de win-winmethode

 

Je moest eens weten hoe makkelijk het voor mij is om jouw huis binnen te komen. Het is echt doodsimpel. Ik doe dit werk toch al een hele tijd en er zijn nog altijd huizen die zo slecht zijn beveiligd dat mensen soms denken dat ik er zelf woon.

Ik begin met de schroef – er moet een schroef in de cilinder – normaal gaat jouw huissleutel daarin – nu is het mijn schroef, omdat ik de schroef, waarmee de cilinder is vastgezet, in tweeën wil breken. Het slot van je voordeur zit namelijk vast op één schroef. Daarna trek ik de cilinder met mijn schroef eruit – ik gebruik er een klauwhamer voor. In minder dan twee minuten sta ik bij jou in de gang. Je bent niet thuis, dus vanaf dat moment is het mijn plekkie en ik neem alles mee dat ik kan gebruiken. Ik ruim je huis gewoon een beetje op, neem je troep mee en word er ook zelf beter van. Ik noem het de win-winmethode.

Het cliché schrijft voor dat ik ’s nachts aan het werk moet zijn, maar net als gewone mensen lig ik dan ook liever in bed. Mensen werken overdag, kinderen gaan naar school, zodat werkelozen en bejaarden in hun huizen achterblijven. Zo ga ik meestal aan de slag – ik begin met observeren – donkere huizen – licht uit – weinig beweging – soms aanbellen – doet er iemand open? Natuurlijk moet je ook niet te lang en opvallend observeren – rondhangen. Ik doe soms alsof ik een appartement wil kopen. Mensen willen je vaak heel erg veel vertellen. Sociale dieren, hoor, die mensen. Succes draait om snelheid. Hoe snel krijg je een deur open? Dat is de truc.

Ik heb een huis gevonden waarvan ik vermoed dat er een hoop te halen valt. Oude voordeur en een cilinder die ik makkelijk los kan krijgen. Oud herenhuis, dus ik sta meteen binnen. Grote appartementengebouwen zijn anders. Je komt wel makkelijk in het gebouw zelf, hoor. Er is altijd iemand die open wil doen als je een goed verhaal hebt. O, misschien moet je vooraf eens opzoeken welke postcode bij het adres hoort. Sommige mensen horen die postcode graag. Vooral in grote steden waar veel mensen bij elkaar wonen, ben je gewoon een gezicht in de massa – een onbekende. Doe normaal en niemand zal je gezicht onthouden. Zo werkt het echt. Gebruik een versleten rugzak, liefst van een merk waar je half Nederland mee ziet lopen. Op woensdag of vrijdag moet je nooit overdag een huis binnengaan, omdat mensen dan graag vrij nemen van hun werk. Bedenk liever op welke dagen de meeste files staan in ons land. Maar er zijn uitzonderingen. Je moet je goed voorbereiden en de mensen moeten tevens zo welwillend zijn dat ze hun huizen minder goed beveiligen dan ze eigenlijk zouden moeten doen. Zo heb ik werk.

Vandaag ga ik een herenhuis binnen – het staat in een winkelstraat. Daarom begin ik donderdagavond om half tien. Zoals ik hierboven al heb verteld, is het een fluitje van een cent om zo’n woning binnen te komen. Heel gemakkelijk en ik ga het niet opnieuw vertellen. Het is onnodig. Binnen anderhalve minuut sta ik in een donkere hal. Het huis is altijd donker. Tot hiertoe verloopt alles naar wens. Er zou niemand thuis mogen zijn, ik heb mijn werk gedaan. En anders ben ik heel snel weg. Ik kan hard lopen als het moet. Bovendien zijn mensen totaal overrompeld – verbijsterd wanneer er een onbekende hun huis binnenkomt. Geloof me, je hebt tijd genoeg om weg te komen. Ik wil naar de woonkamer – die is rechts – deze mensen hebben geen dieren, alles is stil.

Er gaat een deur open – ik zie een oudere man wiens gebalde vuist razendsnel naar mijn gezicht komt en ik verlies het bewustzijn. Onbekende tijd later doe ik mijn ogen weer open. Bewoner, zoals ik hem noem, want ik ken zijn naam niet, heeft me op een stoel gezet – armen en benen zijn vastgebonden. Hij heeft er tiewraps voor gebruikt. Ik kan geen kant op.

Nou ja, hij zal de politie bellen, of heeft dat al gedaan, zoals elke keurige burger doet als hem zoiets is overkomen. Maar het is wel de eerste keer dat ik ben neergeslagen door een bewoner. Hij zal de politie wel bellen. Ja toch? Waarom zou hij dat niet doen? Hij gaat de politie bellen, maar voorlopig zit hij voor me – hij zit op een gewone stoel en staart naar me. De man heeft blauwe ogen – twee ijskoude blauwe ogen die naar me blijven staren.

“Je bent toch wel de grootste stommeling van het westelijk halfrond, hè?” De bewoner heeft een prettige stem, hypnotisch bijna, zoals hij praat, rustgevend. Hoe doet hij dat? Bewoner noemt me een stommeling en het interesseert me totaal niet.

“Bel de politie,” zeg ik en ik probeer dreigend te klinken, maar het mislukt. Mijn woorden klinken als een smeekbede. Als een kleine jongen die zijn moeder om een ijsje vraagt. “Ik heb mijn rechten.”

“Je rechten heb je bij de voordeur achtergelaten die je zo fraai open hebt gebroken – ik moet je er voor complimenteren – deze methode kende ik nog niet.”

“Je moet de politie bellen, want – .” Ik krijg niet eens de tijd om uit te spreken. Bewoner staat op en geeft me een harde klap in mijn gezicht. Volgens mij ben ik eventjes buiten westen geweest. Eventjes maar. Denk ik.

Hij begint weer te spreken, anders dan daarnet. Bewoner is een keiharde vent. Niet zomaar iemand die hier woont. Wie is deze kerel? Waarom ken ik hem niet? Hij moet een gangster zijn – of zo. “Om te beginnen wil ik dat je ‘mijnheer’ en ‘u’ tegen me zegt. We zijn geen vrienden en zullen dat ook nooit worden. Begrijp je dat?”

“Ja – mijnheer.” Ik wil het helemaal niet zeggen, maar het moet. Zoals de man naar me kijkt, dwingt hij me ertoe. Het moet. Ik moet.

“Mooi, da’s een begin,” zegt hij, “weet je – eigenlijk moet ik je dankbaar zijn. Want mijn kleinzoon komt hier wonen en de jongen is net als ik. Snap je wel?” Nee, ik begrijp er eerlijk gezegd helemaal niets van. Ik wil alleen maar dat de man begint te bellen – de politie – hij moet godverdomme de politie bellen. Alleen – ik durf het niet te zeggen. Zijn ijskoude ogen die me aan blijven staren – hij heeft me vastgebonden. Ik zou me niet eens durven te bewegen – of weg te lopen. Het gaat gewoon niet.

“De jongen heet Bastiaan,” zegt de bewoner die op kalme toon verder blijft praten. “Een fijn joch, het is erg vervelend wat zijn ouders is overkomen, maar ja, je kunt niet alles hebben. Soms raak je mensen kwijt. Zulke dingen gebeuren nu eenmaal.”

“Mijnheer – alsjeblieft – mijnheer – Wilt u de politie voor me bellen?”

“Nee, ik peins er niet over. Je komt hier niet meer weg – nooit meer. Je bent mijn huis binnengedrongen en nu ben je van mij. Het is een beroepsrisico. Zo moet je het maar zien. Een overvaller kan doodgeschoten worden – Jij blijft hier – in mijn huis.”

“Wat – wat g-gaat u met me doen?”

“Ik geef je de tijd om na te denken over je zonden – Zeg eens – Geloof je in God?”

“N-nee.”

“Dat zou ik dan toch maar eens serieus overwegen. Misschien biedt het enige troost. Ik heb er zelf niet zo veel mee. Het zijn van die burgerlijke cultuuruitingen waar ik totaal niks mee heb.”

Ik begin echt bang te worden voor deze man die toch gewoon een ouwe kerel zou moeten zijn. Waarom ben ik dit huis binnengegaan? Waarom wilde ik per se dit huis in? Het lijkt onbewoond – het is donker – gordijnen zijn altijd gesloten. Er is gewoon niemand! Nu blijkt er toch iemand te leven en hij is een gemene, oude motherfucker. Ik kijk naar rechts en probeer zijn ogen te ontwijken, al is het maar voor heel even. Boven een bank zie ik een zeer oud schilderij – ik ben geen kunstkenner – het lijkt heel oud. Vierhonderd jaar. Minstens. Rembrandt of één van zijn tijdgenoten? Het zou zomaar kunnen. Het is een portret van de bewoner – de man die me hier gevangen houdt. Hij lijkt op zijn voorvader – of nee – hij ìs die voorouder, maar het is onmogelijk. Mensen worden niet zo oud. Wie is deze vent? Hij staat op en legt zijn hand in mijn nek – koude vingers. Leeft die vent eigenlijk wel? Waarom ben ik goddomme dit huis binnengegaan? Vroeg of laat zit je zonder geluk. Ik heb het wel eens iemand horen zeggen, maar nooit geloofd. Hij legt zijn hand in mijn nek en ik voel een prik – alsof hij een naald in mijn nek heeft gestoken. Had hij een injectienaald bij zich of heb ik niet opgelet? Ik moet hebben zitten suffen.

Geen idee wat er gebeurt, maar ik hang als een slappe theedoek over zijn schouder. Ik kan me niet bewegen. Mijn lijf brandt – ik wil me bewegen, maar kan het niet. We lopen – hij loopt een trap af en we komen in een oude kelder – zo’n kelder die je in heel oude gebouwen hebt – heel gotisch, zeer oud. Wie is deze kerel? Wat gaat hij met me doen? Ik ben bang – zo bang – ik wou dat ik vanochtend in bed was blijven liggen. Mensen letten slecht op – je kunt meestal gewoon je gang gaan en je staat in een mum van tijd in huis. Het is gelukt vandaag – ik ben binnen geraakt, maar het had nooit gemogen. De bewoner heeft me opgewacht – hij heeft zich schuil gehouden in het donker tot ik binnen was en me daarna knock-out geslagen. Hij heeft me opgewacht – gewoon opgewacht.

Hij gooit me op de vloer – een harde stenen vloer en ik hoor iets breken – er breekt iets in mijn knie – ik hoor het knappen – echt waar. De bewoner trekt me omhoog, alsof hij met een lappenpop aan het werk is, alsof ik helemaal niks weeg en ik ben bijna negentig kilo. Voordat ik het begin te begrijpen, klikt hij boeien vast en laat hij me los. Zoals in de middeleeuwen mensen werden vastgeklonken in een kerker, zo hang ik nu aan een paar roestige kettingen. Mijn knie begint pijn te doen – mijn polsen en ook enkels. Hij vouwt een metalen kraag om mijn nek – doet een stap achteruit. “Een vriend van me merkte laatst eens op dat er tegenwoordig geen mensen meer worden ingemetseld. Vroeger gebeurde dat best veel. Niet alleen noodgedwongen, vaak ook vrijwillig. Meisjes van zestien die een roeping bleken te hebben en zich lieten inmetselen – er bleef wel een gleuf vrij, zodat er eten door kon worden aangegeven. Een harde manier om aan een gedwongen huwelijk te ontsnappen. Trouwen of een leven in afzondering.”

“J-je g-g-gaat me toch niet inmetselen, hè?”

“Erg snugger ben je niet,” zegt de bewoner, “ik dacht dat je wat slimmer zou zijn.”

“J-ja d-d-dus.”

“Voor jou is het misschien een beetje rottig, maar ik bewijs mezelf en de maatschappij een geweldige dienst. Bovendien heb je me op tijd duidelijk gemaakt dat ik mijn huis beter moet beveiligen tegen criminele types zoals jij. Het is een soort win-winsituatie. We worden er allemaal beter van. Ik wil je mede namens mijn kleinzoon heel erg bedanken.” Hij begint metselspecie aan te maken en ik kijk gewoon toe, terwijl hij het muurtje begint te metselen. Hij zegt: “Ik heb er wel eens over gelezen – de hongerdood. In het begin is het erg pijnlijk – vooral de eerste weken – daarna wordt het makkelijker – aan het eind raak je in een soort euforie – dus je sterft als een heel blije klootzak.” Hij blijft stenen opstapelen – licht verandert in een schemering en duisternis. Ik probeer omhoog te kijken, maar de kraag beperkt mijn bewegingen en ik doe mezelf alleen maar meer pijn. “Het kan ruim twee maanden duren voordat je dood bent – ik ken een verhaal over een man die er 66 dagen over deed. Misschien dronk hij wel en at hij niet – zoiets. Ik weet het niet zeker.” Het is alleen nog maar een stem die spreekt – mijn beul legt een laatste steen op zijn plek.

Het is stil nu. Ik vraag me af wat er fout is gegaan en het lukt me gewoon niet om een antwoord te bedenken. Zoals ik al vele malen eerder heb gedaan, ben ik een huis binnen gedrongen. Ik heb mijn eigen methode gebruikt – eentje die ik zelf heb bedacht. Niemand heeft me ooit geholpen of iets geleerd. Ik heb alles zelf gedaan. Echt, alles zelf gedaan.

Zoveel huizen en ik kies uitgerekend dit ene huis uit.

“Help! Help!” Ik schreeuw zo hard als ik kan, maar niemand kan me horen. Ik blijf schreeuwen tot mijn keel er pijn van doet.

Niemand kan me horen. Niemand kan me horen.

Niemand —-

Kut, ik heb honger. Nu al.

“Help!” Zinloos, joh. Niemand kan je horen. Het is voorbij. Afgelopen.     

Duisternis. Waarom moest ik nou zo nodig dit huis binnengaan? Bewoner heeft zijn huis opzettelijk slecht beveiligd. Ik heb honger.

“Help!”

Het is zinloos. Afgelopen. Einde.

Hoelang zou het duren voordat ik dood ben? Hij had het over 66 dagen. Godverdomme.

Zinloos. Einde.

Shit – alles is volgens plan verlopen en toch ging het compleet fout.

Shit – Shit – shit – sh —

 


(2) En de vierde is een gewone jongen

Na het avondeten gaat Jokke naar Andrea en haar moeder. Hij heeft aardappelen gegeten met doperwtjes en een karbonade. Heel gewoon. Niks bijzonders.

Het blijkt dat de moeder van Andrea allang bezig is met het drankje. Het is een beproefd recept en staat uitgebreid beschreven in het toverboek. Andrea wijst naar een opmerking bovenaan de bladzijde. Alleen voor ervaren heksen. Haar wijsvinger prikt op het zinnetje. “Zie je wel?”

Verander je Leon en zijn vader anders in een kip – als het fout gaat?”, vraagt Jokke.

Nee, maar ik kan jou wel in een kip veranderen,” zegt mevrouw Madsen.

Liever niet.”

Een kip zonder kop,” gaat Andrea verder en ze klinkt opgewekt, omdat de rollen nu omgedraaid zijn. Ze mag Jokke voor de verandering een beetje plagen. Het hoort erbij.

Ik heb zijn speeksel nu nodig,” zegt mevrouw Madsen. Dat is de naam die op haar brievenbus staat. “Je moet het zilveren lepeltje gebruiken.”

Andrea gaat voor Jokke staan die zijn mond open houdt alsof hij bij de tandarts zit. Met een speeksellepeltje schraapt ze welgeteld drie keer speeksel van de binnenkant van zijn wang. Mevrouw Madsen dompelt het lepeltje elke keer onder in de borrelende vloeistof. Rookpluimen dwarrelen omhoog. Andrea wast het lepeltje steeds goed af en poetst het zorgvuldig droog met een theedoek. Jokke voelt zich voor lul staan als hij zijn mond moet openen, maar hij doet het wel.

Zo, speeksel van een gewone jongen,” zegt mevrouw Madsen en ze klinkt heel erg tevreden. “Het is geen belediging, hoor, Jokke, absoluut niet.”

Geeft niks, hoor mevrouw, u kunt er ook weinig aan doen,” zegt Jokke die het eens te meer als een handicap voelt.

Wees liever blij dat je gezond bent, een gezonde intelligente knaap,” zegt mevrouw Madsen.

Jokke zei vanmiddag dat iedereen een toverdrankje moet kunnen maken met zo’n boek erbij,” zegt Andrea die haar opmerking vrijwel direct betreurt.

Nou – dat klopt ook wel. Daar heeft hij gelijk in,” zegt mevrouw Madsen en zowel Jokke als Andrea luisteren verbijsterd naar de oudere heks. “Je hebt alleen een dik probleem als het fout gaat. Nooit ‘De tovenaarsleerling’ gelezen? Nou, het kan gruwelijk fout gaan. Gevolgen kunnen in één woord verschrikkelijk zijn. Je kunt niet voorspellen wat er gebeurt als het mis gaat.”

Oké,” zegt Andrea die haar hand uitsteekt naar Jokke, “dan moet ik je alsnog gelijk geven en ik zeg sorry voor de klappen die ik je heb gegeven.”

Heb je hem geslagen?”, vraagt mevrouw Madsen die de bloedhete vloeistof blijft doorroeren.

Ja en ik heb mezelf meer pijn gedaan,” zegt Andrea, “want Jokke heeft sterke spieren.”

Jullie mogen nooit vergeten dat je onderling geen ruzie mag maken, want samen sta je sterk. De toekomst van onze flat ligt in jullie handen. Er zijn erg veel mensen die ons weg willen hebben.”

Gelukkig kunnen ze ons niet wegjagen,” zegt Andrea.

Zolang we eensgezind blijven, kan er niks gebeuren,” zegt mevrouw Madsen.

Ik heb dat wel vaker gehoord,” zegt Jokke, “mijn moeder heeft het er ook wel eens over, maar ik snap het toch niet zo goed. Ze hadden ons kunnen onteigenen – dwingen te verhuizen zoals ze altijd doen met mensen die niet willen vertrekken.”

Dat hebben ze ook geprobeerd,” zegt mevrouw Madsen, “geloof me – dat hebben ze echt geprobeerd.” Er verschijnt een grijnslach op haar gezicht die weinig goeds beloofd. Jokke weet dat hij er geen vragen over moet stellen. Volwassenen geven de antwoorden niet.

Als je toch eens gewoon zou willen vertellen hoe jullie dat hebben gedaan, mam,” zegt Andrea.

Later – als je groot bent,” zegt mevrouw Madsen die een raadselachtige glimlach onderdrukt.

Jokke kijkt naar Andrea – die weer naar hem kijkt. Er moeten toch andere manieren zijn om te achterhalen wat er is gebeurd. Op school hebben ze computers waarmee ze dingen kunnen opzoeken. Maar dat duurt nog een paar weken. Er begint een rottige geur te ontstaan in de keuken. Mevrouw Madsen gebaart naar haar dochter. Ze moet het keukenraam openzetten. Hij kent het niet van gewoon eten zoals zijn moeder het klaarmaakt. Rook begint van kleur te veranderen en mevrouw Madsen blijft roeren.

Kunst is om te blijven roeren,” zegt ze en Andrea staat naast haar moeder toe te kijken. Er staan glazen potten op het aanrecht, zodat Jokke rustig kan bestuderen wat er allemaal in zit. En hij heeft geen flauw idee wat de ingrediënten nou zo speciaal maken dat je er een drankje van kunt brouwen. Kruiden die je zo uit het bos kunt halen, als je tenminste weet welke je moet hebben – en daar heb je natuurlijk het boek voor nodig. Blaadjes die van een willekeurige struik afkomstig lijken te zijn. Natuurlijk ook insecten die er soms erg levend uitzien. Er ligt een plankje met pincetten, lepeltjes, mesjes. Pincetten en lepels van koper, hout en zilver. Voor elk ingrediënt een ander materiaal. “De vader van Gijs heeft ze voor me gemaakt. Ik heb erg veel respect voor het vakmanschap van de dwergen.”

Zo’n pincet kun je niet kopen in een winkel?”, vraagt Jokke. Hij is een beetje verbaasd.

Nee – beslist niet,” zegt mevrouw Madsen. Er valt geen spoor van twijfel te bespeuren in haar stem.

Jokke wil de lepeltjes en messen eventjes aanraken, maar besluit het niet te doen. Woorden van mevrouw Madsen over de vader van Gijs, die zo’n geweldige vakman is, klinken in het hoofd van Jokke. Hij zou ook best wel zo’n vader willen hebben die ruw metaal in handige lepeltjes en messen verandert. Pincetten waarmee je takjes uit een glazen pot pakt, omdat je er nou eenmaal niet met je blote handen aan mag zitten. Het zou hem weinig verbazen als mevrouw Madsen in haar huis gouden gereedschappen heeft liggen waarmee je uiterst zeldzame en moeilijke drankjes kunt maken.

Rook kruipt omhoog en rolt langs het plafond naar het raam. Buiten moeten ze ruiken dat de moeder van Andrea bezig is met het drankje voor Leon en zijn vader. Zodat ze allemaal veiliger wonen. Eén weerwolf is oké. Twee weerwolven zijn een risico.

Ik ben bijna klaar,” mompelt mevrouw Madsen die nu in de borrelende dampende vloeistof blijft kijken alsof daar ergens het verlossende antwoord klaarligt. “Het boek is er duidelijk over. Wat je precies zou moeten zien als de drank klaar is. Het staat er echt.”

Er dient een zilvergrijze rook uit de ketel op te stijgen,” leest Andrea voor. “Het gaat er om dat je het goede materiaal hebt gebruikt. Een koperen pan. Het is een koperen pan die moeder heeft gepakt.”

Net als Panoramix,” zegt Jokke die nog altijd gefascineerd toekijkt en bedenkt dat hij zich heeft vergist in de moeilijkheidsgraad. Zo makkelijk is het echt niet. Je moet goed bedenken welk kruid je met welk lepeltje opschept – of zelfs speeksel van een gewone jongen. Mevrouw Madsen kijkt verbaasd naar Jokke. “O, da’s uit een boek – een stripboek,” zegt hij. Hij voelt zich een beetje dom. Alsof iedereen Panoramix zou moeten kennen.

Ja, het kan elk moment gebeuren,” zegt mevrouw Madsen die haar woorden mompelt – bijna onverstaanbaar en ze blijft ietwat bezorgd in de pan staren. Voorlopig gebeurt er niet zoveel. Alleen rook die omhoog kringelt en langs het plafond het raam uit lijkt te willen zweven. De drank blijft erg scherp ruiken en mevrouw Madsen zegt: “Kijk eens in het boek of dat zo hoort. Er hoort iets te staan over hoe het ruikt – Andrea, wil jij het voorlezen?”

In het begin zult u een scherpe geur waarnemen die afneemt na een kook van vijftien minuten. De geur verandert als u de goede ingrediënten heeft gebruikt.” Andrea stopt met lezen en kijkt afwachtend naar moeder.

Vijftien minuten,” zegt mevrouw Madsen, “en zover zijn we nog niet. We moeten geduld oefenen.” Ze blijft roeren. De drank begint gruwelijk te stinken. Volgens Jokke is er allang een kwartier verstreken, maar mevrouw Madsen zal het wel beter weten. Hij kijkt naar Andrea die alleen aandacht heeft voor haar moeder. De geur zou minder penetrant moeten worden. Het succes van het drankje is eraan verbonden. Er loopt een man langs het keukenraam die naar binnen kijkt en een bedenkelijk gezicht trekt. Hij zegt niets. Het is een lange man, bijna tweeënhalve meter, te klein om een reus te mogen heten, maar hij is wel degelijk een afstammeling.

Hij heeft gelijk,” zegt mevrouw Madsen. “Het gaat helemaal niet goed.” Aan de muur hangt een klok die de seconden weg laat tikken. “Er is nu echt een kwartier verstreken. Ik moet iets fout hebben gedaan!” Toch blijft ze roeren in een pan die een rottende geur verspreidt. “En dat is onmogelijk.”

Wat zou je dan verkeerd hebben gedaan, mama?”, vraagt Andrea.

Geen idee – het is niet de eerste keer dat ik dit drankje maak. Ik heb het eerder gedaan voor de vader van Leon. Jaren geleden toen zijn vrouw zwanger was. Hij wilde niet veranderen in een weerwolf terwijl zijn vrouw – nou ja, je kunt je er misschien wel iets bij voorstellen.” De moeder van Leon moet tijdens haar zwangerschap wel eens hebben gedacht dat ze zelf het eten was. “Toen is het ook gelukt. Ik heb het toverboek erbij gepakt, omdat ik het niet elke dag doe. Snap je wel? Ik heb het al een keer gedaan.” Met een nijdige zwaai draait ze het gas uit en gooit ze de pollepel op het aanrecht. “Verdomme.”

Maar je hebt wel alles hetzelfde gedaan?”, vraagt Andrea. “Ja toch?”

Alles hetzelfde, behalve – .” Mevrouw Madsen kijkt naar Jokke die zich  – erg verlegen voelt, alsof hij het drankje heeft laten mislukken. “Zou het misschien kunnen – ja, zou het kunnen?” Ze maakt haar vraag niet eens af, maar blijft steken.

Speeksel van een gewone jongen,” zegt Andrea.

Ja – beslist, het speeksel van een gewone jongen.”

Hoor nou eens, dat verhaal ken ik al en daar kan ik ook geen fluit aan doen. Ik ben een gewone jongen.”

Wat nou ,” begint mevrouw Madsen te zeggen, “stel je nou eens voor dat je geen gewone jongen bènt? Misschien bèn je niet de gewone jongen waar we je al die tijd voor hebben gehouden, maar ben je iets anders en weten we alleen nog niet precies wàt.”

Maar dat kan toch helemaal niet?”, vraagt Jokke. Zijn stem kan onmogelijk  verbaasder klinken.

Alle ingrediënten zijn hetzelfde, behalve één – ik moest het speeksel hebben van een gewone jongen en aangezien we altijd hebben geloofd dat jij dat bent – was mijn veronderstelling dat dat juist was.”

Ik vind dat moeilijk te geloven,” zegt Jokke die zich op zijn achterhoofd begint te krabben.

Het moet – er bestaat geen andere verklaring voor het mislukken van mijn drank,” zegt mevrouw Madsen, “jij bent helemaal geen gewone jongen.”

Wat is hij dan wel, mama?”

Daar zullen we achter moeten komen.”

Hoe?”, vraagt Jokke.

Om te beginnen moeten we de bewonersraad bij elkaar roepen en dat is voor het eerst sinds de acties die we hebben gevoerd om het flatgebouw te kunnen behouden.” Ze legt het deksel op de pan en veegt haar grijzer wordende rode haar over haar schouders. “En da’s al heel erg lang geleden.”

Ik heb zelfs nog nooit iedereen bij elkaar gezien,” zegt Andrea.

Zal me moeder leuk vinden,” zegt Jokke.

Mm, nee, niet echt,” reageert mevrouw Madsen.

Hè, goed zeg, Jokke, nu moet je wel ophouden met zeuren dat je zo gewoon bent, want dat ben je niet.”

Maar wat ben ik dan wel?”

Dat is een goeie vraag,” zegt mevrouw Madsen. “Je moeder moet ons vertellen over je vader. Wie hij was. Wat voor werk hij deed. Waar hij woonde. Misschien kan ze ons vertellen hoe je moeder en jij in onze flat terecht zijn gekomen. Jullie wonen hier niet zomaar. Daar is een verdomd goeie reden voor.”

Ik verheug me niet echt op de bewonersraad, hoor,” zegt Jokke.

We zijn pas later – dus tijdens de acties – een hele hechte gemeenschap geworden – en nu weten we inmiddels veel van elkaar, maar echt niet alles.”

Gaaf – Jokke is helemáál geen gewone jongen,” zegt Andrea.

 


de nieuwe tanden van jochem sluijters – een avontuur van tom van alsem

Een maand na zijn vakantie in Zeeland kreeg Tom van Alsem post – een echte brief – dus geen mailtje – nee, een brief zoals mensen vroeger verstuurden. Zijn boekentas lag op de trap. Moeder zat een boek te lezen. “Er ligt een brief voor je,” zei ze en wees naar de enveloppe die behalve een paar ezelsoren ook een scherpe vouw had.

Tom bekeek de achterzijde, omdat hij daar moest kunnen lezen wie de afzender was. Er stond niets. Zelfs geen postcode. Hij scheurde de envelop open en vond een kort, handgeschreven briefje. Mooie gekrulde letters, heel ouderwets. Hij zag de naam van de afzender en er ging een rilling langs zijn ruggenwervel.

Jochem Sluijters – de man die hij in Zeeland voor het laatst had gezien – op sterven na dood – misschien nog enkele weken – hooguit – maanden te leven. Een wrede straf voor zijn verraad.

‘Beste Tom, Ik wil je ontmoeten. Kom donderdagavond om 19:00 uur naar de parkeerplaats van Mister Shi in Lunetten. Bedenk wel dat dit geen vrijblijvende uitnodiging is. Je moet komen. En neem je lompe vriend mee, dan wordt het ook nog gezellig. Groetjes, Jochem Sluijters.’

Tom vouwde het briefje weer dubbel en begon het terug in de enveloppe te proppen. Dus hij moest naar Lunetten fietsen, donderdagavond en Sjors moest mee.

Waar gaat het over?”, vroeg zijn moeder.

Iemand die ik in Den Bosch heb leren kennen,” zei Tom, “hij wil me ontmoeten donderdagavond, want hij is in de stad.”

O, leuk,” antwoordde zijn moeder.

Ik weet nog niet of ik wel ga.”

Nou, dat moet je wel doen, hoor.”

Hij wil dat Sjors meegaat.”

Waarom dan?”

Die was er in Zeeland ook bij.”

Er is iets met die jongen wat me totaal niet aanstaat. Ik heb je vader wel eens over hem gehoord, maar het bevalt me maar matig. Wil je wel oppassen?” Zijn moeder sprak de waarschuwing uit, maar Tom wist heel goed dat de meeste mensen voor hèm dienden op te passen in plaats van andersom. Sinds de kogels van het volmaakte evenwicht in zijn bezit waren gekomen, kon Tom toveren. Hij had er geen stok of boek bij nodig. Zijn gedachten waren genoeg. Een onvoorstelbare macht die steeds meer mensen leek aan te trekken.

Ik ben niet bang,” zei hij.

Dat verontrust me nou juist zo.”

Niet zo benauwd, moeder, er gebeurt niets,” zei hij, “bovendien gaat Sjors mee en ik ken niemand die – .” Hij maakte zijn zin niet af. Er was geen reden voor. Zo meteen zou hij de brief bespreken op de website. Sinds een paar dagen had ook Sjors toegang gekregen. Het kostte wat tijd, maar de groep van vier was uitgebreid. Ze waren vanaf nu met zijn vijven.

Tien minuten later had hij de tekst gedeeld met zijn vrienden. Tom herhaalde alleen de afspraak, donderdagavond om zeven uur, dus ook Sjors – ze moesten met zijn tweeën komen. De verwijzing naar de lompheid van Sjors liet hij weg, want het was onnodig kwetsend.

Wat wil Sluijters dan van jullie?

Het was een vraag van Sophie die allerhande bezwaren begon op te sommen. Tom had er geen behoefte aan. Bovendien zou een zieke oude man weinig of geen problemen kunnen opleveren. En terminaal ziek was Sluijters beslist. Dus geen zorgen.

Afscheid nemen, denk ik.

Het was een kort, maar gevat antwoord van Tom. Zo dacht hij er ook echt over. Hij verwachtte geen problemen met Sluijters. Misschien ontstond er een kans om met Herr Weiss in gesprek te raken. Vorige keer dook hij ook ineens op. Herr Weiss, beter bekend als de alchemist.

Nou, pas toch maar op en ik ben blij dat Sjors meegaat.

Sophie ging meteen daarna offline. Tom begon aan zijn huiswerk. Het meeste had hij op school al gedaan. Nog een paar opdrachten en hij was helemaal klaar.

Tijdens het avondeten kwam de brief niet meer ter sprake. Moeder had het misschien verteld aan vader. Misschien niet. Het duurde drie dagen voordat het zover was. De poststempel verraadde dat de brief afgelopen weekend in de brievenbus was gegooid. Sluijters bedoelde ook echt aanstaande donderdagavond. Er kon geen twijfel over bestaan en anders zouden Tom en Sjors voor niets naar Lunetten fietsen. Omstreeks acht uur kreeg Tom een app van Chris die zei vanaf de loggia van zijn oom de ontmoeting te kunnen volgen en filmen.

Mocht Sluijters toch iets geks van plan zijn, dan stond alles op film en Chris zou het direct op internet gooien. Tom haalde zijn schouders erover op, want er kon gewoon niks gebeuren. Een zieke man met een wandelstok – een uitgeteerd en dodelijk ziek lichaam – een levende dode. Tom antwoordde dat hij filmen een goed idee vond. Het kon geen kwaad en zo waren zijn vrienden een tikkie geruster.

Dagen gingen voorbij – het werd donderdag. Op school werd de afspraak opnieuw besproken. Tom vertelde over de bijnamen die ze hadden gekregen. Eljakim en Gladius. De engel en de duivel. Tom en Sjors.

Sluijters had een chauffeur en lijfwacht meegenomen,” zei Sjors, “vent bleek een blaffer bij zich te hebben. Ik heb hem een schop gegeven waardoor hij – nou ja – volgens Tom is hij een beetje dood geweest.” Verbaasde blikken die naar beide jongens staarden.

Een beetje dood?”, vroeg Emke. “Dat meen je toch niet, hè?”

Jawel,” zei Tom. “Ik heb hem gered en een pacifist van de man gemaakt.”

Maak je geen zorgen. Ik ga alles filmen,” zei Chris. “Vanaf de loggia van mijn oom.”

Zal ik meegaan, Chris?”, vroeg Emke.

Goed.”

Gelukkig regende het ’s avonds het niet. Ze fietsten in twee groepjes naar Lunetten. Chris en Emke, Tom en Sjors, zodat Sluijters niet zou weten dat ze met zijn vieren waren gekomen. Bovendien zou Chris doen alsof hij met zijn telefoon stond te spelen en Sluijters kwam nergens achter. Het klopte helemaal. Er kon niets fout gaan. Tom en Sjors zette hun fietsen in de beugels recht tegenover het restaurant. Het was er druk. Bij het pompstation reden auto’s af en aan.

Tom zocht de vertrouwde Audi, de lievelingsauto van Sluijters, zwart of rood. Het kon allebei. Geen Audi, wel een Volkswagen en er stapte een man uit die onmiddellijk breeduit begon te lachen. Met uitgestoken hand kwam hij naar Tom en Sjors. Maar deze man leek niet eens op Sluijters. Deze man was twintig jaar jonger en zag er kerngezond uit. Geen spoor van een enge ziekte. Totaal niets.

Ze schudden elkaar de hand en Tom noemde zijn naam. Sjors deed hetzelfde, maar bleef indringend naar de onbekende kijken die net was uitgestapt en zijn eigen naam weigerde te noemen. De zon scheen, een bleek zonnetje dat weg begon te zakken achter de horizon. Man had een heldere stem. Hij lachte een rij hagelwitte tanden bloot en hij bleef maar lachen.

Ik wist wel dat je me niet meer zou herkennen,” zei de man die continu lachte alsof hij reclame stond te maken voor een nieuw merk tandpasta.

Sluiters – jij bent Jochem Sluijters – ik weet niet hoe je het hebt geflikt, maar jij bent hem echt – Sluijters,” zei Sjors.

Tom blikte opzij en zocht naar woorden, want nu herkende hij een glans in de ogen van de man die hij alleen bij hun eerste ontmoeting had gezien. Lang geleden. ‘De wereld maakt een sprongetje van vreugde, omdat het volmaakte evenwicht in jouw handen terecht is gekomen.’ Zijn woorden.

Hoe heb je dit voor elkaar gekregen?”

Ze stonden alle drie op de parkeerplaats. Er waren genoeg mensen, maar niemand interesseerde zich voor twee jongens en een man van ongeveer vijftig jaar oud, misschien iets jonger. Sluijters moest zeker zeventig zijn.

Je kent mijn talent,” zei Sluijters, “ik heb een setje tanden gevonden, tijdje geleden, ruim een maand. Voordat we elkaar in Zeeland tegenkwamen.” Sluijters keek om zich heen, alsof hij zeker wilde zijn dat er niemand was die hem zou kunnen horen. “Magische objecten – dat is altijd mijn vak geweest. Ik heb deze tanden gevonden – een bevriende tandarts heeft ze als mijn laatste wens geplaatst. Beetje waardig heengaan. Dat heb ik hem verteld, want hij snapte niet waarom ik dit wilde.”

Als ik het goed begrijp,” zei Tom, “heb je de tanden van een onbekende vent afgespoeld en in je eigen mond laten zetten.”

Ja – ja, inderdaad.”

Stapelkrankjorum.”

Inderdaad,” zei Sjors.

Ze moesten mijn ziekte stoppen en dat is ook echt gebeurd,” zei Sluijters wiens lach begon te verdwijnen en er verscheen een diepe gedachterimpel op zijn voorhoofd. “Ik was er heel blij mee, maar verleden week begon ik te merken dat er iets was veranderd aan mijn uiterlijk. Mijn kleindochter Margot wil nu niets meer met me te maken hebben.”

Ja en?”, vroeg Tom.

Maar snap je het dan niet, verdomme? Ik wilde mijn ziekte stoppen en ineens word ik jonger.”

Sjors probeerde een grijns te onderdrukken, maar het lukte erg slecht. Hij begon voluit te lachen. Het was de smerigste lach die Tom ooit had gehoord. “Nou,” zei Sjors, “je probleem lost zich vanzelf op. Vroeg of laat heb je de leeftijd van een baby en vallen je tandjes uit en kun je opnieuw beginnen met je leven. Is dat niet geweldig?”

Maar ik wil niet opnieuw beginnen, domoor!”, schreeuwde Sluijters die Sjors verder negeerde en zich exclusief tot Tom besloot te richten. “Je moet me helpen, jongen. Jij bent de enige die het kan.”

Tom legde zijn hand op de schouder van Sjors en duwde zijn vriend weg. “Ga terug naar je tandarts en laat al je nieuwe tanden trekken, Jochem. Dan is je probleem opgelost. Ik help je niet.”

Tom en Sjors lieten Sluijters alleen achter op de parkeerplaats, pakten hun fietsen mee en reden weg – naar het gebouw waar de oom van Chris woonde.

Tom? To-hom?”

De smeekbede van Sluijters weerklonk lange tijd over de parkeerplaats. Toen ze echt helemaal uit het zicht waren verdwenen, remden Tom en Sjors allebei af om lange tijd heel hard te lachen.

Terwijl Tom hun fietsen aan elkaar bond met een loodzwaar kettingslot, drukte Sjors op de bel. Deur van de hoofdingang klikte open, zodat ze verder konden lopen. De oom van Chris woonde beneden. Emke deed open en zag er zeer ernstig uit.

Het was heel grappig,” zei Tom die weer begon te grinniken, net als Sjors.

Wacht maar tot je het filmpje hebt gezien.” Emke klonk erg dreigend.

Tom en Sjors gingen het appartement binnen – een lange smalle gang – twee slaapkamers – een toilet en douche. De oom van Chris bleek een enorme woonkamer te hebben en een keuken die verstopt leek te zijn achter een muur. Chris en zijn oom stonden het filmpje te bekijken. De oom, die Ernest heette, wees naar het scherm. “Nee, Chris, wat je ziet, is echt, geen fout, maar echt, ik heb dit nog nooit meegemaakt.” Chris liet het filmpje opnieuw beginnen en Tom vermoedde niet voor het eerst. Sluijters lachte dus toch het laatst en niet Tom en Sjors. Er was iets vreemds aan de hand.

Tom stelde zich kort voor, Sjors deed hetzelfde, maar de meeste aandacht ging toch echt naar het filmpje dat een vreemde fout leek te vertonen. Op de plaats waar Sluijters had moeten staan, of de man die hij beweerde te zijn, zag Tom een witte, mensvormige vlek. Geen scherpe randen, eerder als een soort aura. Het leek bijna een geest. Tom vroeg een herhaling en daarna nog een.

Hij had een gitzwarte aura en jullie lachten er gewoon om!”, riep Emke. Ze hoefde het filmpje niet meer te zien.

Op internet zetten,” zei Tom, “en gewoon zien welke reacties je krijgt. Je hoeft niet bang te zijn voor Sluijters, want die is onherkenbaar.”

Je vriend heeft gelijk,” zegt Ernest.

Wat is er gebeurd?”, vroeg Chris. “Wat hebben jullie drieën besproken. We zagen weliswaar dat jullie weggingen, maar de man was helemaal niet blij.”

Jochem Sluijters – je hebt hem nooit gezien – maar hij zou een man van ongeveer zeventig jaar moeten zijn. Zo oud zag hij er ook uit. Je kunt het Sjors vragen – die was er in Zeeland bij. Deze man beweerde Jochem Sluijters te zijn. Hij heeft betoverde tanden laten implanteren door een bevriende tandarts – sinds een week wordt hij jonger. Hij wilde dat ik het zou stoppen. Omdat hij bang is als baby te eindigen. Of nee. Sjors zei dat.”

Hij eindigt als bevruchte eicel – zo begint elk menselijke leven,” zei Sjors die er als enige de humor van in zag – hij grijnsde breeduit. “Tenzij – tenzij – ,” zijn lach verdween heel langzaam. Hij sprak de zin niet uit. Dat deed Tom.

Tenzij het proces stopt en dan is Jochem Sluijters volkomen gezond, maar welke leeftijd zou hij in dat geval hebben?”

Jullie verbazen me nogal,” zei oom Ernest, “want jullie praten over tovenarij alsof het werkelijk bestaat.”

Tom zei niets, maar keek lange tijd naar zijn vrienden die net zo min iets zeiden. Oom Ernest tikte het schermpje wederom aan en bekeek de witte mensvormige vlek die zelfs praatte, al konden ze niet verstaan wat hij zei.

Zou iemand dat – effect – kunnen onderzoeken?”, vroeg oom Ernest.

Misschien kent mijn vader wel iemand. Ik kan het eens vragen. Je weet maar nooit.” De vader van Tom was niet alleen een welgesteld man, maar ook een wetenschapper die veel mensen kende met uiteenlopende specialiteiten. Er was altijd wel iemand die zou willen aantonen dat het filmpje vervalst moest zijn – special effects. “Dan heeft hij het originele filmpje en toestel nodig Of het geheugenkaartje. Misschien is dat wel genoeg.”

Je kunt het beter eerst aan je pa laten zien,” zei oom Ernest.

Dat denk ik ook wel,” zei Tom, “en dan krijg je vermoedelijk een theorie over magnetisme, aardstralen en antennes.”

Vijf minuten later stonden ze alle vier op straat. Ze moesten een behoorlijk stuk fietsen voordat ze thuis waren.

Tom staarde naar de parkeerplaats, maar Sluijters was allang verdwenen. Hij twijfelde er niet eens aan dat de man van middelbare leeftijd echt Sluijters was. Uit doodsangst had hij zijn toevlucht gezocht tot zwarte magie, zodat de dood hem nog een tijdje zou negeren. Zijn kleindochter was vol walging weggelopen. Of Tom maar effetjes het verjongingsproces wilde stoppen en Tom had er geen zin in. Ze lieten de stad achter zich – Sjors verdween al snel in een andere richting. Zijn vrienden zouden hem later die avond informeren.

Chris en Emke waren erg benieuwd naar wat de vader van Tom zou zeggen.

Het huis van Tom lag aan een polderweggetje, auto’s konden elkaar moeiteloos passeren. Er waren meer huizen, ook echte boerderijen. De rozenstruiken stonden er troosteloos bij, maar dat was normaal in de herfst.

Tom ging als eerste naar binnen. Moeder zat op de bank. Televisie stond aan, maar ze zat een krant te lezen. Zo ging het tegenwoordig wel vaker.

Waar is pap?”, vroeg Tom.

In de garage,” antwoordde ze.

Oké, dank je.”

Hoe is het gegaan?”

Beetje vreemd.”

Moet ik al aan de drakentuin denken?”, vroeg moeder die zich ongetwijfeld het bed van Tom herinnerde dat een stukje boven de vloer zweefde.

Nee, het is wel raar, maar anders.”

Tom duwde zijn vrienden naar buiten. Lippen van Chris en Emke vormden vragen die ze nog niet hardop zeiden.

Straks – straks – alles op zijn tijd.”

Sophie zou het moeten weten, maar ze sprak tegenwoordig zelden of nooit over de magische fenomenen die Tom veroorzaakte. Sophie en Astrid, een nicht van Tom die in Den Bosch woonde, hadden veelvuldig contact met elkaar.

Het was erg slecht van Tom, maar hij vertelde niet alles aan zijn vrienden.

Tom bonsde enkele keren op de deur van de garage waarna er een bekende grom volgde van zijn vader. “Binnen!”

Hoi pap, ik wil je wat laten zien,” zei Tom. In de garage heerste een fijne temperatuur. Rond de eenentwintig graden en de vader van Tom zat achter het beeldscherm van zijn computer. Er was een grote lap tekst te zien. “Ben je weer een boek aan het schrijven?”

Als ik er de tijd voor krijg,” zei Thomas van Alsem, zoals de vader van Tom heette. Ze hadden allebei dezelfde voornaam.

Chris begon het filmpje te openen en draaide het beeldscherm naar de vader van Tom die zwijgend toekeek. Geen commentaar, zelfs geen cynisch lachje. De vader van Tom had de draak ook gezien. Ze hadden hem allemaal gezien.

Ogen van vader Thomas bestudeerden de mensvormige witte vlek aandachtig. “Kun je me het filmpje mailen?”, vroeg de vader van Tom aan Chris. “Ik zal het aan Henny geven, dan heeft hij ook eens iets om op te kauwen. Ben je van plan om het op internet te zetten?”

Ja.”

Wacht daar nog maar even mee. Zo meteen gaat het ineens viral en begint iedereen zich ermee te bemoeien.”

Goed mijnheer.”

Tom geeft je mijn e-mailadres – en nu wegwezen, jongens. Ik heb meer te doen.”

Niet veel later stonden ze bij hun fietsen. “Wat is er met de drakentuin?”, vroeg Emke en haar gezicht gloeide van nieuwsgierigheid. “Vertel – vertel.”

Tom vertelde over zijn bezoek aan zijn nichtje Astrid die een prachtige draak had getekend op een oud basketbalveld – het dier zag eruit alsof het zijn snuit tegen een venster had gedrukt en wilde ontsnappen – en probeerde dat het ook te doen, nadat Tom had geslapen. Een medium genaamd Elisabeth hielp hem het beest te verslaan. Nu moest hij regelmatig naar Elisabeth, zodat hij zijn gave leerde controleren. In de echte wereld waren er nu eenmaal geen scholen waar je kon leren toveren.

Ik heb een foto van de rommel die is achtergebleven,” zei Tom, “Astrid en ik zijn er zelfs voor teruggegaan.”

Plaatsen op de site – vanavond nog!” zei Emke die met haar vinger op de borst van Tom prikte. “En voortaan moet je ons alles vertellen, verdorie.”

Aangezien we er ook last van kunnen hebben, omdat we jouw vrienden zijn,” zei Chris.

Dinsdagmiddag moet ik er trouwens weer naar toe – naar Elisabeth.”

Wat doe je dan allemaal?”

Vorige keer heb ik alleen over Sanne gepraat – en dat was ook wel weer leuk.”

Maar geen – ,” en Chris begon met zijn handen begon te gebaren als een goochelaar die een trucje uitvoerde.

Ik wil je niet dwingen, hoor, maar misschien moest je maar eens vertellen over het gedoe met Sluijters,” zei Emke.

Best wel een goed idee,” zei Tom.

*****

Elisabeth van Zuidtleeven woonde dichtbij het centraal station. Het was de derde afspraak sinds de drakentuin en Tom ging altijd alleen. Zijn moeder vond het ook geen probleem. Gezien de magische krachten in zijn lijf die alsmaar sterker leken te worden, moesten àndere mensen juist zijn bang voor hem. Hij liep langs een school – passeerde de plek waar jaren geleden zijn zusje op het asfalt neer was gekomen. Net voorbij de bocht en soms bleef hij er eventjes stilstaan. Auto’s reden net zo hard als altijd, zeker 60 kilometer per uur en de best remden laat af.

Het appartement van Elisabeth vertoonde een mengeling van oud en nieuw. Oude meubelen die best wel eens uit de negentiende eeuw konden stammen, een televisie, vanzelfsprekend ook een computer, maar als hij binnenkwam was het altijd doodstil. Ze zorgde altijd voor een mok thee. De eerste vraag, die ze stelde, was: “Heb je nog iets meegemaakt afgelopen week?”

Meestal moest hij ontkennend antwoorden, maar vandaag had hij een verhaal. Elisabeth was een bekende van zowel Jochem Sluijters als Herr Weiss. Hij zocht naar de woorden die ze had gebruikt om beide mannen te typeren.

Elisabeth zette zijn mok op tafel en nam plaats.

Ja, ik heb Sluijters ontmoet,” zei hij.

Alweer?”, vroeg ze. Elisabeth zette haar eigen mok neer. “Wat wou hij?”

Sluijters heeft een nieuw setje tanden op de kop getikt,” zei Tom die een grijnslach moest onderdrukken. “Ik vind het een vreemd verhaal, maar ja. Magische tanden – want ze hebben zijn ziekte gestopt – hij is niet langer terminaal – en – nog veel erger – hij ziet er twintig jaar jonger uit.”

En wat was zijn vraag? Of wou hij verder niks? Wilde hij alleen vertellen dat hij die tanden heeft laten implanteren, want dat begrijp ik uit je verhaal.”

En Sjors zei dat hij waarschijnlijk zou eindigen als een baby,” zei Tom.

Hoeft niet. Het zou kunnen dat hij net zo oud wordt als de vorige gastheer.”

Bah. Dan zitten we nog lange tijd met die vent opgescheept.”

Ik zou willen wie de vorige gastheer was,” zei Elisabeth die haar witte haren over haar schouders veegde.

Herr Weiss moet het weten.”

Ongetwijfeld, ja. Maar dan moet je contact maken.”

Kan ik dat?”

Met zijn tweeën moeten we het kunnen, maar het zal niet eenvoudig zijn.”

Tom liet zijn ogen langs de boekenkast gaan. Er stonden voornamelijk oude bijbels. Boven de tafel hing een oude lamp. Zelf zat hij op een leren fauteuil. Zijn rugtas hing er lui tegenaan. “Laten we het dan maar proberen,” zei hij. Elisabeth ging gemakkelijker zitten. Handen op de leuning en zocht oogcontact met Tom.

Je moet je concentreren,” zei ze.

Tom antwoordde niet meer en dacht aan de limousine van Herr Weiss. Er hadden oude potscherven op het strand gelegen. Herr Weiss had ze gebruikt als versterker van zijn gedachten. Een buitenstander kon er helemaal niets mee, maar bij elkaar vormden ze een magisch object – daarom dook Sluijters ook in Zeeland op. Herr Weiss. Sluijters.

Tom dacht aan een oude man – halflang wit haar, witte baard, wit kostuum, zwart lapje voor zijn linkeroog. Herbert Weiss zou de allereerste kerstman zijn geweest, maar hij werd de hebzucht van mensen zo beu dat hij ermee ophield. Daarna is hij voor eigen rekening gaan werken. Man die zich graag verplaatste in een limousine. Hij hield van comfort.

Muren en plafond veranderden en verdwenen – net als Elisabeth die achterbleef in haar appartement – Tom ging naar een compleet andere plek. Misschien bleef hij in die fauteuil zitten, maar zijn geest vertrok. Dat was ook de bedoeling. Plafond hing hoog boven zijn hoofd. Tom keek om zich heen en zag een magazijnloods. Grijze roldeuren met ramen. Lampen die weigerden licht te geven. Een verlengde Mercedes stond er geparkeerd – verduisterde ramen – chauffeur leunde verveeld tegen de motorkap.

Op de grijze vloer waren potten neergezet – rood aardewerk, bijna als een cliché – Tom vroeg zich af of Herr Weiss de scherven aan elkaar had gelijmd. Misschien. Wolken wit licht stroomden uit de potten. Herr Weiss stond in het midden van een pentagram die hij er had neergezet. Tom zag dat zijn ogen weg waren gedraaid, zodat hij alleen het oogwit kon zien. Hij voelde zich dichtbij en veraf tegelijk.

Zijn voeten maaiden door het niets en Tom begreep dat alleen zijn geest de reis had afgelegd. Lichaam was achtergebleven in het appartement van Elisabeth. Soms dacht hij de vloer te raken, maar er was gewoon niets.

Ik wist niet dat ik je had geroepen,” zei Herr Weiss.

Had je ook niet,” zei Tom.

Er volgde geen antwoord van Herr Weiss.

Wat ben je aan het doen?”, vroeg Tom.

Zo is het genoeg,” zei Herr Weiss. Hij spreidde zijn armen en het licht begon direct uit te doven. Hij sloot zijn ogen – opende ze weer en hij keek naar Tom.

We doen allemaal hetzelfde,” zei Herr Weiss, “maar welke wegen willen we bewandelen? Dat wil je toch weten, hè? Ik weet wat hij aan het doen is, maar weet hij het zelf ook? We willen allemaal hetzelfde – ik wil dat – hij wil dat – de dame die je helpt, die wil dat ook. We willen het allemaal.”

Tom probeerde de pentagram binnen te gaan, maar het lukte niet. Een onbekende kracht hield hem tegen. Hij hield een vloek binnensmonds en keek naar Herr Weiss die gewoon bleef staan.

Je wilt weten wat je moet doen,” zegt Herr Weiss, “hij zal terug blijven komen – Jochem Sluijters zal leren genieten van zijn nieuw verworven kracht – waarmee hij overigens louter afschuw zal oogsten. Hij is een afschuwelijk wezen geworden. Hoe heeft hij contact gezocht?”

Hij stuurde een briefje.”

Ik kan je niet helpen. Het spijt me. Want ik sta bij je in het krijt. Zorg ervoor dat je nieuwe vriend, die jongen van Rooijackers, in de buurt is. Sluijters wordt sterker dan jij met je magische gave.”

Wist Sluijters waar hij aan begon?”

Misschien.”

En waarom doet hij zichzelf dit aan?”, vroeg Tom.

Dat is geen relevante vraag, jongen,” zei Herr Weiss, “Bid maar liever dat hij geen honger krijgt als jij of je vrienden in zijn nabijheid zijn – ai, wat zeg ik nou toch weer voor iets raars?”

Tanden – honger – ik begrijp het niet.”

En je mag één ding nooit vergeten, Tom – We willen allemaal hetzelfde – echt allemaal.”

Wat dan wel?”

Je bent nog veel te jong om dat te kunnen begrijpen. Als je ouder wordt, komt het vanzelf.”

Herr Weiss begon naar Tom te lopen en maakte een vegende beweging met zijn hand. Er volgde een korte, verblindende flits. Tom trachtte overeind te blijven staan – hij was bang om te vallen – maar hij constateerde dat hij nog steeds in de fauteuil zat. Tom was nooit weg geweest – zijn lichaam niet tenminste. Al die tijd had hij in de stoel gezeten. Stem van Herr Weiss galmde in zijn hoofd. We willen allemaal hetzelfde. Dat had hij gezegd.

Zijn mond begon langzaam te bewegen. “We willen allemaal hetzelfde,” zei hij en Tom zag hoe Elisabeth haar mok vasthield en wachtte met drinken – ze tuurde naar hèm – en hij keek rustig om zich heen – Tom bedacht dat ze inderdaad erg veel bijbels in haar kast had staan. Zouden ze veel geld waard zijn?

En wat willen we dan allemaal?”, vroeg ze. Haar ogen stonden niet minder gespannen.

Weet ik niet,” antwoordde Tom, “dat wilde hij niet zeggen.” Hij vertelde in korte bewoordingen wat hij had gezien – Herr Weiss die middenin een pentagram stond – de potten die hij had hersteld – of misschien nieuwe gemaakt – dat zou ook kunnen. Ook vertelde hij over de waarschuwingen die betrekking hadden op Sluijters. Elisabeth zette de mok direct op tafel zonder gedronken te hebben. Haar ogen stonden erg duister. Ze leek te begrijpen wat Herr Weiss bedoelde. Tom snapte in één keer waarom hij geen details prijs had gegeven. Dat zou Elisabeth veel beter kunnen dan Herr Weiss.

Ik weet wat hij bedoelt en daar gaan we allemaal een bak ellende aan beleven – je moet me mijn taalgebruik maar vergeven, Tom. Dit is zelfs erger dan ik al dacht,” zei Elisabeth die opstond en naar de kast liep. Er stonden weliswaar veel bijbels, maar ze had ook andere literatuur in haar verzameling.

Hij is aan het veranderen, hè?”, vroeg Tom.

Ja, inderdaad.” Ze sloeg een groot, zeer dik boek open en begon te bladeren. Tom ging naast Elisabeth staan die flinterdunne bladzijden omsloeg – heel oude spelling – tekeningen van onbekende monsters. Niet één foto. Elisabeth stopte met bladeren en drukte haar vinger op een mensachtig gedrocht dat over een volwassen vrouw heenboog. Enorme kaken – scherpe tanden – maar beslist geen vampier. Het was iets anders en Tom kende de naam van het monster.

De waarschuwing van Herbert duidt erop dat hij hieraan denkt – ik ken hem veel te goed,” zei ze.

Waar kennen jullie elkaar van?”

We zijn getrouwd geweest,” zei Elisabeth en heel even verscheen er een glimlach op haar gezicht. “Lang geleden. Kijk, Jochem is een akelig serpent, maar Herbert was vroeger een prettig iemand die veel heeft betekend voor mensen die weinig geld hadden of zelfs helemaal niets. Mensen begonnen op hem te rekenen en leken geen moeite meer te willen doen om zelf wat te ondernemen. Egoïsme, hebzucht, zulk soort dingen.”

Dus het verhaal van de eerste kerstman – ?”, vroeg Tom, maar hij maakte zijn vraag niet eens af.

Dat klopt wel, ja. Met een uiterlijk als het zijne kun je het bijna niet mislopen.”

Hoe is hij zijn oog kwijtgeraakt?”

Weet ik niet – dat gebeurde na mijn tijd,” zei Elisabeth die dreigend vervolgde: “En waag het niet te vragen hoe oud ik in werkelijkheid ben, jongeman.”

Ik zou niet durven.”

Tom las nog eenmaal het woord dat onder de tekening stond – een zwart-wittekening van een gedrocht dat over een vrouw heen stond gebogen. Naam van het monster was – ghoul.

*****

In de trein plaatste hij een berichtje op de groepsapp. Hij schreef dat Sluijters waarschijnlijk in een ghoul aan het veranderen was. Volgens google ging het om een monster dat zich met mensenvlees in leven hield, dood of levend, dat maakte weinig uit. Tom verwachtte reacties en kreeg ze ook vrijwel direct. Allemaal uitingen van afgrijzen. Sophie antwoordde ook op zijn bericht. ‘Fijn dat dat duidelijk is, maar wat doen we eraan?’ Tom bedacht dat het misschien niet zo handig is geweest om Sluijters zo uit te lachen – ze hadden hem niet in zijn nabijheid uitgelachen, maar hij moest het leedvermaak hebben gevoeld. Bovendien zouden ze weinig kunnen uitrichten, want de politie zou hen nooit geloven. Het was onmogelijk. Sophie had een goede vraag gesteld. Zonder meer. Wat deden ze eraan?

Naar school fietsen deden ze toch al gezamenlijk, nu werd het belangrijker om bij elkaar te blijven, aangezien er een echte reële dreiging bestond. Zolang Sluijters zich kalm hield, gebeurde er niets. En waarom gaf het filmpje van Chris een witte vlek te zien waar Sluijters had moeten staan? Geen idee.

‘Gedaanteveranderingen – dat staat er op internet.’ Berichtje van Chris. ‘Kan die vent dat dan ook? In dat geval weet je niet eens hoe hij eruit ziet!’

Ze moesten verduveld goed oppassen. De trein passeerde Culemborg. Tom was er bijna. Terugkijkend kon hij alleen zeggen dat het een nuttige middag was geweest. Chris had overigens ook gelijk. Ze wisten niet hoe Sluijters eruit zag.

Ter hoogte van Houten typte hij de naam Elisabeth van Zuidtleeven – misschien stond er wel iets. Het duurde erg lang. Trein reed station Lunetten voorbij. Er stond helemaal niets dat op het medium duidde.

*****

‘We willen allemaal hetzelfde.’ Tom schreef de woorden thuis op een briefje en voegde direct drie namen toe. Zelf was hij te jong om er zich druk over te maken. Tom was alleen thuis, ouders waren er niet.

Sluijters dreigde dood te gaan en wist dat te voorkomen door tanden van een mythisch monster te laten implanteren. Het idee was alleen al bizar, maar de man moest uit wanhoop hebben gehandeld. Herr Weiss, Elisabeth van Zuidtleeven, Jochem Sluijters. Ze waren allemaal bang om dood te gaan, wilden blijven leven, zo lang mogelijk en liefst gezond. Welk magisch ritueel voerde Herr Weiss uit in de loods, terwijl zijn chauffeur toekeek?

Er gingen enkele dagen voorbij. Er gebeurde niets en de opwinding begon geleidelijk te verdwijnen. Maar Tom dacht er wel regelmatig aan en besprak het met Sjors die het allemaal niet zo interessant leek te vinden. Zijn aandacht werd afgeleid door ander verontrustend nieuws – de vader van Sjors dreigde zijn werk kwijt te raken, omdat de olieprijzen bleven dalen. Sjors haatte zijn vader die een kwade dronk had. En thuis was mijnheer Rooijackers dronken, had een kater of begon weer te drinken.

*****

Vrijdagmiddag na school zaten de ouders van Tom thuis aan tafel – ze wachtten op hem. Vader vroeg hem te gaan zitten, want ze hadden belangrijk nieuws. Tom dacht dat het om het filmpje zou kunnen gaan, maar begreep direct dat zijn moeder er in dat geval niet bij wilde zijn. Het moest om iets anders gaan.

Hij ging zitten en herkende een opgewonden glans in de ogen van zijn moeder. “We zijn dinsdag naar het ziekenhuis geweest, omdat ik me al langere tijd niet zo goed voelde. Een onderzoek gehad. Nee, maak je geen zorgen, ik ga niet dood.” Ze maakte een afwerend gebaar met haar handen. “Het is een hele verrassing voor ons, omdat het niet meer zou moeten kunnen. Ik ben zwanger. Je krijgt er weer een broertje of zusje bij.”

Heel even moest hij de herinnering aan Sanne verdringen. Haar lichaampje kwam neer op het asfalt nadat ze was aangereden door een automobilist. “Mam – pap – jullie moeten één ding beloven. Als het een meisje is, mag ze geen Sanne heten. Ik wil geen goedmaakzusje. Sanne is dood, er komt geen andere voor terug.”

Je moeder en ik zitten aan Marijke te denken.”

Of Jens, als het een jongen wordt.”

Een nieuwe Sanne willen we onszelf en jullie beslist niet aandoen,” zei zijn vader.

Gefeliciteerd mam,” zei Tom die opstond en zijn moeder op de wang zoende. “Ik vind het leuk.”

Ik zei toch dat hij goed zou reageren,” zei zijn vader.

We vonden het best wel spannend,” zei zijn moeder, “omdat we niet goed wisten hoe je zou reageren.”

Leuk, heel erg leuk.”

Daar ben ik blij om,” zei zijn vader.

Mag ik het rondbazuinen?”, vroeg Tom.

Ja, dat mag je. De moeder van Sophie is op de hoogte. Die voorspelde het al een beetje.”

Een half uur later zat hij achter zijn computer en de felicitaties kwamen  direct binnen. Moeder was zwanger. Er was een broertje of zusje op komst.

*****

Zaterdagochtend zat Tom om half tien aan de ontbijttafel – kopje thee, geroosterd brood, een krant die hij half had opengevouwen. Opvallend nieuws op de voorpagina. In Den Bosch was het lijk van een jonge vrouw gevonden, een zekere Margot Sluijters. Tom zette zijn kop thee terug op tafel en zocht zijn telefoon, maar er waren geen berichten binnengekomen. Las dan niemand van zijn vrienden de krant of hadden ze het bericht gemist? Het stoffelijk overschot bleek vreselijk te zijn toegetakeld, al begreep hij niet goed wat het zou kunnen betekenen.

Margot Sluijters was het verveeld kijkende meisje dat hem het kistje van het volmaakte evenwicht had verkocht, kleindochter van Jochem Sluijters, die sinds twee weken haar grootvader niet meer wilde zien. Hij fotografeerde het bericht met zijn telefoon en zette het op de groepsapp, want dit ging inmiddels iedereen aan. Reacties volgden meteen. Sophie natuurlijk. Sjors. Maar Chris en Emke lieten op zich wachten. Sophie sloeg de spijker op zijn kop. ‘Wat is ‘toegetakeld’ als je grootvader zich in een ghoul heeft veranderd? Bah, wat smerig allemaal. Gedverrie zeg!’ Daarmee wees Sophie terecht een goede verdachte aan.

Sjors kwam met een ander bericht dat hij erger vond dan de dood van Margot Sluijters. Zijn vader kwam thuis en het betekende voor zijn moeder en hemzelf erg slecht nieuws. Tom las het bericht en besloot er niet op te antwoorden. Bovendien wist hij zich maar heel slecht los te maken van Sluijters en zijn kleindochter Margot. Hopelijk zou de politie snel bij Sluijters zelf terechtkomen, als ze wisten dat het de man zelf was. Zoals Chris eerder al zei – een ghoul werd verondersteld van gedaante te kunnen veranderen.

Zijn moeder Tom deed gewoon haar werk in huis, vader was alweer bezig in zijn garage en Tom zocht naar ongewone, vreemde berichten op internet. Vandaag moest er iets gebeuren. Zijn intuïtie waarschuwde hem heel duidelijk. Nog een bijgevolg van zijn nieuw verworven krachten. Hij voelde het als er wat stond te gebeuren. Zoals vandaag. Om half één hoorde hij een nieuwslezer op de radio iets zeggen over een hond die in een trein naar Utrecht diverse reizigers had aangevallen en gebeten. Toen men op zoek ging naar het dier, werd het niet langer aangetroffen. Terwijl de trein afgesloten was.

Voor Tom bewees het dat Sluijters onderweg moest zijn naar Utrecht, maar hij kon er niets over zeggen. Alleen op de groepsapp maakte hij er een opmerking over. Reacties kwamen er niet meteen, later pas. Chris vroeg: ‘Wat moeten we doen dan?’ Waarna Sophie reageerde: ‘Je kunt moeilijk naar de politie.’

Toch wilde Tom iets doen en misschien moest hij alleen met Sjors iets afspreken. Eljakim en Gladius, zoals Herr Weiss al verwoordde die het nog altijd veel te druk zou hebben met zijn aardewerken potten. Hij stuurde een berichtje aan Sjors en zei: ‘We kunnen altijd nog met zijn tweeën hinderlijk rondhangen op het centraal station tot Sluijters komt opdagen en dan volgt er wel een confrontatie.’ Het bleef een tijdje stil. Na bijna een kwartier kwam er een reactie. ‘Met zijn tweeën?’ Tom typte: ‘Ja.’

Sjors volgde niet veel later met een nieuwe reactie. ‘Het is toch prettig als de anderen weten wat we gaan doen.’ Tom begreep dat hij nog altijd alles alleen wilde doen in plaats van de hele groep erbij te halen. Het was precies wat Witoog bedoelde. Tom moest zijn vrienden leren vertrouwen. ‘Oké.’

Een minuut later deponeerde Sjors op de groepsapp het bericht dat ze Sluijters gingen opzoeken en confronteren. Man was onderweg naar Utrecht. In de trein had hij enkele slachtoffers gemaakt. Tom trok zijn jas aan, stapte op de fiets en ging naar de stad. Af en toe voelde hij zijn telefoon trillen. Hij checkte elk bericht en begreep dat al zijn vrienden onderweg waren naar het centraal station, zelfs Sophie.

Hij stalde zijn fiets bij Hoog Catherijne, ingang Moreelsepark, nam de roltrap omhoog en belandde vrij snel tussen de winkels. Misschien had hij moeten wachten op zijn vrienden vanwege het gevaar dat een Sluijters met zich mee bracht. Aan de andere kant – er waren zoveel mensen in het winkelcentrum en station – wat er zou er in hemelsnaam kunnen gebeuren? Tom wilde Sluijters opzoeken voordat de man compleet onverwacht voor zijn neus stond – als een overval. Hij passeerde winkels die er ouder waren dan hijzelf, zoals een natuurdrogisterij, of een winkel die games verkocht. Op bankjes zaten enkele mannen en vrouwen waarvan Tom vermoedde dat ze er bijna altijd zaten – daklozen – een man met een donkerrood, bijna blauw gezicht en wild haar. Op de kruising ging hij links. Na bijna vijftig meter bleef hij staan, want Tom ontdekte een boekwinkeltje.

Nee, ‘boekspot’ stond er op de ruit. Een openbare boekenkast – je mocht een boek meenemen, maar ook achterlaten. Er stonden mannen en vrouwen, jong en oud. Hij plaatste een berichtje op de groepsapp dat hij daar op hen zou wachten. Sophie reageerde als eerste. ‘Mooi, ik weet waar het is.’

Het duurde nog eens vijftien minuten voordat zijn vrienden begonnen binnen te druppelen. Emke, Chris, Sophie en Sjors als laatste, die de grootste afstand moest afleggen om er te komen. Tom, Sjors en Chris verlieten de boekspot weer, Emke trok Sophie aan haar arm mee, want ze wilde wat langer kijken – ze had een boek gezien van Neil Gaiman en nam het ook mee. “Hoe ziet Sluijters er nu uit?”, vroeg Chris. Ze betraden de stationshal, nog altijd een grote bouwput, maar ook deels klaar. Een supermarkt, drogist, boekhandel, alles wat er altijd al is geweest. Niks nieuws. Het zag er wel aardig uit.

Geen idee,” zei Tom, “ik weet niet eens zeker of de hond in die trein er wat mee te maken had. Het is alleen een vermoeden. Meer niet.”

Als je gelijkt hebt, is hij erg gevaarlijk geworden.”

Sophie liep het boek te lezen, geschreven in het Engels, Emke keek over haar schouder mee. Ze lazen met zijn tweeën één boek. Tom zocht naar Sluijters en begreep dat het een onmogelijke missie was. Elke man die tussen de dertig en vijftig jaar oud was zou hem kunnen wezen. Mannen passeerden hen, verlieten winkels of gingen er juist binnen. Een ghoul was een wezen dat van gedaante kon veranderen. Het zou met andere woorden letterlijk iedereen kunnen zijn, zelfs een van zijn eigen vrienden.

Tom probeerde het idee te verdringen en wees naar de trap. Er was nog een andere verdieping boven hun hoofd, verschillende trappen, kluisjes waar je spullen kon opbergen, maar ook een koffiehuis, zoals er op de luifel stond. “Wanneer ben je hier voor het laatst geweest?”, vroeg Sjors. In het koffiehuis liep alleen een serveerster, er zat niemand aan de tafels.

“Daarginds,” en hij wees richting Jaarbeurs, “zat een drankenzaak, mijn vader was er vaste klant.” Dinsdag had Tom in ditzelfde station gelopen, na zijn bezoek aan Den Bosch, Elisabeth van Zuidtleeven. Sjors moest dat weten.

Je vader zuipt toch niet?”, vroeg Sjors.

Nee,” antwoordde Tom die zich afvroeg wanneer hij dit al eens eerder met Sjors had besproken. Tom schudde het idee van zich af en liep naar de reling. Ja, in Zeeland stelde Sjors er een vraag over. En Sjors was geen jongen die twee keer over hetzelfde onderwerp begon. Tom boog over de reling en keek naar beneden, omdat hij een bekende gedaante zag.

Beneden stond Sjors Rooijackers zoekend om zich heen te kijken. De ogen van Tom ontmoetten die van zijn vriend, maar hij legde zijn vinger op zijn lippen. Hij draaide zich om naar de dubbelganger en zei met ijzige stem: “Laat zien wie je werkelijk bent!” Hij staarde naar degene die zich voordeed als Sjors, maar hem niet was.

Sophie staarde verbijsterd naar – , Emke en Chris deden hetzelfde. Tom stapte naar de dubbelganger van Sjors die zo laconiek over het drankgebruik van de Thomas van Alsem was begonnen. “Laat goddomme zien wie je bent en wel nu!” Hij sprak nog luider dan daarnet en Chris stond onhandig met zijn telefoon te spelen. Voetstappen dreunden op de trap en kwamen dichterbij. De dubbelganger probeerde de transformatie tegen te houden. Tom herhaalde zijn woorden voor een derde keer en nu begon de dubbelganger te veranderen in een man van ongeveer dertig jaar.

Alles veranderde aan de ghoul – haar, uiterlijk, kleding zelfs en Chris bleef alles filmen in de wetenschap dat er slechts een silhouet zichtbaar moest zijn.

De verleiding was wel heel erg groot,” zei Sluijters.

Sjors voegde zich nu werkelijk bij de groep – en droeg totaal andere kleren dan Sluijters net had gedaan. Sluijters baseerde zich op een vorige ontmoeting, een week geleden in Lunetten. Sjors hijgde amper en zag er niet moe uit, terwijl hij toch hard had gelopen. “Ik zal het je wel afleren.”

Wie denk je nou eigenlijk dat je bent?”, vroeg Sluijters die hartelijk begon te lachen. “Conan de Barbaar of zo? Je kunt me niet de baas. Zelfs al zou je willen, dan nog – .” Sluijters lachte zijn tanden bloot, een harde galmende lach die aandacht trok.

Het zou je verbazen,” antwoordde Sjors.

Kinderen,” zei Sluijters. “Jullie zijn kinderen. Wat zou je me aan kunnen doen? Vertel me dat nou eens? Ik heb belangstelling voor één enkel ding.” Tong van Sluijters gleed langs zijn lippen, kwijl droop over diens kin, ogen waren wijd open gesperd, irissen kregen een felle gele kleur. “Zijn hart! Het kloppende hart van Tom van Alsem, de tovenaar!”

Sluijters sprong naar voren en een schouder van Tom vast – die zich heel even liet overdonderen. Tom trok zijn knie snel omhoog en raakte Sluijters heel hard in diens kruis – de ghoul kromp schreeuwend ineen. Sjors pakte hem bij de schouders en duwde hem op de grond. “Ik zal je leren mijn vrienden lastig te vallen, ouwe!”, riep Sjors, die zijn knieën op de borstkas van Sluijters drukte en hard begon te slaan – echt, heel hard. Tom hoorde iets kraken – op elkaar geperste lippen kleurden rood.

Tom schreeuwde heel hard en trok Sjors aan zijn schouders – Chris bleef filmen. “Stop nou, je vermoordt hem zo nog!” Sophie en Emke bleven kijken, ondanks het geweld, hun blikken verraadden afgrijzen – vanwege Sluijters – vanwege Sjors.

Sjors stond op – Jochem Sluijters begon overeind te komen – hij hoestte en spuugde een paar tanden uit – tanden die hij opving met zijn handen.

Wat denk je, ouwe? Je spuugt een paar tanden uit – Zou het genoeg zijn om de betovering te verbreken? Want daarom heb je klappen gekregen. Nergens anders om. Ik wilde je tandjes beschadigen, een klein beetje maar. Zou het voldoende zijn?”

Sluijters krabbelde overeind en zei: “Je bent echt een barbaar, godverdomde schooier.” Hij hield de pols van zijn linkerarm voor zijn mond, zodat hij zijn woorden enigszins gedempt uitsprak. “Smerige bastaard, serpent – reageerbuisrat.” Sluijters ontvluchtte het vijftal dat hem lange tijd nastaarde.

Wat denk je, Tom? Zou het voldoende zijn?”

Tom knikte met zijn hoofd. “Ik hoop het wel.”

Een serveerster stond in de deuropening van het koffiehuis – ze had alles gezien. “Binnen vijf minuten ben je alles vergeten wat je net hebt gezien,” zei Tom die zijn hand op haar arm legde. De betovering verliep sneller als hij haar aanraakte.

Politie is onderweg,” zei de serveerster, “maar ik weet ook niet goed waarom – er is niks meer.”

Ze begonnen weg te lopen. Vergetelheid moest aan het werk. De serveerster begon te vergeten. “Ik dacht dat je hem ging vermoorden,” zei Tom.

Nee, hoor, niet nodig. Daar krijg je alleen maar trammelant van,” zei Sjors. “Het zag er akelig uit.”

Behoorlijk,” zei Emke.

Sorry hoor.”

Chris bekeek de opnamen die hij had gemaakt tot en met de klappen die Sluijters van Sjors had gekregen. Ze keken allemaal naar het filmpje en zagen aan het einde de witte vlek op de grond veranderen in een man van ongeveer dertig jaar oud – Sluijters.

Je opzet lijkt te zijn gelukt,” zei Tom.

Betovering verbroken.”

Geen echte slachtoffers,” zei Chris.

Jawel,” reageerde Tom, “Margot, de kleindochter, ik denk dat Sluijters haar heeft vermoord en verminkt.”

Maar je kunt niks bewijzen,” zei Sophie.

Nee.”

Sjors bestudeerde zijn roodgekleurde knokkels. “Ik moet mijn handen even wassen,” zei hij.

Zullen we iets gaan drinken?”, vroeg Emke.

Starbucks?”, vroeg Tom.

Nee, ik wil koffie in een echt kopje,” zei Sophie.

Tom en zijn vrienden liepen de trap af.

Zouden we nu van die akelige vent verlost zijn, denk je?”, vroeg Emke.

Misschien,” zei Tom. “Je weet maar nooit.”

Wat wil die vent nou eigenlijk echt?”, vroeg Sjors.

Tom dacht aan de woorden van Herr Weiss, maar zei ze niet hardop. We willen allemaal hetzelfde.

 


(1) En de vierde is een gewone jongen

Het flatgebouw staat eenzaam in het veld. Er zijn geen andere gebouwen meer – die hebben ze lang geleden gesloopt. Vanuit de slaapkamer van Jokke zie je grasvelden en straten. Er groeien bomen en struiken – in de nazomer kun je er bramen en noten plukken die erg lekker zijn. De straten van asfalt zijn gebleven. Er zou een nieuwe woonwijk komen, maar de mensen in het flatgebouw weigerden te verhuizen. Normaal geef je zulke mensen een flink geldbedrag, zodat ze graag weggaan. Nu blijven ze er allemaal wonen, omdat ze veel te goed weten hoe bijzonder het is om er te wonen. Er is vaak geprobeerd om ze weg te krijgen – want het gebouw moet gesloopt worden – net als alle andere gebouwen in de wijk – maar het lukt gewoon niet.

Niemand krijgt het voor elkaar. De bewoners – en wat ik je nu ga vertellen is een geheim – zijn geen mensen zoals jij en ik. Wat ik je nu vertel, mag ik je niet eens vertellen, maar ik doe het toch. Het buurmeisje van Jokke is een heks, net als haar moeder. Geen boosaardige heks – ze zijn allebei erg aardig. Jokke en Andrea zijn vrienden. Meer niet. Alleen vrienden. Andrea kan toveren, al heeft ze er een echt toverboek bij nodig en haar moeder houdt  meestal een oogje in het zeil. Tegenover Jokke woont een jongen die je nooit in zijn menselijke gedaante buiten zult zien als het volle maan is, want hij is een weerwolf. Net als zijn vader. De jongen heet Leon. Een aardige jongen, behalve als het volle maan moet worden. Dan wordt zijn lijf hariger, groeien zijn tanden en oren – zijn handen en voeten veranderen in klauwen. De buurjongen van Leon heet Gijs, niet erg groot, wel stevig gebouwd. Gijs stamt uit een oeroud geslacht van dwergen. Hij kan je vertellen of het kettinkje dat je draagt gemaakt is van echt zilver.

Ze zijn allemaal bijzonder, behalve Jokke – die de meest normale van alle jongens en meisjes in het flatgebouw is en hij heeft er vaak de pest over in. Want Jokke is een gewone jongen en valt daarom ook te veel op. Op een feestje komt er altijd wel iemand naar hem toe die vraagt wat er nou zo bijzonder aan Jokke is dat hij en zijn moeder in die flat mogen wonen. Zijn antwoord is altijd hetzelfde. “Niets.” Hij schaamt zich er voor. Het is niet leuk om normaal te zijn. Veel liever had hij iets aparts, zoals de anderen. Een groepje van vier vrienden en de vierde is een gewone jongen. Daar klopt helemaal niets van. Omdat hij in een flatgebouw woont dat eenzaam tussen verwilderde grasvelden staat, hoort hij iets bijzonders te kunnen. Als hij op een zonnige zomerdag met zijn rug tegen een boomstam zit, denkt hij er veel over na. Jokke is een gewone jongen en dat is niet eerlijk.

Het is aan het eind van de zomer. Zijn vrienden beginnen terug te komen van vakantie. Jokke is ook weg geweest met zijn moeder. Bretagne. Het was er koud, regenachtig en winderig, maar prachtig. Heel veel lekker eten. Heel veel normale mensen ook, al spreken ze Frans en Bretons. Hij heeft nagedacht tijdens de vakantie. Over zijn moeder. Die natuurlijk ooit hèt heeft gedaan met zijn vader. Maar Jokke kent hem niet. Er zijn dagen dat hij vermoedt dat zijn moeder zelfs niet eens weet wie zijn vader is.

Het is half augustus en binnen enkele weken moet hij naar school. Voor die tijd wil hij een avontuur beleven. Vergeten dat hij zo gewoon is. Net zo gewoon als burgers die in nieuwe, goed onderhouden huizen wonen. Of in flats met echte werkende liften. In een flatwoning waar je geen huilende wind zult horen als het een keer stormt.

De moeder van Jokke zit een boek te lezen en hij zegt: “Ik moet eruit.” Hij loopt de deur uit. Er zijn slechts vier trappen nodig om hem op een groen uitgeslagen trottoir te brengen. Voor hem ligt de asfaltstraat die al net zo groen begint te worden als het trottoir. Daarachter groeit een bos – heel veel bomen, struiken, heel veel gras – vruchten en noten.

Hij steekt de straat over en vlucht het bos in. Zijn vriend Leon heeft scherpere zintuigen die beter worden naarmate de volle maan dichterbij komt. Karakter van de jongen wordt in die periode iets minder aangenaam – meer roofdierachtig. Voor Jokke gelden zulke uitzonderlijke talenten niet. Hij moet zich zien te redden met zijn gewone menselijke ogen en oren. In het voorbijgang plukt hij een braam en stopt het vruchtje in zijn mond. Het smaakt goed.

Hij blijft staan en neemt er nog een paar. Jokke begint zich wat rustiger te voelen. In de struiken hoort hij een klein dier lopen. Voor een jongen als Leon zou het als gegalm van een klokkentoren moeten zijn. Jokke gaat verder en volgt het pad dat zich slingerend door het bos heeft gevormd. Verderop is een heuvel waar hij het bos goed kan overzien plus het flatgebouw dat als een eenzame berg boven het groen uitsteekt. Zijn vrienden komen er ook regelmatig naar toe. Het is een verzamelplek.

Vandaag wil hij graag alleen zijn. Jokke hoopt dat zijn vrienden hem vanmiddag uren lang op de top van de heuvel in het gras laten liggen, terwijl de zon lekker blijft schijnen en naar het westen draait. Hij probeert zich zijn vader voor te stellen – een beetje zoals hijzelf natuurlijk, maar dan veel ouder. Een gewone vent. Het kan moeilijk anders. Er zijn mensen in de flat die vinden dat Jokke en moeder ergens anders hadden moeten wonen. De moeder van Jokke woont al haar hele leven in die flat.

Dus ook toen het een onopvallende flat tussen andere hoge flats was. Toen er nog wel eens auto’s reden over keurige zwarte asfaltwegen. Laatste maanden schrijven mensen regelmatig over een prachtig natuurgebied, al wonen er vreemd genoeg nog altijd mensen. Volgens zijn moeder is het goed nieuws. Maar er komen geen nieuwe mensen in de flat wonen en er gaat ook niemand weg.

Hij ligt in het gras. Al een half uur. Een telefoon heeft hij niet. Geen van zijn vrienden heeft een eigen mobiele telefoon. Niet nodig. Je kunt nooit meer alleen zijn als je zo’n ding bij je moet hebben. Zijn horloge tikt gestaag seconden en minuten weg. Hij vindt het heerlijk om lekker verveeld in de zon te liggen. Zijn leven is volmaakt op deze manier – of dat zou het kunnen zijn – als hij tenminste meer op zijn vrienden zou lijken en ook iets aparts kon doen of zou zijn. Zoals Leon bijvoorbeeld, die een weerwolf is. Zijn vriend heeft wel eens een krasje gemaakt op de arm van Jokke, omdat het verhaal ging dat je zo een nieuwe weerwolf kon maken. Het werkte niet. De volle maan kwam en ging. Er gebeurde niets. Jokke lag op bed rustig te wachten, hevig teleurgesteld natuurlijk, maar wist ook wel dat er niets zou veranderen. Zijn zintuigen werden niet zoals Leon had beschreven – dat hij een muisje in een spouwmuur kon horen trippelen. Hij bleef gewoon zichzelf en viel in slaap, terwijl Leon en zijn vader als wolven door het bos aan het rennen waren.

Bijna een uur later hoort hij voetstappen dichterbij komen. Jokke draait zijn hoofd naar links en ziet de gestalte van zijn vriendin Andrea. Haar vuurrode haar schittert bijna in het zonlicht. Je moet rood haar hebben om een heks te kunnen zijn. Toch is het vreemd. Andrea kan toveren, maar alleen met een toverboek.

Het betekent dat iedereen kan toveren. Je hoeft alleen maar begrijpend te kunnen lezen. Dat is alles. Doodsimpel dus. Jokke zou het ook moeten kunnen. De gedachte komt heel snel en klinkt vrij logisch.

Hé – Ben je hier?” Ze klinkt heel verbaasd. Alsof Jokke ergens anders heen zou  kunnen gaan. Naar de stad bijvoorbeeld. Maar de stad is veel te druk en lawaaierig. Hij kiest voor rust en stilte.

Yep.”

Ik was je al kwijt,” zegt Andrea, “je moeder zei al dat je waarschijnlijk naar de heuvel was gegaan.”

Had behoefte aan frisse lucht – liefst heel veel.”

Zit je soms weer te somberen over je vader? Of heb je de pest in omdat je een gewone jongen bent?”

Allebei.”

Moet ik je dan maar weer alleen laten?”, vraagt ze.

Nee joh,” reageert Jokke, “ga lekker zitten.”

Andrea gaat zitten – kleermakerszit – Jokke komt overeind. Er valt een stilte. Ver weg klinkt geruis van een stad die als een monster ligt te wachten om het bos en de flat op te eten. “We hebben je nodig, mam en ik, als je het goed vindt natuurlijk,” begint Andrea te vertellen, “we gaan een drankje maken voor Leon en zijn vader, zodat ze niet hoeven te veranderen in een weerwolf. Daarvoor hebben we een beetje speeksel nodig – eh – van een – eh – gewone jongen.” Ze trekt er een verontschuldigend gezicht bij. “Sorry, maar zo zijn de feiten.”

Voor een goed doel dus eigenlijk.”

Ja.”

Wiens idee is het – om een drankje te maken?”

Van de huismeester,” zegt Andrea, “omdat Leon en zijn vader nu allebei door het bos rennen als het volle maan is en dat trekt te veel aandacht van de stadsmensen.”

Er zijn toch geen doden gevallen?”

Nee, nou ja, een onvoorzichtig konijntje misschien,” zegt Andrea, “da’s natuurlijk ook heel erg, maar ja, we zijn niet allemaal hetzelfde.”

Speeksel – je hoeft geen haar uit te trekken?”

Speeksel is genoeg.”

Oké.”

Dus je gaat akkoord?”

Ja, het is voor een goed doel.”

Mooi.”

Andrea gaat liggen en begint naar de blauwe lucht te kijken. Er drijven grote zomerse wolken voorbij.

Soms valt er schaduw over de heuvel die net zo snel weer wegtrekt. Jokke kijkt ook omhoog. “Weet je,” zegt hij na een tijdje, “ik lag daarstraks na te denken over het toverboek van je moeder. Is het niet zo dat je alleen maar hoeft te kunnen lezen om een drankje te maken? Je moet doen wat er staat – vrij letterlijk neem ik aan. Het staat er allemaal. Zwart op wit. Je hoeft alleen maar de aanwijzingen te volgen in de juiste doseringen. Ik moet het ook kunnen.”

Wat ben je toch ook een mispunt, hè?” Andrea begint te lachen en port met haar elleboog in zijn bovenarm. “Nee, zo werkt het niet. Want er zijn ook genoeg mensen die zelfs geen eitje kunnen bakken. Dat zou dus ook iedereen moeten kunnen.”

Daar kan ik me niks bij voorstellen.”

En Gijs dan? Die hoeft naar de bodem te kijken en hij vertelt je precies wat er allemaal in zit.”

Gijs is een dwerg en dat is wat dwergen doen.”

En hetzelfde geldt voor ons heksen. Wij kunnen ook iets dat anderen niet kunnen.”

Je hebt gelijk,” zegt Jokke die zijn tanden bloot lacht, “ik ben je aan het pesten.”

Hij draait zich half weg, maar Andrea geeft hem alsnog een klap. “Ik haat het als je zo bent.”

Wanneer willen je moeder en jij het drankje maken?”

Vanavond, want dan is er geen maan.”


(4) De verlaten aarde: “Wat denk je? – Zou een androïde ook zelfmoord kunnen plegen?”

Stephen had zijn wapen verborgen – het tikte ritmisch tegen zijn borst. Soldaten passeerden de draak, terwijl het beest op kiezelsteentjes kauwde. William was bij de deur blijven liggen, maar Stephen concentreerde zich op de ontmoeting met vijf soldaten – het waren er nog maar vijf. Een luitenant Morrison had de leiding. “Je moeder en zusje zijn in veiligheid,” zei de luitenant.

Stephen vond het een prettig idee dat moeder en Ellen veilig aan boord van het schip waren gebracht. “Zullen we gaan?” Hij wilde geen seconde langer op deze vervloekte heuvel blijven.

Morrison negeerde zijn haast om te vertrekken. “Kun je zeggen hoeveel dreigingen er nog zijn?”

Heel veel,” zei Stephen, “maar er zal weinig gebeuren, zolang ik als gids mee jullie meega.”

Het wapen van Morrison was gebruiksklaar en hing dreigend voor zijn buik. “Eén missie voltooid, nu nog een tweede uit te voeren,” sprak de luitenant. Stephen begon te vrezen dat het een hele tijd zou duren voordat hij definitief aan boord van het schip zou zijn. “Ik zoek een brief en je zus wist nergens van – dus mijn hoop is nu op de oudere broer gericht.”

Wat voor brief?” vroeg Stephen die een beetje kortaf klonk – hij had hier totaal geen zin in.

Je vader,” zei Morrison die Stephens rottige humeur negeerde, “moet een brief in bezit hebben gehad waarin de broncode van het koortsvirus wordt beschreven. Je moeder bevestigt dat er zo’n brief is geweest en beweert hem ook in handen te hebben gehad – die brief wil ik hebben.”

Stephen keek omhoog – naar het huis – dat groot, donker en dreigend op de heuvel stond. Niet langer een thuis. “Er is een brief geweest,” zei Stephen, “die in een bureaula van mijn vader zou liggen. Ik heb hem ooit gezocht en helaas nooit gevonden.” Hij beschouwde de brief van zijn vader altijd als een persoonlijk testament – bemoedigende woorden aan zijn kinderen die in gezelschap van een robot achter zouden blijven, maar moeder bleek nog te leven en was gevlucht voor – .

In dat geval zullen we moeten gaan zoeken,” verklaarde Morrison bijna opgewekt. “En jij blijft gedurende de missie bij ons – ik moet je veilig bij kapitein Alfred afleveren – anders heb ik een probleem. Bovendien hebben we je nodig als gids, je moeder en zus kunnen ons niet zo goed helpen.”

De groep begon zich gestaag heuvelopwaarts te bewegen – Stephen als eerste – omdat hij de enige was met voldoende kennis van het digitale mijnenveld. “Het zou slecht zijn geweest voor de missie als die man je had gedood, want je bent erg belangrijk voor ons.” Stephen weigerde te antwoorden, want William zou zijn wapen nooit hebben afgevuurd. Ze passeerden de boom waar de speer in stak en voor de deur lag het lijk. Een soldaat raapte het pistool op en begon het te bestuderen. “Antiek,” zei hij, “maar het werkt altijd.”

Wat was dat eigenlijk voor een vent?”, vroeg Morrison die maar half geïnteresseerd leek te klinken. Hij bestudeerde tegelijkertijd de gevel van het huis alsof architectuur hem werkelijk boeide.

Advocaat van mijn vader toen de koorts uitbrak.”

O,” zei een soldaat wiens gezicht verborgen ging achter een masker, “werd je pa verdacht van verduistering of zo?”

Nee,” antwoordde Stephen.

Waarvoor dan wel?”, vroeg Morrison die zijn nieuwsgierigheid niet meer wenste te bedwingen.

Hij was huurmoordenaar,” antwoordde Stephen die stilletjes genoot van de verbijsterde blikken. Oké, zo beleefde hij nog wat plezier aan zijn vader.

O shit,” zei een soldaat wiens naam hij nog altijd niet kende.

Mijn vader – ik niet,” zei Stephen die de deur demonstratief openmaakte – alleen zo konden ze veilig het huis binnenkomen – anders waren ze meteen dood – nou ja – degene die voorop liep.

En dat heb je natuurlijk altijd al geweten,” zei de luitenant.

Nee, bepaald niet, ik heb het vandaag gehoord. William vertelde over de broodwinning van mijn vader. Buschauffeur had ik leuker gevonden. Alles was beter geweest dan mensen doodmaken.”

Begrijp ik het dan goed dat we voor niets een vent koud hebben gemaakt?,” vroeg één van de soldaten zonder naam.

Hij heeft een kind verwekt bij zijn eigen dochter,” zei Stephen, terwijl ze hem een voor een passeerden, “misschien ga je je daardoor minder rot voelen.” Hij hoorde zichzelf de woorden uitspreken en verbaasde zich erover dat hij de opmerking zomaar kon maken. Ze kwamen in een hal terecht die warm aanvoelde vergeleken met de buitenlucht. Het zag er vertrouwd uit – ze waren nog maar net vertrokken en toch kreeg Stephen het idee dat ze in overtreding waren. Hij voelde zich een indringer.

Zijn er verder nog boobytraps?”, vroeg Morrison.

Nee.”

Morrison begon zijn bevelen uit te delen. “Lewis en Nick controleren de kelder, Charlie en Megan doen de bovenste verdieping, Stephen en ik nemen de begane grond voor onze rekening. Kijk uit je doppen en meld het direct als je denkt de brief te hebben gevonden – of kom terug naar dit punt! Is dat duidelijk?”

Yes sir,” zeiden ze bijna tegelijk. Stephen wilde iets zeggen over deuren van drie kamers die waren afgesloten, maar ze hadden waarschijnlijk hun eigen methodes om alsnog binnen te komen – explosieven bijvoorbeeld. Soldaten verdwenen erg snel uit het zicht en Stephen staarde heel eventjes naar het terras dat er zoals altijd verlaten uitzag. Hij knipperde met zijn ogen en dacht dat papa opnieuw over de rand stapte, terwijl ze met zijn drieën toekeken. Stephen mocht later pas gaan kijken. Toen het lichaam onder water was verdwenen.

Waar is de werkkamer van je vader?”, vroeg Morrison. “Hij zal toch wel een werkplek hebben gehad?”

Stephen wees naar een gesloten deur – dezelfde kamer die twee van de in totaal vijf telescopen in huis herbergde. Eentje stond er op de Maan gericht. Deur was niet op slot. Ze gingen er binnen en Morrison begon bureauladen open te trokken, haalde er brieven uit, die hij snel op inhoud controleerde, voordat hij ze opzij wierp. Stephen vroeg zich af hoe zijn vader aan een dergelijke belangrijke brief had kunnen komen. Broncode van het koortsvirus. Heel erg vreemd, want Stephen had altijd gedacht dat er een persoonlijke boodschap in zou staan – troostende woorden van een stervende vader aan zijn beide kinderen. Er bleek iets heel anders in te staan, of papa bedoelde een compleet andere brief dan luitenant Morrison. Er moest een brief liggen waarin je kon teruglezen hoe je een virus moest bouwen waarmee je de complete wereldbevolking kon uitroeien. Zo was het ook gebeurd. Iemand had het virus gebouwd en vrijgelaten. Dankzij het virus veranderde mensen in monsters. Zei papa altijd. Zou het waar zijn? De vader van Stephen behoorde in elk geval tot de laatste slachtoffers van de koorts. Misschien had papa voor de overheid gewerkt als spion die ook mensen vermoordde. Misschien was papa een doodgewone opportunist die de brief had gebruikt om vrijspraak te krijgen.

Je pa heeft vooral nutteloze dingen bewaard.”

Stephen begon lukraak boeken uit de kast te trekken, hield ze ondersteboven – zodat de bladzijden open waaierden – maar er kwam niets tevoorschijn – zelfs geen bladwijzer. Hij controleerde er een stel, gooide ze op de grond, want ze kwamen toch nooit meer terug. Thuis was geen thuis meer. Waarom zou hij die boeken niet neergooien? Zijn jas hing over een stoelleuning, rugzak stond op de zitting. Het wapen van Morrison lag op het bureau.

Je deed laconiek over je vader,” zei Morrison die ondertussen de brieven bleef bekijken en ze tenslotte weer neergooide als oud nutteloos papier.

Mm – ja.”

Of je wilt er helemaal niet over praten.”

Ook.” Stephen pakte een volgend boek uit de kasten en herhaalde het ritueel – waaierende bladzijden – er viel niets op de grond – hij gooide het boek gewoon neer – doffe klap – meer niet.

Wat heb je met die incestpleger besproken?”

Hij vertelde wie mijn vader was – dingen die ikzelf nooit heb geweten.”

Een huurmoordenaar.”

Die zijn slachtoffers altijd vertelde over een sprookje – Hans en Grietje om precies te zijn.”

Morrison bleef brieven bekijken – één voor één – heel zorgvuldig maakte hij ze open en gooide ze vervolgens ongeïnteresseerd opzij. “De sprookjeskiller.”

Zo werd mijn vader inderdaad genoemd, ja.”

Wist je dat allemaal?”

Nee – dat heb ik al gezegd.”

O ja, da’s waar ook.”

Morrison schoof de la dicht en probeerde een volgende, maar die bleek afgesloten te zijn. Hij wrikte het slot met een dolk open. “Echt stevig zijn ze niet, die ouwe sloten, het ging ook meer om het idee en de hoffelijkheid van je huisgenoten.”

Met een vader als de mijne kwam je alleen in zijn werkkamer als hij dat wilde en vaak betekende het weinig goeds.”

Zijn jullie mishandeld?”, vroeg Morrison. “Misbruikt?”

Nee.”

De vader van Stephen hoefde nooit te slaan, want zijn woorden waren al dodelijk genoeg. Ze hadden nooit over geweld gesproken en papa had hen nooit ook maar met één vinger aangeraakt. Geen liefde, geen haat, helemaal niets, alleen een aanwezigheid. Net als Jack, een robot die er gewoon altijd was. Alleen papa was van echt vlees en bloed.

Ik begrijp het,” zei Morrison, “ik hoop dat – ,” en hij viel middenin zijn zin stil. Zelfs Stephen hoorde stemmen in het oortje van de luitenant schreeuwen. “God – godverdomme – de robot.”

Onmogelijk – die is uitgeschakeld.”

Dan is er zelf reparerende technologie, nondedju.”

O shit,” zei Stephen die het boek liet vallen zonder het ook werkelijk gecontroleerd te hebben.

Jij blijft hier – Zoek die kutbrief,” zei Morrison die zijn wapen pakte. “Eenheden – verzoek om assistentie in de kelder – androïde is opgestaan en zeer – ik herhaal – zéér gevaarlijk.” Morrison blafte zijn instructies in een microfoontje dat voor zijn kin hing. Hij rende meteen de kamer uit. Stephen hoorde voetstappen die stampend naar beneden gingen en bleven rennen – naar de kelder.

Stephen dacht aan zijn eigen wapen, maar besloot de bevelen van Morrison op te volgen en verder te zoeken naar de brief, zodat ze snel konden vertrekken. Jack was weer opgestaan. Dat moest er zijn gebeurd. Stephen dwong zichzelf naar het bureau te gaan en de la open te trekken. Voor het eerst in zijn leven bekeek hij brieven die niet voor zijn ogen waren bestemd. Zijn ouders – vader – moeder. Ze schreven brieven aan elkaar, terwijl ze gewoon onder één dak verbleven. Er lagen brieven van moeder – gericht aan vader – brieven in paarse en roze enveloppen. Het voelde erg vreemd en soms keek hij over zijn schouder – omdat zijn vader elk ogenblik binnen zou kunnen komen. Het waren liefdesbrieven van zijn ouders. Als vader binnen zou komen, dan zou hij nu echt een probleem hebben. Dan zou vader hem voor het eerst hebben aangeraakt en niet zachtzinnig.

Onder zijn voeten klonken er schoten – een schreeuw – nog één – en Stephen graaide in zijn jaszak naar het pistool. Terwijl hij naar de keldertrap rende, schoof hij de veiligheidspal weg. Hij was de orders van de luitenant allang vergeten. Omdat hij geen soldaat was, hoefde hij de bevelen niet op te volgen. Het was zijn taak geweest om de robot uit te schakelen en Stephen had gefaald. Nu zou hij zijn fout herstellen en de robot liquideren – Jack zou nooit meer op kunnen staan. Zijn schoenen kwamen vrijwel geluidloos neer op de trap. Hij hoorde een man schreeuwen – een gil.

Alle kelderdeuren stonden open – Lewis lag half in de deuropening – hij dacht dat het Lewis was – soldaat zag er dood uit – Stephen overwoog het wapen mee te pakken, maar snapte dat het geen zin zou hebben – DNA-herkenning. Hij zou het onmogelijk kunnen gebruiken. Behoedzaam ging hij verder – pistool hield hij langs zijn dijbeen – heel onopvallend, zodat Jack het niet meteen zou opmerken. Nick en Charlie verscholen zich half achter een regelkast – lichtjes knipperden zenuwachtig of bleven juist kalm oplichten. Megan en de luitenant hielden Jack onder schot, maar Jack lag ook op de grond – precies zoals Stephen hem had achtergelaten. Zelfde gedaante, zelfde kleding, zelfde uiterlijk en stem. Volkomen identiek. Als een kloon. “Kijk – daar heb je het koekoeksjong.”

Stephen zocht naar woorden, maar wist niet goed wat hij moest zeggen. Jack was dood, Jack leefde nog altijd en stond tegenover hem. Jack2 dus eigenlijk. Hij zou ze moeten nummeren. Als koeien.

Een hele verrassing. Ik heb altijd gedacht dat je alleen was, Jack. Waarom heb je dat nooit verteld?”

Ach ja, we zijn met zijn drieën – alsof het zo makkelijk is om een batterij op te laden. Heb je enig idee hoeveel energie het kost om twee kinderen op te voeden en aardig te blijven?”

Een totale verrassing,” zei Stephen die probeerde te bedenken of hij ooit heeft gedacht dat er meer dan één Jack moest bestaan – nooit dus.

Luitenant – ,” zei Megan.

Morrison maakte een afwerende beweging met zijn hand, alsof hij verwachtte dat een oude tragedie vandaag zou moeten eindigen. Complete leugens en halve waarheden. Waarom zou je de kinderen niet vertellen dat er drie androïden bestonden die allemaal Jack heetten? Omdat Stephen en Ellen hen nu eenmaal zo noemden. Omdat papa hen altijd zo had genoemd. Omdat mama hen zo noemde.

Jammer – dus we hebben een oplaadstation gemist,” zei Stephen. Er moest een derde Jack bestaan die wachtte op een kans om indringers tegen te houden. Het waren geen gevechtsrobots, want ze wachtten keurig op hun beurt. Of er moest een programma zijn die verhinderde dat ze alle drie tegelijk het oplaadstation zouden verlaten.

Je moet beslist een kijkje nemen,” zei jack2. “Het is heel leerzaam – geloof me – een belevenis.”

Ik heb het al gezien,” zei Nick die zijn wapen op jack2 richtte, maar een bevel nodig had om te schieten en Morrison zweeg nog altijd. “Het is inderdaad nogal bizar. In de ruimte hiernaast – .”

Jack2 gebaarde erg theatraal. “Niets zeggen, dan is de verrassing weg.” Stephen nam geen afwijkende gezichtsuitdrukking waar – er was geen emotie – die was er trouwens nooit – maar het gebaar van jack2 viel erg groot uit – melodramatisch bijna. “Ik zou zijn verbazing willen zien – beter gezegd – zijn verbijstering – maar het zal niet zover komen.”

Schakel de machine uit,” zei Morrison die zelf als eerste zijn wapen afvuurde. Er volgde nog twee schoten – Nick en Charlie. Jack2 viel als een blok omver – een harde klap, daarna werd het weer stil.

Nick – Charlie – Jullie schakelen de andere robot uit!”, riep de luitenant. “Opschieten graag, voor we nog een man verliezen – ik heb weinig zin om hier nog meer mannen aan kwijt te raken, verdomme.”

En wat doen we met de andere twee robots, sir?”, vroeg Nick. “Dat is wat hij namelijk bedoelde.”

Uitschakelen, als je zeker weet dat het robots zijn,” zei de luitenant die zijn ergernis wist te beheersen en nieuwsgierig begon te worden naar het mysterie dat in de andere ruimte op hen wachtte.

Oké, sir,” zei Nick. De twee soldaten liepen weg, terwijl luitenant Morrison bureauladen open begon te trekken, alsof de koortsbrief daar ergens zou moeten liggen. Er lag een stapeltje tekeningen. Hij bekeek ze één voor één. Stephen herkende moeder, maar dan als duivelin – rood gezicht en rood haar, plat geslagen neus, gele reptielenogen, flonkerende, scherp uitziende tanden, puntoren. De tekening verdween onder een andere, een vroege schets van de vampiervrouw – kennelijk bewaarde papa vooral tekeningen van moeder. Morrison hield gelijkertijd Stephen in de gaten die naar de deur bleef staren. Er bevond zich een soort geheim in de belendende ruimte. Jack2 had zich verkneukeld over de verbijstering op het gezicht van Stephen als hij de andere robots zou zien. Toch beheerste Stephen zich – of hij probeerde dat te doen. Maar Megan stond klaar om hem tegen te houden – voor het geval hij toch weg zou willen lopen – dus hij kon nergens heen. Hij moest blijven en wachten.

We zijn Lewis al verloren, dus ik kan geen risico nemen, Stephen, je vormt de hoofdprijs voor ons – jouw bloed is misschien nog kostbaarder dan dat van je zus. We moeten je echt veilig aan boord brengen. Een mislukking brengt me voor de krijgsraad. Dat moet je goed begrijpen.”

Ik begrijp het.”

Stephen hoorde een serie schoten in de andere ruimte. Geen schreeuwen of wat dan ook, zoals geluiden die aan stervende mensen deden denken. Het waren maar robots die ze omlegden. Robots die er uitzagen als mensen – dat weer wel. Hand van luitenant Morrison ging naar zijn oortje. “Je kunt gaan kijken, Stephen. We laten je een paar minuten alleen, want het schijnt nogal heftig te zijn.”

Een hoop woorden die betekenden dat er een akelige verrassing op hem wachtte – iets anders kon het nooit zijn. Hij begon te lopen, een hele wandeling, want de kelders waren bijna net zo groot als de heuvel zelf. Megan volgde hem en bedekte het dode lichaam van haar makker. Ze gebruikte er een soort poncho voor.

Nick en Charlie kwamen al naar buiten. Het was de energiekamer – Stephen was er nooit eerder geweest, want Jack hield hem en Ellen er altijd weg. Stephen had zelfs de deur nooit open gezien.

We blijven in de deuropening – dus als je hulp nodig hebt – of als het je teveel wordt,” zei Nick die zijn hand op de schouder van Stephen legde.

Ik red me wel,” zei Stephen die niet stil bleef staan, maar verder ging. Daarginds tussen al die oude regelkasten uit de vorige eeuw lag een geweldig geheim te wachten. Hij herkende het lijk van Jack3 – die moest het zijn – kon niet missen. Een mensachtig lichaam dat op de vloer lag. Laserschoten hadden zijn borstkas en hoofd verkoold. Stephen dwong zichzelf door te lopen en zag een oplaadstation met twee mannen die klonen van elkaar zouden kunnen zijn. Hij herkende de mannen direct – Stephen hapte naar adem – en dacht dat zijn hart enkele slagen miste. Papa in spiegelbeeld. Het was zijn vader die daar stond. Papa! In tweevoud. Honderd procent papa. Net als Jack. Er was één plek vrij – voor een derde robot. Maar papa had zelfmoord gepleegd, hij was over de rand gestapt. Of was het een robot geweest die dat had gedaan – en als het een robot was geweest die het had gedaan – Waar was papa dan gebleven? Twee lichamen die onbeweeglijk in een oplaadstation hingen – niet dood, maar levenloos. Ze hadden nooit geleefd, dus ze konden niet sterven. Stephen deinsde achteruit en bekeek de twee standbeelden die zijn vader verbeeldden. Hij kwam meteen weer dichterbij en raakte een hand aan – dichterbij papa was Stephen nooit geweest – voor het eerst raakte hij papa aan.

Nee, dit was zijn vader helemaal niet. Stephen keek naar een robot die papa moest voorstellen. Nog steeds hield hij zijn pistool vast – arm gestrekt, hand langs zijn dijbeen. Hij begon zijn pistool te richten – één van de robots die zijn vader moest voorstellen – het maakte weinig uit welke. Het zou doodsimpel moeten zijn om een schot te lossen – maar het was moeilijk – hij kon het niet. Iets hield hem tegen. Respect voor zijn vader misschien, maar hij had helemaal geen respect voor zijn vader. Niet meer tenminste. Het was weg.

Hij liet zijn arm zakken – vergrendelde de veiligheidspal en staarde naar de vloer – Stephen keek omhoog naar de standbeelden – robots – zijn vader in tweevoud als elektronische wezens. Voetstappen kwamen galmend dichterbij. Stephen voelde de aanwezigheid van luitenant Morrison – iemand anders zou het onmogelijk kunnen zijn. De enige persoon met voldoende gezag. Stephen keek opzij – natuurlijk – het was Morrison.

Het valt niet mee om een symbool te doden.”

Wat denk je?,” vroeg Stephen. “Zou een androïde ook zelfmoord kunnen plegen?”

Spreek je dan niet eerder van – eh – offline gaan?”

Nee, zelfmoord. Ik heb mijn vader over de rand zien stappen – of het symbool dat mijn vader was.”

Misschien is een symbool wel het enige dat er overblijft van een vader – elke vader trouwens.”

Ik durfde niet eens te schieten.”

Mm, nou ja, dat begrijp ik wel.”

Stephen dacht aan het sprookje van Hans en Grietje. Waarom doet de heks – wat ze doet? De vraag die altijd maar terugkeerde. Waarom zou je kinderen opsluiten en vervolgens vetmesten, omdat je ze wilt opeten – terwijl je alles al hebt? Papa woonde in een goed gebouwd huis – er was voldoende voedsel – kleding – energie – alles. Vader had moeder weggejaagd, omdat ze iets anders wilde – een betere toekomst – meer mensen – een echt sociaal leven voor Stephen en Ellen die niet alleen maar opgesloten hoefden te zitten in een huis op een heuvel.

Voor de duidelijkheid,” zei Morrison, “androïden kunnen zich nog altijd niet voortplanten. Het betekent dat je vader gewoon in leven kan zijn.”

En waarom dan zo’n poppenkast?”

Goede vraag,” zei de luitenant.

En is mijn moeder op de loop gegaan voor een androïde – een stomme robot?”

Mogelijk.”

Er moet een brief in huis liggen van mijn vader – of één van zijn plaatsvervangers,” zei Stephen. “Daar staat alles in. Ik moest het lezen als ik oud genoeg zou zijn en ik ben er nu oud genoeg voor.”

Morrison legde heel vaderlijk een hand op Stephens schouder. “Ga verder naar die brief zoeken, jongen. Ik ga hierbeneden nog wat dingetjes afhandelen. Het is belangrijk dat je alle antwoorden vindt, omdat je misschien nooit meer terugkomt.” Morrison gaf hem een zacht duwtje richting deur en Stephen begreep dat hij gelijk had. Moeder zou hem nooit geloven – Ellen ook niet. Het was een onvoorstelbaar verhaal. Er stonden twee plaatsvervangers van papa in de kelder – androïden. De luitenant had gelijk – natuurlijk had hij dat. Veel tijd kreeg hij niet meer en hij moest nu echt dringend op zoek naar de brief van zijn vader.

Er leek een mistwolk in zijn brein te zijn ontstaan. Hij liep naar boven en ging de oude werkkamer van zijn vader binnen om de zoektocht te hervatten. Zijn vader was een robot geweest – een androïde – plaatsvervanger van een man die Stephen altijd als zijn eigen vader had gekend. Het was zijn vader niet, maar hoe had hij dat ooit kunnen weten? Hetzelfde gold voor Ellen die beslist nooit haar echte eigen vader had gekend. Het was een robot.

Bovenste la was leeg. Hij trok de la er helemaal uit en liet hem op de vloer vallen. Het maakte geen bliksem meer uit. Alles mocht kapot. Liefdesbrieven van zijn moeder lagen op de grond en Stephen raapte ze op alsof het om kunstvoorwerpen ging. Hij maakte er een ordelijk stapeltje van en legde ze op tafel – eerst maar eens kijken wat er verder nog allemaal lag. Stephen wist zich niet meer te herinneren of hij deze la ooit eerder had doorzocht. Zijn geheugen liet hem in de steek. Er kwamen meer brieven tevoorschijn. Nu wel. Alsof het zo had moeten zijn. Hij las fragmenten van teksten die vaak slordig waren neergeschreven en dus moeilijk te lezen. Zijn vader had een beroerd handschrift en schreef zelden met een echte vulpen.

Hij begon de brieven in zijn rugzak te stoppen – trok ook de tweede bureaula weg en liet hem bijna een meter verderop neerkomen – nu de laatste nog en hij zou ze alle drie hebben gecontroleerd. Stephen liet zich op zijn knieën vallen. Er lagen veel meer brieven – hij bekeek ze allemaal – een voor een. Om honderd procent zeker te zijn dat er niets van enige waarde achter zou blijven, stopte hij ze eveneens in zijn rugzak, al vond hij de koortsbrief niet. Er lag van alles. Behalve die brief. Stephen trok de derde la er helemaal uit en smeet hem op de andere, zodat er een stapeltje ontstond. Hij wierp een laatste blik op het bureau en ontdekte een brief die tegen de wand geplakt leek te zijn. Het was een laatste kans om een bericht van zijn vader terug te vinden, eentje die aan hem gericht was. Inderdaad stond zijn naam erop, niet die van Ellen.

Hij vroeg zich af waarom de naam van zijn zusje ontbrak. Eindelijk voelde hij zich weer rustiger worden – Stephen scheurde de enveloppe open en vond een brief die hem knap verbaasde – verbijsterde. Eerst de aanhef. Geachte zoon. Heel formeel dus, bijna onpersoonlijk, alsof de brief geschreven was door een onbekende. Maar de schrijver was niemand minder dan zijn eigen vader. Ik kan me geen voorstelling maken van de omstandigheden waaronder je dit leest, maar ik heb je, zoals je inmiddels weet, moeten belazeren. Het was voor je eigen bestwil. Dus zijn vader had het gewoon helemaal opgezet, er had een plan aan ten grondslag gelegen. Graag had ik nog langer voor je willen zorgen, maar een enge ziekte, veel erger dan de koorts, gaat een einde aan mijn leven maken. Een ziekte die je van binnenuit helemaal opvreet. Ik ga dood. Kijk – da’s één vraag die werd beantwoord. Zijn vader zou inmiddels niet meer mogen leven. Waar dan ook. Om die reden heb ik besloten je te verlaten en dood te gaan, maar ik heb een plaatsvervanger voor je achtergelaten. Het kostte wat moeite om een paar androïden te bouwen, maar het is gelukt. Ik wil geen afscheid nemen. Misschien moet je me maar herinneren als de klootzak die ik altijd ben geweest. Geen woord over zijn zusje Ellen, alsof ze nog geboren moest worden. Heel vreemd. Stephen zat op de vloer en hield de brief tussen duim en wijsvinger. Zijn jas hing over de stoelleuning – rugzak binnen handbereik. Ellen moest nog geboren worden. Zou moeder een verandering in zijn gedrag opgemerkt hebben? Hij zou het vragen als hij aan boord van het ruimteschip was. Maar zijn vader dronk erg veel. Een androïde dronk en at nooit. Vader was dikwijls bezopen, zoals moeder vertelde.

Luitenant Morrison verscheen in de deuropening, maar zei lange tijd geen woord.

Stephen verbrak de stilte. “Ik heb de brief gevonden – nou ja – niet de jouwe – die jij zoekt.”

En?”

Mijn vader is weggegaan vanwege een ziekte – kanker of zo. Hij zou nu dood moeten zijn.”

Staat dat in je brief?”

Ik heb niets gevonden over een broncode – scheikundige formules die je kunt gebruiken voor een virus waarmee je de hele wereldbevolking zou kunnen uitroeien mocht je daar zin in hebben.”

Ik heb de complete energievoorziening op de heuvel uitgeschakeld,” zei Morrison. “Zo meteen komen er een paar veiligheidsofficieren om het huis grondig te doorzoeken. Dus als de brief nog bestaat, dan zullen ze hem vinden.”

Stephen keek omhoog – naar de luitenant. “Ik heb een stel brieven in mijn rugzak gestopt – persoonlijke brieven die mijn ouders hebben geschreven.”

Ah, de liefde,” zei Morrison, “ik denk dat er iemand naar moet kijken – al was het om zeker te zijn dat er nergens een formule is verstopt.”

Het is moeilijk om me voor te stellen dat mijn ouders ooit echt verliefd zijn geweest,” zei Stephen.

Da’s normaal voor een zoon – of dochter.”

En mijn vader zegt niets over Ellen.”

Oei, is de brief dan zo oud?”

Blijkbaar.”

Weet je heel zeker dat er geen tweede brief is – brieven raken wel eens zoek – er zou een andere brief kunnen zijn. Hoe heb je deze brief gevonden?”, vroeg Morrison. Hij bukte heel even en leek het bureau wat beter te bestuderen.

Zat tegen de wand geplakt.”

Is er geen andere versie?”

Nee.”

Heel vreemd. Misschien kan dokter Elliot verklaren waarom je vader niet over je zus spreekt.”

Een ander ding – volgens William was mijn vader een soort digibeet – dus het laatste wat hij gedaan kan hebben, was een humanoïde robot bouwen.”

Dat is geen probleem – wij gebruiken ook kunstmatige intelligentie om zulke machines te bouwen.”

En het ergste is nog wel,” zei Stephen, “dat ik nu al helemaal niet meer weet wie mijn vader was.”

Je hebt een hoop brieven gevonden – van je ouders – een kostbaar bezit – ga ze lezen en je zult ontdekken wie ze in werkelijkheid zijn geweest.”

Stephen begon op te staan en vouwde de brief op die hij wegstopte bij de andere brieven in zijn rugzak. “Dus we gaan nu naar het schip?”

Nog niet. We gaan iets leuks doen. Laten we het hopen. Ik mag een groep mensen vertellen dat we genoeg ruimte aan boord hebben om hen mee te nemen. Het is een nederzetting van dertig mensen – die kunnen we onderdak bieden – inclusief verplichte quarantaine,” zei Morrison. “Een nieuw leven op de maan van Jupiter.”

Een humanitaire missie, da’s weer wat anders.”

Nou ja, misschien willen ze helemaal niet.”

Stephen begon zijn jas aan te trekken – ritssluiting dicht, maar nog niet helemaal – rugzak hing stevig om zijn schouders. Hij dacht aan het koninkrijk van de kakkerlakken, maar vond het ook vreemd. Een humanitaire missie leek niet echt logisch. Ze kwamen toch alleen voor Stephen en Ellen? “Ik dacht dat jullie voor mijn zusje en mij zijn gekomen?”

Ja en nee – een groep van dertig personen die nog in leven zijn onder zulke moeilijke omstandigheden vormen beslist een aanwinst voor de koloniën.”

Je denkt dat ze nog leven dankzij het vaccin van mijn moeder – omdat ze daar ziek is geworden en hersteld – omdat er iets met haar bloed is gedaan?”

Ja.”

Maar dan zou mijn moeder heel goed de brief meegenomen kunnen hebben.”

Tuurlijk, ook dat.”

Humanitair en uit eigen belang.”

Absoluut, je hebt helemaal gelijk,” zei Morrison, terwijl ze naar de deur liepen. “We zijn hier en mogen niet uitsluiten dat deze mensen, net zo goed als jij, ons kunnen helpen de koorts voor eens en voor altijd te verslaan. De toestemming, om de dampkring van de Aarde binnen te gaan, ligt er op dit moment en die moeten we zeer ruimhartig gebruiken. Andere mensen hebben pech en zullen achterblijven.” Het huis oogde koud en levenloos – alsof er al lange tijd geen mensen meer hadden gewoond. “Enig idee waarom dit huis zo vreselijk belangrijk is geweest? Alle installaties die je beneden hebt gezien? De androïden? Nee, je kunt het onmogelijk weten. Het is onderdeel geweest van een veel groter complex dat allang niet meer bestaat. Hier werden vroeger vaccinaties ontwikkeld en klaargemaakt om aan honderdduizenden mensen toegediend te worden. Het is allemaal weg – verdwenen – vernietigd. Maar je vader wist heel goed dat het huis hemzelf, je moeder en jullie tweeën – dus zijn kinderen – onderdak zou kunnen bieden. Ik ben ervan overtuigd dat hij dit huis wilde veranderen in een eeuwigdurend paradijs voor jullie vieren. Zoiets zul je in je brieven terugvinden, al ging het dan fout.”

Waarom?”

Geen idee. Hoe kan ik dat nou zeker weten? Misschien een gevolg van de koortsbrief, want we weten toevallig heel zeker dat je vader hem in bezit heeft gehad – dus hier op Heuvel 18, dat hij werd geholpen door een humanoïde robot, een androïde genaamd Jack, afgeleid van jack-of-all-trades, een dom computergrapje, maar je moet het weten, Jack was heel goed in staat om een vaccin te maken en dat wist je vader, uitgekookt als hij was, verrekte goed. Daar ligt je antwoord voor een groot deel. En misschien heeft je moeder, zonder het te weten, ook als proefkonijn gediend en het vaccin naar het dorp gebracht, hetzelfde dorp waar ook de roots van je moeder liggen. Ze heeft er je vader leren kennen.”

Het koninkrijk van de kakkerlakken,” mompelde Stephen. Hij dacht aan het verhaal van moeder, een boer die zijn beesten op een brandstapel had gesmeten. “Ik heb er een verhaal over gehoord. Moeder vertelde het. William wist nergens van.”

De brief is de sleutel tot het mysterie. Jack heeft de broncode gebruikt om jullie immuun te maken, dus het complete gezin, vader, moeder en kinderen. Het is allemaal gelukt – wat je vader heeft bedacht – en toch ging het fout.”

Ja – het is heel erg verkeerd gegaan,” beaamde Stephen, “voor mijn vader – die nooit heeft durven vermoeden dat hij een andere, heel dodelijke ziekte zou kunnen krijgen en daaraan dood gaan.”

Ze gingen naar buiten – Stephen schoof de capuchon over zijn hoofd – trok de ritssluiting omhoog en wist heel zeker dat dit de laatste keer zou zijn dat hij het huis verliet. Anders dan de vorige keer voelde het ook als een laatste keer.

Opnieuw speelde hij voor gids, maar hij wist dat er nu geen levensgevaarlijke valstrikken meer op hen wachtten. Hij wees naar rechts – voorbij de plek waar niet lang geleden de hellehond had gezeten en helemaal aan het einde van het pad lag de Poel des Levens. Daarachter het begin van een muur die een deel van het landgoed omringde. Een belangrijke muur, want Stephen had er het bordje gezien met de woorden erop. Geel met rode letters, geschilderd, boordevol spelfouten.

Toch bleef hij in de eerste bocht heel ver naar rechts lopen, omdat hij wist dat de hellehond zeer onvoorspelbaar en gevaarlijk kon reageren. Zelfs al begreep hij goed dat het dier was verdwenen. Het maakte deel uit van zijn systeem. Hij blikte eventjes naar links, maar er gebeurde niets. Morrison en zijn drie soldaten liepen achter hem en Stephen wist dat ze hoe dan ook zijn voetstappen zouden volgen – wat hij ook zou doen. Maanschaduw bestond niet meer en toch bleef Stephen luisteren naar het repeterende tikken van de zeis die onhoorbaar neerkwam, maar toch geluid maakte. Helemaal beneden verwachtte hij min of meer de Poel des Levens – drijvende keien in een waterpoel – een of andere substantie die mensen kon verteren. Hij duwde zijn schoen in de modder – het voelde al een beetje hard aan – alsof de modder begon te bevriezen, maar het was te snel. Morrison zei niets en wachtte alleen maar. Stephen verwachtte de aanblik van lijken, maar er was niets dan een drooggevallen bedding die er feitelijk ook nooit had bestaan – het was een illusie. Natuurlijk zette hij zijn voeten op de stenen, al was het niet echt nodig, maar zijn schoenen zouden centimeters diep wegzakken in de modder.

Hij begon aan de klim – geen echte trap, maar een afbrokkelende muur. Drie kilometer verderop daalde een ambulanceshuttle langzaam met het lijk van Lewis aan boord , veilig achter een veld van ijs, sneeuw, beton en staal. “Het bordje moet hier ergens zijn – ik heb het gezien – het stond er net.”

Had – eh – William ervan gehoord?”

Nee,” antwoordde Stephen zonder om te kijken, want hij concentreerde zich op de muur die toch smaller bleek te zijn dan hij altijd had gedacht.

Geen commentaar. De soldaten volgden hem. Stephen ontdekte het bord als eerste. HIER BEGIND HET KONINGKRIJK VAN DE KAKKURLAKKEN. Geel bord, rode letters, druipende verf, er was niet zuinig gedaan. Hij bedacht dat de vele spelfouten niet bepaald een hoog opleidingsniveau suggereerden.

Drie spelfouten,” hoorde hij Megan zeggen.

Een goed begin – fuck,” zei Charlie.

Tenzij het bord een min of meer geïmproviseerde actie is geweest van een stel kinderen – misschien weten de volwassenen in het dorp nergens van.”

Het ijs moet hier dik genoeg zijn,”zei Stephen.

Charlie – jij gaat eerst,” zei Morrison.

Yes sir,” zei Charlie en hij sprong naar beneden – hij viel naar links – knieën weggedraaid, maar bleef zijn wapen schietklaar vasthouden.

Megan!”

Megan zei geen woord, maar gooide haar lichaam gewoon naar beneden – in de sneeuw die er lag en als stootkussen diende. Charlie stond inmiddels op het ijs, Megan krabbelde grinnikend overeind en Nick stapte ook over de rand en kwam precies naast Megan terecht die op begon te staan en ook op het ijs wilde stappen.

Eerst je rugzak, Stephen, daarna mag je springen, ik ben een beetje voorzichtig met je, snap je?”

Megan stond tot haar enkels in de sneeuw en ving de rugzak van Stephen. Ze riep: “Alleen maar bakstenen!” Hij sprong omlaag en voelde zijn lichaam half in de sneeuw wegzinken. Maar het was bevrijdend. Als een regelrechte ontsnapping. De enige manier om weg te gaan uit het huis – ontsnappen aan de jungle die vader had gebouwd. Vanaf dit moment wilde hij alleen nog maar verder, zo ver weg als maar enigszins mogelijk was, ver weg gaan en nooit, echt nooit meer terugkomen.

Terwijl Stephen zich oprichtte en op het ijs wilde stappen, liet luitenant Morrison zich naar beneden vallen – als een groot menselijk projectiel. Sneeuw rolde omlaag en kwam op het ijs terecht. Stephen stapte op het ijs. Hij pakte zijn rugzak aan. Charlie en Nick waren al aan de oversteek bezig – zochten dreigingen die er niet waren – want er was helemaal niets of niemand. Charlie testte het bord dat ver in de bodem leek te zijn geslagen – ver genoeg om sneeuwstormen te doorstaan. “Misschien is het bord gemaakt door kinderen, maar het plaatsen is toch echt door een volwassene gedaan.” Charlie klom als eerste naar boven, Nick volgde en Megan en Morrison lieten Stephen voorgaan. Het kostte moeite om de ijzige rivieroever te beklimmen, want er was weinig houvast. Charlie en Nick trokken Stephen omhoog. Hij richtte zich op en keek naar de heuvel die boven zijn hoofd uittorende, maar het was een fantastisch uitzicht. Niet langer in gezelschap van een slungelige man die het huis wilde veroveren voor zijn eigen gezinnetje.

Wees op je hoede, jongens – laat je niet verrassen,” zei Morrison die naast Stephen ging staan. Megan was de laatste. Charlie en Nick bleven voorop lopen, Megan daarachter, Stephen en Morrison liepen naast elkaar. Zon verdween achter een wolk – Stephen vreesde opnieuw voor een sneeuwstorm. Het kon snel gaan. Hij wist het uit ervaring. Morrison en zijn soldaten zochten naar een gat in de grond, eentje die diende als toegang tot een ondergrondse wereld, warm genoeg en beschut tegen vijandige weersomstandigheden die normaal waren geworden. Het moest ook een warme zomer kunnen overleven, dus geen iglo.

Ergens moest er een ingang zijn. Ze liepen immers al op het grondgebied van het koninkrijk van de kakkerlakken. Een beetje koninkrijk had soldaten om de grenzen te bewaken. Of het bord moest een grap zijn geweest. “We moeten opschieten,” zei Stephen die regelmatig en vooral onrustig naar de zwaarder wordende bewolking keek. Zouden deze mensen het weten als er een sneeuwstorm naderde? Morrison reageerde niet en bleef zoeken naar gaten – alsof er overal openingen moesten zijn. Recht vooruit lagen er ruïnes alsof er toevallig stukken van een oude structuur overeind hadden mogen blijven. Oude gebouwen, deuren die half open stonden en diep bevroren waren – Stephen herkende iets dat een onnatuurlijke gladde boog zou kunnen zijn. Een oppervlakte van bijna vijftig meter. Sneeuw en ijs, maar beslist geen beton. Het moest hier ergens zijn. Toch leek Stephen de enige te zijn die de enorme boog opmerkte, als de koepel van een groot gebouw toen het nog modern was om zoiets te bouwen. Zouden Charlie, Nick en Megan de toegang tot een onderaardse wereld herkennen als ze er eentje zagen? Ze waren voor het eerst op Aarde en moesten gedacht hebben aan een toeristisch uitstapje te beginnen, wel met medeneming van wapens en dus toch riskant.

Charlie en Nick bleven bij een gebouwtje stilstaan – wit uitgeslagen muren – stijf bevroren – gemetselde stenen zonder een dak, al moest de geopende deur suggereren dat er een reden was om een ruimte af te sluiten. Scharnieren hadden misschien twintig jaar geleden voor het laatst bewogen. Charlie en Nick wilden alweer verder lopen, maar Stephen aarzelde en liep naar binnen. Morrison legde zijn hand op de schouder van Stephen als teken dat hij moest oppassen. Er zou een boobytrap kunnen zijn, een stalen draad die een bom activeerde als je door probeerde te lopen.

Er was geen boobytrap – geen stalen draad die langs de deur was gespannen en een bom liet exploderen als er iemand binnenkwam. In een echt verlaten wereld hoefde er niemand draconische maatregelen te nemen om ongewenste bezoekers buiten te houden, want er bestonden geen mensen die het je nog lastig konden maken.

Nick – jij gaat eerst,” zei Morrison.

Yes sir.”

Nick zette een voet op de trap – oude en verse sneeuw maakte het erg moeilijk om af te dalen naar de schaduwen van een wereld die ruim twintig jaar geleden was verdwenen. Stephen wist wel wat ze daarbeneden zouden moeten vinden – een parkeergarage bijvoorbeeld – auto’s die er ooit waren achtergelaten – William en zijn dochters leefden er in een ijskoud labyrint – Nee, William niet meer, hij was doodgeschoten. Charlie en Megan volgden de voetsporen van Nick – Morrison ging als derde en Stephen liep helemaal achteraan – hij hield zijn pistool vast – veiligheidspal ontgrendeld, zodat hij meteen zou kunnen schieten.

Hadden ze rookpluimen van ouderwetse kachels moeten zien als er mensen zouden wonen? Waarom zeiden William en Norah dat er geen mensen woonden? Misschien wisten ze het echt niet. Na een betonnen trap volgde er een roltrap – Stephen wist hoe een roltrap eruit zag. Hij had ze vaak genoeg in films gezien, het betekende dat er onder hun voeten een winkelcentrum moest zijn, of metro, of parkeergarage – misschien betraden ze zo meteen dezelfde parkeergarage waar Stephen eerder ook al had rondgelopen. Hij kende het geheim van de lift. Nu wel, toen niet. Daarginds lag ergens de toegang tot het wereldje van Norah en Sally die tevergeefs wachtten op de terugkeer van William. Maar de inzet lag nu stukken hoger dan eerst. Een humanitaire missie die tegelijkertijd een zoektocht was – zoeken naar het antwoord op de koorts.

Helemaal beneden kwamen ze in een halletje en er bleek een echte deur te zijn, net als boven, die bovendien op slot was – geen beweging in te krijgen. “Verniel het slot,” zei Morrison.

Charlie en Nick vuurden kort na elkaar en trokken de deur heel behoedzaam naar zich toe. Stephen keek gespannen toe, want er stonden zeven mannen, geen soldaten, wel zwaar bewapende kerels.

Peace brother,” zei Charlie die vrijwel meteen zijn armen omhoog stak – Nick deed hetzelfde – en hij maakte het bekende vredesteken met zijn vingers. Net als Morrison, Megan en Stephen trouwens.

Leg jullie wapens neer,” zei een oudere man op kalme toon. Vijf mannen die niet eens gekleed waren op de arctische omstandigheden die boven aan de oppervlakte heersten. Stephen voelde een warme lucht die te vergelijken was met het huis.

Jongens, doe wat hij zegt,” zei Morrison.

Ze legden hun wapens neer, Stephen deed hetzelfde, – de mensen konden hun wapen niet tegen hen gebruiken – DNA-herkenning. Eén van de mannen schopte de wapens opzij. “Kom verder, geen stunts, want we schieten meteen.”

Er waren meer roltrappen, maar natuurlijk werkten ze geen van allen. Stephen stond schuin achter Morrison die het plein betrad – in het midden herkende hij iets dat totaal geen functie kon hebben en dus een kunstwerk moest zijn. Winkelruiten waren lang geleden beschilderd met witte verf – om privacy af te dwingen. Hij trok de ritssluiting van zijn jas omlaag – want de temperatuur lag stukken hoger dan hij zelfs in het huis gewend was geweest. Hij duwde de capuchon weg en ze werden allemaal gefouilleerd, zodat Stephen ook het mes kwijtraakte.

Ik heb een interessant voorstel,” zei de luitenant die heel kort begon te vertellen wie hij was en waar hij vandaan kwam. Stephen hoorde voor het eerst dat Morrison was opgegroeid op Europa, de maan van Jupiter. “Het schip ligt hier zeer vlakbij – ik hoef maar de opdracht te geven ons allemaal op te pikken – en het zal precies zo gebeuren. Want dat is mijn voorstel – we hebben genoeg ruimte aan boord van ons schip om jullie allemaal mee te nemen.”

De oudere man die als eerste had gesproken stapte naar voren. “Wat een menslievendheid ineens.”

Tijden veranderen nu eenmaal, de koorts dreigt ook de koloniën te bereiken, ondanks alle voorzorgsmaatregelen – jullie zijn allemaal immuun en daarom heel erg interessant – net als mijn jonge vriend die achter me staat.”

Man ging schuin staan om Stephen beter te kunnen bekijken – er gleed verbazing over zijn gezicht. “Ik ken hem – of beter – ik heb zijn vader gekend – geen aardige man trouwens – hoop dat de jongen anders is.”

Iemand testte het pistool van Stephen, maar stelde vast dat er niets gebeurde. Hij slaagde er niet eens in om het te ontgrendelen – geërgerd legde hij het neer en richtte zich op het bezoek. Stephen staarde omhoog en bestudeerde de koepel – bedekt met sneeuw en ijs – een fragiele bescherming tegen woeste elementen. Het schip had ook hier bovenop kunnen vallen. Ze zouden dood zijn geweest.

Jij bent toch van de heuvel?”, vroeg de man.

Ja, dat ben ik.”

Dan heb je heel wat doden op je geweten,” merkte een oudere vrouw op die zich verborgen hield tussen de andere bewoners.

Als je geen uitnodiging hebt om ergens op visite te komen, dan moet je wegblijven,” reageerde Stephen. Hij probeerde zijn ergernis te verbergen.

Laten we mekaar nou geen onnodige verwijten gaan maken – het is de zoon – niet zijn vader.”

Het gaat om iets heel anders, beste mensen,” zei Morrison, “een grotere inzet dan jullie beseffen. Ik heb je aangeboden mee te komen op ons schip. Uiteraard zal je eerste tijd in quarantaine doorbrengen – daarna krijg je wooneenheden toegewezen en mag je je vrijuit bewegen in het woongedeelte van ons schip.”

Waarom nu?”, vroeg de man weer. “Ik ben Allan. Het is wel makkelijk om dat te weten, denk ik.”

Er dreigt een uitbraak op de maan Europa – we hebben aanwijzingen dat de koorts op uitbreken staat – voor het eerst dat dat gebeurt in een kolonie en we hebben onvoldoende kennis van de koorts – het is belangrijk dat we meer te weten komen over de oorsprong van het virus – ik zoek een brief – een bijna legendarische brief met daarin de broncode.”

Ach ja, de brief,” zei Allan. “Ik word altijd een tikje weemoedig als iemand over de brief begint.”

Bestaat hij soms niet?”, vroeg Morrison heel snel.

Zeker wel,” zei Allan die een glimlach vertoonde, “o jawel, zijn vader heeft hem op zak.”

Mijn vader had een dodelijke ziekte, niet de koorts, maar iets anders – hij zou inmiddels dood moeten zijn.”

Misschien wel – misschien niet,” reageerde Allan.

Waarom twijfel je?”, vroeg Morrison.

De brief is echt belangrijk, hè?”, vroeg Allan.

Ja.”

Zijn vader was een hypochonder – huurmoordenaar en hypochonder – heel interessante combinatie – geloofde dat hij dood zou gaan – maar ik heb hem geopereerd – blinde darm eruit gehaald, want dat was het probleem. Al die tijd, dus tijdens de gehele operatie, heeft hij me onder schot gehouden en dreigde te schieten. Daarna hebben we hem alleen gelaten. Een dag of twee later was hij weer vertrokken – ik dacht terug naar zijn huis op de heuvel – de moeder van die kinderen hadden jullie inmiddels al meegenomen.”

Hier had ik niet meer op gerekend,” zei Morrison die over zijn schouder keek. Stephen voelde de vloer onder zijn voeten praktisch wegvallen – hij verzette zijn voeten enkele keren en bleef staan. Dus zijn vader leefde nog – hij had zich laten opereren aan zijn blinde darm en was toen weer vertrokken. Alleen maar een blinde darm. Waarom had hij Jack dit niet laten doen? Jack had het gekund. Heel makkelijk. Jack-of-all-trades. Maar zijn vader was een hypochonder die dacht dood te gaan aan een of andere ellendige ziekte.

Wil je ons nog steeds meenemen”, vroeg Allan die zijn vraag op kalme toon stelde.

Ja – natuurlijk. Het staat los van de koortsbrief, al zou het een leuk extraatje zijn geweest – dat wel.”

We moeten dit natuurlijk wel als groep bespreken,” zei Allan, “het zou namelijk kunnen dat niet iedereen mee wil gaan.”

We wachten af – en krijgen de uitkomst van de vergadering later wel te horen,” zei Morrison, “het zou wel prettig zijn als we onze wapens terugkregen – als je nu overtuigd bent van het feit dat we uitsluitend goede bedoelingen hebben .”

Nog niet, beste mensen, nog niet – vroeger moest je nog wel eens je schoenen uittrekken als bij mensen op visite kwam – tegenwoordig leg je je wapens bij de ingang neer – da’s nu normaal.”

Mensen begonnen weg te lopen. Kinderen stelden vragen aan hun ouders over de reis die hen wachtte, maar veel ouderen reageerden terughoudend. Stephen bedacht dat een groot deel van de groep misschien in dit onderaardse hol zou willen blijven. Een primitief bestaan misschien, maar warm en voldoende voedsel. “Ze gebruiken aardwarmte,” zei Morrison tegen Charlie, “een duurzame vorm van energie – een perfecte plek voor een groep mensen om de winter te ontvluchten.” Stephen keek naar de koepel en bedacht dat het deze mensen hun veiligheid baseerde op het bestaan van een koepel die makkelijk kapot zou kunnen gaan. Het zou best wel eens een reden kunnen zijn geweest waarom zijn ouders lang geleden waren vertrokken naar het huis op de heuvel. “Ja – ja, ik weet het, dat spul lijkt misschien erg fragiel maar het is echt keihard.”

Als het door mensenhanden is gemaakt, kan het ook weer kapot, zeker als het al zo oud is,” zei Stephen. “Ik zou hier geen kinderen op willen laten groeien. Nou ja, misschien als je geen keuze hebt.”

Het lijkt me niet dat deze mensen veel te kiezen hadden,” zei Morrison, “aangezien je vader nu eenmaal geen gastvrije man is geweest .”

Hij zou nog kunnen leven,” zei Stephen, “dat vind ik veel erger.”

Hij hoorde de stemmen – mannen en vrouwen die een heftige discussie voerden. Geen idee dat het zo moeilijk zou kunnen zijn. Wel doen, niet doen. Het klonk alsof ze in de luxueuze positie verkeerden om na te denken over de vraag. Volgens Stephen was het allang een uitgemaakte zaak. Op deze verlaten planeet aarde zou er voorlopig niks goeds meer kunnen gebeuren. Zo snel mogelijk weg. Meer niet.

Megan trachtte een gesprek aan te knopen met één van de bewakers die waren achtergebleven. Een jonge man die de vrouwelijke soldaat wel boeiend vond, maar al snel de opdracht kreeg een knoop in zijn leuter te leggen’. Zijn makkers begonnen te lachen. Stephen onderdrukte een glimlach en deed een poging iets van de discussies op te vangen. Er was nog nooit iets goeds van de koloniën gekomen. Dat leek het probleem te zijn. TONK. TONK.

Stephen keek naar de koepel – één vloeiende beweging en ze stonden direct allemaal omhoog te staren. TONK. TONK. “O, dat zijn chrogs,” zei een van de bewoners die zijn naam niet had genoemd, “die hebben we regelmatig. Ze lopen over het dak – de koepel – soms een beetje eng – vooral als ze met een hele kudde zijn.”

Muur bouwen.”

Lopen ze dwars doorheen alsof de muur niet eens bestaat.”

Donkere schaduwen stapten over de koepel – Stephen ontwaarde geen duidelijke vormen, want er lag teveel sneeuw en ijs. Alleen dat geluid. TONK. TONK. Het deed hem aan Maanschaduw denken, alsof hij daar ook ergens moest lopen, als een herder die zijn kudde van monsters begeleidde. Inderdaad gebeurde het vaker, want er kwam niemand kijken wat er aan de hand zou zijn. Een groot vertrouwen in de stevigheid van het dak.

De vergadering ging gewoon verder, maar de kudde chrogs ging eveneens verder en de monsters stampten ongehinderd op de koepel. Morrison vertrouwde het niet en hield zijn ogen gericht op de wapens die binnen handbereik waren. Stephen keek ook omhoog, net als de soldaten die het absoluut niet vertrouwden dat er zoveel beesten over het dak wandelden. Het was er niet voor gemaakt. Heel simpel. “De rustige rust is wederom niet verstoord,” mompelde Morrison.

Het begon erop te lijken dat de kudde was gepasseerd. Stilte keerde terug. Alleen stemmen van discussiërende mensen die moeite hadden met een reis naar het onbekende. Boven hun hoofd wachtte het heelal en Stephen had er zin in de enorme ruimte te verkennen.

Hé – jij – jongen,” zei een van de bewoners. “Zou jij niet het liefst op zoek willen naar je vader?”

Morrison keek naar Stephen die geen behoefte had om de vragen te beantwoorden.

Nou?”

Geen reactie.

Wil je het weten?”, vroeg de luitenant die zo zacht sprak dat de mannen die hen bewaakten het onmogelijk konden horen.

Mijn vader kan de pleuris krijgen,” zei Stephen.

Da’s duidelijke taal,” zei Morrison.

Wat zei-ie nou?”

Niet gehoord. Het gaat je ook geen bliksem aan.”

O.”

TONK. TONK. Opnieuw begonnen er chrogs te passeren en voor het eerst herkende Stephen onrust bij de bewakers. Het was duidelijk. Het waren er veel en veel meer dan normaal. Bovendien hoorde Stephen, maar ook de anderen, iets dat ze niet eerder hadden gehoord – er begon wat te breken. Mocht het zo zijn dat de bewoners hadden willen blijven, of in elk geval een grote meerderheid, dan veranderde de aard van de discussie heel snel – of beter gezegd – de discussie eindigde.

Te wapen – te wapen!”, begonnen de bewakers te schreeuwen, “de chrogs komen door het dak.”

Morrison boog voorover om de wapens op te pakken. Eén van de bewoners zei: “Nee, ik heb – ,”

De luitenant antwoordde direct: “Gehoorzaam de orders van je chef en je bent straks een dode idioot, maar ons zul je niet meesleuren, stomme gek.”

Brokstukken glas, sneeuw en ijs vielen omlaag – enorme poten van chrogs maaiden door een atmosfeer die zowel koud als warm was. Stephen pakte het pistool en duwde meteen de vergrendeling weg. Hij richtte het wapen en schoot, zoals de anderen ook begonnen te schieten, terwijl de chrogs naar beneden vielen en met een harde klap neerkwamen op de vloer. Enorme kaken, die aan krokodillen deden denken, hapten dreunend naar mensen die wegsprongen. Staarten zwaaiden zwiepend rond en een van de staarten raakte de man die Morrison had willen verhinderen de wapens te pakken. Nu dus echt een dode idioot.

Richt op het hoofd!”, schreeuwde Morrison.

Stephen vuurde enkele schoten af en trof een chrog – die tegelijkertijd werd beschoten door Megan, maar het dier ging wel neer. Nog drie chrogs vielen in het gat dat ook steeds meer koude lucht toeliet. Of de kudde was helemaal gepasseerd – of ze liepen er omheen. Het boeide weinig, zolang ze maar niet meer in het gat vielen. Stephen zag Allan met een wapen op een chrog schieten en ook het laatste beest viel dreunend neer. Ze waren allemaal dood – er waren ook drie bewakers dood – eentje was er nog gewond, maar de mannen van Morrison bleken ongedeerd. Stephen net zo. Ook in orde. Hij stak zijn duim omhoog en vergrendelde zijn wapen.

Een moeder hield haar zoontje tegen die een chrog van dichtbij wilde bekijken. Allan gaf orders om de doden weg te halen, de gewonde te verzorgen – hij keek omhoog en zag de bewolkte lucht waar sneeuw uit begon te vallen. Geen sneeuwstorm, nog niet, maar wel sneeuw. “Het maakt de discussie volstrekt overbodig,” zei Allan, “we kunnen niet eens meer blijven.”

Ik ga contact maken met het schip,” zei Morrison, “zodat ze ons kunnen oppikken. Vertel je mensen dat ze hun spullen gaan pakken, maar alleen dingen die je niet kunt vervangen – geen kleding of zo, want dat hebben we in ruime mate aan boord.”

Oké, luitenant,” zei Allan die nog meer wilde zeggen, maar op zijn lippen scheen te bijten.

*****

Hij lag op bed en ze hadden de dampkring allang verlaten. Iedereen was aan boord. Alle nieuwelingen werden op dezelfde manier ontvangen en allemaal kregen ze te maken met dezelfde quarantainemaatregelen. Ook Stephen en Ellen die in dezelfde wooneenheid waren ondergebracht, want ze hadden hun hele leven immers al samengewoond. Het was bijna half elf – de klok vertelde dat het half elf was. Hij had de tv net uitgeschakeld, maar Ellen lag nog te kijken, want ze ontdekte voortdurend nieuwe programma’s die leuker waren dan alle andere. Hij hoorde stemmen in de kamer van Ellen. Soms muziek. Het stoorde hem niet, maar hij begreep het. Stephen zou in slaap vallen en Ellen straks ook.

Hij viel in slaap of was nog altijd wakker, maar niet langer aan boord van de Holland – nee, hij was weer thuis en ze zaten schoolwerk te maken – Stephen en Ellen. Jack hoefde zich nergens mee te bemoeien, want alles was rustig in huis. Bovendien deed Jack er niet echt toe, want Jack was een robot. Het was stil in de kamer. Gisteren was er een papa over de rand gestapt. Ze misten hem allebei heel erg, maar zaten gewoon schoolwerk te maken. Wat moest je anders doen als je vader net dood was?

Stephen legde zijn pen neer en keek uit het raam – de enige plek in huis vanwaar hij het terras kon overzien. Papa stond op het terras. Niet eens druipend van het ijskoude water, maar droog – hij droeg een groene sweater en lichtblauwe broek. Papa begon naar het huis te lopen en stond ineens in de kamer en het was heel normaal dat hij daar was. Stephen en Ellen keken er niet van op.

Stephen – ik vind het ronduit verbijsterend dat jullie weg zijn gegaan uit het huis – Jullie had er moeten blijven – je had je moeder meteen weg moeten sturen – Jack had zijn wapen moeten gebruiken – ik vind het in één woord onbegrijpelijk.”

Stephen zocht naar een reactie en wist ook wat hij zou zeggen. Terwijl hij wakker werd, zei hij: Jij moet je nergens mee bemoeien, want je bent er niet meer.” Stephen raakte de dunne wand aan – legde zijn hand op het gladde materiaal. Zijn hart bonkte luidruchtig in zijn borstkas. Hij was helemaal niet thuis op Heuvel 18, maar aan boord van de Holland. Een dag onderweg en de reis zou nog enkele weken gaan duren, misschien zelfs langer.

Stephen? Stephen?”, vroeg Ellen die wakker was geworden of nog altijd naar tv lag te kijken.

Niks aan de hand, Ellen, er is helemaal niks aan de hand. Ik heb vervelend gedroomd. Meer niet.”

Ging het over papa?”

Ja.”

Denk je dat hij nog leeft?”

Nu niet meer, ik denk dat hij dood is. Nu wel.”

Toch jammer, het zou leuk zijn geweest – papa en mama weer samen – dan zijn we echt weer een gezin.”

Ja, je hebt gelijk – heel jammer.”

De geest van zijn vader verdween heel geleidelijk uit het hoofd van Stephen, al galmden de woorden die hij had geroepen nog enige tijd na. Nergens mee bemoeien. Nergens mee. Nergens ——— Bemoeien. Hij voelde zich zich langzaam wegzakken in een – godzijdank – droomloze slaap.

 


Ze waren met zijn vieren – een kerstverhaal

Jos Smies's avatarKorte verhalen & feuilletons

Een moeder dirigeerde haar kinderen voor zich uit om plaats te nemen in de coupé. “Néé, rechtsaf, niet links, daar kan ik jullie beter in de gaten houden.”

De trein was ruim tien minuten te laat. Het was koud. De temperatuur daalde gestaag en het zou gaan vriezen. Boven slootjes hadden die middag dampslierten gehangen, een gevolg van snel afkoelend water. Het werd de eerste echt witte kerstmis in jaren, maar er ging een rampzalige kerstavond aan vooraf. Als je onderweg was, zou het je enorm veel moeite kosten om op de plaats van bestemming te komen.

Een man van ongeveer veertig jaar ging schuin achter de moeder zitten. Eerst leek hij met zijn rug naar de deur plaats te nemen, maar hij bedacht zich en besloot dat andersom toch beter was. Misschien was hij zo’n reiziger die er niet tegen kon achteruit te rijden. Ondertussen knoopte de moeder de…

View original post 4.864 woorden meer


(3) De verlaten aarde; Permafrost

Je vader zou me hebben vermoord,” zei moeder. “Als ik was gebleven, had ik het nooit na kunnen vertellen.”

Wolken verdreven het laatste zonlicht. Mistdampen kropen over de bodem. “Schrik niet, het is maar een computerbeeld,” vertelde Stephen die zijn zusje waarschuwde. Hij probeerde zich voor te stellen hoe moeder jaren met schuldgevoel had geleefd – of niet – omdat ze op de Maan verder was gegaan met haar leven.

Witgrijze wolken dwarrelden vanuit het niets omhoog – bomen en struiken verdwenen in de mist – een vrouwelijke gedaante kwam tevoorschijn. “Ze lijkt best veel op mama,” zei Stephen. De vampiervrouw wàs moeder, alleen tien jaar jonger. Lang donkerblond haar, zoals Ellen, zelfde ogen, de vampiervrouw trok haar bovenlip dreigend omhoog. Haar hoektanden staken omlaag – er droop nog altijd bloed langs haar tanden en zelfs kin. Ze droeg een doorschijnende witte jurk. Vrouwelijke vormen waren duidelijk zichtbaar. Ellen deinsde achteruit. Stephen greep haar schouder vast, zoals hij eerder al had gedaan. Geen onverwachte bewegingen.

Moeder pakte een vuurwapen dat op een steen was neergelegd. “Of denk je soms echt dat ik ongewapend op pad ben gegaan?”, vroeg moeder die het pistool aan Stephen gaf. Hij ontgrendelde het wapen en schoot twee keer. Vuurrode lichtballen flitsten uit de loop – het eerste schot miste – tweede was raak. Het was voldoende, want de vampiervrouw loste op. Glinsterende boomtakken drongen door de mist die binnen tien seconden helemaal verdween. Het was een steen die helemaal geen steen was geweest.

Je moet het weten,” zei Stephen. Hij dacht dat Ellen stond te trillen op haar benen.

Waarom heeft papa nou zoiets gedaan?”, vroeg ze.

Je vader, dus Harold vond het huis op een paradijs lijken en voor een deel had hij gelijk,” zei moeder die weer begon te lopen. Ellen bleef dichtbij moeder, maar ze liepen nog niet hand in hand. “In het begin gaf ik hem gelijk – toen jullie nog geboren moesten worden. Eerst kwam Stephen, daarna Ellen – en ik begon te begrijpen dat we het echt over een compleet andere boeg moesten gooien. Het was onwenselijk om jullie in dat huis te laten wonen – je hele natuurlijke leven lang – met een geavanceerde zorgrobot zoals Jack zou je makkelijk 120 kunnen worden. Over het gevaar van een incestueuze relatie, omdat mannen en vrouwen elkaar nu eenmaal aantrekken, hoef ik niet eens iets te zeggen. Man en vrouw in één huis. Tientallen jaren lang. Dat is ongezond. Voor een broer en zus wel te verstaan. Vroeg of laat gebeuren er dingen die je niet moet willen.”

Moeder bleef regelmatig stilstaan. Het zou nog wel een tijdje duren voordat ze het drakenhol bereikten. Stephen had het pistool niet vergrendeld en was klaar om direct weer te schieten. Soms zag hij Maanschaduw wiens lange grijze haar aan zijn hoofd geplakt leek te zijn – een spook zonder vaste standplaats – dus geen computer die hij kon vernielen. Stephen vervloekte zichzelf, omdat hij niet aan snoepjes had gedacht die hij aan de draak zou kunnen geven. “Voor het geval je aan mijn motieven twijfelt,” zei moeder.

Nee,” zei Stephen.

Harold vroeg me ooit wat ik een fijne manier vond om dood te gaan, als ik mocht kiezen. Hoe zou ik dood willen gaan? Misschien moet ik jullie dit allemaal niet eens vertellen, maar hoe kom je er dan ooit achter wat er is gebeurd? Stel je voor dat ik voorbij de volgende bocht wordt vermoord door zo’n monster. Ik probeerde wanhopig te ontsnappen aan de vraag van je vader, maar het mocht niet zo zijn – Harold was straalbezopen. Dus – Hoe wilde ik het liefst doodgaan? Een hartstilstand in bed? Of een genadige vriesdood? Ik was echt heel verbaasd toen je vertelde dat je vader over de rand was gestapt. Doodvriezen is beter – daar merk je eigenlijk niks van. Ik heb eraan teruggedacht – onderweg hierheen – vanochtend. Om je de waarheid te zeggen, Steve, ik was bang. Echt waar, onderweg hierheen heb ik aan doodvriezen gedacht. Want ik was bang voor wat je zou zeggen als je hoorde dat ikzelf weg ben gegaan – ik was bang dat je me zou veroordelen en ik wist dat je gelijk zou hebben als je zou zeggen dat ik alles verkeerd heb gedaan.”

Mam – je zei toch dat je terug had willen komen?”

Moeder leek het gezicht van Stephen heel even goed te bestuderen. “Heb je al ooit alcohol gedronken, Steve?”

Nee, mam.”

Gelukkig, begin er nooit aan, jongen.”

Ik beloof niks.”

Moeders hand gleed over de capuchon van Ellen. “Ik ben niet altijd zo, hoor. Normaal ben ik heel nuchter en stoer, soms ben ik erg streng.”

Je gaat toch niet weer weg – hè – mama?”, vroeg Ellen die omhoog keek, de rand van haar capuchon viel over haar wenkbrauwen. Het was een komisch gezicht. Ze moest er zelf om lachen.

Nee, Ellen, ik laat jullie niet meer in de steek,” zei moeder.

Blijf opletten,” zei Stephen die streng probeerde te klinken, “want zo meteen bereiken we het domein van de draak – ik heb geen snoepjes om hem af te leiden.”

Hoe ga je hem uitschakelen?”, vroeg moeder.

Geen idee – nog niet,” zei Stephen, “ik herinner me geen besturingsmechanisme, zoals bij de vampiervrouw. Misschien in zijn schuilhol.”

We moeten zoveel mogelijk van die rommel van je vader uitschakelen – het heeft geen functie meer,” zei moeder.

Ik weet het.”

TIK.

De zwijgende gedaante van Maanschaduw bevond zich tien meter verderop, een half doorzichtige geest. Vandaag sprak – of murmelde hij niet. Stephen bleef hem in de gaten houden, terwijl moeder en Ellen verder liepen. Ze bleven op een goede afstand van het drakenhol – Stephen zag het dier tevoorschijn komen – en moeder dirigeerde Ellen heel handig naar haar linkerzijde – zodat ze allebei dachten dat ze werkelijk veilig waren voor de draak. Stephen vergat Maanschaduw en concentreerde zich op het beest dat snel te voorschijn kwam. “Rennen!”, schreeuwde hij. Moeder en Ellen namen een korte sprint. Stephen richtte zijn wapen en vuurde drie keer. De draak vergat de twee vluchters, maar sperde de doorgang voor Stephen. TIK. Hij wist zich zomaar ineens omsingeld. Maanschaduw naderde – en de draak was moeder en Ellen vergeten. De prooi heette Stephen die een uitweg zocht, maar er geen kon vinden. De draak spuugde vuur, Stephen schoot twee keer en het beest kromp ineen – het effect was slechts tijdelijk.

In elk geval slaagde hij erin de tongen van vuur te stoppen, al was het effect van korte duur. TIK. TIK. Stephen draaide zich om en schoot twee keer op zijn achtervolger die verdween toen twee heldere lichtballen zijn lijf doorboorden.

Er vielen zelfs enkele zonnestralen over de heuvel, maar Stephen begreep heel goed dat hij zijn wapen niet af kon blijven vuren op twee digitale monsters. Vroeg of laat ging het vreselijk mis. Hij moest zien te ontsnappen aan beveiligers die zich tegen hem hadden gekeerd. Moeder en Ellen stonden verderop – buiten bereik van de draak – en Ivanhoe hield zich verborgen voorbij de volgende bocht.

Wat ga je doen, Steve?” Hij bespeurde voor het eerst een zekere doodsangst in de stem van zijn moeder.

Stephen keek naar het opening die het drakenhol markeerde – het beest bevond zich er een eindje vandaan – Stephen had misschien enkele seconden de tijd om zich naar beneden te werpen – en mogelijk de server uit te schakelen – zoals vanaf het begin al de bedoeling was geweest.

“Mam – ik moet het proberen,” zei hij.

Ellen scheen niet echt te snappen wat hij bedoelde. Haar ogen sperden wagenwijd open, toen hij opnieuw enkele schoten afvuurde op het beest dat terugdeinsde en de opening onbeheerd liet – Stephen sprong omlaag – wist niet eens hoever hij zou kunnen vallen. Hij hoorde de stem van zijn moeder – Ellen gilde. Moeder zei dat hij naar het schip moest gaan. Doel bleef het schip – de Holland.

Hij dwong zichzelf zijn ogen open te houden, terwijl hij viel – zijn voeten raakten een harde bodem – zo ver was hij niet eens gevallen – een metertje of anderhalf misschien – het viel mee. Hij voelde de klap die zijn knieën hadden gekregen. Ellen gilde nog steeds. Het beest vertoonde zich in de opening boven zijn hoofd en Stephen vuurde enkele schoten af – meer als teken dat hij nog steeds leefde.

Stephen? Stephen?” Moeder riep zijn naam.

Hij antwoordde niet meteen, want zijn aandacht werd getrokken door een zeer oud, onderaards gebouw – er hingen groene bordjes met pijlen die een richting aan moesten geven. Hij wist niet wat ze te betekenen hadden, maar zijn gevoel zei dat het de looprichting moest zijn.

Ik ben oké!” schreeuwde hij. Alleen zou hij nooit boven kunnen komen. Het was onmogelijk. “Wat is dit voor plek, verdomme?” Zijn woorden bereikten moeder misschien niet eens, want hij sprak ze hooguit voor zichzelf. Ze weerspiegelden zijn eigen verbazing. Hoe indringers het ook zouden proberen – het huis op Heuvel 18 zou je nooit kunnen bereiken als de Beveiligers het niet wilden. En het werd moeilijk om weg te komen uit het huis – en papa had alles zo geprogrammeerd dat het ook niet de bedoeling was.

Het schip – Steve – het schip.” Woorden van zijn moeder die verder van het drakenhol moest zijn geraakt.

Oké!”, riep hij. Geen idee of ze hem nog had gehoord, maar hij begon zich af te vragen in wat voor ruimte – gebouw – hij terecht was gekomen. Grijze muren, net als in de kelder van het huis – heel veel beton – groene bordjes die een looprichting aanwezen – wel handig als je niet wist hoe je buiten moest komen. De muil van de draak hing in het gat boven zijn hoofd en spuwde een tong van vuur omlaag. Stephen voelde de warmte, maar het deerde hem niet meer. Zonder het te willen was hij in een avontuur terechtgekomen. Een onbekende plek. Het voelde niet eens zo bijzonder. In elk geval droeg hij een wapen en zijn rugzak bevatte alle spullen die Stephen nodig meende te hebben tijdens een reis naar Europa. Het zou handig zijn om het wapen klaar te houden – er zou een vijand achter een deur kunnen klaarstaan – je wist het maar nooit – zo ging het in films ook altijd. Nou ja – echt veel deuren waren er niet eens. Wel had er in een ver verleden een tussenwand gestaan – die allang was gesneuveld – en hij had geen idee wat er gebeurd kon zijn. Glassplinters knarsten onder zijn voeten. Hij betrad een gigantische betonnen bak – er lagen rechthoekige vakken – Stephen bedacht dat het een parkeergarage moest zijn. Er stonden hier geen auto’s. Of ze hadden er nooit gestaan. Stephen volgde pijlen op de vloer en het woord ‘uitgang’. Hij vergrendelde het wapen en stak het in zijn jaszak. Er waren hier geen mensen. Hij was de eerste levende die zich hier in jaren waagde.

Na een kwartier bereikte hij de uitgang die geblokkeerd bleek te zijn met vele tonnen puin die natuurlijk diep bevroren was. Hij vloekte niet eens, maar draaide zich om en zocht een nieuwe verdieping in dit vreemde gebouw. Er waren drie verdiepingen. Een enorme oppervlakte. Allemaal voor auto’s die er allang niet meer reden. Hij verbaasde zich er niet over – hij was verbijsterd – zijn geheugen toonde hem alle films die hij had gezien, maar in werkelijkheid had hij zelfs nog nooit een auto van dichtbij gezien. Niet aangeraakt. Niet geroken zelfs.

In het midden van de betonnen bak lag een helling die omlaag ging – een andere verdieping – maar Stephen wilde omhoog en niet omlaag. Hij ging verder met zijn zoektocht – er moesten meer hellingen zijn die automobilisten naar andere niveaus brachten als het druk in de stad was. Hij stak de garage over en vond een trappenhuis die hem naar een hoger gelegen verdieping bracht. Er was een liftdeur – gesloten weliswaar – en natuurlijk werkte die lift bijna twintig jaar niet meer. Zijn voetstappen echoden langs de wanden. Vingers tastten naar het wapen – voor de zekerheid – want hoe kon hij ooit zeker weten dat hij de enige was.

De nieuwe verdieping – hij betrad een enorm oppervlak – nog groter dan beneden – hier stonden zelfs auto’s geparkeerd. Voor het eerst in zijn leven zag hij echte auto’s. Allemaal lekke banden. Kapotgeslagen ruiten. Een enkele auto stond er praktisch onaangeroerd.

De eerste auto die hij probeerde was een Suzuki – de laatste wasbeurt dateerde van een flinke tijd geleden, maar de auto zag er toch uit alsof er iemand af en toe kwam poetsen. Hij veegde het vuil met zijn vlakke hand weg – Stephen probeerde het portier open te trekken, maar het lukte niet – tenminste – niet als een gewone deurklink – Stephen drukte een knop in. Portier was gesloten. Eigenaar moest gedacht hebben terug te zullen keren. Volgende heette ‘Opel’, een grijze auto, vijf deuren, als je de kofferbak meetelde – en – belangrijker – het portier was open. Er kwam een nuffige walm naar buiten – portier was lang geleden voor laatst geopend – en toch leek het alsof er iemand voor deze machines zorgde – het leek in elk geval wel zo.

Stephen keek om zich heen – alsof Jack of moeder hem bestraffend toe wilde spreken – in een auto zitten, die al bijna twintig jaar en misschien zelfs langer niet meer heeft gereden, was belachelijk. Maar Stephen had nog nooit in een auto gezeten. Hij wilde dolgraag ervaren hoe dat nou voelde. Zitten – in een echte auto – het stuur vasthouden – niet rijden natuurlijk, want dat was best moeilijk – gewoon zitten en niemand die het ooit zou zien of weten. Zijn ademhaling vormde wolkjes die weg dwarrelden. Het was hier kouder dan op de heuvel. Hij liet zijn rugzak omlaag glijden en nam plaats achter het stuur. Het was misschien zijn enige kans om ooit in een echte auto te zitten – een stuur vast te houden en te zien wat mensen in vroeger jaren konden zien. Hij voelde pedalen onder zijn voeten, liet zijn handen over de versnellingspook glijden. De binnenspiegel was weinig meer dan een vuile veeg.

Het dashboard toonde cijfers en meters – hij probeerde zich voor te stellen wat ze betekenden – een snelheidsmeter. Zijn vingers veegden het stof weg – een dikke aangekoekte laag – het kostte enige moeite, maar het lukte. Al die tijd lag er een grijnslach op zijn gezicht. Het bleef moeilijk om deze auto als machine te beschouwen die zich voortbewoog, net als vele duizenden andere auto’s in een stad of daarbuiten. Stephen had het in vele films gezien en vaak werd er snoeihard gereden – het leek erg simpel om in een auto te rijden, maar hij wist wel beter. Mensen moesten er examens voor afleggen, dus het was alles behalve simpel. Hij trok de handrem omhoog, drukte het knopje in en duwde hem weer omlaag. Fascinerend. Moeder  en Ellen rukten hem uit zijn trance die de automobiel had veroorzaakt. Stephen stapte uit, pakte zijn rugzak op. Terwijl hij zich oprichtte, ontwaarde hij een gedaante die hem enigszins aan Maanschaduw deed denken – een lange, magere gedaante en een jas die tot aan zijn enkels reikte, maar geen zeis. Een man met kort grijs haar, een volle baard die ongetwijfeld veel bescherming bracht tijdens de lange strenge winter. Er schommelde een amusant glimlachje op het gezicht van de onbekende. Stephen graaide naar zijn wapen, schoof de pal weg en richtte de loop op de onbekende man die nog niets had gezegd, maar wel zijn armen omhoog begon te steken. Stephen voelde zich kalm, er was geen sprake van nervositeit. Had hij nerveus moeten zijn? Zijn eerste kennismaking met iemand van buiten – een levend iemand.

Mijn dochter noemt je ‘Het spook’,” zei hij. “Je bent toch de jongen die altijd op de heuvel rond struint? Dat ben jij toch? Ik herken je jas.” De man toonde nog altijd een glimlach. Er zat geen greintje kwaadaardigheid in zijn houding. “We hebben vaak discussies gevoerd – wel of niet echt – misschien was je één van die gevaarlijke valstrikken die ze hebben gebouwd om indringers buiten te houden.”

Stephen liet zijn arm zakken – toch vergrendelde hij het pistool niet. Daar wachtte hij nog mee.

Je bent een echte jonge vent,” zei de onbekende, “al moet ik zeggen dat je erg veel op pa lijkt – je bent een ijskouwe, net als je vader. Hoe is het met Harold?” Er viel een stilte. Stephen hoorde voetstappen die onmogelijk aan een volwassene toe konden behoren. “Je hebt toch praten geleerd?”

Stephen keek langs de lange, magere man die sprekend op Maanschaduw leek, alsof papa al zijn vijanden had gebruikt – hun uiterlijk wel te verstaan. “Je lijkt op Maanschaduw,” zei Stephen die begreep dat de naam van het nachtwezen hem niets zou zeggen.

Dus je pa heeft mijn uiterlijk gebruikt,” stelde de man vast.

Als één van de ruiters van de apocalyps,” zei Stephen.

Je vader had me allang neergeknald,” zei de man.

Mijn vader is over de rand gestapt,” zei Stephen.

Dat moet een heel verlies voor je zijn geweest.”

Klopt.”

En je moeder?”

Goed – heel goed,” zei Stephen die het bestaan van zijn zusje besloot te verzwijgen. Hij wist niet goed waarom hij dat deed, maar het leek verstandig om niet zo veel te vertellen.

Ik zal je de fouten van je vader niet aanrekenen,” zei de man die op zijn lip beet, “sorry – dit had ik anders moeten zeggen.”

Ik zal je nog niet doodschieten.”

Dank je.”

Opnieuw hoorde Stephen voetstappen – een tweede paar zelfs – daarginds hielden zich twee personen verborgen. “Ik wil naar buiten – weg uit deze vrieskist,” zei Stephen.

Waarom? Er is daarbuiten toch niks meer?”

Een nederzetting – volgens moeder.” Een leugen. Moeder had niets gezegd over een nederzetting. Wel over het schip. Hij moest naar het schip.

Nou,” zei de man, “je nederzetting staat hier.”

Stephen begon met zijn hoofd te schudden. “Ik heb twee paar voetstappen gehoord. Er zijn er nog twee.”

De man lachte kort. “Je lijkt echt op je vader,” zei hij, “en misschien heeft je wapen ermee te maken – het ziet er erg koloniaal uit. Klopt dat?”

Ja.” Stephen bestudeerde het pistool opzichtig. “Mooi wapen.”

Met DNA-herkenning. Ik kan hem niet gebruiken, maar jij wel, voor een optimale controle van het wapenarsenaal.”

Mijn naam is Stephen,” zei hij.

William.”

Ik hoop dat je me naar buiten wilt brengen,” zei Stephen.

Het hoofd van William draaide naar rechts, maar hij verloor Stephen niet uit het oog – zeker het wapen niet.

Ben ik toe bereid,” zei William, “maar je zult me toch echt een wederdienst moeten bewijzen.”

Lijkt me heel redelijk,” zei Stephen. William aasde natuurlijk op de bijna onbeperkte voedselvoorraden in het huis en al die andere zaken waarmee je het dagelijks leven stukken aangenamer kon maken. Moeder, hijzelf en Ellen waren vertrokken en zouden nooit meer terugkomen, dus vond hij het een goede deal. “Heel redelijk zelfs.”

Je weet waarom ik je nodig heb,” zei William.

Tien maanden geleden voor het laatst,” stelde Stephen vast die zijn wapen vergrendelde in een jaszak liet wegglijden.

Ik vraag me af – ,” zei William en er verscheen een prettige glinstering in zijn ogen. “Het ruimteschip.”

Precies.”

Hebben ze je je moeder teruggebracht?”

Stephen staarde lang genoeg naar de vloer om het antwoord weg te geven.

Jee, dat moet een hele verrassing zijn geweest,” zei William, “opgestaan uit de dood.”

Waarom denk je dat?”

Ik ken je vader te goed.”

Stephen wilde vertellen wat er volgens moeder was gebeurd – jaren geleden – maar William, moest het verhaal allang kennen en mogelijk zelfs beter dan Stephen zelf. Het zou een grandioze verspilling van woorden zijn. De man wist het al.

William draaide zich om en riep twee namen: “Sally? Norah?” Een vrouw van plusminus veertig en een meisje van tien, misschien elf jaar oud.

Zijn jullie nou de hele nederzetting?”, vroeg Stephen en het lukte hem niet zijn verbazing te verbergen.

Ja, tegenwoordig wel,” beaamde William.

Ik ben Stephen,” en hij stak zijn hand uit naar de vrouw die lang aarzelde voordat ze zijn gebaar accepteerde. “De koorts kan ik niet krijgen – als je daar soms bang voor bent – en jij evenmin – als ik goed ben geïnformeerd.”

Norah – en mijn dochter Sally,” zei de vrouw.

Dus je bent echt – geen spook,” merkte Sally op.

Jij lijkt op Roodkapje,” zei Stephen die wist dat ze de verwijzing moest begrijpen. Roodkapje was de naam van een Beveiliger, een ellendig kreng dat er onschuldig uitzag, maar levensgevaarlijk was en langs de volle lijn mocht reizen. Geen bewegingsvrijheid, zoals Maanschaduw, alleen de route die papa lang geleden had bepaald.

Harold heeft onze gezichten gebruikt voor de holografische beveiligers op de heuvel.”

O – dan lijkt Roodkapje op mij.”

Het gezelschap begon zich naar de deur te bewegen. Sally ging voorop, gevolgd door moeder Norah, William en Stephen liepen naast elkaar. “Het probleem is echter dat Harold helemaal niet kon programmeren. Hij had totaal geen verstand van computers. Een digibeet bijna. Dat moet iemand anders hebben gedaan. Ik wil de herinnering aan je vader niet besmeuren, maar het is wel een feit.”

Stephen gaf geen antwoord. Als papa heeft gelogen over de dood van mama – Wat heeft hij dan nog meer gelogen? Moeder schiep de eerste twijfel. Ze hoefde geen woord te zeggen, alleen te verschijnen, levend en wel. Nu vertelde William dat papa nooit had geprogrammeerd. Hij zou boos moeten worden, maar leek dat punt voorbij te zijn. Als papa heeft gelogen over de dood van mama – . Wie zou de software geprogrammeerd moeten hebben? Toen moeder was vertrokken, moest Jack de software klaar hebben gemaakt. Alleen hij, niemand anders. Als papa het niet gedaan kon hebben. Of mocht Stephen het buitennetwerk nooit met Jack bespreken, omdat Jack wel eens zou kunnen verklappen dat papa – Harold dus – in werkelijkheid totaal geen verstand had van programmeren?

Ik hoor je bijna denken,” zei William, “volgens mij heb ik een moeilijk punt ter sprake gebracht.”

Beetje wel, ja.”

Liftdeuren stonden open. Er was geen elektra, maar er waren ladders gemonteerd. Sally en Norah waren uit zicht verdwenen. Even leek William iets te willen zeggen over papa. De man keek omhoog naar de spaarzame verlichting – Stephen had het logisch gevonden dat er nog enkele lampen voor licht zorgden in dit donkere hol.Dezelfde bron die boven ons hoofd voor zoveel ellende zorgt, houdt mijn bescheiden gemeenschap in leven. We zijn er nog, dankzij het licht en warmte van Heuvel 18. Hoelang nog? Die vraag stel ik mezelf bijna dagelijks,” zei William.

“Waarom Heuvel 18? Er is toch maar één heuvel?”

Simpel – drie keer zes is 18 – en 666 is het getal van de duivel – vandaar.”

De zeven lijnen van Satan,” zei Stephen, “een uitdrukking van mijn vader.”

Satan als meester van Heuvel 18 – ja, zo zou je het ook kunnen zeggen. Geloof mij nou maar. Je vader was geen aardige man.”

De woorden voelden als een stomp in zijn maag. Stephen zocht naar zijn wapen. Dezelfde woorden die moeder eerder had gebruikt – exact dezelfde. “Ik zou het prettig vinden als je je wat terughoudender opstelt over mijn vader.” Hij slikte voordat hij verder ging. “Ik heb al teveel gehoord.”

Het ligt een beetje gevoelig. Dat snap ik heel goed. Norah noemt me wel eens een ouwe kletskous. Ik praat teveel als ik de kans krijg om mijn zegje te doen. In mijn vroegere leven ben ik leraar geweest. Alle leraren hebben de neiging veel te veel te kletsen. Vooral als het eindelijk een keer mag.”

Komen jullie nog?” Het was de stem van Norah.

Ja!” William schreeuwde in de liftschacht.

Al dat gelul over mijn vader begint me nerveus te maken, William,” zei Stephen.

Heb je je ooit eens afgevraagd wat voor werk je vader deed toen de koorts uitbrak?”, vroeg William.

Ik zei – ,” begon Stephen te zeggen en greep zijn wapen – verwijderde de pal met zijn duimnagel – en richtte het op William.

William knipperde met zijn ogen. Heel even meende Stephen doodsangst te herkennen. “Laten we het onderwerp maar verder rusten, Stephen. Je hebt gelijk. Sorry. Ik val je lastig met iets waar je part noch deel aan hebt gehad.”

Je moet erover ophouden. Ik heb hier totaal geen behoefte aan.” Nog steeds hield hij het wapen op de borstkas van William gericht – klaar om te schieten.

Pap?” Opnieuw galmde de stem van Norah in de liftschacht. “Klep dicht en klimmen.”

Stephen liet zijn arm zakken en schoof de pal weer terug. Er viel geen verandering waar te nemen op het gezicht van William die zichzelf een kletskous had genoemd. Geen opluchting. Helemaal niets.

Ik moet je vragen als eerste naar boven te gaan,” zei William en hij klonk erg rustig. “De liftdeuren moeten dicht. Anders breng je de visite op een idee.”

Stephen liet het pistool in zijn jaszak wegglijden. William deed een stap opzij – liet Stephen begaan die de sporten vastpakte en begon te klimmen. Liftdeuren schoven dicht. Er waren twee beugels te zien waar de oude man aan stond te trekken. Oude liftkabels hingen slap omlaag. Een bescherming tegen indringers die er sowieso nooit zijn. Het was allemaal angst voor iets wat er twintig jaar geleden of zo moest zijn geweest. Het leefde nog altijd. William, Norah en Sally gingen hier gewoon naar toe – en Stephen bedacht dat het met de auto’s te maken moest hebben.

‘Heb je je ooit eens afgevraagd wat voor werk je vader deed toen de koorts uitbrak?’ De stem van William klonk weer in zijn hoofd. Het was raar om een onbekende over papa te horen praten. Want papa was altijd papa geweest, een man die een villa had geregeld, terwijl mama lang geleden was gestorven. Die onbekende noemde papa ‘een niet zo’n aardige man’, zoals mama ook al had gedaan. Die onbekende begon te klimmen – Stephen zette zijn voet op de vloer en keek Norah korte tijd in de ogen – ze zei niets.

Sally had zich al bij de buitendeur opgesteld, maakte een ongeduldige indruk. Stephen wachtte op William die een diepe zucht slaakte terwijl hij de liftschacht verliet. “Zo – dat waren de auto’s.”

Morgen gaan we terug – toch?”, vroeg Sally.

Ja, morgen gaan we terug,” beloofde Norah.

Tja – wat zou papa voor werk hebben gedaan vroeger – toen de koorts uitbrak. Eerlijk gezegd had Stephen geen flauw idee. Papa had er nooit over gesproken. In elk was het uitgesloten dat papa had gewerkt als computer programmeur – volgens William dan wel – de voormalige leraar beweerde dat papa een soort digibeet was geweest. Ongelofelijk. Strenge vorst had zich door het beton heen gevreten. Geen ramen, een deur die half open stond, een frisdrankenautomaat die lang geleden stuk was geslagen. Ze moesten alle voedselvoorraden allang hebben uitgeput. Waar leefden die mensen van? Stephen wilde er niet al te lang blijven, maar moest zijn belofte nakomen. William naar het huis brengen. Maar er was niets meer. Jack had alle leefsystemen stil gelegd en de robot liep niet meer rond, maar was er nog altijd nog een computersysteem – binnen en buiten – dat had Stephen net geleerd. Joe moest een leugen zijn geweest van papa – bedacht om Stephen ervan te weerhouden te praten over alle werkzaamheden – beveiligingen die waren aangebracht – papa leverde de schetsen en Jack maakte het – artificiële intelligentie.

Nee, hij wilde het niet geloven. Het was onmogelijk.

William had geen gelijk of Stephen weigerde de man alsnog gelijk te geven – het kon gewoon niet.

Komen jullie nou elke dag naar de auto’s kijken?”, vroeg Stephen.

Om je de waarheid te zeggen,” zo begon Norah – die haar vader dreigend aankeek, “gaan we altijd even kijken als de lichtjes weer aangaan en dat gebeurt alleen als er iemand in de parkeergarage loopt. We hoopten op een dier, maar we hebben jou gevonden. Je bent zelfs beter dan een dier, een mens die ons aan nieuwe voorraden kan helpen.” William luisterde alleen maar en knikte met zijn hoofd

Hoe kunnen dieren in de garage terechtkomen?”, vroeg Stephen.

Norah spreidde verklarend haar armen. “Jullie systeem is gemaakt om mensen buiten te houden, dieren glippen er vaak genoeg doorheen – gelukkig.”

Je weet dat zomers maar kort duren,” zei William, “in die periode moeten we eten bij elkaar zien te zoeken om de winter te kunnen overleven. Dan is het frustrerend als je weet dat er in een huis niet ver hier vandaan voldoende ligt om een halve stad tientallen jaren te voeden.”

Lichten in de parkeergarage gingen aan als er iemand rondliep en dat konden ze zien – vervolgens gingen ze poolshoogte nemen om te zien welk smakelijk ogend dier zich nu weer in de nesten had gewerkt. Helaas bleek er vandaag een mens te zijn. Of zouden ze in het verleden al eens noodgedwongen menselijk vlees hebben gegeten? Lichten gingen aan als er iemand rondliep – een prachtig alarmsysteem – je wist meteen dat de slager langs was gekomen om het avondeten te brengen. William moest zijn ogen uit hebben gekeken toen hij Stephen achter het stuur van een auto zag zitten. Teleurgesteld? Of had hij hem direct herkend als de jongen van Heuvel 18 – ‘Het Spook’.

Je kunt beter niet over zijn vader beginnen,” merkte William op, “de jongen is erg gevoelig op dat punt.”

O – pap – ben je soms weer aan het drammen geweest?” Norah reageerde meteen.

Hebben jullie dat ene bordje neergezet?”, vroeg Stephen. “Het koninkrijk van de kakkerlakken.” Stel je nou eens voor dat er een dier in de parkeergarage terecht was gekomen dat bovendien nog eens groot genoeg was om de lichten aan te laten gaan – Dan moest er ook een manier zijn om het te vangen en te doden. Stephen herinnerde zich niet wapens te hebben gezien. Geen vuurwapens of andere meer primitievere wapens, zoals een kruisboog, een zwaard, vangnetten. Ze wekten de indruk alsof ze in een diep bevroren park wilden gaan wandelen met zijn drietjes – auto’s kijken. Stephen geloofde niet in wereldvreemde figuren die gingen wandelen in een betonnen vrieskist. Er moest een addertje onder het gras zitten. Wat waren dit voor mensen? “Er stond een geschilderd bordje langs de rivier.” Zijn vingers speelden met het wapen. Het was een veilig gevoel, alsof moeder had geweten dat zoiets als dit zou kunnen gebeuren. Was het juist om deze mensen te vertrouwen? Hoe zouden ze dieren willen doden? Ze droegen geen wapens.

Drie generaties van dezelfde familie, een zeldzame combinatie in een wereld die vrijwel geen mensen meer telde en zeker geen volledige gezinnen. Nu waren ze natuurlijk verre van volledig, er ontbrak een oma, een echtgenoot, de vader dus. Maar voor een wereld, zoals die van de verlaten aarde, mochten ze zichzelf zeer gelukkig prijzen. Wat een geluk dat ze het zolang hadden weten te redden in een wereld waarin gebrek als regel gold.

Er stond een geschilderd bordje langs de rivier.” Zijn woorden herhaalden zich als een soort echo.

Ja, we weten ervan,” sprak William, “maar we hebben geen idee wie ze heeft geplaatst – helaas.”

Ze moeten al een flinke tijd weg zijn,” zei Norah.

Het zou kunnen,” zei Stephen die zich herinnerde dat het bord er tamelijk nieuw uit had gezien.

Komen jullie nou?”, vroeg Sally. Ze stond nog steeds in de deuropening – klaar om de arctische kou te trotseren. Stephen zag slechts een klein stukje van haar gezicht, de rest ging verborgen onder een capuchon. Haar ogen stonden opgewekt. Stephen bedacht dat ze vrijwel dezelfde ogen leek te hebben als haar grootvader – nee, ze hàd dezelfde ogen als haar grootvader.

William duwde de deur open, Sally glipte naar buiten – het was veel harder gaan waaien en de lucht oogde nogal dreigend, zodat Stephen vreesde voor sneeuwbuien. Ze keken alle drie omhoog, Sally volgde een platgetrapt pad dat langs witte resten van oude gebouwen kronkelde. Norah riep de naam van haar dochter Sally die verveeld reageerde. “Ja-a.” Er zouden monsters kunnen zijn – er waren helemaal geen monsters. Stephen volgde als laatste in de rij en speelde aldoor met zijn wapen. Waarom droegen die mensen geen wapens? Hij wilde er geen vragen over stellen. Hoe vingen ze die dieren dan? Misschien dreven ze een konijn – of hond in een hoek – slaagden ze erin het dier dood te knuppelen. Zorgvuldig schoonmaken – organen verwijderen was een karwei dat zorgvuldig diende te gebeuren, omdat je vlees makkelijk kon besmetten. Darmen, afvalstoffen die een lijf bevatte, uitwerpselen die dodelijke bacteriën herbergden. Stephen kende zijn lessen, omdat papa wilde dat hij alles wist – hij moest zich kunnen redden – dus had hij geleerd hoe je een dier moest klaarmaken. Zo moeilijk was het niet. Er waren een paar dingen die je moest onthouden. Dat was alles. Vangen, braden en eten. Als een ouderwetse barbecue, alleen moest je het dier eerst doden en klaarmaken voor consumptie.

We hebben niet zo’n fraaie woning,” zei William die stil bleef staan, “je bent beter gewend.” Hij verontschuldigde zich bijna voor het feit dat zijn onderkomen zich in de onderste bouwlaag van een gebouw zou bevinden. Misschien stond er een bank waarop je kon zitten en slapen, waarschijnlijk had William een haard gebouwd en zou de rook kunnen ontsnappen via een gat dat net zo makkelijk serieuze kou kon binnenlaten.

Ik heb geen behoefte aan je woning,” zei Stephen op een nogal serieuze toon die hem meteen aan zijn eigen vader deed denken, maar William zei er niets meer over. “Laten we doen wat we hebben besproken en elkaars gezelschap verder mijden.”

Pap? Mag ik nu warme chocolade?”, vroeg Sally die met een opgewonden blij gezicht toekeek.

Stephen bestudeerde het meisje enkele ogenblikken dat haar capuchon los had gemaakt, zodat hij haar gelaatstrekken beter kon bestuderen. William wuifde Sally naar de schuilplaats en ze leek in een gat in de grond te springen. “Misschien is dat wel een goed idee,” zei hij na een tijdje. Geen woord over het meisje. Stephen begreep dat de man twee dochters moest hebben verwekt waarvan er eentje tevens moeder van zijn tweede dochter was. In verhalen had Stephen wel eens over zulke dingen gelezen. Waarschijnlijk waren de nachten koud genoeg om het gezelschap van een warm vrouwenlichaam te willen zoeken. En na een tijdje gebeurde er wel eens wat.

Ik breng je erheen en voor de rest zoek je het maar uit,” zei Stephen.

*****

De heuvel lag als een uitdagende kegel in het landschap – sneeuw, ijs en beton. Onder zijn voeten waren er auto’s achtergebleven. Sinds vandaag wist hij dat wel. Nooit over nagedacht. William keerde terug.

Stephen twijfelde er niet aan of William wilde het huis in bezit nemen voor zijn gezin, een mooie plek, als het computersysteem, Jack, de aanwezigheid van drie vreemdelingen zou willen accepteren. Veel had Stephen er nog niet over nagedacht, Jack kende alleen indringers.

Stephen zocht het ruimteschip, maar slaagde er niet in het zo snel te vinden. Er zou iets glimmends boven het ijs uit moeten steken, de blauwe vlag met gele sterren die als baken zou kunnen dienen. Voorlopig zag hij nergens iets dat aan het toestel deed denken en misschien gewoon aan de andere zijde van de heuvel lag. William stond naast Stephen en liet zijn handen verend op zijn dijbenen neerkomen. Niets minder dan het huis en zijn voorraden die een verblijf van vele tientallen jaren, mogelijk zelfs meer, mogelijk maakte. Waarom droegen die mensen geen wapens? Of had William wel een vuurwapen op zak, maar wist hij gewoon beter te verbergen dat hij gewapend was. De man moest toch gewapend zijn? Stephen ging langzamer lopen en liet William de snelste weg naar de poort afleggen die geopend achtergelaten was – aangezien moeder en Ellen allang waren gepasseerd. Ze zouden al in het schip zijn. Stephen had al te veel tijd verloren in de parkeergarage, zelfs in een auto gezeten, heel leuk misschien, maar volstrekt doelloos. Het was alleen maar leuk geweest.

Het was een weg die er feitelijk geen was, een keiharde, bevroren ondergrond. William wist van het bestaan van het koninkrijk van de kakkerlakken. Hij had er van gehoord. William bleek niet alleen vader te zijn van zijn eigen volwassen dochter. Toch vreemd, iemand die het koninkrijk niet kende, maar wel had bewezen de vader van Stephen goed te kennen. Stephen begon langzamer te lopen en haalde het pistool tevoorschijn. Niet om te schieten. Alleen om het vast te houden. Om iets vast te houden.

William keek over zijn schouder. “Ik begrijp het heel goed – want het vreet aan je – en dan gaat het niet eens om het feit dat ik een kind heb verwekt bij mijn eigen dochter – en – laten we wel wezen – waarom zou ik dat niet doen? God heeft de Aarde in de steek gelaten. De duivel is nu aan zet.”

Waarom ken je mijn vader?”

Tja, dat is de hamvraag, hè?”

Je hoort niet bij de nederzetting van de kakkerlakken,” zei Stephen die zijn duimnagel tegen de pal duwde – het wapen was schietklaar. Hoe kon een man ongewapend overleven in een woeste, verlaten wereld vol ijs, sneeuw en beton?

Je vader was beroemd, beste jongen,” zei William, “een heel bekende kop – je lijkt op hem – ik wist dat hij de heuvel had veroverd en de beveiliging sterk opgevoerd.”

Beroemd?”

Jazeker, een echte beroemdheid,” zei William wiens gezicht in een vrolijke lach was veranderd. “Zonder de koorts zou hij vandaag in de gevangenis hebben gezeten, dat wel, de epidemie was voor je vader een schitterend geschenk.”

Ik begrijp je niet.”

William spreidde zijn armen en leek een rijke graanoogst te willen zegenen. “Heel bijzonder. Vind je ook niet? De mens is vrijwel uitgestorven en wie blijkt er tot de overlevenden te behoren – een huurmoordenaar – o, ironie van het lot!”

Stephen zocht naar woorden die hij zou kunnen gebruiken; beledigend, grof of smerig, maar hij bleef alleen zoeken. Huurmoordenaar. Het woord bleef betekenisloos – abstract bijna – het was een andere man die William bedoelde – niet de vader van Stephen die over de rand was gestapt. Huurmoordenaar. Dat was iemand die voor geld mensen dood maakte. Niet zijn eigen vader. Iemand anders. Niet zijn eigen vader. De heuvel lag recht voor hen en torende boven het landschap uit. Nergens anders had er beter een huis gebouwd kunnen worden dan daar en misschien zou William een verklaring kunnen geven voor de locatie, voedselvoorraden die er waren opgeslagen en bijna onbeperkte energievoorziening.

Je dreigt, voor de verandering, niet te schieten,” zei William wiens gestalte lichtjes voorover boog. Man met een doffe blik in zijn ogen. “Je hebt dezelfde koude blik in je ogen als je pa.”

Stephen zag de muur dichterbij komen, een statige verdedigingswal die aan de middeleeuwen deed denken. Daar ergens moest de toegangspoort zijn. Daarachter bevond zich een jungle die deels actief was, misschien stond het evenbeeld van William hen op te wachten – Maanschaduw. Kenden papa en William elkaar soms? Ze moesten elkaar ergens van kennen. Het kon moeilijk anders. Papa zou Maanschaduw nooit gemaakt kunnen hebben als William hem slechts uit de krant kende. Ze moesten elkaar ooit eens zijn tegengekomen.

Mocht het je soms interesseren – ,” zei William die meteen weer stopte met praten.

Ik weet nu al meer dan ik ooit had willen weten,” zei Stephen, “dus ga gerust verder.”

Ik was leraar van beroep, zoals ik je al heb verteld, maar heb les gegeven aan toekomstige advocaten. Een kans om een man te verdedigen, die schuldig zou zijn aan het plegen van minstens drie moorden, heb ik met beide handen aangegrepen. Goed voor mijn reputatie. Die man was je vader. Je lijkt sprekend op hem. Manier van lopen. Zoals je kijkt. Zijn evenbeeld. Vandaar dus – ik heb veel tijd in de nabijheid van je vader doorgebracht – het is een bizarre speling van het lot dat uitgerekend zijn enige zoon tegenover me staat. Je zult je best wel thuis voelen in deze wereld.”

Mijn vader heeft nooit veel over vroeger verteld. Alle gesprekken draaiden om het hier en nu.”

Ik ben alleen bang – .” Hij voltooide zijn zin niet.

Stephen voelde geen boosheid of opwelling om William dood te schieten, alleen maar omdat hij in de positie verkeerde het ook echt te doen. Hij had een wapen – hield het zelfs vast en zijn arm hing gestrekt langs zijn lichaam. Zijn ziel wees de gedachte af. Zijn vader, een huurmoordenaar. Papa had vroeger, dus in de jaren voor de koorts, iets nobels gedaan. Mensen geholpen. Stephen had geen idee wat het was geweest, want papa sprak nooit over vroeger. Hij wist ook niet wat voor werk papa had gedaan, alleen dat het iets moois moest zijn geweest – anders klopte het niet. De gedachte bleef niet plakken. Zijn vader, een huurmoordenaar. Als ze elkaar hadden leren kennen voordat zijn moeder was opgedoken, zou hij vreselijk boos zijn geworden en William hebben doodgeschoten. Moeder had evenmin fijne verhalen verteld, maar moest, net als William, hebben geweten wat voor werk papa had gedaan en of hij in de gevangenis had gezeten.

Het pad ging omhoog, William verminderde gaandeweg vaart en leek enige moeite te hebben met het terrein. Stukken muur waren als stijfbevroren wit uitgeslagen wegwijzers overgebleven. Ondertussen vocht Stephen tegen zijn verwarring, omdat hij redeloos kwaad zou moeten zijn op William die allemaal vreselijke dingen over papa zei. Zou het kunnen dat Stephen voelde dat het waar moest zijn? Hij zou verontwaardigd moeten zijn. In plaats daarvan probeerde hij in alle redelijkheid te bedenken waarom William ongelijk moest hebben. En hij slaagde er niet in om argumenten te bedenken. In feite klopte het wel. Papa was nooit een makkelijke man geweest. Veel herinneringen aan mama had Stephen niet eens, want mama was lang geleden doodgegaan.

Jarenlang leefde Stephen en Ellen in de overtuiging dat ze de laatste mensen op Aarde waren. In de ruimte leefden er alles bij elkaar misschien enkele miljoenen en het werden er steeds meer. Papa heeft vaak genoeg gezegd dat Stephen de sterkste moest zijn, omdat Ellen nu eenmaal een meisje was en meisjes waren anders dan jongens. Een pistool in zijn hand voelde allerminst vreemd, want hij had beslist lessen gehad van papa die heel goed wist hoe hij een wapen moest afvuren en papa was een uitzonderlijk goede schutter. Een professional. Papa vertelde wel eens over de angst om een wapen af te vuren op een mens – een angst die Stephen moest zien te overwinnen – aldus papa – anders zou hij zijn zusje nooit goed kunnen beschermen. En papa had nooit verteld dat mama nog leefde of minimaal hardop gezegd dat die mogelijkheid bestond. Mama was weggegaan, omdat papa haar vermoord zou hebben. Omdat moeder een betere toekomst voor Stephen en Ellen had gevonden. Was dat een reden om iemand te vermoorden? Vrouw vertrok met kinderen – vrouw bleef en werd vermoord – vrouw vertrok – want ze had geen andere keuze dan te vertrekken.

Stephen zou buiten zichzelf moeten raken van woede – een pistool op het hoofd van William zetten en hem dwingen alle woorden terug te nemen. Geen aardige man, de vader van Stephen. In oude verhalen las hij wel eens over vaders die grapjes konden maken met hun kinderen. Zulke boeken waren er. Geen boeken voor in de open haard. Papa was nooit zo’n man geweest. Papa was een man die altijd uit het raam keek en wachtte op een dreiging – soms probeerde er iemand het huis binnen te dringen – de jungle te overleven – maar het lukte nooit. Ja, Stephen zou boos moeten zijn op William, maar ook op moeder, die dezelfde vreselijke dingen had gesproken. Stephen werd niet boos, want hij wist best wel dat ze gelijk hadden. William bleef onvermoeibaar ogend doorlopen, lichtjes voorover gebogen en hij zocht automatisch de poort die toegang verschafte tot de jungle. Een ander perspectief dan hij gewend was – de heuvel die als een majesteit boven het landschap uittorende.

Poort stond open, zoals Stephen verwachtte en hij negeerde zijn oude toevluchtsoord, waar hij in het verleden de verhalen van papa had aangehoord. Papa zei nooit, zelfs niet per ongeluk, hoe je efficiënt een mens moest doden – wel dat Stephen altijd op diende te passen voor onbekenden, want ze hadden altijd kwaad in de zin. Slechte mensen deden vaak alsof ze sympathiek waren. Ook de heks uit Hans en Grietje leek in het begin een aardige oude vrouw – – – .

Papa begon er vaak over – het was een simpele manier om te laten zien dat mensen vaak anders waren dan ze zich in eerste instantie gedroegen. De kinderen uit het sprookje kregen een warme maaltijd en mochten de nacht doorbrengen in een echt bed met schone lakens. Volgende ochtend ging het pas fout. Zou William net zo iemand zijn als de heks uit het sprookje? Terwijl William de jungle betrad, dacht Stephen terug aan zijn vader die alweer, maar anders dan de traditie voorschreef, het sprookje van Hans en Grietje vertelde. Interesse van papa ging hoofdzakelijk naar de oude vrouw, zoals hij haar gewoonlijk noemde. ‘Heks’ was een scheldwoord. Toveren deed ze niet eens. Haar pannenkoekenhuisje was een symbool voor grote rijkdom. Stephen had het sprookje van Grimm verschillende malen moeten lezen zonder echt goed te weten waarom. Ja, vandaag begreep hij waarom. Hij zou het bijna zijn vergeten – verdrongen zelfs – maar nu treiterde het zijn bewustzijn op een weergaloze manier. Papa wilde hem voorbereiden op een toekomst waarin hij voor Ellen moest zorgen – omringd door monsters. Mogelijk herkende hij het monster niet meteen. Stephen hoorde op zijn hoede te zijn voor monsters. William bleef aan de rand van de valkuil stilstaan – keek omlaag – schuin afgesneden bamboestokken besmeurd met bloed – de lijken waren weggehaald, net als de wapens trouwens die op de bodem hadden gelegen. De dekens van gevlochten takken en twijgen lagen er nog steeds en het zou een hels karwei zijn geweest om ze terug te leggen, zodat de eerstvolgende sneeuwbui zijn werk kon doen en de valkuil aan het zicht onttrekken. Stephen herkende verschillende voetstappen, ook die van Ellen – dus hij veronderstelde dat ze inmiddels in het ruimteschip zou zijn – zittend achter een mok thee. “Akelig,” mompelde William, “als het net heeft gesneeuwd en zo.”

Je moet ook niet op bezoek gaan als je niet bent uitgenodigd,” reageerde Stephen.

Zijn er nog meer van dit soort – dingen?”

Zo meteen krijg je een holografische bewaker, wel levensecht, hartstikke gevaarlijk, een ridder die Ivanhoe heet.”

Hij heeft een zwaard,” zei William droogjes die om de valkuil heen begon te lopen.

Ja, dat heeft hij.” Niet zo heel erg lang geleden, alles bij elkaar misschien een uur, dacht hij hier nooit meer terug te zullen komen. Opnieuw hoorde hij de stem van papa in zijn hoofd die doceerde over normen en waarden, goed en kwaad – het sprookje van Hans en Grietje. De rol die de oude vrouw speelde. ‘Waarom doet de heks – wat ze doet?’ Toen papa dit vroeg, bleef Stephen het antwoord schuldig – had geen idee wat papa wilde horen en het duurde maanden voordat het antwoord volgde. Waarom doet de heks – wat ze doet?’

Hij zou het bijna zijn vergeten – en was het zelfs vergeten, maar William bracht alles terug in herinnering – zonder het zelf te weten natuurlijk. De man, die in een licht gebogen houding voor hem liep, had een zeer oude les van papa losgemaakt in het hoofd van Stephen – hij begreep ineens weer waarom zijn vader steeds zo gruwelijk had lopen drammen over fucking Hans en fucking Grietje.

‘Waarom doet de heks – wat ze doet?’

Achter een masker van vriendelijkheid ging heel vaak een bloeddorstig monster schuil. Papa heeft nooit verteld hoe hij, voordat de koorts uitbrak, aan de kost kwam. Wel leek hij er een satanisch genoegen in te scheppen het sprookje van Hans en Grietje tot vervelens toe te analyseren – uit te benen – tot er alleen maar slechteriken in voorkwamen.

Je loopt veel te ver naar links, William,” zei Stephen. Zijn stem klonk dreigend, zoals papa lang geleden dikwijls had gesproken.

Stephen verwachtte cynisch commentaar, maar het bleef stil. De man corrigeerde zijn voetstappen en zwalkte bijna een meter naar rechts. “Zo goed?”

Ja,” antwoordde Stephen die de sporen van zijn voorganger nauwkeurig volgde.

Ivanhoe wachtte op vers bloed voor zijn zwaard dat werkeloos in de half bevroren bodem prikte. Natuurlijk merkte Stephen hem als eerste op – een roerloze metalen gedaante – net een standbeeld dat herinnerde aan een antieke gestorven held. De stem van Ivanhoe rolde over de heuvel – zijn zwaard zwiepte krachtig door de koude lucht, maar miste het doel. William deinsde toch nog achteruit, alsof hij werd overvallen door de ridder. “Godver,” vloekte William die zijn handen afwerend omhoog hield. Hoe zou deze man een vuurwapen op zak kunnen hebben? Een ervaren schutter had een paar schoten gelost op het spookbeeld dat zijn wapen gevaarlijk door de lucht zwiepte en o wee – als je nek toevallig in de weg zat – papa had gerekend op een lichaamslengte van ongeveer een meter tachtig. Volgens papa waren er best veel indringers gesneuveld door Ivanhoe wiens zwaard bijna altijd doel trof. Onder de voeten van Stephen bevond zich een parkeergarage – wist hij nu – sinds een krap uurtje. Het huis vormde onderdeel van een grotere structuur die invloed uitoefende op de omgeving.

Stephen dwong zichzelf op te blijven letten, want voorbij de volgende bocht wachtte de draak die zich schuil hield in zijn onderaardse schuilplaats – nee, dat was niet waar – daaronder bevond zich een gat die een betonnen structuur aan het zicht onttrok. Hij wilde vragen stellen over de heuvel en wat eronder lag, maar ging zwijgend verder. Zijn arm bungelde langs zijn bovenbeen – in zijn hand het pistool. Zoals hij de vampiervrouw uit had kunnen schakelen, zo moest ook de draak te liquideren zijn. Meer dan alleen koest houden, zoals hij een wild dier wat te eten toewierp dat het altijd accepteerde. Stephen zocht opnieuw naar snoepjes die hij in de geopende muil van het beest kon gooien, maar vond alleen kruimels. Misschien wilde kiezelsteentjes ook werken. Hoe zou het beest enig verschil kunnen zien tussen echte snoepjes en steentjes?

Volgens papa kwamen er alleen slechteriken voor in het sprookje – , dieven, moordenaars en kindermishandelaars. Niemand uitgezonderd. Allemaal schorem. Ook de kinderen. Allemaal schorem. Niemand uitgezonderd. Stephen raapte kiezelsteentjes op en hopelijk werkte het trucje, al vervloekte hij zichzelf, omdat hij het niet eerder had geprobeerd. Dan had hij nu niet op de heuvel hoeven lopen in gezelschap van een man die zijn eigen dochter had geneukt en zodoende vader en grootvader was geworden van een meisje genaamd Sally. Alleen maar mensen die hun eigen belang najoegen; smerige egoïsten en een antisociaal element dat uitgekotst was door de maatschappij, zoals de steenrijke heks die zich had afgezonderd en alleen haar eigen dierlijke lusten wilde bevredigen. De stem van papa klonk in het hoofd van Stephen. Allemaal dieven, moordenaars en kindermishandelaars, ze leven voor zichzelf en hebben geen enkel nut voor de maatschappij.

Nog enkele stappen – tussen bevroren bomen en struiken lag het schuilhol van de draak – het beest kwam tevoorschijn – felle gele ogen – zijn muil viel open – scherpe tanden werden zichtbaar – vlammen rolden over de bodem en raakten de schoenen van William die te dichtbij was gekomen. Stephen gooide kiezelsteentjes in de muil van het beest – vlammen doofden uit, de draak begon terug te kruipen in het gat waar het uit was gekomen. William nam korte, vlugge stappen en passeerde het domein van de draak, maar Stephen bleef staan – hij dacht aan een manier om het dier te doden. Er moest een manier bestaan om het kreng te doden.

Je houdt nog steeds je wapen vast,” zei William zonder over zijn schouder te kijken. Het klopte. In werkelijkheid had Stephen het pistool geen moment losgelaten – vergrendeld weliswaar – maar zijn vingers klemde om het wapen. “Ik geef je gelijk, want het is moeilijk om mensen te vertrouwen.”

De vampiervrouw vertoonde zich niet meer – Stephen had haar geëlimineerd. Ergens vond hij het jammer, omdat William toespelingen zou kunnen maken op haar uiterlijk – een test of hij ook moeder kende of ooit had ontmoet. William staarde naar de steen die nooit een steen was geweest – er was een brandplek zichtbaar – geen kogelgat – zo werkte het pistool van Stephen niet. Hun ogen ontmoetten elkaar heel even en daarna liepen ze verder. Enkele tientallen meters verder stak de speer in de boomstam, een sinister symbool van de dood. TIK. Heel lichtjes tikte Maanschaduw zijn zeis op de bodem. Het zou niet eens moeten kunnen, want hij stond op een modderige bodem. Stephen zou geen geluid mogen horen. TIK. Papa moest er een audio-effect aan toe hebben gevoegd. Nooit aan gedacht. “Afgezien van het gezicht, lijken we inderdaad sprekend op elkaar,” zei William.

Stephen zei geen woord, keek alleen naar de lange gedaante die onverstaanbaar stond te murmelen.

Toch moet ik indruk op je pa hebben gemaakt,” stelde William vast.

Is hij veroordeeld?”

Zover is het niet eens gekomen,” zei William, “want de koorts brak uit. Tijdens zijn transport viel het busje gewoon stil – iedereen dood, behalve je pa. Tja, de duivel schijt altijd op dezelfde hoop.”

Is dat even geluk hebben,” zei Stephen die meteen zijn woorden betreurde.

Weet je dat je vader in de pers ‘de sprookjeskiller’ werd genoemd? Nee, natuurlijk weet je dat niet.”

Je geeft het antwoord zelf al,” zei Stephen.

Rolluiken waren omlaag. Het computersysteem deed nog altijd zijn werk. Temperatuur zou enkele graden dalen, maar niet te veel – veel gevoelige technologie in huis die een gemiddelde van pakweg 15 graden nodig had. Kouder kon het niet eens worden. William stapte vastberaden naar de voordeur – de verkeerde voordeur natuurlijk – die ene met guillotine erin. Het zou makkelijk zijn om niets te zeggen en William dood te laten gaan. Heel simpel. Niets doen, niets zeggen. Tjak! Dood – . Stephen aarzelde net iets te lang,

William bleef staan en keek en zei: “Er is iets, hè. Nog een valstrik die je niet ziet – misschien wel de gevaarlijkste van allemaal. Je denkt – Zal ik het maar gewoon laten gebeuren? Heb ik gelijk?”

Ja.”

Je hebt dezelfde ogen als je vader – dat heb ik al een keer gezegd – geloof ik.”

Dacht het wel, ja.”

Ik kan niet naar binnen – er is iets. Met een vader als de jouwe kun je moeilijk anders verwachten.”

Klopt.”

Je hebt me helemaal tot hier gebracht en nu kan ik niet eens naar binnen.” Er viel een stilte die te lang duurde. Stephen keek naar de man wiens verwilderde baard hem een afstotelijk voorkomen gaf. Ook geen aardige man. Waren er nog aardige mensen op deze planeet? Stephen probeerde iets vriendelijks te doen voor deze man en zijn gezin, een sympathiek gebaar, maar Stephen vertrouwde hem niet of durfde dat niet te doen. William zou zich willen verschansen in het huis, net als Norah en Sally. Ze zouden nooit meer buitenkomen. En wat kon Stephen het eigenlijk schelen? Hij ging toch weg. Zijn bloed en dat van Ellen vormde de sleutel tot het beteugelen van een dreigende epidemie op de maan Europa.

De stilte duurde net iets te lang. William beantwoordde zelf de onuitgesproken vraag of hij een wapen op zak had.

Hij trok een pistool en richtte het op Stephen die gewoon afwachtte, zelfs niet met zijn ogen knipperde. William slikte wat moeilijk. “Je vader begon altijd over dat ene sprookje – weet je wel – Hans en Grietje – vandaar dat ze hem ‘de sprookjeskiller’ noemden. Want iedereen kent het sprookje. Niemand uitgezonderd. Je hoeft maar een paar woorden te zeggen – terwijl je een pistool op je slachtoffer richt – zoals ik nu doe – en iedereen snapt wat je bedoelt – echt iedereen. Helder nadenken is moeilijk als er een vuurwapen op je hoofd wordt gericht, maar jij bent de zoon van je vader. Jij moet het antwoord weten.”

En de vraag.”

Ja, de vraag – ja – die ook.”

Waarom doet de heks – wat ze doet?”

Precies – Waarom doet de heks – wat ze doet?”

Stephen dacht een doffe knal te horen, niet dichtbij, maar ver weg. Het gezicht van William verstijfde in een verbijsterde frons, terwijl er een rode vlek op zijn borst begon te verschijnen. Bloed. Het was bloed. Het pistool kletterde omlaag. Stephen keek over zijn schouder en zag enkele gewapende mannen op de muur staan, helemaal beneden, verspreid over een grote afstand. Tien soldaten. William viel als een blok voorover. Dood, hij was dood, terwijl Stephen het antwoord op de vraag wilde geven. Hij raapte het wapen voorzichtig op en schoof de vergrendeling terug. ‘De heks is schatrijk – kan al het voedsel kopen dat ze wil hebben, maar ze lokt jongetjes in de val en sluit ze op – de heks wil ze vetmesten en op een later moment opeten. Dit doet ze, omdat ze knettergek is – het oude wijf is stapel krankzinnig!’ Het duurde maanden voordat Stephen het antwoord had bedacht, vele maanden en talloze foute antwoorden later. Het dode lichaam van William lag bij de deur – gezicht naar beneden.

Stephen herinnerde zich papa die voor het eerst een compliment gaf. In al die jaren had papa maar één keertje een echt compliment gegeven. Nadat Stephen had gezegd dat het oude wijf stapel krankzinnig moest zijn om mensenvlees te eten terwijl ze in overvloed leefde. Ze had alles al. Zo simpel bleek het antwoord te zijn.

Het oude wijf had alles al.

 


de vlinder

Er was eens een vlinder in het prille najaar. De gure herfstregens waren toen nog niet begonnen. Het waaide amper. Desondanks begaven zeer vele mensen zich gehuld in warme wollen truien buitenshuis. De zon scheen onbarmhartig op de grote ruiten van het gebouw waar de schrijver woonde.

Op zekere dag, het was een donderdag in september, betrad hij zijn woonkamer en ontwaarde een vlinder die wanhopig rond dartelde. Het dier behield zijn gratie. Daarom dartelde hij ook rond. Herhaaldelijk vloog hij naar het raam waar de wereld op hem wachtte. De schrijver nam een beslissing over zijn toekomst. “Buiten ga je dood,” constateerde hij.

Hij begon nu in een vreemde gemoedstoestand te geraken en hij vloog van het licht af regelrecht het duister in – hij deinsde terug en begaf zich weer in omgekeerde richting en nestelde zich achter het glasgordijn.

Een ogenblik later ratelde zijn typemachine. De stilte keerde terug toen hij dacht zijn verhaaltje te hebben afgerond. Onder het inschenken van een beker koffie, kwam hij naar hem toe. Vleugels bewogen onhoorbaar.

‘Hierbinnen ben je ook ten dode opgeschreven,’  dacht hij en hij liet hem buiten – de wereld ingaan.

(c) Jos Smies, september 1992


(2) De verlaten aarde; Mama

De dag verstreek in stilte. Stephen en Ellen zaten schoolwerk te maken en zeiden geen woord tegen elkaar. Alsof er niets was gebeurd. Stephen bleef denken aan de wereld buiten de afrastering die zich afgelopen dag aan hem had getoond. Zoals het koninkrijk van de kakkerlakken, een gemeenschap met echte mensen niet ver hier vandaan en een gecrasht ruimtetoestel drie kilometer verderop. Mensen hadden staan zwaaien, een Europese vlag, blauw met gele sterren, en ze hadden om zijn aandacht gevraagd. Hij was doorgelopen en had de deur vergrendeld, iets wat hij nooit eerder had gedaan en het was nooit nodig geweest.

Maar vandaag had hij het gedaan, want ze waren niet welkom. Geen bordje op de deur. Ze merkten het vanzelf. Valkuil, Ivanhoe, de vuurspuwende draak, de vampiervrouw, de stalen speer, de guillotine. Ze zouden onmogelijk levend binnen komen. Papa had het huis zo gemaakt dat dat niet kon. Stephen hoefde alleen maar af te wachten en het buitennetwerk Joe zou zijn werk doen. Simpel, een kwestie van tijd. Morgen en anders overmorgen zou hij één of meer lijken terugvinden in de jungle. Stephen hoefde alleen maar af te wachten. Binnen deed hij zijn schoolwerk, beantwoordde vragen van Ellen, Stephen zou eten en drinken, slapen en oude televisieshows kijken, terwijl buiten ruimtereizigers de dood tegemoet gingen. Misschien zou Stephen liever binnen willen blijven. Het zou Jack opvallen en daarom zou Stephen alsnog naar buiten gaan. Het was aantrekkelijker en gevaarlijker dan normaal, omdat er mensen konden zijn. Behoedzaam zou hij langs schildwachten lopen, mechanische en digitale, tot hij het onvermijdelijke zou aantreffen – lijken van indringers.“Er is iets, hè?” vroeg Ellen na een uur. Ze moest iets in de gaten hebben gekregen. Ze begon ouder en verstandiger te worden, als een jonge vrouw. Ellen was er nog niet, maar begon er te komen en soms, zoals nu, leek ze al op een vrouw.

“Nee, er is niks.”

“Jawel, je moet eerlijk zijn, Stephen, het moet.”

Jack verscheen in de deuropening. De lichtinval veranderde een beetje. Hij kwam controleren of ze bezig waren. Ja, dat waren ze. Een paar seconden geleden nog wel tenminste. Jack zei geen woord, draaide zich om en liep weer weg.

“Je liegt, Stephen,” zei Ellen.

Er waren vijf telescopen in de studeerkamer van papa en het was volstrekt duidelijk dat Ellen helemaal niets had gezien. Had ze geen belangstelling voor de buitenwereld of geloofde ze naar een gigantische televisie te kijken en de programma’s terug te kunnen zien wanneer ze maar wilde? Natuurlijk – Ellen begon volwassener te worden, maar reageerde vaak genoeg als een kind.

“Er zijn overlevenden op het ruimteschip. Ze stonden buiten en droegen parka’s. Het zijn Europeanen.”

“Gaaf – betekent het dat we mee mogen gaan naar de Maan of Mars?”

“Het betekent alleen dat er overlevenden zijn, Ellen, meer niet.”

“Nu klink je net als papa.”

“Ik hoop het,” zei Stephen. Hij had de halve waarheid verteld. Niets over het koninkrijk van de kakkerlakken. Veel concrete feiten wist hij niet eens te vertellen. Alleen dat er overlevenden waren geweest, mensen die om zijn aandacht schreeuwden.

“Denk je dat we altijd hier zullen wonen?”, vroeg Ellen die haar pen neerlegde. Een paar weken geleden eiste Jack ineens dat ze hun schoolwerk voortaan met een vulpen deden. Ze moesten er allebei aan wennen, maar het ging steeds beter. Ellen plaatste de dop terug, anders zou de inkt verdrogen. Er klonk een zachte klik.

“Soms denk ik eraan,” zei Stephen, “en wil ik ontzettend graag de wereld gaan verkennen, maar het is er erg gevaarlijk – onvoorspelbaar – er zijn monsters. Het is niet veilig. Niet zoals in ons huis.”

“Maar – als die mensen nou naar ons huis komen – dan kun je ze toch altijd vragen of ze ons mee willen nemen naar de Maan?”

“Ik denk niet dat ze zover zullen komen, want papa heeft overal aan gedacht.”

“Jack heeft verteld over Beveiligers,” zei Ellen.

Stephen had altijd gedacht dat Jack nergens van wist – en papa heeft het ook altijd gezegd. Nu bleek dat hij zelfs een naam had bedacht voor de dodelijke valstrikken die buiten op de loer lagen. Zelfs Ellen kon er over vertellen, terwijl Stephen altijd heeft geloofd de enige te zijn die ervan op de hoogte was – omdat papa dat dacht.

“Wanneer heeft hij daarover gesproken?”, vroeg Stephen die zakelijker klonk dan hij feitelijk wilde.

“Je had toch een nagel in je broekzak? Nou, daaruit heeft Jack geconcludeerd dat er, zoals hij het noemde, een ‘robuuste bewaking’ moest bestaan. Beveiligers. We hoefden nergens bang voor te zijn – niemand zou het huis kunnen binnendringen, want papa had overal aan gedacht. Jack hoopt dat jij je wandelingen in de tuin eerdaags beu zal worden.”

“Wanneer? Vanochtend? Gisteren?”

“Vanochtend. Toen je buiten was.”

Hij probeerde naar zijn zusje te kijken alsof ze dit gesprek al eens eerder hadden gevoerd. Er bestonden twee netwerken, eentje voor binnen, eentje voor buiten, Jack en Joe. Volgens papa wisten ze niet van elkaars bestaan en dankzij een stomme fout van Stephen had Jack nu toch het geheim ontdekt. “Ja, hij heeft gelijk. We zijn volkomen veilig in huis, maar ik moet af en toe naar buiten. Voor jou zou het ook beter zijn.”

“Dat zou ik wel leuk vinden, denk ik,” zei Ellen, “al mag het misschien niet van Jack.”

“’t Is een beetje gevaarlijk,” legde Stephen uit.

“Ook voor ons?”

“Als je niet oppast,” zei Stephen die een glimlach forceerde. Het hielp om opgewekter te klinken dan hij zich voelde – minder serieus. “Vroeger was het gevaarlijk, omdat we in een rijk huis leefden. Nog steeds trouwens. We hebben alles, komen niets te kort. Daarom heeft papa de – Beveiligers – gebouwd. En mama heeft natuurlijk geholpen. Ze zullen best wel veel samen hebben gedaan.”

“Vulpennen,” zei Ellen die haar pen omhoog hield, “dat je aan zoiets denkt als iedereen dood gaat.”

“Jack vindt dat je je handschrift moet oefenen – je motoriek – .”

“En het is moeilijker dan een gewone balpen.”

“Ik hou er ook niet van.”

Er begon een gesprek te ontstaan over alledaagse zaken. Stephen voelde zich allang opgelucht dat er geen nieuwe vragen meer werden gesteld over de jungle. Hij had al te veel gezegd. Jack was nu ook op de hoogte van de valstrikken, het buitennetwerk. Stephen vroeg zich af of ze gesprekken met elkaar zouden voeren, zoals hij met zijn eigen zus sprak.

Om half zes gingen ze eten. Zoals gewoonlijk zette Jack twee borden op tafel en liet hen vervolgens alleen. Geen soep vooraf, wel een stukje vlees, groente en aardappelen. Natuurlijk begrepen ze dat het vlees niet uit een echte koe was gehaald. Er stonden apparaten in de bijkeuken waarmee je vlees, groenten, aardappelen, alles wat je maar moest kunnen eten, kon máken. Jack gebruikte er ingrediënten voor die in enorme aantallen in de kelder lagen. Helemaal beneden. Drie deuren. Eentje die toegang verschafte tot de voorraden, een tweede waarmee je in de computerkamer kon komen, een derde naar de energiecentrale. Mocht Ellen zin hebben in een paarse karbonade, dan kon ze er eentje krijgen. Het zag er wel vreemd uit. Qua smaak maakte het weinig verschil. Volgens Jack hadden ze voldoende voedsel en energie om het nog eens honderden jaren vol te houden. Stephen herinnerde zich één gelegenheid waarbij hij in de voorraadkamer was geweest. De computerkamer had hij vaker betreden. Er stond een bureau met stoel op wieltjes. Verder waren er alleen maar eindeloze rijen met kasten vol elektronica. Alle servers die nodig waren, of gebruikt werden, om de hologrammen aan te sturen in de jungle. Sinds papa dood was, kwam hij er nooit meer. Deuren bleven voor Stephen gesloten. Hij moest er pincodes voor hebben en die had Stephen nu eenmaal niet.

Half tien ging Ellen naar bed. Stephen bleef voor de televisie hangen tot bijna elf uur. Elke avond hetzelfde. Om zeker te zijn dat ze op tijd in bed zouden liggen, ging de energievoorziening in huis op stand-by. Om elf uur. Wat hij ook deed. Welke film hij ook zat te kijken. De televisie – het licht – om elf uur precies werden alle zogeheten recreatieve functies uitgeschakeld – een film ging volgende ochtend om precies zeven uur weer verder.

Voor het raam van zijn slaapkamer bleef hij staan kijken. Beneden lag het terras dat deels over de rivier hing – nog verder weg – zeker drie kilometer – het ruimtetoestel dat in een gestolde zee van sneeuw, ijs, beton en staal terecht was gekomen. Geen redders in nood. Er was niemand gekomen om de schipbreukelingen op te halen. Misschien hoefde niemand haast te maken, omdat ze zich toch wel wisten te redden en hadden ze net zulke handige systemen aan boord als Stephen en Ellen in de bijkeuken – genoeg ingrediënten om paarse karbonades te maken. Hij liet zich op bed neervallen en slaagde er niet in de slaap te vatten. Het was logisch dat de schipbreukelingen in elk geval zouden proberen het huis op Heuvel 18 te bereiken. Zouden ze het weten? Zouden ze weten dat je het beter niet kon proberen? Waarom zouden ze het niet proberen? Stephen zou het zelf ook proberen.

Volgende ochtend werd hij om half acht wakker. Een normale tijd. Na een korte douche, kleedde Stephen zich aan en ging aan tafel. Ellen zat er al. Zijn zusje bleek al klaar met haar ontbijt. Jack stond bij het raam. Daarginds ergens lag het ruimtetoestel. Slechts drie kilometer. Ongeveer. Je zou het makkelijk moeten kunnen lopen. Met de juiste middelen natuurlijk, sneeuwschoenen, zoals Stephen vaak genoeg had gedragen tijdens zijn tochten. Hij at twee boterhammen, eentje met hagelslag, eentje met kaas. Ook dronk hij er een glaasje melk bij. Niet omdat hij zo graag wilde ontbijten, maar omdat het moest – van Jack, die soms erg veel op papa leek.

“Ga je naar buiten?”, vroeg Ellen die het antwoord toch allang wist. Hij ging altijd. Dus vandaag ook.

“Altijd toch?”

“Doe toch maar voorzichtig,” zei Jack.

Jack zou het nooit verbieden. Stephen ging altijd naar buiten als hij dat per se wilde. Hij droeg dezelfde parka die hij gisterochtend ook had gedragen – zelfde wapen met opnieuw dezelfde negenentwintig patronen die nooit waren gebruikt. Stevige schoenen waarmee hij bergen kon beklimmen.

Vertrouwd ritueel. Jack en Ellen die achter het raam stonden te kijken tot hij uit zicht verdween. zolang duurde het niet eens. Want de heuvel was erg steil. Hij had de ritssluiting van zijn jas omhoog getrokken, capuchon over zijn hoofd, ijskoude wind prikte in zijn gezicht of het deel dat nog bloot lag.

Indringers moesten over de muur klimmen en vervolgens voorbij de valstrikken zien te komen. Allemaal. Niet alleen langs de route die hij het meest van allemaal heeft gevolgd. Er waren er meer, routes, lijnen – papa had het altijd over lijnen – in totaal zes – en feitelijk zeven – want Maanschaduw had geen vaste plek. De zeven lijnen van Satan. Zes vaste routes volgepakt met afschrikwekkende valstrikken en een zevende die je overal tegen het lijf zou kunnen lopen mits het bewolkt was.

Hij liep naar beneden en bleef waakzaam. Zijn wapen bleef vergrendeld, omdat hij niet werkelijk iemand tegen het lijf verwachtte te lopen. Toch was er een compleet andere toestand. Een neergestort toestel dat hun leven was binnengedrongen. Hij bleef bij de vampiervrouw staan, of de plek waar ze behoorde te zijn, maar er was helemaal niemand. De zon scheen. Een nachtwezen vertoonde zich niet zolang zonnestralen met glinsterende ijskristallen speelden. Stephen dwong zichzelf oplettend te blijven. Er zouden indringers kunnen zijn. Vandaag weer wel. Hij passeerde de draak en zorgde ervoor buiten bereik van de vurige adem van het beest te blijven. Er volgde een bocht – en nog één. Ivanhoe, de ridder uit een oeroude televisieserie, wachtte op hem. Bodem voelde zacht aan, modderig bijna, er lag geen sneeuw meer. Het zwaard van Ivanhoe zweefde gevaarlijk door de lucht, maar er bleef nog altijd een afstand van een meter. Er lag minder sneeuw dan hij in maanden had gezien, zelfs na de sneeuwstorm, zodat indringers zich niet goed zouden kunnen oriënteren op de voetstappen die Stephen had achtergelaten.

Bomen waren ijzige standbeelden in een lege wereld. Geen stemmen. Geen bewegingen. Niets. Onderaan lag de kuil. Er ging een rilling door zijn lijf en het was niet de kou die dat veroorzaakte. Twee mannen waren in het gat gevallen. Bamboestaken priemden dwars door hun borst. Hij dwong zichzelf te kijken naar de vreemdelingen. Mannen die zonder extra bescherming het ruimtetoestel hadden verlaten. Geen prachtig vormgegeven pakken die elke kans op een virale besmetting moesten uitsluiten. Doodgewone parka’s. Geen gezichten, geen huidskleur, alleen kleding, handschoenen. Stephen zag wapens liggen, vuurwapens ongetwijfeld, maar hij herkende ze niet. Veel moderner natuurlijk dan het arsenaal van papa. Het had hen niet geholpen. Ze waren evengoed dood. De punt van een laars was in de modder blijven steken. Hij duwde een broekspijp weg en ontdekte een mes dat met tape op de huid was vastgeplakt. Extra wapen. Altijd handig als je gefouilleerd werd. Goed om te onthouden.

Stephen trok het los, drukte op het knopje en een lemmet flitste tevoorschijn. Hij schrok er een beetje van, maar herinnerde zich in oude films wel eens zoiets te hebben gezien. Hij boog het lemmet terug en stopte het mes in zijn jaszak.

Stephen haalde de balk weg die hij achter twee stalen beugels had neergelaten. Ideetje van papa. Zo had je nooit een sleutel nodig en toch zou de deur altijd stevig genoeg zijn vergrendeld. Deur gleed open. Stephen verwachtte kerels die buiten zichzelf waren van woede en wraak wilden nemen.

Er was niemand. Er lag alleen sneeuw, ijs. Muren en een stukje van het dak staken overeind. Geen mensen, geen dieren. Misschien waren er maar drie of vier personen aan boord van het schip. Het zou kunnen. Hoeveel mensen heb je nou eenmaal nodig om zo’n toestel te besturen? Stephen bleef in de deuropening staan en besloot terug te keren naar huis. Hij vergrendelde de deur opnieuw en liet de balk achter de beugels zakken. Het zou best kunnen dat de kameraden van die mannen een poging zouden wagen hen op te halen – een fatsoenlijk graf te geven – maar om het karwei te klaren had je minstens vijf of zes kerels nodig.

Toch bleef hij een korte tijd bij de valkuil staan. Papa vond het nooit zo boeiend wie of wat de jungle wist binnen te dringen, zolang ze maar doodgingen. Aan de ranke gestalten kon hij zien dat ze niet erg oud waren geweest. Andere mensen dan hij normaal zag, zoals de oude man die verleden jaar tegen de boom werd geprikt. Nou ja, er hing nergens een bord waarop stond dat ze welkom waren. Stephen begon weg te lopen en vertelde zichzelf dat het lot van indringers altijd en eeuwig hetzelfde zou blijven.

Jack heeft verteld over Beveiligers. Stephen volgde het pad omhoog en stapte heel behoedzaam om Ivanhoe heen die zoals steeds gevaarlijk met zijn zwaard zwaaide. Zon verdween achter een wolk. Hij liep verder. Net als de vorige keer voelde hij een broeierige, warme wist rond zijn enkels. De vampiervrouw verscheen in een wolk van witgrijze dampen die het bos deels aan het zicht onttrok. Stephen deinsde achteruit en voelde – voor de eerste keer – de dreiging – het gezicht van de vrouw – nee, geen vrouw, maar een holografische projectie – lang donkerblond haar viel over borsten die klein waren uitgevallen – ze droeg een witte, doorschijnende jurk en haar hoektanden staken als dolken omlaag – en er droop bloed uit haar mond – digitaal bloed, zoals altijd. Anders dan gisteren deed het gezicht van de vrouw hem aan zijn eigen moeder denken. Ellen had een foto van mama op haar nachtkastje staan, zodat ze er toch een beetje bij was. Een beetje levend en niet dood. Stephen herkende het gezicht van zijn eigen moeder. Dit was die vrouw. Nooit geweest, vandaag ineens wel. Het deed hem denken aan de hellehond die een witte vacht bleek te hebben gekregen.

Hij loste een schot – of wilde dat doen – en kwam tot de ontdekking dat het wapen nog altijd was vergrendeld. Het zou ook geen enkel effect hebben. De vampiervrouw was een hologram. Stephen liep naar huis – onderweg controleerde hij of er misschien stukjes nagel waren achtergebleven in zijn jas. Vandaag was hij schoon.

Terwijl hij de voordeur opentrok, keek hij omlaag. Er moest nog enige schrik op zijn netvlies zijn achtergebleven. De vampiervrouw was mama geworden. Bizar. Nooit eerder opgevallen. Vandaag ineens wel. Stephen hing zijn jas op, trok zijn schoenen uit en legde het wapen in de kluis. Hij begroette Ellen die natuurlijk wilde weten of er nog spannende dingen waren gebeurd. In zijn gedachten zag hij steeds opnieuw, alsof het de eerste keer was, de vampiervrouw uit een witgrijze wolk opdoemen.

Stephen dwaalde door het huis – zocht naar een antwoord. Was het de allereerste keer geweest dat hij goed naar de vampiervrouw had gekeken? Of had hij al die tijd haar gezicht vermeden, half onverschillig en tevreden met de afschrikwekkende kracht van een holografische demon? Hij stelde zich in de deuropening van Ellens slaapkamer op en staarde enige tijd naar de foto. Geen twijfel mogelijk. Dit was die vrouw. Zijn moeder lachte naar de fotograaf – en Stephen verbeeldde zich dat het papa moest zijn geweest. Een echte, ongedwongen lach. Ook de ogen van mama lachten mee. Een sterke jonge vrouw. Geen kraaienpootjes. Dezelfde vrouw. Mama was de vampiervrouw. Sinds vandaag, nooit eerder geweest, zoals de hellehond altijd, winter en zomer, een bruine vacht heeft gehad. Nu niet meer. Hij slaagde erin zich los te maken van de lachende vrouw, een extreme close-up, een vrouw die zich betrapt voelde bij haar werkzaamheden.

In de keuken zette hij een kopje koffie voor zichzelf, thee voor zijn zusje – en liep naar de schoolkamer. Ellen verdiepte zich in haar minst favoriete vak, wiskunde, maar over een week volgde er een toets – dan moest ze er klaar voor zijn. Jack was een strenge leraar. “Alsjeblieft,” zei Stephen. Bovendien konden ze, behalve eindeloos ronddwalen in huis, weinig anders doen dan oude series kijken, boeken lezen, schoolwerk doen. Ja, schoonmaken, als ze het echt te gek hadden gemaakt. Jack liet hen wel eens voor straf schoonmaken. Het toilet bijvoorbeeld. Een doffe tik. Ellen keek omhoog en veegde donkerblond haar over haar schouders. “Dank je.”

Stephen begon aan aardrijkskunde, niet eens zo heel erg moeilijk, maar wel taaie stof. Hij probeerde te vergeten dat ze allebei hun hele leven op Heuvel 18 zouden doorbrengen. Er zouden nooit avonturen volgen. Stephen zou nooit als een moderne Vasco da Gama op onderzoek gaan. Er was trouwens niets meer om te ontdekken. Papa heeft het vaak genoeg gezegd. Er waren alleen steden die volledig waren verwoest, verdwenen onder dikke lagen sneeuw en ijs, monsters die toendra’s bevolkten – waar de wind vrij spel had – een handjevol mensen die vochten om in leven te blijven. Zou papa hebben geweten dat er een echt koninkrijk bestond niet ver hier vandaan?

En waarom zou je jezelf willen vergelijken met kakkerlakken? De vraag bleef op zijn tong liggen. Hij nam een slok koffie voordat hij het boek opensloeg. Ellen zat naar hem te kijken. Heel even herkende hij een onuitgesproken vraag achter haar netvliezen. Het koninkrijk van de kakkerlakken kon een vluchtoord zijn – een plek om te onthouden.

’s Avonds laat en Ellen lag op bed. Stephen zat achter een telescoop – probeerde de wereld dichterbij te halen. Papa moest vroeger hebben gezien hoe mensen doodgingen. Niet tientallen of duizenden, maar miljoenen. Zou je buiten de bevroren karkassen van mensen kunnen aantreffen? Papa en mama kwamen al in een vroeg stadium in het huis terecht en zouden er nooit meer levend weggaan. Ze waren er allebei gestorven. Ook Stephen en Ellen zouden er ooit sterven.

Het moest nog elf uur worden. Boven zijn hoofd hing een lamp die zachtgeel licht verspreidde. De telescoop liet een diep bevroren vlakte zien, geen natuurlijke heuvels, of zandhopen, maar resten van gebouwen die er ooit waren geweest. De vlag wapperde niet, maar stond strak en was goed zichtbaar. Blauw met gele sterren. Twee minuten voor elf. Hij liet de rolluiken zakken. De wereld werd het huis waarin hij leefde. Er speelde klassieke muziek, maar alle oude muziek was klassiek. Er bestond niets anders meer. Jack verscheen in de deuropening en Stephen was gaan zitten – voeten lagen op een tafeltje. Thee stond koud te worden.

“Is er iets?”, vroeg Jack.

“Nee – moet er iets zijn?”

“Heb de indruk van wel.”

“Sorry, ik zal voortaan beter mijn best doen.”

“Mijnheer Harold had ook zijn melancholieke buien en het lijkt erop dat jij ze hebt geërfd.”

“Ik zou naar buiten willen gaan – de wereld ontdekken – alles is beter dan je hele leven binnen de muren van dit huis te zijn en wachten tot je doodgaat.”

“Er is niets meer. Dat weet je toch?”

“Soms denk ik dat er nog een heleboel is.”

“Denk niet dat Ellen je zal willen volgen.”

“Jack, laat me nou maar alleen.”

“Dat zal ik nou nooit kunnen begrijpen.”

Jack draaide zich om en liep weg. Het licht begon langzaam uit te doven. Elf uur. Toch bleef hij nog bijna een half uur zitten voordat hij het laatste beetje thee had opgedronken en naar bed ging. Stephen poetste zijn tanden, liet zich op bed vallen en begroef zijn lichaam onder het dekbed. Het was bijna twaalf uur toen zijn ogen dicht vielen.

Volgende ochtend werd hij laat wakker – bijna tien uur. Het was zaterdag, dus lag er nu eens geen schoolwerk te wachten of andere klusjes die per se gedaan moesten worden. Hij staarde naar het plafond en zag hoe het daglicht zijn kamer wilde binnendringen. Temperatuur voelde lekker aan. Straks zou hij een ontbijt klaarmaken en een oude tv-serie kijken, zoals hij eigenlijk altijd deed.

Na bijna een kwartier begon hij opnieuw in slaap te vallen, maar de stem van Ellen echode door het huis en haar stem verraadde honderd procent verbijstering. “Stephen! Jack!” Stephen liet zich uit bed vallen, stapte half struikelend in een broek, een T-shirt had hij al aan. Op blote voeten rende hij naar beneden en vond Ellen die bleef schreeuwen. Het ondenkbare moest zijn gebeurd, iemand had alle valstrikken overleefd en de voordeur bereikt. Dat moest het zijn. Er was nog altijd de guillotine. Ze zouden niet binnenkomen. Niet levend.

Ellen stond voor het raam – net als Jack. Ze keken allebei naar een gedaante die naar binnen keek. Het was enige wat de indringer deed. Staan en wachten.

Geen man, maar een vrouw. Haar capuchon wierp een donkere schaduw over haar gezicht. Ze droeg geen wapen, althans – niet zichtbaar. Armen staken omhoog, alsof ze zich wilde overgeven. Stephen probeerde iets te zeggen – zocht naar woorden. De vrouw had niet alleen alle valstrikken gepasseerd – ze bleef staan waar ze stond en kwam niet dichterbij.

“Ik ga een wapen halen,” zei Jack die weg begon te lopen.

Stephen en Ellen bleven naar de roerloze gedaante kijken. Ze was alleen. Hij herkende het symbool dat bij het ruimtetoestel hoorde. Blauw met gele sterren.

“Ze is van het ruimteschip, hè?”, vroeg Ellen.

“Ja.”

De onbekende stak een vinger omhoog. Eén vinger. Het moest betekenen dat ze alleen was. Misschien waren er metgezellen geweest, maar hadden ze het niet overleefd. Pure mazzel dat ze zover had kunnen komen. Het moest gewoon mazzel zijn.

Jack betrad de kamer en droeg het wapen dat Stephen ook steeds had meegenomen.

“Laten we haar binnen?”, vroeg Ellen.

“Tuurlijk – we zijn geen monsters.”

“Laat de vrouw maar binnen,” zei Jack.

Stephen maakte de tweede deur open, zijdeur, omdat hij de guillotine niet mocht activeren. “Kom maar,” zei hij en de vrouw passeerde hem met half opgestoken armen. Stephen zag haar gezicht niet – ze bleef naar de vloer kijken. Ze ontweek zijn ogen, had nog altijd geen woord gesproken.

“Ik ben ongewapend,” zei ze en de vrouw bleek een uiterst vriendelijke, zachte stem te hebben. “Je mag me fouilleren als je wilt.” Armen bleven omhoog gestoken. Stephen begon de vrouw te fouilleren, zoals hij in oude films en tv-series ook altijd zag gebeuren. Ze droeg geen wapens, alleen een mobiele telefoon. Dat was alles. Stephen stapte achteruit.

Ogen van Ellen sperden wagenwijd open. Stephen dacht aan de holografische bewaker, de vampiervrouw die hij gisteren had gezien. Dit was die vrouw. Maar hij zag nu een echt, menselijk wezen, een gezonde vrouw. Mama, maar dan vele jaren ouder. Jack vergrendelde het wapen. Er zouden geen schoten gelost worden. Ellen probeerde de lettergrepen uit te spreken – er ontsnapte alleen lucht aan haar mond. De vrouw begon haar jas uit te trekken en gooide hem over een stoelleuning. Zijn zusje leek op de vrouw die daar stond, zoals Stephen op zijn eigen vader leek. Dit was die vrouw die destijds dood was gegaan. Zelfs voor Stephen was het erg lang geleden en hij wist niets over mama, behalve dat ze lang geleden dood was gegaan. “Jack – vertel de kinderen eens wie ik ben.”

“Stephen, Ellen, ik zou jullie graag willen voorstellen aan jullie moeder – ik dacht – we dachten dat ze dood was, maar mevrouw Anne blijkt alles behalve dood – mevrouw Anne leeft nog.”

Stephen herkende haar gezicht, want gistermiddag heeft ze lachend naar hem gekeken, een mooie bevrijdende lach. De vampiervrouw leek absurd veel op mama. De lippen van Ellen vormde opnieuw het woordje ‘mama’, alsof de vrouw elk ogenblik zou kunnen verdwijnen – als een nachtwezen in de jungle dat oploste bij de eerste zonnestralen.

“Mama?”, vroeg Ellen die haar handen op het gezicht van haar moeder legde.

“Jawel – ik ben het – ècht.”

Dus papa heeft gelogen. De woorden dreunden in het hoofd van Stephen, maar hij sprak niet.

Ellen wilde jaren geleden een foto van mama, omdat moeder was gestorven direct na de bevalling – ze voelde zich altijd schuldig aan de dood van mama – en nu bleek mama gewoon te leven – terwijl papa altijd heeft gezegd dat ze dood was gegaan. Stephen schudde met zijn hoofd, zocht naar woorden, maar bedacht alleen dingen die hij niet wilde denken. Als papa heeft gelogen over de dood van mama – Wat heeft hij dan nog meer gelogen? Stephen herkende de gelaatstrekken van de foto – dezelfde lach – dezelfde sprankelende ogen, alleen waren er een paar kraaienpootjes ontstaan. Vingers van mama gleden voor het eerst door het donkerblonde haar van Ellen. Dus papa heeft gelogen over de dood van mama – want mama is helemaal niet dood.

“Ik zal het wapen opbergen,” zei Jack die zich weer omdraaide en de kamer verliet.

“Ben je alleen?”, vroeg Ellen.

“Ja,” zei moeder, “want we zijn al twee jongens kwijtgeraakt die me niet geloofden toen ik zei dat het zo gevaarlijk was op de heuvel.”

De ogen van Stephen en zijn moeder ontmoetten elkaar. “De valkuil,” zei Stephen die zijn eerste woorden sprak sinds moeder binnen was gekomen.

“En jij bent de jongen die we hebben gezien,” en moeder sprak haar woorden zonder enig verwijt.

Stephen zei niets. De stem van zijn vader galmde waarschuwend in zijn hoofd, maar moeder stond voor hem en ze bleek een aardig iemand te zijn. Net als op de foto. Papa sprak altijd de waarheid. Veel meer hoefde Stephen nooit te onthouden. Als papa heeft gelogen over de dood van mama? Wat zou zijn vader nog meer hebben gelogen? Ineens stond een vrouw op de stoep die de moeder van Stephen en Ellen bleek te zijn, een vrouw die allang dood had moeten zijn.

“Onze scanners wezen uit dat er twee jonge mensen in huis leefden, jongen en meisje. Ik kon alleen maar bidden dat jullie het waren, maar er moest nog een derde zijn, een oudere man, jullie vader – .” Ze stopte even met praten. “Dat had het spannend kunnen maken,” ging ze na een tijdje verder. Jack kwam terug en hield zich buiten het gesprek. “Waar is jullie vader?”

“Papa is over de rand gestapt,” verklaarde Stephen.

“Hij kreeg de koorts,” zei Ellen. “het was erg droevig en ik heb heel erg veel gehuild.”

“De koorts – ja – ja – jullie zijn er gelukkig allebei nog – dus hij is dood – hoelang al?”

Geen emotie in de ogen van moeder. Stephen zocht naar de goede woorden, maar het idee, dat alles wat zijn vader ooit had verteld niet waar zou kunnen zijn, was te gruwelijk voor woorden. Alles. De zekerheden die papa etaleerde – dus papa heeft al die tijd gelogen. “Wat is er gebeurd? Hoe kan zijn het dat je hier ineens voor ons staat, terwijl we dachten dat je dood was gegaan?”, vroeg Stephen wiens brein hem geen seconde rust gunde.

“Nou ja, ik werd ziek,” zei moeder, “en dus heb ik gedaan wat ik – volgens onze afspraak – moest doen en ben weggegaan.”

“Kreeg je de koorts?”, vroeg Ellen die het niet kon en wilde geloven.

“Ja, lieverd, ik kreeg de koorts en ben tevens de eerste mens die er ooit van is genezen.”

“Dan had je toch gewoon terug kunnen komen?”, vroeg Stephen die zich erg opgelucht begon te voelen, omdat papa kennelijk niet zo’n leugenaar is geweest als hij eventjes leek te zijn. Papa en mama hadden een prima huwelijk tot de koorts daar genadeloos een einde aan maakte. Eerst mama, toen papa, al gebeurde dat vele jaren later.

“Nee, jongen,” zei moeder, “je hebt geen idee, als je je hele leven in dit huis hebt gewoond en nooit buiten bent geweest – en dan bedoel ik ècht buiten. Jullie zijn er alle twee te jong voor en kennen de beelden ook niet – godzijdank. Het was oorlog en iedereen zocht naar het geneesmiddel. Ik kreeg de koorts, maar herstelde van de ziekte en dat was voor het eerst.”

“Ze hebben je niet gedood,” stelde Jack vast.

“Ik heb niemand verteld dat ik ziek was, omdat de koorts op een heel andere manier verliep dan ik en iedereen kende. Een gigantisch risico natuurlijk. Erg onfatsoenlijk jegens de mensen die me hebben opgevangen trouwens. Maar ik ben weer genezen. Uiteraard heb ik onderzoek gedaan, of laten doen. Daar is uit gebleken dat ik immuun ben geworden voor de koorts. We hebben een vaccin ontwikkeld en bij verschillende proefpersonen toegediend. Ik heb mezelf als vrijwilliger aangeboden en het middel aan zieken gegeven die in de dagen erna weer genazen van de koorts. Het duurt tegenwoordig wel een paar dagen voordat je dood bent. Anders dan in het begin, toen had je maar enkele uren nodig. Het virus is veel minder actief bij extreem lage temperaturen.”

“Dan verdien je een Nobelprijs,” zei Jack.

Moeder keek enkele ogenblikken peinzend naar de robot die zomaar een grapje leek te hebben gemaakt.

“Andere mensen hebben het meeste werk gedaan, al zijn ze zich wel kapot geschrokken toen ik mijn bekentenis had gedaan – ik heb de koorts gehad en ben weer genezen.”

“En toch ben je bijna tien jaar weg geweest,” zei Stephen.

“Dat was niet mijn keuze,” zei moeder, “toen we het vaccin hadden gemaakt – en bleek dat mensen wel ziek konden worden van de koorts, maar er niet meer aan dood gingen – waren onze mensen op de Maan en Mars erg geïnteresseerd. Dus kwam er een schip. In plaats van mij de kans te geven partner en kinderen op te halen, namen ze me als een soort prijsvarken mee naar de Maan – alwaar ik gedurende een zéér lange tijd ben onderzocht – alles bij elkaar ben ik een jaartje of drie in quarantaine geweest.”

“Dus je bent op de Maan geweest,” zei Ellen.

“Moet ik misschien iets van een ontbijt op tafel zetten, mevrouw?”, vroeg Jack die beleefder klonk dan normaal.

“Jij komt zo te zien rechtstreeks uit bed, Stephen,” merkte moeder op, nadat ze zijn ongewassen gezicht en haren had bestudeerd.

“Klopt,” zei Stephen.

“Zet maar een paar sandwiches op tafel.” zei moeder en Jack verliet de kamer.

“Hoe is het op de Maan, mama?”, vroeg Ellen. Stephen wist dat zijn zusje alleen maar alles wilde weten wat mama had meegemaakt en gezien.

“Veel onderzoeken gehad,” zei moeder die de deur in de gaten bleef houden, “en – o – die mensen waren wel aardig, hoor, ik had bijvoorbeeld een keurig appartement ter beschikking, maar ze bleven me binnenstebuiten keren en dat heeft enkele jaren geduurd. Drie jaar, een maand, twee weken en vijf dagen – om precies te zijn. Om te beginnen hebben ze een belangrijke wet moeten opschorten, zodat ze mij konden ophalen van aarde – een wet die het verbiedt er een voet aan grond te zetten of zelfs met een bemand toestel de atmosfeer binnen te gaan. Mijn – eh – gastheren wilden eerst voor 1000 procent vaststellen dat er geen gevaar meer bestond – èn – dat het vaccin effectief zou zijn. Daarom duurde het zolang voordat ik mijn gouden kooitje mocht verlaten. Het vaccin werkte zo goed dat de autoriteiten nieuwe expedities naar de Aarde hebben verboden. Ik heb niet zo goed gereageerd op het nieuws dat we elkaar niet zouden terugzien – voorlopig niet tenminste – ik bleef hoop houden.”

“Dan moet er toch iets zijn veranderd,” zei Stephen.

“Ja – klopt,” zei moeder, “toen ze toestemming gaven naar buiten te gaan, dus vrij rond te lopen in de stad, bleek ook nog dat ik een relatieve beroemdheid was geworden. Waren ze vergeten te vertellen. Mensen kenden mijn gezicht. Ik heb eerst een kopje koffie gedronken op een terrasje – altijd van gedroomd om dat te doen. Vanaf dat moment kende ik nog slechts één missie in mijn leven. Kinderen ophalen.” Moeder zweeg enkele ogenblikken, terwijl ze dit zei. “Maar er was geen enkele prioriteit meer. We hadden immers een geneesmiddel. Aarde was weer verboden gebied. Dat heeft erg lang geduurd. Een maand geleden is de koorts uitgebroken op de maan Europa – Jupiter – weet je wel – en er zijn mensen doodgegaan – vooral oude mensen, maar belangrijker nog – het virus dreigt te gaan muteren – wetenschappers verwachten dat dat zal gebeuren en ineens kan er weer van alles. Zoals een bemande reis naar de Aarde, zodat ik mijn kinderen kan zoeken en meenemen naar de maanbasis. Stephen en Ellen. Jullie vormen de sleutel tot het vaccin. Twee zwangerschappen hebben mijn lichaam veranderd. Het bloed in jullie lichamen blijkt goud waard te zijn. Daarom hebben twee collega’s, onvoorzichtige collega’s, hun leven op het spel gezet om jullie te halen. Ze vonden de schok te groot als ik persoonlijk zou verschijnen. Ik wist wel dat ikzelf had moeten gaan – meteen al.”

“Maar het schip is gecrasht,” zei Stephen.

“Onze Hoofd Techniek beweert alle reparaties te kunnen uitvoeren en de kapitein heeft vertrouwen in hem. We vertrekken zelf weer en gaan naar Europa.”

Jack betrad de woonkamer met een schaal vol sandwiches die hij op tafel neerzette. “Er is voldoende voor iedereen,” zei hij en Jack ging meteen weer weg.

“Je bent de enige die het huis heeft weten te bereiken,” zei Stephen, “dat is niemand anders ooit gelukt.” Hij pakte een sandwich met kaas.

“De ridder verraste me bijna – en die vampiervrouw vond ik wel grappig – echt iets voor jullie vader om zoiets te bouwen – al is het nogal grof – ik kende de uitbouw niet – jullie vader moet paranoïde genoeg zijn geweest om daar ook iets ellendigs mee te doen,” zei moeder.

“Klopt ook, er zit een valbijl in verwerkt,” zei Stephen.

“En wanneer had je me dat allemaal willen vertellen, Steve?”, vroeg Ellen.

“Ik wachtte op een goed moment.”

“Waarom heeft de vampiervrouw mijn gezicht gekregen, verdorie?”, vroeg moeder – die geïrriteerd probeerde te klinken en het lukte heel goed.

“Heeft ze nooit gehad,” zei Stephen, “dat is pas sinds gisteren. Heel vreemd. Er zijn wel meer veranderingen de laatste tijd.”

“Is het gevaarlijk?”, vroeg Ellen.

“Ja, daarom heb ik je ook nooit meegenomen. Het was te gevaarlijk. Je moest er oud genoeg voor zijn. Zo heeft papa het ook altijd gezegd.”

Ellen knikte begrijpend, maar Stephen betwijfelde of ze al meteen alle geheimen snapte waarmee het huis op Heuvel 18 was omgeven.

“Jack wist ook nergens van.”

“Luister goed,” zei moeder, “jullie vader was geen aardige man – en in de crisisjaren bleek dat een heel goede eigenschap te zijn. Ik had zijn dood niet verwacht – maar het maakt de zaak er wel stukken eenvoudiger op. Er is niemand meer die jullie hier kan houden. Jack is een robot. Kinderen hebben liefde nodig en aangezien ik toevallig jullie moeder ben.” Ze wreef over de linkerhand van Ellen.

“Papa zou toch mee hebben willen gaan?”, vroeg Ellen.

“Misschien niet en misschien had hij me tegen willen houden,” zei moeder die nu ook een sandwich pakte. “Zoals ik al zei. Je vader was geen aardige man.”

“Ik vind dat erg moeilijk,” zei Stephen.

“Is het ook,” zei moeder, “want hij was de enige levende mens waar je ooit mee te maken hebt gehad.”

Hij propte het laatste stukje van zijn sandwich in zijn mond en nam meteen een volgende. Ellen nam er ook een. Moeder legde haar sandwich neer en haalde haar telefoon tevoorschijn. Ze tikte een berichtje en Stephen keek over haar schouder mee. Alles goed. Voor de avond zijn we in het schip. Met een tevreden glimlach liet ze het toestel in haar broekzak wegglijden. “Na het ontbijt gaan we inpakken – zorg ervoor dat je alleen spullen meeneemt die je op korte termijn nodig hebt. Onderbroeken, hemden, een paar truitjes, wat persoonlijke bezittingen die je niet kunt vervangen. Niet je hele kast inpakken, graag.”

“Komen we ooit terug?”, vroeg Ellen.

“Nee. De kans daarop is erg klein.”

“We gaan naar Europa,” zei Stephen.

“Ja – en de reis zal een paar weken duren.”

“Het is vreemd,” zei Stephen, “ik heb altijd gedacht dat we nooit zouden wegkomen. Ik begin me er net een beetje mee te verzoenen en nu gaan we alsnog weg, verder zelfs dan ik ooit had verwacht. We komen nooit meer terug.”

“Wees blij. We hebben het dan wel eens over de verlaten aarde alsof er geen mensen en dieren meer zijn overgebleven – het is geen geheim dat er mensen, dieren, maar ook gemuteerde levensvormen bestaan die er afstotelijk uitzien.” Stephen dacht aan de grijze monsters die in de rivier zwommen. Zijn zusje moest aan hetzelfde denken. “Niet ver hier vandaan is een nederzetting – ik heb er lang geleden gewoond – aardige mensen, hoor, maar ze zijn ook snoeihard als het moet – het koninkrijk van de kakkerlakken – zo noemen ze zichzelf – heel grappig.” Moeder begon te glimlachen.

“Ik heb een bordje gezien, ja,” zei Stephen.

“Hoe is dat ontstaan?”, vroeg Ellen. “Kakkerlakken zijn toch smerige kruipbeesten?”

“Bijna dertig jaar geleden,” zei moeder, “toen de kou nog moest invallen. Er waren al veel mensen doodgegaan. Je zag overal zwarte rookpluimen in het landschap van lijken die werden verbrand. Sommige mensen zeggen dat daardoor de kou is ingevallen – een nieuwe ijstijd – de brandstapels. Geen idee of het waar is. Er was een man die George heette, eigenaar van een grote boerderij en alles was inmiddels dood. Hij had er een brandstapel voor opgericht en George ging zijn levenswerk in brand steken. Alles waar hij jarenlang bikkelhard voor had gewerkt. Hij is aan zuipen geslagen, geen glaasje jenever, maar een hele fles en terwijl de vlammen om zich heen grepen en alle kadavers verbrandden, hield hij een tirade. Met fles in de hand natuurlijk. ‘De hele wereld is naar de kloten gegaan – alleen de kakkerlakken blijven over – het zijn altijd de kakkerlakken die overblijven – en ik – ik zal de koning zijn over al wat leeft – ik en de kakkerlakken – we zullen nog lang en ongelukkig leven.’

“Waarom kakkerlakken?”

“Nog ouder verhaal, twintigste eeuw, dreiging van een atoomoorlog, daar moet je iets over hebben geleerd van Jack.” Stephen en Ellen knikten allebei ‘ja’. “Verhaal was dat alleen kakkerlakken zo’n atoomoorlog zouden overleven. Vandaar het koninkrijk van de kakkerlakken. George werd de volgende ochtend wakker met een geweldige kater. Er bleek een man met drie kinderen te zijn gearriveerd. Ze hadden zijn tirade gehoord, maar George kon zich niets meer herinneren. Zo is de nederzetting ontstaan. Een geuzennaam dus.”

“Mam, was jij één van die drie kinderen?”, vroeg Stephen.

“Ja, de oudste zelfs, ik had twee broers, maar ben de enige die nog leeft. Ze zijn allemaal dood.”

“Koorts?”

“Ja.”

“Spullen pakken,” zei Stephen. “Nooit gedacht dat we ooit zover zouden komen. Hier weggaan.”

“Ik wil Jack spreken,” zei moeder, “en jij gaat met mij mee, Stephen, liefst met een wapen, een pistool.”

“Maar Jack doet geen vlieg kwaad?” Ellen kon haar woorden onmogelijk nog verbaasder uitspreken.

“Hij is het testament van jullie vader, en zoals al ik heb gezegd – je vader was geen aardige man. Ellen – jij kunt beter eventjes naar je kamer gaan – alvast inpakken – spullen uitzoeken die je mee wilt nemen.”

“Goed mama,” zei Ellen die beslist allerhande tegenwerpingen had bedacht, maar verder niets zei.

De kluis bleek ontoegankelijk. Stephen tikte tot twee keer toe de pincode die hij al zo vaak had gebruikt en voor het eerst bleef het lichtje rood. Moeder liet haar vingers door haar korte donkerblonde haren glijden – ogen flonkerden onrustig. Een derde keer leek volstrekt zinloos en toch probeerde hij het, een poging die eindigde met een vloek. “Verdomme, da’s voor het eerst dat ik die deur niet open krijg.”

“Komt door Jack – hij weet dat er veranderingen op til zijn,” zei moeder, “en hij beseft verdraaid goed dat hij mij niet kan tegenhouden.”

“Dus zoekt hij zijn toevlucht in kinderachtige pesterijen. Bedoel je dat?”, vroeg Stephen.

“Ja, helemaal.”

“Ik heb gisteren nog een mes meegebracht,” zei Stephen – die naar de kapstok liep en de stiletto pakte. Hij liet het wegglijden in zijn broekzak.

“Het mes van Bernhard,” zei ze en haar stem was bijna onhoorbaar, “je hebt zijn mes meegenomen.”

“Ja, als hij beter naar je waarschuwingen had geluisterd, zou hij het zelf hebben kunnen gebruiken.”

De kelderdeur zag er gewoon uit, niks bijzonders. Stephen wist dat er trappen achter lagen die vele meters moesten overbruggen. Helemaal beneden was de kleine ruimte met drie deuren. Moeder ging eerst, direct gevolgd door Stephen. Zijn hand gleed ontspannen over de leuning. Solide betonnen muren die gemaakt leken te zijn voor de eeuwigheid. Geen luxe. Alleen functionaliteit. Het diepste punt was een vloer die al net zo grijs en robuust oogde als de rest. Alsof er een huis op de heuvel was gebouwd, omdat alle voorzieningen er sowieso al waren. Zoals energie, voedselvoorraden, computerservers waar je heel leuke dingen mee kon doen. Eén deur stond open, alsof ze werden verwacht. Jack moest er zijn.

Moeder ging de ruimte binnen die koeler aanvoelde dan Stephen had verwacht. Het scheelde enkele graden met de woonkamer. Zijn vingers speelde met het mes. Ze passeerden kasten die volgestouwd waren met elektronica die dertig jaar geleden erg modern was geweest. Jack moest erg veel tijd kwijt zijn geweest aan reparaties. Al jarenlang. Er ging altijd wel iets kapot.

Een meter of veertig lopen. Jack zat aan een bureau. Het zag er wel normaal uit, maar een robot zou geen beeldscherm of desktop nodig moeten hebben. Jack was het binnennetwerk. Een soort broer van Joe die verantwoordelijk was voor de bewaking van het terrein. Moeder bleef staan en zei lange tijd niets. Stephen vroeg zich af hoe de relatie tussen zijn ouders was geweest. De gebeurtenissen volgen elkaar te snel op. Hij kreeg geen tijd om rustig na te denken. Mama sprak weinig liefdevol over papa. ‘Je vader was geen aardige man’. Nou ja, aardige mensen delfden het onderspit – werden overlopen. Dankzij papa leefden ze alle drie nog. Papa kreeg de koorts en stapte over de rand.

“Jullie willen afscheid nemen, denk ik,” zei hij. Stoel rolde achteruit en Jack ging staan. “Waar is Ellen?”

“Boven – rugzak inpakken,” zei moeder.

“Een verrassing,” zei Jack, “om je na zo’n lange tijd weer terug te zien – in levende lijve nog wel. Mijnheer Harold zou onmogelijk verbaasder kunnen zijn geweest dan ik. Een menselijke emotie die ik nu eens wel begrijp.”

“Ik kom je de voorwaarden uitleggen,” zei moeder, “en geloof me – het heeft me enige moeite gekost om de kapitein te overtuigen van mijn gelijk. Hij is erg boos vanwege de dood van die twee jongens.”

“De heuvel verdedigt zijn bewoners,” zei Jack, “dat is altijd nog zo geweest – vanaf het begin.”

“Hij had mijn kinderen met geweld weg willen laten halen – commando’s sturen – maar ik vond het te riskant – er zouden nog meer doden kunnen vallen.”

“De voorwaarden – ,” zei Jack.

“Het huis is van jou, zolang de energiebron functioneert, dat is nog lange tijd. We zullen allang zijn overleden als de centrale stopt.”

“Het is al van mij.”

“We gaan weg – met zijn drieën – je doet niets om ons tegen te houden – geen trucs.”

“Dat is een probleem,” zei Jack, “want mijnheer Harold heeft instructies achter gelaten. Kinderen blijven thuis. Ze gaan niet weg. Nooit ofte nimmer.”

“Harold is dood. Jack, hij is dood.”

“Als ik me niet vergis, mevrouw,” zei Jack met een lijzige stem, “bent u destijds vrijwillig vertrokken.”

“Ja, dat klopt.”

Stephen begon te snappen dat er meer moest hebben gespeeld, dan alleen een ziekte, zoals de koorts. Hij deed een stap opzij. “Mam?”

Er groeide een glimlach op het gezicht van Jack, een akelige, sardonische grijnslach die een naderende overwinning deed vermoeden. “U bent zelf gegaan,” zei Jack, “u hebt geen recht op de kinderen.”

“Jouw mening is niet relevant,” zei moeder.

“Mocht u ziek zijn geworden, dan is dat in de nederzetting gebeurd en niet in dit huis. Het huis was en is nog steeds ziektevrij.”

“Hij zou me hebben vermoord,” zei moeder. “Harold – Harold zou me hebben vermoord.”

“Omdat u de kinderen mee wilde nemen, mevrouw,” ging Jack verder, “u moet mijnheer Harold goed begrijpen. Hij wilde zijn kinderen niet verliezen.”

Stephen klemde zijn vingers om het mes en haalde het tevoorschijn, maar zorgde ervoor dat Jack het niet zag. Jack was een robot die niet kon liegen. Hij had enkele ogenblikken terug gezegd dat het huis ziektevrij was en is. Papa had gelogen over de dood van mama, misschien was zijn ziekte ook een leugen geweest en leed papa niet aan de koorts. Misschien een andere ziekte, maar het was niet de koorts.

“Dus je blijft bij je standpunt, Jack?”

“Kinderen blijven hier. U mag gaan.”

“Er zullen commando’s komen – ze zullen het huis binnenvallen – vanuit de lucht – niet via de tuin.”

“Heel goed mogelijk, mevrouw, maar de kinderen blijven hier.”

Jack – goeie ouwe Jack – bewoog zijn arm naar moeder en maakte een slaande beweging – eerste keer mis – tweede keer raak. Er druppelde een beetje bloed langs moeders rechteroog. Voor Stephen was het reden genoeg om het mes te gebruiken. Het lemmet flitste tevoorschijn – en Jack zocht naar de herkomst van het geluid, maar wist het niet thuis te brengen. Stephen bracht zijn arm omhoog en sprong voorwaarts. Hij wilde het mes in de borstkas van de robot steken, maar het zou nutteloos zijn. Een robot heeft nu eenmaal geen hart. In plaats daarvan joeg hij het lemmet in het linkeroog van Jack – Stephen trok het mes weer terug en dreef het vervolgens in de linkerslaap van zijn voogd en leraar en dokter. Het weefsel was veel zachter dan hij had verwacht.

“Genoeg,” zei moeder, “je hebt hem uitgeschakeld.”

Jack staarde – of leek dat te doen – verbijsterd naar Stephen die het mes terugtrok. Er volgde geen vreemde, spastische bewegingen, zoals hij in een oude ruimtefilm ooit had zien gebeuren. Jack viel als een blok neer. De klap galmde door de ruimte. Hij zag hoe moeder het bloed afveegde bij haar oog.

“Ik dacht even dat je partij zou kiezen voor hèm.”

“Nee,” zei Stephen, “Jack zei dat het huis altijd vrij van de koorts is geweest, toen en nu. Papa is over de rand gestapt, omdat hij de koorts had en dus heeft papa ook gelogen over zijn ziekte. Als Jack de waarheid heeft gesproken en waarom zou hij dat niet doen? Papa is met andere woorden om een heel andere reden in de rivier gesprongen.”

“Je bent al net zo scherp als je pa, maar bent gelukkig veel menselijker.”

“Ik dacht even dat Jack je zou doden.”

“Maar ik wil wel weten wat er is gebeurd,” zei Stephen die het lemmet afveegde aan de broek van Jack. Geen bloed, maar een grijsachtige vloeistof. “Tussen jou en papa.” Hij streek met zijn hand over een pijnlijke plek – het was zijn onderarm en er sijpelde bloed uit een wond. Niet zo heel erg veel. “Hij heeft me geraakt, verdomme.”

“Je vader was gevaarlijk paranoïde,” zei moeder, “ik wilde weggaan – misschien de Aarde ontvluchten – er gingen geruchten dat dat mogelijk was. Jullie hadden recht op een menswaardig bestaan. Ik probeerde te voorkomen dat jullie je hele leven in dit huis zouden moeten doorbrengen.”

“Had je geen koorts?”

“Toen nog niet, nee.”

“Papa zou je hebben gedood.”

“Beslist.”

“Toch vertelde je boven dat andere verhaal.”

“Omdat Jack meeluisterde. Het huis is Jack – of was Jack – tot jij hem uitschakelde. Ik wist dat het tot een confrontatie zou komen. Ook al betekende het dat ik de waarheid een beetje moest verdraaien en misschien hoopte ik dat Jack zou happen, zodat we meteen de onderhandelingen moesten beginnen.”

“Ik begrijp het,” zei Stephen.

“Hopelijk wil je mij mijn leugen vergeven.”

“Hij zou je hebben gedood – en mij ook.”

“Stephen, je moet me geloven, ik ben weggegaan, omdat ik dacht, altijd, elk moment, terug te kunnen keren naar huis en naar jullie. Zodra ik een stap over de grens van het koninkrijk zette, werd ik potverdikke ziek en was het afgelopen met me. Ik was niet langer de baas over mijn eigen leven.”

“Mam,” zei Stephen die het mes in zijn broekzak propte. “Blij dat je terug bent.” Hij omhelsde zijn moeder en voelde haar lichaamswarmte. Heel even dacht Stephen dat zijn moeder begon te huilen, maar dat kon ook heel goed verbeelding zijn geweest.

*****

“Stephen? Mam?” Stem van zijn zusje klonk onzeker vragend.

Terwijl moeder wachtwoorden zat te tikken, dus alle wachtwoorden die zich herinnerde, liep Stephen terug om Ellen op te halen. Maar belangrijker nog – voorbereiden op een geweldige schok. De dood van Jack, al had de robot natuurlijk nooit echt geleefd.

“Jullie bleven zolang weg,” mopperde Ellen en ze sloeg enkele malen met haar vuist op de arm van Stephen. “Er is toch niks gebeurd, hè?”

“Mam is oké – als je dat bedoelt.”

“En Jack?”

“Ik heb – eh – Jack uit moet schakelen. Hij wilde dat we allebei zouden blijven en mama moest alleen weggaan. Ik moest iets doen. Jack heeft mama geslagen en volgens mij krijgt ze een blauw oog.”

“Waarom moesten we hier blijven van Jack?”

Ze liepen langs de regelkasten en moeder zat over een toetsenbord gebogen. Het was duidelijk dat ze geen toegang kreeg tot het systeem. Stephen bleef staan en wilde vertellen over Jack, maar zag de deur langzaam dichtvallen. Of het dreigde te gebeuren, maar het mocht niet gebeuren. Stephen begon te rennen. Hij moest de deur open houden, want dit klopte helemaal niet. Het mocht niet. De deur was al bijna gesloten. Hij gooide zijn voet ertussen en duwde de deur met gemak open. Toch voelde hij de toenemende druk van een mechaniek dat de deur met alle geweld wilde sluiten.

“Ga mama halen – we moeten weg!”, schreeuwde Stephen naar zijn zusje die hem nog altijd verbaasd nastaarde. “Mam! Het huis keert zich tegen ons.”

Moeder en Ellen renden zo hard ze konden naar de deuropening. Het lukte Stephen de deur tegen te houden. Hij begreep heel goed dat hij de deur nooit meer open zou kunnen krijgen als hij eenmaal gesloten was. “Hebben jullie alles?”

“Ik had niets bij me – Heb jij je mes meegenomen?”, vroeg moeder.

“Ja – in me broek.” Hij liet de deur dichtvallen. Display naast de deur toonde rode lampjes. Hij kende de pincode niet eens. Het was altijd het domein van Jack geweest. Waarschijnlijk bestond de pincode uit twintig of dertig cijfers. Alleen te onthouden voor een robot zoals Jack.

“Ik begrijp het n – – ,” zei Ellen die het oog van haar moeder bestudeerde dat inderdaad blauw begon te kleuren. “Jack heeft je echt geslagen, hè – Hoe kon hij dat nou doen?”

“Omdat ik wilde doen wat ik destijds al had moeten doen,” zei moeder, “jullie meenemen.”

“Maar papa – .”

“Je vader was geen aardige man. Dat heb ik al gezegd.”

Ze gingen de trap op en kwamen in het halletje terecht. Licht was uitgegaan en het voelde er nogal kil aan, alsof er geen verwarming meer brandde.

“Ik denk,” zei Stephen die de kamer betrad, “dat alle systemen zijn uitgeschakeld. We hebben geen water, geen eten, geen verwarming. Niets meer. Alleen de sandwiches die er nog liggen. Dat is alles.”

“Ga je aankleden, je spullen pakken,” zei moeder, “ik stuur een berichtje naar Alfred dat we meteen komen. Ben jij al klaar met inpakken, Ellen?” Het meisje schudde ontkennend haar hoofd. “Oké, dan zal ik helpen met je rugtas.”

“Dank je wel, mam.”

“Dat is wat moeders doen, meisje.”

“Dat weet ik toch niet.”

“Je zult nog een heleboel gaan leren,” zei moeder, “vooral over moeders, dochters en zoons.”

“Heb je nog meer kinderen, mam?”, vroeg Ellen.

“Twee meiden. Dolores en Tina.”

“Dus we hebben twee stiefzusjes en een stiefvader,” stelde Stephen vast.

“Je zult hem wel mogen. Hij heet Anthony.”

“Is hij aan boord? Met onze stiefzusjes?”

“Ja, want we zouden naar Europa vertrekken. Anthony is viroloog. We hebben jullie bloed nodig om de epidemie te onderdrukken – jullie bloed is de sleutel en we blijven er ook lange tijd om uit te zoeken hoe de koorts er uit heeft kunnen breken. We blijven wel een tijdje aan boord van het schip – de Holland – zo heet ons schip.”

“Twee zusjes,” zei Ellen die opgewekter begon te klinken. “En ze heten Dolores en Tina.” Moeder en Ellen betraden de slaapkamer. “Hoe oud zijn ze?”

Stephen draaide de waterkraan open, maar er kwam een dunne, krachteloze straal los. Geen waterdruk meer. Voorlopig waren ze nog in het huis – de relatieve veiligheid van het huis – terwijl buiten de jungle wachtte. Ze moesten zo snel mogelijk vertrekken – het huis begon een vijand te worden.

Hij trok een extra T-shirt aan, een trui, sokken en de schoenen die hij altijd droeg als het terrein moeilijk begaanbaar zou zijn. Na vandaag zouden ze zeker nooit meer terugkeren naar dit huis. Ondertussen bleef de temperatuur dalen. Het begon kouder te worden. Voor het einde van de dag zou het binnen net zo koud zijn als buiten. Soms keek hij uit het raam – zonlicht en schaduw wisselden elkaar af.

Stephen pakte geen boeken of computerspelletjes die hij altijd had gespeeld. Een slaapkamer verderop spraken moeder en Ellen. Ze waren klaar met inpakken. Zijn zusje verscheen in de deuropening en droeg een parka die erg veel op de zijne leek, maar dan kleiner. Er glom een grijnslach op haar gezicht.

“Mama draagt mijn rugtas,” zei ze.

“Goed voor elkaar,”zei Stephen.

“Ja toch?”

“Denk je eraan dat je de aanwijzingen van mama en mij opvolgt als we buiten zijn?”

“Ja – Stephen – dat doe ik.”

Hij liet de lussen van zijn rugtas over zijn schouder zakken – waarschijnlijk vergat hij spullen en zou het hij het lange tijd betreuren dat hij niet beter had nagedacht. Ellen holde naar beneden, hij volgde korte tijd later. Er gleed een donkere schaduw over het huis. Alle rolluiken waren geopend en zouden niet meer sluiten. Zon verdween regelmatig achter wolken die de lichtblauwe lucht dicht leken te bouwen.

Stephen vergat zijn voorbehoud – zijn angst. Nu moest het en hij was niet meer alleen. Mama was erbij. Lang geleden had ze papa, Stephen en Ellen verlaten in de overtuiging weer terug te zullen komen. Maar mama werd ziek, ze kreeg de koorts en herstelde onverwacht en dat was voor het eerst in de geschiedenis dat er iemand genas van de koorts, want dat was nooit eerder gebeurd.

Beneden liet hij zijn rugtas op de grond zakken en staarde naar de kluis, terwijl hij zijn parka aantrok. Mama stond al aangekleed op hem te wachten. Met de rugtas van Ellen. Waarom zou hij een wapen mee willen nemen? Onderweg naar buiten zouden ze alleen maar holografische monsters tegen kunnen komen die allemaal voorspelbaar gedrag vertoonden. En anders zou een vuurwapen geen effect sorteren.

Hij pakte de rugtas op en liet zijn armen opnieuw door de lussen glijden. Stephen waarschuwde moeder de andere deur te nemen, die ene zonder valbijl. Hij vertrouwde niets meer. De systemen, Jack en Joe, hadden zich tegen hen gekeerd. Het zou nog moeilijk genoeg worden om levend buiten de omheining te komen.

“Zelfde weg terug?”, vroeg moeder, terwijl ze over de drempel stapte.

Stephen verliet het huis als laatste. De ijskoude wind prikte in zijn gezicht. Hij trok de ritssluiting verder omhoog en zowel moeder als Ellen deden hetzelfde.

“Zelfde weg terug,” zei hij.

De eerste meters verliepen redelijk vlak, daarna leek de bodem omlaag te vallen en volgde er een afdaling die kronkelend langs stijf bevroren bomen, struiken, dodelijke valstrikken leidde. De zon deed zijn best om achter een wolk te verdwijnen, maar het lukte niet helemaal. TIK. TIK. Was Maanschaduw al in de buurt of verbeeldde hij het zich maar? TIK. TIK. Nee, Maanschaduw was echt al in de buurt.

“Zo meteen zie je een lange magere gedaante – een oude man met lang grijs haar – hij draagt een zeis – maar overdag is hij nooit zo gevaarlijk.”

Stephen zocht Maanschaduw wiens magere gezicht en heldere ogen hem altijd angst aanjoegen. Daglicht. Zo noemde Maanschaduw hem laatst een keer. Maar toen dacht Stephen nog dat hij de rest van zijn natuurlijke leven hier zou doorbrengen. Op Heuvel 18. Het ging niet gebeuren.

Zonlicht viel weg. TIK. TIK. Maanschaduw verscheen tussen de bomen.

Ellen keek naar de spookachtige figuur waar ze bijna dwars doorheen konden kijken.

“Links aanhouden, Ellen.”

Ze knikte met haar hoofd en volgde de voetsporen van moeder. De zeis van Maanschaduw zwaaide door de lucht en activeerde de speer – ZWOEFFF. Stephen legde zijn hand op de schouder van zijn zusje. De speer joeg dwars door Maanschaduw – prikte in de boomstam en trilde nog korte tijd na. Daar ergens moest ook het lijk van de man liggen die verleden jaar tegen dezelfde boomstam was genageld. “Ik let op – ik let ècht op,” mompelde Ellen.

Het moest nog echt gevaarlijk worden.


de hand van de kunstenaar

Natuurlijk kan ik vertellen wie ik ben, wat voor werk ik doe en dat ik een relatie heb. Het doet er allemaal niet zo toe, want als je me echt een beetje zou kennen, dan weet je dat er voor mij maar één passie bestaat en dat is kunst.

Als jongen moest ik me zien te redden met zakgeld. Veel behoefte aan een eigen krantenwijkje had ik niet, dus je zou kunnen zeggen dat het om die reden mijn eigen schuld was dat ik altijd krap bij kas zat. Wel probeerde ik zoveel mogelijk boeken te lenen en te stelen. Ze gingen allemaal over één enkel onderwerp en dat is kunst.

Na mijn schooltijd ging ik geld verdienen. Salaris viel in het begin een beetje tegen. Ik moest de huur betalen en zo, boodschappen doen,  nieuwe kleren kopen, maar het meeste geld besteedde ik aan het enige dat echt belangrijk is in mijn leven en dat is kunst.

Ik begon te verzamelen en dat kostte niet alleen veel geld, maar ook tijd. Schilderijtjes, beeldjes, alles. Het maakte me niet zoveel uit. Als ik het mooi vond, dan wilde ik het hebben. Ik begon een mooi huis te krijgen, een mooie verzameling – mìjn verzameling. Niemand mocht eraan twijfelen dat ik ongelofelijk veel van kunst hou. 

Op een dag gebeurde er iets dat ik nooit voor mogelijk had gehouden. Nooit gedacht dat ik om een vrouw zou kunnen geven. Ik werd verliefd. Al vrij snel groeide er een probleem. Je begrijpt het al. Ik gaf te veel geld uit aan mijn verzameling. Dus stelde ze me voor de keuze. Het was een vreselijk dilemma. Want ik hou van mijn vriendin, dat doe ik echt, maar ik hou ook van kunst.

Ik heb een manier gevonden om mijn relatie te redden. Voor het eerst in mijn leven begin ik te begrijpen waar het in de kunst werkelijk om draait. Niet het kunstwerk. Dat is het niet. Alles begint en eindigt met de hand van de kunstenaar. Die is bepalend. Ik heb besloten om de hand van de kunstenaar te verzamelen, heb er nu al drie en ik ga ermee verder, want ik hou nu eenmaal van kunst.

(c) Jos Smies, 1985, 2015