik verwachtte geen nieuwe verwikkelingen meer, alleen een stilte die zou voortduren tot ik uit de trein zou zijn gestapt. Daarna kon er nog iets van een gesprek ontstaan. Ik zou het nooit weten.

Er hing een merkwaardige, bijna tastbare stilte in de coupé. Ik wilde veel meer weten. We wilden allemaal veel meer weten, Irene en haar kinderen net zo goed. Het raadsel lag verscholen in Maurits. Maar niemand wilde blijkbaar degene zijn die het als eerste hardop zei.

Links en rechts ontvouwde zich het inmiddels vertrouwde besneeuwde landschap. Een heldere maan brak door de bewolking, sterren hingen fonkelend boven ons hoofd. De trein begon eerst langzamer te rijden, uiteindelijk stonden we stil. Nadat er enkele minuten voorbij waren gegaan, draaide Irene zich plotseling om.

Maurits ging recht zitten en oogde ineens oplettend.

“Oké,” zei Irene, “Hoe zit het nou precies? Ik wil het weten. Je bent hem, maar toch ook weer niet.”

“Ik mag niks zeggen van de grote baas,” zei hij en in zijn stem viel geen enkele ironie te bespeuren.

Ze wilde vloeken, maar zweeg en schudde alleen met haar hoofd.

“Geloof je in sprookjes?”

“Normaal niet, nee.”

“Ik mag je niet vertellen hoe het zit, maar een sprookje vertellen, daar zou geen bezwaar tegen mogen zijn.”

“Goed. Vertel dat sprookje dan maar.”

Hij schraapte eerst zijn keel en precies op dat moment begon de trein te rijden. “Er waren eens, niet ver hier vandaan, een man en een vrouw die samen twee kinderen hadden. Je mocht die mensen zonder enig overdrijven gelukkig noemen, want ze hadden alles wat je volgens moderne maatstaven kon hebben. Een huis, twee auto’s, ze hadden allebei een heel goede baan. Ze waren alle vier gezond. Een perfect leven dat niet lang mocht duren, want op zekere dag verongelukte hij met zijn auto. O – geen discussie over de schuldvraag. Het was echt zijn fout. Geen twijfel over mogelijk. Vrouw en kinderen bleven ontredderd achter, maar trachtten iets van een normaal leven op te pakken. Tijd ging voorbij – heel langzaam. Het verdriet van de vrouw maakte plaats voor boosheid. Ze vond namelijk dat hij zijn gezin op een gruwelijke manier in de steek had gelaten… Nu was die man weliswaar dood, maar zijn geest bevond zich nog altijd op aarde. Voor hem was er hemel noch hel – of het dagelijks leven van zijn achtergebleven gezin was juist die hel. Het had er alle schijn van. Hij zag haar verdriet veranderen in boosheid. Zijn zoon groeide op zonder herinnering aan zijn vader. Zijn dochter deed alsof het haar niks meer interesseerde. Wel nu – in het tiende regeringsjaar van de nieuwe koningin gingen ze met zijn drieën kerstmis vieren bij opa en oma. Haar ouders natuurlijk, want contact met zijn ouders was er allang niet meer. Er waren slechte voortekenen voor die avond. Een extreme weersverandering met sneeuwval en sterk dalende temperaturen, maar ook drie jongens die een overval hadden gepleegd. Ze zouden zijn vrouw en kinderen tegenkomen. Als hij niets zou doen om die jongens tegen te houden, kon er iets verschrikkelijks gebeuren. Maar het was de dag voor kerstmis, de avond van kerstmis. Hij wachtte niet af en besloot zijn liefde te gebruiken om drie mensen van wie hij zielsveel hield te beschermen tegen het kwade. Hij waarschuwde de politie zonder echt te verwachten dat ze iets met zijn tip zouden doen: drie overvallers in een trein die na zes uur ’s avonds vanuit Tilburg zou vertrekken. Dat gedeelte verliep nagenoeg volgens plan, het andere mislukte volledig. De vrouw mocht niet weten wie hij was. Die pijn wilde hij haar en de kinderen besparen. Al had hij geen moment serieus verwacht of gehoopt zijn oude geliefde ook echt te kunnen bedriegen.”

We bereikten het station, net als de rest van het land oplichtend onder een deken van sneeuw. Hier moest ik uitstappen. Goed beschouwd een perfect ogenblik, want Maurits had een punt in zijn verhaal bereikt dat geen buitenstaanders meer duldde. Ik hoefde de rest ook niet te weten. Jas en sjaal deed ik op het perron wel. Hierbinnen voelde ik me een indringer. Ik struikelde zo ongeveer naar buiten. Ik was de eerste die zijn voetstappen in deze sneeuwlaag mocht zetten. Terwijl ik de uitgang begon te zoeken, keek ik naar de coupé – een trein die langzaam in beweging begon te komen.

Ze zouden met zijn vieren moeten zijn; een man, een vrouw, twee kinderen. Ik zag die vrouw staan, die kinderen, maar geen man. Een paar seconden later zag ik die man ineens weer wel. Heel duidelijk. Geen twijfel mogelijk. Ik weet niet zeker of ze verdrietig waren of juist heel erg boos. De trein vermeerderde vaart, maar ging toch ook weer niet zo snel dat ik het niet zou kunnen zien.

Ja, ik zag het heel duidelijk. Ze waren met zijn vieren.

Met dank aan Michael Schulpen

 


Gaia

Jos Smies's avatarKorte verhalen & feuilletons

In de mist der tijden leefde er een knappe jonge vrouw, dochter van Aanzienlijken, die zichzelf weliswaar niet tot de top van hun clan mochten rekenen, maar wel van belang waren. Er bestond voor Gaia, zoals ze heette, meer dan een redelijke kans op een goed huwelijk, zodat de status van haar familie zou stijgen. Gezien haar leeftijd, zestien jaar, was het de hoogste tijd dat er spoedig een beslissing werd genomen. Mensen werden vroeg volwassen in de voorTijd en gingen eerder dood dan tegenwoordig.

Er werd een groot feest aangekondigd, waarbij de complete clan, zoals het hoorde, was uitgenodigd. Gaia maakte kennis met haar toekomstige echtgenoot die haar accepteerde. Het was een bijzondere eer voor de jonge vrouw en haar familie. Er volgde een feest dat zich grotendeels buiten het gezichtsveld van Gaia voltrok. Diezelfde avond, terwijl Gaia zich voorbereidde op de komende nacht, kondigde haar dienstmeisje een bezoeker…

View original post 4.613 woorden meer


(1) octagon

Ik ontwaakte zonder herinnering aan de avond of nacht daarvoor en voelde me ronduit ellendig. Elke beweging van mijn lichaam verliep moeizaam. Lange tijd staarde ik omhoog en stelde vast dat er gaten zichtbaar waren in het plafond. Ik zag een blauwe hemel. Tevens drong het tot me door dat er een metalen constructie was gebouwd, eentje die het gammele gebouwtje overeind hield. Langzaam draaide ik mijn hoofd naar rechts, vervolgens links en probeerde mijn nekspieren wat soepeler te krijgen. Ik lag op een onbekend bed. De ruimte waarin ik mij bevond leek op een garage. Je kon er met gemak een auto parkeren, hoewel je daarmee ook de volledige oppervlakte benut had. Mijn mond voelde erg droog aan, dorst of nadorst, ik had werkelijk geen idee. Terwijl ik op dat vieze stinkende matras lag, probeerde ik me voor de geest te halen wat er ’s nachts of minimaal gistermiddag was voorgevallen. Wanneer je ’s ochtends op een volmaakt onbekende plek je ogen opent, wil je immers graag weten hoe je er aanbeland bent. Toch?

Ik had geen idee of het ochtend of middag was. Na een tijdje kwam ik overeind, hoewel dit zeer veel moeite kostte. Mijn rug protesteerde ernstig tegen elke beweging die ik maakte. Het moest toch wel een erg wild feestje zijn geweest… dat ik op een volkomen onbekende plek en totaal verrot wakker werd.

Minuten gleden voorbij.

Ik verzamelde alle moed om op te staan, en hoopte buiten van een willekeurige voorbijganger te vernemen waar ik me bevond. Misschien vond ik een oud dametje met zo’n smerig kefferig poedeltje dat onophoudelijk naar mijn enkels hapte.

Het was niet mijn eerste keer. Omdat ik altijd een stevige drinker ben geweest, ontwaakte ik wel vaker op curieuze locaties.

Ik ging staan. Enkele ogenblikken lang staarde ik glazig naar beneden en realiseerde me dat mijn schoenen verdwenen waren. Mijn suède jasje en witte overhemd hadden mysterieus plaatsgemaakt voor een rafelig blauw shirt. Ik was mijn portemonnee kwijt, pasjes, rijbewijs… verdomme… Ik veegde lange plukken haar achter mijn oren. Vingers gleden over een baard van bijna een volle week. Gisteren had ik me nog goed geschoren. Voor het eerst sinds ik wakker werd, probeerde ik me mijn naam te herinneren.

Er gaapte een diep gat in mijn geheugen. Opnieuw onderwierp ik de garage aan een uitgebreide studie. Er stond een grote klok, een monsterachtig apparaat, gebouwd volgens ideeën die in de negentiende eeuw modern moesten zijn geweest. Deze bijzondere machine werd bijeengehouden door koperen buizen, glanzend zilverachtig plaatwerk, en een eikenhouten kast. Moderne computertechnologie, bijvoorbeeld microprocessoren ontbraken op het eerste gezicht. Het vertoonde geen traditionele wijzerplaat met twaalf uren. Ik telde er tien. Dat was vreemd. Langzaam stapte ik naar de vreemde klok.

Onder mijn blote voeten strekte zich een asfaltvloer uit die alle kenmerken vertoonde van een langdurige verwaarlozing. Ik liep verder. Licht trillende vingers gleden over prachtig versierde, barokachtige wijzers. Buiten blafte een hond, ogenblikkelijk gevolgd door andere honden. Er gleed een schaduw over de klok. Ik keek omhoog en staarde naar een wolkeloze blauwe lucht. De blaffende honden riepen me naar buiten. Dat was het beslissende signaal. Ik draaide mijn stramme lichaam en zocht een uitweg.

De stalen roldeur was compleet vastgeroest tussen twee geleidingen.

Er waren voldoende openingen in de muren, doorgangen die een ontsnapping boden uit deze ellendige gevangenis. Ik hoopte dat mijn lichaam slank genoeg was om tussen die brokstukken gemetselde bakstenen door te wurmen. Het rafelige shirt schraapte langs de scherpe randen en ik vergat heel eventjes, gedurende enkele seconden, de spierpijn waarmee ik was opgestaan.

Voor het eerst besefte ik dat mijn laatste maaltijd erg lang geleden moest hebben plaatsgevonden.

Het mysterie werd niet echt kleiner.

Terwijl ik mezelf door die smalle opening wurmde, gebeurde er iets vreemds. Ik keek naar buiten, mijn ogen waren verblind als gevolg van het felle zonlicht. Een gigantische mensachtige gedaante zweefde door de lucht en ik besliste direct dat dit een verlate reactie moest zijn op alle drank die ik afgelopen nacht binnen moest hebben gekregen. Ingeklemd tussen twee stukken afgebrokkelde muur zag ik het wezen voorbij komen… veel groter dan een normaal mens… en met vleugels… een spanwijdte van zeker tien meter.

Natuurlijk vroeg ik mezelf af of ik wel echt wakker was geworden. Misschien sliep ik nog altijd. Ik was echter klaar wakker. De spierpijn die ik had verzekerde me dat er geen enkele andere mogelijkheid bestond. Ik was wakker.

Mijn ogen raakten gewend aan de wereld die zich buiten tentoonspreidde. Er lag een strook oud asfalt… er was een uitgestrekt patroon van fijne scheuren en diepe barsten ontstaan.

Het grootste deel van het oude complex was vervallen, ingestort, geheel verdwenen onder een gestaag oprukkende jungle. Er groeiden bomen en struiken op vermoeid in elkaar gezakte gebouwtjes. Het was groen geworden. Alleen de garagebox waarin ik wakker was geworden stond overeind, en dat was het gevolg van de metalen constructie die iemand lang geleden moest hebben gebouwd. Het deed me denken aan een anachronisme, een misplaatst souvenir uit een vergeten era. Verderop speelden jonge honden in het hoge gras, omdat ik enkele buitelende bruine lichaampjes herkende.

De immense kooiconstructie viel me nog niet eens op, want ik keek om me heen en zag bomen, struiken… Ooit stonden hier keurig onderhouden woonhuizen, toen glanzende auto’s de status van hard werkende burgers benadrukten. Er waren ruïnes overgebleven. De natuur had zijn oeroude rechten teruggeëist en dit terrein veranderd in een territorium voor wilde honden.

Inmiddels drong tot me door dat er een kooiconstructie was. Boven mijn hoofd bevond zich een verfijnd rasterwerk van roestvrijstalen balken en zelfs die stoeiende pups zouden er nooit in slagen weg te komen uit dit bouwwerk. Godsonmogelijk om hieruit weg te komen, aangezien de balken verdwenen in een betonnen fundament dat twee meter hoog moest zijn. Eerst vond ik het indrukwekkend en reageerde als toerist. Vervolgens besefte ik dat er een uitzonderlijk goede reden moest zijn geweest om zo’n kostbare constructie over een bestaand bewoond gebied heen te planten.

Die onschuldige pups draafden nog altijd onvermoeibaar door het grasveld. Ik dacht aan de dreiging voor een bestaande maatschappij, een gevaar, zo vreselijk groot dat je een dergelijk krankzinnig bouwwerk over een oude dicht bevolkte woonwijk heen wilde plaatsen.

Dit ding… deze kooiconstructie kende ik helemaal niet… en ik kon me evenmin herinneren dat er ooit zoiets waar ook op aarde was gebouwd. Ik voelde me reddeloos verloren, verdwaald tussen onbekende dimensies, een speelbal van mystieke krachten.

Die vervloekte honden sleurden me terug naar een grimmige werkelijkheid. Nerveuze teefjes haalden hun pups snel weg uit de frontlinie. Ik stond volstrekt hulpeloos tussen verkruimelde restanten van een verdwenen beschaving. Drie uit de kluiten gewassen reuen liepen in mijn richting. Mijn angst verstijfde me dermate, dat ik niet eens in staat was te bedenken tot welk hondenras deze mannetjes behoorden. Ik zocht herkenbare gecultiveerde kenmerken en stelde iets heel anders vast. Er stond namelijk een soort tegenover me die ontstaan was nadat de mens als controlerende manipulerende fokker wegviel. Ik herkende hier en daar specifieke kenmerken van bekende rassen. Voorzichtig plaatste ik mijn voeten op afgebrokkeld metselwerk, gelukkig groeide er overmatig veel mos en gras overheen, zodat er geen vrees voor verwondingen hoefde te bestaan. Verder ging alle aandacht naar die drie oprukkende honden.

Ik zocht naar een redelijke uitweg. Dit nagenoeg onbegroeide gebied strekte zich over een oppervlakte van enkele tientallen meters uit. Hier en daar vond je bomen, een teken dat ook de natuur dit terrein wilde innemen, maar verder had je vrij zicht. Dat gold uiteraard ook voor die honden. Bijna zestig meter in noordelijke richting lag een ondoordringbaar ogend struikgewas, een groene nauwelijks bewegende muur. Dat was een goede schuilplaats. In elk geval zouden die vervloekte honden me niet kunnen volgen, of tenminste stukken moeilijker.

De honden kwamen langzaam dichterbij. Ik liep naar dat struikgewas en leek geen centimeter dichterbij te komen.

Tussen brokstukken beton en afgebroken metselwerk lag een tafelpoot met enkele roestige spijkers. Voor het eerst lachte de voorzienigheid me toe. Ik raapte de tafelpoot op en speelde enkele ogenblikken met het evenwicht, zodat het duidelijk werd hoe ik dit stuk hout moest vasthouden. Goed. Vanaf nu was ik gewapend.

Het maakte die honden trouwens geen barst uit of ik gewapend was. Ze bleven me achtervolgen.

Boven mijn hoofd zweefde opnieuw dezelfde gigantische mensachtige gedaante die ik daarstraks had gezien. Dit was niet het product van een levendige verbeelding, maar bittere realiteit. Het mythische wezen verborg gedurende enkele ogenblikken de zon achter zijn ontzagwekkende gedaante. Hij deed me denken aan een vliegende demon… compleet met die armen en benen, vleugels natuurlijk, donkerblauw gekleurd, blikkerende gele tanden waarmee hij elke willekeurige prooi gemakkelijk zou kunnen verscheuren. Ik zou geen schijn van kans maken als hij aanviel.

Zelfs de honden keken eventjes omhoog, maar toonden weinig angst of ontzag voor dit onbekende wezen.

Bijna liet ik de tafelpoot uit mijn handen vallen, terwijl het roofwezen enkele malen rondcirkelde. Eerlijk gezegd vroeg ik me af waarom het niets deed, maar observerend door de lucht zweefde. Er was sprake van een eigenaardig status-quo, een niet-aanvalsverdrag tussen totaal verschillende roofzuchtige wezens. Ik achtte mezelf de zwakste van die drie. Eénmaal viel het onbekende wezen met geweldige vaart omlaag. Ik dacht dat hij me dan toch eindelijk ging aanvallen, maar het was een schijnbeweging. Misschien wilde hij me van dichtbij bekijken. Geen idee. Daarna verdween het wezen in zuidelijke richting en ik staarde het gebiologeerd na tot er niets meer zichtbaar was.

Ik dwong mezelf weer terug naar een alledaagsere werkelijkheid, drie agressieve en vechtlustige honden.

De dieren waren blijkbaar van mening dat ik hun territorium was binnengedrongen, hetgeen objectief bezien helemaal klopte. Je kreeg niet elke dag een lekker hapje aangeboden en ik moest toch een hulpeloze indruk hebben gemaakt.

Langzaam kwam ik vooruit over die afgeplatte puinhopen, een geïsoleerd stukje menselijk woongebied dat was onttrokken aan de werkelijkheid van alledag. De honden maakten een omsingelende beweging die je bijna menselijk mocht noemen.

Ik vroeg me af wat me was overkomen. Vage herinneringen aan een ruige stapavond buitelden door mijn hoofd. Misschien had iemand een rare grap uitgehaald en bevond mijn bewustzijn zich in een andere dimensie. Ik moest alleen nog ontwaken uit die eigenaardige droom… nachtmerrie… gevoed en aangejaagd door verdovende middelen. Straks ontwaakte ik ècht, en lag in bed… hopelijk lag ik in bed.

Plotseling bewoog het struikgewas. Ik zag heel duidelijk enkele menselijke gezichten, ook al gebeurde dit slechts enkele seconden. Mijn zintuigen waren inmiddels tot het uiterste gescherpt anders zou ik dit ogenblik hebben gemist. Ik twijfelde niet aan mijn waarnemingsvermogen. Het gebeurde heel even en zeer duidelijk. Twee gezichten van starende mannen. Er rolde een vloek over mijn tong. Die ellendelingen hadden me wel eens kunnen helpen in plaats van starend afwachten tot die rottige honden me compleet zouden verscheuren.

Mijn instinct verzekerde me hard weg te lopen… rennen… vluchten naar dat veilige struikgewas, omdat die honden me daar veel moeilijker of zelfs helemaal niet volgden. De afstand was te groot. Ik werd binnen enkele meters achterhaald door die kutbeesten. Bovendien leek de bodem opzettelijk bezaaid met allerhande puin, steen en glasscherven, vlechtijzer. Ik zou mezelf ernstig kunnen verwonden en er was natuurlijk geen dokter of zelfs goed uitgeruste apotheker in de nabijheid.

De tafelpoot klemde stevig in mijn handen. Ik was doodsbang. De honden kwamen steeds naderbij en volgden een overduidelijke tactiek. Ze wilden me omsingelen. De tafelpoot met zijn roestige spijkers had ik naar hun leider gedraaid.

Er was altijd een leider. Elke groep had een leider.

Dit vormde mijn enige voordeel… degene uitschakelen die de lijnen uitzette. Ik bestudeerde de aanvallers, elk afzonderlijk, en koos de middelste uit als speerpunt van mijn aanval.

Zo moest het verlopen, vond ik. Eerst die middelste, dan de andere twee.

Achteraf klinkt het veel eenvoudiger dan tijdens zo’n crisis.

Op dat ogenblik voelde ik me verre van slim.

Recht tegenover me stond de leider, roodgeel gekleurd kwijl droop langs zijn onderkaak.

Bij een eventuele aanval moest ik snel zijn. Alleen in films wachtten aanvallers keurig netjes totdat ze aan de beurt waren. In werkelijkheid kwamen ze allemaal tegelijk.

De leider van het stel ontblootte zijn gele tanden en gromde. Ik rook zijn rottende adem.

Ik hield de tafelpoot als een honkbalknuppel boven mijn schouder, klaar voor de verdediging. In gedachten had ik al een paar flinke dreunen uitgedeeld.

Uiteindelijk zette de leider zijn aanval in. Meteen zwaaide ik met alle kracht de tafelpoot omlaag. De andere twee honden naderden eveneens en zeer snel. Spijkers drongen onder luid gekraak door tot diep in de schedel van hun leider. Vrijwel meteen overviel me een geweldige paniek, omdat ik het slaghout niet loskreeg. Daarom zwaaide ik het slapper wordende dier naar links, zodat nummer twee terugdeinsde, en vervolgens rechts. Nummer drie wachtte af. Er volgde een patstelling. Je moest niet verdergaan als het risico te groot werd. Opnieuw zwaaide ik het logge zo goed als levenloze lichaam naar links, zodat het losraakte en nummer twee enkele meters terugdeinsde. Er bestond geen aanval meer. Ik keek lange tijd toe, en volgde de twee overgebleven dieren die hun dode leider achterlieten tussen het puin.

De zon brandde volop, het moest rond twee uur zijn. Voor het eerst speelden er herinneringen door mijn hoofd aan de vorige avond. Vrienden hadden me uitgenodigd voor een gezellig avondje centrum, drukke cafés, heel veel muziek en mensen om je tijd mee te verdoen. Ja, zo was het begonnen. Er wachtte een warme, broeierige avond. Heel erg weinig mensen gingen vroeg naar huis. Je merkte nauwelijks dat je dronken werd, omdat er zo verschrikkelijk veel mensen in het centrum bleven rondhangen. Daar ergens… in die krioelende massa lag het begin van dit vreemde avontuur.

Ik naderde de groene muur van struikgewas en bomen, en vroeg me af waarom die verdomde mensen me niet hadden geholpen, zoals mensen mekaar moesten helpen. Nu had ik al het belangrijke werk alleen gedaan, en stom toevallig de juiste beslissingen genomen. Met een beetje pech was het anders verlopen, en had mijn warme dode lichaam op die puinhopen gelegen, terwijl die honden zich te goed deden aan het vlees. Ik was zo opgefokt dat elke stomme opmerking van één van die gasten zou worden afgestraft. Voedsel voor honden zo gezegd.

Er ontstond een opening in de groene muur, twee kerels hielden takken opzij en staarden ondertussen angstig omhoog, naar de lucht, alsof daar het echte gevaar vandaan moest komen.

Eerlijk gezegd was ik die gevleugelde demon allang weer vergeten. Toch haastte ik me niet, liet de spijkers in het slaghout krassend over de stoffige bodem glijden. Ik moest die jongens toch nog iets duidelijk maken.

“Kom dan!”, schreeuwde de eerste en gebaarde heftig dat ik op moest schieten.

“Zo meteen komen ze terug,” en zijn kameraad sprak beduidend zachter, alsof dat vliegende secreet hem zou kunnen horen.

Het liefst gaf ik die jongens een ongelofelijke dreun, omdat ze hadden geweigerd mij te helpen tijdens mijn gevecht tegen die honden.

Mijn instinct weerhield me ervan. Ik bevond me in een onbekende wereld, die enige overeenkomsten vertoonde met en vooral sporen droeg van een overgereguleerde maatschappij waar ik gisteravond nog deel van uitmaakte. Er bestonden hier volkomen afwijkende regels. Mocht dit een blijvende toestand zijn, dus voor het geval ik niet uit een drugsdroom ontwaakte, moest ik toch die nieuwe regels leren kennen.

“Het liefst sla ik alle tanden uit je smoel! Wat zijn dat godverdomme voor manieren om een man alleen zo te laten knokken tegen die tyfushonden!”

Er lag iets in de houding van degene die zojuist als eerste gesproken had, een onuitgesproken boodschap, dat ik mocht zeggen wat ik wilde. Hij liet me uitrazen, wachtte keurig netjes tot mijn innerlijke rust terugkeerde. Ik gebruikte nog wat beledigingen, maar de man trok zijn wenkbrauwen niet eens omhoog. Tenslotte liet ik me tegen een ruwe boomstam vallen en zakte door mijn knieën. Een geweldige vermoeidheid overviel me, dezelfde waarmee ik wakker was geworden en die me feitelijk nooit had verlaten. “Man, ik zit echt helemaal kapot. Je moest eens weten wat voor ochtend ik achter de rug heb.”

“Kerel… ik begrijp je helemaal. We hebben het allemaal een keer meegemaakt. Iedereen komt op dezelfde manier hier terecht. Mijn oprechte excuses voor die vertoning van daarnet, maar ja… we proberen zo uit te vinden of je een echte man bent.”

Ik keek verbaasd omhoog, want dit laatste snapte ik niet helemaal.

Hij vertoonde een vriendschappelijke grijns. “Heel simpel. We willen weten of je een lulhannes bent… of een echte knokker.”

Mijn vingers omklemde het slaghout, bloed trok weg uit mijn knokkels, maar ik beheerste me. “Een inwijdingsritueel. Het is een fucking inwijdingsritueel.” Ik legde het hout naast me neer, maar hield het onophoudelijk in de gaten. Je wist maar nooit.

“Een noodzakelijk kwaad zou je kunnen zeggen. Sommigen spreken van ‘ontgroening’. In het verleden hebben we duur betaald voor ongeschikte nieuwkomers. Je hebt de puzzel op de juiste manier opgelost. Pak de leider en je hebt ze in principe alle drie bij hun kloten.”

Hij strekte uitnodigend zijn arm. Ik mocht hem wel, ondanks het voorafgaande. We zouden vrienden kunnen zijn.

“Oké dan,” en ik accepteerde zijn uitnodiging.

“Mijn naam is Balsam,” zei hij, “de meeste leden van onze nederzetting gebruiken hun burgerlijke namen niet meer, omdat ze die veelal zijn vergeten. Je vergeet kennelijk nogal veel tijdens je overtocht naar deze plek… onze wereld… Octagon. Misschien worstel je met de nodige twijfels en vraag je jezelf zonder ophouden af waarom je je zo verdomd weinig kunt herinneren. Nou… Je staat niet alleen.”

Inderdaad staarde ik glazig naar Balsam en trachtte mijn naam voor de geest te halen. Zoals zoveel vormde ook dat een diep gapend zwart gat in mijn geheugen.

“Jij heet vanaf nu Spijker,” zei de ander, die tot dusverre had gezwegen “Ik ben Stratego.”

“Goed. Nu we alle beleefdheden hebben afgehandeld, mag je uitleggen wat dit voor een vervloekte apenkooi is.”

“Eerst gaan we eten, beste Spijker. Je zult wel wat lusten, lijkt me.”

Het was een vreemde gewaarwording. Ik sprak met twee kerels, gekleed in vodden, die weinig of geen herinneringen koesterden aan een lang vervlogen wereld. Ze wisten dat er vroeger iets anders had bestaan, omdat deze merkwaardige plek alle sporen droeg van die oude verdwenen wereld. Er had zich hier een ramp voorgedaan… lang geleden… en geleerde bestuurders van de omringende stad hadden op één of ander moment het besluit genomen dit terrein volledig te isoleren. De kooiconstructie die tijdens onze wandeling nu en dan zichtbaar werd tussen hoog opschietende bomen en dicht struikgewas getuigde hiervan. Erg groot kon het nooit zijn, je zag naar alle windrichtingen solide ogende stalen verbindingen omlaag duiken.

Deze mensen moesten een moeilijk bestaan leiden. Een andere mogelijkheid kon er nauwelijks zijn. Bovendien leefden ze dagelijks met de dreiging van uitgehongerde honden en vliegende demonen die wel of niet voornemens waren aan te vallen. Mij hadden ze met rust gelaten en ik wist eigenlijk niet in hoeverre ik daar blij mee moest zijn.

We volgden een slingerend pad dwars door het bos. Er hadden huizen gestaan, lang geleden, oude muren waren klemgezet tussen bomen waarvan ik nooit de moeite had genomen hun namen te leren. Alle tekenen van beschaving werd teruggedrongen door het gestage geweld van opdringende natuur. Voor wetenschappers was dit een geweldig gebied.

Alleen waren er betrekkelijk weinig dieren, nauwelijks vogels, of gronddieren. Ik stelde me voor dat alle eetbare beesten allang waren opgegeten, wilde graag weten hoe deze mensen zich tegenwoordig in leven hielden. Nu en dan verdween er een opstandig krassende kauw tussen de somber neerhangende boomtakken. Regen viel er kennelijk ook heel weinig. De bodem oogde erg droog en stoffig. Mijn voeten waren inmiddels donkergrijs geworden. Gelukkig was het warm.

Vermoedelijk was het hier altijd warm en droog.

Onverwacht stonden we aan de rand van een nederzetting, dorpje, hoewel dit laatste woord wel erg ruim is voor die paar haveloze gebouwtjes. Min of meer geïmproviseerd rond een soort pleintje stonden huizen. Deze mensen gebruikten ze als huizen, maar in de oude samenleving waar we allemaal vandaan kwamen, zouden ze als onbewoonbaar zijn bestempeld. Deels waren die schuren opgetrokken uit steen. Ik veronderstelde dat ze gebruik hadden gemaakt van resten die er waren overgebleven. Daar hadden ze deze nederzetting overheen geplaatst. In het midden speelden kinderen, zwart van het stof en vuil. Volwassenen waren zonder uitzondering bezig, maar onderbraken hun bezigheden, zodra we met zijn drieën in zicht kwamen.

Er ontstond een bijna sacrale stilte. En eigenlijk was het meer ‘ongemakkelijk’.

Balsam nam het woord. “Vrienden en vriendinnen. De maanklok heeft ons een nieuwe metgezel geschonken. Hij heeft zijn waarde bewezen en zijn naam is Spijker.”

We liepen langzaam verder. Mannen en vrouwen begroetten me, gaven een goedmoedig knikje of zeiden ‘welkom’. Ik verwachtte ook niet zo heel veel anders. Balsam ging voor me uit, Stratego verdween in een gammel ogend huisje, maar feitelijk was alles hier even gammel en stond op het punt van instorten.

“Kom, hier eten we,” hij bleef in de deuropening staan, maar ik staarde verbijsterd naar de straatnaambordjes die boven de deur waren vastgenageld.

Oude Vlijmenseweg. Oeterselaan. Baksvelstraat.

“Goeie hemel,” zei ik en de verbijstering moest van mijn gezicht af te lezen zijn.

“Ja,” zei Balsam, “je bent thuis… in Den Bosch met andere woorden…. Mocht je willen weten wanneer… of beter gezegd… welk jaar dit is… Ik heb geen flauw idee. Niemand van ons weet het. En we zijn allemaal op dezelfde manier gearriveerd… Via de maanklok.”

Het was een schokkende ontdekking. Ik scheurde mezelf los van die dreigende straatnaambordjes en begaf me in het halfduister van de woning. Kennelijk bevond ik me gewoon op dezelfde grond waar ik dertig jaar geleden geboren werd. Dit besef maakte het mysterie nog groter. Ik wilde weten wat er was gebeurd, verleden jaar, of desnoods honderd jaar geleden. Er groeide een puberale opstandigheid in me, of drang om alle bestaande zekerheden waarmee Balsam zijn nederzetting had omgeven omver te gooien. Ik haalde diep adem en volgde hem naar binnen.

Er brandde een viertal toortsen. Het interieur bestond uit enkele stoelen, die vermoedelijk tijdens strooptochten bijeen waren gezocht. In deze curieuze wereld stond alles in het teken van functionaliteit. Een geschikte stoel, was een ding waarop je je achterwerk probleemloos neerzette, zodat je niet op een stoffige bodem hoefde plaats te nemen.

“Neem plaats,” zei Balsam. “De kooi en sommige leden van onze gemeenschap spreken over ‘stolp’, heeft de vorm van een achthoek. Vandaar dat we deze plek Octagon hebben gedoopt. Er bestaat een klimaatbeheersing, zoals je wellicht vastgesteld hebt. Misschien zijn je indrukken al te vers, of zo overweldigend, dat je niet goed weet waar je allemaal moet kijken. We kennen slechts één seizoen, het is meestal zonnig en droog. Onze groep telt bijna dertig zielen.”

“Hoe groot is die kooi?”

“Vermoedelijke diameter is een slordige twee kilometer, en begint bij de Stationstunnel, eindigt net voorbij het oude winkelcentrum aan de Oude Vlijmenseweg. We zijn volledig afgesloten van de buitenwereld. Gelukkig krijgen we met enige regelmaat, dus eenmaal per maand, voedselvoorraden via een zwaar bewaakte verbinding met ‘buiten’… dus via de Stationstunnel. Daar is onze toegang.”

“Die voedselvoorraden… een t.h.t.-datum?”

“Nee, worden speciaal voor ons geprepareerd, lang houdbaar en zo. Ze weten dat er een gemeenschap bestaat hierbinnen.”

“Ik begrijp eerlijk gezegd steeds minder van deze plek.”

“Dat neem ik je niet kwalijk.”

Stratego betrad op dit moment de ruimte met etenswaren, een vrouw volgde hem en droeg enkele grote flessen water. Zonder die geregelde leveringen van buitenaf waren deze mensen en ikzelf volkomen hulpeloos. Het was een merkwaardige constructie waarbij je gevangenen van Octagon regelmatig van voedsel voorzag. Ik snapte niet waarom je geen moeite zou doen om diezelfde mensen te repatriëren, evacueren, of wat verantwoordelijke bestuurders gewoonlijk deden in zulke omstandigheden.

“Voordat ik hier terechtkwam,” zei Balsam, “was ik een zware drinker en roker. Dus dat betekende een stevige cold turkey. Na verloop van tijd wen je eraan. Echt. Je zou het nooit denken. Ik zou die eerste dag een moord hebben gepleegd voor een pakje sigaretten of krat bier.”

Ver weg, voorbij de horizon, gloorde er een toekomst voor mij als jager en verzamelaar, net als de stumpers die hier al eerder waren terechtgekomen. Je kwam hier terecht en dat was een enkeltje, geen retour. Daarna moest je maar zien hoe je je redde in dit vervloekte oord.

“Die maanklok brengt je hier,” zo begon ik, “dat is wat je zei. Toch?”

Stratego legde de geplastificeerde verpakkingen neer, potsierlijke herinneringen aan werelden die aan onze waarneming werd onttrokken door een gigantische kooiconstructie. Brood, vleeswaren, kaas, allemaal langdurig houdbaar, zoals de schreeuwerige tekst vermeldde. Misschien zelfs speciaal voor ons gemaakt. Normaal gesproken verliet geen enkele verpakking zonder t.h.t.-datum de fabriek.

“Niemand weet hoe die maanklok functioneert. Hij brengt mensen hierheen. Dat denken we tenminste. Er is geen andere redelijke verklaring.”

De vrouw plaatste heel zorgvuldig alle flessen water, één voor één, in het grijze stof. Vervolgens verontschuldigde ze zich en liet me alleen met Balsam en Stratego.

“Tot voor kort hadden we een grotere groep,” zo begon Balsam zijn verhaal, “maar die gevleugelde demonen zorgden ervoor dat we onze organisatie moesten veranderen.” Er volgde een cynische grom. “Die ellendelingen pikten ons vreten… voordat we het in veiligheid konden brengen… Volgens Stratego wilden ze ons laten sterven van de honger. Dat is bijna gelukt. Daarna heeft een kleine groep zich afgescheiden van de hoofdmacht en verblijft nu in de omgeving Stationstunnel. Ze reguleren alle voedsel en drank die via de poort binnenkomt.” Balsam scheurde ongeduldig een half brood open, en keek ondertussen veelbetekenend in mijn richting. “Ga je gang. Eet. Je moet honger hebben. Kan bijna niet anders.”

Hij nam twee boterhammen en pakte een pakje boterhamworst.

Ik probeerde me voor te stellen welke chemicaliën er toe moesten zijn gevoegd, zodat dit spul in deze klimatologische omstandigheden eetbaar bleef. Of er was hier ergens een soort koelkast, een kelder waar veel lagere temperaturen heerste dan buiten.

“Wat zei je vriend Stratego van die opsplitsing?”

“Ik was er niet echt blij mee, omdat je zo twee apart functionerende groepen creëert. Straks moet je ‘alsjeblieft’ zeggen als je mee wilt eten.”

Langzaam knikte ik, terwijl mijn vingers een beetje onhandig twee sneetjes brood uit de verpakking opviste. Dat klonk allemaal heel logisch en redelijk. Toch liet je daarmee willens en wetens een bijzondere situatie ontstaan.

“Je moet begrijpen dat deze wereld… Octagon… zoals je misschien al wel zult vermoeden… niet gecontroleerd wordt door mensen. Die vliegende demonen… en je hebt al kennis gemaakt met één van hun vertegenwoordigers… beheersen het hele gebied. Dichte begroeiing maakt het gecompliceerder, omdat ze moeilijk voorbij bomen en struiken kunnen komen. In het Tunnelgebied hebben die jongens vrij spel. Geen bomen. Geen struiken. Er zijn nog wat laatste restanten van flatgebouwen en zo, maar dat is ook alles. Verleden maand telde de Tunnelgroep acht zielen, nu zijn het er nog maar vijf. Ze krijgen het beslist niet cadeau.”

“De laatste tijd hoor je een nieuwe naam voor die wezens rondzingen,” zei Stratego, “venator… of venators… Latijns voor ‘jager’. Ze spelen graag met hun slachtoffers. Wanneer je alle zieke eigenschappen van een sociopaat in één akelig roofdier zou stoppen, krijg je een venator. Erger dan mensen. Ze moorden vanwege de kick. Niet eens voor het eten. Volgens mij zijn de venators de reden geweest waarom de overheid die kooiconstructie heeft gebouwd. Ze zijn onkwetsbaar. Een simpele kras is voldoende om een slachtoffer serieus te besmetten.”

Mijn boterham bleef halverwege hangen. “Wat gebeurt er dan?”

“Je verandert in een venator. Dat is de periode die je moet gebruiken om het slachtoffer te doden, want als je het daarna nog moet doen, is het onmogelijk.”

“Je verandert, net als zombies.”

“Net als zombies inderdaad, maar dan intelligent… snel… georganiseerd en onkwetsbaar.”

“Vertel eens… Waar komen die smeerlappen vandaan?”

“Niet bekend… helaas… ook al gaan er enkele vage verhalen en die hoor je vast wel een keertje, maar ik ga nu geen tijd en energie verspillen aan speculaties. Je moet om te beginnen de feiten weten. Een gedeelte hebben we je inmiddels verteld. Waar die rotkrengen vandaan komen is niet eens relevant, hoewel ik begrijp dat de vraag je interesse heeft.”

Ik snapte zijn bedoeling. “Hoelang duurt het voordat ze een weg naar buiten hebben gevonden? Weg uit Octagon.”  

“Precies. Weg uit Octagon. Hallo Aarde.”

“Een horrorscenario.”

Balsam greep onverwacht mijn hand vast. “Weet je. Misschien vormt dat wel de enige reden waarom we hier zijn samengebracht. Om de venators te stoppen. Verdelgen. Vernietigen.”

Er flitste een herinnering door mijn hoofd. “Doe me een lol, zeg. Ik bedenk verhalen en schrijf die dingen op. Er is zelfs nog nooit iets van me uitgebracht.” Dit laatste was overigens niet helemaal waar. Een uitgever had net een boek van me geaccepteerd.

“Een onconventionele fantasie kan helpen,” zei Stratego, “misschien leven we hier al veel te lang. Er is al van alles geprobeerd.”

Balsam boog bedachtzaam achterover en bekeek mijn gezicht langdurig. “Joh, nu herken ik je. Jij bent die vent van dat boek… ‘Verlaten Aarde’… Spoorloos verdwenen tijdens een avondje stappen. Iedereen dacht dat je was verzopen of zo in de Dieze, opgevreten door eeuwenoud slib. Met je zatte harses in het water geflikkerd. Kijk, de voorzienigheid heeft geen medelijden met bekende figuren.”

“Mijn boek is nog niet uitgegeven. Er is alleen een intentieverklaring.”

Ik antwoordde niet. Ondanks alles bestonden er veel meer herinneringen dan Balsam en Stratego me wilde doen geloven. De leider van dit volkje herkende een schrijver, een man die zijn eerste boek nog moest uitgeven. Misschien was dit wel de meeste schokkende mededeling tot nu toe. We waren niet allemaal afkomstig uit hetzelfde tijdperk. Misschien moest Balsam nog geboren worden, toen ik mijn boek schreef. In dat geval kon hij veel meer weten van die kooiconstructie.

“Je bent niet alles vergeten, herinnert je wel degelijk bepaalde details.”

Balsam knikte bevestigend, evenals Stratego, die een fles water opende.

“Nee… inderdaad… er zijn flarden achtergebleven, onbelangrijke details, irrelevante feitjes… van die bezopen kennisfeitjes waar je geen donder aan hebt.” Hij formuleerde zijn zinnen met een zekere wrok, die ik heel goed begreep. Je wilde immers begrijpen hoe je in zo’n merkwaardige, vervallen postapocalyptische omgeving was terechtgekomen. “Ik dacht je meteen al te herkennen, dus toen je met die vervloekte honden bezig was.” Stratego overhandigde hem de waterfles en Balsam nam enkele stevige slokken.

“Hoeveel jaar na mijn verdwijning?”, vroeg ik, want hij moest het gewoon weten. Balsam zou nauwkeurig antwoord kunnen geven op mijn vraag. Dat hoorde bij de herkenning. Ik was immers een bekende Nederlander.

“Jaartje of tien, denk ik. Weet het niet zo goed… Kan ook veel langer zijn. Lijkt een beetje alsof het grootste gedeelte van mijn geheugen thuis is gebleven. Mensen komen beschadigd in Octagon. Vergeet dat nooit. Er zijn burgers hier die helemaal niets meer weten… alles kwijt zijn.”

Dankbaar accepteerde ik de inmiddels halflege fles en bedacht dat die twee kerels mij onderaan hun zelfgeschapen sociale ladder plaatsten. Als nieuweling zouden ze me die fles eerst moeten hebben aangeboden, gewoon uit beleefdheid. Kennelijk bestonden dergelijke conventies niet meer in deze gemeenschap. Een paar kinderen waagden zich binnen, die ogenblikkelijk weg werden gejaagd door de vrouwen.

Ook zo’n verandering, bedacht ik, er lag hier een duidelijke taakverdeling. Het zou me weinig verbazen als de mannen zich uitsluitend met verdedigen van deze nederzetting bezighielden. Er leek sprake van een traditionele rolverdeling. Misschien was het toevallig zo ontstaan afgelopen jaren. Ik dacht dat vrouwen een te kostbaar bezit waren voor een primitieve samenleving zoals deze om actief mee te vechten. Vrouwen werden zwanger en brachten negen maanden later gezonde kinderen ter wereld.

Terwijl het koele water in mijn mondholte kolkte, vroeg ik me af wat deze mensen zouden doen met gehandicapte kinderen. Primitieve gemeenschappen stonden niet echt bekend vanwege hun sociale houding. Nutteloze nakomelingen werden in oude culturen altijd geofferd aan de wilde dieren.

Ik had hier sinds mijn aankomst alleen gezonde mannen, vrouwen en kinderen gezien, hoewel ze zich zo te zien niet dagelijks wasten. Er was geen water voor spilzieke culturele afspraken, zoals jezelf reinigen.

“Die dingen… Kom… Hoe noemde je ze daarstraks ook alweer?”

“Venators.”

“Zijn die smeerlappen vleeseters?”

“Yep… vlees en bloed… een feestmaaltijd,” zei Balsam zonder een spoortje ironie in zijn stem.

“Inderdaad, en ze spelen met hun eten, echt… een akelige gewoonte.”

Ik maakte me geen enkele illusies over de hoogstaande culturele normen en waarden van deze groep mensen die fanatiek vochten voor hun bestaan. Ze kregen eten via het Tunnelvolk, dat alles in ontvangst nam en bewaakte, beschermde tegen destructieve venators.

“Kom… ik moet je nog iets laten zien,” zei Balsam, en zijn stem klonk nu erg rustig. Hij kwam langzaam overeind. “Je zit boordevol vragen over Octagon. Ik kan je talloze verhalen vertellen over deze wereld en het blijft toch allemaal een beetje abstract. Zo gaan die dingen nu eenmaal. Met een simpel voorbeeld verhelder ik het grootste deel toch wel aardig.”

Stratego glimlachte, ik vond die glimlach in eerste instantie nogal cynisch, maar vermoedelijk bedoelde hij het wel oké.

Eenmaal buiten wees hij de richting die we gingen volgen. Balsam zag mijn verbazing, omdat het de bedoeling was dat we teruggingen waar we eerder vandaan kwamen. Kinderen speelden weer onverstoorbaar, zonder enig rumoer. Ik wilde hier geen negatieve ideeën bij denken, maar zou dat makkelijk hebben gekund.

Stratego bleef achter in het dorpje, zijn rol was voor dit ogenblik uitgespeeld.

Binnen enkele meters omsloten hoog opgeschoten bomen en struiken ons opnieuw, terwijl Balsam geroutineerd het smalle kronkelende pad volgde. Hij sprak erg weinig tijdens deze wandeling… Of nou ja… ‘wandeling’… vermoedelijk was dit een net iets te gewone uitdrukking voor het dagelijks leven in Octagon. Opnieuw zag ik die regelmatige, bijna ziekelijke tic… dat hoofd ging heel eventjes achterover en hij tuurde naar de blauwe lucht die tussen boomtakken zichtbaar werd.

Natuurlijk herkende ik nog helemaal niets. Op het allerlaatste moment herkende ik de plek waar Balsam en Stratego zich hadden verscholen voor de venator en die honden. Ik wilde direct verder lopen, maar Balsam hield me tegen.

“Wacht even. De reden waarom ik je heb terug gebracht naar deze plek… is niet zo makkelijk onder woorden te brengen.” Balsam bleef halverwege zijn zin eventjes steken. Tijdens dat ene moment hoorde ik een eindje verderop het hese keffen van enkele pups. Misschien was hij afgeleid. “Je hebt een specifiek beeld van de werkelijkheid.” Er danste voor het eerst een grijns rond zijn lippen. “Moet je vergeten. Niet alles wat je ziet is namelijk echt. Vroeger was dat uiteraard wel zo… vroeger… toen je nog met je vrienden lekker op kroegentocht was… in Den Bosch.”

Balsam trok enkele takken opzij, liet me staren naar datzelfde tableau als daarstraks, toen drie honden me wilden klaarmaken voor de lunch. Ik zag diezelfde pups weer spelen op de puinhopen van vroegere woonhuizen, volwassen honden waren in hun nabijheid en hielden aandachtig in de gaten wat er gebeurde. Eerlijk gezegd begreep ik geen moer van Balsams opwinding. Hij was echter niet van plan voor te zeggen wat ik overduidelijk en meteen had moeten zien. Het duurde in mijn geval alleen een tijdje.

“Die ene hond… hun leider… ik heb het beest gedood,” er lag een onvoorstelbare verbijstering in mijn stem.

“Juist.”

Het duurde bijna een volle minuut of zo.

De hond die ik had gedood met die tafelpoot en roestige spijkers, het dier had daar op een heuvel moeten liggen, bovenop die slordig bij elkaar geveegde stukken steen, beton en bouwmaterialen afkomstig uit een vervlogen tijdperk. Hij was weg. Compleet verdwenen.

“Die beesten ruimen hun doden toch niet op? Of worden ze opgevreten? Dat zijn toch geen aaseters?”

Onder normale omstandigheden was mijn verbijstering uiterst amusant geweest.

“Je moet beter kijken, Spijker. Je bent schrijver, hebt een boek geschreven, je moet kunnen observeren. Dus…. Observeer!”

Het duurde erg lang voordat mijn hersenen registreerden wat Balsam in feite bedoelde. Natuurlijk ontbrak er een nog warm lijk, het dier dat ik daarstraks gedood had.

Tevens koesterde ik me geen illusies over kannibalisme onder honden, met name als een roedel voortdurend op de rand van hongersnood balanceerde. Zelfs mensen waren vroeg of laat bereid het vlees van hun overledenen te eten mits de nood hoog genoeg was.

Er zouden stoffelijke resten moeten zijn overgebleven, afgekloven botten, rood gekleurd gras of steen.

Op zeker moment richtte een reu zich vermoeid op, enkele pups kwamen stoeiend dichterbij, maar hij veegde ze achteloos terzijde. Nog steeds weigerde mijn brein te geloven wat ik zag.

Dat dier leek sterk op de leider die ik bijna een uur geleden dood geslagen had. Ik zocht tevergeefs naar de juiste woorden, schudde het hoofd en keek naar Balsam. Hij veranderde zijn neutrale gezichtsuitdrukking in een valse grijns. “Niet alles wat je ziet is echt.”

Opnieuw staarde ik naar de ongenaakbare en onkwetsbare leider. Er groeide twijfel. Ik vroeg me af hoe ik me zo sterk kon vergissen.

Het grote dier inspecteerde arrogant zijn territorium.

“Zie je… die honden… zijn helemaal geen echte honden. O, vergis je niet… Zijn ongelofelijke gemene krengen, hoor. Ze bijten je strot af als de kans zich voordoet. Bovendien komen ze altijd weer terug.” Hier pauzeerde Balsam eventjes. “Die honden zijn in werkelijkheid elektronische projecties, holografische illusies, een wonder van moderne techniek. Ergens, en niet zo heel ver hier vandaan, manipuleert iemand deze dingetjes die sprekend op herdershonden lijken.” Gedurende een enkel ogenblik liet hij de takken terugvallen, zodat de visuele connectie tussen ons tweeën en die honden werd verbroken. “Iemand vindt het weinig of geen probleem onnoemelijk veel energie te spenderen aan deze circusattractie. Er is slechts één verklaring die ik kan bedenken. Voorkomen dat iemand van buitenaf ons gebied binnendringt, of hier vandaan ontsnapt. Begrijp je me? Die dingen moeten ervoor zorgen dat we blijven waar we zijn.” Opnieuw trok hij de takken naar beneden. Er waren slechts enkele seconden voorbij gegaan, maar het tafereel had zich hersteld, of eigenlijk gereset. Die honden reageerden op onverwachte gebeurtenissen.

“Holografische projecties,” ik sprak opzettelijk elke lettergreep heel langzaam uit, zodat mijn ongeloof verduidelijkt werd.

“Jazeker,” zei Balsam.

Ik vond het erg vermoeiend allemaal. Zoals je een dergelijk avontuur alleen maar kon betreuren wanneer je er buiten je schuld om middenin zat. Er ontstond een nieuwe onweerstaanbare drang naar huis, heimwee dus eigenlijk. Ik staarde hoofdschuddend opzij. Balsam reageerde niet of nauwelijks en verontschuldigde zich amper voor de situatie.

Holografische projecties, agressieve dieren, moordlustige beesten, die een specifieke opdracht hadden meegekregen van hun onbekende opdrachtgevers en bedenkers. Ik geloofde opnieuw dat mijn alcoholdroom nog altijd voortging. Dit was helemaal niet echt.

In mijn ogen mocht je dit nooit anders dan een apenkooi noemen, speeltuin voor volwassenen die getroffen waren door een curieus noodlot. Iets, of iemand had ons allemaal losgelaten in deze onbekende vijandige wereld. Elektronische monsters, holografisch geprojecteerde honden, onwerkelijk en tegelijkertijd dodelijk echt, bevolkten dit universum. Balsam wekte de valse indruk dat er zoiets als controle bestond. Ik vond dat een verkeerd idee, omdat je nooit zeker wist wat je voorbij de volgende bocht te wachten stond. Als toerist was ik altijd een hele slechte, omdat ik niet zo best met onverwachte gebeurtenissen kon omgaan… tijdens vakantie. Het liefst reed ik ’s ochtends eerst langs de garage voor een extra check voordat de lange opwindende tocht naar het zuiden aanving. Ik gaf als eerste toe een perfectionist te zijn, een handige eigenschap voor schrijvers.

Balsam liet me meer zien dan enkele stoeiende pups en oplettende volwassen honden. Hij toonde dat deze wereld, Octagon geheten, een onvoorspelbare plek was. De veiligheid van mijn oude wereld lag achter me. Hier golden andere regels. Vrouwen vormden een belangrijke verzekering, zorgden voor nageslacht. Moesten baby’s zogen, kinderen groot brengen, terwijl mannen hun leven waagden om gezinnen te beschermen. Die antieke rolverdeling zou vijandige reacties oproepen indien journalisten achter veilige beeldschermen een vergelijkbare opinie moesten neerschrijven. Antieke beschavingen waren nooit feministisch en dat was zuiver uit lijfsbehoud. Zodra je je vrouwen liet meevechten, verminderde de kans op herstel van je macht na een vernietigend slecht verlopen oorlog. Uiteraard wist ik dat helemaal niet zeker, maar het leek me een redelijke veronderstelling.

“Vechten jullie vrouwen mee tegen de venators?

Balsam schudde ontkennend zijn hoofd. “Jij begrijpt dat toch wel, denk ik?”

“Het zal je weinig helpen, Balsam, als je nederzetting dreigt te bezwijken onder een aanval van venators.”

“Da’s ook waar.”

Balsam ging voorop, maar in plaats van de snelste weg terug naar het dorp te nemen, koos hij een nog smaller en kronkeliger pad, een paadje eigenlijk, dat tussen dreigend overhangende bomen leek te verdwijnen. Zonlicht ging schuil achter dicht bladerdek. Er heerste een volmaakte stilte. Geen vogels. Geen geritsel van gronddieren. Geen zacht ruisende boombladeren. Alleen onze eigen voetstappen die nu en dan takjes doormidden braken.

Soms leek het alsof Balsam opzettelijk zijn voet op zo’n takje zette. Ik keek links en rechts zag brokstukken steen en beton gevangen tussen bomen die er sinds vele tientallen jaren ongehinderd konden groeien. De natuur had weinig respect getoond voor de huizen die mensen ooit een veilig heenkomen hadden geboden.

Balsam wees een auto aan, rechts van ons een rode Suzuki, links stond een blauwe Opel.

“De grens van wat wij als ons territorium beschouwen. Daarachter ligt het domein van de kalkhuiden.”

Hij sprak op gedempte toon alsof die geheimzinnige kalkhuiden meeluisterden. Mijn gezichtsuitdrukking moest zowel verbazing als afschuw hebben verraden. “Voor het geval dat je bent gaan denken dat al het gevaar uit de lucht komt. Of dat elektronische honden ons grootste gevaar zijn. Behalve venators zijn er nog andere wezens meegekomen uit die andere wereld.”

Balsam legde zijn hand vaderlijk op mijn schouder en beduidde me mee te komen. De autowrakken markeerden een duidelijke grens die we niet mochten overschrijden.

Ik bleef een halve stap achter Balsam stilstaan en staarde in het eeuwige schemerduister – waarschijnlijk zocht hij naar een of twee van die kalkhuiden die zich hier verborgen. Ik had geen idee waar ik nou eigenlijk bang voor moest zijn, maar uit de houding van Balsam sprak veel angst die mij inmiddels ook te pakken had gekregen. Zijn ogen gleden zoekend langs bomen en struiken, zijn oren probeerden het minste geluid van hun aanwezigheid op te vangen.

Voorlopig gebeurde er helemaal niets. Ik voelde me een toerist die van een jager op groot wild een uitgebreide rondleiding kreeg, de naïeve toerist aan wie de gevaren van de jungle werd uitgelegd. Voorlopig zag ik helemaal niets.

Balsam stak twee vingers op en wees aan waar ze stonden.

Nu zag ik ze ook… mensachtigen… veel anders kon ik ze echt niet noemen… mensachtig… met relatief grote kale koppen en gitzwarte ogen en uitgerekte spitse oren… Hun huidskleur leek eerder grijs dan wit… lippen vormden brede op elkaar geperste blauwe strepen en een enkele keer ontblootten ze dreigend hun vlijmscherpe gele tanden… en misschien vulde mijn al te levendige fantasie dit laatste detail alleen maar in.  

“Ze zijn de vampiers die volgens ons eigen volksgeloof nooit hebben bestaan,” zei Balsam, “fanatieke knechten van de venators… schaakstukken die door hun meesters in beweging worden gezet… ze doen niks uit zichzelf.”

Hun aantal bleef niet beperkt tot de twee afwachtende gestalten van daarnet. Overal verschenen er kalkhuiden, maar ze bleven aan hun kant van de grens. Het was erg bedreigend, vervulde me van angst, omdat ze zich als een virus leken te vermenigvuldigen. Tenslotte stonden ze over de volle breedte van hun territorium.

“Dienaren van de nacht… ze zijn talrijk… als mieren in een mierenhoop… bijen in een bijenkorf… goed georganiseerde meedogenloze moordenaars… door hun massaliteit levensgevaarlijk… een onoverwinnelijk leger als je hun macht combineert met de koele berekening van de venators.”

“Mijn God.”

“God zal je niet helpen als die wezens besluiten ons aan te vallen. God en zelfs de duivel moeten de mensheid te hulp komen als die krengen ten aanval overgaan en door de barrière van de kooi heenbreken.”


‘het is het lot’

Nog steeds lopen er rillingen over mijn rug als ik iemand over een loterij hoor praten. Blije gezichten, vrolijke stemmen, ze hebben geld gewonnen. Wauw, wat een geluk! Een buitenkansje, maar ik wil er niets van weten. Echt, helemaal niets. Soms belt er zo’n meisje en dan verbreek ik zonder commentaar de verbinding. Die hoofdprijs heb ik ooit in handen gehad. Ik weet hoe het voelt. Ik weet hoe het is om ‘m te overleven.

Twintig jaar geleden studeerde ik in Tilburg en woonde in Den Bosch. Ik zou leraar Nederlands gaan worden. Genoeg verwachtingen, al leefden ze niet allemaal sterk genoeg in mijn bewustzijn. Natuurlijk kampte ik met een chronisch gebrek aan geld, wat ook weer de charme is van een studententijd. Mijn rekening stond altijd rood.

Met huisgenoot Jeroen stond ik op een nacht in een patattent die uitgerust was met een paar gokkasten. We betaalden toen met guldens, niet met euro’s. Ik was blut. Hij had nog een muntstuk van vijf gulden die hij balorig in die gokkast gooide. Nog steeds begrijp ik geen ruk van die dingen, maar er kletterden vrijwel direct enkele rijksdaalders in de verzamelbak. Hij wilde ze weer in die gokkast gooien, maar ik hield ze bij me. Ik had een heel andere bestemming voor die rijksdaalders.

“Wat doen we met al dat geld?”, vroeg Jeroen wiens gezicht een opgewekte grijns vertoonde. We kwamen toch al rechtstreeks uit de kroeg en hadden weer geld. Vijfentwintig gulden maar liefst… Aangezien we allebei nog studeerden, waren dat bijna 16 glazen bier. Studentenprijzen, jazeker. Onze eindbestemming voor dat moment lag bijna honderd meter verderop, een café, de naam Hatsjikidee was ontleend aan een kinderprogramma. We kwamen er altijd binnen, ongeacht hoe druk het was, want de eigenaar was een jeugdvriend geweest van een studiemakker. Die nacht nestelden we onszelf aan de bar, bestelden twee glazen bier en spraken over het geluk dat ons zoëven ten deel was gevallen.

“Dit is me nooit eerder overkomen,” zei hij. “Normaal verlies ik alleen maar.”

“Geniet ervan, joh.”

Jeroen grijnsde wild. “Een man heeft maar twee dingen nodig. Bier en vrouwen.” Hij hield zijn glas omhoog.

“En geluk natuurlijk,” zei ik, “zonder geluk vaart niemand wel.”

“Oké dan,” zijn gezichtsuitdrukking veranderde, werd ronduit smerig, uitdagend, “dit is voor al het geluk van de wereld,” Jeroen bewoog zijn glas in mijn richting, ik aarzelde te lang, “voor één dag al het geluk van de wereld.” Zijn hand mèt glas zwaaide doelloos door de lucht en het gebaar verkreeg zo iets doms.

Ik had veel gedronken die avond, maar niet zoveel.

“Oké. Wàt zou je dan allemaal doen?”

“Een lot kopen, denk ik, een staatslot of zo, boel geld winnen, rijk worden, nooit meer werken.”

“Bedenk wel, je hebt maar 24 uur.”

“Niet slapen, veel seks en bier als toetje. Als je wil neuken, moet je niet zuipen.”

“Regel nummer 1.”

“Exact.”

“Goed,” zei ik, terwijl ik me van de kruk liet glijden, “ik ga pissen en als ik terugkom heb jij nieuwe verse biertjes voor ons geregeld. Oké?”

Hij knikte, maar zijn aandacht werd getrokken door twee studentes die binnenkwamen. “Misschien vier,” zei hij. Zijn stem ging deels verloren in het lawaai. Ik zag zijn lippen bewegen.

Vierentwintig uur lang al het geluk van de wereld. Hoeveel tijd heeft een vent nodig om een meid te versieren? Laat staan twee. Jeroen zou een hoop geluk nodig hebben als hij ze alle twee mee wilde krijgen. Ons huis, hun huis. Veel maakte het niet uit. Om seks te hebben, is niet altijd een bed nodig.

Ik kwam terug en trof een lege kruk waar Jeroen had moeten zitten. Geweldige vriend. Die studentes waren ook weer weg. Wel stonden er vier glazen bier klaar, onaangeroerd. Ik nam plaats aan de bar.

De kastelein toonde een rij glanzend witte tanden. “Ze zijn betaald. Ik moest je de groeten doen van de gelukkigste pik van het westelijk halfrond.” Hij draaide zich om en zette de muziek wat zachter.

Ik begon mijn vier glazen leeg te maken.

Volgende ochtend werd ik rond tien uur wakker. Medewerkster van een plaatselijke krant belde op en vroeg of ik toestemming wilde geven voor de publicatie van een kort verhaal. Ja, dat wilde ik wel.

Jeroen was er niet. Zijn bed bleek onbeslapen. Mijn huisgenoot moest een prima nacht hebben gehad. Ik probeerde het woordje ‘geluk’ te vergeten en verlegde mijn aandacht naar een vakantie van tien dagen. Vertrek volgende dag, eindbestemming was Frankrijk, de Provence. Allemaal studenten die net een pittige eindejaarsstage achter de rug hadden en toe waren aan tien dagen ontspanning, al zouden er ook heel wat oudheden worden bezocht. Ik studeerde behalve Nederlands ook geschiedenis. Vandaar de focus op oudheden. Ik verliet om half zes ’s ochtends het huis en had Jeroen nog altijd niet teruggezien. Veel zorgen maakte ik me niet, want hij was een volwassen vent die goed voor zichzelf kon zorgen. Eerlijk gezegd dacht ik al niet eens meer aan hem. Jeroen bleef wel eens vaker enkele dagen weg. Het was wel de eerste keer dat hij me in de kroeg had achtergelaten voor een paar meiden. Dat zou toch iedereen gedaan hebben? Als je twee grieten tegelijkertijd een beurt kon geven. Welke vent zou dat nou niet doen?

*****

De Provence was mooier dan ik me voor had kunnen stellen.

Tijd ging snel voorbij. We dronken veel te veel. Na een dag of zes begon de reeks monumenten ons te vervelen. Onze belangstelling werd minder.

Ik keerde met tegenzin terug naar huis, al betekende dat niet zo erg veel, want ik ging altijd met tegenzin terug naar huis.

In Frankrijk was het warm en zonnig, wat het in Nederland ook bleek te zijn. Ik wist dat er nog veel werk wachtte, want ik was van plan af te studeren in september dat jaar. Grootste probleem was mijn motivatie die volledig ontbrak. Ik ging een paar maanden met heel veel hard werken tegemoet.

Om half zeven ‘s avonds kwam ik thuis. Brievenbus leek twee weken niet meer te zijn geleegd. Behalve reclame trof ik rekeningen aan, giroafschriften en mijn eigen kaart die ik vanuit Zuid-Frankrijk had verstuurd. Ik wist niet goed wat ik hiervan moest denken. Zelfs voor Jeroen was dit vreemd. Mijn vakantiegevoel raakte op de achtergrond. Ik begon me af te vragen of Jeroen wel thuis was geweest afgelopen tien dagen – en zo niet, waar hij nu uit zou kunnen hangen. Twee weken post klemde onder mijn arm. Ondertussen probeerde ik de goede sleutel te pakken en sleepte mijn koffer langs een galerij met gesloten deuren, neergelaten jaloezieën en gordijnen die ooit een andere kleur hebben gehad.

Ik opende de voordeur en op datzelfde moment werd er een schaduw over het appartementencomplex heen gelegd. Het was de eerste keer in tien dagen dat ik de zon achter een wolkendek zag verdwijnen. Deur ging open, post kletterde op de vloer en ik geloofde nog steeds dat het allemaal wel meeviel. Ik moest wennen aan de duisternis, maar de huistelefoon lag op het tafeltje. Buiten was het warm, zeker dertig graden. Transpiratievocht droop langs mijn rug. Uit het huis stroomde een kou die me vreselijk bang maakte. Hierbinnen zou het verschrikkelijk benauwd moeten zijn, onuitstaanbaar benauwd zelfs, zoals altijd op dit soort dagen. We hadden geen airco. En los daarvan – ik had nog nooit een kou als deze gevoeld. Nog nooit.

“Hallo?” Ik voelde me een stomme idioot… Om godverdomme in de deuropening van mijn eigen huis ‘hallo’ te gaan roepen! Ik raapte de post op en bleef ondertussen naar binnen staren, omdat de kou minimaal suggereerde dat er iets aan de hand moest zijn. De post kwakte ik naast de telefoon op het tafeltje. Mijn vingertoppen duwden de deur weg. Ik ging verder en vond een vreselijke ravage. Kijk – echte schoonmaakjongens zijn we nooit geweest, maar dit was nog erger dan de Franse revolutie. Alle boeken waren van de planken getrokken, tafel lag ondersteboven, een tafelpoot stak uit de beeldbuis, kussens van onze bank waren opengesneden. Het was verschrikkelijk. Ik vergat de kou die mijn vingers liet verstijven. Ik dacht aan inbrekers en vroeg me af waar Jeroen was gebleven. Was het mogelijk dat iemand kon overleven in deze kou? Ik kende het telefoonnummer van zijn ouders niet. Zijn slaapkamer bood dezelfde aanblik als onze woonkamer. Alles wat kapot gemaakt had kunnen worden, bleek ook inderdaad aan stukken te zijn gesneden. Wat kon er gebeurd zijn? Waar kwam die vervloekte kou vandaan?

Ik stapte naar buiten, struikelde bijna over mijn eigen tas en leunde een tijdje tegen de balustrade.

De buitenlucht voelde benauwder aan dan daarstraks. Ik voelde vochtdruppels langs mijn rug glijden. Dit was een goed moment voor bezorgde buren om buiten te komen en eens te vragen of het wel goed ging met mijnheer de student. Destijds waren er geen mobiele telefoons waarmee je contact kon leggen met afwezige vrienden. Ik had een aardig geheugen voor telefoonnummers van personen die ik regelmatig nodig had. Ouders. Broer. Zus. Jeroen, mijn huisgenoot. Tegenwoordig hoef je zulke dingen niet meer te onthouden, toen nog wel. Ik sloot de voordeur. Daarna belde ik aan bij de buren, oude mensen, die moesten thuis zijn, ze waren altijd thuis. Nu dus niet. Niet vandaag. Andere buren dan maar. Man, vrouw, kind van bijna twee jaar oud. Niet thuis. Een deur verderop, man alleen, ook niet. Ik heb ze allemaal geprobeerd, geloof me, maar er was niemand thuis. Hoe groot is, statistisch gezien, de kans dat je zoiets overkomt? Ik heb zelfs de verdieping daarboven geprobeerd. Overal hetzelfde. Niemand thuis. Op de vierde verdieping besloot ik op te houden met aanbellen. Mensen waren niet thuis, of weigerden open te doen, maar ik zag ook nergens beweging achter ramen, geen gordijnen die eventjes opzij werden gedaan, jaloezieën die nog eventjes naslingerden. Mijn handen rustten op de balustrade. Ik keek omlaag en de straat leek niet meer zo diep, niet meer ver weg, zoals normaal. Er reden auto’s heen en weer, maar bestuurders probeerden afstand te houden wanneer ze het gebouw passeerden. Ik dacht tenminste dat ze dat deden. Een oudere vrouw liep met een hond. Er waren fietsers. Soms dacht ik dat ze het flatgebouw in de gaten hielden, alsof het een slapend monster was dat na zonsondergang zou kunnen ontwaken.

Ik moest iemand te spreken krijgen, een telefoon vinden, een telefooncel, al had ik weinig contant geld overgehouden na de vakantie. Met mijn geluk zou ik een telefooncel vinden waar je een kaart voor nodig had – die waren vrij populair toentertijd. Geen cash geld, maar een heel modern kunststof kaartje en ik had natuurlijk geen telefoonkaart.

Die telefooncel had ik snel genoeg gevonden, maar ik had zo’n kutkaart nodig. Voordat ik stapelmesjoche werd, moest ik iemand te spreken krijgen die me kon vertellen wat er aan de hand was. Ik was een normale student geweest tot ik dat vervloekte huis binnenging. Niet lang daarna stond ik op die vierde verdieping omlaag te staren en bedacht dat de afstand best wel mee viel. Ik had over die reling heen kunnen stappen. In de gang van ons huis had ik mijn tas laten staan boordevol getuigen van een heerlijke vakantie. Ik had zo terug gewild. Op dit moment wilde ik alleen maar zo ver mogelijk uit de buurt van dit klotegebouw zien te geraken. Echt, zo ver mogelijk.

Ik wachtte bij een zebrapad om over te steken, maar alle auto’s bleven doorrijden. Drie fietsende jonge mannen, gekleed in goed passende kostuums, stopten en begonnen zichzelf voor te stellen. In feite luisterde ik maar half, want ik irriteerde me mateloos aan die gasten. Spraken over de heiligen der laatste dagen. Allemaal gelul. Een van die gasten begon over de bijbel. Over God. Nou, dan weet je het wel. Het einde van de wereld kwam eraan. Alwéér dus.

“Heeft één van jullie niet toevallig een telefoonkaart die ik mag gebruiken?”, vroeg ik.

Ze keken elkaar korte tijd aan en de man die meteen links van mij stond tastte in zijn jasje en gaf me een kaart, maar niet voordat hij er een telefoonnummer op had geschreven. “Alsjeblieft – Je ziet eruit alsof je wel wat hulp kunt gebruiken.”

“Dank je.”

“Graag gedaan… enne… bel ons nou maar… Je moet weten dat we je echt kunnen helpen.”

“Dat gaat niet, man, ik ben al katholiek.”

“Voel je vrij om ons te bellen.”

Het beltegoed bleek ruim voldoende. Ik tikte het nummer en hoopte dat er in ieder geval iemand thuis zou zijn, zoals mijn moeder, die me kon vertellen dat ik idiote dingen had bedacht. Hopelijk ging ze vragen hoeveel ik daarginds in Zuid-Frankrijk had gezopen. Ik staarde omhoog en verwachtte Jeroen met een ijskoud flesje bier op het balkon, mogelijk in gezelschap van een dame met lang lichtblond haar. Onzin. Ik hoorde ineens de stem van mijn moeder, een schrille hoge klank, zoals altijd. “Hallo?”

“Ik ben het, mam.”

“Hé – Ben je alweer thuis?”

“Ja – net.” Godzijdank reageerde moeder volkomen normaal. Sommige dingen veranderden nooit. Ik draaide me om, gezicht naar de flat, zag een vrouw op de derde verdieping en ik wist heel zeker dat ik voor haar deur had staan wachten. De trut. Ze had toch zeker wel open kunnen doen, godverdomme! “’t Is een chaos, mam, alsof er een bom is ontploft.” Waarom bel ik in hemelsnaam mijn moeder? Ik had de politie moeten bellen! “’t Hele huis is overhoop gehaald.”

“Ja-a,” zei ze aarzelend. “Zijn moeder heeft me vanmorgen gebeld… die van je vriend dus… Jeroen.” Ik vond het altijd vervelend als ze op die manier over ons tweeën praatte. Alsof we inderdaad zulk soort vrienden waren. “Ze huilde…. Ik ben er behoorlijk van geschrokken. Hij schijnt er… ja… hij schijnt er dus echt helemaal van af te zijn… compleet in de war. Die jongen bazelt steeds dezelfde woorden… Niemand snapt wat hij ermee bedoelt… ‘Het lot – het is het lot’.”

“Vierentwintig uur lang al het geluk van de wereld.” Ik slikte de helft van mijn woorden in. In mijn hoofd hoorde ik Jeroen praten. ‘Een lot kopen, denk ik, een staatslot of zo, ’n boel geld winnen, rijk worden, nooit meer werken.’ Ik zag zijn gelaatsuitdrukking voor me, hoorde hem die woorden weer uitspreken en ondertussen moest mijn moeder haar vraag enkele keren herhalen voordat ik eindelijk begreep wat ze vroeg.

“Wat zeg je nou?”, vroeg mijn moeder.

“Da’s pech hebben, mam. Beltegoed is bijna op,” zei ik. Er stond nog 7 gulden 50 in het schermpje. “Tot straks. Hopelijk heb je wat eten bewaard. Moet eerst even wat spullen halen boven.” Ik legde de telefoon neer en liet mijn hand een tijdje op het toestel rusten. Bewoner van een hoekappartement op de tweede verdieping begon  zijn was op te hangen. Ik zag mannen en vrouwen achter ramen. Ze waren allemaal thuis, de meesten althans, ze hadden gewoon open kunnen doen, de klootzakken.

Vierentwintig uur lang al het geluk van de wereld.Er begon zich een beeld te vormen van een jonge vent die zich één dag lang van het ene geluksmoment naar het andere voortsleepte. We hadden die leeftijd nu eenmaal, dus alles draaide om bier en vrouwen. Veel meer kon een mens onmogelijk nodig hebben. Ik propte de telefoonkaart in mijn broekzak en keerde terug naar huis. Het moest. Eigenlijk wilde ik helemaal niet, maar het moest. Ik kon de politie toch moeilijk opbellen met een verhaal over een monster dat zich in het duister ophield en wachtte op een onschuldig slachtoffer. Met wie kon ik dit eigenlijk bespreken? Alleen Jeroen – en die liep met molentjes. Zijn geluk moest iets gecreëerd hebben dat was doorgedrongen tot de spouwmuren van ons huis. Wat zou er gebeurd zijn – toen zijn  dag eenmaal voorbij was? Ik moest een antwoord zien te vinden op die vraag.

In het gebouw nam ik de trap. Halverwege kwam ik een bewoner tegen, een man die ongeveer zestig jaar oud moest zijn. Ik wilde vragen naar gebeurtenissen die zich afgelopen dagen hadden voorgedaan. Hij liep verder, ik ook, kans ging voorbij.

Waarom had goddomme niemand opengedaan? Het was toch wel het minste dat die mensen hadden kunnen doen. Elektrische bel, misschien een stroomstorinkje, misschien deden de apparaten in ons huis het nu ook gewoon weer.

Ja, zou kunnen, maar dan nog had het er nooit zo vreselijk koud mogen zijn daarbinnen. Het had stikbenauwd moeten zijn.

Ik heb het altijd een prettig huis gevonden. We hadden altijd visite vaak tot groot ongenoegen van de buren die graag klaagden over herrie. Ik wist wat me te wachten stond, legde een hand op de voordeur en voelde opnieuw die intense kou. Deur ging open, ik wachtte enkele ogenblikken, alsof er een sfinx me zou opwachten die een vraag ging stellen waarop een gewone sterveling geen antwoord kon bedenken. Er was niemand, het was er alleen maar stervenskoud. Geen monster, geen sfinx.

Ik wilde de keukendeur dichttrekken, maar aarzelde. Ik dacht iets te zien. Een beest… een insect of zo… een schaduw die voorbij flitste. Onzin natuurlijk, er leefde hierbinnen helemaal niets. Veel te koud. In dit huis zou niets of niemand kunnen overleven.

Alles ging hier dood, maar Jeroen heeft levend het huis mogen verlaten. Hij moest het bekopen met een substantieel verlies aan gezond verstand. Ik bleef stilstaan in de gang. Rechts de wc en douche, links onze gezamenlijke kamer.

Het was veel kouder in huis dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Geen kwestie van vorst of gevoelstemperatuur, het ging veel dieper. Ik meende dat de hel zijn poorten had geopend. We zijn nog steeds dieren die op de vlucht willen slaan als we gevaar ruiken.

Ik ging rechts, naar de wc en douche. Bij de slaapkamer van Jeroen bleef ik staan, als verstijfd, want hij lag daar gewoon op bed. Niet alleen natuurlijk, er lag een meisje naast hem, regelmatige gelaatstrekken, lang donkerblond haar, dus een knappe griet. Hij opende zijn ogen. Er lag geen verrassing op zijn gezicht. Blijkbaar vond hij het normaal dat ik daar stond. Zijn lippen bewogen, maar hij zei geen woord. Het meisje opende eveneens haar ogen en keek naar hem. Ze trok het dekbed een beetje preuts kijkend omhoog en fluisterde enkele woorden in zijn oor. Hij schudde zijn hoofd. Zei iets. Nog steeds geen geluid.

Ik wilde een vraag stellen. Jeroen legde een vinger op zijn lippen. Het meisje draaide zich om. Ik zag een achterhoofd met lang uitwaaierend donkerblond haar.

“Het lot – het is het lot,” zei hij en voor het eerst kon ik hem verstaan. “Mijn lot. Jouw lot. Alles is van ons samen. Zoals we ooit hebben afgesproken.”

“Ik bedank voor die waanzin,” zei ik.

“Denk erom… het is het lot.”

Ik draaide mijn hoofd weg, heel eventjes maar, om daarna weer in die slaapkamer te kijken. Jeroen was er niet meer. Het meisje was er niet meer. Ik slaakte een zucht van verlichting.

Mijn fantasie begon spelletjes te spelen. Geesten – of een sterke herinnering aan iemand die hier is geweest.

Zou Jeroen nog leven? En dat meisje? Ik dacht steeds aan de naam Helma en veronderstelde dat dat haar voornaam moest zijn.

‘Het is het lot.’ Zijn waanzin vatte zich samen in die paar woorden.

Ik legde mijn vingers om de deurklink. Het kostte erg veel moeite om ze te bewegen en die deur open te trekken. Scharnieren knarsten luidruchtig. We hadden van ons toilet een bijzondere plek gemaakt. Herinneringen, souvenirs, trofeeën, ze werden dáár bewaard, zodat we op de rustigste en fijnste plek in huis om ons heen konden kijken. Bezoekers kwamen geïmponeerd terug. 

Het was nergens zo koud als juist op die plek. Ik voelde het direct en wilde al terugstappen. Er hing een groen visnet boven mijn hoofd met een verzameling slipjes en bh’s. Onze trofeeën. Er was veel meer. Uitgescheurde krantenartikelen met rare opvallende berichten. Ik wist pas wat ik zocht, toen ik het zag.

Het moest hier zijn. Als er ergens nog iets was, dan hier in onze trofeeënkamer.

Jeroen had het goed gezegd. Het was inderdaad het lot.

Hij had een staatslot aan de muur vastgepind met een punaise. Geheel volgens de huisregels had hij er een half afgescheurde krantenpagina bij gedaan met een vette zwarte cirkel rond het winnende lotnummer.

Het was hèt lot.

(c) Jos Smies / jhmsmies.com / juni, juli 2014