Geloof me. Ik had werkelijk geen idee.
De buren woonden ruim vijftig jaar samen. Twee mensen die elkaar door en door hadden leren kennen. Hij was langer gepensioneerd dan hij had gewerkt. Ze woonden tegenover me. Ik ben een keer bij die mensen in huis geweest en het zag er uit alsof de tijd stil was blijven staan. Elvis Presley moest zijn eerste plaatje nog opnemen.
Hij vroeg me eens een kistje sigaren mee te nemen. Zijn dochter wilde niet dat hij nog rookte, maar zijn vrouw vond die geur zo lekker en ‘je moest toch ergens dood aan gaan’. Buurman lachte enkele bruine tanden bloot en ik lachte een beetje schaapachtig mee, alsof hij een geweldige mop had verteld.
Het kostte moeite om zijn sigaren te vinden. In winkel nummer vier vond ik het merk dat hij opgegeven had. Ik zweeg over alle moeite die ik had moeten doen om die sigaren te vinden en overhandigde hem het kistje. Hij glimlachte tevreden en zei: “Ik mag je danken namens mijn vrouw.” Volgende avond, toen ik thuis kwam, bleef ik in het halletje staan en rook de onmiskenbare geur van zijn sigaar.
Zelf rook ik niet, maar ik kan me heel goed voorstellen dat de buurvrouw zich liet wegvoeren naar de jaren vijftig. Het leven leek zoveel eenvoudiger. Afstand creëert gaten in het geheugen. Mooie herinneringen worden mooier, slechte herinneringen hebben nooit bestaan. Als je oud genoeg bent, is het leven een liedje van Annie M.G. Schmidt.
Enkele dagen later stond de buurman ineens naast me in de lift. Hij had boodschappen gedaan. Er schommelde een glimlach op zijn gezicht, maar ik zag de vermoeidheid in zijn ogen. “Het is weer bijna tijd voor onze picknick. Doen we elk jaar. Eerste keer was onze trouwdag. Oorlog was voorbij, de mof verjaagd. We hadden allebei een hoop verloren, maar niet alles. Ik had wat kaas geregeld, echt vèrs brood en een fles rode wijn.”
De lift stopte, deuren gleden open. Gedurende een seconde zag ik hem een deken neerleggen op een vochtig grasveld, terwijl de zon scheen. Het was een helder beeld. “De zon zal niet altijd hebben geschenen, buurman,” zei ik.
“Dat klopt helemaal, jongen,” zei hij, “’t regent wel eens, maar dat weet je van te voren. Je weet dat het kan regenen. Als man moet je je daarop voorbereiden. Dat is je taak.”
Hij trok zijn boodschappenkarretje achter zich aan, ik liep naast hem en probeerde me niet te storen aan het wieltje dat akelig piepte. Deur van zijn appartement stond al half open. Ik zou onmogelijk zoveel vertrouwen hebben in mijn medemensen en oude mensen waren in de regel doodsbenauwd voor indringers. Niet deze mensen. Niet mijn buren.
Hij ging zijn appartement binnen, riep de naam van zijn vrouw… Eline… en ze antwoordde direct. Ik hoorde een lieve breekbare stem.
Nauwelijks vijf minuten later werd er gebeld. Ik deed open en de buurman stond voor me. “Joh, als je vanavond nou eens bij ons komt eten, niks moeilijks, gewoon lekker simpel.”
Ik kon onmogelijk weigeren.
“Hoe laat zal ik aanbellen?”
“Zes uur, we eten altijd om zes uur.”
“Goed. Ik zal er zijn.”
Om vijf voor zes belde ik aan. Ik droeg een lichtblauwe spijkerbroek, wit overhemd, had geen dichte schoenen aan, maar teenslippers.
De buurman had zijn beste pak aangetrokken, zo bleek. Ik voelde me een beetje opgelaten, maar hij wuifde mijn verontschuldigingen weg. “Allemaal onzin,” zei hij. “’t Is maar goed dat jullie zoveel losser met die dingen om kunnen gaan.” Zijn vrouw droeg een groene sweater met een V-hals en een lange plooirok. Ze was brildragend. Eline zag er modern uit, net als haar echtgenoot, want voor het overige bleek hun appartement een tijdcapsule. Die donkere meubelen was ik wel gewend, die had ik vaker gezien. Ze hadden een schitterende oude tv, zwart-wit, zonder afstandsbediening. Op het dressoir stond een buizenradio. Ze hadden een boekenkast met schrijvers van naam die de laatste zestig jaar hadden gepubliceerd, Nederlandse wel te verstaan. Ze hadden bloemetjesbehang, vloerbedekking, glasgordijnen en overgordijnen. Het zag er allemaal heel solide uit. Sterk genoeg om eeuwen te doorstaan. Net als de bewoners trouwens.
Ik vertelde over mijn werk. Hij vertelde over zìjn werk, leraar Nederlands, maar dat was heel lang geleden en de buurvrouw leek nooit buitenshuis te hebben gewerkt.
We aten gekookte aardappelen, snijbonen en een karbonaadje.
Ik hielp met afruimen, ondanks nadrukkelijke protesten, buurman vertelde dat ze de kinderen vaker wilden zien. Ze begrepen het natuurlijk wel. Zoon en dochter waren goed terechtgekomen, hadden een drukke baan èn gezin, geen tijd voor hun ouders. Ze kwamen nooit langs.
Ik vroeg of ze soms geëmigreerd waren.
Nee, dat waren ze niet.
Ze kwamen gewoon nooit op visite.
“Dan kun je ook makkelijk een extra sigaartje opsteken, buurman, als je dochter toch nooit langskomt om te controleren of je rookt,” zei ik en ze lachten allebei hartelijk om mijn grap.
Ik nam de verhalen mee naar huis, maakte enkele notities, omdat ik zo veel mogelijk wilde onthouden. Twee oude mensen die nooit meer verder keken dan de dag van vandaag. Als je zo oud bent, heb je natuurlijk groot gelijk.
Mijn buurman ging verder met de voorbereidingen op de picknick die hij samen met zijn vrouw ging houden. Vanuit de keuken had ik zicht op onze tuin, dus van alle bewoners in onze flat; een rechthoekig grasveld, enkele schaduwrijke bomen, wat verdwaalde struiken.
Ik probeerde me iets te herinneren van die voorgaande edities. Mijn geheugen bleef blanco. Geen picknick, geen oude mensen die er gedurende een uurtje of twee genoten van eten, drinken en een ondergaande zon. Uiteraard zaten er wel eens bewoners die er een feestje hadden, een familie die in een heel losse sfeer voetbalde. Nog nooit had ik er twee bejaarden gezien die in de schaduw van een oude boom picknickten.
*****
Het was al laat, ’s middags, of eigenlijk al avond, maar in de lente begint dat verschil altijd een beetje te vervagen. Ik gooide mijn rugtas opzij en wilde de koelkast opentrekken voor een biertje. Het uitzicht liet me het biertje meteen vergeten. De buurman was erin geslaagd een tafeltje en twee stoeltjes in de schaduw van die boom neer te zetten. Takken hingen roerloos omlaag. Er stond een rollator, een beetje verweesd, bijna achteloos opzij geduwd. Hij had een fles wijn opengetrokken. Zo te zien lag er behalve stokbrood, ook kaas, vlees en boter. De buurvrouw knabbelde rustig op een stukje brood. Picknickmand stond in het gras.
Ik pakte mijn telefoon en nam een foto.
Ik probeerde me voor te stellen dat ze spraken over lang geleden. Hoe ze elkaar hadden leren kennen. Vandaag vormde geen interessant onderwerp. Die mensen deelden een leven en dat was veel mooier dan de dag van vandaag. Vandaag was mooi, omdat ze lang geleden ‘ja’ hadden gezegd.
Ik zag de foto terug, terwijl de picknick in volle gang was. Ze waren met zijn tweeën, maar toch ook weer niet. Achter tientallen ramen stonden bewoners te kijken naar deze mensen, tachtigers, die al meer dan vijftig jaar picknickten op die ene dag.
Daarom zeg ik nog maar eens… Ik had werkelijk geen idee. Niemand trouwens. We hebben het allemaal gezien. We hebben die mensen allemaal zien picknicken. Ik heb zelfs een foto gemaakt. Ik ben bij die mensen in huis geweest, gekookte aardappelen gegeten met snijbonen en een karbonade.
Ik gunde mijn buren hun picknick en dankte het Opperwezen voor het mooie weer dat Hij geregeld had. Vervolgens pakte ik alsnog een blikje bier uit de koelkast en liet me neerploffen op de bank. Een kwartier later stond ik opnieuw in de keuken voor een tweede biertje. Natuurlijk keek ik uit het raam, om te zien, of te controleren, dat ze nog altijd volop met hun picknick bezig waren.
Het veld was verlaten. Geen tafeltje. Geen stoeltjes. Geen rollator die opzij was gezet. Niets. Totaal niets.
Het hek was gesloten, daarstraks nog open. Ik vroeg me af of er soms iets akeligs was voorgevallen, maar haalde mijn schouders op en bedacht dat ik misschien veel langer dan vijftien minuten had zitten suffen op de bank. Ik keek op mijn horloge. Nee, het was echt maar een kwartiertje geweest.
Mijn tweede biertje smaakte een stuk minder dan de eerste en ik overwoog aan te bellen bij de buren om te vragen of alles wel in orde was. Misschien hadden ze hulp nodig. Aan de andere kant vond ik het erg knap dat die ouwe man zijn spullen zo snel op had geruimd. Misschien had hij een garage om de hoek. Hij leek me zo’n man die een eigen garage had. Op dit moment stonden ze natuurlijk dat tafeltje en die stoeltjes weg te zetten, terwijl het eten in een mandje was opgeborgen, zodat ze er morgenochtend nog wat aan hadden. Je mocht niets verspillen. Deze mensen hadden de hongerwinter meegemaakt. Ik was tevreden met mijn verklaring en gooide het lege blikje weg.
Daarna ging ik douchen. Zo rond acht uur ’s avonds begon ik, zoals altijd, eten klaar te maken. Iedereen heeft zijn of haar vaste programma. Dit is het mijne. Nog steeds trouwens.
Diezelfde avond, een paar minuten voor half tien, ben ik de deur uitgelopen en heb aangebeld, omdat het me toch dwars bleef zitten dat ze zo plotseling weg waren. Het was donker in hun appartement. Normaal zag ik altijd wel het schijnsel van een schemerlamp. Nu zag ik niets.
Er liep een studente voorbij. “Zijn ze er niet?”, vroeg ze en haar stem klonk oprecht verbaasd. “Daar wonen toch die ouwe mensen?”
“Ze waren zomaar ineens weg.” Ik veronderstelde dat ze direct begreep wat ik bedoelde.
“Inderdaad, nu je het zegt, ik heb ze ook niet weg zien gaan.”
Ik had haar naam en huisnummer moeten vragen. Dat was mijn enige fout op dat moment. Heb ik niet gedaan. Stom. Erg stom.
Ze stapte in de lift. Ik ging mijn appartement weer binnen. Het zinde me totaal niet, maar ik kon niets uitrichten. Ik heb de tv uitgezet. Er was een vervelende voetbalwedstrijd bezig die eeuwig leek voort te duren. Daarna heb ik nog tot middernacht muziek geluisterd. Ik maakte me geen zorgen. Ik kwam de buurman regelmatig tegen, zo was het de afgelopen periode steeds gegaan, dan zou ik wel vragen naar de picknick. ‘Hoe is het geweest, buurman?’ In mijn verbeelding begonnen zijn ogen te twinkelen en hij zou het verhaal vertellen over de zoveelste geslaagde picknick. Misschien zou ik hem adviseren, voordat hij zijn appartement binnenstapte, dat hij volgend jaar eens zijn kinderen erbij moest vragen.
Volgende morgen ging ik weer aan het werk. Het was een drukke dag, ik kwam vermoeid thuis, maar heb de buurman niet gezien. Deur bleef gesloten, licht was uit, ik hoorde zelfs geen tv die hard en een schel geluid produceerde. Het leek wel alsof ze er niet waren.
Oké, misschien waren ze een paar daagjes weg, lekker aan het strand, hadden ze een huisje gehuurd of zo.
Er ging een week voorbij. Ik controleerde regelmatig of ze toch weer thuis waren, belde aan, wachtte te lang voor die gesloten deur en voelde me een onnozele opdringerige buurman die zich ten onrechte zorgen maakte over twee oude mensen.
Met een collega besprak ik mijn zorgen. Hij antwoordde dat ik hulpgeroep gehoord zou moeten hebben, als er een ongeluk was gebeurd. Natuurlijk. Idioot die ik ben. Dat is ook zo. Aan de andere kant, voegde diezelfde collega eraan toe, indien ik me werkelijk zorgen maakte, dan kon ik beter de politie bellen. Die zou een afweging kunnen maken of agenten het appartement moesten binnengaan.
Ik vond mezelf nog steeds iemand die zich druk maakte om niets.
Toch belde ik de politie, het algemene nummer, dat ene dat je moet gebruiken als er geen haast was. Ik legde het probleem uit, vertelde over twee oude mensen die ik sinds een picknick bijna anderhalve week geleden niet meer had gezien. Met heel veel omwegen legde ik uit dat het toch een moeilijke kwestie was. Vandaar mijn belletje. Naar de politie. Wat moest ik nou doen? Ze vroeg het adres en huisnummer. Mensen waren meer dan vijftig jaar getrouwd, hadden twee kinderen. Ik wist niets over kleinkinderen of zelfs achterkleinkinderen. Daar sprak de buurman nooit over. Na een tijdje zei ze dat ze het uit gingen zoeken.
De vrouw noteerde mijn naam en adresgegevens.
Ik had gedaan wat ik kon, mijn zorgen geuit tegenover de politie en verder restte er weinig meer dan nietsdoen.
Later die middag werd er aangebeld. Ik deed open en stond oog in oog met twee agenten. “Goedemiddag. Wij zijn van de politie. Ik ben Arjan Wolfs… mijn collega Bert Pennings… Bent u de heer Leo Strasser?”
“Jazeker, ik heb vanochtend gebeld.”
“Er zijn wat onduidelijkheden gerezen rond uw verhaal. Kunt u ons iets vertellen over uw buurman?”
“Alleen wat hij me heeft verteld. Uiteraard. Hij is getrouwd, al meer dan vijftig jaar. Vrouw heet Eline. Ze hebben twee kinderen die een drukke baan hebben en geen tijd om een keertje langs te komen.”
“Da’s erg vreemd,” reageerde Wolfs, zijn collega Pennings luisterde alleen en knikte soms bevestigend. “Volgens onze gegevens is zijn vrouw in 1986 overleden aan de gevolgen van kanker. U moet iemand anders gezien hebben.”
Totale verbijstering, zoals je zult begrijpen. Ik was compleet uit het veld geslagen. Eerst wilde ik zeggen dat ik bij die mensen in huis was geweest en had meegegeten. We hadden gekookte aardappelen gegeten met snijbonen en een karbonade. Ik herinnerde me mijn foto van de buren die samen aan het picknicken waren.
“Een ogenblikje, ik heb nog een foto gemaakt.”
Ik draaide me om en ging de telefoon halen. Wolfs en Pennings volgden me naar de woonkamer. Ik liet de foto zien. Twee mensen die vredig picknickten onder een boom. Heel herkenbaar, buurman en buurvrouw, een picknickmand, tafeltje, stoeltjes, rollator die een eindje verderop was achtergelaten.
“Ik zou hun kinderen even vragen of ze die vrouw kennen,” zei ik, “als ze daar tenminste tijd voor hebben.”
“Dat gaat helaas ook al niet,” zei Pennings, “zoon en dochter zijn om het leven gekomen bij een bomaanslag in Madrid, 11 maart 2004.”
“Heeft hij niks over gezegd,” zei ik. Alles wat ik zeker dacht te weten over de buren, ontplofte zo ongeveer in mijn gezicht.
“Ik ga iemand bellen die het huis voor ons kan openmaken, ‘k wil nu wel eens weten hoe het zit.”
Pennings ging naar buiten, Wolfs bleef peinzend naar het scherm van mijn telefoon staren en mompelde dat het niet echt een duidelijke foto was. “Alle oude mensen zien er zo uit,” zei hij.
Drie kwartier later waren de agenten binnen, een slotenmaker had de deur snel open gekregen. Nog geen twee minuten later vroeg Wolfs of ik mee wilde komen. Ik mocht niets aanraken.
Buurman lag op bed… dood… alleen… en hij was al lang geleden gestorven. Volgens die agenten zeker enkele maanden.
Ik hoorde Pennings wederom een telefoongesprek voeren. ‘Oude man is overleden op bed, geen tekenen die duiden op een geweldmisdrijf.’
Mijn verhaal bleef natuurlijk erg vreemd. Wolfs trok een la open, vond een paspoort met zwarte omslag. Hij opende het en noemde de volledige naam van mijn buurvrouw. Eline van Dijk – Posthuma. De agent liet me de pasfoto zien. Ze was veel jonger, maar ze wàs het wel. Mijn buurvrouw. Zìjn echtgenote.
“Dan heeft u een geest gezien.”
“Ik niet alleen, heel veel mensen in deze flat hebben gezien hoe twee oude mensen aan het picknicken waren.”
Pennings keerde enkele minuten later terug.
“Ik weet niet goed wat we met uw verhaal kunnen doen, mijnheer Strasser,” zei Pennings.
“Ik ook niet. Eerlijk gezegd.”
“Wilt u dat we het in ons rapport vermelden?”
“Nee, laat maar. Het doet er ook nauwelijks toe,” zei ik en begon de slaapkamer achter me te laten.
Voor mij was de kwestie afgesloten. Ik zou er met niemand meer over praten. Ik zette muziek aan, gooide de volumeknop omhoog en probeerde het doodsgezicht van mijn buurman te vergeten.
Om half zes werd er gebeld. Ik dacht dat die agenten voor mijn deur stonden, om toch nog iets na te vragen, net als in de film. Met veel tegenzin maakte ik mijn deur open, vervloekte zelfs het moment dat ik de politie had gebeld, maar er stond helemaal geen politie. Het was de buurman. Je weet wel, de buurman wiens lichaam in een lijkwagen was weggebracht. Die buurman.
Zijn ogen stonden erg dof, er schommelde een vriendelijke glimlach op zijn gezicht. “Joh, als je vanavond nou eens bij ons komt eten, niks moeilijks, we doen iets simpels.”
“Jee, ik weet het niet, hoor,” zei ik na een lange bijna voelbare stilte. Ik zag een glimlach die verwachtingsvol leek te zijn vastgevroren op zijn gezicht.
“Kom nou maar gewoon. Dan kunnen we je bedanken voor alles. De kinderen zijn er ook!”
picknick
Een scheepswrak op het strand

Ik heb voor het verhaal ‘De Alchemist, een Avontuur van Tom van Alsem’ het wrak wel op een heel ander strand in Nederland neergelegd. Dat paste mij iets beter……..
de alchemist, een avontuur van tom van alsem
In Zeeland ontmoette ik een jongen die Tom van Alsem heette. Hij was afkomstig uit Utrecht, om precies te zijn een klein dorp daar in de buurt. Voor het eerst in jaren gingen zijn ouders en hij op vakantie. Ik vroeg of het soms met financiële problemen te maken had gehad, maar hij beweerde dat zijn vader zelfs rijk genoeg was om niet te hoeven werken. Natuurlijk wilde ik meer weten, maar hij wilde niets vertellen.
Ik ben Sjors Rooijackers. Mijn vader werkt in de offshore, wat betekent dat hij er bijna nooit is. Hij werkt op een booreiland, olie uit de aarde halen dus. Als pa aan het werk is, mag hij geen alcohol en dat haalt hij in zijn vrije tijd ruimschoots in. Moeder en ik vinden het niet zo’n probleem dat hij vaak en lang het liefst in Azië aan het werk is. Van mij mag die ouwe daar blijven. Zoals moeder vaak zegt: Ik ben met zìjn werk getrouwd. Daarom gaan we altijd naar Zeeland als we weer met zijn tweetjes zijn. Om te vieren dat hij eindelijk opgesodemieterd is. Ik ben zestien jaar oud, sla harder dan mijn vader, die me om die reden dan ook nooit meer mishandelt.
Tom van Alsem is de eerste echt goede vriend die ik ooit heb gehad en dan blijken we ook nog eens naar dezelfde school te gaan. Sinds twee jaar staat hij onder een iets andere naam bekend, dat weet ik dan weer wel: De tovenaar van Ut. Er gaan wat leuke verhalen over die jongen rond en hopelijk vertelt hij me er meer over. Ik ga je er nu niet lastig mee vallen. Eerst ga ik je namelijk vertellen hoe Tom en ik elkaar hebben leren kennen.
Er zijn drie dingen die ik leuk vind aan Zeeland… het strand, het klimaat en mijn vader is er nooit geweest.
’s Ochtends ging ik naar het strand, beetje uitwaaien. Ja, het klinkt erg dom, maar als je wekenlang op je tenen hebt moeten lopen vanwege een altijd maar dronken vader, dan ben je erg blij dat het eindelijk rustig is geworden in je hoofd. Moeder probeert de eerste dagen haar stress kwijt te raken en ik ga wandelen, zoek het strand op, ik trek mijn schoenen en sokken uit en begin te lopen. Ook als het regent en misschien wel juist als het regent. Nu moet je weten dat het ’s nachts erg slecht weer was geweest, veel regen, harde wind. Er scheen alweer een waterig zonnetje en een eindje verderop lag er iets op het strand, een iets dat deed denken aan de resten van een schip. Een jongen van mijn leeftijd had het scheepswrak al ontdekt en zocht (kennelijk) naar kostbare spullen. Hij zou de politie hebben moeten bellen, denk ik, maar wilde eerst zijn eigen nieuwsgierigheid bevredigen. Ik liep erheen en begon te roepen dat hij alles moest laten liggen. Heel even bleef hij staan. Tussen zijn handen klemde hij een stuk van een vaas, er stonden geheimzinnige inscripties op die mijn fantasie prikkelden. “Je ziet er jonger uit dan je klinkt,” zei hij en er verscheen een uitdagende grijnslach op zijn gezicht. “Wees maar gerust, er blijft genoeg over voor het museum.”
Hij liet de vaas kapot kletteren en selecteerde op zijn dooie gemak alle stukken met die bewuste inscripties. Die stukken stopte hij in zijn rugtas. Alsof hij hierheen was gegaan met die tas om er die scherven in te doen. “Jezus, wat ben je een lul, zeg. Je staat die vazen kapot te gooien.”
“Ja,” zei hij, “dat klopt en volgens mij ben ik nu klaar.”
“Ik begin net,” zei ik. “Zak.”
Ik gooide mijn schoenen in het zand, maar een krasserige stem die toebehoorde aan een oude vent met een rood aangelopen hoofd hield me tegen. Die kerel liep te schreeuwen dat hij de politie zou bellen als ‘we er mee door zouden gaan’. Ik had er echt niks mee te maken.
“Hij ook al? Wat mankeert iedereen toch vandaag?” De jongen slaakte een verveelde zucht en liet zijn handen zakken. “STOP!” Ik zag tot mijn verbijstering die ouwe bijna bevriezen, hij bleef direct stilstaan. “Je gaat terug naar je auto…. Je hebt toch wel een auto, hè?” De ouwe man knikte bijna mechanisch ‘ja’, als een robot. “Daar wacht je tot je het nieuws van… eh, twaalf uur hebt gehoord. O… en vergeet alles wat je hier hebt gezien.” Mijn verbijstering werd nog groter. Die ouwe draaide echt òm en liep weg, dus geen geschreeuw meer over politie. “Mooi, ook weer geregeld.”
“Ik weet wie jij bent,” flapte ik er ineens uit.
“Da’s heel fijn, want ik weet ook wie jij bent,” en hij noemde mijn naam, “niemand loopt of slaat harder dan jij. Een wonderkind zo gezegd. En je bent ook nog slim.”
“Jij bent de tovenaar van Ut, Tom van Alsem,” zei ik.
“En jij bent Sjors Rooijackers. We zitten op dezelfde school, makker.”
“Leg eens uit waarom je een archeologische site aan het verwoesten bent?”
“Alleen het aardewerk met die tekens erop.”
“Waarom?”
“Stel… je zou ze kunnen lezen, deze tekens, dan zou je lood in goud kunnen veranderen. ’t Is alchemie. Daarom neem ik ze zelf maar mee. Om te voorkomen dat ze in verkeerde handen vallen.”
“Waar haal je die wijsheid nou weer vandaan, wijsneus?”
“Gehoord… van iemand. Ik heb nog niet besloten of ik het ook echt geloof.”
“Nou, ik zou het wel weten” zei ik, “’t is totaal onzinnig!”
“Uh, je moest eens weten,” zei Tom. “Je bent toch ook een buurjongen van Sophie Brekers?”
“Ja – knap meisje, erg slim ook en volgens mij is ze lesbisch.”
“Ben je altijd zo’n diplomaat?”
“Ja… eh, je hebt gelijk, inderdaad, te veel nutteloze informatie.”
We lieten het scheepswrak achter ons, als prooi voor een team onderzoekers die de allerbelangrijkste stukken waren misgelopen. Volgens Tom. Ik wist niet eens hoe hij nou kon weten dat die tekens op alchemie duidden. De vraag lag natuurlijk op het puntje van mijn tong, maar mijn intuïtie waarschuwde me voorlopig te zwijgen. Een kronkelend pad leidde ons naar het achterliggende land, maar eerst die grote parkeerplaats, vijf auto’s, één oude Peugeot met een dikke oude man achter het stuur die dom omlaag zat te staren.
Ik moest er om lachen. Hij was ons bijna te lijf gegaan, die mafkees.
“Wat ga je met die scherven doen, Tom?”
“Vernietigen, denk ik.”
“Niet gebruiken?”
“Nee. Ik kan geen enkele reden bedenken waarom ik dat zou willen doen.”
“Ik wel.”
“Snap ik wel, ja. In jouw geval.”
“Heb jij geen behoefte aan veel geld… eh, goud?”
“Je stelt de verkeerde vraag, Sjors.”
Hier moest ik eventjes over nadenken. Ik zou de verkeerde vraag stellen. Doe ik normaal nooit. Oké dan, je moest je verlangen naar rijkdom niet op gelijk niveau plaatsen met een formule waarmee je lood in puur goud kon veranderen. Ik herinnerde me een verhaal over de steen der wijzen. Daar kon je trouwens nog veel meer dingen mee doen.
“Is dit niet zoiets als de steen der wijzen?”
“Nee, dat is een mythe.”
“Hoe wist je dan dat (a) dat wrak daar zou zijn vanochtend en (b) die lading gewoon voor het grijpen lag?”
“Gehoord van iemand.”
“Van wie zou de tovenaar van Ut zoiets nou horen? Wie voorziet hem van zulke informatie?”
“Ik heb geen naam gevraagd.”
“Je hebt dus simpelweg gedaan wat er gevraagd werd?”
“Tuurlijk. Soms is dat genoeg. Zoals vandaag.”
“En dan vernietigen?”
We liepen inmiddels over de verharde weg, richting onze huisjes, zijn ouders logeerden er, mijn moeder zat daar ergens een pulpromannetje te lezen, hersenloos vermaak, toppunt van geluk.
“Ja, dat zei ik al.”
“Niet eens proberen of het werkt?”
“Nee, aanwijzingen waren erg duidelijk.”
“Ik zou het proberen.”
“Ja, jij wel. Ik niet.”
“Jammer. Wat ga je nu doen?”
“Naar huis, denk ik, kopje koffie of zo.”
Ter hoogte van ons huisje bleef ik staan, Tom liep verder. “Nou… Tom… mocht je je bedenken, ik ben slim genoeg om je te helpen.” Hij stak zijn duim omhoog, niet eens geërgerd, zoals ik bijna was gaan verwachten. Zijn vasthoudendheid deed vermoeden dat hij absoluut niet van gedachten zou veranderen. Ik dacht dat Tom die bewuste scherven op een onbekende plek zou gaan begraven en vergeten. Het liep anders, zoals je begrijpt, anders zou ik dit verhaal niet vertellen.
*****
’s Middags ontstond er een geweldige drukte. Eerst politie, even later gevolgd door auto’s van de gemeente. Ik veronderstelde dat iemand eindelijk melding had gemaakt van een scheepswrak dat na het slechte weer van afgelopen nacht bloot was komen te liggen. De archeologische dienst zou erbij komen, een prachtig object voor het museum. Vreemd genoeg passeerde er niet veel later ook nog een ambulance. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid. Daarom ben ik gaan kijken. Ik trok mijn jas weer aan en ging weg. Moeder vroeg niet wat ik ging doen. Ze was halverwege een spannend avontuur, bladzijde 312 of zo.
Deur viel achter me in het slot en meteen hoorde ik de stem van Tom van Alsem, stukken opgewekter dan eerder die ochtend. “Hé… ho,” zei hij en ik wachtte op hem.
“Er is wat aan de hand daarginds,” zei ik.
“Ja, laten we eens gaan kijken,” zei Tom en hij lachte erbij. “Die ouwe zal toch al wel vertrokken zijn, ’t is al bijna drie uur tenslotte.”
“Natuurlijk, joh.”
We volgden dezelfde route terug naar strand.
“Wat heb je met die scherven gedaan?”
Hij toonde een valse grijns. “Welke scherven?”
“O – op die manier.”
“Yep.”
“En die ouwe? Zal hij niet naar de politie gaan en vertellen dat er twee jongens bij het wrak zijn geweest?”
“Nee en dat weet ik heel erg zeker.”
“Da’s mooi dan, dat je dat zeker weet.”
“Ja toch?”
We bereikten al snel de parkeerplaats en daar stond die ambulance en twee politieauto’s. Die ouwe vent lag op een brancard compleet daas naar een half bewolkte lucht te kijken en hij gaf geen sjoege. “Is er blijkbaar toch iets verkeerd gegaan, Tom.”
Hij knikte langzaam. “Ja-a. Hij heeft wel een heel oude auto, hè? Zou er een radio in zitten? Wat denk je? Of heeft hij een autoradio, maar is-ie kapot en is die man te lamlendig geweest om hem te laten maken.”
“Kan heel goed.”
“Da’s dan knap lullig.”
“Hoe heb je dat nou gedaan?”
“Een soort hypnose, als iemand iets zegt… in de trant van… dit is het nieuws van twaalf uur… Nou…. Dat zou op zich al voldoende moeten zijn.”
“Moet je doen.”
Hij stapte achteruit en deed verontwaardigd. “Ja…ik ben belazerd,” zei Tom, “dan mag ik meteen gaan uitleggen hoe ik dat gedaan heb.”
“Da’s ook zo.”
“In het uiterste geval schrijven we wel een briefie.”
We wilden verder lopen, richting strand, naar het scheepswrak. Voordat we goed en wel tien meter hadden gelopen, riep een agent dat we even moest blijven staan. Ik voelde me niet helemaal gerust, keek naar Tom – die knipoogde. “Laat mij het woord maar doen,” zei hij, “alles komt goed.”
“Je gaat toch niet lopen kutten met zijn hoofd, hè?”
“Doe ik nooit,” zei hij.
“Jongens – Kennen jullie die man toevallig?”, vroeg de agent.
“Nee,” zei Tom.
“Wat is er gebeurd?”, vroeg ik.
“Niks,” zei de agent. “Wat ik wilde zeggen…. eh… Het strand is deels gesloten voor een archeologisch onderzoek.”
“Nou – dan gaan we zeker even kijken,” zei Tom.
Ik probeerde enthousiast te reageren en volgens mij lukte dat ook wel. Tom trok me mee richting strand.
Achter een haag van coniferen gingen meer vakantiehuisjes schuil, complete ééngezinswoningen, deels huur, deels koop. Een patatkraam stond onhandig in een hoek, daarnaast lag een helling, zodat je je per fiets omlaag kon laten vallen. We liepen omhoog, bereikten het hoogste punt. Verderop werd de Oosterscheldekering zichtbaar. Tegen die achtergrond, bijna nietig, maar zeker zo aanwezig, was een groepje mannen en vrouwen aan het werk om een scheepswrak te bergen.
Er stonden wandelaars boven op die duin, fietsers ook, Tom keek naar de bergingswerkzaamheden. Zo te zien moest er nog veel gebeuren voordat ze het scheepswrak zouden weghalen. De rest leek hem weinig te interesseren.
Zijn aandacht ging naar een man en een vrouw op het strand die erg dichtbij mochten komen. “Mijn ouders,” stelde Tom vast.
Ik reageerde niet echt, bleef naar dat wrak kijken en dacht aan wat ik die ochtend had gezien; Tom van Alsem die potscherven in zijn rugtas stond te proppen.
“Mijn vader toont wetenschappelijke interesse… Snap je? Morele steun, al vindt hij eigenlijk dat een archeoloog meer een soort bouwvakker is, maar dan academisch gevormd.”
“Drinkt je vader wel eens alcohol?”
“Af en toe. Hij vindt dat ieder mens recht heeft op één ongezonde gewoonte. Hoezo?”
“Nee – niks.” Ik had er niet eens over moeten beginnen, verdomme. Mijn pa was ver weg en toch heel dichtbij.
*****
We waren ons een beetje aan het vervelen, volgende ochtend rond elf uur, geen trek in koffie of thee, nergens zin in. Tom zag die auto’s als eerste aankomen, drie zwarte Audi’s. Vreemd genoeg stopte de derde Audi, achterraampje ging omlaag, man met asgrauw gezicht stak zijn hoofd half naar buiten.
Tom scheen hem te kennen, al begreep ik niet goed hoe die twee elkaar tegen waren gekomen.
“Jij hier?”, vroeg de oude man.
“Zeker.”
“Mag in de krant, zo ver kom jij toch nooit?”
“Voor het eerst in jaren.”
“Heb je soms je toverkunsten gebruikt om dat te bewerkstelligen, beste Tom?”
“Niet nodig.”
De chauffeur werd ongeduldig en mopperde enkele Duitse woorden naar zijn passagier.
“Wind je niet zo op, joh, deze jongeman is veel belangrijker dan dat scheepswrak van jouw meester,” zei de passagier die op bekakte toon langs de hoofdsteun praatte.
“Je ziet er slecht uit, ouwe man,” zei Tom.
“Cadeautje van je vrienden,” antwoordde hij, “ik heb longkanker, ‘t is terminaal, niks aan te doen, ik ga dood. Herr Weiss zal blij zijn, denk ik.”
“Moet je niet naar je scheepswrak?”
“Nu niet meer, ik ben er klaar mee, nu ik jou hier zie.”
“Interessant, hoor. Je bent toch zo geïnteresseerd in oudheden?”
“Er zal beslist iets hebben gelegen, maar dat is er nu niet meer.”
Die ouwe man gaf een paar tikken op de hoofdsteun. “Vortmachen.”
“Wie was dat?”, vroeg ik.
“Een vage kennis. We hebben elkaar eerder gesproken. Sluijters heet hij. Niet zo’n aardige man.”
De zwarte Audi draaide naar links en verdween uit het zicht.
“Hij heeft iets nieuws verteld,” stelde Tom vast. Hij keek me aan met een triomfantelijke blik die ik nog niet eerder had gezien. “Herr Weiss. Die heeft hij nog niet eerder genoemd.”
“Ja en wat zou dat?”
“De vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden.”
“Ben je daar niet wat jong voor?”
“Nee,” zei Tom.
“Ik wil het verhaal weten.”
“Je zou me niet geloven.”
“Dan nog.”
“Ooit. Zal ik het verhaal vertellen,” reageerde Tom. “Misschien.”
Het gaf niet veel hoop. Ik begon te leren dat je Tom mocht vertrouwen op zijn woord. ‘Ja’ was beslist ‘ja’ en zijn ‘nee’ betekende daarom evenveel. Het zorgde ervoor dat zijn kijk op het leven veel overzichtelijker was dan de mijne.
Ik was meer ‘nee, misschien’.
“Zijn we vrienden geworden?”, vroeg ik nog.
“Ja, denk het wel.”
“Je hebt toch vrienden om met elkaar mee te denken? Elkaars problemen helpen oplossen.”
“Je bent niet zo’n goeie advocaat als Rien.”
“Rien?”
“Ja, een neef van Aafke. Kletst de gaten in je kousen, die jongen.”
Ik moest zijn vriendenkring nog leren kennen. Hij kende echt veel mensen.
“We zijn elkaar wel eens tegengekomen.”
“Wat ik bedoel… Sjors… Helemaal aan het eind sta je toch altijd alleen. Dan heb je geen flikker aan vrienden.”
“Ik wist niet dat je zo’n vrolijke jongen was.”
Hij negeerde die laatste opmerking.
“Nog effe, en die Audi-jongens komen weer terug.”
“Zou je denken?”
“Ja. Je was er toch bij gisterochtend?”
“Tuurlijk, ik heb er alleen een beetje de pest over in, omdat je zo eigenwijs doet.”
“Laat me raden,” zei Tom, “je wilt weten of je werkelijk lood in goud kunt veranderen.”
“Ja.”
“Geen kans op. Bovendien staan er alleen symbolen op die wij niet kunnen lezen.”
“Ik zou het toch eens willen proberen.”
Tom keek me aan, er speelde een uitdagende grijns op zijn gezicht, maar hij schudde ook langzaam zijn hoofd. “Nee, zeker met Sluijters in de buurt en geloof me, die zal zeker niet zo makkelijk opgeven.”
“Wat kan die Sluijters doen dan?”
“Weinig, ik verwacht een tegenzet. Dat wel. Hij wil die potscherven hebben. Heel simpel.”
Ik besloot het onderwerp voorlopig te laten rusten. Er lag nog een ander onderwerp op het puntje van mijn tong. Ook iets dat die ouwe man met zijn grauwe gezicht had gezegd tegen Tom. Toverkunsten. Dus ik vroeg hoe serieus ik die opmerking moest nemen.
“Nou ja, zeg,” zo begon hij bijna verontwaardigd.
“De tovenaar van Ut. Zo sta je bekend. Er gaan een paar vreemde verhalen over je rond.”
“Geloof me, ’t is allemaal gelogen.”
Ik liet het onderwerp verder rusten. Tom ging op een steen zitten, zodat hij de auto’s kon blijven volgen die geparkeerd waren langs de duinrand. Hij zou zich niet verstoppen voor die man, Sluijters. “Wat is dat eigenlijk voor een vent?”, vroeg ik.
“Sluijters, bedoel je natuurlijk. Hij heeft een winkeltje in Den Bosch, allemaal rommel, zo lijkt het, maar zijn echte talent ligt op een heel ander terrein.” Tom stopte hier even. Driehonderd meter verderop stonden er mannen naast een auto te debatteren. Sluijters hield een wandelstok vast. Hij sprak niet, maar schudde wel zijn hoofd heel gedecideerd ‘nee’. Sluijters was niet van plan een zinloze wandeling te ondernemen naar het strand. “Ik heb gehoord dat hij in staat is magische objecten te herkennen, een gave die Sluijters voor veel geld verhuurt. Je zou het niet zeggen als je het stofnest ziet dat hij zijn winkel noemt.”
“Magische objecten. Zei je dat nou?”
“Ja. Daarom is-ie hier. Vanwege die potscherven.”
Ik ging ook maar zitten. “Die een hoop geld waard zijn.”
“Kunnen zijn – als je die symbolen kunt duiden.”
“Het zou mij beslist lukken.”
Tom keek eventjes opzij. “’t zou je nog lukken ook, hè? Nou ja – Stel dat de eigenaar ze niet komt halen,” zei hij, maar Tom maakte zijn zin niet af.
“Wie? Herr Weiss?”
“Denk het wel, ja.”
“Duikt hier ook nog op,” zei ik, “vandaag of morgen.”
“O, vast.”
Het duurde bijna een uur voordat twee kerels terugkeerden van het strand, twee keer het formaat kleerkast. We zagen Sluijters heel duidelijk gebaren, zo van: ‘Zie je wel!’
Hij tikte ongeduldig met zijn wandelstok tegen het portier van de auto dat snel open werd gedaan door de chauffeur.
“Poppetje gezien, kastje dicht,” mompelde Tom.
“Nu eerst de opdrachtgever informeren en een boel lelijke woorden over je heen laten komen,” zei ik. “Lul, klootzak. Je kan helemaal niks! Maar dan in het Duits natuurlijk.”
“Vermoedelijk,” zei Tom met een glimlach.
“’t Gaat om de poen.”
“Altijd.”
“Komen ze nu weer hierheen?”
“Ja.”
“Stopt die achterste auto dan opnieuw, zodat mijnheer Sluijters kan bijpraten met de tovenaar van Ut?”
“Je bent een lul. Weet je dat wel?” Hij gaf een klap op mijn bovenarm. Ik reageerde direct en sloeg terug. Te hard natuurlijk. “Auw – Je bent ècht sterk,” zei hij.
“Sorry.”
De auto’s kwamen dichterbij, twee reden gewoon verder, zoals ze eerder ook al hadden gedaan, eentje stopte. Natuurlijk ging het raampje open en werd het hoofd van die zieke oude man zichtbaar.
“Je bent goed te werk gegaan, jongen. Er ligt niks meer. Alles is weg,” zei hij. “Herr Weiss zal tevreden zijn.”
“Ken ik niet en boeit me niet.”
“Enig idee wiens belangstelling je hebt gekregen?”, vroeg Sluijters, maar hij gaf zelf het antwoord. “Nee, natuurlijk niet.” Tom zei niets, wachtte alleen af. “Herbert Weiss, beter bekend als Herr Weiss, is de originele kerstman – tot hij alle menselijke hebzucht kotsbeu werd en voor zichzelf begon te werken. Jij hebt zijn aandacht weten te trekken… Jammer. Je had nog wel zo’n glorieuze toekomst. Echt, jammer.”
“Pleur op, ouwe,” zei ik en ondertussen dreigde ik een kiezelsteentje naar hem te gooien.
“Je kiest armzalige bondgenoten, Tom van Alsem.”
“Het valt me echt op dat je er ineens zo veel slechter uitziet,” zei Tom, ‘ik ben benieuwd of je volgend jaar in oktober nog leeft, denk het eerlijk gezegd van niet.”
Sluijters overwoog een antwoord, maar bedacht zich. “Fahren, bitte!” Raampje ging weer omhoog.
*****
De dag verliep verder in een landerige kalmte. We deden weinig, hingen soms wat rond bij de bergingswerkzaamheden, al bleek de grootste opwinding allang voorbij. Aangespoelde wrakstukken, deel van een lading, laat achttiende-eeuws of zo. Een perfecte vakantiedag, zo eentje die met geen mogelijkheid voorbij kon gaan. Ik wilde opnieuw die zogeheten toverkunsten van Tom ter sprake brengen, zoals Sluijters had gezegd. Het was weinig zinvol. Een antwoord zou niet volgen.
Volgende ochtend leek voorbij te gaan zonder incidenten. Ik begon Sluijters te vergeten, anders dan Tom, die nog veel nadacht over het gesprek met die man. Vaak gaf hij geen direct antwoord als ik wat zei. Dan herhaalde ik mijn vraag of opmerking, waarna hij niet altijd een logische respons gaf.
’s Middags net na een uur veranderde er zowaar iets. Om te beginnen ging Tom ineens normaal reageren. Net zo belangrijk was de limousine die we voorbij zagen rijden, niet stopte, maar gewoon verder ging, een verlengde Mercedes, spierwit. Donkere ramen. Chauffeur droeg een uniform, zo goed zagen we hem wel, want erg snel reed hij niet. Ik kan me niet goed herinneren of die twee momenten tegelijkertijd gebeurden. Tom reageerde plots heel attent en die limousine reed voorbij. Volgens mij vielen die momenten zo goed als samen. Er kwam weer een normale glans in zijn ogen. Alsof zijn geest enige tijd ergens anders was geweest. Ik had een hele tijd naast een verlaten lichaam gezeten. Dat idee kreeg ik erbij. Ademhaling, hartslag, alles ging door, maar het huis stond effetjes leeg.
“Je bent een vreemde gozer,” zei ik.
“’t Is niet de eerste keer,” zei hij en Tom negeerde opmerkingen of vragen. “Jij hebt toch ook die auto gezien?”
En ja hoor, meteen weer een ander onderwerp.
“Kon niet missen, hè.”
“Zou dat die… eh, die man, je weet wel… Herr Weiss.”
“Wie zal het zeggen.”
“Dat geloof je toch niet, Tom?”
“Sinds twee maanden geloof ik een heleboel.”
Een ouder echtpaar fietste voorbij, die mensen gingen niet heel snel, maar gewoon heel rustig.
“Je zult me echt iets moeten vertellen, want dit trek ik echt niet.”
“Eerst die auto,” zei hij, “de rest komt later wel.”
“Laat je me zien wat je met die scherven kunt doen?”
Tom schudde zijn hoofd. “Ik weet iets veel beters.”
Toverkunsten. Het woord dreunde loeihard in mijn hoofd, net als de stem van Sluijters, man met een stervend lichaam, dankzij vrienden van Tom. Wie waren die vrienden in hemelsnaam dat ze juist dàt konden doen? Er kwamen alleen meer vragen, niet minder, terwijl Tom er geen één wilde beantwoorden. Tot nu toe niet tenminste.
Het duurde erg lang voordat de limousine terugkwam. Ik dacht eerlijk gezegd dat die auto verder zou rijden, maar de chauffeur stopte, ging een stukje achteruit, parkeerde tenslotte met de rechterwielen in het grint. We keken elkaar vragend aan, Tom en ik, maar er gebeurde lange tijd niets.
“Mocht dat portier zo meteen alsnog opengaan,” zei ik, “dan verzeker ik je dat je niet alleen naar binnengaat.”
“Oké,” zei Tom.
“Aan de andere kant… We zitten het ook wel een beetje uit te lokken.”
“Nee, er is toch geen wet die ons verbiedt hier van de zon te genieten, omdat het strand momenteel druk bezet is met hard werkende mensen?”
Nog steeds gebeurde er niets. Geen beweging, geen geluid. De chauffeur zat onveranderlijk achter het stuur nieuwe orders af te wachten – die voorlopig uitbleven.
“Zullen we wat gaan eten?”, vroeg ik.
We stonden op, klaar om weg te gaan en, zul je natuurlijk net zien, juist op dat moment zwaaide het portier open., alsof de passagier domweg had zitten wachten tot we dat deden.
Nog steeds geen stem.
Ik zag een korte aarzeling bij Tom die alsnog zijn hoofd naar binnen stak en riep: “Hallo?”
“Neem een zit,” zei de onbekende, “en je vriend ook – je vriend die zo weinig vertrouwen heeft in zijn medemensen.”
We worstelden onszelf naar binnen. Ik ging zitten, vergat het interieur nader te bestuderen. Daar kan ik je dus ook weinig over vertellen. Er zat een oude man tegenover ons. Zijn ooglapje viel natuurlijk op – hij had er een voor het linkeroog. Hij had halflang wit haar, een witte baard, wit kostuum en overhemd.
“Je naam zal wel geen ‘’mijnheer Zwart’ zijn, denk ik?”, vroeg Tom en hij klonk echt heel erg cool.
“Wij moeten elkaar niet voorstellen middels een klassieke handdruk; ons soort mensen toont de handpalmen,” zei hij en de man draaide zijn handen om. Tom keek ernaar, langdurig, scheen die handen allemachtig interessant te vinden. Ik had geen idee wat er nou zo bijzonder aan was, maar ja, het was niet erg licht in die auto. Ik boog voorover en ontdekte na een tijdje wat er nou zo speciaal aan was. Die vent had geen handlijnen, geen vingerprintjes, helemaal niets, net een stuk blanco papier. “Je dacht natuurlijk de enige te zijn, nietwaar, Tom?”
Nu was het de beurt aan Tom. Hij draaide zijn handen om. Nu zag ik wat me niet eerder was opgevallen. Ik had gewoonweg niet opgelet. Hoe vaak let een mens daar nou op?
“Mijn naam is Herbert Weiss.”
Tom knikte.
“Bijgenaamd de alchemist,” zei hij en de man richtte zich hierna onverwacht tot mij: “Voor jou ben ik Herr Weiss.”
“Aangenaam,” zei Tom. “Hij heet Sjors.”
“Rooijackers, ik weet wie hij is, maar ik ben hier vandaag niet voor de zoon van Harm en Evelien Rooijackers.” Hij kende mijn ouders, ik was te verbijsterd om hierop te reageren. Met verlegenheid had het niets te maken. “Beste Tom – ik wil de scherven terug die jij hebt verborgen. Ze zijn van mij en dat weet je.”
“Ik begrijp het niet zo goed,” zei Tom, “je hebt die scherven helemaal niet nodig om goud te maken.”
“In ongeschonden staat fungeren ze als een goede versterker. Dat moet je toch wel gemerkt hebben.” Her Weiss pauzeerde eventjes en staarde naar mij. “Ik kan je bijna horen denken, beste Sjors. Jij kunt niks met die scherven, want je moet er de gave voor hebben.” Herr Weiss toonde zijn handpalmen.
Voor het eerst had ik moeite met nadenken. Mijn brein weigerde al die informatie te verwerken. Inderdaad had ik er behoorlijk over lopen drammen. Lood veranderen in goud. Wie wil dat nou niet? Ik was getuige van een ontmoeting tussen twee tovenaars en niemand zou me ooit geloven.
Herr Weiss knikte langzaam zijn hoofd. “Ik wilde de invloed van Herr Sluijters meten. Eens kijken wat Tom gaat doen. En zijn nieuwe maatje, Sjors. Je bent geen slechte jongen, hè. De verleiding is er wel degelijk, maar je hoort bij de ‘witten’.” Tegen wie van ons tweeën zei hij dat nou? ‘Je bent geen slechte jongen!’ Herr Weiss keek naar Tom toen hij dat zei, maar ik voelde me net zo goed aangesproken.
Die ouwe vent werkte op mijn zenuwen.
“Je bent hier nog anderhalve dag,” zei Herr Weiss. “Ik moet nog een paar zaken afhandelen hier in de buurt. Morgenmiddag zo rond drie uur. Dat schikt wel, denk ik?”
Tom knikte.
“Mooi en dan nu… wegwezen.”
Tom stapte als eerste uit, ik aarzelde nog even. Nog één vraagje. “Herr Weiss – Hoe oud bent u eigenlijk?”
“Voor deze keer zal ik doen alsof ik dat niet gehoord heb, Sjors. Wegwezen, zei ik.”
*****
De limousine verdween statig rollend in de bocht. Mijn hoofd tolde ervan, zoveel informatie over met name iemand die een vriend was geworden. In één woord ‘geweldig’, om dan nog te bedenken dat we elkaar tegen zouden blijven komen op school. Ik ging een mooi jaar tegemoet.
Tom streek met zijn vingers door zijn haar. Ik lette nu wel op die ontbrekende lijnen en in vol daglicht zag zijn hand er nog vreemder uit. “Jij wil zeker het hele verhaal weten?”, vroeg hij met de verzuchting van een jongen die er totaal geen trek in had.
Ik begon te lachen. “Zou wel prettig zijn, ja.”
“Herbert heeft gelijk. Ik kan inderdaad een beetje toveren. In de winkel van Sluijters heb ik een kistje gekocht, twee magische kogels om precies te zijn. Vanaf dat moment was alles anders. Ik zie dingen… verschijningen, figuren die allerhande dingen van me willen weten of gewoon vertellen. Het zou tijdelijk zijn, maar blijkbaar is dat niet het geval, want Herbert Weiss heeft diezelfde kogels vastgehouden en ook zijn spreuken op moeten zeggen. Net als ik. En daarmee de kracht van die kogels geabsorbeerd. Ik had al gehoord dat het vaker gebeurde.” Tom dacht voortdurend na over elk woord, elke zin die hij uitsprak, hij was continu op zijn hoede. Ik hoefde me geen illusies te maken. Hij zou geen verkeerd woord loslaten.
“De tovenaar van Ut is dus geen fabeltje,” zei ik. “Hé, dat gedoe met Erwin. Was dat jouw werk?”
“Ja.”
“Gaaf, kikken man.”
“Sinds die tijd kom ik regelmatig Sluijters tegen, al moet ik zeggen dat hij een tijdelijk probleem is, aangezien ze hem een dodelijke vorm van kanker hebben gegeven. Aan de andere kant had ik gehoopt dat ze zijn… eh, activiteiten wat grondiger aan gepakt zouden hebben. Niet dus.”
“En die handlijnen van jou… en hem?”
“Ik zou een goede misdadiger kunnen zijn, volgens Sluijters, die zei dat ik nergens vingerafdrukken kan achterlaten. Op zich wel een juiste bewering. Mijn DNA is ook niet te traceren. Een geweldige voorsprong natuurlijk, als je het vanuit de misdaad bekijkt. Ik vraag me wel eens af of het betekent dat ik ook geen kinderen kan krijgen. Misschien moet ik die vraag eens stellen aan Weiss.”
Ik kreeg er zo langzamerhand hoofdpijn van. “Is er dan ook een bepaald doel aan verbonden? Wat jij… Wat jullie moeten doen. Hij zei dat je hoort bij de ‘witten’.”
Tom antwoordde niet, begon naar het vakantiehuisje te lopen dat zijn ouders gekocht hadden, niet gehuurd zoals wij. Vrijdagmiddag gingen moeder en ik weer naar Utrecht, Tom en zijn ouders pas zaterdagochtend. Sinds het ontbijt hadden we niets gegeten of gedronken, alleen maar op Herr Weiss gewacht. Heel opzichtig, langs een weg die iedereen moest volgen, indien je tot bij het vakantiepark wilde raken.
“Hij kende mij èn mijn ouders,” zei ik. Het schoot me te binnen dat Herr Weiss had gezegd mij uiteraard te kennen.
“Lijkt me geen goed teken, Sjors.”
“Nee hè?”
“Nee.”
“Tot morgen.” Ik stak mijn duim omhoog en ging het huisje binnen.
Tom van Alsem was een tovenaar. Hij was niet de enige. Herbert Weiss kende mij en mijn ouders.
Moeder zat een boek te lezen. Ze mompelde iets over laat zijn, ik reageerde met ‘sorry hoor’.
“Ma. Ken jij een zekere Herbert Weiss?”
“Wie?” Ze had mijn vraag maar half gehoord.
“Herbert Weiss.”
Gedurende een heel kort ogenblik dacht ik in haar ogen te zien dat ze hem kende, maar ze begon haar hoofd te schudden. Grijzende haren zwaaiden langs haar gezicht, alsof ze haar ontkenning daarmee extra kracht wilde geven.
Ik wist dat ze loog.
Het onderwerp kwam die dag niet meer ter sprake. Ik had net van Tom geleerd dat sommige antwoorden tijd nodig hadden en wilde mijn moeder al evenmin dwingen te reageren. Anders gezegd: ik haatte mijn vader te veel om het mijn moeder lastig te maken over dat onderwerp, wel een heel belangrijk onderwerp overigens. Er was geen twijfel over mogelijk of ik zou binnenkort nog eens beginnen over Herr Weiss en die kortdurende vonk in de ogen van mijn moeder. Dat was trouwens geen vreugdevolle vonk geweest, maar angst.
*****
Er lag natuurlijk wel een gigantisch voordeel in die ontkenning, bedacht ik de volgende ochtend toen ik wakker werd, want moeder zou niet zo snel een activiteit verbieden die iets met Herr Weiss te maken had. Ik nam de tijd voor het eten. De afspraak gold vanmiddag drie uur, Tom zou beslist niet veel eerder de potscherven tevoorschijn halen. Herr Weiss had weinig gezegd over de staat waarin zijn kostbare zender verkeerde, nadat Tom zich ermee bezig had gehouden.
Ik bladerde een krant door, populistische rommel, erg schreeuwerig allemaal, onze normale krant was er nu eenmaal niet. Moeder zat lusteloos een boterham te smeren. Morgen keerden we terug naar huis en was mijn avontuur in gezelschap van Tom gedaan. Ik verdrong het idee en liet de krant zakken.
Het was weer zover, ze had de blues. Haar woorden overigens, niet de mijne. Morgen moesten we weer terug naar huis. Nog één dag en dan naar huis. Een ellendig klotehuis vol herinneringen aan drank, agressie en angst.
“Je kunt ook scheiden,” zei ik.
Het was niet de eerste keer dat ik dit zei.
De reactie van mijn moeder kende ik al.
Ze legde eerst haar broodmes neer. “Alleen als hij een andere baan krijgt en voortaan thuis is.”
Ik wilde zeggen dat ze stom bezig was, maar hield mijn mond. In feite had ik ook willen zeggen dat ik die smeerlap zou vermoorden als hij mijn moeder ooit nog iets zou aandoen. Nog geen vinger die anders dan liefhebbend bedoeld was. Ik hield mijn mond. Ze zou gaan huilen en zeggen dat ik mijn toekomst vergooide. ‘Nou en, ma. Die is toch al naar de pokken.’
*****
Na het eten besloot ik een kijkje te nemen op het strand, omdat ik benieuwd was naar de stand zaken rond het scheepswrak. Ik had er een artikel over gelezen, een kort verhaal met foto van een wrak, niet het wrak op dit strand trouwens, een foto van een heel ander wrak. Dat wist ik zeker.
“Die krant mag je nog niet wegdoen, ma,” heb ik nog gezegd voordat ik vertrok. Ze knikte en begon de tafel leeg te ruimen. Nee, ik hoefde niet mee te helpen.
Het kostte tijd om Tom te traceren.
Ik wilde niet naar hun vakantiehuis gaan en aanbellen, zodat naar alle waarschijnlijkheid zijn vader of moeder open zou doen. Het idee voelde een beetje kinderachtig aan. Toch speelde er een zekere opgewonden spanning, een verlangen naar meer avonturen, vreemde gebeurtenissen.
Op het strand waren er enkele wandelaars, een hond die er niet mocht zijn, maar wel keurig aangelijnd was. Ik liep, of zocht eigenlijk naar de plek waar gistermiddag nog het wrak had gelegen. Er lag niets meer. Ze hadden alles meegenomen.
Ik keek besluiteloos om me heen en zag Tom tussen twee duinen door het strand opkomen. Er hing een rugtas over zijn schouder. We begroetten elkaar ergens halverwege.
“Heb je ze al opgehaald?”, vroeg ik.
Hij schudde ontkennend zijn hoofd. “Nee, nog niet. Straks pas. Ik wilde niet riskeren dat Sluijters zich alsnog met de zaak gaat bemoeien.”
“Geen probleem, die ouwe mep ik wel neer als het moet.”
“Je weet wat ze zeggen over oude mensen en kleine kinderen, hè?”
“Huh, boeiend. Als die ouwe op zoek gaat naar problemen, dan kan hij ze krijgen.”
“Als die ouwe op zoek gaat naar problemen,” zei Tom, “wat ik niet denk overigens, krijgt hij met twee tovenaars te maken. En Sluijters herkent dan wel magische objecten, maar kan zelf niet toveren anders zou hij zichzelf genezen van zijn ziekte.”
We lieten het strand achter ons, er lag werkelijk niets meer van enige waarde en het uitzicht, die altijd roerloze Oosterscheldekering, kenden we zo langzamerhand wel. Op het hoogste punt van de zeeduin bereikten we eerst een weg, een smalle strook asfalt die kronkelend langs de zee lag. Daarna weer die helling, maar Tom koos ervoor het onherbergzame duinlandschap te betreden. Begin van de herfst, weinig kans op broedende vogels. Hij manoeuvreerde zich langs struiken met lange scherpe doorns. “Kijk,” zei hij en Tom bleef even stilstaan, “ik wil maar één ding. Domweg met rust gelaten worden. Sinds ik dat vervloekte kistje heb gekocht, bemoeien allerlei mensen zich met mijn leven. Vol goede raad… Je moet dit…. Je moet dat. Fuck it! Dat bepaal ik zelf wel! Ik heb een cadeau gekregen, een geschenk noemen ze het, mensen als Sluijters die herkennen wat ik kan doen, maar zijn zelf volslagen machteloos .”
“Die Sluijters verhuurt zijn talent,” zei ik.
“Laatst vertelde iemand me dat hij ooit is begonnen als groenteboer. Worteltjes of magische objecten . Dat maakt hem weinig uit, zolang het maar geld oplevert.”
Inmiddels stonden we op een natuurlijk plateau, een aaneengeschakelde rij duinen die zich meer dan tweehonderd meter uitstrekte naar elke richting.
“Ik heb er over nagedacht, die toestand met die potscherven. Jij bent slim… Eens kijken of je gisteren goed geluisterd hebt. Wat doen die potscherven? ”
Ik dacht na en herinnerde me mijn teleurstelling, nadat hij had verteld dat je er geen lood mee in goud kon veranderen. Onmogelijk. Tom heeft ook iets gezegd. Jij hebt die scherven helemaal niet nodig om goud te maken. Ze versterkten hoogstens hersengolven afkomstig uit het hoofd van een tovenaar zoals Herr Weiss. Sluijters kon er totaal niks mee.
Dat heb ik geantwoord.
“Juist. Dus is nu mijn vraag als volgt… Wat moet Sluijters dan met die potscherven?”
“Misschien als voorbeeld, hij wil die scherven gebruiken om nieuwe aardewerken potten te maken met dezelfde schilderingen erop. Misschien zelfs meer, groter dan deze exemplaren. Ik heb ze gezien. Zo groot zijn ze niet eens.”
“Precies. Maar om ze te gebruiken heb je een tovenaar nodig met minimaal hetzelfde, let wel, ontwikkelde talent, als Herr Weiss. Je hebt er anders geen ruk aan.”
“Die moeten er dan ook zijn.”
We liepen verder. Ik bedacht ineens dat hij ons naar een prachtige neutrale locatie had gebracht. Het zou niemand daarbeneden zelfs opvallen dat we hier waren.
“Die zijn er ook,” zei hij. Zijn stem klonk wat kalm. Boven onze hoofden cirkelden een paar meeuwen die luid leken te schreeuwen dat we moesten opkrassen. “En ze willen allemaal iets, terwijl ik alleen maar met rust gelaten wil worden.”
“Je magische krachten teruggeven zal ook wel niet gaan,” zei ik, maar in feite kon ik me met geen mogelijkheid voorstellen waarom je zoiets kwijt zou willen.
“Het kistje kiest de eigenaar, niet andersom. Voor Sluijters was dat ook een hele ontdekking dat zijn kleindochter het kistje had verkocht. Hij heeft me tot in Utrecht achtervolgd.”
“Je moet alles vertellen,” zei ik.
“Ja – andere keer.”
Na bijna twintig minuten bereikten we eindelijk een stijl aflopend pad, al leek het op meer op de drooggevallen bedding van een stroom die tijdens een hevige regenbui ontstaat.
“We moeten die spullen van Weiss gaan halen.”
“Yep.”
De scherven bleken te zijn verborgen in de tuin van de familie Van Alsem. Niks bijzonders verder. Een plastic tasje van een bekende supermarkt, daar lagen ze in, voorzichtig weggelegd, half onder een struik, achter de kliko. Ik keek hem verbaasd aan, om niet te zeggen verbijsterd, vanwege zoveel zorgeloosheid.
“Ik heb ooit een verhaal gelezen over een vermiste brief, een belangrijke brief die ging over een erfenis. Aan het eind bleek die gewoon tussen de andere brieven te zijn weggestopt. Heel simpel. Een boom verstop je tussen andere bomen; een brief verstop je tussen andere brieven; rommel bewaar je bij andere rommel.”
Het klonk heel logisch. Alles lag er nog. Niemand had de tas verplaatst of er zelfs een vraag over gesteld.
“Ik kan me niet voorstellen dat dit alles zou zijn,” zei ik.
“Vanmiddag had ik de spullen sowieso weg moeten halen, omdat morgen het vuilnis wordt opgehaald.”
“O, dus daar heb je wel over nagedacht,” zei ik.
Zijn vader verscheen in de deuropening. “Hé, jongens. Trek in koffie? Of een broodje? Dan moet je nù binnenkomen.”
Vijf minuten later zat ik aan tafel, tegenover me zat Tom. Aan de muur hingen verschillende lijstjes met foto’s van twee lachende kinderen, een jongen en een meisje. Ik zag een schoolfoto van Tom, heel recent zelfs, het meisje was er niet bij, maar ik durfde er geen vragen over te stellen.
*****
Drie kwartier later stonden we alweer buiten. Lucht begon te betrekken, boomtakken hingen strak in de wind. Een gepast einde voor het avontuur dat we hadden beleefd die week en ik kon het verhaal niet eens verder vertellen. Verdomme..
Ik wilde Tom nog wel een vraag stellen over de foto van het meisje dat ik had gezien. We gingen linksaf, dezelfde plek als gisteren, waar we ’s middags op Herr Weiss hadden zitten wachten. Die raadselachtige oude man wiens aardewerken potten zich aan boord van een laatachttiende-eeuws schip hadden bevonden. Hij verplaatste zich in een dure limousine, voorzien van alle gemakken die zo’n moderne automobiel kon bieden.
“Hopelijk duurt dit niet zo lang als gisteren,” zei Tom die zijn jas dicht ritste.
“Ik zou dit verhaal eens op moeten schrijven,” zei ik. Zoals de ouwe man die door Tom was betoverd en vermoedelijk nog steeds op het nieuws van twaalf uur zat te wachten. Specialisten onderzochten zijn brein maar slaagde er niet in iets te ontdekken, een afwijking of wat dan ook. Totdat iemand bedacht dat ze zijn wens gewoon moesten vervullen.
“Als je dat echt opschrijft, vergeet je meteen dat het echt is gebeurd.” Hij tikte mijn bovenarm aan, alsof hij het niet meende, want hij glimlachte er ook bij.
“Hè?”
“Precies zoals ik het zeg, Sjors.” Geen lach meer, geen opgewekte ondertoon.
Ik wilde nog reageren, maar er kwam een bloedrode Audi A3 aanrijden.
“Nu eens geen zwarte,” zei Tom. “Da’s ook voor het eerst.”
“Sluijters?”
“Ja, die kickt daar helemaal op.”
De bestuurder stopte, het portier zwaaide open, een man van ongeveer dertig jaar oud stapte uit, even later gevolgd door zijn passagier, natuurlijk heette hij Sluijters.
Tom gaf geen krimp en ik probeerde te reageren alsof het me niet boeide, of het weinig indruk maakte.
De wandelstok van Sluijters prikte ritmisch op het asfalt. “Nou, jongen, geef die spullen maar, dan gaan we weer,” zei hij.
“Nee,” zei Tom, “je hebt er geen recht op.”
“Wat een gedoe zeg. Moet je zo nodig de held spelen?”
“Het maakt allemaal geen reet uit. Ik heb met iemand anders afgesproken.”
“Herr Weiss. Hij heeft je ook al ingepalmd. Ze noemen hem ook wel de witte engel des doods.”
“Je ziet er zelfs slechter uit dan gisteren, Sluijters. Hoe krijg je het voor elkaar?”, vroeg Tom.
De chauffeur begon zonder aankondiging vooraf naar Tom te lopen.
“Nog een stap en je hebt een probleem,” zei ik.
Sluijters begon te lachen en dus begon zijn chauffeur ook hard te lachen, maar Sluijters kreeg een hoestbui en veegde uiteindelijk zijn mond af met een papieren zakdoekje. “Zo,” zei Sluijters met een benepen stem, “de spullen die we zoeken zitten in zijn rugtas. Claudio – Als jij ze wil pakken?”
“Goed mijnheer.”
Claudio graaide tevergeefs naar de rugtas van Tom. Op hetzelfde moment duwde ik die man weg. Hij had enkele stappen nodig om zijn evenwicht te herstellen. Er lag geen spottende grijns meer op dat smoelwerk. Ik zag zijn verbazing, omdat ik veel sterker bleek te zijn dan hij had gedacht.
“Misschien hebben we een klein probleem, mijnheer. De welp blijkt een volwassen leeuw te zijn.”
“Boeit me niet, pak die scherven,” beet Sluijters hem toe, nog steeds diezelfde afgeknepen klanken.
“Het wordt tijd dat Weiss komt opdagen,” zei Tom.
“Ja, àls hij komt,” zei ik.
Ik zag de hand van Claudio onder zijn jasje verdwijnen, alsof hij sigaretten wilde pakken, maar hield plotseling een pistool vast. Loop was op mij gericht.
“Achteruit knul,” zei hij en stak zijn arm uit naar Tom. “Hier die tas, godverdomme.”
De lippen van Tom bewogen langzaam, één enkele zin die hij uitsprak en bleef herhalen. Het duurde erg lang voordat er iets gebeurde, maar Claudio liet het pistool vallen, alsof hij zijn vingers brandde aan het metaal.
“Wat doe je nou, man! Oetlul!”, schreeuwde Sluijters, of probeerde dat te doen. Zijn stem was nog lang niet zo krachtig. Hij kreeg een nieuwe hoestbui, dus weer die zakdoek en deze keer zag ik bloeddruppels. Ik liep richting Claudio, balde mijn vuist, terwijl hij zijn wapen probeerde op te pakken. Hij moest weten wie hem neer ging halen, maar de verleiding was veel te groot. Ik trapte hem hard in zijn gezicht, alsof ik de beslissende goal maakte tijdens een belangrijke finale. Zijn hoofd en bovenlichaam zwaaiden omhoog, heel eventjes, want middenin die beweging zakte hij in elkaar en viel neer.
“Kijk,” zei ik tegen Sluijters die nog steeds flink aan het hoesten was, “daarom zijn echte agenten altijd met zijn tweeën.”
Hij hoorde mijn opmerking niet eens.
“Je moet je beheersen, lul,” zei Tom die eerst het wapen wegschopte en vervolgens naast Claudio neerknielde om zijn hocus-pocus te doen. Ik had hem laten verrekken.
Goed, het betekende dat Herr Weiss niet tegen mij persoonlijk had gesproken. Je bent geen slechte jongen.
Sluijters hoestte nog steeds, al werd het snel minder. Er zat volgens mij een patroon in, als hij zich tegen Tom richtte en zijn kwaadaardigheid op hem losliet, werd zijn ziekte heviger. Misschien verbeeldde ik het me alleen, was het mijn paranoïde fantasie die dit bedacht.
Claudio haalde diep adem, knipperde met zijn ogen en wilde alweer opstaan. Tom hield hem tegen, duwde hem weer terug.
“Blijf liggen, ik ben nog niet klaar met je.”
De vingers van Claudio graaiden machteloos in het grint. Hij liet zijn hoofd naar rechts vallen, toen naar links.
Het wapen lag bij het linkerachterwiel.
“Luister,” zei Tom. “Ik heb die breuken een beetje hersteld. Je zult wel nog een tijdje met een blauw gezicht lopen. Je zult geen pijn hebben. Dat is dan weer een voordeel.”
“Dank je,” lispelde Claudio.
“Je moet me pas bedanken als ik uitgesproken ben,” zei Tom, “misschien zul je me straks vervloeken.”
Claudio schudde langzaam zijn hoofd.
“Dit is de laatste keer dat je je pistool op een ander mens hebt gericht. Vanaf nu kun je dat niet meer. Onthoud dat het kwaad je zal treffen als de ziekte die je het meest vreest.”
Claudio krabbelde langzaam overeind, alsof hij niet kon geloven wat hem zojuist was overkomen. Sluijters liep terug naar de auto, trok het portier open, maar stapte nog niet in.
Zijn ogen dwaalden af naar rechts. Herr Weiss was inmiddels gearriveerd. Hij stond naast zijn limousine.
“Ik wens je een goedendag,” zei Sluijters met een stem die nog steeds krachteloos klonk. “Herbert, je zult ongetwijfeld veel gemak hebben van die jongens. Een duivel en een engel. Wie had dat ooit gedacht, Herbert? Wie had dàt ooit gedacht.?”
Helaas snapte ik Sluijters niet meteen. “Een duivel en een engel? Wat bedoelt die ouwe?” Ik keek opzij, naar Tom.
“Je hebt een moordende rechtervoet,” antwoordde hij. “Dàt bedoelt hij.”
“Ik ga het die jongen van Rooijackers niet eens kwalijk nemen, Jochem. Hij reageerde heel normaal. Je mag jezelf toch wel verdedigen tegen zo’n man.”
Sluijters trachtte zijn hand op te steken.
“Tom – jongen. Tot ziens,” zei hij.
Eerst stapte Claudio in, die het portier met een klap dichttrok, daarna wurmde Sluijters zich in de auto. Het pistool van Claudio lag nog steeds op de plek waar Tom het naar toe had geschopt.
“Geef dat pistool maar aan mij, Sjors, een ongeluk zit in een klein hoekje,” zei Herr Weiss.
De Audi A3 rolde bijna voorzichtig weg, verdween uit het zicht.
Ik overhandigde het wapen aan Herr Weiss.
“Bedoelde je daarnet nou echt dat ik die vent… die Claudio… dat ik hem…. dat hij dood was?”, vroeg ik aan Tom.
“Bijna.”
“Jezus.”
“Een ambulance zou te laat zijn geweest.”
“Mijnheer Van Alsem,” onderbrak Herr Weiss ons, “ik zou graag mijn potscherven terug willen hebben.”
Tom gaf geen antwoord, maar liet zijn rugtas zakken en trok de ritssluiting open. Hij tilde er een plastic tas uit.
“Hier zit alles in.”
“Dank je,” zei Herr Weiss die de tas leek te wegen.
“En nu?”, vroeg Tom.
“Jullie gaan weer naar huis, morgen, overmorgen,” zei Herr Weiss. “Eljakim en Gladius. Ik heb veel geleerd vandaag.” Herr Weiss stapte zonder iets te zeggen in zijn auto. “Tot weerziens, jongens,” zei hij voordat hij het portier dichttrok.
*****
Laatste ochtend in een vakantiehuisje betekende vooral schoonmaken. Ik bracht de koffers naar onze auto, moeder maakte schoon, ze deed in ieder geval haar best om de indruk te wekken dat ze goed had schoongemaakt. Er zou iemand komen om te controleren, een dame die net zo min als mijn moeder op zoek was naar problemen, maar ze vaak genoeg gratis en voor niets cadeau kreeg.
Ik sloot de kofferbak, keek besluiteloos om me heen en zag Tom in mijn richting komen. In zijn rechterhand hield hij een verfrommelde krant.
Er speelde een glimlach rond zijn lippen die weinig goeds beloofde.
“Dit moet je nog echt effe lezen, Sjors,” zei hij en Tom propte die krant zo’n beetje in mijn handen.
Ik zocht het artikel dat hem zo opwond.
Zijn vinger prikte ongeduldig op een stukje dat ging over een man die enkele dagen ernstig in de war was geweest.
Nu ontstond er een grijns op mijn gezicht.
Een gepensioneerde man die doorgaans elke dag op het strand wandelde was eerder die week ernstig verward aangetroffen achter het stuur van zijn auto. Hij mompelde iets over het nieuws van twaalf uur. Heel curieus, aldus de woordvoerder, want die man hàd helemaal geen autoradio. Het leek op een soort hypnose. Zijn toestand veranderde op slag, nadat een verzorger hem daadwerkelijk naar de radio had laten luisteren. Hij verklaarde zich nog wel te herinneren dat hij was uitgestapt en naar het strand ging, zoals elke dag, ongeacht het weer.
“Je hebt een gevaarlijke tong, Tom van Alsem.”
Tom pakte de krant terug.
“Ja-a,” zei hij, “volgende keer vraag ik wel eerst of hij een autoradio heeft die het ook echt doet.” Hij stak zijn hand groetend omhoog en wandelde weg. “Zie je op school, Sjors.”
Ik keek hem na en begreep ineens dat hij nog steeds een raadsel voor me was. Tom van Alsem; geen jongen met wie je ruzie moest maken.
Je zou wel eens wakker kunnen worden met ezelsoren.
© Jos Smies / mei / juni 2014
OGEN
Aan de kleur van je ogen kan ik zien of je doodgaat. Het is geen echt uniek talent en met paranormale begaafdheid heeft het niets te maken. Er zijn wel meer mensen die dat kunnen, vaak zijn ze wat ouder en hebben ze het een en ander meegemaakt. Ik ontdekte het in een fitnesscentrum, enkele jaren geleden. Een man klaagde over zijn gezondheid, een veertiger die heel wat specialisten had versleten. In geen enkel ziekenhuis konden ze hem vertellen wat hem nou precies mankeerde. Natuurlijk deed ik of ik niet luisterde. Volgens mij deden alle aanwezigen alsof ze niet luisterden. Hij vestigde zijn hoop op een groep Belgische specialisten. In Luik. Een kwartier later keek ik hem toevallig recht in de ogen en constateerde geschokt dat hij zwarte ogen had – of vissenogen. Op dat moment had ik hem kunnen vertellen wat die specialisten niet hardop hadden gezegd. Hij was inderdaad erg ziek en ging dood.
Ik zag die man in het fitnesscentrum en begreep voor het eerst wat mijn moeder me had proberen uit te leggen. Een jaar eerder was ze er onverwacht over begonnen. Ze keek tv en zag een bekende Nederlandse politica met opvallende donkere ogen. Ik kwam juist binnen en bleef naast mijn moeders stoel staan. Er was iets aan die ogen waardoor ze over haar pas overleden echtgenoot begon te vertellen – mijn vader. “Hij zou meteen hebben gezegd dat ze zwarte ogen had. Die is binnen een jaar dood. Hij kreeg altijd gelijk.” Nou ja, niet iedereen is uitgerust met die gave. Mijn moeder zag het bijvoorbeeld echt niet.
Lang geleden gingen we een keer op bezoek bij een oma die op sterven lag. Toen we naar huis gingen vroeg ik of mijn vader dacht dat ze snel zou overlijden. Hij schudde zijn hoofd. “Nee, haar ogen staan nog veel te helder.” Die oma leefde nog enkele jaren.
Zo rond mijn achttiende verjaardag kreeg ik belangstelling voor handlijnkunde. Ik leende elk boek dat de bibliotheek had staan over het onderwerp en leerde alles wat erover te leren viel.
Mijn geheugen verleent me zekere privileges, weet je, ik onthoud vrijwel alles. Na de theorie werd het tijd om de praktijk te beproeven. Ik heb een broertje, hij is zes jaar jonger dan ik en verstandelijk gehandicapt. Op zekere dag pakte ik diens linkerhand en begon uitgebreid de lijnen op zijn handpalm te bestuderen. Het was ’s avonds laat. Mijn broertje leende me probleemloos zijn hand. Ik keek en besefte dat hij voor zijn veertigste verjaardag zou sterven. Ouder kon hij niet worden. Ergens tussen zijn vijfendertigste en veertigste jaar zou hij doodgaan. Zeker.
Ik ben me te pletter geschrokken. Hij snapte totaal niets van mijn reactie – zoals hij nog nooit ergens iets van heeft begrepen. Wel besloot ik me vanaf die avond verre te houden van toekomstvoorspellingen en alles wat met de dood te maken had.
Het is een jeugdig voorrecht. Ik weet het.
Leven is alles en dood heel ver weg. Misschien leef je inderdaad maar één keer, maar dat ene leven duurt dan wel eeuwig voort. Misschien keert je ziel weer terug. Vandaag een man, morgen vrouw; vandaag miljonair, morgen zwerver. Je wordt datgene wat je het meest haat. Misschien bedoelen ze dat met de hel. Vandaag levend, morgen dood.
Gelukkig ben ik heel goed in onthouden èn vergeten. Dus ik vergat de onderbroken levenslijn van mijn broertje, verdreef de ogen van mijn oma naar het meest onherbergzame domein van de menselijke geest.
Tot die ene dag in het fitnesscentrum de schellen voorgoed van mijn ogen vielen.
Ik weet niet of je zoiets lotsbestemming moet noemen. Gedoemd te zien wat ik helemaal niet wil zien. Hoelang kun je jezelf wijsmaken dat alles hetzelfde blijft en er nooit iets zal veranderen? Ik ben gescheiden, mijn vader werd ziek en stierf aan de gevolgen van kanker, ook al bleef hijzelf tot het einde roepen dat er niks aan de hand was. Anderhalf jaar lang probeerde mijn moeder de brokstukken van haar leven bijeen te rapen, vol goede moed op weg naar enkele mooie jaren. Ik heb nooit haar zwarte ogen gezien. Wel de blauwe plekken op haar armen, stille getuigen van ziekenhuisopnames en prednison. Ze aanvaardde het einde, beëindigde jarenlange vetes en sloot haar ogen.
Maar mijn kleine broertje leefde in het gelukkigste universum, namelijk volmaakte onwetendheid. Ze zeiden dat hij wist wat er was gebeurd met vader en moeder. Hij wist nergens van. Mijn vader ging elke woensdagavond met hem wandelen, dan reed hij in zijn auto naar de Groote Cingels en ging een stukje lopen met zijn jongste zoon. Mijn broertje heeft na de dood van zijn vader nog maandenlang op het bankje voor zijn huis zitten wachten. Elke woensdagavond. Maandenlang. Wachtend op iemand die nooit meer zou komen. Daarna begon hij te vergeten en vergeten is nu eenmaal een zwaar onder gewaardeerde eigenschap.
Ik vergat bijvoorbeeld dat hij makkelijk ziek werd en mijn broertje kreeg de griep die gaandeweg veranderde in een ellendige longontsteking. In het ziekenhuis staarde hij ons aan met de helderste ogen die ik ooit had gezien. Deze man kon niet doodgaan en toch gebeurde het. Ondanks die akelig heldere lichtblauwe ogen van hem. Ze staarden me aan, heel geruststellend, alsof hij wilde zeggen dat er niks aan de hand was. ‘Alles komt goed,’ zeiden ze.
Natuurlijk kwam het niet meer goed. Hij begreep net zoveel van zijn eigen dood als al het andere in zijn leven – helemaal niets.
Die ervaring in het fitnesscentrum veranderde voor mij wel het een ander. Vanaf die dag kon ik het zien.
Enkele dagen later liep ik naar de Oude Gracht in Utrecht. Ik kwam via een landerige roltrap op het centraal station terecht. Iets verderop lag er links een oude drankenhandel, rechts keken gezonde jongens en meisjes vanaf kleurrijke billboards naar tientallen en misschien wel honderden passanten.
Niet zo lang geleden zei ik tegen een Marokkaanse collega dat een mens maar één keer leeft. Hij schudde ontkennend zijn hoofd, ik hoopte nog dat hij er een flauw grapje in zou zien, maar hij bleef ernstig. “Nee, dat is niet waar. Je leeft twee keer. De eerste keer op aarde, daarna voor eeuwig in de hemel.” Een bewonderenswaardige zekerheid. Ik vind het heel mooi als je dat kunt geloven, echt waar.
Die middag op het centraal station zag ik continu mensen met zwarte ogen. ‘s Avonds op tv zag ik een bekende oudere componist wiens ogen wel matzwarte ovalen leken. Ik begreep ineens hoe die personages in horrorfilms zijn ontstaan die met exact dezelfde zwarte ogen hongerig naar knappe jonge vrouwen loeren. Misschien vermijd ik sindsdien wel drukke plaatsen, wil ik geen mensen meer recht in de ogen kijken, omdat ik alleen maar stervende mensen zie lopen. Winkelende mensen, lachende gezichten, ogen die allang dood zijn. Ik hoef er geen lijnen op handpalmen meer voor te zien.
Toch blijven die heldere blauwe ogen van mijn broertje me bezighouden. Ze hadden toch zwart moeten zijn? Elke dag zijn we er geweest – mijn oudste broer en ik. We zagen ons jongste broertje heel geleidelijk afglijden naar de eeuwigheid, misschien naar zijn komende tweede leven. Nooit waren diens ogen gitzwart – altijd helderblauw – onschuldig blauw. Het is vreemd. Ik had me nooit gerealiseerd dat zijn ogen zo lichtblauw waren tot het te laat was. Blijkbaar had ik hem nooit eerder goed genoeg aangekeken. Ik gun hem een herkansing, zodat hij toch nog eens alle dingen kan doen die hij sowieso nooit heeft kunnen dromen. Mijn broertje als lid van een beruchte motorclub. Een ander leven, maar dan hier op aarde, omdat er geen hemel bestaat waar hij heen kan gaan. Of waar ik heen kan gaan. Of waar wie dan ook heen kan gaan. We blijven waar we al zijn. Hier – op aarde. Een eeuwigdurende cyclus van leven, doodgaan en opnieuw geboren worden. Een andere definitie van het begrip ‘hemel’; net zo lang terugkeren op aarde tot een mens volmaakt gelukkig doodgaat.
Ik kan aan de kleur van je ogen zien of je doodgaat. Heel vaak zijn dat zwarte ogen – die getuigen van een onvervuld verlangen. Er wacht een herkansing. Nieuwe onbekende werelden en uitgestrekte zeeën die helderblauw oplichten onder een stralende warme zon, sierlijke grijze lichamen die onbekommerd door het water glijden.
Ik kan aan de kleur van je ogen zien of je doodgaat. Een heel enkele keer zijn dat lichtblauwe ogen – ogen die getuigen van een voltooide cyclus. Einde.
manuscript, gevonden op een memorystick
De snelweg lag er verlaten bij. Lantaarns waren uitgeschakeld. Een dun maantje verdween geregeld achter bomen en geluidschermen. Iets voor tien uur, nog niet eens zo vreselijk laat, maar hij had een drukke dag achter zich, stuurde hij zijn rode Suzuki naar links. Muziek stond zoals altijd vrij hard aan. Red Hot Chili Peppers. Californication. Hij had een lang weekend voor de boeg, maandag en dinsdag ook vrij. Telefoon stond op ‘stil’, een ideale manier om kalmpjes aan enkele vrije dagen te beginnen.
Puck was niet zijn echte naam. Zijn moeder had hem ooit eens zo genoemd en die bijnaam was blijven hangen.
Een Ford ging hem voorbij, die gek reed minstens 150 kilometer per uur, buitenlands kenteken, dus die dacht dat een prent hem nooit zou kunnen bereiken. De vermoeidheid begon hem al een beetje in te halen. Hij trapte het gaspedaal verder omlaag en passeerde enkele vrachtwagens. Net voorbij een flauwe bocht stuurde hij weer terug en vloekte binnensmonds, omdat hij nu achter een motor reed. Hij hield er niet van, wilde er direct langs, tikte de richtingaanwijzer omlaag en begon in te halen, wat die motorist ook meteen deed. Puck vloekte. Nu niet binnensmonds. Hij overstemde de zanger van de Red Hot Chili Peppers en sloeg op het stuur. De motorrijder maakte enkele slingerende bewegingen. Puck vroeg zich af of die malloot een spelletje wilde spelen. Normaal was hij de eerste om toe te geven dat een snelweg geen speelterrein was. De bestuurder van de Kawasaki keek enkele seconden in zijn spiegel. Puck dacht tenminste dat hij dat deed en zocht nadrukkelijk oogcontact.
Toen kwam die lul met zijn middenvinger.
Gedurende een enkele seconde… meer niet… echt, langer duurde het niet… overwoog Puck of hij die motorist in de vangrail zou rijden.
Hij schrok er zelf behoorlijk van en liet het gaspedaal omhoog komen. De vermoeidheid begon toe te slaan. Puck zette een knop helemaal naar links waardoor er koude lucht de auto in begon te stromen. Het interesseerde hem totaal geen barst wat mensen in auto’s uitspookten: neus pulken, krant lezen, nog even snel oogschaduw aanbrengen, slalommen op de motor bij een snelheid van bijna honderd kilometer per uur of een wheelie demonstreren. Terwijl hij zijn rust probeerde te hervinden, liet ook die motorist zijn snelheid teruglopen.
En opnieuw die ellendige middenvinger.
Puck slaagde er niet eens meer in te bedenken hoe deze ellende was begonnen.
Niet meer dan enkele meters voor hem reed een onbekende man op een zware Kawasaki die continu zijn middenvinger naar hem opstak.
Gewoon… plotseling gas geven en die lamzak zo hard mogelijk raken… die kutmotor van hem… dan verloor hij zijn evenwicht… en over een uurtje of zo werd die hufter wel gevonden omdat een agent op zoek was gegaan naar de bestuurder van die gecrashte motor. Puck zou dan zelf allang thuis zijn en die jongens van de politie zouden nooit weten wat er die nacht was gebeurd. Geen camera’s, geen getuigen… Alleen een vent die in foetushouding naast de vangrail lag. Dat was alles.
En ondertussen begon die lul aardig in de stemming te komen. Hij liet zijn snelheid nog verder terugzakken en stuurde meteen naar links… of rechts, als Puck een kans zag die etterstraal voorbij te rijden.
Hij had zijn schuldgevoelens allang achter zich gelaten. Een laatste restje zelfbeheersing weerhield hem ervan het gaspedaal omlaag te trappen en die vent uit de weg te ruimen.
Die hufter vroeg er tenslotte ook om en Puck had hem nooit iets aangedaan.
Een onbegrijpelijke asociale klootzak!
En die motor had ook weer niet zo’n harde klap nodig.
Alleen een tik en die vent lag er naast.
Gewoon een tik…
Dus… jochie… Jij wil spelen? Oké. Dan gaan we spelen.
Puck trapte het gaspedaal met één nijdige beweging omlaag, constateerde dat de motorrijder hier niet echt op had gerekend. Die lamzak bewoog ietwat onhandig, ging recht achter het stuur zitten en draaide de gashendel omhoog.
Net op tijd, want de bumper van Pucks auto raakte hem al bijna. Het was immers een spelletje. Hij wilde die preut niet meteen in de vangrail hebben. Dat mocht best een tijdje duren. De motorist creëerde een afstand van bijna tien meter. Keek in de spiegel.
Puck drong niet aan. Een achtervolging zou hij zeker verliezen. Zo’n motor was per definitie sneller. Bovendien wilde hij uitgebreid genieten van het spel. Zijn drukke werkzaamheden hadden ervoor gezorgd dat hij vanavond op tv een voetbalwedstrijd had gemist, dus dit leek hem een aardig alternatief. Een heel leuk spelletje. Dood de bestuurder, heette het. Zelf bedacht.
Eén ding had die motorjongen nu wel geleerd. Geen middenvinger meer opsteken naar die man in de rode Suzuki. Vond de man in die Suzuki niet zo leuk. Het maakte verder weinig verschil meer. Voor Puck stond het allang vast wat er met die kerel ging gebeuren. Die lul zou nooit meer een middenvinger opsteken naar wie dan ook.
Een tijdlang gebeurde er niets. Puck zette het volume van zijn autoradio wat zachter, terwijl Mick Jagger zong over de wurger van Boston. Er waren nu eenmaal oneindig veel verschillende manieren om iemand van kant te maken. Wurgen was er slechts eentje van en een methode die een enorme krachtsinspanning vereiste. Een motor aantikken verliep veel sneller en zonder getuigen bestond er weinig kans op een vervelende nasleep. Tenzij er camerabeelden waren, al dan niet toevallig, maar er hingen hier geen camera’s boven de weg. Het was zo’n snelweg waar iedere bestuurder altijd veel harder reed dan officieel toegestaan. Sinds kort mocht hij hier maar liefst 130 kilometer per uur rijden, maar iedereen reed hier rond de 160 of zo. Er was hier helemaal niets. Geen verlichting. Alleen wat boerderijen die verdwaald leken te zijn in een uitgestrekt vlak landschap. De motorist liet zijn snelheid weer teruglopen. Kennelijk was hij zijn eerste schrik te boven gekomen.
Nu ging het klieren natuurlijk weer verder.
Ja hoor. Middenvinger. Daar is-ie weer. Goddomme.
Puck legde zijn beide handen bovenop het stuur. Vroeg of laat zou hij zijn concentratie verliezen, noodgedwongen op wat anders moeten letten, een passerende auto, politie misschien zelfs, die ogenblikkelijk beide kemphanen langs de weg zou stilzetten. Hij zou zich gedragen als een vriendelijke bijna vijftiger die flauwe grapjes kon produceren over de ontstane toestand. Inderdaad mijnheer, helemaal mee eens, een misverstand, ja. Hopelijk letten ze niet op zijn bloedeloze samen geperste lippen of de felle blik in zijn ogen. Het was donker.
Voor die lamstraal maakte het geen verschil. Zijn leven ging vannacht eindigen – hier op deze snelweg.
Politie was er niet – of nooit.
Er waren twee spelers nodig voor een wedstrijd en die reden hier kort achter elkaar. Klaar voor een eindspel. Puck wachtte nog steeds op dat ene ogenblik, een moment van verwarring, concentratieverlies. Auto’s passeerden, maar de bestuurders schenen geen benul te hebben van het moorddadige spel dat er gaande was. Die motorrijder had evenmin enig idee wat hem boven het hoofd hing. Puck hoopte hier tenminste op. Eén keer ging die lul naast hem rijden. Heel even om eens goed in zijn auto te kijken. Wie zat er eigenlijk in die rode Suzuki? Het was een goed moment geweest, bedacht hij, maar ook heel gevaarlijk, omdat hij zelf een groot risico liep de macht over het stuur te verliezen. Hij durfde zijn stuur niet hard naar links te gooien. Vermoedelijk liep dat alleen in films altijd goed af voor de bestuurder. Dus ging hij verder met zijn spelletje. Puck speelde met verve zijn rol als nerveuze automobilist en deed zelden mee aan wedstrijden of spelletjes, omdat hij zich doorgaans een slechte verliezer toonde.
De motorrijder keek in zijn spiegel.
Puck zag in zijn binnenspiegel een auto met grote snelheid naderen. Politie. Kut. Dus toch een scheidsrechter. Dat betekende een afkoelingsperiode. Het spel werd voortijdig afgebroken.
Hij draaide het volume weer omhoog, het geluid deed nog net geen pijn aan zijn oren. De motorist verhoogde zijn snelheid en ging bijna dertig meter voor de Suzuki rijden.
Zie je, agent. Er is niks aan de hand.
Een misverstand, ja.
Ruzie? Wij? Nee hoor. Ik ben moe, heb hard gewerkt deze week en verlang naar enkele dagen thuis op de bank. Geen behoefte aan gedoe.
Sorry voor de overlast, ja.
De politieauto kwam langszij, verminderde vaart, agent op passagiersstoel keek naar Puck, die beminnelijk glimlachend zijn duim omhoog stak.
Nou, sorry jongens, voor het geval ik de indruk heb gewekt dat er iets raars aan de hand was.
Puck stelde uiterst tevreden vast dat de politieauto harder begon te rijden en een tijdje naast de motorrijder bleef hangen. Raampje open. Vraag van agent. Alles oké? Man op motor stak zijn duim op. Ja hoor. Alles in orde. Het ging precies zoals Puck het zich voorgesteld had – als er dan toch bemoeienis van agenten moest komen.
En toch is het spel afgelopen…
Om te beginnen waren die agenten geen kwajongens. Ze hadden het kenteken van zijn auto èn de motor genoteerd. Daar was geen twijfel meer over mogelijk. Natúúrlijk hadden ze die gegevens opgeschreven. Er gleed een vloek over zijn lippen. Nog altijd raasde de adrenaline door zijn lijf. De motorrijder was een dier dat voor het vizier van een jager verscheen die wachtte op het meest geschikte moment om te schieten. Alle gegevens waren bekend. Die agenten kwamen niet toevallig langs. Ze waren duidelijk gewaarschuwd.
Het spel was afgelopen.
De politieauto verdween met hoge snelheid in het nachtelijke duister. Puck begreep dat er op dit moment zelfs niks met die motorjongen mocht gebeuren, omdat hij in dat geval een hoop zou moeten uitleggen. Hij dacht aan getuigenverklaringen van mensen die het tweetal met hun spel bezig hadden gezien. Er hadden genoeg auto’s voorbij gereden terwijl ze met hun kat-en-muisspelletje aan de gang waren. De schijn zou altijd tegen hem werken. Hij was gezien en zijn kenteken genoteerd, zelfs als hij door zou rijden, zouden ze hem ’s nachts domweg van zijn bed lichten. Hij zou op zijn minst het een en ander uit te leggen hebben. Puck wist het en zag dat die motorrijder het ook verdomd goed wist. Oké dan, een gelijk spel, je hebt geluk vandaag, kerel.
Uit de speakers galmde nog steeds harde muziek, deze keer een man die beweerde een walrus te zijn. Puck concentreerde zich op de weg. Zijn vermoeidheid begon opnieuw en heviger op te spelen. De ruzie had veel energie gevergd. Hij schoof een knop naar links en voelde koudere lucht zijn auto in stromen. Kijk, dat was stukken beter. Straks mocht hij in slaap vallen. Thuis. Op de bank. Nu niet. Hij moest zichzelf thuisbrengen. De motorrijder leek zijn aandacht eveneens voor hem verloren te hebben en richtte zich op het verkeer en de snelweg.
Nog een paar kilometer te gaan. Zo meteen zag hij rechts het eerste bord dat zijn afslag aankondigde. Daarna was het nauwelijks vijf minuten rijden. Einde afrit rechts. Eerste kruising links. Thuis! Eindelijk weekend. Effe kijken of de Chinees nog open was en anders bij de Marokkaan binnenwippen, die ging door tot drie vannacht. Een mens moest toch wat eten, nietwaar? Waarschijnlijk zou het shoarma gaan worden, weggespoeld met heel veel bier.
Puck mist bijna dat ene laatste gebaar, maar die motorjongen wilde het blijkbaar zeker weten. Of hij alles had gezien. Een laatste groet aan die ouwe zak in zijn rode Suzuki. Dus Puck trapte zijn gaspedaal direct omlaag – tot de bodem en zijn auto schoot vooruit. De motorrijder reageerde veel te traag of hij probeerde te snel met zijn linkerhand het stuur vast te pakken. Hij verloor zijn evenwicht, de motor raakte uit balans en Puck trapte op zijn rem.
Motor en berijder schoven tientallen meters over het asfalt.
Puck deed direct melding van het motorongeluk.
Nee, mevrouw, geen flauw idee wat er gebeurde, maar ineens ging-ie onderuit.
Hij had hem niet geraakt.
Há, hij had die zakkenwasser nooit geraakt..
Niemand kon zeggen dat hij hem geraakt had.
Het was niet zìjn schuld, want hij had hem niet geraakt.
Puck schakelde zijn alarmlichten in, stapte uit en liep langzaam naar de motorrijder.
Niet zijn schuld.
Straks, als hij thuis was, pakte hij een biertje op de goeie afloop.
Hij had hem niet geraakt.
lekke banden
Oké – de gewoonte mijn fiets te stallen in de hal van mijn flat lijkt een beetje gek, vooral als je bedenkt dat ik een berging heb, maar is geboren uit baldadigheid. Ik woon namelijk in een flat zonder lift, vierde verdieping en dat is alleen handig als je geen bezoek wenst.
Medebewoners zien me wel altijd met fiets op de schouder omhoog lopen en zeggen dat ik mijn fiets in mijn flat bewaar uit angst voor diefstal. Er wordt erg veel ingebroken in mijn buurt, ook al heeft dat er helemaal niks mee te maken.
Ik ga namelijk fietsend naar beneden. Dat is wat ik zojuist bedoelde met baldadigheid.
Er moeten natuurlijk wel eens mensen opzij springen, maar meestal kom ik lachende studentes tegen die er de lol wel van in kunnen zien. Het is een sport.
Na de eerste keer had ik enkele blauwe plekken op mijn lijf, maar al snel werd de behendigheid groter en voelde ik me een topper op dit terrein.
Afdalen is een kunst, zeker als je er enkele trappen voor moet overwinnen. Omhoog vind ik geen echte overwinning. Omlaag wel. Ik had werkelijk nooit gedacht dat dat zo’n ongelofelijke kick zou kunnen geven, een adrenalinerush zonder weerga.
Een oefening in fysieke beheersing.
Soms stond er een medebewoner op de trap die ik vervolgens heel mooi wist te ontwijken, al drukte die persoon zich tegen de trapleuning en hoorde ik een verdieping later nog zijn stem die allerlei ondenkbare scheldwoorden voortbracht.
Ik heb het vier of vijf keer gedaan voor het me begon te vervelen. Er lag geen uitdaging meer. Een trappenhuis zoals in mijn flat is natuurlijk een mooi begin. Ik wilde meer, veel meer.
Geen keurige overzichtelijke trappetjes die in een veilig patroon mensen binnenshuis brachten – of juist buiten op straat; stukje omlaag, gevolgd door een vlak gedeelte en dan opnieuw naar beneden. Er was geen enkele diepte, ik zocht een trap die in één eindeloze lange baan voor me zou liggen, zodat mijn maag bijeen werd geknepen.
Het station in mijn woonplaats bood me die trap.
Eén lang recht stuk, brede grijze treden met witte stippen, twee leuningen die meters uit elkaar lagen.
Hier moest ik mijn fysieke mogelijkheden kunnen testen. Dit was zo’n trap waar ik niet alleen met wat blauwe plekken zou neerkomen. Deze trap was een bottenbreker.
Bovenaan de trap keek ik eerst zorgvuldig om me heen om te checken of er ergens stiekeme camera’s konden zijn, van die zwarte glanzende bolletjes die Grote Broer gebruikt om ons te controleren. Ze waren er niet of ik kan ze niet vinden.
Links lag het theater, mijn speelveld baadde in licht, ik waande me op een podium, gadeslagen door vier jongens uit New Jersey. Ik zag een uitnodigende diepte, een mooi, groot plein, een restaurant dat zijn deuren allang gesloten had, enkele verlaten trams met uitgedoofde lichten. Er hingen wat mensen rond die aan mijn aandacht wisten te ontsnappen.
Het voorwiel viel over de rand, ik speelde ietwat verkrampt met de remmen en liet mijn fiets eerst langzaam naar beneden rollen en vervolgens steeds sneller. Halverwege de trap hoorde ik een stem: “Hé mafkees!”
Ik negeerde hem en ging verder. Mijn vingers ontspanden zich. Wielen rolden botsend over treden tot ik de begane grond had bereikt.
Echt – een geweldige kick.
Ik stopte voor de ingang van het theater en keek om.
Een paar jonge kerels, voor in de twintig, verkeerden in kennelijke staat. Blijkbaar wekte mijn sport agressie op – zoals die vent in de flat die vloekend was achtergebleven.
Het maakte me niks uit dat die gasten me uitscholden voor kankerhomo. Ik liet ze achter en ging naar huis.
Het was mooi geweest en ik had geen behoefte om in elkaar getrapt te worden door een paar zuiplappen.
Dwazen. Ik heb zulk soort mensen nooit echt goed begrepen.
Twee dagen later hing er een briefje in het portiek gericht aan mij persoonlijk. Ik was vereerd, al stond er ‘beste meneer de fietsende randebiel’.
Schrijver van het briefje wilde graag dat ik een andere hobby zou nemen, dus iets anders dan fietsen in het trappenhuis, aangezien trappenhuizen daar niet voor zijn gemaakt en ‘fietsen deedt men nu eenmaal op een fietspad’.
Het briefje bulkte ook nog eens van de taalfouten.
Ik heb er dus later onder geschreven dat hij eerst zijn taal moet leren. Volgende dag was het briefje weg.
Natuurlijk bleef ik naar nieuwe uitdagingen zoeken, maar het was erg moeilijk geschikte nog langere trappen te vinden die als parcours konden dienen.
Wel ben ik dikwijls teruggekeerd naar het station, omhoog via roltrap of lift en denderend over die brede trappen omlaag en het liefst zo snel mogelijk. Het is doodsimpel als je eenmaal weet hoe je het moet doen.
Ook heb ik vaak gedacht aan bergen, een wintersportgebied, maar dan tijdens de zomermaanden, zonder al die gore sneeuw. Ver weg, heel saai, honderden kilometers voor een akelige steenpuist die uit de aarde omhoog steekt.
Een vriendin van me raadde het aan.
Risico’s genoeg, snelheid bracht immers altijd gevaar met zich mee, aangezien de menselijke zintuigen er niet voor waren ontworpen.
Misschien heeft ze wel gelijk, hoor, maar ik heb er gewoon geen zin in.
Om die ene specifieke reden heb ik een lijstje opgesteld van gebouwen met hoogteverschillen zoals bijvoorbeeld een voetbalstadion. Een collega van me werkte in een voetbalstadion en wilde me best wel een keertje binnenloodsen, zodat ik mijn stunt kon doen. Erg opwindend werd het niet, want die trappen waren nog luier dan die van het centraal station.
Voor die collega was het wel spannend. De stunt stond op film, haalde zelfs de media en bezorgde hem een langdurige schorsing.
Ik geloof niet dat hij er slapeloze nachten aan over heeft gehouden.
Hij bleef erg vrolijk reageren als we elkaar tegenkwamen op de werkvloer – en zijn vrouw noemde zich sinds kort een fan.
Een journalist vroeg me wat mijn doel nou eigenlijk was en ik begon over de ultieme kick.
Ik probeerde me het hoogste gebouw in Nederland voor te stellen, beginnend op het dak en dan fietsend naar beneden maar wel zo hard mogelijk. Niet eens de moeilijkheid van het parcours, de uitputtende lengte zorgde voor een opgewonden uitdaging.
In de tussentijd bleek een oude vriend van me ook belangstelling te tonen voor fietssnelheid. Hij heette Jules – uitgesproken op zijn Engels, dus ‘Djuuls’.
We waren geestverwanten en zochten voortdurend naar nieuwe ideeën. Hoge gebouwen, openbare gebouwen en niet alleen maar die ene hoge flat langs de Admiraal Helfrichlaan.
Fietsend naar beneden, zo snel mogelijk. Wie aarzelt, is een mietje. Een sukkel. Er kon niks gebeuren.
We kwamen overal binnen, letterlijk overal, want iedereen doet uiteindelijk open, omdat mensen te belazerd zijn om verder te informeren. Sleutels vergeten, een vriend verrassen, ja, probeer maar eens smoes te bedenken die we niet hebben gebruikt.
Zelfs kantoorgebouwen en we ontdekten dat veel bewakers goedgelovige dwazen zijn die letterlijk elk verhaal willen geloven, zolang ze maar lekker naar hun tabletjes konden blijven gluren.
We voelden onszelf prinsen, Jules en ik.
Zo’n suffe bewaker kletsten we omver in de hoop dat hij ons toestemming gaf met fietsen op de schouder het gebouw te betreden – identificatiepasjes lagen thuis en sloten voor onze fietsen hadden we nu eenmaal niet – mijnheer.
Vooral dit laatste woordje mocht je nooit vergeten: ‘mijnheer’.
Heel belangrijk: je moet mensen belangrijk kunnen maken, belangrijker dan ze ooit zullen zijn.
Dan kom je bijna overal binnen. Ook moet je je flauwste grapjes gereedhouden. Met een beetje humor gaat bijna elke deur voor je open. Alsjeblieft geen kwetsende cynische humor!
Die jongens zijn heel erg gevoelig, moet je weten. Ik heb erg veel geleerd over mensen in die periode.
Het is de mooiste tijd van mijn leven. We wisten het heel zeker, Jules en ik, er kon ons niks gebeuren.
Maar Jules had zich een vriendinnetje gescoord, een lief onschuldig meisje met eenvoudige verlangens, een breister.
Ik vreesde direct het einde van onze alliantie, zo vergaat het namelijk de meeste bondgenootschappen. Zodra er een meisje verschijnt, groeit de behoefte aan een zekere vastigheid, rust en regelmaat, vermijden van risico’s.
Het is een natuurlijke en volkomen begrijpelijke toestand die ik haat.
Tot dan toe genoten we allebei met volle teugen van de relatieve nutteloosheid van ons dagelijks leven.
Geen verleden of toekomst, alleen een grenzeloos heden.
We maakten filmpjes van onze avonturen die op internet werden bekeken en zeiden dat we de meest onbekende beroemde personen van dat moment waren.
Natuurlijk werd het stukken moeilijker om ’s avonds gebouwen binnen te dringen. De bewakers hadden verhalen gehoord over twee fietsende mafkezen.
Ze hadden ons zelfs gezien op bewakingsbeelden.
Die kerels lieten zich moeilijker bespelen. Ze hadden gerichte instructies gekregen, ons speelterrein bleek bekend te zijn, dus besloten we een iets andere aanpak.
Jasje-dasje, manchetknopen, gouden dasspeld.
Voor het eerst kon de vriendin er hartelijk om lachen, toen we op onze fietsen stapten en wegreden.
Ons uitgangspunt luidde als volgt: een winkeldief in rafelig T-shirt en versleten spijkerbroek wordt bij de deur tegengehouden, diezelfde winkeldief, mits gekleed in keurig pak, mag gewoon weglopen met enkele hippe titels onder zijn arm.
Een oude volkswijsheid, maar geheel en al waar.
De bewaker van een groot handelscentrum zag ons bijna een half uur later binnenkomen. Eerst volgde er een geweldige lachsalvo, tranen rolden over zijn wangen en hij gaf ons vrijwel direct toestemming verder te gaan.
Hij stelde wel een voorwaarde. Géén filmpjes, want daar kreeg hij alleen maar narigheid van.
Oké man. Prima. Een week eerder had die vent ons nog weggestuurd als twee schurftige honden.
Honden van Pavlov, dat wel.
Oké, dus Jules nam de lift, ik de trap, ’parcours verkennen’.
Hij verdween met twee fietsen in de lift en ik probeerde uit te vinden of er ergens nog iets raars in het trappenhuis lag, een bottenbreker.
Die dag was ik de pineut, daarna zou het de beurt zijn aan Jules om de route te verkennen.
Ik verwachtte geen loslopende honden, hoogstens iemand die tot ’s avonds laat had doorgewerkt, hetzij gebruik maakte van zijn veel snellere zakelijke computer om gave spelletjes te kunnen spelen.
We wilden heel zeker weten dat er geen vreemde obstakels op ons parcours waren achtergebleven – neergelegd, zoals Jules een enkele keer opperde.
Ik bereikte de bovenste verdieping na een eindeloos lijkende klim.
Alle deuren zijn doorgaans makkelijk te vinden, omdat er groen oplichtende bordjes boven hangen, behalve die ene, de laatste of eerste, zo je wilt.
Ik duwde de stalen deur open en betrad het dak.
Boven mijn hoofd strekte zich een prachtige sterrenhemel uit, de maan hing lui boven het oostelijk gedeelte van Utrecht.
Onze fietsen stonden netjes tegen een muurtje.
Jules leek zich ergens schuil te houden, ik kon hem zo snel niet vinden, dus ging ik rondlopen en vond hem zittend op de rand van het dak.
Zijn voeten tikten ritmisch tegen de gevel.
Colbertjasje lag enkele meters terug, stropdas hing losjes om zijn hals. Er ontstond een verkrampt gevoel in mijn maag, want Jules oogde alsof hij een reden zocht om te springen – zich te laten vallen.
Ik wil alleen maar lol hebben – weet je wel.
Geen moeilijkheden of zware gesprekken. “Wat is er aan de hand, joh?”, vroeg ik.
Jules keek half. “Ik zit te genieten van het uitzicht – van altijd maar jakkeren en jagen krijg je last van maagzuur.”
Jezus – Wat heb ik daar een hekel aan. Als Jules zo stom begint te ouwehoeren.
“Je hebt toch geen tijd genoemd?’
“Nee – dat weet je.”
Ik ging naast hem zitten, heel voorzichtig, aarzelend, alsof ik nooit last heb gehad van hoogtevrees.
“Heb je nou nooit eens zo’n moment dat je ineens beseft dat je leven ingrijpend gaat veranderen – alles gaat voorbij. Heb jij dat nou nooit… of heb ik dat alleen maar?”
Jules had gelijk, hoor.
Het uitzicht was inderdaad voortreffelijk. Rechts stond de Domtoren, als altijd het trotse centrum van de oude stad. Een bruisende stad vol lichtjes. Een mooie zomeravond. Veel te nauwe straatjes, overvolle cafés, grote aantallen mensen, harde muziek, bier en wijn.
“Geen idee man, ik probeer daar zo min mogelijk over na te denken.”
“Mijn vriendin is een eenvoudig iemand,” zo begon hij uit te leggen. “Ze verbergt niets, de pil ligt gewoon naast mijn scheermes. Het viel op dat ze al een tijdje geen pil meer had gebruikt.” Hij keek opzij en trok een gezicht. “En man – we neuken als konijnen. Echt! Vanaf dag één!”
“Kijkt ze al naar babykleertjes?”
“Ja.”
“Kut.”
“Nou – dat valt wel mee.”
Naast me zat de toekomstige bestuurder van een leaseauto, iemand die ook permanent een mobieltje en laptop in gebruik had, onmisbare gereedschappen die horen bij modern werkvolk.
“En nu?”
“Heb je mijn fiets niet bekeken?”
“Nee. Waarom?”
“Echt balen. Twee lekke banden.”
Gaia
In de mist der tijden leefde er een knappe jonge vrouw, dochter van Aanzienlijken, die zichzelf weliswaar niet tot de top van hun clan mochten rekenen, maar wel van belang waren. Er bestond voor Gaia, zoals ze heette, meer dan een redelijke kans op een goed huwelijk, zodat de status van haar familie zou stijgen. Gezien haar leeftijd, zestien jaar, was het de hoogste tijd dat er spoedig een beslissing werd genomen. Mensen werden vroeg volwassen in de voorTijd en gingen eerder dood dan tegenwoordig.
Er werd een groot feest aangekondigd, waarbij de complete clan, zoals het hoorde, was uitgenodigd. Gaia maakte kennis met haar toekomstige echtgenoot die haar accepteerde. Het was een bijzondere eer voor de jonge vrouw en haar familie. Er volgde een feest dat zich grotendeels buiten het gezichtsveld van Gaia voltrok. Diezelfde avond, terwijl Gaia zich voorbereidde op de komende nacht, kondigde haar dienstmeisje een bezoeker aan. Het was haar verloofde, die een onderhoud wenste. Volgens de etiquette van haar clan was dit hoogst ongebruikelijk, maar ze wenste toch aan zijn verzoek te voldoen. Hij trad binnen en zijn gedaante vulde het vertrek.
Gaia was verward, want deze verschijning leek op de man die ze ’s middags had ontmoet, maar was hem overduidelijk niet. Ze herkende in zijn ogen een heel ander persoon, namelijk de duivel. Dit was geen mens. Ze wilde hard gillen, hulp roepen en haar bezoeker laten verdwijnen, zodat haar eer niet geschonden zou worden.
Tevens realiseerde Gaia zich dat ze mogelijk al te laat was. Wanneer een persoon je vertrekken betrad, die bijna tweeëneenhalve meter lang was, en leek op je verloofde, maar hem overduidelijk niet was, dan had je als vrouw in de voorTijd een groot probleem.
Dat wist Gaia. En ze had echt een probleem.
“Vraag niet wie ik ben, want dat weet je al.”
Hij sprak tot haar, maar bewoog zijn lippen niet. Gaia hoorde zijn zware stem in haar hoofd.
“Wat wil je?”
“Jouw kinderen.”
“Ik ben verloofd, ga trouwen, krijg een voorname positie binnen de clan.”
“Vreemd genoeg geloof je dat je nog kunt kiezen.”
Al die tijd dreunde zijn stem in haar hoofd, en bewogen zijn lippen geen enkele keer. Gaia zag niet eens dat hij ademhaalde. “Ik heb een probleem als iemand je hier ziet.”
“Je vader heeft je aan mij gegeven, beste Gaia, volgens mij heb je geen keuze. Vannacht ga ik je bevruchten, en over negen maanden schenk je het leven aan mijn kinderen. Twee zoons, twee mannen die de wereld onder elkaar zullen verdelen. Jij zult eeuwig leven, evenals je kinderen.”
“Dat wil ik niet. Ik wil leven als een goede dochter van mijn vader, en echtgenote voor mijn meester.”
“Je hebt geen keuze, beste Gaia. Je hebt me al binnengelaten. Verzet is zinloos.”
“Ik haat je.”
“Dat is in ieder geval een goed begin.”
En Gaia begon haar vervloekingen uit te spreken.
“Je mannelijke nageslacht is vervloekt tot het einde der tijden. Alleen jouw dochters en hun dochters leven eeuwig.”
“Jouw jongens veranderen in gedrochten, monsters die als versteende creaturen naar hun einde smachten.”
“En de vrouwen krijgen zeggenschap over leven en dood.”
De duivel Belial deed een stap naar voren, en sloeg haar hard in het gezicht, zodat Gaia enkele tanden moest uitspugen.
Gaia liet het zijden gewaad van de schouders glijden, en demonstreerde haar maagdelijke naaktheid. Ze toonde Belial een vrouw in de kracht van haar leven. “Voortplanting zal zo goed als onmogelijk zijn, een zeldzaamheid, zodat jouw gebroed geen bedreiging zal vormen voor de mensheid.”
Gaia lachte heel hard, en het hikkende lachen galmde langdurig na. Ze zweeg pas, nadat Belial haar lichaam op het bed had geworpen. Zwijgend keek ze hem in de ogen, die vuurrood waren geworden, en aanvaardde het onvermijdelijke. Zijn koude marmerachtige huid raakte de hare en Gaia dacht inmiddels na over de manier waarop ze kon ontsnappen voordat ze terecht gesteld zou worden door haar familie. Met geen mogelijkheid ging ze de bebloede lakens verbergen en haar broers waren uitzonderlijk trouw, maar dan wel aan de vorst.
Zo werd oermoeder Gaia zwanger van de duivel Belial.
Gaandeweg verloor ze het bewustzijn, ontwaakte vele uren later, omdat haar kamermeisje kwam waarschuwen, dat ze moest vertrekken. Aanvankelijk reageerde Gaia verward, begreep ze de reden van alle opwinding niet goed. Langzaam richtte ze zich op, zag de bebloede lakens en bedekte snel haar mond voordat ze kon gillen.
“Blijf kalm, Vrouwe Gaia,” hoorde ze haar kamermeisje zeggen, en verbaasde zich over die geweldige onbeschaamdheid. “Ja, ik weet het,” vervolgde ze, “de etiquette, maar als we daaraan vasthouden bent u binnen enkele uren dood.”
“O God,” stamelde Gaia.
“Die heeft er helemaal niets mee te maken, en schiet op. Ik help u met aankleden.”
Gaia stond wankelend op haar benen en liet Alula begaan, zoals ze eigenlijk altijd deed. Alleen deze keer had ze de situatie niet onder controle en bleven de grappig bedoelde opmerkingen achterwege. Pas na vijf minuten staarde ze omhoog, naar het plafond en realiseerde zich dat er een zin was geschreven op die lichtgrijze kalkstenen ondergrond. Het waren bruinrode letters. Het had bloed kunnen zijn. En Gaia besefte dat het inderdaad bloed was. Haar bloed. Alula keek eveneens naar het plafond, maar had nooit leren lezen.
“En de vrouwen van ons geslacht verliezen hun onsterfelijkheid na de geboorte van een kind.” De stem van Gaia klonk plechtig, als bij een grafrede.
“Dat is slecht,” zei Alula, “heel erg slecht.”
“Laten we gaan,” sprak Gaia bijna onhoorbaar.
Alula had een gezadeld paard geregeld, voor enkele dagen voedsel gezorgd en wat drinken. “Dat is alles wat ik voor u kan doen,” zei ze, “en ga nu voor het te laat is.”
“Jij moet ook vertrekken,” antwoordde Gaia.
“Nee, ik blijf hier.”
“Dat wordt je dood.”
“Misschien.”
“Ik heb je nodig.”
Alula schudde hier ontkennend haar hoofd. “De duivel zorgt voor zijn trawanten. Waar u heengaat, durf ik niet te volgen.”
“Je zult een opmerkelijk leven leiden.”
Ze glimlachte triest. “Dat heb ik al, meer dan me lief is.”
Zo verdween Gaia in het duister, terwijl de laatste woorden van Alula nog in haar hoofd rondtolden.
Dit was het uur van de duivel. Ver weg, in oostelijke richting, kwam de zon aarzelend achter de horizon vandaan. In de stad eindigde het drinkgelag, mannen sliepen hun roes uit, of lieten zich stomdronken neervallen. Oude vetes waren beëindigd, nieuwe geboren. Belial had zich op slinkse wijze toegang verschaft tot haar slaapvertrekken. Gaia proefde nog steeds opgedroogd bloed in haar mond en voelde het ontstane gat tussen haar achtergebleven kiezen. Boven haar hoofd vormden heldere sterren een perfecte richtingaanwijzer. Dáár was het noorden, want de poolster herkende ze probleemloos. Iets meer naar links, waar de zon ’s avonds onderging, lag de eindbestemming. Ze vroeg zich af of Alula het zou redden. Welk verhaal ging ze vertellen? Ongetwijfeld was het een huilerig relaas over de duivel die met geweld was doorgedrongen tot het slaapvertrek van haar meesteres. Misschien had ze een onbeduidende gangster betaald voor enkele stevige klappen. Blauwe plekken en opgedroogd bloed maakten altijd wel indruk.
Zodra Alula het verhaal hortend en stotend vertelde voor de verzamelde edelen, stroomden er grote tranen over haar wangen. Waarschijnlijk organiseerde broers van Gaia een zoektocht, zodat die trouweloze hoer, want op die manier werd er inmiddels over haar gesproken, terechtgesteld kon worden. Ja, Alula had ongetwijfeld de waarheid gesproken en zou haar eigen leven mogelijk kunnen redden. Ondertussen draafde het paard onvermoeibaar verder, zocht een onbekende plek achter troosteloos ingezakte bergen.
Daarginds, verborgen onder één van die bergen, leefde volgens Alula een duivel. Hij rookte sigaren die groter waren dan de grootste stad ter wereld. Het gebeurde gelukkig hoogst zelden, maar als hij er één rookte, dan vloog de aarde meestal in brand. De vuurberg waar deze duivel zich onder schuil hield wierp eerst as en stenen omhoog, tenslotte stroomde er roodgloeiend gesteente langs de bergrug omlaag. Mensen vreesden dat moment. Er was geen plek op aarde waar iemand zich kon verbergen. Iedereen ging dood. Slaven en Aanzienlijken. Voor de duivel was ieder mens gelijk.
Vannacht had Gaia kennis gemaakt met een van de aanzienlijksten uit het duivelse geslacht. Ze vreesde geen struikrovers of woeste bergbewoners, die zonder uitzondering op de hoogte waren van haar komst. Belial had hun zielen vergiftigd. Mensen in omliggende dorpen hielden half verrotte luiken en deuren langer gesloten dan normaal, omdat ze Belial meer vreesden dan God. Gaia droeg het brandmerk van de duivel. Haar vermoeide gepijnigde lichaam protesteerde hevig tegen de ongewone rit. Het was je reinste mishandeling, een eindeloze tocht dwars door een stervend landschap.
In het zuiden blies de duivel van Alula een wolkje rook weg, keurig richting sterren, zodat de beschermelinge van Belial er geen hinder van zou ondervinden.
Het paard stopte onverwacht. Gaia vroeg zich af wat er aan de hand was en zag een grillig gevormd gat in de bergwand. Ze begreep dat deze plek komende tijd haar onderkomen zou zijn.
Nerveus bedacht ze dat alle wilde dieren uit de omgeving haar als hulpeloos prooidier konden opjagen. Ze zuchtte en besefte tevens dat ze weinig keuze had. Hopelijk hield Belial een oogje in het zeil, of zoals Alula tijdens hun afscheid opmerkte: de duivel zorgde voor zijn trawanten.
Vroeger hoorde ze verhalen over mensen die hun ziel verkochten aan de duivel, waarbij ze plichtmatig opmerkte dat het haarzelf, Vrouwe Gaia, nooit zou overkomen. Gisteravond ging ze nog door het leven als een geschikte huwelijkskandidate, aantrekkelijk voor adellijke jonge heren, een jonge vrouw, knap en vruchtbaar. Misschien was dit wel de oplossing van dat eeuwige raadsel. Hoe kwam een mens zover dat hij zijn onsterfelijke Goddelijke ziel verkocht aan de duivel? Heel simpel, want die duivel kwam niet als een helse verkoper van onbetaalbaar geluk, maar stal domweg wat hij kon gebruiken. Ondefinieerbare schuld wrat aan de ziel van Gaia, want er moest wat zijn geweest. Misschien een glimlach of knipoog, die Belial had geattendeerd op de aanwezigheid van een bepaalde dame met een hoogmoedige inborst. Er was iets vreselijk fout gegaan. Ze had niet vurig genoeg geloofd in God en tijdens het dobbelen was haar ziel achteloos van eigenaar gewisseld, zodat ze vandaag een willoos instrument van de duivel was geworden.
De zadeltas viel ploffend op de stoffige bodem. Gaia liet zich behoedzaam van het paard glijden, stond nogal wankel op haar benen en zocht houvast bij het edele rijdier. Spieren en vezels in haar lichaam protesteerden tegen de inspanning die ze had moeten leveren. Ze hoopte dat er beneden een lekker zacht bed was, of minimaal iets daar op leek. Traag begaf ze zich richting het gat in de bergwand, maar bedacht zich en bleef staan. “Keer terug naar huis, trouwe dienaar, gelukkigste onder Gods schepselen, aangezien je geen ziel hebt die je kunt verliezen,” sprak ze tegen het paard, “en vergeet dat je hier bent geweest.”
Ze legde de tas over haar schouder, stapte uit het licht en betrad de onderaardse ruimte. Er heerste een prettig weldadig schijnsel, een wolk van zacht licht dat nergens vandaan leek te komen. Ze liep de trap af, een langzaam dalend, prachtig glanzend exemplaar. Ze zocht naar flikkerende kaarsen die een kringelende wolk creëerden. Haar ontdekkingstocht bracht Gaia aan de voet van de trap. Ze onderwierp haar nieuwe onderkomen aan een zorgvuldige studie. In elk geval was dit geen normale spelonk, zo’n veelvoorkomende holle ruimte onder een berg waar mensen wegbleven, omdat wilde dieren er altijd hun heenkomen zochten. Beneden wachtte een veel grotere verrassing, aangezien de vloer zo glas was als een spiegel. Soms dacht ze heel zeker te weten dat het bizarre lichtschijnsel zijn oorsprong onder haar voeten had. Boven haar hoofd hingen de gebruikelijke neerhangende stenen kegels, stalactieten. Haar ogen zochten een geschikte slaapplek, want ze was verschrikkelijk moe en had spierpijn. Een eindje verderop, goeddeels verborgen in de duisternis ontdekte ze een verhoging. Dat werd haar bed. Hoe dan ook. Gaia legde haar hoofd voorzichtig op de zadeltas die zacht genoeg aanvoelde. Zelfs haar rotsachtige matras voelde comfortabel deinend aan, zacht bijna, maar dat was natuurlijk verbeelding en Gaia zakte al snel weg in een lange droomloze slaap.
Ze werd wakker en niet omdat ze zich nou zo uitgerust voelde. De bijna serene stilte werd verbroken door een geluid dat deed denken aan schrapende nagels op een keiharde ondergrond. Het is verbeelding – natuurlijk. Ze moest nog slapen, dromen zelfs. Gaia kwam na een tijdje overeind en probeerde uit te vinden waar het precies vandaan zou kunnen komen, voor haar eigen gemoedsrust, zodat ze spoedig de slaap weer kon vatten. Na een tijdje vruchteloos zoeken ging ze weer liggen in de hoop dat haar ogen net als daarstraks snel weer zouden dichtvallen. Ze keek omhoog en zag enkele stalactieten boven haar geïmproviseerde bed hangen. Hoe groot zou de kans zijn dat er zo eentje naar beneden kwam terwijl ze lag te slapen? Alula zou inmiddels best wel eens dood kunnen zijn… Ze schatte de kans, dat haar broers vergevingsgezind zouden zijn, als uiterst minimaal in. Tot dusverre meende ze dat haar vertrouwde kamermeid er wel mee weg zou kunnen komen. Volstrekte dwaasheid natuurlijk. Haar broers kennende zouden ze haar direct, nadat ze Gaia’s verdwijning hadden vastgesteld, terechtstellen en geen mens zou hen dat recht kunnen betwisten. Jammer dan – ze had gewaarschuwd. Het zou wel handig zijn geweest om hier een Alula te hebben. Gaia sloot haar ogen en heel even hield het schrapen op. Ze sliep, maar werd korte tijd later weer wakker.
Die krassende nagels, zoals ze het afschuwelijke geluid inmiddels hardnekkig bleef noemen, hadden zich vermenigvuldigd of klonken veel luider dan daarnet. Besluiteloos keek ze naar links. Ze weerstond de opwellende gedachte gewoon eens te gaan kijken. Haar angst was volslagen onzinnig. Er zijn altijd geluiden in de wildernis. Schrapen van nagels? Welnee! Knaagdieren – ratten of muizen… Gaia liet haar hoofd terug rollen en bekeek de stalactieten, reusachtige stenen dolken die elk moment omlaag konden vallen. Nee… echt… er was niets aan de hand… Het was echt onzin. Anders dan haar broers had ze nog nooit een nacht alleen buiten doorgebracht. Haar bestaan vond tot gisteren onveranderlijk plaats binnen de vertrouwde omwalling van hun voorouderlijke stad. Dit soort geluiden waren normale geluiden die ze moest horen als ze een nacht doorbracht in de wildernis, maar vannacht kregen alle geluiden menselijke eigenschappen. Gaia keek langs de trap omhoog, zag geen daglicht binnendringen en wist evenmin of dit eerder wel het geval was geweest.
Inmiddels begonnen de schrapende vingers, of knagende ratten, pijn te doen aan haar oren. Gaia meende zelfs dat er iets in het geluid veranderd was. Ze liet haar trillende vingers langs haar oorschelpen glijden en vreesde voor warm, traag sijpelend bloed. Er was niets aan de hand. Allemaal verbeelding, meid. Wat je toch ook een trut, hè! Hoe kun je nou denken dat beesten aan je oor hebben geknaagd? Tot nu toe krasten die vingers alleen maar, sinds enkele minuten leken ze ook te scheuren… geen papier of textiel… nee, een veel zwaarder, harder materiaal… een beetje als steen. Joh, er zijn hier helemaal geen beesten! Heb je soms beesten gezien toen je hier aankwam? Er is helemaal niks. Niemand. Alleen jij. Je bent de enige.. Gaia verzamelde al haar moed en kwam overeind en voelde zich heel even duizelig.
Er lag een wolk van licht over de vloer, ongeveer een meter diep. Heel fel licht. Ze slaagde er niet eens meer in die vloer te zien. Haar benen staken in een bizarre, continu van vorm veranderende lichtsubstantie, een echt levend lichaam. Gaia bleef staan en staarde omlaag. Gedurende enkele minuten werd haar bewustzijn opgeslokt door haar fascinatie jegens het verschijnsel. Heel voorzichtig liet ze haar vingers in de lichtwolk wegzinken. Er begonnen vonken te ontstaan die onbeheerst ronddansten. Ze glimlachte zelfs even. Gaia liep verder, de lichtwolk werd ijler, ze zag het vertrouwde spiegelvlak weer die de vloer in haar geheugen was geworden. Ietwat verdwaasd staarde ze omlaag. Tussen haar voeten herkende ze enkele klauwende handen.
Hé… handen… Dat was haar allereerste gedachte. Vervolgens begon Gaia te krijsen, zoals ze nog nooit eerder had gedaan. Klauwende handen baanden zich wanhopig en heel gestaag een weg dwars door de vloer, zoals een man die levend was begraven aan zijn doodskist wilde ontsnappen. Ze deinsde achteruit en dreigde te vallen, maar werd vastgegrepen door de lichtwolk die haar lijf wist tegen te houden. Ze gilde niet langer, er kwam geen geluid meer over haar lippen. Onder haar voeten, of eigenlijk waren het op dit moment haar knieën, brak de vloer in stukken, scheurde domweg kapot en er kwamen bebloede mannenvuisten omhoog die begerig naar haar benen graaiden. Ze wisten haar vast te grijpen en trokken Gaia met een korte snelle ruk omlaag. Gesteente schraapte langs haar lichaam. Haar stem vulde de spelonk… een langgerekte angstschreeuw. Ik ga dood, verdomme, ik ga dood. Honderden handen betastten tegelijkertijd haar lijf, scheurden haar kleding aan stukken. Ze durfde allang niet meer te kijken en smeekte God om een snel genadig einde. Haar smeekbede werd niet verhoord. Nog niet tenminste. Gaia hoorde een bekende stem in haar hoofd. “Jouw bloed is mijn eigendom,” zei Belial, “en verloochen nu degene die jij God noemt, aangezien we een contract hebben. Erken mijn aanspraken of ik vernietig je sterfelijke lichaam en neem je ziel nu al in bezit.”
Al die honderden en misschien wel duizenden handen verdwenen plotseling in het niets. Het ene ogenblik waren ze er nog en leken haar te willen verscheuren, het volgende waren ze gewoonweg verdwenen. Gaia voelde haar lichaam door de stille ruimte zweven en accepteerde Belial als heer en meester. Terwijl ze heel zachtjes op de verhoging werd neergelegd, stamelde ze bijna onhoorbaar de geloofsbelijdenis en zegde de duivel haar eeuwige trouw toe. Zo werd Vrouwe Gaia definitief eigendom van de duivel Belial. Ten onrechte had ze getwijfeld aan zijn almacht en de duivel zorgde ervoor dat zijn kinderen geboren zouden worden. Er resteerde nog een laatste restje onzekerheid, want ze had geen flauw idee hoe ze de komende maanden aan voedsel moest komen. Zonder hulp was ze hoe dan ook reddeloos verloren.
“Je hebt gelijk, Vrouwe Gaia,” zei Belial en zijn stem galmde door de spelonk. “Daarom krijg je een helpster, iemand die vertrouwd is met de wildernis. Ze zal je voorzien van eten en drinken, kleding als je die nodig hebt, kortom alles wat je wenst. Ze zal je ook assisteren bij de bevalling.”
“Dank u meester,” en haar stem klonk oprecht. Haar bed voelde zachter aan en leek zelfs te deinen, zodat het leek alsof ze op het water dreef.
“Zeg nooit dat ik niet voor je zorg,” zei Belial. “Alula had gelijk. De duivel zorgt inderdaad voor zijn trawanten.”
*****
Dagen gingen voorbij zonder dat er iets gebeurde. Het beviel Gaia wel. Een enkele keer verliet ze haar onderaardse schuilplaats voor wat zonnewarmte. Voedselvoorraad nam geleidelijk af, toch maakte ze zich niet ongerust, want Belial zou zorgen dat ze geen gebrek zou hebben. Op de 6de dag, terwijl ze haar ogen nog maar amper geopend had, besefte Gaia dat er iemand in haar directe nabijheid verkeerde. Voordat ze de gedaante goed en wel had kunnen bekijken, begreep Gaia dat dit de beloofde helpster moest zijn. Ze verwachtte een amazoneachtige verschijning, zo eentje die ze kende uit oude verhalen, maar nooit door menselijke ogen was aanschouwd. Het was een relatief kleine vrouw, leeftijdloos bijna, aangezien ze een prachtig marmerkleurig gezicht bleek te hebben. Gaia begreep direct dat deze vrouw nooit een woord zou spreken. Misschien had Belial haar gewoon gemaakt voor deze ene gelegenheid en ze zou verdwijnen na voltooiing van haar taak. “Hallo,” zei ze, “ik ben Gaia.” Er volgde geen antwoord. Natuurlijk niet. Ze wist wel hoe de naam van haar helpster was. Venoma heette ze en ze had eten meegebracht.
“Dank je,” zei Gaia die een stuk brood afbrak. Het was vers, nog altijd warm.
Er was geen vriendschap tussen de twee vrouwen. Daarvoor bleef Venoma te veel op afstand. Ze kon Gaia immers niets vertellen over haar achtergrond, al ontstond er op den duur wel een zekere genegenheid. Venoma bleef zeer regelmatig voedsel brengen, heel gevarieerd, waarbij Gaia zich steevast opvroeg of er misschien een stad in de buurt zou kunnen zijn. Het maakte verder weinig uit. Ze had een harde les geleerd en zou haar meester niet meer verloochenen. Gaia bivakkeerde in een compleet verlaten gebied. Venoma zorgde enkele keren per week voor vlees dat in de late namiddag gebraden werd. Belial wenste totale afzondering voor de aanstaande moeder van zijn twee kinderen die gestaag groeiden in haar buik.
Op de 6de dag van de 9de maand ontwaakte Gaia en wist meteen dat haar weeën waren begonnen. Ze wist het – Venoma wist het en wachtte geduldig. Ook Belial begreep dat het moment eindelijk aangebroken was. Hij had plaatsgenomen op de trap en wilde getuige zijn van de geboorte en eerste ogenblikken van zijn twee zonen. Twee zonen, twee mannen die de wereld voor hem moesten veroveren. “Wat ouwe baardmans vrouwen heeft opgelegd, kan ik niet ongedaan maken,” en hij lachte akelig sarcastisch. “Ik zal vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte gaan, en hij zal over u heersen.” Hij lachte, terwijl Gaia steeds meer pijn leed en hem enkele verwensingen naar het hoofd gooide. “En dan zeggen ze, dat ik slecht ben.” Het duurde erg lang. Uren gingen langzaam voorbij. Er veranderde nauwelijks iets aan de situatie. Gaia schold Belial uit… tyfushond… pooier… woorden waarop hij met een aller beminnelijkste glimlach reageerde.
Ze begon te denken dat de bevalling eeuwig door zou gaan, dat er nooit een einde aan zou komen, altijd maar verder, als een straf die God had opgelegd voor haar trouweloosheid.
Bijna zesentwintig uur later werd de eerste jongen geboren, niet veel later volgde de tweede. Venoma zorgde heel geroutineerd voor de baby’s.
Gaia keek vermoeid toe en liet alles gebeuren.
Belial volgde zwijgend de rituelen, scheen het woord tot Gaia te willen richten, leek zich weer te bedenken liep weg. Op de 6de traptrede bleef hij staan. “Vandaag zal ons contract aanvangen. Gaandeweg zullen we ontdekken of jouw onderhandelingsresultaten enige waarde hebben. Je bent een harde, lijkt op je vader, maar dat is ook de reden waarom ik je heb gekozen.” Hij wierp haar een laatste cynische grijns toe en verdween.
Het najaar sloop bijna onmerkbaar dichterbij, dagen werden korter, nachten voelden kouder aan. Boombladeren verkleurden eerst onopvallend, maar later in een steeds hoger tempo. Er kwam een grijsgroene waas over het landschap te liggen. Haar jongens moesten voor warmte zorgen, terwijl de winterkou arriveerde, maar ze hadden zich al aan Venoma gehecht. Gaia verliet haar stenen bedstee nauwelijks, alleen voor de hoognodige behoeften. Vanaf de 6de dag konden beide jongens lopen, al was die witte sneller dan zijn zwartharige broertje. Het leek haar wel logisch. Ze waren nu eenmaal geen gewone kinderen, maar halfduivels, of daimonen, zoals hun directe nakomelingen ook zouden zijn. Ze twijfelde er niet aan of haar broers hadden de kinderen allang opgevoerd aan de varkens. Zwaar behaarde hoofden; lopen binnen een week, beter bewijs voor hun duivelse oorsprong bestond er haast niet.
Beide jongetjes klampten zich bijna letterlijk vast aan Venoma en het boeide Gaia totaal niet meer. Ze vond het allemaal prima. Dagen gingen langzaam voorbij, ze at, dronk en observeerde Venoma die haar overbodig had gemaakt. Het was ook Venoma die de jongens voedde en Gaia geloofde dat ze melk dronken. Wat zouden kleine kinderen – baby’s anders kunnen drinken? In de 6de week na haar bevalling gaf die witte op zeker moment te kennen honger te hebben. Hij kwam altijd als eerste. Het jongere broertje wachtte netjes zijn beurt af. Gaia keek toe, als gewoonlijk, maar ze wierp ook regelmatig verveelde blikken op de stalactieten boven haar hoofd en soms wenste ze dat er zo eentje naar beneden kwam en haar borstkas doorboorde. Venoma zette het jongetje neer dat naar Gaia keek en ondertussen zijn mond afveegde. Dat is vreemd. Ik heb nog nooit rode melk gezien. Hij lachte en er lag een rode zweem over zijn tanden. Ze sloeg een hand voor haar mond, draaide zich snel om en smoorde haar angstkreet.
Halverwege de 6de maand speelden de kinderen die nog altijd geen naam hadden gekregen, een spelletje dat ze zelf hadden bedacht. Verliezer kreeg een stomp in zijn maag. Die witte won bijna altijd. Gaia had vastgesteld dat er gesprekken plaatsvonden tussen de drie, voedster en kinderen, maar buiten bereik van haar eigen oren. Er zou sprake kunnen zijn van gedachteoverbrenging… telepathie. Het idee bleef in haar brein rondspoken en zorgde ervoor dat de dagen nog langer duurden dan voorheen. Hoofd rustte op de vertrouwde zadeltas, Gaia keek omhoog… Zou het erg veel pijn doen als zo’n ding in je borstkas terechtkwam?
Ze miste het belangrijkste moment tot nu toe, al drong het besef niet meteen tot haar door. Gaia draaide haar hoofd langzaam verveeld naar de spelonk en zag die witte met uitgestoken handen staan en hij ving iets op en het bewoog. Er waren scheuren ontstaan in het plafond… gaten… en er vielen kleine zwarte dieren omlaag. Hij bestudeerde ze aandachtig, wilde er eentje doormidden bijten, maar dat mislukte. Opgewonden keek hij om zich heen, zocht Venoma, niet zijn moeder, terwijl er vele duizenden schorpioenen omlaag vielen. Het jongetje verdween in een regen van gitzwarte schorpioenen. Gaia keek toe. De giftige dieren schenen hem niet eens te deren, hij genoot van hun gezelschap. Ze volgde de schorpioenenregen met dezelfde desinteresse die haar ziel sinds de bevalling had verlamd – alsof het haar kind niet eens was. Venoma zorgt er wel voor. De stem van Belial galmde in haar hoofd. “Euscorpius, jouw naam zal Korbin zijn – je broeders hoeder.” Wit uiterlijk, maar een ziel zo zwart als steenkool. Onmiddellijk stopte de schorpioenenregen. Het plafond sloot zich weer. Korbin graaide tevergeefs naar enkele schorpioenen die gewoonweg oplosten, zodat een minuut later al leek alsof ze er nooit waren geweest.
Het kon onmogelijk erger worden als de jongste zijn naam kreeg. Gaia ging rechtop zitten en wachtte, net als de andere drie, geduldig op de komst van… iets… een beweging, maar Korbin wees naar de vogel die de spelonk binnendrong. Een raaf. Die beesten zijn nooit alleen. Lang duurde het niet voordat er een tweede raaf volgde en het dier wachtte niet, maar vloog meteen verder. Het werd gevolgd door honderden, misschien wel duizenden raven die zich als een wervelwind om het zwartharige jongetje heen begonnen te bewegen. Vleugels klapperden, dieren krasten, er groeide een orkaan van krassende raven die gezamenlijk een grijszwarte wervelwind vormden waarin het broertje van Korbin vrijwel compleet verdween. Halverwege de trap stond Belial en hij sprak tot zijn jongste zoon. “Corvus Corax, jouw naam zal Alexander zijn en je zult de eerstgeborene altijd trouw blijven.” De raven verdwenen vrijwel direct, losten op, vervaagden, werden transparant, opgeslokt door de schaduwen van de spelonk.
Belial richtte zich vervolgens tot Gaia. “Je taak is volbracht. Ik heb je niet langer nodig. Je mag gaan… doen met je leven wat je blieft.”
“Maar meester… u kunt me toch niet zomaar wegsturen? Mijn broers zullen me vermoorden. Waar moet ik heen?”
Haar smeekbede vond gehoor bij Belial. “Misschien moet ik je inderdaad belonen voor je voortreffelijke werk,” zei hij, “die jongens zullen opgroeien tot sterke kerels… tijdloze heersers… Goed, dan zul je leven… zoals beloofd… eeuwig en onveranderlijk… net als ik… maar… de wereld zal je gaan vrezen… De mens zal je herkennen aan je zwarte verenkleed en vuurrode ogen… Je verschijnt alleen als verkondiger van dood en vernietiging… Waar jij bent, veranderen akkers in slagvelden. Jouw naam staat voor furie, vernietiger van beschavingen, zolang de mens zijn creatieve hoogtepunt vindt in het oorlogsbedrijf.”
Op de 18e dag nadat haar zoons hun naam hadden gekregen onderging ze haar metamorfose. Vanaf die tijd ontstond de mare dat een komende oorlog viel te voorspellen als er een zwarte raaf met rode ogen werd gezien en het klopte altijd. Haar zoons groeiden op tot tirannieke heersers en hun regering die op bloed gebaseerd was hield 7992 maanden stand. Hoe er een einde kwam aan de tirannie van de 2 broers werd nooit goed duidelijk, maar wijze mannen fluisterden dat God, na vele jaren, eindelijk opmerkte welk lijden Zijn Schepping moest doormaken.
Hij weende bittere tranen bij het zien van alle ellende en dat was de werkelijke oorzaak van de Zondvloed.
het begin van een spookverhaal
In december 1992 belde een vriend me ’s avonds op… Of ik een toneelstuk wilde schrijven voor een collega van zijn vriendin. De vraag was eerst aan hem gesteld, maar hij wilde het niet doen. Toevallig kende hij iemand die er vermoedelijk wel oren naar had. Ik dus.
Ik bedacht een verhaal dat was gebaseerd op een krantenartikel dat ik enkele weken eerder had gelezen. Een man in de staat New York had een huis gekocht dat een spookhuis bleek te zijn. Hij is naar de rechter gestapt om de koop ongedaan te maken. Eis werd toegewezen, omdat de rechter vond dat de verkoper had moeten zeggen dat het er spookte.
Op de avond van de 16de december in 1992 zat ik naar tv te kijken, Turkije – Nederland. Ik heb de wedstrijd gelaten voor wat hij was en ben gaan nadenken over het toneelstuk dat ik zou gaan schrijven. Twee vrouwelijke hoofdpersonen, want de actrices waren vrouwen, vriendinnen van elkaar. Meer dan twee personen heeft een schrijver niet nodig, zo heeft Annie M.G. Schmidt ooit gezegd. Met twee personen heb je al een verhaal.
Op de achtergrond bouwde het Nederlands elftal gestaag aan een keurige overwinning – het ging grotendeels langs me heen. Ik was in september dat jaar afgestudeerd aan de lerarenopleiding, tijd en energie genoeg. Binnen twee uur kreeg het verhaal vaste vorm.
Nadat het contract was getekend, ben ik aan het werk gegaan. Het bleek makkelijker dan ik dacht. Tijdens het schrijven, had ik voortdurend een blues-cd aanstaan. Het zorgde voor een lekkere broeierige sfeer en nog steeds heb ik muziek aanstaan als ik bezig ben. Voor het einde van het toneelstuk gebruikte ik de filmmuziek uit Basic Instinct. Ook zeer sfeervol…
Op 14 mei 1993 was ik klaar. De originele tekst ligt nog in mijn bureaula. Vergeelde bladzijden. Een kopie van het contract. Alles ligt er nog.
Ik was destijds al van plan een boekbewerking te gaan maken, maar heb dat heel lang laten liggen. Voorjaar 2008 (inmiddels had ik ook het grootste deel klaar van wat inmiddels “Het Huis Met De Kristallen Toren” heet), onderweg naar huis, terwijl er een fris voorjaarszonnetje wegzakte achter de flatgebouwen in Kanaleneiland, schoot me de eerste zin te binnen:
DIT IS EEN SPOOKVERHAAL
Inspiratie is een merkwaardig fenomeen. De vier woorden bleven in mijn hoofd hangen. Ik ben achter mijn laptop gaan zitten en heb de openingszin getypt. De rest ging bijna vanzelf. Het boek zou uiteindelijk ‘De Duivel Van Taxandrië’ gaan heten.
Het korte verhaal getiteld ‘Gaia’, is uit het tweede boek dat ‘Lady Euscorpia’ is gaan heten.
https://jhmsmies.com/2013/06/01/de-duivel-van-taxandrie/
VANGRAIL
De snelweg lag er verlaten bij. Lantaarns waren er bijna niet. De maan verdween regelmatig achter bomen. Puck stuurde zijn auto naar links, het was niet eens zo vreselijk laat, maar hij had een drukke tijd achter de rug. Muziek stond hard aan. Red Hot Chili Peppers. Californication. Hij had een lang weekend voor de boeg, maandag en dinsdag ook vrij. Telefoon stond op ‘stil’, een ideale manier om rustig aan enkele vrije dagen te beginnen.
Een Ford met buitenlands kenteken reed hem voorbij, minstens 170 kilometer per uur, dus die dwaas dacht dat een prent hem nooit zou kunnen bereiken.
De vermoeidheid begon hem al een beetje in te halen. Hij trapte het gaspedaal verder omlaag en passeerde enkele vrachtwagens. Net voorbij een flauwe bocht stuurde hij weer terug en vloekte binnensmonds, omdat hij nu achter een motor reed. Hij hield er niet van, wilde er zo snel mogelijk langs, tikte de richtingaanwijzer omlaag en begon in te halen, wat die motorrijder ook meteen deed. Puck vloekte en niet binnensmonds. Hij overstemde de zanger van de Red Hot Chili Peppers en sloeg op het stuur.
Die vent op die motor begon slingerende bewegingen te maken en Puck vroeg zich af of die mafketel soms een spelletje wilde spelen. De snelweg was geen speelplaats.
Laat gaan, het kerkhof ligt vol met zulke idioten.
De motorrijder keek enkele seconden in zijn spiegel. Puck dacht tenminste dat hij dat deed. Ze loerden naar elkaar. Wat net iets te lang duurde.
Toen kwam die lul met zijn middenvinger.
Gedurende een enkele seconde, meer niet, echt, langer duurde het niet en Puck overwoog of hij die zak in de vangrail zou rijden.
Hij schrok er zelf van en liet het gaspedaal omhoog komen. Puck zette een knop verder naar links waardoor er koude lucht de auto in begon te stromen.
Terwijl hij zijn rust probeerde te hervinden, liet ook die vent zijn snelheid teruglopen.
En opnieuw die ellendige middenvinger.
Puck slaagde er niet eens in te bedenken hoe deze rotzooi was begonnen.
Niet meer dan enkele meters voor hem reed een onbekende kerel op een zware motor die zijn middenvinger naar hem op bleef steken.
Gewoon… gas geven en die lamzak raken… die kutmotor van hem… dan verloor hij zijn evenwicht… en over een uurtje of zo werd die hufter gevonden omdat een agent op zoek was gegaan naar de bestuurder van die gecrashte motor. Puck zou dan zelf allang thuis zijn en die jongens van de politie zouden nooit weten wat er die nacht was gebeurd. Geen camera’s, geen getuigen… Alleen een vent die in foetushouding naast de vangrail lag. Dat was alles.
Ondertussen begon die lul aardig in de stemming te komen. Hij liet zijn snelheid nog verder terugzakken en stuurde naar links – of rechts, als Puck een kans zag die etterstraal voorbij te rijden.
Hij had zijn schuldgevoelens allang achter zich gelaten. Een laatste restje zelfbeheersing weerhield hem ervan het gaspedaal omlaag te trappen en die vent uit de weg te ruimen.
Die hufter vroeg er tenslotte om en Puck had hem nooit iets aangedaan.
Asociale klootzak!
En die motor had ook weer niet zo’n harde klap nodig.
Alleen een tik en die vent lag er naast.
Gewoon een tik…
Dus… jochie… Jij wil spelen? Oké. Dan gaan we spelen.
Puck trapte het gaspedaal met één nijdige beweging omlaag en constateerde meteen dat de motorrijder hier niet echt op had gerekend. Die lamzak bewoog onhandig, ging normaal achter het stuur zitten en draaide de gashendel omhoog.
Net op tijd, want de bumper van Pucks auto raakte hem al bijna.
Het was immers een spelletje. Hij wilde die preut niet meteen in de vangrail hebben. Het mocht best een tijdje duren. De motorrijder creëerde een afstand van bijna tien meter en keek in de spiegel.
Puck drong niet aan. Een achtervolging zou hij verliezen. Zo’n motor was per definitie sneller. Bovendien wilde hij genieten van het spel. Zijn baan had ervoor gezorgd dat hij vanavond een voetbalwedstrijd had gemist, dus dit leek hem wel een aardig alternatief. Een heel leuk spelletje. Dood de bestuurder, heette het. Zelf bedacht.
Eén ding had die motorjongen nu wel geleerd. Geen middenvinger meer opsteken naar die man in die rode Peugeot. Vond de man in die Peugeot niet zo leuk. Het maakte verder geen verschil meer. Voor Puck stond het allang vast wat er met die kerel ging gebeuren.
Die lul zou nooit meer een middenvinger opsteken naar wie dan ook.
Lange tijd gebeurde er niets. Puck zette het volume van zijn autoradio wat zachter. Mick Jagger zong over de wurger van Boston. Er waren nu eenmaal talloze manieren om iemand vroegtijdig aan zijn eind te helpen. Wurgen was er slechts eentje, zij het een methode die enorme krachtinspanning vereiste. Zo’n motor aantikken verliep veel sneller en zonder getuigen bestond er weinig kans op een vervelende nasleep. Het was een snelweg waar iedere bestuurder veel harder reed dan toegestaan, omdat er geen camera’s waren in dit deel van het land.
De motorrijder liet zijn snelheid weer teruglopen. Kennelijk was hij zijn eerste schrik te boven gekomen.
Nu ging het klieren natuurlijk weer verder.
Ja hoor. Middenvinger. Daar is-ie weer. Godverdomme.
Puck legde beide handen op het stuur. Vroeg of laat zou die lul zijn concentratie verliezen. Een auto die passeerde, politie misschien zelfs, die beide kemphanen ogenblikkelijk op de vluchtstrook zou stilzetten. Puck zou zich gedragen als een vriendelijke bijna vijftiger die flauwe grapjes kon produceren over de ontstane toestand. Inderdaad mijnheer, helemaal mee eens, een misverstand, ja. Hopelijk zouden ze niet al te veel aandacht besteden aan zijn bloedeloze samengeperste lippen of felle blik in zijn ogen. Gelukkig was het donker.
Voor die lamstraal maakte het geen verschil. Zijn leven ging vannacht eindigen. Hier op deze snelweg. Politie was er toch niet.
Er waren twee spelers nodig voor een wedstrijd en die reden hier kort achter elkaar. Klaar voor het eindspel. Puck wachtte nog steeds op dat ene ogenblik, een moment van verwarring, concentratieverlies. Auto’s passeerden, maar de bestuurders schenen geen benul te hebben van het spel dat er gespeeld werd. Die motorrijder had geen idee wat hem boven het hoofd hing. Dat hoopte Puck tenminste.
Eén keer ging die zak naast hem rijden. Effetjes in die auto kijken. Wie zat er eigenlijk in die rode Peugeot? Het was wel een geschikt moment, bedacht hij, maar ook gevaarlijk, omdat hij zijn stuur hard naar links zou moeten gooien. In films liep dat altijd goed af, maar de werkelijkheid was stukken weerbarstiger. Dus ging het spelletje verder.
Puck speelde een glansrol als nerveuze automobilist en deed zelden mee aan wedstrijden of spelletjes, omdat hij zich altijd een slechte verliezer toonde.
De motorrijder reed weer voor hem en keek in zijn spiegel.
Puck zag een auto met grote snelheid naderen. Politie. Kut. Dus toch een scheidsrechter. Dat betekende een afkoelingsperiode. Het spel werd afgebroken.
Hij draaide het volume weer omhoog. Het geluid deed nog net geen pijn aan zijn oren. De motorrijder verhoogde zijn snelheid en ging bijna dertig meter voor de Peugeot rijden.
Zie je, agent. Er is niks aan de hand.
Een misverstand, ja.
Ruzie? Wij? Nee hoor. Ik ben moe, heb hard gewerkt en verlang naar enkele dagen thuis op de bank. Geen behoefte aan gedoe.
Sorry voor de overlast, ja.
De politieauto kwam langszij, verminderde vaart. Agent op passagiersstoel keek naar Puck die beminnelijk glimlachend zijn duim omhoog stak.
Nou, sorry jongens, mocht ik de indruk hebben gewekt dat er iets raars aan de hand was.
Puck stelde uiterst tevreden vast dat de politieauto harder begon te rijden en een tijdje naast de motorrijder bleef hangen. Raampje open. Vraag van agent. Alles oké? Man op motor stak zijn duim op. Ja hoor. Alles in orde.
Het ging precies zoals Puck het zich voorgesteld had – als er dan toch bemoeienis van agenten moest komen.
En toch is het spel afgelopen.
Om te beginnen waren die agenten natuurlijk geen kwajongens. Ze hadden het kenteken van zijn auto èn de motor genoteerd. Daar was geen twijfel over mogelijk. Natúúrlijk hadden ze die gegevens opgeschreven. Er gleed een vloek over zijn lippen. Nog altijd raasde de adrenaline door zijn lijf. Alle gegevens waren bekend.
Die agenten kwamen niet toevallig langs.
Het spel was afgelopen.
De politieauto verdween met hoge snelheid in het nachtelijke duister.
Puck begreep dat er zelfs niks met die motorjongen mocht gebeuren, omdat hij in dat geval een hoop zou moeten uitleggen. Hij dacht aan mensen die het tweetal bezig hadden gezien. Er hadden genoeg auto’s voorbij gereden terwijl ze met hun kat-en-muisspelletje aan de gang waren. De schijn zou altijd tegen hem werken. Hij was gezien en zijn kenteken genoteerd, zelfs als hij door zou rijden, zouden ze hem tenslotte thuis opzoeken. Hij zou op zijn minst het een en ander uit te leggen hebben. Puck wist het en zag dat die motorrijder het ook wist. Oké dan, een gelijk spel, je hebt geluk vandaag, kerel.
Uit de speakers galmde nog steeds harde muziek, deze keer was het iemand die beweerde een walrus te zijn. Puck concentreerde zich op de weg. Zijn vermoeidheid begon heviger op te spelen. De ruzie had veel energie gevergd. Hij liet nog koudere lucht zijn auto instromen. Kijk, dat was stukken beter. Straks mocht hij in slaap vallen. Thuis. Op de bank. Nu niet. Hij moest zichzelf thuisbrengen. De motorrijder leek zijn aandacht eveneens voor hem verloren te hebben en richtte zich op het verkeer en de snelweg.
Nog een paar kilometer te gaan. Zo meteen zag hij rechts het eerste bord dat zijn afslag aankondigde. Daarna was het nauwelijks vijf minuten rijden. Einde afrit rechts. Eerste kruising links. Thuis en eindelijk weekend. Effe kijken of de Chinees nog open was en anders bij de Marokkaan binnenwippen, die ging door tot drie uur vannacht. Een mens moest toch wat eten, nietwaar? Waarschijnlijk zou het shoarma gaan worden, weggespoeld met veel bier.
Puck miste bijna dat ene laatste gebaar, maar die motorjongen wilde het blijkbaar zeker weten. Of hij alles had gezien. Een laatste groet aan die ouwe zak in zijn rode Peugeot.
Dus Puck trapte zijn gaspedaal omlaag – tot de bodem en zijn auto schoot vooruit.
De motorrijder reageerde veel te traag of hij probeerde te snel met zijn linkerhand het stuur weer vast te pakken. Hij verloor zijn evenwicht. De motor raakte uit balans en Puck trapte op zijn rem.
Motor en zijn berijder schoven tientallen meters over het asfalt.
Puck deed direct melding van het ongeluk. Dat wel. Hij kon niet anders.
Nee, mevrouw, geen flauw idee wat er gebeurde, maar ineens ging-ie onderuit.
Hij had hem niet geraakt.
Há, hij had die zakkenwasser nooit geraakt..
Niemand kon zeggen dat hij hem geraakt had.
Het was niet zìjn schuld, want hij had hem niet geraakt.
Puck schakelde zijn alarmlichten in, stapte uit en liep langzaam naar de motorrijder.
Het was niet zijn schuld.
Straks, als hij thuis was, pakte hij een biertje op de goeie afloop.
Hij had hem niet geraakt.
Jos Smies © 24 september 2013
Kooivoetbal
Regels waren er niet. Alles mocht.
Het spel werd gespeeld door twee teams met drie spelers. Een duistere variant op voetbal. Normaal gesproken werd er gespeeld op goed onderhouden grasvelden. Nu waren het duistere achterafstraatjes. Flatgebouwen zonder liften en balkons vormden muren van steen, een perfecte barrière. Auto’s kwamen rond middernacht de wijk binnen, koplampen waren zoeklichten die een kooi zochten. Het adres was kort van tevoren vrijgegeven en daar moest stevig voor betaald worden. Het waren grote bedragen die tevens als inleg dienden.
Kooivoetbal was begonnen in Utrecht, een uit de hand gelopen weddenschap, waarbij er ineens gesproken werd over een paar duizend euro’s. Makkelijk verdiend geld en er waren zes kerels nodig die voetbalden tot er één team met twee punten voorstond. Er was geen scheidsrechter bij de wedstrijden. Niet nodig. Alles mocht immers.
In het begin lag de organisatie bij twee jonge broers. Jimi was de jongen met brains. Hij had het concept uitgedacht; echte kerels, geen jongetjes, maar kérels die durfden te voetballen. Jimi kwam met fluorescerende hesjes. Voetballers moesten bij slechte straatverlichting herkenbaar zijn. Broer Stevie garandeerde zakelijke hardheid, was de man die alles regelde, de uitvoerder, maar nooit iets bedacht. Het succes van de broers trok aandacht, omdat er in zekere kringen snel duidelijk werd dat er een hoop geld viel te verdienen met kooivoetbal.
Een zekere Bering kreeg meer dan gemiddelde interesse voor kooivoetbal. Nooit eerder gehad. Alleen – nu ging het om een hoop geld. Hij was een bekende onbekende in stad. Vrijwel niemand kende zijn echte naam. Waar hij verscheen, vielen gesprekken stil. Hij was hard als graniet, sluw als een duivel. Overdag bestierde Bering een autosloperij. Een ondernemer die geld wilde verdienen en het maakte hem geen reet uit wat hij moest doen om miljonair te worden. Bering zou economie hebben gestudeerd aan de universiteit.
Die avond kregen Stevie en Jimi bezoek van ‘investeerders’, zoals ze zich hadden voorgesteld. Bering bleek de woordvoerder van een drietal geïnteresseerden die de jongens kwamen vertellen dat ze zich uit het spel moesten terugtrekken. Op hetzelfde moment ging een voetballer, die vanwege zijn drugsgebruik bekend stond als Pluisje, hard onderuit en brak zijn onderbeen. Zijn stem doorbrak de relatieve stilte en echode langs verwaarloosde gevels omhoog. Medespelers besteedden geen aandacht aan hem, omdat ze met één punt verschil aan de leiding gingen. Ze konden nog winnen. Straks niet meer. Pluisje bleef liggen en gilde om hulp, maar de poort bleef gesloten zolang er werd gevoetbald. Geen genade voor spelers. De wedstrijd moest doorgaan. Geen regels. Alles mocht.
Buurtbewoners keken achter schaars verlichte ramen toe. Het spel ging verder. Binnen en buiten de kooi. Ietwat geïsoleerd van alle toeschouwers stonden vijf mannen te overleggen. In feite was er helemaal geen sprake van overleg. Stevie en Jimi kregen te horen hoe ze zich chique konden terug trekken uit de organisatie De broers mochten rechtop vertrekken. Ze mochten met gezonde vingers naar huis, hun tanden zouden ze niet uitspugen en kaken bleven ongerept. Het was een zakelijke benadering die de investeerders onder leiding van Bering erop nahielden. Hij hield niet eens van voetbal.
Inmiddels was het flink gaan regenen. Toeschouwers stonden met opgestoken paraplu’s en schreeuwden aanmoedigingen. Pluisje die op het beton lag, kreeg een bal tegen zijn hoofd. Een tegenstander genaamd Baco trapte de bal met buitenkant voet en scoorde. Geen bijdehante actie van Baco. Het was domme mazzel, al zou hij het nooit toegeven. Gelijkspel. Baco draaide zich om, trapte Pluisje hard tegen zijn hoofd en probeerde daarna de bal te vinden in het halfduister. De wedstrijd was alweer verdergegaan.
Regels waren er niet, maar de kooi ging voor aanvang van de wedstrijd op slot. Niemand erin, niemand eruit. Zolang er gevoetbald werd, zou er een speler zwaar gewond kunnen zijn, maar dat zou geen verschil maken. De kooi bleef op slot. Een zeventienjarige jongen die tweehonderd euro kon verdienen bewaakte die poort. Stevie had hem ‘Paolo’ genoemd, want zijn echte naam hoefde hij niet te weten. Spelers moesten het onderling regelen. Het ging om een hoop geld. Bij de eerste wedstrijd werd er gesproken over hooguit 2000 euro. De bedragen waren sindsdien groter geworden. Volgende wedstrijd vond waarschijnlijk plaats in een oude fabriekshal. Meer mensen, dus meer geld. Minder risico dat politie als spelbreker zou optreden. Spelers riskeerden blijvende invaliditeit als ze die kooi binnengingen. Pluisje zou in elk geval nooit meer normaal kunnen lopen. Het was niet zeker of hij met een bedrag van pakweg 7000 euro naar huis zou kunnen gaan. Voldoende om zijn schulden te betalen. Morgen en anders overmorgen zou hij op zoek naar een gewoon baantje. In het slechtste geval lag hij straks berooid in het ziekenhuis. Zijn vriendin moest maar zien hoe ze zich weer ging redden… en gelukkig regende het vannacht, zodat zijn medespelers niet konden zien dat hij huilde. Ze zouden kunnen denken dat hij een mietje was.
“Je kunt het een vijandige overname noemen,” zei Barents, de logistieke manager van Bering. Hij had tot dusverre niet gesproken. Stevie en Jimi begonnen te snappen met wat voor kerels te maken hadden. Onderhandelingen gingen verder. De broertjes wisten goed dat ze voor een verloren zaak streden en stonden met 5 – 0 achter. Zoiets. Kansloos gewoon.
Echte zakelijke investeerders werkten met telefoons en laptops, moderne communicatiemiddelen, deze kerels hoefden slechts de broertjes te intimideren. Stevie en Jimi wisten ook wel dat er tussen het publiek mannen met blaffers moesten staan. Stevie begon te begrijpen dat dit spel veel te groot begon te worden. Dreigementen waren min of meer normaal in de sport, iedereen kreeg wel eens een doodsbedreiging naar zijn hoofd. Dat hoorde erbij. Zelfs op het veld. Bering veegde regenwater van zijn gezicht en zei dat hij zijn definitieve bod zou doen. Vanaf dat moment was ervoor beide partijen geen terugweg meer mogelijk. Point of no return. Pluisje verloor heel langzaam zijn bewustzijn. Het bleef regenen en zijn bewustzijn registreerde nog een laatste uitbarsting van vreugde. Het moment voordat zijn ogen echt dichtvielen en een stevige uitdaging werd voor medisch specialisten. De wedstrijd ging verder. Er werden geen cadeautjes weggegeven.
Het spel ging verder. De twee overgebleven verdedigers, want iets anders deden ze allang niet meer, probeerden alleen het einde zolang mogelijk uit te stellen. Ze vochten met de koppigheid van soldaten die in een loopgraaf doorlopend terrein moesten prijsgeven. Bovendien wisten ze heel goed hoe het spel werkte. Stevie en Jimi vroegen spelers alleen terug als ze in ieder geval gestreden hadden. Baco probeerde zijn mannetje voorbij te gaan, maar voelde plotseling een arm tussen zijn benen doorgaan. Hij haalde uit met zijn elleboog en de verdediger viel gillend neer. Hetzelfde moment voelde Baco een voet in zijn rug, ging nu zelf neer en belandde met zijn gezicht op het beton. Er waren nu geen voetballers meer in de kooi, alleen wilde beesten die elkaar probeerden te verscheuren. Twee tegen twee. Tank, zoals de speler heette die nu met een opgezwollen jukbeen vuistslagen, stond uit te delen, stond erom bekend dat hij volledig losging mocht het binnen de lijnen niet echt lekker lopen. Hij zette zijn tanden in de nek van zijn tegenstander.
Baco probeerde op te krabbelen en deel te nemen in het straatgevecht dat was losgebroken, maar kreeg een nieuwe harde trap tegen zijn rug. Zijn spieren verslapten en deze keer bleef hij ook echt liggen.
Een scheidsrechter had een stapje achteruit gedaan en leunend tegen het hek toegekeken naar de vechtpartij die plaatsvond. Toeschouwers sloegen op het hek. Hun slagen echoden door de straat, ze schreeuwden naar de vechtende voetballers. Verderop, buiten gehoorsafstand van de joelende supporters, werd er een belangrijke deal afgesloten.
“We zouden er om kunnen voetballen,” zei Jimi niet eens echt serieus. Hij vergat dat de drie investeerders totaal geen gevoel voor humor hadden.
“Ik heb een beter idee,” zei Bering, “jullie vertrekken met het meest waardevolle bezit dat een mens in zijn leven zal hebben.” Hij keek naar de kooi – voor zover hij de spelers kon zien die uitgeput in elkaars armen hingen en soms een klap probeerde uit te delen, maar hun vuisten maaiden door de lucht zonder iemand te raken.
Paolo maakte het cijferslot los en liet twee kleerkasten binnen die gewapend waren met honkbalknuppels. Mochten de heren aan het slot nog enige behoefte hebben aan een nieuwe kloppartij dan werden ze op hun wenken bediend.
“Mijnheer Bering wil jullie spreken,” klonk het, “en opschieten graag, want hij heeft meer te doen.”
Er waren er vier overgebleven die konden staan. Baco en Pluisje lagen bewegingsloos in de kooi. Er leek eerst nog wat verwarring te bestaan over de leidinggevende. Wie was de baas? Het was de spelers volledig ontgaan dat de bakens waren verzet terwijl ze met hun spel bezig waren.
“Ik begrijp iets niet zo goed,” zei Bering. “We hebben jullie gehuurd om te voetballen – niet om te vechten. Ik ken jongens die dat beter kunnen.”
De spelers keken elkaar aan, daarna zochten ze de gestalten van Stevie en Jimi die zich afzijdig hielden. Het was duidelijk. Er waren nieuwe bazen.
“Ik begrijp het niet,” zei Boomboom die zo genoemd werd, omdat hij regelmatig met de verkeerde spelersvrouw in bed lag.
“Ja, dat snap ik,” zei Bering, “anders was je niet zo tekeer gegaan. Jullie lijken een stelletje barbaren.”
“Nou, sorry hoor,” zei Boomboom.
“Martin?”, vroeg Bering die een bekend gezicht zocht onder de toeschouwers. Een man van rond de dertig die plaatselijk bekend had gekregen als kickbokser stapte naar voren.
“Ja mijnheer?”
“Zou je de heren in de auto willen zetten?”
“Hé,” zei Boomboom, “ik heb mijn auto hier op de parkeerplaats staan. Wij allemaal trouwens.”
“Weet ik,” antwoordde Bering, “maar ik wil de wedstrijd nog evalueren. Een nabespreking hoort erbij. Toch? Daarna een hapje… een drankje.”
“Oké dan.”
“Het komt allemaal goed. Vertrouw me maar.”
“Nou… oké dan.”
De vier spelers werden naar een gitzwarte SUV gebracht, afgeplakte ruiten, keiharde rapmuziek die trommelvliezen aan stukken scheurde.
“Nog speciale wensen mijnheer?”, vroeg Martin.
“Breng ze naar… eh, Laagraven… daar is het lekker stil op dit uur… alle vier dus… en breek hun benen… misschien begrijpen ze dan iets beter wat ik precies bedoel met een voetbalwedstrijd.”
“Goed mijnheer.”
“O, Martin… Je hebt vast nog wel zo’n oude prepaid telefoon. Als je klaar bent met die gasten, bel je 112. We zijn immers geen monsters.”
“Komt in orde mijnheer… enne… Mijnheer? Wat doe ik met die kerels?”
Bering keek naar twee bewegingsloze gedaanten in de kooi, vervolgens naar de flatgebouwen en zag bewoners die zwijgend keken naar wat er allemaal gebeurde in hun straat. “Laat dat ook maar opruimen. Geeft zo’n troep op straat. Anders krijgen we nog gedoe met de mensen in die flats.”
De menigte begon zich te verzamelen bij de bookmaker of verwijderde zich druppelsgewijs. Paolo had erop gewezen dat de bal alsnog in het doel was gerold, terwijl iedereen met die vechtpartij bezig was geweest. Winst voor Baco en zijn vrienden. Of Paolo had die bal zelf een tik gegeven, omdat er toch niemand meer oplette.
Kon Baco mooi een rolstoel voor zichzelf kopen.
Jos Smies © 31 augustus 2013