Roltrap brengt hem beneden. Hij hoeft zich niet te haasten, want hij heeft tijd genoeg. Nu wel. Zijn afspraak reageert niet meer. Afgelopen vijf minuten heeft hij minstens tien keer op zijn telefoon gekeken en gecontroleerd of er misschien alsnog een berichtje was binnengekomen. Marvin had het restaurant veel te laat betreden – onderweg nog berichtjes gestuurd – zich verontschuldigd, omdat hij de afspraak was vergeten. Hij had beter kunnen liegen. Hij durft wel te liegen, maar is er te lui voor. Beneden klinken metro’s die vanuit alle richtingen aankomen en vertrekken. Een straatmuzikant speelt een rockklassieker op een slechte gitaar. Marvin laat zijn telefoon wegglijden in zijn broekzak en vergeet de mislukte afspraak. Het is niet meer belangrijk.
Een afspraak met een vrouw en Marvin laat haar zitten in een druk restaurant. Onderaan de roltrap moet hij kiezen en hij besluit terug te keren naar huis. Er valt geen winst meer te behalen aan rondhangen in andere cafés – vrienden zien – vriendinnen misschien zelfs die het minder vervelend vinden als hij te laat en ontspannen ogend binnenwandelt. Er staan heel veel mannen en vrouwen te wachten op het perron. Enkele minuten slechts, je hoeft maar korte tijd te wachten. Waarom autorijden als je met de metro kunt? Parkeren duurt al langer.
Vrouw staat naast hem – lange regenjas – nauwelijks make up – zwarte coltrui – donkerbruin haar dat in een paardenstaart omlaag hangt. Er ligt een doffe gloed op haar netvlies – haar mondhoeken staan naar beneden – Marvin verwacht elk moment een rotopmerking die betrekking zou kunnen hebben op mannen in het algemeen.
“Je bent al net zo vrolijk als ik,” zegt Marvin die zichzelf vervloekt, omdat hij echt iets tegen de vrouw zegt. Geen behoefte aan contact. Niet nu. Niet vandaag. Hij is al een belangrijk iemand kwijtgeraakt en hoeft zijn laatste beetje zelfrespect niet ook nog eens te verliezen. Misschien vertoont zijn gezicht nèt de goede uitdrukking. Hij heeft geen idee. Twee ongelukkige mensen die wachten op een metro. Terwijl de muzikant zijn best doet om Mr. Tambourine Man te verkrachten. Het lukt aardig.
Ze geeft geen antwoord. Er begint een luid mechanisch lawaai aan te zwellen die de muzikant definitief naar de vergetelheid wegdrukt. De metro komt het station binnen en stopt – deuren gaan open en mensen verdringen elkaar om een goede plek.
Toeval bestaat niet en als de metro begint te rijden, kijken ze elkaar recht in de ogen.
“Je hebt dit toch niet gepland, hè?”, vraagt ze. Haar gezicht verraadt een vermoeide lach – het kost de nodige moeite.
“Nee,” zegt Marvin.
“Wat is jouw excuus?”
“Ik heb een vriendin te lang laten zitten.”
“Dat is slecht,” zegt ze.
“Andersom mag natuurlijk wel.”
“Inderdaad.”
Een vervelende bocht schudt de metro heen en weer. Marvin moet de nodige moeite doen om niet tegen de vrouw aan te vallen en het lukt maar nèt. “Het is niet eens een excuus. Ik verschuil me achter geen enkele domme reden. Ben het gewoon vergeten.”
“En nu?”, vraagt ze.
“Ik probeer het vanavond nog eens,” zegt Marvin, “belletje – berichtje.” Hij probeert een glimlach die halverwege roemloos ten onder gaat. “Nu jij.”
“Direct leidinggevende heeft mijn rapport afgemaakt,” zegt ze, “de grond in geboord – dus.”
“Veel werk geweest?”
“Ik heb er heel lang aan gewerkt en het verdient beslist een beter lot,” zei ze.
De metro begint langzamer te rijden en komt tenslotte tot stilstand. “Heb je haast?”, vraagt hij.
“Nee. Hoezo?”
“Ik weet een café in de buurt – vijf minuten lopen.”
“Oké,” zegt ze. “Ik heb tijd genoeg. Nu wel.”
Ze stappen uit de metro en laten zich in de menigte meevoeren naar de uitgang. Marvin zegt niets en vraagt zich af hoe de naam van de vrouw is. Roltrap brengt hen naar boven. Hij voelt een koude luchtstroom. “Daarheen,” zegt hij. “Ik heet Marvin.”
“Linda,” zegt ze.
In het café klinkt bluesmuziek – het is er donker – er staan wat tafeltjes met stoelen – Linda neemt plaats – Marvin vraagt: “Wat wil je drinken?”
“Thee – al klinkt het hier erg lullig,” zegt ze.
“Maakt niet uit – ik neem koffie.”
Ogenblikken later zitten Marvin en Linda tegenover elkaar aan tafel. “Zou je direct leidinggevende je rapport kunnen stelen voor eigen gewin?” Lang donkerbruin haar hangt voor haar borst – het theezakje gaat langzaam op en neer in bloedheet water. Haar tas heeft ze naast zich op tafel gezet. Telefoon ligt met het displayscherm naar beneden.
“Mogelijk – ja – maar ik heb een monster van het medicijn meegenomen. Dat heeft hij niet.”
“Slim,” zegt hij, “maar wat doet het precies?”
Linda laat het theezakje in een bakje vallen. “Ik zeg het nu heel simpel. Het medicijn herstelt verbindingen in je geheugen, zodat je weer toegang krijgt tot informatie in je hersenen. Mensen die lijden aan alzheimer – om maar eens een voorbeeld te noemen – blijken weliswaar hun ervaringen te onthouden, maar kunnen die delen van hun hersenen niet langer bereiken. Dit medicijn herstelt die verbroken communicatielijnen in je hoofd. Het is hartstikke belangrijk.”
“Ik begrijp niet goed wat je direct leidinggevende voor bezwaar kan hebben toch je bevindingen.”
“Hij zou me laten arresteren als hij wist dat ik een monster heb meegenomen,” zegt ze.
“Zo’n belangrijk onderzoek en toch is de afwikkeling ervan ongelofelijk knullig.”
“Ik ben alleen bang dat ik dat ene monster kwijtraak.”
“Begrijpelijk. Het is je levenswerk.”
“Strikt genomen eigendom van mijn werkgever.”
“Omdat ze voor de ontwikkeling ervan hebben betaald?”
“Ja.”
“Ik treurde om mijn vriendin, maar jouw probleem is echt oneindig veel groter.”
“En ik vertel alles aan iemand die ik zojuist in de metro heb leren kennen.”
“Omdat ik een eerlijk gezicht heb.” Aan de overkant begint een onbekende zijn auto in te parkeren. Hij ziet het gebeuren, maar zijn brein registreert het half. Het is oninteressant. Marvin laat een korte stilte vallen. “Het gebeurt me wel vaker.”
Linda begint te lachen. “Zo meteen ga ik je mijn hele levensverhaal vertellen. Bedoel je dat soms?” Haar gezichtsuitdrukking verandert, terwijl ze naar buiten kijkt – wenkbrauwen veranderen in een ernstige frons. “O hemel. Ik heb echt een probleem.”
Twee mannen stappen uit – stevige kerels – zien eruit als militairen – kortgeschoren koppen, hoekige kaken. Op hun jasjes prijkt een badge – symbool van een groot bedrijf, al is het niet goed te zien. Marvin draait zijn hoofd verder naar links en ontdekt een man die naar het café wijst. Hij moet Linda hebben gevolgd. Het moet gewoon.
“Vertel nou eens wat je precies hebt gedaan.”
“Ik heb een nieuw en revolutionair middel ontwikkeld waarmee we alzheimer kunnen genezen.”
“En je direct leidinggevende heeft je werk niet zo dramatisch afgemaakt als je me daarnet wilde laten geloven.”
“Precies, maar ik wil wel de credits voor het werk en dat dreig ik mis te lopen. Je hebt al een maandsalaris. Nou, ze kunnen me wat!”
Mannen beginnen de weg over te steken en Linda zet haar tas op de stoel naast de hare. “Hier – pak aan,” sist ze en haar stem klinkt bijna onhoorbaar. Marvin pakt een langwerpig, plastic doosje aan en stopt het direct weg in zijn binnenzak. “Denk eraan – ze mogen je niet fouilleren – je bent een burger.”
Linda legt haar onderarmen op tafel en volgt de kerels die het café binnenkomen. Ze negeren de kastelein en blijven stilstaan bij het tafeltje. Ze zegt geen woord, maar plaatst haar tasje op tafel en schuift het naar de rand. Een van de mannen – Marvin kent hun namen helemaal niet – begint te zoeken.
“Zeg maar – als ze het terug willen hebben, dan moeten ze er dik voor betalen. Ik wil geld zien. Heel veel geld.”
“Of heeft u het soms op zak?”, vraagt de bewaker.
“Wat?” Marvin reageert meteen.
“Ik heb het achtergelaten in een kluisje.”
Mannen kijken naar de derde man – die half in de deuropening van het café staat en zijn schouders ophaalt. “Misschien. Het zou kunnen.”
“U hebt een groot probleem, maar dat wist u al.”
“Jullie hebben ook een probleem, als mij iets overkomt.”
“U hoort nog van ons, mevrouw. En u ook, mijnheer.”
Ze lopen weg – deur valt dicht – man trekt het open en wacht tot zijn collega buiten staat – deur valt opnieuw dicht. Linda laat zich achterover zakken en volgt de mannen die de weg oversteken, maar ondertussen een telefoongesprek voeren.
“Ik heb je in gevaar gebracht,” zei ze. “Je moet me je adres geven, zodat ik vanavond langs kan komen. Of vanmiddag. Dan haal ik het pakje weer op. Het is echt heel erg dat ik je hierin heb betrokken.”
Marvin legt een biljet van tien euro op tafel en staat op. “Ik ga er vandoor. Misschien moet jij nog even blijven zitten. Het ventje kan ons niet allebei volgen en dat is zijn taak, geloof ik..” Linda pakt haar telefoon en kijkt afwachtend omhoog. “O ja,” zegt hij en Marvin noemt zijn postcode en huisnummer.
“Dank je.”
Hij verlaat het café en bedenkt dat hij ineens een kostbaar experimenteel medicijn in zijn binnenzak bewaart. Vreemd idee. Mannen bij de auto volgen hem met hun ogen – en ze schudden allebei met hun hoofd – het is een berichtje voor de man die heeft doorgegeven dat ze hier zaten. Hij hoeft Marvin niet te volgen, maar Linda en die zit nog binnen. Roltrap brengt hem weer beneden – hij houdt zijn kaart voor de lezer en gaat verder. Het lawaai vanuit de catacomben van de stad golft hem tegemoet. Tijdens de rit vergeet hij het pakketje in zijn binnenzak – heel even – tot hij zijn halte heeft bereikt en de metro verlaat. Knappe vrouw – Linda – er had iets meer in gezeten, als de omstandigheden beter waren geweest. Misschien gebeurt er nog iets. Vanmiddag of vanavond als ze haar pakketje komt ophalen. Bovendien zijn ze hem niet eens gevolgd en hoe kunnen ze hem dan in hemelsnaam terugvinden? Thuis hangt hij zijn jas aan de kapstok – laat het pakketje in zijn binnenzak achter. Straks staat Linda voor zijn deur en dan – ja – dan geeft hij het gewoon terug en ziet hij haar nooit meer terug.
Hij zet een kop koffie en neemt plaats achter zijn laptop – krantenberichten lezen – nationaal nieuws, internationaal natuurlijk ook, maar hij verliest zijn interesse als hij na bijna een half uur lezen een berichtje binnenkrijgt van vrienden die vastzitten in de metro. Er is zojuist een vrouw voor de metro gesprongen – zelfmoord – hij begint berichten te zoeken en vindt ook tweets van mensen die over moord schrijven – vrouw is geduwd. Dader zou zijn ontkomen in de chaos die na de moord ontstond.
Koffie staat koud te worden. Hij staart naar het scherm en er komen nieuwe berichten. Reguliere kranten pikken het nieuws pas na een uur op. Er zweeft een naam in zijn hoofd – de naam van een vrouw die eer wilde hebben van haar werk en weigerde verder te gaan als naamloze medewerkster van een heel grote firma. Het is al bijna zes uur wanneer hij een foto ziet van Linda – ze is het dus echt. Linda is de vrouw die voor een aanstormende metro is geduwd. Dader zou de man moeten zijn die hen heeft gevolgd naar het café. Marvin pakt de telefoon en tikt de cijfers van het alarmnummer. Zijn vinger blijft boven het telefoontje hangen. Hij vergrendelt de telefoon en legt hem naast zich neer. Waarom zou Marvin het middel aan die mensen teruggeven – aan die moordenaars? Ze verdienen het absoluut niet. Misschien moet hij het maar gewoon verkopen aan de hoogst biedende. Marvin heeft alleen geen idee hoe je zoiets aanpakt.
Om zeven uur begint hij zijn avondeten klaar te maken – aardappels staan op het vuur, als de telefoon gaat. Marvin neemt het gesprek aan – het is zijn vriendin – of – ex-vriendin. “Hoi,” zegt hij. Vanavond maakt hij boerenkool klaar – met spek – voor twee dagen, want dat is makkelijk.
Zijn stem klinkt neutraal, maar zijn vriendin lijkt zo ongeveer panisch. “Je bent op tv,” roept ze. “Weet je dat wel? Politie is naar je op zoek. Je hebt iets aangepakt van een vrouw die een experimenteel medicijn heeft gestolen van haar werkgever en nu dood is.” Ze kent verdomme het hele verhaal. Hoe is het in godsnaam mogelijk na krap drie uur?
“Hoe kunnen ze dat nou weten?” Linda heeft verteld dat ze het pakketje in een kluisje had achtergelaten.
“Bewakingsbeelden van het café. Je neemt iets aan van de vrouw. Het schijnt erg gevaarlijk te zijn als je het gebruikt. Je moet er voorzichtig mee zijn.”
Marvin hoort zijn vriendin die met een heel hoge stem praat. Ondertussen gooit hij de boerenkool in een pan – diep bevroren deelblokjes komen kletterend neer. Misschien moet hij zeggen dat het pakketje niet langer in zijn bezit is. Er is een vrouw voor vermoord. “Het maakt weinig meer uit. Ik heb het in de vuilnisbak gegooid. Onderweg hierheen. Ze zullen dat ook wel op een bewakingsvideo hebben.”
“O, wat ben je weer laconiek,” zegt ze. “Ik ga zelf de politie wel bellen. Waar heb je – ? Laat maar.”
Zijn vriendin kent zijn vaste wandelroutes van en naar het station heel goed. Marvin en Adèle hebben er regelmatig gelopen. Politie heeft een huiszoekingsbevel nodig. Hij weigert het middel zomaar weg te geven. Binnen een half uur verwacht hij politie aan de deur en dan wil hij gewoon met het bord op schoot voor de televisie zitten. Terwijl de aardappels koken en boerenkool langzaam ontdooit, plakt hij het pakketje met duct-tape vast in zijn kledingkast. Ze hoeven het niet snel te vinden, zelfs al zouden ze met een huiszoekingsbevel binnenkomen. Dat doen ze niet. Waarom ook?
Zijn eten is klaar. Hij schept een deel van de gestampte boerenkool op zijn bord – legt het spek ernaast. Restant gaat in de koelkast. Dat is voor morgen. Nog steeds wacht hij op politie. Zo lang kan het immers niet duren? Hij neemt plaats op de bank. Televisie laat een aflevering zien die al voor de derde keer wordt herhaald. Marvin heeft zijn bord half leeg – als eindelijk de bel gaat. Het dienblad blijft op tafel staan. Hij loopt naar de deur en doet open. – politie. Hè hè.
“Bent u Marvin Rijkens?”
Hij knikt – zijn hand rust op de deurklink.
Agent legt in enkele keurige zinnen uit waarvoor zijn collega en hijzelf aan de deur komen – stel je voor dat Marvin het nieuws volledig gemist zou hebben.
“Ik heb het niet meer. Dat weet mijn vriendin ook wel. Weggegooid. Als je het per se wilt hebben, dan moet je die ondergrondse containers buiten liften.”
“Uw vriendin zei – ,” begint de agent.
“We hebben ruzie gehad.”
“Oké,” zegt de agent. “Kunt u ons vertellen in welke container u uw afval heeft gegooid?”
“De eerste die je tegenkomt – vooraan – helemaal links.” Hij verzint het ter plekke. Het is waarschijnlijk strafbaar wat hij aan het doen is, maar het boeit hem weinig. De politie hoort voor de rechten van een vermoorde vrouw op te komen, niet die van een grote firma.
“Het middel is een hoop geld waard.”
“Niet voor mij en er is een dode gevallen. Waarom zou ik die mensen dat plezier willen doen? Ze beginnen maar opnieuw met het werk. Linda wilde de credits voor haar inspanning – een beloning.”
“Een onjuiste verklaring kan u een hoop ellende opleveren, mijnheer Rijkens.”
“Ik spreek de waarheid, zoals altijd,” zegt Marvin. “Mijn probleem is dat ik nogal impulsief ben. Soms denk ik niet goed na. Vraag het maar aan mijn vrienden. Die zullen het wel beamen.”
“Kunt u morgenochtend om – laten we zeggen – tien uur op het bureau langskomen,” zegt de agent. “Dan leggen we uw verklaring vast. Zoals u al zegt. Er is een dode gevallen.”
“Goed,” zegt Marvin. “Mijn eten staat koud te worden.”
“Smakelijk eten,” zegt de agent.
Marvin knikt nog eenmaal en sluit vervolgens de deur. Hij gaat op de bank zitten. Op televisie is reclame bezig. Hij plaatst het bord op schoot en begrijpt ineens dat hij zich laat meeslepen in een gevaarlijk spel dat over miljoenen euro’s gaat. Linda is dood en waarom zouden ze hem niet willen vermoorden? Metrostations zijn gevaarlijke plekken en voordat je het weet heb je een stevige duw te pakken. Je ligt sneller voor een trein dan je denkt.
Om half een gaat hij naar bed. Marvin heeft zijn tanden gepoetst. Licht is uit. Buiten rijden er auto’s voorbij. Sinds negen uur heeft hij geen nieuws meer gevolgd. Zijn telefoon ligt op tafel. Om half tien is de container gelicht waarin hij het pakketje gegooid zou hebben – vuilniszak en pakketje erin. Gezien de tijd die er verstreken is, zou het bovenop moeten liggen. Als hij de waarheid heeft gesproken, maar dat is niet het geval. Marvin heeft gelogen. Zijn plan, om het middel op internet te koop aan te bieden, gaat niet meer lukken. Er is teveel publiciteit en waarschijnlijk krijgt hij een undercoveragent als potentiële koper. Een kostbaar en onverkoopbaar artikel. Linda zou er iets aan hebben gehad. Hij niet. Dus toch maar gewoon teruggeven aan het bedrijf?
Hij ligt naar het plafond te staren – het is vijf over een. Geen spoor van vermoeidheid. Marvin is klaarwakker. Seconden en minuten lijken veel langer te duren dan normaal. De muren van zijn huis vormen alles behalve een onneembare vesting. Politie kan zich toegang verschaffen tot zijn woning en daarmee het pakketje in beslag nemen. Agenten hebben al gezegd dat hij een boel narigheid aan deze affaire kan overhouden. Nou ja – het is al zover. Normaal valt hij direct in slaap – binnen vijf minuten – nu ligt hij aan een vrouw te denken die het belangrijkste resultaat van een onderzoek heeft gestolen. Marvin doet altijd een stapje achteruit als er een metro nadert – het is een reflex. Linda moet zich kwetsbaar hebben gevoeld onderweg naar huis. Zou die vent een aanloopje hebben genomen om Linda voor die aanstormende metro te duwen?
Het beeld blijft plakken op zijn netvlies en Marvin begrijpt dat hij komende uren beslist wakker zal blijven. Om drie minuten over half twee gooit hij zijn dekbed opzij en staat hij op – Marvin loopt naar de woonkamer – het laminaat onder zijn voeten voelt erg koud aan. Straatlantaarns werpen licht in zijn woonkamer. Hij woont aan een drukke weg. ’s Nachts is het weliswaar rustiger, maar het blijft lawaaierig – en auto’s rijden er altijd wel. Hij gaat zitten op de salontafel en wekt zijn iPad tot leven – hij veegt enkele malen over het scherm en tikt tenslotte een lokaal nieuwsblad aan. Zijn vriendin moet zwaar hebben overdreven. ‘Je bent op tv’.
Toch heeft ze de waarheid gesproken. Hij is inderdaad onderwerp van het nieuws geworden. Er zijn tientallen berichten binnengekomen van vrienden die willen weten wat hij aan het uitspoken is geweest. Marvin zal nergens op reageren. Geen zin in. Drie kranten tonen een print screen van de bewakingsbeelden uit het café – hij leest een bericht waarin het belang van de uitvinding nogmaals wordt toegelicht. Het nieuws is veel groter dan hijzelf had durven dromen. Vannacht zal hij zeker niet meer slapen. Marvin gooit de iPad op de bank en ziet het blauwwitte scherm als een kaarslicht uitdoven. Hij had het pakketje aan de agenten moeten geven. In dat geval zou er mogelijk een journalist aan zijn deur zijn gekomen die het verhaal wilde weten en hij zou iets hebben verteld. Het idee is net zo dood als de vrouw die onder de wielen van een metrostel werd verpletterd. Linda zal vrij snel in de vergetelheid raken en haar uitvinding verandert in het werk van een team en ze heeft slechts een bescheiden bijdrage geleverd. Iemand anders – haar direct leidinggevende – zal de prijs in ontvangst nemen. Want iemand zal er een belangrijke prijs voor krijgen. Een Nobelprijs. Om maar eens een voorbeeld te noemen. Niet Linda, iemand anders. Hij ziet haar gezicht voor zich – net zo duidelijk – alsof ze ook recht tegenover hem zit.
Ze gebruikt nauwelijks make up, een paardenstaart hangt slap omlaag en er ligt een doffe gloed op haar netvlies. Hij weet zeker dat ze zich binnen een half uur in een verblindende schoonheid kan veranderen en het maakt niet hoe moe of teleurgesteld ze is. Hij had haar nooit alleen mogen laten. Waarom was ze niet gewoon meegegaan naar zijn huis? Er is voldoende eten in huis en desnoods had hij iets laten bezorgen. Geen probleem. Nu gaat er een ander met de buit vandoor. Een man zonder ideeën, maar wel voldoende kennis en opleiding om het verhaal goed uit te leggen tijdens een persconferentie. Natuurlijk hebben ze daar het monster voor nodig.
‘Dat laat je toch niet echt gebeuren, hè?’
Heel even lijkt het alsof Linda de woorden in zijn oor fluistert – alsof ze naast hem staat. Echt iets voor hem om verliefd te worden op een vrouw die in de problemen is geraakt. Hij schuift wat spullen opzij die op de bank liggen, twee afstandsbedieningen, de iPad en wat tijdschriften. Ze is bestolen door haar eigen werkgever. Stel je nou eens voor dat je iets geniaals bedenkt – want het is je taak om zulke dingen te bedenken. Moet je dan genoegen nemen met je maandsalaris? Heb je daar wel voor getekend? Ging het om geld of toch iets compleet anders? Een gruwelijk idee – een medicijn uitvinden waarmee je een gitzwarte vergetelheid uitbant, maar tegelijkertijd zak je zelf weg in een ondenkbare anonimiteit – een niets – zelfs minder dan een nobody. Hij begrijpt het steeds beter.
Een beslissing ligt er niet, maar Marvin staat op en loopt naar de kast – hij trekt de deur open en begint heel voorzichtig de duct-tape los te maken waarmee hij het pakketje heeft vastgemaakt. Wat zou er gebeuren als je het middel van Linda toedient aan een volkomen gezond iemand? Zou je er iets van merken? Hij kent geen familielid die vergeetachtig is. Niemand anders dan alleen hijzelf, want Marvin vergeet zelfs dat zijn vriendin op hem zit te wachten. Marvin vergeet altijd van alles. Zelf zegt hij dat het niets met vergeten te maken heeft – hij denkt er gewoon niet aan en legt zijn prioriteiten verkeerd. Het zou toch mooi zijn als hem dat nooit meer zou overkomen? Hij neemt plaats aan tafel en maakt het pakketje open – de verpakking oogt teleurstellend. Plastic bakje. Alsof je eten moet bewaren. Hij houdt een injectienaald vast en een ampul. Er zit een volledig transparante vloeistof in. Het is helemaal teleurstellend. Het ziet eruit als water. Hij kan zich moeilijk voorstellen dat hier zoveel mensen naar zoeken. En hij houdt het gewoon vast.
Marvin legt de ampul en injectienaald neer – een doodgewone injectienaald die je zo bij de apotheek kunt halen. Probleem is dat hij zichzelf nooit eerder een spuit heeft gegeven. Hoe doe je zoiets? Hij staat op en pakt zijn iPad – begint te zoeken naar sites die informatie verstrekken over injecties. Gewoon proberen! Als je nooit eens iets probeert, dan kom je helemaal nergens in het leven. Linda zou het normaal hebben gevonden. Ze zou het hebben toegejuicht! Hij leest iets over musculair spuiten – gewoon die naald in je dijbeen steken en injecteren – heel klein beetje lucht is toegestaan, maar teveel mag niet. Is het effect van het medicijn sterker als hij in een ader spuit? Zou hij er ooit iets van merken? Marvin maakt de verpakking van de naald los en vult het reservoir van de injectienaald met een vloeistof waar half Nederland naar op zoek is. Hij legt de naald neer en begrijpt dat zijn hartslag absurd hoog is – zijn hand trilt een beetje. Nog even en er is geen terugkeer mogelijk. Hij hoeft het alleen maar te doen – prikken en de vloeistof in zijn lijf brengen – tussen de spieren spuiten, net als een griepspuit – een prikje – meer niet.
Zijn onderarmen rusten op tafel. Tussen zijn handen wacht de injectienaald op een beslissing van Marvin. Waarom zou hij zichzelf injecteren met een medicijn dat zijn geheugen beter maakt dan het is? De ontmoeting met Linda was anders – waarheid bracht ze druppelsgewijs – niet alles ineen – nee, want ze bleek op de vlucht voor een paar bloedhonden die exclusief in dienst zijn van een multinational. Het zijn altijd grote bedrijven die dit soort dingen doen. Een vernieuwend medicijn op de markt brengen – om heel, heel erg veel geld binnen te harken – meer nog dan de mensheid te dienen. Alles draait om geld.
Hij pakt de naald en denkt aan de laatste ogenblikken van Linda, toen ze begreep dat ze dood zou gaan. Of zou ze het nooit hebben beseft? Ze was onderweg naar een man die best wilde luisteren en zelf ook een enorme behoefte had zijn verhaal kwijt te raken. Marvin laat enkele druppels van het medicijn langs de naald sijpelen, zodat hij zeker weet dat alle lucht eruit is. Ja, net als in het ziekenhuis. Daar doen ze dat ook. Hij plaatst de naald tegen de huid van zijn dijbeen en duwt hard – er volgt een korte venijnige steek – hij ziet de naald in zijn been verdwijnen en laat de vloeistof gaan – wegstromen in zijn lichaam. Als het reservoir leeg is, trekt hij de naald langzaam terug. Er vormt zich een druppel bloed op zijn been en Marvin staart naar de plek. Het blijft bij een enkele druppel. Zijn vinger glijdt over de huid – het bloed – en hij likt zijn vinger af. Er is geen verschil te merken met vijf minuten geleden. Hij voelt zich hetzelfde – alsof er nooit iets zal veranderen.
Injectienaald en ampul gooit hij in de vuilnisbak – nu wel – het is rommel – o ja – politie verwacht hem morgenochtend om tien uur op het bureau, maar het is bijna twee uur en de stoplichten zijn buiten werking gesteld. Dat gebeurt elke nacht om precies half twee, maar daarstraks viel het niet eens op. Hij moet zijn vriendin bellen. Als hij bij de politie is geweest, zal hij zijn spullen ophalen. Marvin kan nooit meer terug naar Adèle, want zijn gedachten zijn vrijwel continu bij Linda – die onder de metro werd geduwd. Moeder zal het vervelend vinden, want ze mocht Adèle heel graag; vader haalt er gewoon zijn schouders bij op en gaat verder met het leven. Er zullen beslist meer vriendinnen volgen. Marvin voelt zich wegzakken in een diepe slaap. Hè hè – eindelijk.
’s Ochtends om zes minuten voor acht doet hij zijn ogen weer open en Marvin kijkt eerst op zijn wekker. Het is vroeg. Misschien is de politie afgelopen nacht op zoek geweest naar het afval van Marvin. In dat geval moeten ze inmiddels weten van zijn bedrog. Misschien zijn het medewerkers van de multinational geweest die hun dromen van een eervolle vermelding langzaam hebben zien verdampen. Geen injectienaald – geen ampul met een transparante vloeistof – helemaal niets – dus mijnheer Rijkens heeft gelogen.
Waarom heeft mijnheer Rijkens eigenlijk gelogen? Heel simpel. Vanwege zijn liefde voor een vrouw die haar leven roemloos beëindigde onder de wielen van een metrostel. Hij stapt onder de douche en poetst zijn tanden – wast uitgebreid zijn haren en lichaam – shampoo verdwijnt in het afvoerputje. ‘Je hebt dit toch niet gepland, hè?’ Hij hoort haar stem. Gezichten verschijnen in zijn geheugen. Warm water blijft langs zijn lijf stromen. Hij ziet jonge en oude mensen die de rijkdom van een zitplaats kennen of moeten blijven staan, zoals Marvin en Linda. Hoe zou hij dit nou in hemelsnaam gepland kunnen hebben? Tussen de reizigers herkent hij het gezicht van de man die korte tijd later ook bij het café opdook, maar toen als verklikker – hij was er ook in het metrostel, maar gisteren herinnerde Marvin zich het allemaal niet.
‘Je hebt dit toch niet gepland, hè?’ Warm water blijft langs zijn lichaam stromen. Al een kwartier. Normaal doucht hij slechts korte tijd. Woorden van Linda galmen in zijn hoofd, terwijl hij haar ogen bijna steels naar rechts ziet gaan – naar de verklikker – spion die zijn werkgever heeft geïnformeerd. Gisteren niet opgemerkt. Nu denkt hij eraan. Linda moet hebben geweten dat ze werd gevolgd. Het moet. ‘Je hebt dit toch niet gepland, hè?’ Nee, Marvin heeft het absoluut niet gepland, maar Linda beslist wel.
Hij draait de kraan dicht en vervloekt zijn eigen onnozelheid – zijn hand graait naar de handdoek en hij begint zich droog te wrijven. In de woonkamer begint hij zich aan te kleden – half gesloten jaloezieën onttrekken de straat goeddeels aan het zicht. Marvin ziet de ogen van Linda weer naar rechts bewegen – heel even maar en hij vraagt zich af waarom het hem gisteren niet eens is opgevallen. De film herhaalt zich eindeloos – als een eeuwigdurende loop. Steeds ziet hij Linda naar de verklikker kijken – naar de spion.
Zijn ontbijt begint met een kop thee – yoghurt met cruesli – elke dag hetzelfde. Hij checkt e-mailberichten. Zijn vrienden proberen hem nog steeds te bereiken, maar hij antwoord niet. ‘Je hebt dit toch niet gepland, hè?’ Hij had om precies te zijn helemaal niets gepland. Marvin probeert te bedenken wat het kan betekenen – Linda keek naar de spion. Ze moet hebben geweten dat ze werd achtervolgd. Zou ze daarom met Marvin mee zijn gegaan naar het café?
Na zijn ontbijt spoelt hij de yoghurtbeker af – thee blijft nog eventjes op tafel staan. Buiten op straat zijn veel auto’s geparkeerd – het is altijd erg moeilijk om hier een parkeerplek te vinden. Hij herkent de auto die gisteren tegenover het café heeft gestaan. Zelfde mannen zitten voorin, maar is er nu een derde bij gekomen – man die gisteren als chauffeur optrad, is nu bijrijder – het is moeilijk om achter het verduisterde raam de passagier te zien.
Marvin overweegt of het mogelijk is om een dubbelganger voor de metro te laten duwen. Ja, het zou kunnen. Je hoeft alleen maar de identiteitskaart om te wisselen en beveiligingscamera’s zijn vaak niet zo erg goed. Afstand schept twijfel – camera van achterzijde. Onderzoeken moeten nog uitwijzen dat het slachtoffer inderdaad Linda heette, want de stoffelijke resten liggen over een afstand van kilometers. Metro zou niet eens zijn gestopt. Volle snelheid. Hij kan de pijn haast voelen. Zou je de klap echt kunnen – ?
Inzittenden van de auto zijn aan het wachten en hij heeft geen idee waarom ze het zolang laten duren. Misschien moet hij zijn vrienden maar eens uitleggen wat er is gebeurd sinds gistermiddag. Nee, ze geloven hem sowieso niet – het verhaal is veel te fantastisch. Hoe hebben de beveiligers hem eigenlijk gevonden? Politie geeft geen adressen aan particulieren. Linda had zijn postcode en huisnummer en dus het adres. Maar Linda is onder de metro terechtgekomen. Hij heeft nergens aanwijzingen achtergelaten dat hij in dit gebouw woont – nergens, niet op sociale media. Ze kunnen hem onmogelijk zo snel hebben gevonden – alleen als er iemand anders van het perron is – .
Hij zoekt een aanwijzing in zijn geheugen – een gebaar of oogopslag van Linda – woorden die verraden wat ze werkelijk van plan is geweest. Zoiets doe je toch niet volkomen onvoorbereid? Hij zou persoonlijk elke stap vooraf plannen – zorgvuldig handelen, aangezien je wetten aan het overtreden bent. Linda moet dat ook hebben gedaan.
Hij staart naar het beeldscherm van zijn computer en stelt vast dat het nieuws naar de achtergrond is verdwenen – er gebeuren meer en veel ergere zaken. Nergens staat er iets over een persoonsverwisseling. Hoe zouden de beveiligers hem anders zo snel hebben gevonden? Zulke informatie krijg je niet van de politie. Of een agent moet corrupt zijn en er bestaan helaas corrupte agenten in deze wereld. Marvin krijgt zin in koffie en loopt naar de keuken – drukt het knopje in van de Senseo – zijn moeder spreekt altijd over ‘de kromme koffiepot’. Terwijl het water op temperatuur komt, beslist hij dat een agent de adresgegevens van Marvin heeft doorverkocht.
Linda is dood. Punt uit. Ze is voor een metro geduwd. Hij neemt zijn kop koffie mee naar de woonkamer – neemt een slok – en de bel gaat. Marvin zet zijn koffie neer en loopt naar de voordeur – draait de sleutels naar links – hij trekt de deur open en ziet – .
Linda staat voor hem – ze ziet er mooi en uitgerust uit. Lange regenjas, nauwelijks make up – rode trui met V-hals – donkerbruin haar dat los op haar rug en borst hangt. Er ligt een heldere glans op haar netvlies. Er zijn ook drie mannen – de beveiligers en een oudere man die ongeveer zestig jaar oud moet zijn.
“Ik heb gelezen dat je voor een metro bent geduwd.”
“Ja, het was erg vreemd om dat over mezelf te lezen,” zegt ze. Zou ze in het echt nou ook Linda heten? “Ik vond het best wel een beetje sneu voor het meisje.”
“En nu ga je de politie vertellen dat je niet snapt hoe je identiteitskaart in haar jaszak terecht is gekomen,” zegt Marvin. “Zelfde postuur en haardracht, zelfde soort gezicht en dan ben je het ook echt. Tot de eerste onderzoeksresultaten binnenkomen.”
“Ik vind het echt heel erg voor dat meisje, hoor,” zegt ze.
Man zegt: “Je hebt het gebruikt – ik zie het in je ogen. Ik kan je verzekeren: het wordt steeds leuker – alsof je voor het eerst de zon ziet opkomen.”
Man legt zijn hand op een schouder van Linda – nou ja – misschien is dat werkelijk haar naam. “Edward – ik heb alleen zijn hersenen nodig – de rest is afval.”
Hij hoort de woorden – man en vrouw lopen weg, maar de beveiligers duwen Marvin het huis weer in.
“Wist je dat de meeste ongelukken thuis gebeuren?”, merkt beveiliger op die Edward heet, maar zijn collega zou net zo goed dezelfde naam kunnen hebben.
Alleen zijn hersenen. De rest is afval.
Als hij nou alleen maar op tijd bij zijn vriendin was geweest, zou dit allemaal niet zijn gebeurd. Kut.
Alleen de hersenen.
© Jos Smies, 26 maart 2016
Maandelijks archief: maart 2016
de kunst van het vergeten
Jokke en de lichtdwergen (2)
’s Avonds om half twaalf ligt Jokke in bed. Deur van zijn slaapkamer staat natuurlijk open, zodat er koelere lucht binnen kan komen. Hij hoort geluiden uit het bos, maar ook de snelweg, zoals altijd. Jokke gooit zijn dekbed half op zij – het is veel te warm. Het is zo’n dag waarop je denkt dat het nooit meer koud zal worden. Na een tijdje zakt hij weg in een diepe droomloze slaap, al denkt hij eerst nog angstkreten te horen, maar besluit dat het onzin is en – .
Volgende morgen vroeg doet hij heel vroeg zijn ogen weer open – er klinken stemmen op straat. Het zijn mannen en vrouwen die onophoudelijk praten. Jokke staat op, trekt een oud T-shirt over zijn hoofd en betreedt het balkon. Op straat staan twee politieauto’s met blauwe zwaailichten, maar hij heeft helemaal niets gehoord. De huismeester praat met agenten – mevrouw Madsen staat er bij, maar zegt geen woord. Andrea lijkt zich te verschuilen – hij herkent haar vuurrode haar. Zijn vriendin verschuilt zich half in de deuropening, zodat hij haar nauwelijks ziet.
Moeder van Jokke klopt op de deur en hij zegt: “Binnen.” Ogen van agenten gaan omhoog. Ze zoeken hèm en het gespreksonderwerp is niet het ongeluk dat gisteravond heeft plaatsgevonden.
Moeder komt naast hem staan. “Ze willen jou spreken,” zegt ze, “er schijnt een man dood te zijn in het bos – ons bos – het ziet er akelig uit – alsof hij aangevreten is door wilde dieren. Geen vampiers of weerwolven. Zelfs geen dieren. Iets anders.”
“Lichtdwergen,” zei Jokke.
“Ellendige wezens.”
“Het is niet mijn schuld dat ze zijn ontsnapt.”
“Nee, wel van Edith en haar gedoe van gisteravond.”
Jokke denkt aan de angstkreten die hij dacht te horen voordat hij in sliep viel – achteraf geen onzin. Man werd aangevallen door lichtdwergen, tientallen, misschien wel honderden tegelijk. Net als ratten. Jokke wist alleen niet of ratten zulke dingen deden. “Volgens mij heb ik het zelfs gehoord.”
“Toen was het al te laat,” zegt zijn moeder en haar stem klinkt heel kalm, alsof het haar niets doet.
“We hebben hem gewaarschuwd,” vertelt Jokke, “maar hij wilde per se een lichtdwerg meenemen, omdat hij er een hoop geld aan wilde verdienen.”
“Mensen en hebzucht – ze hebben nooit voldoende.”
“Hoe leg je zoiets uit aan een agent?”
“Ja, da’s moeilijk.”
Ze voeren het gesprek op gedempte toon, zodat de agenten niet kunnen horen wat ze zeggen. Mevrouw Madsen kijkt wel eens omhoog – de huismeester begint te gebaren en vraagt: “Jokke? Kun je komen?” Hij knikt enkele malen met zijn hoofd en gaat het appartement binnen. Vandaag belooft opnieuw een erg warme dag te gaan worden. In een spijkerbroek, een vaal T-shirt en teenslippers loopt hij omlaag. Moeder volgt hem op de voet. Jokke weet goed wat er is gebeurd – moet zijn gebeurd vannacht – maar gaat er niets over zeggen. Nee, niets gehoord, – of, nou ja – een paar kreten.
Hij verlaat het gebouw – zijn hand glijdt langs de blote arm van Andrea die een jurk heeft aangetrokken. Ze draagt ook teenslippers. Een agent stelt zich voor, maar Jokke vergeet de naam meteen. “Weet je wat er is vannacht is gebeurd?”
Jokke schudt zijn hoofd. “Ik heb alleen iets gehoord van mijn moeder. Dat is alles. Toen ik ging slapen dacht ik dat er iemand schreeuwde, maar ik dacht dat ik me wat verbeeldde.” Verderop staan er meer auto’s geparkeerd – een lijkwagen – een busje van de forensische politie. Geen ambulance. Man hoeft niet naar het ziekenhuis. Hij zal nooit rijk en beroemd worden door een kermisattractie. Lichtdwergen verdomme. Ze hebben hem opgevreten. Jezus nog aan toe. Opgevreten.
“Enig idee wat er is gebeurd?”
Jokke aarzelt eventjes en vermoedt dat Andrea iets heeft verteld – een verhaal over kleine wezens die lichtdwergen genoemd worden – erg naïef om zoiets te zeggen tegen een stel agenten die zoiets weigeren te geloven, zolang ze zelf niets hebben gezien. Hij kijkt naar de huismeester met zijn perfecte neutrale blik – mevrouw Madsen die naar het asfalt staart. Zijn moeder staat half in de deuropening.
Andrea staat naast hem en hij herinnert zich haar gezichtsuitdrukking – ze heeft het gezegd – ze heeft gesproken over lichtdwergen – het moet – het moet.
“Nou?”
“We hebben hem gewaarschuwd voor de kleine wezens in het bos – lichtdwergen – hij wilde er eentje meenemen, omdat hij dacht dat hij dan rijk en beroemd zou kunnen worden. Nu is hij dood.”
“Yes!”, hoort hij de triomfantelijke stem van Andrea roepen. Dus zijn intuïtie was volledig juist.
“Zelfde verklaring als je vriendin,” merkte de agent droogjes op. “Lichtdwergen. Nooit van gehoord. Hebben jullie dit soms afgesproken?”
“Agent – U wilde weten wat ik dacht dat er is gebeurd. Ik heb geen flauw idee, want ik lag in bed. Hoe moet ik nou weten wat er is gebeurd?” Hij deed zijn best om rustig te blijven – niet boos te zijn. Zijn stem galmt langs de gevel omhoog.
“Ja, je hebt gelijk,” zegt de agent die zijn collega’s enkele ogenblikken zwijgend aanstaart. “Blijf je bij je verklaring of wil je er op terug komen?”
“Ik blijf erbij.”
Jokke draait zich om en loopt weg – hij gaat het gebouw in en Andrea volgt hem meteen. De moeder van Jokke is alweer onderweg naar het appartement. Politie heeft een nutteloze verklaring gekregen. Ze kunnen er niets mee. Twee tieners die beweren lichtdwergen te hebben gezien. Wat kun je daar nou mee! Ze lopen op de trap. Slippers klepperen tegen blote voeten.
“Hoe wist je nou dat ik dàt heb gezegd?”
“Het kon bijna niet missen,” zegt Jokke.
“Wat gaan ze ermee doen? Wat denk je?”
“Overleggen met de commissaris, denk ik. Die zal beslissen of ze het verhaal bekend maken.”
“Hadden we moeten liegen?”
“Nee. Waarom?”
Ze houden halt bij de voordeur van Jokke zijn huis – moeder is al binnengegaan – deur is op een kiertje. “We zullen het probleem moeten oplossen, zodra de politie weg is en dan maar hopen dat niemand oog in oog komt te staan met lichtdwergen. Stel je voor dat iemand een foto weet te maken van die dingen.”
Mevrouw Madsen, de moeder van Andrea, komt de trap op en haar gezicht staat half op onweer. Toch lijkt er ook iets van een grijnslachje te zijn. “Ik wilde Andrea steunen,” zegt Jokke, “we moeten elkaar helpen. Dat zegt u toch altijd? Het zou heel erg zijn geweest als ik een leugenaar van Andrea had moeten maken. Daar had ik totaal geen zin in.”
“Hoe wist je dat nou?”
“Vroeg ik ook al, mam.”
“Het kon bijna niet anders,” zegt Jokke.
Zijn moeder verschijnt in de deuropening – scharnieren piepen bijna onhoorbaar. “Net als zijn vader.”
“Het is een talent dat bij een halfengel hoort,” zegt mevrouw Madsen.
“Blijkbaar,” zegt Jokke.
“En nu?”, vraagt de moeder van Jokke.
“Zijn ze altijd gevaarlijk?”, vraagt Andrea.
Jokke denkt aan gisteravond. De lichtdwergen vluchtten massaal het bos in en leken totaal geen bedreiging te vormen. Onschuldige wezens die door hun enorme aantal een gevaar konden zijn – als je ze niet met rust liet. De man wilde er eentje hebben.
“Ja, als je ze opjaagt, zoals gisteravond is gebeurd,” zegt mevrouw Madsen, “maar dat geldt voor iedereen. Je verdedigt je zoals je aard dat bepaalt.”
“Vanavond maar eens kijken?”, vraagt Jokke.
“Ja, dat is een goed idee,” zegt mevrouw Madsen.
“Waarom zaten ze in de lampen?”, vraagt Jokke. Hij bedenkt dat ze waren opgesloten in de lampen – alsof iemand hen ooit gevangen had gezet. Daarom dacht hij steeds dat ze gevangen waren – gevangenen van de TL-lampen. Misschien zaten ze helemaal niet gevangen en was het iets anders. Jokke en Andrea kijken naar elkaar, dan naar mevrouw Madsen en Frauke de Vries, de moeder van Jokke.
Mevrouw Madsen schudt met haar hoofd – een beweging die bijna traag verloopt, als in de film. “Nee,” zegt ze, “ik denk dat het anders is gegaan.” Heel even staart ze omhoog – naar de lamp, een donkere, levenloze buis die tegen het plafond zit. “Waarschijnlijk zijn ze per ongeluk met de schikgodin meegekomen – ze heeft een poort moeten openen om jullie te verschijnen. Er is erg veel energie vrijgekomen – ja, heel erg veel.” Ze opent de voordeur van haar appartement. Andrea gaat als eerste naar binnen. “We moeten in gesprek zien te komen met de lichtdwergen – afspraken maken. Voorkomen dat ze iedereen opeten.”
“Je kunt ze niet verstaan, mevrouw Madsen,” zegt Jokke, “ze hebben allemaal piepstemmetjes.”
“Daar hebben we middeltjes voor.”
O ja, natuurlijk. Een beetje heks heeft er poedertjes voor, of een bijzondere mix van boomblaadjes of zo. Hij gaat het appartement weer binnen en begrijpt dat er een saaie dag zal volgen, omdat ze nauwelijks de kans zullen krijgen om naar de heuvel te lopen. Anders dan normaal – wanneer er geen politiemensen op zoek zijn naar sporen die bevestigen wat twee tieners beweren – een fantastisch verhaal over lichtdwergen.
Er ligt een verkoelende schaduwen over het balkon. Jokke gaat er zitten nadat hij heeft gegeten. Een kopje thee staat op het tafeltje. Hij legt zijn voeten opnieuw op de reling en volgt gesprekken die op straat plaatsvinden. Hadden Jokke en Andrea wel moeten vertellen over de lichtdwergen? Was het niet beter geweest als ze hadden gezwegen? Hij wil zich er mee bemoeien, maar besluit het niet te doen. Het doet er weinig toe. Als de forensische onderzoekers hun werk goed doen, dan zullen ze sporen vinden. Er zal bewijs volgen voor de aanwezigheid van lichtdwergen. Individueel misschien geen gevaar, maar dankzij hun enorme aantallen bloedlink. Hij leest een boek. Tijd verstrijkt. Rond het middaguur is het stil geworden op straat. Hij hangt over de reling en constateert dat alle auto’s weg zijn.
Mooi – opgeruimd staat netjes.
Na het middageten verlaat hij het flatgebouw – Leon en Gijs zijn al onderweg naar de heuvel. Jokke en Andrea volgen op een afstandje. Ze hebben alle vier gewoon afgewacht. Jokke staart omlaag, terwijl hij loopt – zoekt naar lichtdwergen, maar er is niets te zien. “Zou je ze alleen ’s nachts kunnen zien?”, vraagt Andrea. Takken zwiepen heen en weer. Jokke plukt in het voorbijgaan een perzik en begint te eten. Een perzik gaat er altijd wel in. Het is lekker.
“Geen idee,” zegt hij.
Ze beklimmen de heuvel – altijd weer een heerlijk moment, omdat ze binnen enkele minuten alle vier lekker in het gras zullen liggen. De zon schijnt. Het is warm. De snelweg lijkt erg ver weg.
“Over drie dagen is er weer een volle maan,” zegt Leon. Er hangt een kalender in de woonkamer van zijn vader – een dikke rode cirkel rond alle datums die een volle maan hebben. Het is alleen een opmerking. Hij bedoelt er weinig mee.
“Weerwolven, vampiers, lichtdwergen, gewone dwergen natuurlijk, heksen en een halfengel. Je mag het bijna een toeristische attractie noemen.”
“Wat denk je? Zullen ze bewijsmateriaal hebben gevonden? Voetafdrukken bijvoorbeeld?”
“Ja, dat ook,” zegt Jokke en hij laat zijn half opgegeten perzik zien. “bijtsporen van tanden – DNA natuurlijk – ze zullen stevig hebben gezocht.”
“En we gaan er last van krijgen,” zegt Gijs.
“Zelfs als we niets zouden hebben gezegd.” Jokke spuugt de afgekloven pit van zijn perzik weg.
“Cool, jullie hebben allebei hetzelfde verteld,” zegt Leon.
“Niet helemaal,” reageert Jokke die zijn ogen sluit en de zon op zijn lichaam voelt branden.
Minuten tikken weg en Jokke bedenkt dat een saaie vakantie ook wel haar charme heeft – lekker luieren in de zon – heerlijk niets doen, terwijl het mooi weer is. Andrea gaat rechtop zitten en staart naar beneden – Jokke doet hetzelfde. Hij ziet een man naderen – geen bewoner van het flatgebouw. Oudere grijzende man. Hij is slank. Brildragend. Stoppelbaard. Man wekt vertrouwen – is geen engerd.
“Zo – jongelui,” zegt hij, “genieten van een zonnige zomerdag?” Hij lijkt niet te willen wachten op een antwoord. “Zijn jullie hier vaker? Jullie wonen in dat gebouw, hè? Hebben jullie enig idee wat dit voor plek is? Nee hè?” Zijn gezicht oogt opgewekt, terwijl hij op een antwoord hoopt, maar dat komt er niet. De man vertelt het toch wel. De vier vrienden hoeven geen reactie te geven. Man plaatst zijn handen op zijn heupen.
Jokke bedenkt ineens wat de onbekende betweter bedoelt. Echt een groot geheim is het niet eens, maar hij begrijpt dat de heuvel weinig anders kan zijn dan een oeroude graftombe. Hieronder heeft een oude koning begraven gelegen – omringd door kostbaarheden – zoiets. “Een graftombe en hoepel nou op – we komen voor onze rust.”
“O – dus toch.” Man toont zich verbaasd. “Er komt vanmiddag een persconferentie. Spectaculaire mededelingen over het lichaam dat ze vanochtend hebben gevonden. Ik denk dat er nu wel het een en ander gaat veranderen. Nu is het nog jullie bos. Hoelang zal dat nog zo blijven, denk je?”
“Je staat in mijn zonlicht,” zegt Jokke.
“Er gaan allerlei wilde geruchten,” zegt de man. “Ik ben echt heel benieuwd, ja, ik ben zeer benieuwd.”
“Wat wil je nou eigenlijk, joh?”, vraagt Gijs die zijn irritatie nauwelijks weet te verbergen.’
Man staart naar Gijs, dan Leon en Andrea, tenslotte kijkt hij Jokke recht in de ogen. “Ik ben de Boodschapper – altijd neutraal – altijd eerlijk.”
De Boodschapper draait zich om en loopt weer weg.
Jokke blijft hem lange tijd nakijken, alsof hij vermoedt dat de schikgodin die hij vannacht heeft gezien de man heeft gestuurd om te helpen.
“Heeft Destiny je soms gestuurd?” Zijn stem golft over de heuvel en is tot ver in de omtrek hoorbaar.
Boodschapper heft zijn armen ten hemel en loopt door. Er volgt geen antwoord. Jokke is te laat.
Ze laten hem niet met rust. Als hij dat al dacht.
OGEN
Aan de kleur van je ogen kan ik zien of je doodgaat. Het is geen echt uniek talent en met paranormale begaafdheid heeft het niets te maken. Er zijn wel meer mensen die dat kunnen, vaak zijn ze wat ouder en hebben ze het een en ander meegemaakt. Ik ontdekte het in een fitnesscentrum, enkele jaren geleden. Een man klaagde over zijn gezondheid, een veertiger die heel wat specialisten had versleten. In geen enkel ziekenhuis konden ze hem vertellen wat hem nou precies mankeerde. Natuurlijk deed ik of ik niet luisterde. Volgens mij deden alle aanwezigen alsof ze niet luisterden. Hij vestigde zijn hoop op een groep Belgische specialisten. In Luik. Een kwartier later keek ik hem toevallig recht in de ogen en constateerde geschokt dat hij zwarte ogen had – of vissenogen. Op dat moment had ik hem kunnen vertellen wat die specialisten niet hardop hadden gezegd. Hij was…
View original post 1.262 woorden meer
Jokke en de lichtdwergen (1)
Deur van het balkon staat open – de hordeur houdt insecten weg uit het appartement – jaloezieën van zijn slaapkamer zijn omlaag. Er hangt een glinsterende halve maan boven de stad, sterren fonkelen als edelstenen. Lichten van de stad zijn ver weg en op de snelweg zijn ze de rommel aan het opruimen van het ongeluk. Rust is teruggekeerd in de flat. Shirt plakt aan zijn lijf. Het is warm – erg vervelend natuurlijk, omdat hij slecht zal kunnen slapen. Moeder zit ook op balkon. Jokke heeft zijn voeten op de reling gelegd en staart naar de lucht. Er passeren met enige regelmaat vliegtuigen, maar hij hoort ze niet. Er is een hoop gebeurd vanavond. Hij is niet langer een gewone jongen, maar een halfengel van wie veel verwacht wordt. Volgens Andrea wordt hij belangrijk en dat wil hij niet. Een koud glas limonade staat op het tafeltje.
“Daar gaat Nosferatus,” hoort hij zijn moeder zeggen, “hij zal wel honger hebben.”
“Pech voor de dieren,” merkt Jokke op. “Hij is een kerel met een enorme honger.” Hij neemt een slok en zet het glas weer terug. “Wat wilde Edith nou eigenlijk bereiken?”
“Je moet er niet over piekeren,” zegt zijn moeder, “Edith is zowel dom als kwaadaardig – een slechte combinatie – terwijl ze zelf vindt dat ze erg slim is.”
“Lijkt me knap lastig.”
“Dat is het – eh,” zegt zijn moeder die midden in de zin blijft steken. Ze kijkt naar links – het is in de buurt van de plek waar Jokke en zijn vrienden een uur geleden in de kelder hebben gestaan. Ze hebben er gesproken met een schikgodin. “Kijk nou toch eens!”, roept ze. Haar ogen sperren ver open en ze blijft staren. Jokke hoort stemmen van andere bewoners die net zo goed op het balkon zijn gaan zitten. Dat doet bijna iedereen. Ze kijken allemaal. Honderd – misschien tweehonderd meter verderop dansen er allemaal lichtjes boven de bomen. Het is onmogelijk te zien wat ze precies zijn – menselijk – of juist niet-menselijk. Jokke denkt aan de figuurtjes die tevoorschijn kwamen nadat de TL-lampen waren geëxplodeerd. Normaal wonen er geen elven, of kabouters, of wat dan ook in lampen. Jokke gaat recht zitten – zet zijn voeten neer en buigt voorover. Het is een spectaculair gezicht. Vonken als sterretjes – vuurwerk dat boven de boomtoppen uiteen spat. Alle kleuren van de regenboog. Wat tot nu toe een saaie zomer scheen te gaan worden, zou best eens heel boeiend kunnen zijn. Jokke bijt op zijn onderlip en blikt eventjes opzij – naar zijn moeder.
“Het is nog vroeg,” zegt hij.
“Het is al donker,” zegt zijn moeder, “misschien denkt Nosferatus wel dat je een sappig hapje bent.”
“Nee, hoor.”
“Kom je wel weer thuis?”, vraagt zijn moeder.
“Tuurlijk, je hebt Andrea toch gehoord?”
Jokke staat op en loopt weg. Zijn moeder wil hem niet eens tegenhouden. Hij pakt zijn huissleutels mee en verlaat het appartement. Er kan helemaal niets gebeuren. Alle rottigheid heeft vanavond al op de snelweg plaatsgehad. Brandweer en politie zijn de troep aan het opruimen. Op de trap komt hij Andrea tegen. Haar lange rode haar deint heen en weer. Ze kijkt over haar schouder en er ontstaat een glimlach op haar gezicht.
“Jij dus ook,” zegt ze.
“Je hebt ze daarstraks toch gezien? De lampen gingen kapot. Het moet ermee te maken hebben. Anders kan ik het niet begrijpen. Ik wil weten hoe het zit.”
Ze verlaten het gebouw. Jokke kijkt naar links en rechts, alsof er verkeer aan zou kunnen komen, maar het blijft volkomen rustig. Niets aan de hand. Niemand te zien. Politie is bezig met getuigenverklaringen – mensen die misschien iets zouden kunnen zeggen over een meisje met rood haar dat waarschuwde voor een dreigende ramp. Ze betreden het bos – het is erg donker – veel licht komt er niet van de flat. Jokke en Andrea wandelen naar de plek waar ze ongeveer een uur eerder een kelder hebben verlaten. Ze waren naar beneden gegaan, omdat Jokke het licht volgde – het licht van een schikgodin.
Na bijna vijftig meter bereiken ze een open plek – ze blijven allebei stilstaan en zien een donkere gedaante – een bekende man die enigszins gebogen staat en zijn tanden in een konijn heeft gezet – Het is Nosferatus. Het dier zou bruin moeten zijn, maar is natuurlijk besmeurd met bloed. Nosferatus laat het dier zakken en staart naar de kinderen die alleen naar het konijn kijken. De vampier gooit het karkas opzij en zegt: “Het is wat ik doe – het is wie ik ben. Als je de aanblik niet kunt verdragen, blijf dan lekker thuis.” Nosferatus draait zich om en verdwijnt verrassend snel in het bos – op zoek naar een volgende prooi. Hij heeft natuurlijk gelijk. Al oogt het erg wreed.
Jokke probeert het beeld uit zijn hoofd te verdrijven – Andrea doet uiteraard hetzelfde, maar ze praten er niet over. Ze volgen het spoor van lichtjes die onverminderd door de atmosfeer buitelen. Hun snelheid neemt af – Jokke wil hen niet afschrikken. Heel langzaam sluipen ze langs struiken – bomen. Hij kent het bos heel goed en ook ’s nachts weet hij goed de weg. Met zijn ogen dicht zelfs. Er ligt daar ergens een plas water – niet zo heel erg diep – de laatste tijd is het droog geweest, maar de gemeente laat het waterniveau bewust hoog. Kelders staan wel eens onder water – vaak een meter hoog, zodat je er niet eens kunt komen of je moet het geen probleem vinden om drijfnat te worden. De maan weerspiegelt heel mooi in het wateroppervlak. Jokke en Andrea zien de wezentjes – die er uitzien als mensen, maar dan behaard, alsof ze een vacht hebben en in de lucht dansen – ze dansen ècht – hij onderscheidt geen mannen of vrouwen. Er zijn geen kinderen bij of ze moeten zo klein zijn dat hij ze niet opmerkt.
“Dat zijn lichtdwergen,” zegt Andrea die in het kniehoge gras gaat zitten – Jokke volgt haar voorbeeld. “Sommige mensen verwarren hen vaak met elfjes, maar dat ze niet.”
“Nooit van gehoord,” zegt Jokke die naar het schouwspel blijft kijken. “En ze kunnen zomaar vliegen.”
“Ja – net als elfjes, ik heb altijd gehoord dat ze primitieve wezens zijn – als dieren, al lijken ze heel erg menselijk.”
“Wat is het verschil tussen lichtdwergen en elfjes?”
“Ja, grote elven zijn natuurlijk anders, zoals de elven die in onze flat wonen, maar de kleintjes hebben vleugels – lichtdwergen vliegen feitelijk niet eens, maar zweven en gebruiken daarbij de energie van – bijvoorbeeld – de lampen die we hebben zien ontploffen.”
“Bizar.”
“Nou, het is vooral bijzonder om te zien.”
Nosferatus verschijnt aan de andere zijde van de plas – een licht gebogen gedaante – zijn gezicht moet met bloed besmeurd zijn – Jokke kan in het donker vlekken onderscheiden, maar ziet geen bloed – maar het moet bloed zijn – het kan niet anders. De vampier bukt en gebruikt het water om zijn gezicht schoon te wassen. De lichtdwergen komen één voor één naar beneden – enkele minuten geleden gaven ze nog een heel fel licht af – alsof ze zeer kleine mensachtige gloeilampen waren – nu lijken ze op mensen, maar dan erg klein. Misschien is het een vreugde-explosie geweest. Jokke probeert het niet te begrijpen. Ja, ze lijken enorm veel op mensen, maar ze dragen geen kleding en zijn erg behaard.
Enkele lichtdwergen blijven te lang in de lucht en vallen domweg in het water – er klinkt hoog gesnater – Jokke verstaat er niets van, maar hij denkt dat ze met elkaar praten. Nosferatus is er nog altijd. Aan de andere kant van de plas blijft hij stilstaan en toekijken. Zijn gezicht beweegt heel traag naar rechts. Jokke kijkt recht voor zich uit en ziet een nieuwe, onbekende gestalte uit het bos komen. Geen man in uniform. Het is geen agent of zo. Het is een gewone man in zomerse kleding, zoals iedereen draagt.
Nosferatus verandert in de gitzwarte wolk die ze eerder hebben gezien. Jokke begrijpt nu waarom het bos bij nacht ook wel eens verboden gebied heet te zijn. Vanavond zijn er gelukkig geen weerwolven, omdat zijn eigen vriend Leon dan een gevaarlijk roofdier kan zijn. Nosferatus verandert ongeveer een meter van de nieuwkomer in een mens. Gezicht druipt van het water. Jokke begint op te staan – hij is klaar om Nosferatus te verbieden de nieuwkomer wat aan te doen.
De onbekende nieuwkomer staart naar Nosferatus die er enkele seconden eerder niet eens wàs. “Ik dacht dat dat alleen maar sterke verhalen waren,” zei hij. Nosferatus laat zijn onderkaak zakken – bovenlip glijdt omhoog – er verschijnen twee hoektanden die als dolken omlaag schieten.
Jokke loopt naar voren. De lichtdwergen verdwijnen in groepjes – Jokke hoort het gras ritselen. Zijn voeten staan in het water – niet eens zo heel erg koud, wel lekker fris. Hij hoeft niets te zeggen. Geen woord. Geen mensen. Nosferatus mag geen mensen aanvallen. Dieren geen probleem. Mensen wel. Als er iets gebeurt, dan komen er agenten zoeken naar een man die door een vampier is leeggezogen.
Nosferatus loopt verder – hij gaat het bos in – zijn schouder botst op die van de onbekende wiens auto langs de snelweg moet staan, anders kan hij hier niet eens komen. De vampier is alweer verdwenen. “Ik dacht dat het alleen verhalen waren,” herhaalt de man wiens stem duidelijk te horen is.
Jokke schudt met zijn hoofd. Hij geeft geen antwoord. Zegt niets.
“En die wezens dan?”, vraagt hij. “Elfjes?”
“Je hebt niets gezien en gehoord,” zegt Jokke, “ga terug naar je auto – ga terug naar huis – vergeet alles. Praat er met niemand over. Ik kan je veiligheid niet garanderen. Als je denkt dat ik er altijd ben om je te redden.”
“Maar – elfjes?”
“Ik heb geen elfjes gezien,” zegt Jokke die naar Andrea kijkt. “Jij wel?”
“Nee,” zegt Andrea. Ze liegen niet eens. Lichtdwergen zijn nu eenmaal geen elfjes.
De onbekende wijst naar het gras dat beweegt, omdat de kleine wezens haast hebben. De onbekende man, die zijn naam niet heeft genoemd, kijkt vertwijfeld naar de lichtdwergen – ze zijn nu bijna allemaal verdwenen.
“Ik moet er eentje hebben,” zegt de man. Jokke bekijkt hem iets beter. Hij heeft kort, donker haar. Man draagt een T-shirt en een korte broek. Teenslippers, net als Jokke. Misschien is het gewoon iemand uit de stad die nieuwsgierig is en wil weten of de verhalen waar zijn. Ja, dat zijn ze. Maar ook Jokke kent niet alle verhalen. Andrea weet er een heleboel. Dat wel.
“Beter van niet,” zegt Andrea. “Je kunt beter teruggaan.”
“Waarom? Wat kunnen die dingen nou aanrichten?”
“Meer dan je denkt. Bovendien zijn ze met een heleboel.”
“Ik moet er eentje hebben en dan word ik beroemd – en rijk.”
“Je moet het zelf weten,” zegt Andrea die zich om draait en wegloopt. Heel demonstratief.
Jokke volgt zijn vriendin en laten de man achter die lijkt te twijfelen. Een paar stappen en Jokke blijft staan – hij gebruikt de dichtheid van het bos om te zien wat de man doet die vertwijfeld om zich heen kijkt. “Kutbos – die dingen zijn allemaal weg. Ze hebben me aan de praat gehouden, die kinderen.”
Jokke blijft lang genoeg staan om te zien dat de man inderdaad teruggaat – richting snelweg – verstandig en heel veilig naar huis. Er zijn meer gevaren in het bos – voor buitenstaanders. Als je het niet weet.
“Lichtdwergen,” zegt Jokke.
“Ik zal moeder eens vragen wat ze weet. Ze bestaan – ik heb ze gezien – maar dat is ook echt alles.”
“Toch mooi dat je dat wist.”
“Moeder heeft een oude encyclopedie liggen en ik blader het boek wel eens door – op regenachtige dagen. Er is volgens mij weinig bekend over lichtdwergen – alleen dat ze bestaan.”
“Waarom zou je ze opsluiten in die TL-lampen?”
“Geen idee.”
“En wie zou dat hebben gedaan?”
“Goeie vraag.”
Ze keren terug naar het flatgebouw en alles is rustig. Er zijn nog veel appartementen waar een helder licht te zien is. Het is te warm om vroeg te gaan slapen.
“Hoe zit het met de lichtjes?”, vraagt mevrouw Madsen, de moeder van Andrea.
“Lichtdwergen – volgens mij,” zegt Andrea en de meeste bewoners horen haar antwoord.
Er volgt geen reactie. Niemand zegt niets. Het blijft stil. En Jokke vraagt zich af of het betekent dat Andrea iets verkeerds heeft gezegd. Hij schudt zijn hoofd. Hoe zou de waarheid verkeerd kunnen zijn?
Zijn ogen glijden langs balkons – gezichten van mensen, elven en dwergen, zoals de huismeester, maar ook de vader van Gijs – ze leunen soms op de reling of zitten op stoelen en nippen van koude drankjes die alleen lekker zijn als het zo vreselijk warm is. Lichtdwergen. Ze zijn erg klein en je kunt ze onmogelijk verstaan. Waarom zou je ze opsluiten? Dat moet iemand hebben gedaan. Hoe kwamen ze anders in die TL-lampen terecht?
Er is iets aan de hand en Jokke weet niet wat het is.
‘Het is zo fijn als je iemand kunt helpen!’
Donderdagmiddag in een patatzaak. Er zaten enkele mannen en een vrouw te eten. Het verhaal zou inmiddels bekend genoeg moeten zijn, omdat het ook in de krant heeft gestaan. Twee schilders, die niet ver daar vandaan aan het werk waren en pauze hadden, zaten een ongelooflijk vette hap naar binnen te werken. Blikje cola onder handbereik. Geen broodje gezond. Absoluut niet. Namen van de schilders waren Kasper en Ralph. Een onbekende vrouw zat aan een tafeltje en at een broodje fricandeau – kopje thee stond ernaast. Naam was onbekend – niemand had haar eerder gezien. Ze speelde een hoofdrol in een drietal incidenten die de burgerij lange tijd heeft beziggehouden.
Onbekende vrouw stond op, terwijl de schilders nog altijd een middaghap zaten weg te werken. Ze had geld op tafel laten liggen. Eigenaar telde het bedrag twee keer na en knikte heel tevreden. “Jij heet toch Kasper?”, vroeg ze en haar hand rustte op zijn schouder. “Kasper van de Linge?”
“Ja – Heb je behoefte aan een date?” Kasper deed zijn stinkende best om een keurige uitspraak te hebben. Dat was duidelijk. De schilders begonnen te lachen.
“Jij moet na het eten onmiddellijk naar huis – het is beter als je straks niet meer aan het werk gaat – voor je eigen bestwil – neem een vrije middag,” zei ze. “Dat moet je echt doen, hoor – anders loopt het slecht met je af,” en ze tikte enkele malen met haar hand op zijn schouder. Daarna begon ze weg te lopen. “Het is zo fijn als je iemand kunt helpen.” Niet alle aanwezigen hebben haar deze laatste woorden horen uitspreken, maar Ralph hield later voet bij stuk. Hij had dit zeker weten gehoord. Deur ging open – warme buitenlucht kwam binnen – vrouw ging weg. Eerste instantie viel er een stilte, alleen onderbroken door de radio. Na ruim vijf seconden barstte de schilders in lachen uit. Dolkomisch dit.
“Me wijf ziet me al aankomen en de baas scheldt me compleet verrot,” zei Kasper. Hij veegde de tranen in zijn ogen af en begon weer patat naar binnen te proppen die droop van de mayonaise.
Kasper en Ralph waren het voorval allang weer vergeten. Tot Ralph een uur later een ijselijke schreeuw hoorde die lange tijd bleef aanhouden. Hij dacht dat zijn maatje stond mee te zingen met de radio, maar dat bleek niet het geval. Hij ging kijken, vooral om te vragen of Kasper alsjeblieft zijn klep dicht wilde houden. Toen hij in de deuropening verscheen, werd het al stil. Maar Kasper bleek van de ladder te zijn gevallen. Ralph graaide met trillende handen naar zijn telefoon en belde 112.
Nadat de ambulance met zijn maatje Kasper was verdwenen, vertelde hij aan twee agenten wat er was gebeurd – voor zover hij het had gezien. Tot slot noemde hij de vrouw in de snackbar die hem al had gewaarschuwd – Kasper had naar huis moeten gaan. Veel aandacht kreeg dit onderdeel van zijn verklaring niet eens. Op dat ogenblik nog niet. Later wel. Ralph ging naar het ziekenhuis, waar hij de vrouw van zijn maatje zou ontmoeten.
Zaterdagochtend op het strand – niet aan zee, maar het binnenland – een voormalig zandwinningsgebied. Er zaten kinderen, maar ook volwassenen. Het was in mei, de eerste warme dag van het jaar. Hier en daar klonken schrille kreten van kinderen die zich voor het eerst in het water waagden. Ouderen stapten behoedzaam verder en probeerde langzaam te wennen aan het koude water. Er liep een jonge vrouw op de boulevard – lang lichtblond haar – ze droeg een suède jack, donkere pantalon – bruine laarzen. Ze droeg een zonnebril. Het was overduidelijk dat ze iemand zocht. Regelmatig bleef ze staan en bestudeerde gezichten van mensen die met drijfnatte lichamen uit het water stapten. Toch bleef ze nooit lang genoeg staan om argwaan te wekken of om geïrriteerde reacties op te roepen. Bovendien was ze een knappe jonge vrouw, geen lelijke ouwe kerel. De onbekende vrouw werd een verschijning waarvan iedereen later heel zeker wist dat ze er was geweest – ze had daar gelopen – een enkeling meende zelfs een foto van de vrouw te hebben genomen, maar wist slechts een mislukte, bewogen foto te tonen. Je zag een menselijke gestalte. Dat wel. Niets herkenbaars.
Onbekende vrouw vond tenslotte een man die in gezelschap van zijn familie genoot van het mooie weer – vrouw, kinderen en kleinkinderen. Ze liet de boulevard achter zich en ging over het zand – er groeide bomen – een paar struiken. Gesprekken vielen stil, omdat ze werd beschouwd als een indringer. “Mijnheer Maas? Mijnheer Fred Maas?” De man, die ongeveer zestig jaar oud was, draaide zich om – dankzij zijn bermudashorts viel zijn buik niet eens zo erg op. “Dat bent u toch? Fred Maas?”
“Waarom wil je dat weten, liefie?”
“Waarom bent u gisteren niet naar de dokter gegaan – zoals u van plan was?”, vroeg ze.
“Hoe weet jij nou dat ik – ?”, vroeg hij. Zijn hand gleed langs zijn arm. Niet één keer. Hij bleef wrijven.
“U had naar uw vrouw moeten luisteren, mijnheer Maas,” zei ze, “maar u bent erg eigenwijs. Ik raad u aan vanmiddag nog naar het ziekenhuis te gaan.”
“Hoe ken je nou weten dat hij – ?”, vroeg mevrouw Maas, maar ze viel halverwege haar vraag stil.
“Wees verstandig – en laat u naar het ziekenhuis brengen, anders is het te laat. Anders is dit uw laatste dag,” zei de onbekende vrouw die zich omdraaide en wegliep. Ze waren erg verbaasd en niemand durfde te spreken. “Het is zo fijn als je iemand kunt helpen,” zei de vrouw voordat ze buiten gehoorsafstand raakte. Ze hebben het allemaal gehoord. Dat zei ze echt.
De zoon van Fred Maas heeft zijn vader naar het ziekenhuis gebracht – zwaar onder protest – de zestiger droeg alleen een bloemetjeshemd – zijn bermudashorts en teenslippers. Zowel vader als zoon verwachtte binnen een kwartier op de parkeerplaats te staan, maar het liep anders. Onderzoek wees uit dat Fred op het punt stond een zeer zware hartinfarct te krijgen. Hij mocht niet naar huis en werd opgenomen in het ziekenhuis. Het dagje aan de plas was voorbij. Nadat de familieleden begonnen binnen te druppelen, werd het verhaal van de onbekende vrouw bekend. Fred Maas had niet geluisterd, zijn zoon wel. Daarom leefde hij nog. Ondanks zijn tegenwerpingen was hij toch meegegaan naar het ziekenhuis. In de veronderstelling dat hij door een verpleegster weg zou worden gestuurd. Het bericht haalde de krant. Specialist merkte zuinigjes op dat Fred erg veel geluk heeft gehad – echt, heel erg veel geluk. “Uit uw beschrijving van de onbekende meen ik op te mogen maken dat u hulp heeft gehad van een engel,” zei de specialist, “iets anders kan ik het niet noemen.” Via Facebook haalde het verhaal de plaatselijke krant, inclusief oproep aan de onbekende dame zich te melden, zodat de familie haar beter zou kunnen bedanken. Ze wisten nu hoeveel geluk ze hadden.
Een zeker Ralph die, na de dood van zijn maatje, geestelijk steen kapot zat en zich ziek had gemeld, merkte zurig op dat Kasper had moeten luisteren en beschreef in het kort hoe – waarschijnlijk – dezelfde dame Kasper had gewaarschuwd. Beschrijving van de vrouw kwam overeen. Zelfs haar laatste woorden waren identiek. Zelfde dame, zelfde woorden.
Zondagmiddag was het verhaal over de redding van Fred Maas als een lopend vuurtje rondgegaan – een stadsmythe in wording – maar niet iedereen geloofde het verhaal. Waarom zou je ook? Waarom zou een engel het leven van Fred Maas willen sparen – terwijl zovele andere levens hopeloos verloren gingen? Mensen die vuriger in God geloofden dan hij. Waarom werd hij wel gered en iemand anders niet? Misschien hield God wel degelijk van dobbelen en was er sprake van willekeur. Het personeel van het verzorgingstehuis in het westelijk deel van de stad dacht er niet echt aan, toen er een onbekende vrouw binnenkwam en vroeg naar Thijs de Waal – een man van vierentachtig jaar die zelden bezoek kreeg.
Marianne was een ervaren verpleegster die volhield dat ze ook een echte naam heeft gehoord – de onbekende vrouw noemde zich Averna, een ongewone naam en daarom dacht Marianne dat ze het verkeerd had gehoord. Ze noteerde de naam op een kladbriefje en stelde vervolgens de oude Thijs voor aan Averna die hem omhelsde en ‘oom’ noemde. Het stelde Marianne gerust, want Thijs noemde de jonge vrouw direct bij haar voornaam – Averna.
Het wekte geen wantrouwen bij Marianne. Ze draaide zich om en hoorde Averna zeggen: “Het is zo fijn als je iemand kunt helpen.” Woorden die een onbekende vrouw ook had uitgesproken – donderdag en zaterdag. Twee mannen, twee incidenten. De oude Thijs leek erg gelukkig met de belangstelling die hij onverwacht had gekregen. Maar ja, hij kreeg nooit bezoek. Wel familie, geen bezoek.
Een half uur later kreeg Marianne de tijd om te zitten, telefoon te controleren op berichten en eventueel antwoorden te versturen. Ze zag haar eigen notitie – een slordig geschreven naam. Averna. Later wilde ze het eens opzoeken – kijken wat het betekende – als het tenminste iets betekende – je wist maar nooit. Ze nam een slokje thee en zag Thijs en Averna voorbijkomen – Thijs in rolstoel – Averna erachter. Hij droeg een jas – een sjaal, maar niet overdreven warm, gezien het weertype. Averna scheen er goed over nagedacht te hebben. “We gaan van het mooie weer genieten, hoor,” zei ze en Averna zwaaide.
Nog koesterde Marianne geen wantrouwen. Waarom ook? Oude Thijs oogde zielsgelukkig en staarde naar een onbekend punt in de verte. Dunne armen rustten op de leuning van zijn rolstoel, een magere nek stak uit de sjaal die losjes om zijn hals was gedrapeerd.
Waarom zou je feitelijk wantrouwig moeten zijn? Oude Thijs de Waal had een heel grote familie – Marianne had zijn kinderen ooit eens ontmoet – voor de rest scheen Thijs nog enkele kleinkinderen te hebben die allemaal de leeftijd van Averna moesten hebben. Dus – waarom wantrouwig zijn? Ze nam een slokje thee – terwijl ze dit deed, zag ze een zoon van Thijs voorbijkomen – Marianne stond op en voelde zich ineens stukken opgewekter. De familie had kennelijk besloten meer aandacht aan hun bejaarde familielid te schenken. Het werd tijd, potverdorie.
“Mijnheer De Waal!”, riep ze en haar stem droeg verder dan ze had gehoopt, want iedereen keek.
Mijnheer De Waal – ze zocht naar zijn voornaam, maar slaagde er niet in zich die te herinneren – hij draaide zich om en glimlachte vriendelijk. “Ik kom mijn vader ophalen – mooi weer – hij weet ervan.”
“O jee,” zei Marianne en ze wreef over haar achterhoofd, “dan zijn we dat vergeten, want een nichtje van u heeft hem meegenomen naar buiten – om van het mooie weer te genieten.”
“Een nichtje van mij? Hoe heet ze?”
“Averna.”
“Ik heb helemaal geen nicht die Averna heet.”
Marianne aarzelde geen seconde en verliet ogenblikkelijk het gebouw – gevolgd door de zoon van Thijs – de zoon heette Ronald – ze wist het weer. Het verzorgingstehuis lag aan een park – een groot woord voor een grasveld waarop enkele bomen groeiden – er stonden wel bankjes onder die bomen.
De rolstoel met Thijs stond in de schaduw van een oude eikenboom – lichtgroene bladeren wuifden zachtjes in een warme bries. Averna stond ernaast. Marianne begon te rennen, omdat het hoofd van de bejaarde man slap opzij hing. Averna stond erbij en deed totaal niets – ze had hulp moeten halen.
Toch was er nog iets anders – een vreemd verschijnsel zorgde ervoor dat Marianne en Ronald na enkele passen als aan de grond genageld stil bleven staan – het was een warme dag – nog warmer dan zaterdag – onbewolkt – lucht was strak blauw – behalve een merkwaardig gevormde wolk die erg laag boven het park leek te hangen – Marianne moest denken aan een engel – die het lichaam van een oude man in zijn armen droeg. De wolk was enkele seconden zichtbaar. Marianne keek naar Ronald wiens mond opengevallen was. Daarna keek Marianne naar Averna – lichtblond haar hing over haar borst – ze liep naar de vrouw die toch geen familie kòn zijn.
Ogen van Averna waren zichtbaar – nu wel – zonnebril had ze naar het puntje van de neus geschoven en haar hoofd hing iets voorover. Geen blauwe of bruine ogen, groene desnoods, maar gitzwarte kolen die dwars door Marianne heen keken. Ze legde haar hand op de schouder van Thijs, hield ondertussen de vrouw in de gaten en bedacht dat ze niet eens zeker wist of ze wel Averna heette.
“Hij is dood,” zei de onbekende vrouw. Marianne schrok vooral van de zware raspende stem die ze nu hoorde. “Hij zou alleen zijn gestorven – nu was ik er tenminste bij.” Nog steeds die akelige stem – gadverdamme – Hoe deed ze dit toch? Ronald knielde bij zijn vader. “Gelukkig maar,” zei de onbekende. Was ze nou de enige die die smerige stem hoorde – die haar steenkoolzwarte ogen zag? Blijkbaar. “Tot ziens,” zei de onbekende. “Het is zo fijn als je iemand kunt helpen!” Averna, of de degene die zich zo noemde, schoof de zonnebril terug en liep weg.
Marianne hield haar niet tegen.
Voordat ze haar telefoon pakte om hulp in te roepen, begreep ze dat ze Averna nog wel vaker tegen zou komen – liever niet – maar het hoorde erbij.
“Wat – wie was dat?”, vroeg Ronald.
Marianne wist het – of had het een sterk vermoeden, maar zou het nooit hardop tegen iemand zeggen. Nooit.
“Geen flauw idee.”
© Jos Smies, 3 en 4 maart 2016
De dag van het moordende onkruid
Ik schrijf dit verhaal zonder enige hoop dat iemand het ooit zal kunnen lezen. De wereld die ik altijd heb gekend en waarin ik bijna vijftig jaar heb geleefd is verdwenen – bijna letterlijk verdwenen. Zolang ik mezelf kan blijven redden, doe ik verslag van de belangrijkste gebeurtenissen op mijn notebook – er is geen internet meer, maar ik kan opschrijven wat ik mee heb gemaakt en de batterij is nu nog vol genoeg. We hebben ons verschanst in het park. Het is de enige plek die het moordende onkruid, zoals het is gaan heten, heeft overgeslagen. Shane zou zeggen dat het te maken heeft met de natuurlijkheid van de omgeving. Maar nu loop ik op de feiten vooruit. Laat ik beginnen bij het begin, zoals het hoort en niet meteen over het einde van de beschaving vertellen. Er bestaat een grote kans dat je geen idee hebt wat niet alleen mij, maar ook andere mensen is overkomen.
Ik lag in mijn eigen bed en was vroeg wakker. Ik ben trouwens altijd vroeg wakker. Er stond een wekkerradio op mijn nachtkastje die ’s nachts uit bleek te zijn gegaan. Geen cijfers die me konden vertellen dat het pas kwart over vijf was. Of zoiets. Ook geen knipperende cijfers. Display was donker. Ik probeerde de verlichting en vloekte, want het betekende dat er een stroomstoring gaande was – ik moest kijken naar de aardlekschakelaar. Het zou kunnen, nietwaar? Je denkt niet meteen aan het einde van de beschaving. Geloof me – het einde komt als een sluipmoordenaar. Er was niets aan de hand met de apparatuur. Ik heb de koelkast gecheckt, maar het voelde koud genoeg aan – en in het ergste geval zou ik nieuwe boodschappen moeten gaan doen. Voordat ik opnieuw naar bed ging, ben ik naar de wc geweest.
Onbekende tijd later werd ik weer wakker. Buiten was het al dag. Ik herinnerde me de stroomstoring, maar mijn wekkerradio vertoonde nog altijd hetzelfde donkere display. Voor de duidelijkheid: ik behoor tot de groep mensen die van mening zijn dat een mobiele telefoon, of welke telefoon dan ook, niets op het nachtkastje van zijn slaapkamer heeft te zoeken. In de woonkamer stond een weerstation. Ik zou moeten kunnen zien hoe laat het is, maar ik zag alleen de plaatselijke meetgegevens, temperatuur, vochtigheid. Rest was volstrekt blanco. Niets te zien. Telefoon vertelde me dat er ‘geen service’ was. Ook geen internet trouwens. Niets deed het meer. Totaal niets.
Deurbel ging – gelukkig heb ik een mechanische bel. Ik had inmiddels een spijkerbroek en shirt aangetrokken, maar nog geen sokken. Ik deed de voordeur open – het was mijn overbuurvrouw.
“Heb je wel stroom?”, vroeg ze.
“Nee, geen stroom, geen internet, helemaal niets.”
“Nou ja. Ik hoop dat ze het probleem snel hebben opgelost. Want dit heb ik nog nooit meegemaakt.”
“Volgens mij heb ik nog ergens een transistorradio liggen, een heel ouwe, het ding is van mijn ouders geweest. Als ik iets weet, hoor je het meteen.”
Er lagen spullen van mijn ouders in een kast – als je de woonkamer binnenkwam – direct links – de onderste la. Een transistorradio die ik al eens eerder had getest, maar het lukte niet. Ik moest een nieuwe poging wagen. Het was een radio die voor het laatst in 1996 of zo aan had gestaan. Misschien zou de stroom in de tussentijd hersteld worden. Ik hoefde niet eens aan het werk te gaan. Tegenwoordig doe je niets meer zonder stroom. Echt, helemaal niets. In een andere la vond ik batterijen die pasten. Radio bleef dood. Ik probeerde nieuwe batterijen en vrijwel direct hoorde ik de stem van een nieuwslezer die een zeer verontrustend bericht voor begon te lezen. “ —- Vanuit noordwestelijke richting is het zogeheten ‘moordende onkruid’ in ons land met een niet te stuiten opmars bezig. Het lijkt op heel gewoon onkruid, maar heeft een vooralsnog onbekende samenstelling. Het ‘moordende onkruid’ hecht zich aan gebouwen en auto’s, glasvezelkabels, vernietigt met name alle structuren die door mensen zijn gemaakt – de autoriteiten roepen burgers op zoveel mogelijk weg te blijven bij het onkruid, omdat het een gevaarlijke, bijtende stof afscheidt dat ook gebouwen heeft doen instorten. U kunt het best een plek opzoeken met veel bomen en struiken, zoals een park of bos. Economische schade loopt inmiddels in de miljarden. Blijft u vooral niet thuis, want dat is gevaarlijk. Zorgt u voor voldoende medicijnen en voedsel om het enkele dagen vol te houden. Er begint inmiddels een reddingsactie op gang te komen, maar het zal beslist – .” Ik dacht niet meer aan mijn buurvrouw. Terwijl de stem van de nieuwslezer in een donkere betekenisloze dreun veranderde, probeerde ik het nieuws tot me door te laten dringen. Een onkruid dat een sterk bijtende stof afscheidt en structuren weg vreet die door mensen zijn gebouwd.
Nadat ik bijna vijf minuten naar het radiootje had zitten staren, stond ik weer op en verliet het huis. Ik drukte op de deurbel. Buurvrouw deed open en ze moest aan mijn gezichtsuitdrukking hebben gezien dat het helemaal fout zat. “Is het zo erg?”, vroeg ze.
Ik liet het nieuwsbericht horen dat voortdurend werd herhaald. Steeds dezelfde man die net zo goed het weerbericht had kunnen voorlezen.
“Ik begrijp het niet,” zei Mariëlle. “Onkruid?”
“Nee, het ziet er alleen zo uit, maar het is iets heel anders – een of andere materie dat alles kapot lijkt te maken dat door mensenhanden is gebouwd.”
“Mijn hemel – ik moet naar mijn ouders – ze maken zich vreselijk ongerust,” zei ze.
“Ik ga familie opzoeken – in Brabant – dan zie we daarna wel verder,” zei ik.
We moesten een veilige plek opzoeken – in een park – veel groen, maar mijn eerste gedachte was vanzelfsprekend de buurvrouw gelijk te geven. Snel weg hier en misschien zou het onkruid de rivieren niet eens over kunnen steken. Het was een natuurlijke structuur, nietwaar? Ik had niet gerekend op bruggen. We hadden er helemaal niet op gerekend. Niemand. Er kwamen mensen uit hun appartementen die wilden weten wat er aan de hand was. Ik hoorde opgewonden kreten van mannen en vrouwen. Ik pakte de grootste rugzak die ik had liggen en propte er medicijnen in – genoeg voor enkele dagen had de nieuwslezer gezegd – het zou voldoende moeten zijn, maar ik rekende op een maand. Ik ben altijd al erg voorzichtig geweest in die dingen. Miljarden euro’s schade. Dat herstel je niet zomaar en mijn transistorradio was een kostbaar bezit geworden. Nou ja, sommige mensen hadden het nieuws al in de auto gehoord. Daar zit ook een radio. Ik moest een student wegduwen die mijn radio wilde afpakken. Mijn buurman duwde hem ook weg.
Het is erg vreemd om te vluchten voor iets dat je nooit hebt gezien – een gevaar dat er kennelijk is ontstaan in de nachtelijke uren – geen bommen die uit vliegtuigen werden gegooid, zoals in een oorlog. Geen artillerievuur. Het was volkomen stil. Nou ja, ik hoorde mensen boven en onder ruzie maken. Hoezo een park opzoeken? Mens is een kuddedier. We slaan op de vlucht. Dat is wat we doen en we gaan allemaal. Ik ben op zoek geweest naar een stofmasker. Beelden uit 2001 stonden me helder voor de geest. De twin towers in New York die instortten en stofwolken verspreidden. Nee, ik verbeeldde me niets. Niemand trouwens, want ik hoorde auto’s met slippende banden wegrijden van parkeerplaatsen.
“Waar ga jij heen, buurman?”
Ik heb een buurman die dezelfde interesses leek te hebben als ik. Hij had een weekendtas ingepakt – ongetwijfeld toiletspullen. Tja, ik gebruik medicijnen sinds mijn veertiende jaar – wegens astma.
“Brabant – met een beetje mazzel,” antwoordde ik. Voordeur draaide ik keurig op slot. Vanzelfsprekend verwachtte ik weer thuis te kunnen komen. Alleen wist niemand zeker of zijn huis er dan nog zou staan. Moordend onkruid en ik had niets gezien.
“Ben heel benieuwd of het je gaat lukken,” zei hij en de man liet een allervriendelijkste glimlach zien. Hij liep de trap af. Mijn rugzak bungelde half langs mijn schouder en rug. Ik speelde met mijn sleutels en zou in de auto eerst nieuwe berichten willen horen.
Ik stapte in de auto en constateerde dat de benzinetank voor de helft gevuld was. Tweehonderdvijftig kilometer – genoeg om in Brabant te komen – en terug naar Utrecht, als het kon. Ik drukte op het knopje om de radio te horen, er was niets – alleen ruis – dat was alles. Tien minuten heb ik golflengtes geprobeerd, FM en AM – alles wat ik wist te bedenken. Het was erg stil geworden. Buiten klonken er sirenes van politie en brandweer. Auto’s reden niet meer – iedereen stond stil – auto’s blokkeerden wegen – fietspaden – trottoirs. Iedereen probeerde weg te komen uit wat een rampgebied heette te zijn, maar niemand had het moordende onkruid gezien – niemand had een gebouw horen instorten of stofwolken aan de horizon gezien die razendsnel als vulkanische aswolken door de straten denderden. Auto’s draaiden om – steeds meer bestuurders deden dat – en probeerde een alternatieve richting – overal heen – waar je maar heen kon gaan – je moest iets proberen – ietsdoen was altijd beter dan nietsdoen.
Ik probeerde een plan te bedenken om weg te komen, maar besefte goed dat mijn woonwijk tussen twee kanalen lag ingeklemd. Het dodelijke onkruid naderde vanuit noordwestelijke richting, dus moest ik zien te ontkomen via een weg die tijdens een normale avondspits al barstensvol met auto’s stond. Kansloos dus. Daarom besloot ik mijn auto achter te laten en te gaan lopen – eerst naar het park, want de nieuwslezer had het zo gezegd. Nadat alle andere opties waren uitgesloten, bleef dat als enige over.
Was het een geluk dat het op een zondag gebeurde? De ramp zou sneller in bredere kring bekend zijn geraakt, als de snelwegen heel vroeg in de ochtend vol waren gelopen met werkende mensen. Ik wandelde op het trottoir – passeerde verlaten straten – al stonden er enkele auto’s. Gordijnen waren veelal gesloten. Deuren dicht. Achter me klonk een helikopter – eerst was het er slechts eentje – niet veel later keek ik weer om en zag er tien – legerhelikopters wel te verstaan – groot, donker en dreigend. Persoonlijk ging ik me er niet echt veiliger door voelen. Een gordijn schoof open – enkele seconden – gezicht van een slaperige man – haar in de war – gezicht ongeschoren. Man had geen idee van de ramp die aan de gang was. Ik bleef staan – vergat de man die in huis was verdwenen. Half omgedraaid staarde ik naar het westen – daarginds lag de snelweg – het industrieterrein en de nieuwe stad en voor het eerst kreeg ik een demonstratie van het dodelijke onkruid.
Iets onbekends raakte een helikopter – ik kon het niet goed zien, want ik was uiteraard te laat – een bal van vuur vulde de atmosfeer – ik zag een helikopter neerstorten. Het onkruid was in brand gevlogen. Vuur sloeg over naar andere helikopters die allemaal begonnen te branden en één voor één explodeerden – tongen van vuur. Vuur doofde snel uit, maar ik zag grauwe aswolken omhoog komen, wolken stof, afkomstig van gebouwen die niet langer bestonden. We waren een frontlinie geworden. ‘Moordend onkruid’ bleek een vreemde omschrijving van het fenomeen. Ik zag een felrode wolk omhoog komen – een gigantische amoebe die een helikopter vastgreep en gewoon omlaag trok. Ik was niet langer alleen op straat. Auto’s kwamen in mijn richting – mannen reden als krankzinnigen – strakke, gespannen gezichten. Waar wilden die mensen heen? Het was een stadseiland – daar bevond ik me – links en rechts van mij stroomden kanalen – daarom heette het ook Kanaleneiland. Met een auto kwam je nergens meer.
Ik begon een oud T-shirt voor mijn neus en mond te knopen – alsof ik een bank ging overvallen en de man die net nog in huis was verdwenen deed zijn voordeur open. Ik trok mijn gezichtsbedekking weer omlaag.
“Wat is er aan de – ?”, vroeg hij – of hij wilde het vragen, maar hij zag het slinkende vuur aan de horizon en de stofwolken die over drukke wegen rolden. “Kom binnen, joh, je moet schuilen,” zei hij.
“Nee, het is niet veilig – je moet vluchten,” antwoordde ik en de man staarde naar het westen. “Er is een radio-uitzending geweest. We moeten vertrekken. Het is niet langer veilig. Je moet gaan.”
“Maar mijn vriendin is naar – ,” zei hij en zijn ogen bleven onophoudelijk in westelijke richting staren.
“Als ze daar ergens is, kun je het wel schudden,” en ik negeerde de man verder, want het duurde te lang. Er zijn maatregelen genomen in mijn straat om verkeer te weren uit de wijk, maar automobilisten reden zich te pletter op paaltjes. Ik liep verder en keek een enkele keer over mijn schouder. De man was in huis verdwenen en probeerde contact te leggen met zijn vriendin. Ja, maar het had geen nut meer. Als ze in westelijke richting was gegaan, zou ze dood zijn.
Ik bereikte het park – een hele fraaie naam voor een paar bomen – vijvers en vooral veel gras, maar ik kon nergens anders meer heen gaan. Het was al te laat. Er was een kinderboerderij – een restaurant – maar vooral een hoop ruimte. Er waren andere mensen. Gezinnen natuurlijk. Het was een wijk met veel burgers die hun roots hadden in andere culturen. Groepjes mensen die samenklitten – oude shirts voor monden gebonden, een beetje zoals ik had gedaan. Al hing mijn shirt enigszins als een sjaal om mijn nek. Het zou ons iets van bescherming moeten bieden, maar ik herinnerde me ook de beelden uit 2001. De twin towers. Nou ja, ik had zojuist de tongen van vuur gezien die ontstonden nadat de bloedrode amoebe helikopters uit de lucht had geplukt. Waarom noemde ze dat spul eigenlijk ‘moordend onkruid’? Het leek verdomme niet eens op iets plantaardigs – eerder als levensvorm zoals je die op een verre planeet mocht verwachten. Ik dacht aan een invasie van buitenaardse wezens en was zeker niet de enige.
Een beetje ongemakkelijk bleef ik om me heen kijken – we hoorden stemmen van mannen, vrouwen en kinderen – panisch gegil – een ander woord kan ik niet bedenken – doodsangst – mensen die hun auto’s wilden achterlaten, maar dit te laat deden. Ik zocht een plek in de buurt met wat bomen – ver van iets dat door mensenhanden was gemaakt. Stemmen van mensen die gilden in doodsangst – ze kwamen gestaag dichterbij – er waren mensen die in oostelijke richting begonnen te lopen, alsof je ooit snel genoeg zou kunnen gaan. Ik zei er niets over. Er waren mensen die een discussie wilden beginnen. Maar ze oogden allemaal vreselijk bang. Man en vrouw gingen naast me zitten – in het gras dat warm en droog was. Als onze wereld dan toch ten onder moest gaan, dan graag op een dag die in de media als rokjesdag zou zijn aangemerkt. Er begonnen mensen in de richting van de het onkruid te lopen – de amoebe die zich momenteel op het kruispunt bevond. Nog even en mijn eigen appartement zou niet meer bestaan. Ik liet mijn rugzak omlaag zakken en zocht de radio, maar ontdekte te veel loerende blikken van mensen die wilde weten wat ik nou precies ging doen.
We zagen het gebeuren – er verschenen nieuwe helikopters boven het oprukkende onkruid – de gigantische amoebe die onze kant op kwam. Ik hoorde sirenes van politieauto’s – brandweerauto’s. Waar zouden ze in hemelsnaam moeten beginnen? Ze hadden geen idee. Niemand trouwens. Er bestonden geen plannen voor rampen van zo’n grote omvang.
Helikopters bleven op grotere hoogte vliegen. Ik zag bloedrode tongen omhoog schieten die op korte afstand van de toestellen eindigden. Mensen sloegen op de vlucht. Ook degenen die de veiligheid van het park hadden gezocht. Ik voelde me evenmin veilig, maar er waren geen andere kansen overgebleven. Enorme aswolken rolden naar het park. Natuurlijk was ik bang – alleen stommeriken voelen geen angst. Sirenes bleven klinken, maar ik dacht dat het er veel minder waren geworden. We begonnen met enkele honderden mensen in het park – het werden er duizenden, maar hun aantallen namen ook meteen af. Er groeide een stroom vluchtelingen in oostelijke richting, maar ik vroeg me af hoe je ooit snel genoeg over het kanaal zou moeten komen – we zaten als ratten in de val – ik zat als een rat in de val – vanaf het moment dat ik vanochtend wakker was geworden. Daarom trok ik het shirt voor mijn mond en neus. Buren deden hetzelfde. “Wat gaan we doen?”, vroeg mijn buurman. “Blijven of de meute volgen?”
“Het dichtst begroeide stuk van het park opzoeken,” zei ik. Buurman knikte zijn hoofd en hij hielp zijn vrouw met opstaan. “Weg van alle kunstmatige structuren, want dat hebben ze op de radio gezegd.”
Hij stak zijn hand uit, terwijl we het open veld begonnen te verlaten. Alle mensen waren ineens onderweg. Ik keek een laatste keer naar het westen – daarginds lag niet zo lang geleden een trambaan. Bloedrode tongen overspoelden flatgebouwen, zoals de mijne, ik ben een verzamelaar van strips. Alles was weg. Aswolken werden tientallen meters omhoog gestuwd. Ik hoorde de aarde rommelen – beven als bij een echte aardbeving – flatgebouwen die in elkaar stortten – omvielen en in het moordende onkruid verdwenen – juist nu begreep ik totaal niet meer waarom een onbekende debiel de naam ‘moordend onkruid’ had bedacht. We zagen een gigantische, steeds maar groter wordende amoebe naderen die zich dwars door – ja – dwars door alles en iedereen heen vrat. Ik struikelde en viel half voorover, terwijl mijn bondgenoten, want zo begon ik die mensen echt te zien, bleven staan – wachtten tot ik weer verder kon. We zagen mannen, vrouwen en kinderen die in paniek waren – mensen die over de top van hun stemmen schreeuwden. Afzonderlijke geluiden vervormden zich in mijn hoofd tot een orkaan van geluid. Ik dacht dat ik zou gaan stikken, maar vocht tegen mijn impuls om het shirt omlaag te trekken.
We bereikten de top van de heuvel, maar we moesten verder zien te raken – onszelf verbergen tussen bomen en struiken – onze enige bescherming tegen het gevaar dat ons nu heel dicht genaderd was. Anderen volgden ons voorbeeld – ik voelde een hand die zich erg vervelend vast begon te grijpen aan mijn been en ik trapte achteruit – er klonk een schreeuw – of misschien klonk er een schreeuw, maar er was ook zoveel lawaai en ellende. Takken zwiepten langs me heen – ik volgde mijn bondgenoten – lucht begon grijs te worden – zwaarder zelfs – eerste stofdeeltjes bereikten ons toevluchtsoord – het bos dat onze redding moest zijn. Ik liet me vallen – eerder uit wanhoop dan berekening, maar ik zag mijn bondgenoten ook neergaan. Mijn gezicht begroef ik in kille aarde. Dag maakte plaats voor duisternis – aswolken vulden de atmosfeer – tastbare resten van een beschaving die vandaag ten einde zou komen.
Iemand struikelde en viel – een jongen of meisje – ik hoorde een gil – schreeuw – kreet die verdween in het kabaal – ik tastte naar het hoofd van de onbekende en drukte zijn gezicht in de aarde die ons moest beschermen. Af en toe kwam ik omhoog en poogde adem te halen. Ik ga dood – ik ga dood – ik ga dood – ik ga dood. De woorden klonken als bijlslagen in mijn hoofd. Volgens mij verloor ik op zeker moment het bewustzijn. Jawel, ik verloor het bewustzijn. Zeker.
Hoeveel tijd er voorbij ging – dat weet ik niet. Eerste gedachte – há, ik ben er nog. Ik trachtte op te staan en voelde as – stof – heel fijn stof omlaag glijden. De bodem was ermee bedekt. Bomen, struiken, de mensen die weer begonnen te bewegen, er lag een grijze sluier van heel fijn stof. Ik trok het shirt weg dat mijn gezicht volledig had bedekt. Mijn rugzak bleef haken achter een tak, maar ik had nog steeds een rugzak met mijn eigen spullen. En ik leefde.
Er begon een blauwe lucht zichtbaar te worden boven een grijsgrauwe wereld. Ik knielde neer en legde twee vingers op een halsslagader die ik snel gevonden had. Een jongen van plusminus veertien jaar was bovenop me gevallen. Ik draaide hem om – probeerde iets dat op een stabiele zijligging leek. Hij moest vrij adem kunnen halen, zolang hij daar lag. Terwijl ik dit deed, begonnen de man en vrouw, die ik tot mijn bondgenoten had bestempeld, weer te bewegen.
Voor de eerste keer sinds ik thuis in mijn eigen bed wakker was geworden – vanochtend – was het volkomen stil. Er klonk geen geluid. Niets meer. Ik concentreerde me en zocht naar mensen die aan het praten waren – of zelfs de helikopters – maar er was helemaal niets meer – alles was volkomen stil. Ik veegde mijn mond af en betreurde meteen dat ik dat had gedaan, want ik proefde een hoop rommel in mijn mond. Allemaal troep – stof dat tot in de poriën van mijn huid was doorgedrongen. Ik probeerde een relatief schoon stukje van het shirt te vinden en poogde mijn gezicht af te vegen – nog meer stof en ellende. Hoe hoog zouden de concentraties gevaarlijke stoffen zijn geweest? Net als toen in 2001? Hoelang zou het duren voordat je kanker kreeg van die rommel? Zou ik lang genoeg leven om er ziek van te kunnen worden? Of viel het allemaal wel mee?
Ik legde mijn hand op de schouder van mijn buurman en zei: “Mijn naam is Logan.”
“Shane – mijn vriendin Olivia.”
“Wie is de jongen?”, vroeg Olivia.
“Geen idee – hij viel bovenop me. Ik heb geprobeerd hem te beschermen – en hij leeft nog.”
“En nu?”, vroeg Shane.
“Terug naar het open veld,” zei ik, “kijken of het weer veilig is en onderzoeken hoe groot en algemeen de verwoesting is. Misschien zijn we de enige overlevenden in het park.”
Ze knikten allebei. “En hij?”, vroeg Olivia.
“Zullen we wachten tot hij bij kennis komt?”, vroeg Shane, “Dan kunnen we eerst eten en drinken.”
We aten een paar boterhammen – plakjes kaas erbij – we deelden onze vleeswaren, terwijl we afwachtten tussen de bomen – bederfelijke waren gebruikten we als eersten – ik had niet goed nagedacht over de houdbaarheid van mijn eten – Shane en Olivia evenmin. Er kwamen andere overlevenden overeind die weggingen – ze oogden als slaapwandelaars die geen idee hadden. Na een kwartier of zo kwam de jongen bij kennis. Ik zag zijn ogen opengaan – knipperende oogleden – stof, allemaal stof – het zat bij hem ook echt overal. Langzaam kwam hij overeind – ging zitten en bleef een tijdje zitten. “Wie heb m’n kop in die bagger gedauwd?”, vroeg hij.
“Ik.”
“Dacht echt dat ik de pijp uit zou gaan,” zei hij.
“Mijn naam is Logan.”
‘Ik heet Fender,” zei hij en de jongen verwachtte een opmerking over zijn naam, maar we reageerden niet.
“Je hebt de lunch gemist,” zei Shane, “straks krijg je weer een nieuwe kans om te eten.”
“Ik heb al gegeten,” zei Fender. “Gaan we doen?”
“Naar het veld,” zei ik, “we gaan kijken of er meer overlevenden zijn buiten ons vieren – of de zombies die we zojuist weg hebben zien lopen.”
We begonnen heel behoedzaam terug te lopen naar het grasveld – festivalterrein. Ik stapte over een omgevallen boom, er lag nog iets op de bodem en ik begreep te laat dat het een menselijk lichaam was. Shane ging voorop – ik controleerde of de man die bij de boomstam terecht was gekomen leefde – geen ademhaling, helemaal niets. Wanneer hadden we gerend voor ons leven – een uur geleden – een halve dag of zelfs een week – misschien een maand?
Onze eerste voetafdrukken lagen in een dikke laag grauw stof – afkomstig van onze eigen huizen, maar we konden nu kilometers ver kijken. Het veld had vaalgroen moeten zijn, zo kort na de winter, maar oogde eerder als een grauwgrijs geverfd voetbalveld.
Daarachter lag de bron van onze verwondering. Waar niet zo heel lang geleden asfaltwegen waren geweest en flatgebouwen hadden gestaan, groeide kniehoog, geelgroen onkruid – het was echt het eerste waar ik aan dacht. Ik moest aan varens denken. Maar het was iets dat niemand ooit eerder had aanschouwd. Geen bloemen, alleen onkruid, nutteloze schadelijke planten die een halve meter hoog groeiden. Ik bedacht dat je normaal gesproken weken of maanden nodig zou moeten hebben voordat een plant een dergelijke hoogte zou kunnen bereiken. Dit had slechts enkele uren gekost. Het was laat in de middag. We waren erg lang volledig out geweest – dat was wel duidelijk.
In normale omstandigheden zou ik de stad kunnen beschrijven, maar we bevonden ons op een vlakte – een grijs eiland en we werden omringd door iets dat nog het meest op een geelgroene savanne leek. Ik geloofde mijn eigen ogen niet eens. De zon hing lui boven de horizon – het was laat in de middag. Puinbergen verhinderden een vrij zicht, anders had ik tot ver voorbij de horizon kunnen kijken. Ik zocht naar andere overlevenden. Voordat de amoebe ons veld had bereikt, waren we met vele duizenden mensen. Nu telde ik er ongeveer dertig. Ik zag een man weglopen – hij stapte in het moordende onkruid – eerst gebeurde er niets. Spoedig veranderde het onkruid – we herkenden allemaal de vormeloze moordenaar die complete helikopters uit de lucht had geplukt – geelgroen veranderde razendsnel in bloedrood en het lichaam van de man kromp ineen en verdween – hij gilde het uit en zijn stemgeluid moest kilometers ver te horen zijn geweest – een volwassen vent wiens lichaam werd opgeslokt door een gigantisch organisme – als een amoebe. Het ellendige monster veranderde weer in het onkruid dat lichtjes wuifde, terwijl er een wind begon op te steken vanuit het zuidwesten. We waren te zeer overweldigd door wat er van onze wereld was overgebleven om wie dan ook tegen te houden – ik stond verbijsterd om me heen te kijken naar niets in het bijzonder.
Nog vier mensen – mannen en vrouwen – stapten in het onkruid en ik kreeg het idee dat ze verdomd goed wisten wat ze aan het doen waren. Er was niets meer. Ze hadden niemand meer! Ik kon mezelf wijs maken dat mijn familie in het zuiden woonde en op tijd had kunnen vluchten – een betere en grotere kans dan ikzelf zou krijgen om te ontsnappen aan dit eiland. We keken elkaar langdurig aan – staarden zwijgend naar geelgroene puinbergen die de aarde over een oppervlakte van vele kilometers bedekten. Nergens een helikopter te zien – of een ander vliegtuig – geen teken dat er hulp naderde, zoals je hulp mocht verwachten van een overheid die voorbereid was.
“En nu?”, vroeg een onbekende man. Ik kende nog pas enkele namen. Shane en Olivia, Fender. Verder had niemand een naam genoemd. “Wat doen we nu?”
“Wachten tot iemand ons komt ophalen,” zei ik, “laten we hopen dat er een reddingsactie volgt.”
“Dan moet er wel iets over zijn gebleven van de overheid – het leger – eh – het buitenland, de NAVO,” sprak Shane. “Maar stel je nu eens voor dat alles is weggevaagd. Zolang houden we het hier niet vol.”
“Dan ben je aan het speculeren,” zei ik.
“Je kèn altijd nog in die teringzooi stappen,” zei Fender en hij wees het veld aan – zacht wuivend onkruid – onschuldig ogend – lieflijk uitnodigend. “Binnen een minuutje ben je overal van af.”
“Een hele geruststelling, ja,” zei ik. Het werd tijd om uit te zoeken of mijn radio nog functioneerde na de verwoestende stofwolken die er over me heen waren gerold. Ik knielde neer, liet mijn rugzak omlaag zakken en constateerde meteen dat de schade meeviel. Er was nauwelijks stof doorgedrongen. Ik was blij met de plastic tasjes die ik had gebruikt om mijn spullen weg te stoppen. Tasjes kon je altijd hergebruiken of weggooien. “Tijd om de nieuwsberichten te beluisteren,” zei ik. Een beetje onhandig balancerend op één knie trok ik de antenne uit en dankte mijn ouders dat ze ooit een wereldontvanger hadden gekocht. Wie had er nou nog een transistorradio in de la liggen? Ja, ik! Andere overlevenden begonnen in onze richting te komen. Het woordje ‘radio’ ging echoënd rond. Eerst kwam er alleen ruis uit de speaker. Ik draaide het volume omhoog en begon nieuwe zenders te zoeken. Shane merkte al op dat ik een andere golflengte moest proberen. Er waren er wel meer op dit toestel. Na een minuut – ik wilde hem al uitschakelen – begon de stem te spreken die ik vanochtend ook al had gehoord.
“In het getroffen gebied zijn eenheden van het leger op zoek naar overlevenden – voor zover het dodelijke onkruid dit mogelijk maakt – het gevaar is gigantisch groot – voorzichtigheid is geboden – dus voor al degenen die de ramp hebben overleefd blijft hoop op redding bestaan. Wanhoop is onze allergrootste vijand. Blijft u vooral kalm. Redding is onderweg!” Veel meer hoefde ik niet eens te weten. Ik zette het toestel uit en hoorde wel enkele personen protesteren, maar we hadden voldoende gehoord. Er bestond nog een organisatie die zocht naar overlevenden.
Shane begon de overlevenden toe te spreken. “Laten we niet allemaal onze mobiele telefoons aan laten – voor zover ze het nog doen – dus ééntje moet er zijn telefoon aan houden, andere toestellen gaan uit, want we moeten onze batterijen volledig benutten – één voor één uitputten en niet allemaal tegelijk. We moeten verstandig handelen. Ik zal mijn toestel aan laten.” Mensen begonnen hun toestellen te checken, veegden stof weg, al hoorde ik erg veel mensen opmerken dat hun telefoons dood waren. Zeven telefoons bleken nog te werken. We hadden een groep van drieëntwintig mensen overgehouden.
Ik zocht een plekje om te zitten en begon te controleren of mijn notebook wilde opstarten – natuurlijk in een plastic tas – al had ik eerder aan vocht gedacht – en ik voelde me een geluksvogel, toen ik ontdekte dat mijn notebook nog steeds werkte. Er vroeg zelfs iemand heel serieus of mijn internet het deed. Middag vergleed langzaam in de avond en ik begon aan dit verhaal te werken – veel haast had ik niet – misschien doe ik het hoofdzakelijk uit tijdverdrijf. Ik hoorde mensen praten over de ramp. Normale gesprekken, zoals Shane en Olivia voerden – Fender die regelmatig met een gevatte opmerking kwam. Had er een ongeluk plaatsgevonden in een laboratorium? Nam de natuur zelf wraak omdat de mens vele duizenden jaren roofbouw had gepleegd op de aarde? Of was er sprake van een invasie en hadden de aliens ons eindelijk gevonden – de mens als nietige aardworm.
Een voorzichtige rekensom leerde dat we het pakweg tien dagen vol zouden houden met onze voorraden. Daarna begon er toch wel een serieus probleem te dagen. Als we eenmaal per dag zouden eten, dan hielden we het zes dagen vol. Het leek simpel. Gisteren leefden we in overvloed – vandaag moesten we beslissen of het niet beter was om slechts één keer per dag te eten, omdat we anders te snel door onze voorraden heen zouden zijn.
Nadat we een beslissing hadden genomen en feitelijk vond er zelfs geen discussie plaats, begonnen we collectief naar de horizon te staren. Daar – uit welke windrichting dan ook – zou onze hulp moeten komen – helikopters die voldoende ruimte boden voor onze groep – één of meer helikopters. Met zijn allen weg. Niemand zou achter mogen blijven – een vrachthelikopter – zo probeerde ik me voor te stellen – groot genoeg om een half dorp te evacueren. Als de luchtmacht nog over zulke toestellen beschikte.
Fender wees me de volgende ochtend op een vreemd fenomeen. Ik had, net zo min als de meeste overlevenden, geen seconde geslapen. Hij stond te kijken naar het dodelijke onkruid – licht wuivende plantjes die als gecamoufleerd wachtten op een prooi – en ons eiland leek groter te zijn geworden. Tussen de bomen had hij lege bierblikjes gevonden die hij weggooide – naar het onkruid dat meteen reageerde – hongerig bijna – we zagen de amoebe ontstaan die de blikjes vastgreep en opslorpte. Het was echt een monster dat wachtte op een slachtoffer. Ik zag het onkruid ogenblikkelijk dichterbij komen – een meter – halve meter – vervolgens stopte het weer.
“Een buitenaards organisme, denk ik,” zei hij, “zoiets als dit kennen we op aarde niet – als je het met rust laat, dan trekt het zich langzaam maar zeker terug.”
Shane kwam naast ons staan. “Natuur versus cultuur,” zei hij. “Ik heb ook nog niemand over het opperwezen horen praten, maar dat zullen ze wel gaan doen.”
“Vast en zeker,” beaamde ik. In het begin overheerste de schok. Discussies verstomden al snel, er volgde een loom soort gelatenheid in afwachting van onze redders. We bleven naar de horizon staren en durfden de afzondering van het bos niet eens op te zoeken, omdat we bang waren de helikopter te missen. Het was een zekerheid in onze gedachten. Er zou redding komen. Ik luisterde regelmatig naar de radio – we luisterden allemaal en hoorden steeds dezelfde mededeling – Redding is onderweg!
Op de derde dag begon het te regenen – het was heel vroeg in de morgen en ik had al langere tijd naar de bewolkte lucht gestaard in de hoop dat er werkelijk regen zou gaan vallen. We hadden het nodig.
“Het gaat regenen,” zei Shane die naast me stond.
“Dat denk ik ook wel, ja.”
“Binnen een half uurtje.”
Ik knikte bevestigend, maar het duurde bijna een uur voordat de eerste druppels begonnen te vallen. Warme regen spoelde mijn gezicht schoon. Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk water op te vangen – hoofd achterover om druppels met mijn hoofd op te vangen. We durfden nog altijd niet te schuilen, misschien hadden onze redders op de regen gewacht. Fender kleedde zich uit en stond in de regen te dansen, alsof hij zo wilde afdwingen dat er nog meer regen zou vallen. Aarde spoelde schoon. Ik vroeg me af of ik mijn notebook goed had opgeborgen – twee plastic tassen om een kostbaar stukje elektronica te beschermen – het moest genoeg zijn – ik hoopte het.
Het bleef erg lang regenen – vroeg in de middag brak de zon door – we waren allang klaar met de regen – ik had enkele plastic tasjes neergezet om water op te vangen, zodat we onze dorst konden lessen – we zouden water hebben. Gelukkig, want het eten begint op te raken. Er moet snel iets gebeuren – redding – de helikopters die we al vanaf de eerste dag verwachten. Eten voor drie dagen hadden ze geroepen. We zitten als ratten in de val – ons eiland is inderdaad groter geworden, zoals de jonge Fender al heeft opgemerkt, maar we kunnen nog steeds nergens heen. De vijand ligt onveranderlijk op de loer en is zeer geduldig.
Alles is kapot – vernietigd – er is niets meer over. Ik ben nog lang niet klaar met mijn verhaal – ben nauwelijks begonnen, maar er is weinig tijd overgebleven – afgelopen uur ben ik aan het testen geweest – ik wilde weten hoe ik een e-mail kan klaarmaken, dan op ‘verzenden’ klikken, al is er geen internet, maar het bericht zal verzonden worden, zodra er een netwerk wordt opgepikt. Anders is het werk alsnog voor niets geweest, nietwaar? Ik wil er alles aan hebben gedaan. De batterij van mijn notebook gaf enkele ogenblikken terug een alarm – nog maar 6 procent. Ik moet opschieten. Er zijn veel meer verhalen te vertellen, maar ik heb geen tijd.
Binnen nu en een half uur gaat het beeldscherm op zwart. Ik hoop dat ze ons snel zullen vinden. Er zijn er al die zich in het onkruid willen werpen, omdat ze dan overal vanaf zijn – er zijn verhalen die ik nog wil vertellen, maar ik heb heel gewoon geen tijd meer.
Ik leef op een grijsgroen eiland – de regen van vanochtend heeft veel stof weggespoeld. Maar we kunnen geen honderd meter lopen – het monster wacht op ons en niemand kan met zekerheid zeggen of de redding ook echt komt. We kunnen het radiobericht inmiddels dromen. Sinds de eerste dag is dat hetzelfde – ze hebben niets veranderd, geen woord. Ik krijg een nieuwe melding op mijn beeldscherm – 4 procent – ik moet mijn bestand opslaan en e-mail versturen, zodat het ooit ergens – iemand moet het toch een keer kunnen ontvangen? Stel je nou eens voor dat alles verloren is gegaan –
Stel je dat nou gewoon eens voor –