Heel – heel lang geleden kwam Esmée tot de ontdekking dat ze toch echt anders was dan alle andere kinderen op school. Op het schoolplein waren ze aan het voetballen – jongens en meisjes samen, want de juf had gezegd dat dat mocht – niks mis mee. Toch bleken de meeste jongens de bal liever naar andere jongens af te willen spelen. Esmée zag het gebeuren en raakte geïrriteerd. Natuurlijk wilde ze de bal afpakken en kwam er ook elke keer te laat – zelfs de meisjes leken het leuk te gaan vinden dat ze steeds maar weer achter de bal aan rende – geheel onverwacht klonk er een zachte plof – de voetbal bleef liggen zonder lucht – ingezakt. Tja, ongelukken konden gebeuren, maar Esmée had zojuist precies gedacht aan wat er nu was gebeurd. Ze stond zelf net zo verbaasd toe te kijken als andere kinderen.
“Zie je wel,” zei ze, “probleem opgelost.”
Een bewijs of zelfs aanwijzing voor magische talenten was het nog lang niet – de lekke bal scheen het gevolg te kunnen zijn geweest van iets scherps. Er kwam een andere – het spel ging verder – maar de jongens wilden de meisjes buiten het spel houden. Om die reden zat Esmée op een muurtje te kijken met omlaag getrokken wenkbrauwen – handen naast zich. Nu bedacht ze dat de jongen hard tegen de bal wilde schoppen en uiteraard miste, zodat hij hard zou vallen. Niet om dat echt te laten gebeuren, maar als een soort wens – want het zou toch wel erg leuk zijn. Vreemd genoeg zag ze de rechtervoet rakelings langs de bal suizen – de jongen verloor zijn evenwicht en viel achterover, terwijl hij zijn val stuitte met zijn handen en dat bleek erg veel pijn te doen. Esmée schoot in de lach – de jongen begon flink te huilen.
“Esmée,” zei de juf, “je mag Quinten niet uitlachen.”
“Maar het is grappig.”
Er volgde een antwoord waaruit bleek dat de juf er absoluut andere ideeën op nahield dan Esmée – het was vervelend, dus iets heel anders dan grappig. Toch vermoedde Esmée voorlopig nog niet dat ze anders zou zijn dan andere kinderen – het was toeval. Zulke dingen gebeurden alleen in de verhalen die haar vader ’s avonds vertelde als in slaap moest vallen. Feeën, heksen en tovenaars, dappere ridders, reuzen, dwergen, draken die een grote goudschat bewaakten, maar een vervelend jongetje dat een bal miste en neerviel hoorde volgens Esmée niet in het rijtje thuis.
Het was helaas wel een dag vol ergernissen, want de zon scheen en Esmée wilde buitenspelen en uiteraard mocht dat weer niet van haar vader die zo snel mogelijk naar huis en aan het werk probeerde te gaan.
Zoals zo vaak gingen ze op de fiets, het was een mooie zonnige dag en Esmée probeerde de rit langer te laten duren dan nodig was, omdat ze straks binnen zat. Esmée fietste, zoals steeds, voor haar vader uit, ze slingerde behoorlijk en stopte vaak onnodig.
“Schiet je nou op, verdorie, ik heb werk te doen!”
“Ja-a.”
Weinig aan de hand tot hiertoe – maar een automobilist beweerde korte tijd later het meisje niet eens te hebben gezien en probeerde het gat van enkele meters tussen vader en dochter te gebruiken om verder te rijden – schampte het wiel – zodat Esmée omviel – haar vader schreeuwde hard, maar ze stond sneller overeind dan gedacht en keek naar de bestuurder die erg leek te zijn geschrokken. Haar linkervoet stampte ze op het asfalt – daarna volgde er een explosie – alle autoruiten braken in splinters – gevolgd door een viertal ontploffingen – klapbanden.
Voor het eerst vermoedde Esmée in elk geval dat ze best wel eens anders zou kunnen zijn dan andere kinderen – gelukkig durfden alle volwassenen niet eens aan een magische oorzaak te denken – Esmée dacht aan de voetbalwedstrijd – het jongetje dat ongelofelijk hard was gevallen en zijn beide polsen had bezeerd, omdat hij zich tegen had willen houden. Vandaag en anders morgen zou ze een testje doen.
“Stomme idioot!” schreeuwde haar vader naar de automobilist die net zo hard was geschrokken – beslist, want hij hield nog altijd het stuur vast, alsof hij het nooit meer los durfde te laten. “Je ziet toch godverdomme wel dat er een kind fietst! Of niet soms? Moet je soms een fucking brilletje kopen?”
Inmiddels lagen de autoruiten en -banden allang in duizenden en nog eens duizenden stukjes – echt overal – , terwijl de automobilist geen idee had wat er nou was gebeurd – hij wist het echt niet. Het weerhield de vader van Esmée er overigens nauwelijks van om de man de huid vol te schelden. Alsof de vernieling die er was aangericht tot hem door moest dringen – het was hem nog niet opgevallen.
Natuurlijk ging het allemaal erg snel – het glas van de auto – banden – haar vader die stond te schelden – Esmée die zich afvroeg of ze iets zou kunnen waar andere kinderen alleen maar van durfden te dromen.
Papa was het meest geschrokken van de bijna-aanrijding die er had plaatsgevonden, niet de explosie die volgde, maar het glas dat was versplinterd – banden die waren geëxplodeerd. Ondertussen pakte Esmée haar fiets op en stelde vast dat ze gewoon verder zou kunnen – geen probleem derhalve.
“Mijn fiets doet het nog, papa,” zei Esmée.
Een mevrouw vertelde dat ze 112 stond te bellen.
“Lul,” mompelde papa die zich meteen omdraaide en neerknielde om Esmée te onderzoeken – ze had zelfs geen schaafwonden – niets aan de hand. “Het is – eh – heftig, liefie. Wat er zojuist is gebeurd met – eh.”
“Hoe kan het glas zo kapot gaan, papa?”
“Het is een geheim en dat is het – ik heb geen – .”
“Dus daar mag je nooit over praten?”
“Precies. Met niemand!”
“Wat is het dan?”
“Niets! Hoor je me?”
Korte tijd later vertelde papa dat er een aanrijding had gedreigd, maar het liep net goed af en de schade aan de auto – een totale vernieling, want er werkte echt helemaal niets meer – was onverklaarbaar. Het kostte de verpleegkundige behoorlijk wat moeite om de man los te maken van het stuur – een spuitje – dat was er na twee minuten praten en wrikken nodig. Eerst moest de man een kalmeringsmiddel hebben.
Vader en dochter hadden over het ongeluk moeten praten, maar dat deden ze niet.
Nadat papa de politie uitgebreid te woord had gestaan, liepen ze naar huis – zoals ze voortaan steeds deden. Het was gewoon zo’n dag geweest waarbij allerhande toevalligheden samen waren gekomen. Binnen enkele weken en mogelijk maanden zou de politie vaststellen waarom de ruiten en banden waren ontploft. Mogelijk hadden ze dit ook echt gedaan, maar Esmée wist het nog altijd niet. Toen ze op het eiland was gaan wonen, had geen mens haar ooit verteld waarom het was gebeurd en dat hoefde ook niet – ze wist het al. Esmée had het zelf al uitgedokterd en papa kende de waarheid vanaf de dag dat zijn dochter geboren werd.
Niettemin wilde Esmée per se vaststellen dat ze anders was dan alle kinderen waar ook ter wereld. Haar vader moest het al die tijd geweten hebben. Er lag een onheilspellende gloed in papa’s ogen, dus ze zouden er nooit over praten, al probeerde Esmée het wel. “Wat is er met die auto gebeurd?”, vroeg ze.
“Ik heb geen flauw idee, liefie,” zei hij en er lag een blik in zijn ogen die betekende dat haar vader het onderwerp in elk geval nu niet wilde bespreken.
Al op heel jonge leeftijd zag ze verdraaid goed wat volwassenen en andere kinderen dachten en zelfs voelden en haar vader weigerde het onderwerp te bespreken. Thuis zette hij zijn fiets weg, daarna die van Esmée en ze betraden allebei de kleine achtertuin. Herinneringen aan een buurman of – vrouw had ze niet eens. “Jij blijft binnen – in huis of de tuin, maar ik verbied het je om in je eentje rond te zwerven.”
Het idee was geen moment in haar hoofd opgekomen. Nog niet tenminste. De gedachte vond ze wel fijn.
Vrijwel meteen draaide hij zich om en ging het huis binnen – via de keuken, want zo was het gebouwd.
Het zou vreselijk leuk zijn geweest als er op dat moment een heks over was komen vliegen – die op een bezem zat en gilde om aandacht te trekken. Esmée was alleen, haar vader wilde nergens over praten. Het ongeluk dat er geen was geweest had de automobilist als slachtoffer opgeleverd – een man die sowieso had moeten wachten.
Tegelijkertijd zou hij onmogelijk Esmée in de gaten kunnen houden, dus ging ze de schuur binnen, een rommelige bende waarvan alleen papa wist wat er allemaal lag, een beetje mysterieus, net als de zolder. Haar vader had duidelijk gezegd dat ze niet weg mocht, maar de schuurdeur ging naar binnen open en dat paste in haar plannetje – ze ging iets onmogelijks doen – voor gewone mensen – niet voor Esmée. Waarschijnlijk snapte ze amper dat al haar boosheid en eenzaamheid samenkwam in het idee dat spontaan boven kwam borrelen. De schuurdeur ging wagenwijd open – want ze plaatste haar handen ertegenaan en drukte zo hard als maar mogelijk was. Inderdaad begon het hout warm te worden, er ontstonden rookpluimpjes, alsof er iets aanbrandde. Tenslotte liet ze los – wat enige moeite kostte, zodat ze het resultaat van haar experiment kon bekijken.
Niet eerder had ze vermoed dat er iemand stond te kijken – er lag een tevreden grijns op haar gezicht, omdat het experiment goed was geslaagd – twee overduidelijke handafdrukken in het hout gebrand.
Schuin achter Esmée stond de buurvrouw te kijken – met wijd opengesperde ogen – een hand voor de mond. “Het voelt echt warm, hoor,” zei Esmée die met haar handen stond te zwaaien. “Best we, ja.”
Toen begon de buurvrouw heel hard te gillen.
Tagarchief: vaders en zonen
Een fee in spijkerbroek (13)
Faking it (5/5)
‘I should have gone to college and gone into real estate and got myself an aquarium’
Na het laatste lesuur bleef Marvin alleen achter in de klas. Soms bleef er een enkele leerling achter die een vraag wilde stellen en niet durfde in een volle klas. Een jongen scheen heel even te aarzelen, maar volgde zijn klasgenoten naar buiten. De school begon leeg te lopen, hij zou naar huis gaan, eten klaarmaken voor vrouw en kinderen, televisie kijken, hopelijk nu eens een ander onderwerp terugzien, alles behalve Brad. Hij zette stoeltjes recht – veegde het bord – en liet een paar boeken in zijn tas wegglijden – Daphne verscheen in de deuropening – haar wangen waren roder dan normaal. “Ik – eh – heb bezoek voor je.”
Een man en een vrouw kwamen het lokaal binnen, recherche – heel opvallend – meestal zag je dat toch wel meteen – ze hoefden zich amper voor te stellen. Toch bestudeerde hij de identiteitskaarten. Zijn naam was De geus, die van haar Rijsbergen. “Neem plaats,” zei Marvin, “ik heb een idee waar jullie voor komen.”
“De verdachte – Bradley Molensteen,” zei De Geus.
“Waarvan wordt hij verdacht?”, vroeg Marvin.
“Moord – onder andere,” zei Rijsbergen.
“Vanavond is er een persconferentie. Half acht,” zei De Geus. “Zeg eens – Hoe goed kent u Bradley?”
“Sinds de storm is uitgebroken – zou ik zeggen – niet.” Marvin bestudeerde de gezichten, twee gespannen turende rechercheurs, slechts één man die de verdachte al vele jaren kende – omdat ze ooit in dezelfde straat hadden gewoond – Brad bij zijn oma.
“Zijn moeder. Wat weet u daarvan?”
“Vrijgekomen, Brad had het er moeilijk mee, maakte foute grappen over verstoppen van steakmessen, ze zou op bedevaart zijn gegaan – nooit teruggekomen.”
“Heeft hij er ooit iets over gezegd? Ik bedoel – Brad. Zomaar van de aardbodem verdwenen. Dat is toch vreemd?”, vroeg De Geus die zijn handen met gespreide vingers neerlegde op het tafeltje.
“Ja,” zei Marvin. “Bedevaart, ze werkte in Lyon als serveerster, zoiets heb ik hem horen zeggen, daarna raakte ik het spoor bijster, want ze zou ook non zijn geworden, ergens – nou ja – noem maar een klooster.”
“Vond u dat niet vreemd?”, vroeg Rijsbergen.
Marvin antwoordde op iets luidere toon dan hij wilde doen. “Tuurlijk. Met de kennis van nu helemaal. Al ga je een leugenaar niet meteen van moord beschuldigen. Tenminste – in mijn familie doen we dat niet.” Hij zweeg en perste zijn lippen op elkaar.
De Geus maakte aantekeningen.
Rijsbergen knikte begrijpend met haar hoofd. “Mijnheer De Waal – ik snap het.”
“Er zijn best wel incidenten geweest – vanochtend dacht ik er nog aan – of – nou ja – incidenten – misschien moet ik spreken van voorvallen. Een onderwijzer vroeg in de zesde klas, nu groep acht, wat voor werk we wilden doen, later, als we groot waren. Bradley zei dat hij soldaat wilde worden, omdat je ongestraft mensen kon doodschieten. Ja, zijn moeder zat toen al vast wegens de moord op zijn vader.”
“Zijn er meer – voorvallen – die destijds niets betekenden en waarvan u achteraf dacht – tja – .”
Marvin onderdrukte een glimlach. “Hij had een clubje opgericht – een club voor eenzame harten – Brad was voorzitter en enig lid – ik ben er een paar keer bij geweest toen hij een vrouw versierde – ze gingen mee. Als ze er niet van gediend waren, mochten ze hem een klap in het gezicht geven – zijn woorden. Toentertijd betekende het hoegenaamd niets. Nu vraag je je af of het deel was van zijn systeem. Nee, het spijt me, ik ken geen namen of gezichten. Blondines, brunettes, geverfd haar, niet geverfd.”
“Hoe vaak heeft u dit zien gebeuren?”
“Twee, drie keer.”
“Steeds hetzelfde verhaal – dezelfde truc.”
“Ja.”
“En u bleef steeds alleen achter?”, vroeg Rijsbergen.
“Ja, vraag dat maar aan de oude kastelein van onze stamkroeg, ik hoor zijn schaterlach nog wel eens.”
“Bestaat het café nog?”, vroeg Rijsbergen.
“Ja, café ’t Glaasje.”
“Oké. Dank u wel.”
“Zijn moeder – Hoe zit het daarmee?”
De Geus en Rijsbergen keken elkaar aan.
“We gaan het vanavond toch bekendmaken,” zei De Geus en zijn stem klonk een beetje dreigend.
“Ik zal u de details besparen, maar ze leeft – ja, ze blijkt het land nooit te hebben verlaten – ze was een gevangene, ze is overgebracht naar een ziekenhuis.”
“Mijn God – Mijn God – Wat een ellende.” Hij begroef zijn gezicht in zijn handen – grote handen.
“U bent er niet zo erg goed in, hè?” Rijsbergen wachtte eventjes voordat ze verderging. “Faking it.”
“Daar ben ik heel erg slecht in,” zei Marvin.
“Wat denk u nou – als u dit allemaal overziet?”
“Hij – Bradley – had briefjes in zijn toilet opgehangen – misschien nog wel trouwens – quotes van seriemoordenaars – de één nog erger dan de ander. Ik herinner me er eentje van Jeffrey Dahmer – de naam stond erbij, daarom weet ik het, laatst dacht ik er nog aan. ‘I should have gone to college and gone into real estate and got myself an aquarium.’ Iemand had destijds die jongen onder zijn hoede moeten nemen, een kinderpsychiater, er werd niks gedaan – in plaats daarvan hebben we hem een monster laten worden.”
Hij keek opzij – Joanne stond in de deuropening – gefronste wenkbrauwen – sjaal losjes om de hals.
“Ik ga naar huis, mijn vrouw wacht op me.”
“Mogen we u vaker vragen stellen?”, vroeg De Geus.
“Liever niet.”
“Dat begrijpen we,” zei Rijsbergen.
“De persconferentie sla ik over – vanavond – ik weet meer dan voldoende – misschien laten we de televisie wel uit – het zou een goed idee zijn, denk ik.”
Joanne knikte bevestigend.
Marvin kwam overeind, net als de rechercheurs. “Soms mag je zeggen dat je het echt niet hebt geweten – al is het nog zo gruwelijk.” Hij pakte zijn tas mee.
“Wat zou u hebben gedaan – als u het had geweten?”
“Eerst zou ik hem buiten westen hebben geslagen met een stoel, daarna had ik de politie gebeld.”
“Waarom slaan?”, vroeg Rijsbergen.
“Zoals je zelf al zei – ik ben slecht in faking it.” Hij liep naar de deur, zoende Joanne en betrad de gang.
Marvin en Joanne verlieten het schoolgebouw, gevolgd door de twee rechercheurs die zwijgend achter hen aanliepen. “Een collegaatje heeft me hierheen gebracht,” zei ze. “Mijn fiets staat er nog – Alice stuurde een app dat je met de recherche sprak.”
Hij knikte bevestigend en schudde ondertussen beide rechercheurs de hand – hun auto stond buiten het hek.
“Dan halen we je fiets op en leggen we die in de auto,” zei hij. De Geus liep al weg, maar bleef weer staan, want Rijsbergen aarzelde veel te lang. “Ja?”
“We kunnen niet beloven dat we geen nieuwe vragen bedenken over Bradley Molensteen,” zei ze.
“Ik weet het,” zei Marvin, “vierentwintig uur geleden leek er nog niets aan de hand te zijn, terwijl nu – .”
“Wie weet tot ziens,” zei Rijsbergen.
Marvin en Joanne stapten in hun auto, hij keek over zijn schouder en begon gas te geven – heel rustig.
Bijna veertig jaar geleden liepen ze naar huis – moeder van Menno voorop – aanvankelijk spraken ze nauwelijks tegen elkaar. Menno vroeg ineens: “Meende je dat nou echt – soldaat worden, omdat – .”
“Nee, natuurlijk niet,” zei Brad. “Ik heb dat gezegd om te zieken. Wat een gezeik, zeg. Wat wil je worden – later als je groot bent? Rijk en beroemd is oké.”
Destijds klonk zijn reactie heel normaal, zoals Bradley altijd wel verstandig kon praten – als hij wilde. Soms gebeurde het gewoon niet en dan zei hij iets vreemds waardoor Menno bijna ging denken dat zijn vriend het ook echt meende. Had hij het kunnen weten? Brad reageerde soms erg apart, maar was ook een beroemde schrijver.
Vele jaren later stopte Menno voor een stoplicht.
“Waar denk je aan?”, vroeg Joanne.
“Aan hem.”
“Vertel.”
“Had ik het kunnen weten? Nee, dat denk ik niet. De vraag is ook of je het ooit zou durven vermoeden.”
“We hebben hem een monster laten worden.”
“Hij is naar zijn oma gegaan en dat was dan dat.”
“En zijn moeder?”, vroeg Joanne.
“Toen was jij er nog niet, denk ik.”
“Vanaf je opmerking over Jeffrey Dahmer.”
“Brad bewaarde zijn moeder als slavin, gevangene – ze hebben haar gevonden in zijn huis – levend – dat dan weer wel – ze ligt nu in het ziekenhuis.”
“Jee, wat erg.”
“Hij wordt onder andere beschuldigd van moord.”
“Ga je de persconferentie echt niet kijken?”
“Nee.”
“Zal het je helpen, denk je? Niet kijken.”
“Nee.”
“Als het om praatprogramma’s gaat – ,” zei ze.
“Hebben ze je gebeld?”
“Ja. Je had je telefoon weer uitgezet.”
“En?”
“Ik ken je toch.”
“Dus?”
“Ik heb ‘nee’ gezegd, wil je ook niet overhalen.”
Hij drukte het gaspedaal omlaag en begon te rijden.
“Hij had gelijk.”
“Wie?”
“John Wayne Gacy.”
“Wat heeft hij ook alweer gezegd?”
“A clown can get away with murder.”
“Brad – een clown? Vind je dat echt?”
“Nee. He was faking it.”
De Buurvrouw (5/6)
De telefoon ging. Bijna een uur later.
Vernon had de boodschappen opgeruimd.
Het gesprek met Lidia, de dochter van Allan van Kerkrade, had hem verrast. Ze bleek een uiterst prettige vrouw te zijn, vergelijkbaar met zijn buurvrouw zoals die zich in het openbaar presenteerde. Zijn ergernis was begonnen toen Lidia haar auto voor het eerst op Vernons oprit had achtergelaten. Lidia was geen kenau, maar een vrouw die zich te pletter was geschrokken na een telefoontje van haar vader. Vernon pakte de hoorn op en zei: “Hallo.”
“Mijnheer Delsing?”, vroeg een mannelijke stem, niet zo heel erg jong, misschien een dertiger. Vernon herkende hem vrij laat. “U heeft mijn zus gesproken,” zei Jelle.
“Je zus – Lidia.”
“Precies.”
“Dan weet u wat er ongeveer gebeurd is.”
“Een beetje,” zei Vernon.
“Ik vroeg me af – hè – of u een poging zou willen wagen om te bemiddelen?”, vroeg Jelle.
“Waarom doe je dat zelf niet?”
“Omdat u neutraal bent,” zei Jelle.
“Ik moet voor mediator spelen,” zei Vernon.
“Precies – ja, helemaal,” zei Jelle die meteen stukken opgeluchter klonk. “Ja, een mediator – daar hebben we inderdaad behoefte aan, mijnheer Delsing.”
Het probleem was dat er zich heel veel af moest hebben gespeeld in het huis van zijn buren, veel meer dan de kinderen Van Kerkrade vermoedden. Vernon moest denken aan een slangenkuil, en er leefde op dit moment nog één slang. De buurman, dus Van Kerkrade zelf, reageerde – vreemd. Zijn dochter en zoon hadden elkaar gevonden, dankzij een avondje in het café – beide neuzen in dezelfde richting. Zou het kunnen dat de ambulancemedewerkers het verdriet van de weduwnaar verkeerd hadden geïnterpreteerd? Dus opluchting in plaats van verdriet?
‘Jezus. Omdat – ik zo blij ben dat de bitch dood is.’
Hoe vaak had de buurman zijn echtgenote die drie woorden horen zeggen? ‘Mannen zijn varkens.’
Lidia verwoordde een gedachte die een eigen leven was gaan leiden. ‘Heb je mama soms vermoord of zo?’ De buurvrouw moest maanden werk hebben gehad aan het parkietje – maanden.
“Goed – ik doe het – één keer – daarna is het jullie probleem. Afgesproken?”
“Dank u wel , mijnheer Delsing.”
“Je moet er weinig van verwachten, Jelle,” zei Vernon. “Jullie moeder is overleden – zijn vrouw – zoiets komt snoeihard binnen bij mensen – je ouders zijn erg lang bij elkaar geweest.”
“Dan wordt het een kort gesprek, mijnheer Delsing.”
“Laten we het hopen.”
Vernon legde de telefoon neer en begreep heel goed dat er meer aan de hand moest zijn. De buurman gedroeg zich inderdaad vreemd, maar er bestond nu eenmaal geen spoorboekje voor normale reacties bij een onverwacht overlijden.
’s Avonds belde hij aan, wachtte een tijdje bij de voordeur, maar Van Kerkrade deed niet open. Het was donker in huis, de ramen waren gesloten. Volgende dag belde hij ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds aan. Niemand thuis. Daarna hielden de kansen op, aangezien hij zou vertrekken naar Duitsland en er minimaal twee weken zou verblijven. Het huis was donker, Van Kerkrade was niet thuis – misschien was hij een weekendje naar het strand, om een beetje uit te waaien en hij hoefde zich niet te verantwoorden.
Zondagavond kreeg hij Jelle aan de telefoon. “Nee, jongen, ik heb je vader niet gesproken. Hij is vermoedelijk een paar daagjes naar het strand of zo.” Vernon maakte hem duidelijk dat hij minimaal twee weken in het buitenland zou zijn. Jelle liet geen teleurstelling blijken. Hij had vast op een gesprek gerekend en nu was er niets gebeurd.
Zijn werkzaamheden in Duitsland duurden langer dan gepland, namelijk tweeënhalve week, zodat hij pas woensdagavond laat thuis kwam. Vernon had zijn oudere zus gevraagd wat eten in de koelkast te leggen, zodat er in elk geval iets zou zijn.
Hij parkeerde zijn auto voor de garagedeur om elf uur ’s avonds, onderweg had hij gegeten in een wegrestaurant. De buurman was in elk geval thuis, een enkel schemerlampje moest de woonkamer verlichten. Vernon inspecteerde de koelkast – eten en drinken genoeg – hij ging verder en betrad zijn tuin. Het was een oude gewoonte. Na een afwezigheid van enkele weken en soms maanden, wilde hij eerst rustig checken of alles er goed bij stond. Aan de andere kant zou hij een berichtje hebben gekregen van zijn zus, als er iets was gebeurd. Zo ging het altijd. Vernon stond in de tuin en zag dat de buurman zijn deur open had laten staan. Het was eind oktober, een koude en vochtige herfst, zelfs voor de buurman was het ongehoord. Vernon beschouwde het half als een uitnodiging om binnen te komen. Toch aarzelde hij. Het ging hem goed beschouwd geen bliksem aan en misschien hadden de kinderen van zijn buurman alles zelf al geregeld. Aangezien Vernon het gesprek niet had kunnen voeren.
Hij liep de keuken in, weerstond zijn eerste impuls om een biertje te pakken en besloot de auto binnen te zetten. Zijn woonkamer baadde in het licht. Vernon gooide eerst de garagedeur open, stapte in zijn auto en reed naar binnen – het raampje ging een stukje naar beneden, want zo had hij het geleerd. Hij stapte weer uit de auto, deed de garagedeur omlaag en op slot – hij liep naar de keuken, pakte een biertje, waarna hij zich op de bank liet neerploffen. Al het werk was gedaan, een beloning leek gepast. Vernon nam een slok, zette het flesje op tafel.
Juist op dat moment begon de buurman te schreeuwen: “Vuile tyfushoer – slet – teringkreng!”
Hij overwoog een nieuwe slok te nemen, maar bedacht zich en herinnerde zich zijn belofte om met zijn buurman te zullen praten. Van Kerkrade was eerder niet thuis geweest. Nu wel. Overduidelijk zelfs.
“Tyfus – tyfushoer!”
Hoogste tijd voor een goed gesprek.
De Klusjesman (3/5)
“Jon – ik maak me zorgen,” zei Michelle.
Eind mei, terwijl de kinderen op school waren en Michelle aan het werk, had hij een snipperdag genomen, zodat hij in alle rust twee extra kluizen kon verbergen in huis – zijn vrouw bewaarde sinds die dag een briefje waarop heel gedetailleerd stond beschreven waar hij ze had verborgen – in plaats van het gehele bedrag in één enkele kluis te verbergen, leek het hem beter om het te verspreiden – als het nodig mocht zijn, kon hij de verborgen geldkluizen weer bloot leggen. Voorlopig lag er een goede stuclaag overheen, een bedrag van bijna zevenhonderdduizend euro verdeeld over twee kleinere kluizen – veel kleiner dan die andere waarvoor je slechts een litho moest weghalen.
“Dat begrijp ik,” zei Jon.
Ze waren onderweg naar huis – om half een ’s nachts – de verjaardag van een vriendin van Michelle was een gezellige boel geweest, maar Jon zou water drinken, of cola, of sinas, alles behalve bier. Michelle had een paar glazen wijn gedronken – de kinderen waren thuis – een nichtje van Jon fungeerde er als oppasser.
“En het kom niet door de wijn,” zei ze.
“Zorgen over geld – heel veel geld…”
“Ja.”
“Denk je er zo vaak aan?”, vroeg Jon.
“Elke dag.”
“Ben je bang?”
“Nee, dan zou ik dat hebben gezegd.”
“Oké.”
“Leg nog eens uit waarom je die twee andere kluizen wilde installeren,” zei Michelle die naar Jon keek, maar hij hield zijn ogen op de weg – het was een smalle dijk, want de vriendin woonde achteraf – prachtige boerderij, heel mooi opgeknapt – gemoderniseerd.
“Risico verspreiden – ik denk dat ze naar het geld hebben gezocht, maar nooit gevonden en je mag niet uitsluiten dat ze het nog eens zullen proberen, als we tijdens de zomervakantie in Frankrijk zullen zijn – .”
“En dat vind ik een beetje eng – dat je zo denkt.”
“Je moet vooruit denken – mensen zijn voorspelbaar, erg vaak tenminste – ik heb een hekel aan gedrag dat doet denken aan psychiatrische stoornissen,” zei hij.
“Om die reden heb je veel aandacht besteed aan beveiliging – mijn ouders vonden je paranoïde.”
“Je ouders zijn erg aardige, maar naïeve mensen.”
“Maar je hebt geen alarmsysteem aangelegd.”
“Nee, want een hond is effectiever.”
“Geen poedel, denk ik.”
“Ik denk aan een herdershond.”
“Da’s dan voor het eerst.”
“We hebben vroeger honden gehad.”
“Ik heb je er nooit over gehoord.”
“De kinderen konden beter wat groter zijn,” zei hij.
“Zullen we het eerst in de groep gooien?”
“Mm, om vervolgens te horen dat Floortje een chihuahua schattig zou vinden en dan moet je er ook iets mee doen – ik begin over een herdershond met een reden – zo’n dier beschermt het huis – zijn thuis – ons thuis.”
“Wat ben jij héérlijk democratisch, Jon.”
Hij begon te lachen – zijn voet liet het gaspedaal los en Jon stuurde naar links – richting Den Bosch, daar lag de oprit voor de snelweg – ze woonden in Utrecht.
“Een hond en een kat.”
“Gaat dat samen?”, vroeg Michelle.
“Jawel hoor – tuurlijk.”
“Huisje, boompje, beestje,” zei Michelle. “En dan zou er nooit iets raars kunnen gebeuren, denk je?”
“Je hebt in elk geval wat risico’s uitgesloten.”
“Ze kunnen hoogstens geld stelen – een deel ervan.”
“Of desnoods alles, maar we zijn zelf veilig, tenzij we zouden afspreken dat we het geld op de stoep van het Leger des Heils achterlaten – of de politie.”
“Ik haat het, Jon, ik haat het.”
“Dat begrijp ik, maar je moet je voorstellen wat ze zouden doen als het geld er niet eens meer is,” zei hij.
“Niks, denk ik.”
“Dàt hangt helemaal af van de psychische gestoordheid van de – klusjesman – die ze sturen.”
“Het is toch een hoop geld.”
“Precies – en stel je nou eens voor dat er nooit iemand aanbelt om zijn of haar geld op te halen,” zei hij.
“Dan ben je al die tijd bang geweest voor niets.”
“Inderdaad.”
“Je moet me één ding beloven,” zei hij, “mocht ik je ooit eens op een apart tijdstip vragen in de auto te stappen en met de kinderen naar je ouders te gaan, dan moet je dat ook meteen doen – dus zonder vragen.”
“Oké.”
“Dank je.”
“Wat ga je dan doen?”
“Alles regelen natuurlijk.”
Michelle sloeg haar handen even voor het gezicht, maar ze huilde niet – Jon keek eventjes opzij en meende dat met name de kilte van zijn reactie nogal hard was binnengekomen – hij legde een hand op haar knie, maar ze schoof hem onmiddellijk weer weg.
*****
Drie dagen later en het was een zonnige, warme dag. De kinderen waren op straat aan het spelen, het was een fietsstraat, auto’s reden er zelden, er passeerden regelmatig hardlopers, wandelaars natuurlijk, mannen en vrouwen met honden. Michelle ruimde de was op – Jon zat achter de computer te zoeken naar mogelijkheden om zwart geld wit te wassen, een tijdrovende bezigheid, zowel het uitzoeken als de feitelijke uitvoering, maar kennelijk een populaire bezigheid – er bleek enorm veel informatie beschikbaar te zijn op internet – alleen moest Jon er een café voor beheren – op papier in elk geval – hij las een verhaal waarbij er goed bier in het riool werd gestort, zodat de omzet op papier verhoogd kon worden – .
Jon kende zijn plicht als echtgenoot en vader – elimineren van alle risico’s – toch hadden ze er allebei voor gekozen het geld te bewaren, omdat het nu eenmaal erg veel was – een miljoen euro – ongeveer.
Hij voelde de prettige lichaamswarmte van zijn vrouw – ze stond rechts achter hem – Michelle zoende hem in zijn nek – haar haren vielen over zijn gezicht. “Hoi liefie,” zei hij en Jon schoof de muis weg.
“Wat ben je aan het doen?”, vroeg ze.
“Mogelijkheden zoeken om geld wit te wassen,” zei hij, “erg lastig, tenzij je een corrupte bankmedewerker weet te vinden – hem of haar vijfduizend euro geeft voor het studiefonds van de kinderen die dan aan de universiteit van Sofia kunnen studeren – je zult mensen moeten vertrouwen die je nooit eerder hebt gezien – risico’s lopen,” zei hij.
“Andere manieren? Zijn die er ook?”
“Je kunt het mokkelen naar Dubai – zo’n soort land – waar ze een echt ouderwets bankgeheim hebben.”
“Lijkt me lastig.”
“Inderdaad – de situatie is erg lastig.”
“Jon,” zei Michelle, “als er iemand voor komt – Zou je het geld dan gewoon teruggeven aan – zo’n man?”
“Ik zou er geen mensenlevens voor op het spel zetten,” zei hij, “dat is het niet waard – niet voor mij en dat zou het werkelijk voor niemand mogen zijn.”
“Ik dacht – in de auto – dat je iets anders wilde doen,” zei Michelle. “Hoever zou je kunnen gaan?” Ze trok een stoel onder de tafel vandaan en nam plaats.
“Verkeerde vraag – Hoever zou ik willen gaan?”
“Ik durfde het niet te zeggen,” zei Michelle.
“In elk geval zou ik het risico nooit opzoeken.”
“Alles doen – en alleen maar – om je gezin te beschermen,” zei Michelle, “je bent een heel harde man – veel harder dan ik ooit had durven denken – al ben je ook ontzettend lief en zorgzaam – gelukkig.”
“Zo hard vind ik mezelf niet eens.”
“In de auto – dacht ik heel even – dat je zo’n kerel – die klusjesman – om zou kunnen leggen – vermoorden,” zei Michelle, “zaken doen, zoals ze dat in die enge films noemen – ik vind het echt heel eng.”
Hij schudde zijn hoofd en sloot het venster af dat hij open had staan, terwijl Floortje binnenkwam. “Nee, ik zou de risico’s willen uitsluiten – voordat de politie op bezoek moet komen om de lijken op te ruimen.”
“Ik heb honger,” zei Floortje.
“Trek – je hebt trek – geen honger.”
“Ja-a, trek.” Floortje trok er een gezicht bij.
“Als je gewoon je boterham op had gegeten – dan zou je nu geen – trek – hebben gehad,” zei Michelle.
“Pa-hap – Mam doet het weer!”, riep Floortje.
“En terecht,” zei Jon.
“Maar ik heb nog steeds h – trek.”
“Er is nog liga – dat mag je hebben en niks anders.”
“Goed mam,” zei Floortje die naar de keuken begon te lopen – Jon wachtte af tot zijn dochter weg was.
“Je had het over lijken opruimen,” zei Michelle.
“Ja, je hebt weinig aan die lui – de politie dus.”
“Kunnen we het geld nog inleveren?”
“We hebben wel erg lang gewacht, hè.”
“Bovendien wil ik het voor onszelf houden,” zei ze.
“Misschien komt er nooit iemand voor.”
“En als dat wel gebeurt?”
“Dan zal ik zaken moeten doen met die vent – al heb je er nog zo’n hekel aan – net als ik trouwens.”
Floortje verscheen in de deuropening met haar liga – ze had er een stukje van afgebeten en stond met een vrolijke grijns op haar gezicht te kauwen. “Lekker.”
“Er zitten mussen op het dak,” zei Jon.
“Inderdaad,” zei Michelle.
“Huh?”, vroeg Floortje. “Hoe weet je dat nou?”
“We zien en horen àlles,” zei Michelle die opstond en deed alsof ze een stukje liga wilde opeten, maar Floortje rende snel de tuin in en gilde er vrolijk bij.
*****
De jongens – Meindert en Allert – waren aan het voetballen, nu eens niet op straat, maar op een echt veld – de buurman speelde voor chauffeur, aangezien zijn zoon in hetzelfde team speelde. Floortje had nieuwe schoenen nodig, dus zochten moeder en dochter uren naar een geschikt paar, altijd een moeilijke operatie. Ondertussen ruimde Jon in de garage zijn gereedschap op – twee stalen kasten die voldoende ruimte moesten bieden om alles goed op te bergen.
Er stonden een paar fietsen, uiteraard ook de zijne, vanavond zou Michelle er de auto willen parkeren. Op de werkbank stond een oude radio en er klonk muziek uit de jaren tachtig – Depeche Mode – de oprijlaan bestond uit grind en elke stap zou hij kunnen horen – ook een fiets die dichterbij kwam of een auto.
“Fijne muziek,” zei een stem, maar hij luisterde net niet aandachtig genoeg om te kunnen bepalen waar de spreker vandaan zou kunnen komen – Jon pakte een beitel vast en deed alsof hij stevig na stond te denken.
Hij draaide zijn hoofd en zag een man die ongeveer veertig jaar oud zou moeten zijn – iets ouder misschien zelfs – de onbekende bezoeker droeg een kostuum – wit overhemd, maar geen stropdas – er groeide een stoppelbaardje op zijn kin – geen bril, een lange magere gestalte, hoge jukbeenderen – kort haar.
“Je moet er voor in de stemming zijn,” zei Jon.
“Is dat niet altijd zo?”, vroeg de man die keurig buiten bleef staan – het grind knarste onder zijn schoenen.
Jon gaf geen antwoord en speelde nog steeds met de beitel – het was onduidelijk waar de onbekende man voor kwam – eerlijk gezegd dacht Jon niet aan geld – hèt geld – misschien een evangelist, een priester of zo.
“Denk het,” zei Jon.
“Leuk wonen,” zei de man die om zich heen begon te kijken en deed alsof de omgeving hem nu pas opviel.
“Ja – geweldig – inderdaad.”
Jon leunde bijna ongeïnteresseerd tegen de werkbank, maar hield nog steeds de beitel vast. Hij startte een onhandige poging om zijn nagels schoon te maken.
“Ik – eh – heb een broer gehad die – eh – een tijdje terug in dit huis heeft gewoond,” zei de man.
“O,” reageerde Jon.
“We komen uit Ieper.”
“Stad met een verleden.”
“Maar we wonen al dertig jaar in Holland.”
“Als kind geëmigreerd,” stelde Jon vast.
“Mag ik verder komen?”, vroeg de onbekende.
“Tuurlijk.”
“Ziet u – mijn broer is vermoord – misschien kent u het verhaal – een vergismoord – zei de politie.”
“Ja, een trieste geschiedenis,” zei Jon.
“Het was moeilijk, maar ik moest het aanvaarden – zulke dingen gebeuren nu eenmaal in de wereld.”
“’t Is een idiote wereld,” zei Jon.
Toch prettig dat deze van oorsprong Belgische mijnheer heeft gewacht tot Jon Dekker alleen was. Het had anders gekund – in dat geval zou Michelle de kinderen direct in hun Volvo hebben gefrommeld. Ze zouden met hun viertjes zijn vertrokken – heel zeker.
“Ik heb me altijd afgevraagd of mijn broer iets zou hebben achtergelaten – een boodschap – we zijn de laatste tien jaren niet echt close geweest – Ziet u?”
“Ja.”
Jon strekte zijn arm en schakelde de radio uit – nu geen muziek met veel synthesizers, maar volstrekte rust, als je de plonzende roeispanen niet meerekende.
“Zo – eindelijk heb ik uw volledige aandacht.”
Nog steeds hield hij de beitel vast. Hij speelde er mee.
“Alsof je die nodig hebt,” zei Jon.
“Ik ken een miljoen redenen om uw aandacht te vragen, mijnheer Dekker – uw gezin niet meegeteld.”
“Een miljoen – da’s een heleboel.”
De man liet zijn rechterhand over zijn korte, stekelige haar glijden – het colbertjasje viel verder open en in de oksel bleek zich een enorme transpiratievlek te hebben gevormd – man liet zijn arm direct zakken.
Jon meende een nerveuze bibber te herkennen en een paar vochtdruppels op het voorhoofd te zien.
“Mijnheer Dekker – ik ben ook maar gestuurd.”
Sirene (4/4)
Om negen uur ’s ochtends verliet ik mijn huis voor een sollicitatiegesprek – een mogelijkheid om vijftien uur les te geven, NT2, dus Nederlands aan allochtonen. Ik had al ruim twintig jaar geen les meer gegeven, maar was wel in bezit van een lesbevoegdheid. Er zouden wat bijscholingscursussen nodig zijn, maar dat was geen enkel probleem. Terwijl ik in de auto wilde stappen, verliet een jonge vrouw het huis van Willard – ze riep: “Nou, ik hoop dat u het zo goed met u blijft gaan, mijnheer Maas!”
Ik gunde mezelf geen tijd om na te vragen wat er aan de hand was – dat kwam later wel, als ik er langsging. Het gesprek vond plaats in een kantoortje en bijna een uur later vertrok ik er weer met een redelijk goed gevoel.
Onderweg naar huis begon ik weer na te denken over de opgewekte woorden van de thuishulp toen ze Willards huis verliet. Voordat ik mijn wijk binnen mocht gaan, moest ik me legitimeren. Ik passeerde agenten die al het binnengaande verkeer moesten controleren, dus niemand erin, uitgezonderd de bewoners – ze hadden het kenteken van mijn auto. Uiteraard kende ik het verschijnsel van de goede en slechte dagen die mijn buurman, net als iedereen, ook zou moeten hebben – het optimistische, vrolijke gezicht van de jonge vrouw baarde me enige zorgen. Al gunde ik Willard al het beste in zijn leven, maar het ging de laatste tijd juist helemaal niet zo goed. Het was een beetje een raadsel, zoals de sirene in het bos.
Ik kleedde me eerst om, zette een kopje koffie op tafel en stuurde een berichtje naar mijn broers die graag wilden weten hoe het gesprek was verlopen. Na een half uurtje betrad ik het huis van Willard die tot mijn grote verbazing geen rollator of wandelstok gebruikte – hij ging gewoon rechtop en leek niet de minste moeite te hebben met zijn evenwicht. Mijn buurman leek ineens 10 jaar jonger te zijn, een man die ik nooit heb gekend, omdat ik er slechts een korte tijd woonde. Zijn gezicht leek veel minder doorgroefd, zijn huid stond strakker dan ik van hem gewend was en er gloeide weer een gezonde blos op zijn wangen.
Ik slaagde er niet in mijn verbazing te verbergen en hij lachte zijn vergeelde tanden bloot. “Je probeert het te snappen, hè? Net als ik trouwens. Ben je ooit wakker geworden met het idee dat God je de kans heeft gegund om een totaal verpest leven te herstellen? Nou, zo ben ik vanochtend wakker geworden. Ik heb me in 20 jaar niet zo goed gevoeld.”
“ – Eigenlijk wilde ik vooral weten of je nog wat van de supermarkt nodig hebt,” zei ik en ondertussen bestudeerde ik het uiterlijk van Willard die er ècht uitzag als een man van ongeveer zeventig jaar oud. Gisteren had zijn huid doodsbleek gezien, ondanks de tatoeages op zijn armen en ongetwijfeld borst, alsof de dood dwars door zijn huid probeerde te dringen. Ik schudde mijn hoofd en draaide me om – deze Willard Maas kon best zelf naar de buurtsuper.
“Ja, ik loop eventjes mee,” zei hij, “da’s ook wel eens leuk – ik neem een wandelstok mee, anders valt het de mensen teveel op en gaan ze daarover kletsen.”
Enkele minuten later verlieten we met zijn tweeën het huis en wandelden we in een rustig tempo naar de supermarkt. Willard wees naar alle woningen die in de jaren na zijn vertrek waren gebouwd, een halve stad – vroeger was het landelijk gebied geweest, zover je kon kijken, mensen die in onvoorstelbaar slechte woningen moesten leven en snel oud werden. Paarden die oude, verrotte karren voorttrokken, een paar rijke burgers die zich een automobiel konden veroorloven – ik begreep dat hij een deel van zijn jeugd opnieuw voor zich zag, alle ellende, maar ook de fijne herinneringen.
In de supermarkt ontmoetten we veel verbaasde gezichten – mannen en vrouwen die normaal gesproken zelden of nooit omkeken – Willard was jaren terug voor het laatst in de supermarkt geweest en misschien waren de mensen gewoon verbaasd, omdat hij nog altijd in leven bleek te zijn. Dacht ik.
“Mijnheer Maas – U bent toch de tweede zoon van Diederik Maas? Volgens de krant bent u een tijdje met het meisje gegaan – Hester – Hester Visscher.”
Willard gaf geen reactie en staarde in het oneindige, een starende blik die een onbekend moment in het verleden zocht. “Nee, ik heb haar wel gekend.”
“Dus de krant zit ernaast?”, vroeg dezelfde vrouw. “En wat vindt u eigenlijk van het raadsel – de sirene?”
Willard keek een ogenblikje naar de vloer voordat hij antwoord gaf, een ander antwoord dan ik verwachtte.
“Drie mannen komen bij elkaar om over hun geloof te praten, een christen, een jood en een moslim – ze willen vaststellen wie er gelijk heeft – twee van die mannen kunnen nooit gelijk hebben, eentje heeft er altijd zonder meer gelijk – vertel eens – Wie is dat?”
“Weet ik niet,” zei de vrouw. “Ik heb geen idee.”
“Dàt is nou een raadsel en ik begrijp het ook niet,” zei Willard, terwijl we verder gingen met onze boodschappen. De vrouw bleef verbouwereerd achter en vergat verder vragen te stellen, precies zoals Willard uiteraard bedoelde met zijn vreemde raadsel.
Onderweg naar huis droeg ik de boodschappen in twee plastic tassen – Willard had niet eens zoveel nodig gehad – ik wist niet of de spectaculaire verandering blijvend zou zijn, maar misschien hoopte hij vanaf nu elke dag boodschappen te gaan doen. We spraken weinig – zijn hoofd draaide regelmatig naar het bos, alsof ook het antwoord op zijn eigen raadsel daar ergens lag te wachten, zoals elk van de drie mannen uit zijn voorbeeld altijd gelijk moet hebben. Thuis zou ik de krant moeten lezen, iets wat ik tot nu toe had nagelaten vanwege de sollicitatie. Willard kwam blijkbaar ter sprake, een krant moest hem hebben genoemd, of in elk geval zijn vader. Ik wist dat mijn buurman het antwoord niet makkelijk weg zou willen geven. Mogelijk was zijn raadsel gewoon bedoeld om ons allemaal te ontregelen. Ik had het vermoeden dat zijn opzet was geslaagd. We hadden de supermarkt verlaten zonder verdere vragen over het raadsel van de sirene – niemand zei nog iets.
De middag vergleed heel traag in een avond die koud en onbewolkt beloofde te worden, er hing een gigantische volle maan laag boven het bos. Vroeg in de avond waren er veel buurtbewoners vertrokken. Ze stapten in auto’s en zouden bij familie of vrienden slapen, alles was beter dan een nieuwe nacht in spanning. Ik had de afwas gedaan, ben daar ouderwets in, een vaatwasmachine vind ik zonde. Gordijnen stonden wagenwijd open. Er was een voetbalwedstrijd bezig op televisie, het geluid stond heel zacht – ik ben niet echt een liefhebber, maar soms wil ik nog wel eens kijken. Mijn gedachten bleven onophoudelijk teruggaan naar de spectaculaire verandering die ik bij Willard had vastgesteld. Zoiets had ik nooit eerder meegemaakt en het bestond voor zover ik wist ook niet eens – maar hetzelfde gold natuurlijk voor de sirene die elke nacht aan het roepen was vanuit het bos, een onbekende, vrouwelijke stem – volgens de kinderen die haar hadden gehoord ging het om een treurige en dwingende stem – het was het verhaal van een verloren liefde, aldus de oudere jongens en meisjes die tot hun enkels in het water hadden gestaan. Ik las opnieuw een artikel in de krant, het ging onmiskenbaar over Willard, al weigerde hij iets te zeggen over de gebeurtenissen die hem heel, heel lang geleden weg hadden gejaagd uit Nederland.
Ik zat op de bank en was in slaap gevallen, terwijl op televisie de wedstrijd nog altijd bezig was. Het overkomt me vaker. Ook die avond. Maar de telefoon ging, het was een harde, ouderwetse bel die ik hoorde. Ik nam de hoorn op, maar bleef ook zitten, ook al kan dat in mijn woonkamer niet eens. Een metaalachtige stem, alsof er een machine aan het spreken was, zei: “Het is tijd.” Meer hoorde ik niet. Ik schrok wakker, de televisie vertoonde een praatprogramma dat ’s middags al live was uitgezonden, een herhaling.
Het duurde enkele ogenblikken voordat ik me realiseerde dat er iemand op straat naar mijn huis keek – een oudere man met gespreide benen, armen slap langs zijn lichaam – hij was niet veel jonger geworden. Ik deed mijn schoenen snel aan, griste een jas mee die veel te koud was voor de tijd van het jaar. Een slechte voorbereiding, maar het was tijd. Dezelfde volle maan, die eerder die avond al zo vreselijk groot had geleken, was nu nòg groter. Op straat voelde ik de koude wind die uit het oosten waaide – ik trok mijn capuchon omhoog en bleef naast Willard stilstaan. “Willard en Hester, zo had het moeten zijn – jullie hielden zielsveel van elkaar.”
“Ja, jongen, ik ben vijftig jaar op de vlucht geweest en dacht rustig terug te kunnen komen, omdat iedereen het verleden allang was vergeten – maar geschiedenis is weerbarstige materie en laat zich niet makkelijk in de vergetelheid dwingen. Ik heb geen familie meer, iedereen is dood, ik ben de laatste. Jij komt dichterbij een familielid dan iedereen die ik ooit ben tegengekomen.” Hij draaide zich om en begon naar het bos te lopen, daarachter lag zijn bestemming.
Ik volgde Willard en het leek heel vanzelfsprekend, er moest een getuige zijn, iemand die later kon vertellen over de laatste nacht van de sirene, want het zou de laatste keer worden – ze werd na die nacht nooit meer gehoord. “Kon je haar stem horen?”
“Net zo duidelijk als die kinderen,” zei Willard die zijn lichaam langs struiken en boomtakken wurmde. “Zeg eens, Vince. Heb je ooit eens nagedacht over een tweede kans, als die zich zou voordoen? Mocht je onverhoopt de ergste fout in je leven ongedaan kunnen maken – Zou je dat dan ook doen? Of zijn we onze eigen slachtoffers en onherroepelijk gedoemd dezelfde fouten weer te maken?”, vroeg hij, maar Willard verwachtte geen antwoord van mij te krijgen.
Hij bewoog zich in het bos, alsof hij thuis was gekomen, heel gemakkelijk – hij leek elke kuil te weten en stapte er behendig omheen. Ik voelde een enkele keer water in mijn schoenen, maar wist een vloek binnensmonds te houden. “Een broer van Hester ontdekte dat we elkaar zagen en wilde een wit voetje halen bij zijn ouwe heer – het plan slaagde – mijn vader raakte zijn baan meteen kwijt, het betekende nog grotere armoede, want er was toen geen sociale dienst. Ik heb Hester nooit meer gezien.”
“Jij moest iets doen, voelde je schuldig, besloot naar zee te gaan – je hebt je ouders lange tijd onderhouden, waarschijnlijk tot ze van Drees gingen trekken – een echt pensioentje kregen van de staat – een inkomen. Daarmee werd de macht van de kerk ook aardig gebroken, denk ik, als is dat mogelijk een aanname.”
Willard ging verder – sterren blonken boven onze hoofden en veel duidelijker dan ooit tevoren.
“Wat is er met Hester gebeurd?”, vroeg ik.
Hij bleef staan en draaide zich om. Er lag een spookachtige glans op zijn gezicht – gevolg van maanlicht en donkere, nachtelijke schaduwen.
“Opgesloten in de kelder, al hoopte ze misschien op het klooster, maar dan zou haar vader zijn macht en controle over Hester hebben moeten opgeven.”
“Ze heeft duur betaald voor haar liefde.”
“Ja – .”
“Hoelang heeft ze in die kelder gezeten?”
“In elk geval tot 1976.”
“Wist je dat hij zijn dochter had opgesloten?”
“Nee.”
“Hoeveel mensen wisten dat hij zijn dochter gevangen hield in de kelder van zijn huis?”
“Iedereen was op de hoogte.”
“Alleen jij niet?”
“Ze durfden het mij niet te vertellen, Vince.”
“Waarom – ?”
“Ik was naar huis gekomen en zou die ouwe schooier, die souteneur en landverrader, hebben doodgeslagen met mijn eigen blote handen… ik zou hem hebben vermoord… en dat wisten ze allemaal.”
“’n Tragedie.”
Hij draaide zich weer om en begon opnieuw te lopen.
“Vince – Geloof jij in God?”“Niet echt, al moet je ruimte laten voor twijfel.”
“Nooit gedaan – ik heb nooit in God geloofd, jongen, maar Hester aan de andere kant wel – ze geloofde heel vurig, ik werd er wel eens kriegel van, weet je.”
We bereikte de plas – het wateroppervlak lag er stil bij, zonder rimpelingen, als een reusachtige spiegel.
Willard draaide zijn hoofd een beetje naar rechts. “Je mag een tweede kans nooit verprutsen of laten lopen. Er zijn mensen doodgegaan hierdoor, jonge kinderen, als je dàt geen hoge prijs zou kunnen noemen. Misschien is het de duivel wel die een grap probeert uit te halen met een paar mensen en als je het bestaan van de duivel erkent, dan moet God er dus ook zijn.”
Hij liep het water in, ik bleef achter op de oever, half verscholen tussen bomen en struiken. Ik had geen idee wat hij zou doen – hij bleef in het midden staan en staarde langdurig naar beneden, alsof hij haar zocht. Er was helemaal niemand. Dat wist ik. Zoveel mensen hadden gezocht naar de sirene en niemand had haar gevonden. Er zou niemand mogen zijn. Op zeker moment knielde hij neer, alsof Willard eindelijk had gevonden wat hij zolang geleden was kwijtgeraakt. Er begon heel langzaam een lichaam omhoog te komen uit het water – hij tilde een vrouwelijk lichaam uit de bagger – de troep die zich op de bodem van de plas had gevormd – de modder waarin het leven van Hester Visscher was verzonken. Lange blondgrijze haren hingen omlaag, ze droeg een jurk die ooit modieus moest zijn geweest, haar lichaam droeg alle sporen van jarenlange mishandelingen. Willard droeg haar naar de oever – vuil water spatte op het platgetrapte zand. Hij weigerde haar neer te zetten, knielde neer en zijn worstachtige vingers streelden haar gezicht. “Misschien heeft zowel God als de duivel er niets mee te maken,” zei ik en Hester reageerde nauwelijks op mijn woorden. “Zien we elkaar ooit nog eens terug?”, vroeg ik. Heel even dacht ik aan een Britse schrijfster die liefde de oudste en tegelijk ook sterkste magie had genoemd.
Willard leek te vergeten dat ik toe stond te kijken en gaf geen antwoord meer – zijn aandacht was bij de vrouw die hij zolang geleden achter had moeten laten. Ik draaide me om en slikte enkele laatste stichtelijke woorden in die ik uit had willen spreken – tussen de bomen keek ik nog een laatste maal over mijn schouder – ik zag een man en een vrouw aan de rand van die plas – een enorme volle maan die het decor vormde van een toneel dat toch nog een goed einde leek te mogen beleven voor twee mensen die de tijd, anders dan bij jongeren, in dagen, weken en maanden rekenden – in plaats van jaren, maar zolang ze leefden – deden ze dat hoe dan ook in elkaars gezelschap.
Een uur later zat ik thuis op de bank – mijn intuïtie gaf een duidelijke waarschuwing af – Willard zou niet meer terugkeren en als zijn buurman, zou ik de verplichting hebben naar de politie te gaan – of het alarmnummer te bellen, omdat hij zijn voordeur niet zou willen openen. Willard zou thuis moeten zijn in gezelschap van Hester die hij na zo’n lange tijd had terug gevonden, maar ik begreep heel goed dat zijn huis leeg en donker achter zou blijven. Zo gebeurde het ook. ’s Ochtends belde de thuishulp aan – ze had voor een gesloten deur staan wachten en toonde zich bezorgd – ik besloot direct 112 te bellen en binnen een half uur stonden er politieauto’s, een ambulance en brandweer voor de deur om het huis open te breken – er was een slotenmaker nodig om de deur open te maken, terwijl ik al die tijd wist dat hij weg zou zijn. De raadselachtige verdwijning van mijn buurman Willard Maas werd voorpaginanieuws – ik vond het niet eigenaardig dat de sirene nooit meer werd gehoord. Sinds die tijd wandel ik regelmatig in het bos – einddoel is altijd de plas waar ik Willard zijn vrouw uit het water en de modder heeft gepakt – verleden week dacht ik een ouder echtpaar in de schaduw van een eikenboom te zien – ze hadden alleen oog voor elkaar – ik dacht dat ik een ouder echtpaar zag. Het duurde slechts enkele seconden – daarna waren ze weer verdwenen.
Ik zou er nooit meer aan hebben gedacht als ik gisteren in de supermarkt niet met een stelletje had gesproken dat eenzelfde soort ervaring bleek te hebben. Een ouder echtpaar in de schaduw van een boom – het duurde enkele seconden voordat ze weer verdwenen, alsof het verdwijnend zonlicht die mensen aan het zicht zou kunnen onttrekken – een wolk die voor de zon schuift – een schaduw die plots en geheel onverwacht over het landschap glijdt. Een oudere man en vrouw die er alleen zijn als de zon schijnt, nooit als het bewolkt is – altijd alleen als de zon…
Sirene (3/4)
*****
De volgende dag waren ze er weer en nu in grotere aantallen dan een dag eerder – vertegenwoordigers van de media – camerateams met een verslaggever, fotografen die hoopten op een tragisch prentje en alle andere geïnteresseerden, oftewel: ramptoeristen. Toch deed er zich een opvallend verschijnsel voor en ik volgde de berichten hierover met een opgewekte glimlach, want verreweg de meeste bewoners, die werden aangeklampt door een verslaggever, weigerden commentaar te geven, zodat er een extra dimensie aan het raadsel leek te worden toegevoegd. ’s Middags om één uur vond er in het gemeentehuis een persconferentie plaats over de sirene, zoals het inmiddels was gaan heten. Ik wilde alleen weten welke maatregelen de gemeente ging nemen om die vervloekte ramptoeristen te weren uit onze straat. Verder was ik razend benieuwd naar de verklaring die zou worden gegeven voor het raadsel, de dwingende, roepende vrouwelijke stem uit het bos, al moest je er een goed en vaak jong gehoor voor hebben. Ik had ’s ochtends al verschillende helikopters gehoord die het natuurgebied onderzochten en daarbij uiteraard heel moderne apparatuur gebruikten, maar vooral moesten vaststellen dat, zoals de burgemeester het opmerkte, er geen levend wezen meer voor scheen te komen – alle dieren hadden de streek verlaten of waren dood. Er viel geen kuchje te horen, terwijl de burgemeester haar verhaal deed en feitelijk weinig anders kon dan zeggen dat niemand er iets van snapte – een raadsel.
Een kind was overleden als gevolg van een aanrijding, twee jongens bleken uit het raam te zijn gestapt en hadden daarbij zware verwondingen opgelopen, maar leefden gelukkig nog. Een journaliste kwam met een zeer terechte vraag: “Wat gaat de gemeente doen om herhaling te voorkomen?” De burgemeester beloofde de sporthal en een kerk in te richten als opvangcentrum voor ouders die zich ongerust maakten. Het was uiteraard vrijwillig. Een andere verslaggever riep of ze niet beter oordopjes ter beschikking kon stellen – waarna de burgemeester minzaam glimlachend reageerde dat daar ook al aan was gedacht – maar, nogmaals – het was vrijwillig.
Ik behoorde niet tot de doelgroep en bleef thuis slapen, maar ’s avonds zag ik diverse families zich klaarmaken voor een nacht in de sporthal en, mocht het gezien de belangstelling nodig zijn, de kerk. Halverwege de middag waren de ronkende motoren van helikopters plots verdwenen, maar het zou me niet verbazen, als ze ’s nachts terugkeerden. De jongste kinderen viel spoedig in slaap, ondanks een vreemde omgeving waarin ze terecht waren gekomen. Een meisje van zeventien jaar, een zekere Judith Herrijgers, begon als eerste te vertellen over afgelopen nacht. Terwijl de anderen zwijgend luisterden, deed ze haar verhaal. Een dag later hoorde ik Van Tilborgh over Judith.
Judith had de stem gehoord die onmiskenbaar aan een jonge vrouw toe moest behoren – een stem die voor een deel klonk als de wind die tijdens een storm door kieren en gaten blaast, maar wel een menselijke stem. Het was een vrouw die treurde over het verlies van haar enige en grootste liefde in het leven – waarmee ze overigens niet bedoelde dat haar liefde dood was. Er volgde blikken van enkele volwassen mannen en vrouwen – ze wilden geen twijfel uitspreken, aangezien er al genoeg tragische ongelukken waren gebeurd die een direct gevolg waren van de sirene. Nee, Judith bleek zelfs woorden te hebben verstaan. Volgens Judith ging het om een meisje dat verliefd was geworden op de verkeerde jongen, omdat hij afstamde van dagloners, een armoedzaaier en het meisje was de oudste dochter van een rijke boer.
“Hoe weet je dat nou allemaal?”, vroeg Van Tilborgh.
Rens, een jongen die naast Judith in het water had gestaan, beaamde het verhaal. Hij had precies hetzelfde gehoord – Rens was de tweede die begon te spreken. Andere jongens en meisjes knikten alleen met hun hoofden als teken dat ze gelijk hadden.
Een stem, als de wind die tijdens een storm door kieren en gaten blaast, maar wel een menselijke stem. Een vrouw die treurde over het verlies van haar liefde. Ik hoorde het verhaal van Mike van Tilborgh die er een beetje verlegen bij glimlachte, omdat hij niet goed wist wat hij er mee moest doen.
“Hoe weten ze dat nou?”, vroeg ik. “Een verloren liefde, de oudste dochter van een rijke boer, de zoon van een dagloner? Heeft ze dat allemaal geroepen?”
“Ja, zoiets.”
“Waarom zeggen de jongere kinderen dat niet?”
“Die zijn vermoedelijk te jong.”
Hij draaide zich al om en wilde naar huis lopen.
“Zeg eens, Mike – Ken jij toevallig iemand die veel kennis heeft van de lokale geschiedenis – dus van onze stad – er zullen niet veel echt rijke boeren zijn geweest. Misschien kent hij het verhaal. Of zij.”
Van Tilborgh trok zijn wenkbrauwen omhoog en zijn gezicht klaarde meteen op. “Ja, mijn schoonvader is een wandelend geschiedenisboek – die ouwe heeft zijn halve leven alleen maar gelezen, geschreven en hij is in archieven aan het wroeten geweest.”
“Niet geschoten is altijd mis, Mike.”
Overigens bleek de aanvullende maatregel – gehoorbeschermers voor alle kinderen die de sirene zouden moeten horen – een doorslaand succes. Er vonden in de sporthal en kerk geen nieuwe incidenten plaats. Er volgde een relatief rustige nacht, afgezien van de bouvier van Alice Lubach die net voor zonsopgang door een ruit van de keukendeur sprong. Ze was overigens niet eens de enige onvoorzichtige eigenares van een hond of kat – een man genaamd Erik Jan de Jong ontdekte dat zijn herdershond, die Wadjan heette, zo goed als doof zou moeten zijn – het dier leek nergens last van te hebben en sliep door.
’s Avonds bracht Mike van Tilborgh een bezoekje aan zijn schoonvader die erg afgelegen woonde – de ouders van zijn echtgenote hadden in de jaren zeventig een boerderijtje gekocht en zelf opgeknapt. Zodra Van Tilborgh een voet over de drempel stapte, leek hij met een tijdmachine terug in de tijd te reizen – maar zijn schoonouders leefden allebei nog en genoten van een redelijk goede gezondheid, dus zielsgelukkig met hun huis dat in 1978 of zo voor het laatst was behangen – hij kreeg een kopje koffie en stelde zijn vraag die de oude man blijkbaar al een beetje had voorzien, want er lagen verschillende boeken op tafel die betrekking hadden op de geschiedenis van Zwaagveld in de twintigste eeuw…
“Mevrouw de burgemeester heeft ook al aan de telefoon gehangen,” zei de oude Van Roosmalen.
“Zo’n gek idee was het dus niet eens.”
“Nee – nee, helemaal niet, maar ik heb genoeg teruggevonden, zelfs een familie die enigszins aan het profiel voldoet dat het meisje, Judith Herrijgers, zo keurig heeft geprobeerd te schetsen, al zou ik meer details toch wel prettig hebben gevonden. Die mis ik. Het is natuurlijk geen verwijt, want veel informatie kan de stem die ze heeft gehoord niet hebben gegeven. Ik heb iets gevonden over een zekere Bart Visscher, een rijke boer die ook geld schijnt te hebben verdiend aan de Duitse bezetter, misschien zelf ook aan joods onderduikers, maar daarover heb ik weinig gevonden. Wel de joodse onderduikers, niet het geld dat hij eraan overgehouden schijnt te hebben. Bart Visscher stond bekend als een man die weinig cadeautjes weggaf. Het is een hardnekkig verhaal dat ik erg vaak heb gehoord, vooral na zijn dood in 1976. Al zijn kinderen zijn getrouwd en hebben kinderen gekregen, behalve eentje, de oudste dochter die Hester heette, een vrolijke opgewekte meid tot ze in maart 1950 uit beeld raakte – ze kwam nergens meer, ook niet in de kerk, terwijl ze altijd een zeer gelovig meisje was.”
“Dood?”
“Mm, geen idee, maar ik zou het niet eens zo vreemd vinden, als de burgemeester een paar rechercheurs op pad stuurt om met de overgebleven broers en zussen te gaan praten – voor zover ze nog in leven zijn.”
“Die moeten allicht iets weten.”
“Ik heb die ouwe Bart Visscher goed gekend en hij was een eerste klas misbaksel – een grote smeerlap,” zei de oude Van Roosmalen die een slok koffie nam.
“Wat zou er gebeurd kunnen zijn?”
“Ik durf het niet te zeggen of zelfs te speculeren.”
Er waren uiteraard enkele gezinnen die de derde nacht in de sporthal en kerk doorbrachten, maar het merendeel besloot gewoon thuis te blijven – veel noodbedden bleven onbeslapen en de verwachting was dat er een rustige nacht zou volgen zonder enige incidenten. Terwijl rechercheurs inderdaad op zoek gingen naar nog levende kinderen van Bart Visscher en zelfs zijn dochter Hester, nam de nacht langzaam bezit van onze stad. Er zou niets vreemds mogen gebeuren, aangezien we allemaal wisten wat we moesten doen om het gevaar buiten de deur te houden. Ik bracht een bezoek aan mijn buurman Willard – die een biertje op tafel zette, ook voor zichzelf natuurlijk en er volgde een verhaal over een vrouw die hij in Paramaribo had leren kennen en vervolgens had laten zitten, omdat het zwerversbloed voor de nodige jeuk bleef zorgen – . “Ik zal er beslist een paar met jong hebben geschopt,” zei Willard.
Ik nam een slokje bier en zette het blikje neer. “Eergisteren, de tweede nacht van de sirene, heb ik je buiten iets horen zeggen, Willard. ‘Ze is me aan het roepen’. Over wie had je het eigenlijk?”, vroeg ik.
Hij dronk het blikje in een enkele teug leeg. Zijn ogen leken de zware gordijnen van zijn woning te kunnen doorboren of hij zocht naar een onbekend punt achter de bomen. Zijn magere vingers verfrommelde het blikje, zodat ik wist dat het mijne binnen enkele minuten leeg moest zijn. Een antwoord zou er niet meer volgen. Ik dacht eventjes aan Hester Visscher, alsof ze een geliefde van Willard geweest zou kunnen zijn, lang geleden. Het zou veel te makkelijk zijn en het leven geeft zelden of nooit eenvoudige cadeautjes weg. “Willard,” zei ik. “Waren er veel dagloners hier? Ik bedoel – vroeger, dus eind jaren veertig.”
“Het wemelde ervan – iedereen was dagloner, of bijna iedereen – daarom ging ik ook weg uit de stad, al verwachtte iedereen dat ik binnen een maand uitgehongerd en berooid terug zou keren om te gaan doen wat mijn voorvaderen allemaal hebben gedaan.”
“Had je spaargeld?”, vroeg ik.
“Ja,” en hij begon heel hard te lachen. “Genoeg om Rotterdam te halen en aan te monsteren als matroos, het was in die jaren de enige manier om weg te komen. Keihard werken en ik vond het prachtig.”
Ik gooide de lege blikjes in de prullenbak die buiten stond en luisterde even naar een dwingende, droevige stem, maar ik hoorde, zoals gewoonlijk niets. Willard moest een stem hebben gehoord, anders kon hij niet eens die woorden uitspreken. Het was geen goed idee om verder vragen te stellen over die episode, lang geleden, toen hij besloot weg te gaan uit de stad.
Voordat ik de deur achter me dicht trok, hoorde ik hem enkele verontschuldigende woorden uitspreken. “Het is geen onwil, jongen, ik kan het gewoon niet.”
Mijn hand bleef seconden lang op de klink rusten met de deur op een kier, zodat de woorden me zouden bereiken, maar ik reageerde verder niet en ging weg.
Om zeven minuten over drie gooide Rens de deur van zijn ouderlijke woning achter zich dicht en begon naar het bos te lopen, nadat hij zijn gehoorbeschermers uit had gedaan – nu bleek hij niet de enige te zijn die dit had gedaan, dus de meeste speculaties waren vooral gericht op de vraag waarom de jongens en meisjes dit hebben gedaan, omdat ze wisten hoe vreselijk gevaarlijk het was. Judith vond de kneedbare gehoorbeschermers jeuken, maar dwong zichzelf die rotdingen in te houden. Een jongen, die Bernard heette, kwam met exact dezelfde verklaring – die dingen jeukten. Het zorgde ervoor dat er in totaal negen jongens en meisjes onder wie Rens opnieuw naar het bos gingen. Hun ouders achtervolgden hen, maar voor Rens was het al te laat – een vrachtwagen raakte hem, een chauffeur die uit Oost-Europa afkomstig was. Er ging een gerucht dat hij hij bier zou hebben gedronken, maar de man was geheel nuchter – hij droeg geen schuld.
Bernard had meer geluk, al leek het daar aanvankelijk nauwelijks veel van weg te hebben – hij struikelde over een boomstam – in zijn haast om bij de plas te komen – hij kwam neer, brak weliswaar zijn val, maar bleef haken met zijn voet en voelde een bot breken. Toch waagde hij een poging zich verder te slepen.
Er gebeurde in totaal vijf dodelijke ongelukken, het was een rampzalige nacht, de ergste tot nu toe, terwijl we allemaal dachten dat het makkelijker zou worden. Ik vernam het nieuws de volgende ochtend en hoorde alle verhalen, maar de media werden op afstand gehouden. Ook mensen die de wijk in wilden, moest zich legitimeren, omdat ze anders door de politie werden tegengehouden – dus geen ramptoeristen meer die ook via radio en televisie werden verzocht om alsjeblieft weg te blijven – de kwestie was zo al raadselachtig genoeg en dreigend – na zes menselijke slachtoffers, één jongetje lag in het ziekenhuis te vechten voor zijn leven, maar er was goede hoop voor hem – er waren natuurlijk ook vele honderden en misschien zelfs duizenden dieren gestorven sinds de sirene haar of misschien zijn roep had laten horen. Het werd in sommige publicaties als seksistisch ervaren dat de sirene per definitie een vrouwelijke stem moest zijn die mensen in het ongeluk stortte. De betrokken kinderen hadden geen benul van seksisme.
Helikopters vlogen systematisch over het gebied, zelfs militairen die, vanzelfsprekend voorzien van gehoorbeschermers, het bos doorzochten op een onbekende aanwezigheid van iets of iemand waarvan zelfs deskundigen niet eens wisten hoe ze eruit moest zien. Was het menselijk? Of juist niet? Moesten we eerder aan klassieke mythische afbeeldingen denken? Het idee van een zeemeermin werd door ons allemaal weggehoond, omdat het water nauwelijks dieper was dan een centimeter of tien. En hoe kwam het er? Het waren vragen die onbeantwoord bleven, hoewel de meest fantastische ideeën rondgingen – het leger zou ermee te maken kunnen hebben, er lag een landmachtbasis in de buurt, een munitiedepot. Misschien hadden de Duitse bezetters in 1945 een onbekend experiment achtergelaten… Onze weigerachtigheid om commentaar te geven leidde tot waanzinnige speculaties – maar ook de autoriteiten wisten geen sluitende verklaring te geven – in elk geval waren we voor de pers sowieso onderdeel van het raadsel geworden. Waarom weigerden we anders te praten met journalisten of in televisieprogramma’s te komen? Er heerste een absolute stilte die af en toe werd verbroken, bijvoorbeeld door een persbericht waarin werd gesproken over nakomelingen van een zekere Bart Visscher. Er bleken er twee te leven die in staat moesten worden geacht te zeggen wat er van hun zus Hester terecht was gekomen, een vrouw van wie nooit vast is komen te staan dat ze dood was gegaan. Een zoon en dochter van Bart Visscher – twee hoogbejaarden die weigerden te zeggen wat ze wisten, maar mogelijk ook waren vergeten dàt ze iets wisten. Gezien de leeftijd zou het allebei goed kunnen. In elk geval dook de media massaal op het verhaal en begonnen ze te graven naar alle berichten over Hester en natuurlijk haar tragische minnaar – die ook. Langzaam maar zeker begonnen alle details door te sijpelen naar de media, of we nu spraken of niet.
Spirits (6/7) Inferno
Amper een half uur later zat ik geblinddoekt in een auto – ik had zelfs geen afscheid mogen nemen van moeder die ook niet wist dat ik het huis van de buurman was binnengegaan.
De aanvaller was bloedend blijven liggen en ik zocht naar een hartslag, pols, of bewegende borstkas, een ademhaling. Ik voelde niets.
Twee onbekende kerels belden na een kwartier aan – ik had geprobeerd mijn gezicht te wassen, zodat ik in elk geval de straat zou kunnen betreden. Oudere mannen die schenen te weten wat ze moesten doen – een lijk opruimen, maar ze waren geïnteresseerd in mij – de jongen bleef liggen, onze buurman bleef tegen de gordijnen hangen – als een excuusbeeld, alsof hij betreurde dat het zo was gegaan.
“Jij moet Chase zijn,” zei de oudste van de twee, een kaalgeschoren vent met een baard van een week.
“Ja.”
“Je gaat met ons mee – je bent geslaagd voor je examen, jongen,” zei hij, “je kunt niet naar huis.”
“Wanneer dan wel?”
“Voorlopig niet. We zullen goed voor je moeder zorgen. Je hoeft je geen zorgen te maken.”
Er stond een auto klaar – de motor draaide nog – een oudere vrouw zat naast me en trok vrij onverwacht een blinddoek over mijn hoofd. “Ik vind dit ook niet leuk,” zei ze, “maar zo zijn nu eenmaal de regels.”
Grote auto, perfect functionerende airco en ik herinner me dat de ruiten achter waren geblindeerd. Er waren in de auto geen geluiden hoorbaar van mensen die op straat stonden te schreeuwen of te gillen – ik geloofde er niets van dat er mannen of vrouwen de deur uit waren gelopen om mij in te zien stappen. Zelf had ik nooit gekeken naar zulke auto’s. In feite wist je ook niet dat er ooit een examen bezig was. Ik probeerde de blinddoek weg te trekken – deed verschillende pogingen en kreeg evenzovele tikken op mijn vingers. “Pas op, anders krijg je handboeien om, Chase. De regels zullen veel strenger worden dan je gewend bent geweest. Het gaat nu pas beginnen.”
Een reactie bleef onuitgesproken – ik wilde zeggen dat het me niet langer interesseerde, maar zoals moeder al veel eerder had gezegd – het was te laat.
“Je moet begrijpen dat het normaal is dat je weggaat bij je moeder – elke jongen en elk meisje gaat ooit zijn of haar eigen gang – zo is de natuur nu eenmaal.”
Moeder wist het – ze moest het al die tijd al hebben geweten dat het precies zo zou gaan – ik zou eerst examen doen en als ik het overleefde, werd ik naar een onbekende bestemming gebracht, een oud kloostergebouw dat zich – ergens – bevond.
Ik werd naar mijn slaapkamer – cel – gebracht – een man van ongeveer vijftig jaar oud trok de blinddoek weg en liet me achter – er waren drie raampjes, groot genoeg om de loop van een geweer doorheen te steken – een éénpersoonsbed – toilet en douche bevonden zich in de gang – er waren roestvrijstalen toiletten en wasbakken, alles leek te zijn gemaakt om minimaal een eeuwigheid mee te gaan. Het oogde erg solide, maar ik wilde er zo snel mogelijk weg. Ik wilde naar huis, al zou het betekenen dat we terug moesten keren naar onze oude stinkende verdieping.
Over mijn verblijf in het klooster wil ik niet zo veel zeggen – alleen dat een jongen die iets ouder was dan ik het me lastig probeerde te maken – hij begon me te pesten, maar ik ben geen jongen die zich laat pesten. Hij stond achter me in de kantine – ik geloof dat iedereen al enkele dagen op een reactie van mij wachtte – studenten en leraren – hij strekte zijn arm, zodat hij een appel van mijn dienblad kon pikken. Ik aarzelde geen seconde en sloeg hem keihard op zijn neus – vervolgens raakte ik zijn kin, zodat hij neerging – ik had het al eens eerder gedaan – mensen gaan neer als je ze daar raakt – ze vallen gewoon neer. Tenslotte schopte ik tegen zijn ballen – hij kromp nog verder ineen en ik liep naar een tafeltje, maar heb wel een glas sinaasappelsap van zijn dienblad gepikt.
Weken gingen er voorbij – de intensiteit van onze trainingen werd uiteraard opgevoerd – soms verdwenen er jongens, maar we stelden nooit vragen. Het ging ons geen bliksem aan en het boeide ook geen mens – we waren er voor onszelf, je reinste individualisten, volgens mij had ook niemand broers of zussen – in elk geval spraken we er zelden over. Eind september volgde er een hittegolf – we kregen een middag vrij en gingen naar de binnentuin – ik was er, maar ook vier andere jongens – geen vrienden – we hadden geen vrienden, want die raakte je kwijt. We lagen in de schaduw van een kastanjeboom en soms viel er een kastanje naar beneden waarbij het de kunst was om hem snel op te vangen – we waren hongerige leeuwen die loerden op nieuwe prooien.
Ik droeg een T-shirt en blauwe spijkerbroek – slippers stonden naast me in het gras dat warm aanvoelde. Ik had een flesje koud water naast me en soms nam ik een slokje. We hoorden auto’s passeren en Joey vroeg: “Zouden we heel ver van de stad zitten?”
“Wil je weg of zo?”, vroeg ik.
“Nee, ik vroeg me alleen af – .”
“Misschien zijn we niet eens in – ,” zei ik.
“Het eerste jaar blijf je in het klooster,” zei Winston.
Voetstappen kwamen dichterbij – ik kwam overeind en draaide mijn hoofd – het was een vechtinstructeur die graag met messen werkte en daar erg goed in was, een man van wie je nooit voldoende kon leren. In zijn rechterhand klemde hij een krant, als een rolletje. “Alsjeblieft,” zei hij, “een stuk over een gasexplosie, het staat op de voorpagina – rechtsonder – sorry.”
Ik knikte eenmaal met mijn hoofd en pakte de krant – er stond een behoorlijk grote foto van de straat – mijn straat, moeder en ik hadden er gewoond, maar er gaapte een gigantisch gat op de plek van ons huis. Bewoonster van een woning had vermoedelijk zelfmoord gepleegd door de gaskraan open te zetten, naam van mijn moeder stond erbij, ze was één van de slachtoffers. Er waren in totaal vier doden gevallen en zeven gewonden waarvan er twee slecht aan toe waren. Ik keek naar de datum – krant was twee weken oud – moeder zou begraven moeten zijn – voor zover de politie iets van haar lichaam terug had gevonden.
Ze hadden gewacht met het bericht – het zou geen zin hebben om te vragen of ik de begrafenis mocht bijwonen – moeder was natuurlijk allang begraven. Of niet – met het oog op een strafrechtelijk onderzoek.
Ze zouden me nooit ofte nimmer toestemming geven om naar de begrafenis te gaan – afscheid was een emotioneel event waar je last van zou hebben. Ik begreep ineens hoe het zat – de buurman, mijn moeder – alle emotionele bindingen werden één voor één en vakkundig uit de weg geruimd. Moeder was vermoord, ze had geen zelfmoord gepleegd – mogelijk had ze hinderlijke vragen gesteld bij Mr. Blade die wist waar ik naar toe was gebracht, of ze had gedreigd met politie – ook een goed argument om iemand als mijn moeder tegen te houden. Ze zouden me nooit laten gaan – ik zou nooit een eigen leven leiden, zoals andere kinderen – tenzij ze dachten dat ik om het leven was gekomen in een explosie.
“Chase – Wat is er aan de hand, joh?”, vroeg Joey.
“Niks,” antwoordde ik. “Er is niks aan de hand.”
De krant hield ik voor mezelf en ze stelden geen nieuwe vragen meer, want zo hadden we het geleerd.
Ik zocht naar een manier om weg te komen uit het klooster – of de kostschool – dus te ontsnappen, maar dan moesten ze allemaal geloven dat ik dood was. We waren allemaal hartstikke paranoïde, gevolg van onze opleiding en dit gold voor studenten en leraren. Het was duidelijk dat ik iets moest doen waarbij ze direct geloofden dat Chase Hendrix een eind aan zijn leven had gemaakt, omdat hij niet zonder zijn moeder kon. In elk geval begreep ik dat een medestudent als stand-in ongeschikt was, omdat ze hem zouden missen, getalsmatig zou zo’n plan mislukken, we werden gekweld door paranoia – de som moest kloppen.
Al mijn spullen zou ik achterlaten in mijn slaapkamer, voor zover ik eigen bezittingen had verzameld – ik mocht zelfs geen boeken lezen – er was echt niets. De stem van onze buurman klonk nu en dan in mijn oren: ‘Het kwaad komt ongevraagd en onverbiddelijk. Wat ga jij doen om het tegen te houden, jongen?’ Ik moest een chaos creëren die zo alomvattend was dat niemand nog in staat was om te zeggen hoeveel mannen en jongens er dood waren gegaan – er waren er meer die gebruik wilden maken van zo’n kans. Dat wist ik bijna zeker – niemand zou achterblijven om op brandweer en politie te wachten, vragen beantwoorden die leidden tot nog meer ellende, want er zouden meer mannen worden gearresteerd en uiteraard vielen er als gevolg daarvan nieuwe slachtoffers, maar ik kende al geen familie meer – of toch wel – een oom en tante die afgelegen woonden, boeren, mensen die volgens moeder hard werkten.
Een goed complot bestaat in het hoofd van één enkel mens; bedenker en uitvoerder – ik zou brand laten uitbreken in het klooster – op verschillende plekken. Er zouden geen onschuldige levens verloren gaan, want we waren allemaal ellendige moordenaars – . In de werkplaats heb ik alle spullen gezocht om een goede brand te stichten – uiteraard was de deur zorgvuldig afgesloten, maar we leerden nu eenmaal hoe je zulke ruimtes moest binnen komen. Erg moeilijk was het niet – ik had bedacht dat de brand op minimaal vier strategische plaatsen diende te ontstaan. In elk geval zou het onmogelijk worden om via de gebruikelijke route, namelijk de gang, weg te komen uit het klooster en verder hadden we allemaal dezelfde schietgaten als ramen, dus dat zou evenmin lukken – ze zaten als ratten in de val, als het lukte.
Ik ben begonnen op zolder, een enorme houten vloer die vol was gepakt met meubels van hout en textiel, erg oude fauteuils en zitbanken die lekker droog aanvoelden en goed zouden branden – ik verwachtte dat de vloer in brand zou vliegen en instorten – drie branden om de vluchtweg te blokkeren deden de rest. Terpentine, spiritus en een oude gasbrander, meer had ik niet nodig om de brand te stichten – ik goot de fles terpentine half leeg op een oude stoel die me deed denken aan de bureaustoel van Mr. Blade – natuurlijk heb ik staan kijken of het vuur zich goed verspreidde. Ik veronderstel dat die spullen werden bewaard voor moeders zoals de mijne – die een huisje kregen van De Organisatie, want dat ook moest worden ingericht. Tenslotte moest ik zelfs opschieten, omdat de zolder sneller instortte dan ik had verwacht – schreeuwende stemmen verdwenen in een hels inferno – vlammen grepen razendsnel om zich heen – ik probeerde de voordeur open te maken en het lukte me niet eens. Een dolk stak achter mijn broekriem, we gebruikten geen vuurwapens, alleen steek- en slagwapens, bovendien waren we zelf het gevaarlijkste wapen. Na twee minuten ging het slot open – ik sloot de deur en hoopte dat niemand ooit zou kunnen vaststellen dat het slot was geopend toen het klooster in brand vloog.
De buitenlucht rook heerlijk – ik had geen idee hoelang ik zou moeten lopen om de eerste huizen en dorpen te bereiken – ik wist niet eens waar ik was. De eerste tientallen meters moest ik de weg volgen – er lag een ruime parkeerplaats om het gebouw heen dat nu in lichterlaaie was geraakt – het plan was gelukt.
Na bijna vijftig meter lukte het me om een bos in te vluchten, zodat eventuele volgers me niet zouden kunnen vinden – de beste schuilplek die je je kunt voorstellen – ik schoot niet erg goed op vanwege de kuilen, greppels en omgevallen bomen – soms struikelde ik en altijd krabbelde ik weer overeind.”
De stem van Chase begint een beetje schor te worden. De tie-wraps verhinderen elke beweging die hij probeert te maken. “Er zijn 28 mensen gestorven als gevolg van de brand – 19 studenten, 6 leraren en 3 leden van de huishoudelijke dienst – nou ja, 28 min 1, aangezien jij, de brandstichter, bent ontkomen, maar jij staat wel officieel op de lijst van slachtoffers.”
“Ik heb alles verteld, oom Colin – alle slachtoffers waren moordenaars – niemand uitgezonderd – en ik heb ze allemaal vermoord, want ik ben de grootste schoft van iedereen – ik vrees uw straf daarom niet.”
“Je had je allang van die tie-wraps kunnen bevrijden, Chase. Je zit er nog, omdat je je hebt onderworpen aan het gezag van mij en je tante Catherine.”
“Precies zoals moeder het zou willen.”
“Dus – Chase – Is dit je hele verhaal?”
“Nee, ik heb nog iets gedaan – het was lichtzinnig en levensgevaarlijk, maar ik vond wel dat het mijn plicht was om te doen – ik heb Mr. Blade opgezocht.”
Spirits (5/7) Examen
“Pijn is een emotie. Die kun je uitschakelen,” zegt de oom van Chase. “Ik heb dat in het leger geleerd.”
“In de fightschool zei Mr. Flyer zei dat altijd.”
“Is die jongen – Karl – gestorven aan zijn verwondingen? Of heeft hij het alsnog overleefd?”
“Net als Andy? Nee, Mr. Flyer heeft hem over de reling van een spoorbrug gegooid, want het moest op zelfmoord lijken – zijn moeder moest dat geloven.”
“Gewelddadig zooitje. Hoe kun je daarmee leven?”
“Tja.”
“En de politie heeft nooit vragen gesteld?”
“Over Karl? Jawel, of we nooit iets hadden gemerkt. Nee agent, geen idee hoe hij dat heeft kunnen doen. We konden allemaal liegen alsof het gedrukt stond.”
“Zit je nu te liegen? Of heb je gelogen?”
“Nee.”
“Goed.”
“Ik wilde er alleen maar mee zeggen dat we onderweg wel eens jongens kwijtraakten – zoals Mr. Flyer in het begin al tegen ons zei – niet iedereen zal het redden. Het was fijn om Fat Willy op straat tegen te komen, een volwassene die voor me opzij stapte – op zekere dag bleek hij dood te zijn – hij was vermoord. Eén van zijn hoeren heeft hem doodgeschoten – kennelijk was ze het beu om steeds maar klappen te krijgen. Moeder begon meer te praten dan ze in lange tijd had gedaan, dus ik geloofde dat alles goed begon te komen. De buurman legde met vaste regelmaat boeken in het kastje en mijn zestiende verjaardag zat eraan te komen – het was de zestiende verjaardag die voor stress zorgde bij alle jongens die in de opleiding zaten. Dan moest je op examen en laten zien dat je er klaar voor was. Ik had al een reputatie, maar was nog helemaal nergens, want tot je eerste grote examen hoorde je nergens bij. We wisten heel goed waar onze opdracht uit zou bestaan – het klonk heel simpel – je kreeg een tegenstander en die moest je uitschakelen, we hadden er jaren op getraind.
Onze groep bestond uit vijf jongens – ikzelf, Pete die altijd schoenen met stalen neuzen droeg en zweetvoeten had, Charlie, een jongen met rotte tanden in zijn mond, flaporen en stekelhaar, maar die ongelofelijk hard kon slaan, bijna net zo hard als ik, Matt wiens vader in de gevangenis zat en Tony, een jongen van Italiaanse afkomst en die ooit voor de maffia zou gaan werken – dat leek ons vrijwel zeker.
Zoals ik min of meer verwachtte, was ik als eerste aan de beurt. Ik had geen wie mijn tegenstander werd, maar vermoedde dat het een jongen zou zijn die net als ik een examen moest afleggen en vermoedelijk afkomstig was van een andere fightschool uit een ander deel van de stad, dus een onbekende jongen, omdat we vrijwel nergens anders kwamen – we kenden elkaar sowieso al veel te goed – als we tegen elkaar zouden vechten, zou het een trainingspotje worden.
Het was min of meer logisch – toch lag er nog één ander probleem – ik kende niemand die was geslaagd voor zijn examen – er waren geen jongens in de wijk waarvan we wisten dat ze het examen hadden gedaan. Het behoorde tot de grote mysteriën van de opleiding.
’s Avonds zat ik in de tuin – ongeveer drie dagen voordat het examen zou plaatsvinden – de zon zakte weg achter de flatgebouwen, er lag een overheerlijke koele schaduw over het binnenterrein – je kon bijna alle huishoudens overzien – vuilnisemmers op balkons, oudere mannen en vrouwen die rookten en lui achterover gezakt op een stoel zaten – er waren ook mensen die een barbecue hadden neergezet en de geur van gebraden vlees verspreidde zich langs de gevels waardoor we opnieuw honger kregen.
Moeder zat een kruiswoordpuzzel in te vullen, zoals ze wel vaker deed – ze vond het belangrijk dat ze haar hersencellen bleef oefenen en niet alleen het huishouden deed. Ik las een boek van de buurman, maar het kostte me die avond moeite om me te concentreren en dit had niet met het examen te maken. Meestal had de buurman zijn tuindeur open staan en konden we hem horen zingen – hij zong erg vaak. Vanavond was het stil – de deur was dicht, ondanks de vrij hoge temperaturen – het was vierentwintig graden Celsius – zoals gezegd – een mooie dag.
Moeder liet haar puzzelboekje zakken en keek opzij.
“Ik heb hem de hele dag al niet gehoord,” zei ze.
“Ja – vreemd, hè? Hij is altijd thuis.”
De afspraak, die we enkele jaren geleden hadden gemaakt, spookte door mijn hoofd. Ik zou nooit zijn huis voor een tweede maal mogen betreden anders zou het de dood voor ons beiden betekenen. Toch wilde ik gaan controleren of hij nog leefde.
Ik legde het boek naast me neer en begon verveeld om me heen te kijken. “Misschien – als ik nu eens – .”
“Wat kan er nou gebeuren, Chase?” Moeder schoof met haar voeten en legde het puzzelboekje weg. “Bovendien gaat het ons niets aan – ondanks – .”
Ze stopte bijna middenin haar zin, omdat de boeken een groot geheim waren – niemand mocht ervan weten. Zo was het al vanaf het begin geweest. Niemand mocht ooit ergens van weten. Moeder stond op en liep naar binnen en ik wist dat ze een tijd weg zou blijven – ik zou over de schutting kunnen klimmen, zoals ik eerder had gedaan, of ik zou kunnen wachten tot hij zingend buitenkwam en we zouden kunnen wachten tot zijn stoffelijk overschot zo begon te stinken dat we de politie belden. Wat zou hij met de briefjes hebben gedaan die ik in de boeken had gestopt? Zou hij ze keurig hebben gearchiveerd? Zou hij ze gewoon in een mapje hebben gedaan met mijn naam in keurige sierlijke letters? Als mijn briefjes nu eens per ongeluk bij een rechercheur terechtkwamen die op de loonlijst stond van De Organisatie en de bazen vervolgens inlichtte?
Ik stond op en keek om me heen alsof ik een drukke straat wilde gaan oversteken – er zaten genoeg mensen te kijken die misschien ook connecties hadden bij De Organisatie – Mr. Blade of Mr. Flyer kenden en vast een wit voetje wilden halen. De briefjes waren een veel grotere dreiging dan oudere mensen die verveeld de avond doorbrachten op hun balkons, terwijl de stank van vuilnis rondkringelde.
Moeder wist het – ze wist dat ik ging kijken, omdat ik nu eenmaal niet anders zou kunnen – moeder wist verdomd goed dat ik over het hek zou klimmen en normaal gesproken zou ze het geen probleem hebben gevonden of zelfs hebben aangemoedigd. Ik keek nog eens naar het tuinhek van de buurman en zijn serre – de gepensioneerde leraar had op de bank moeten zitten. “Nee, nog niet gezien vandaag,” hoorde ik een oude man boven mijn hoofd ineens zeggen en de rook van zijn sigaret dwarrelde heel langzaam omhoog.
“Misschien moet je effe kijken,” zei zijn echtgenote, “omdat je altijd zo dik met die man bent geweest.”
Ik wilde antwoord geven dat dat niet het geval was – we waren toevallig buren – verder niets, maar ze waren vaak genoeg thuis om te zien dat ik regelmatig het kastje openmaakte en er iets in stopte of uithaalde. De maskerade had geen enkele zin gehad – iedereen wist dat ik boeken van de buurman leende. Alle mensen hadden het staand achter de ruiten van hun flatwoningen of zittend op het balkon kunnen zien.
‘Pijn is een emotie die je uit kunt schakelen.’
Op dat moment voelde ik me betrapt – als een jongen van de straat die de supermarkt wilde beroven, terwijl de manager al ruim een half uur op hem wachtte. Ik liep naar het tuinhek, omdat ik moeilijk anders kon.
“We hebben hem de hele dag niet gezien,” zei de oudere vrouw die een nieuwe sigaret aan begon te steken. Haar echtgenoot bromde instemmend. Ik stapte over het hek en ging verder, moeder was binnenshuis en ik wist dat er meer mensen stilzwijgend toekeken – ja, bijna iedereen zat te kijken. Naast de zitbank stond een tafeltje – de gordijnen waren gesloten, alsof de buurman gisteravond naar bed was gegaan en nog steeds sliep. Het bovenlichtje stond een klein stukje open. De gordijnen kleefden bijna tegen de ruit. Ik begon me nu echt zorgen te maken – boven mijn hoofd klonken stemmen van het oudere echtpaar die een woordelijk verslag wensten van wat ik zag, maar ik zweeg en liep door – de tuindeur stond op een kier. Of de buurman was vergeten de deur te sluiten, òf er was iemand afgelopen nacht binnen geweest, iemand die er niets te zoeken kon hebben – misschien was het een valstrik – ik mocht er immers nooit meer komen.
Het examen spookte enkele ogenblikken door mijn hoofd, ik wist niet eens hoe het eruit zou zijn, alleen dat het ging plaatsvinden – ik dacht aan een gevecht op het dak van de school – of zelfs in de fightschool.
Er heerste een diepe stilte, ik hoorde stemmen van buurtbewoners die op het balkon doorvertelden dat ik het huis van de oude man binnen was gegaan. Ik voelde me erg dom – naïef, omdat ik ongewapend was – aan de andere kant moest ik gewone huishoudelijke voorwerpen in dodelijke wapens kunnen veranderen. Er stonden vier stoelen, een tafel, een leren fauteuil en een driezitsbank, via de geopende tuindeur wist het daglicht binnen te dringen – de boekenkasten wierpen schaduwen door de kamer en ik verwachtte elk ogenblik de buurman, net als enkele jaren geleden, toen hij achter me opdook.
Ondertussen luisterde ik naar ongewone geluiden, een plank die kraakte, terwijl het stil moest zijn – misschien lag de oude man inderdaad dood op bed. Ik kwam in het halletje terecht, net zo klein als het onze – een kapstok, er hingen jassen voor elk denkbaar jaargetijde, een donkergrijze overjas die de man een plechtstatige aanblik verleende als hij op straat liep.
Er stonden schoenen onder de kapstok – opvallende sportieve schoenen die hem een modern voorkomen gaven en waarin ik hem echt nooit had zien lopen. Het was erg donker – in het halletje vond ik een spookachtige duisternis – alleen de laatste plukjes daglicht die me waren gevolgd vanuit de woonkamer.
Er waren verschillende deuren in het halletje, twee slaapkamers natuurlijk, een badkamer en toilet, ik vond er ook een gangkast die ik met een ruk opentrok. De grote slaapkamer zou ik als laatste betreden. Omdat ik daar de buurman meende aan te treffen.
Nog altijd hoorde ik geen geluid – ik luisterde aandachtig naar een onverwachte voetstap, of zacht ritselende kleding, een opvallende klik die toebehoorde aan het lemmet van een stiletto – toch bleef het stil – ik hoorde helemaal niets, zelfs geen buurtbewoners die in de deuropening schreeuwden, omdat ze het liefst wilde weten dat hij echt dood was.
Ik duwde de deur van zijn slaapkamer open – mijn moeder sliep in dezelfde kamer – zijn huis vormde een exacte kopie van de onze, maar dan gespiegeld. Er stond een tweepersoonsbed – onbeslapen – hij lag niet op bed, wel creëerde traag verdwijnend daglicht een duistere, menselijke schaduw voor het gordijn – armen waren gespreid, een moderne Christus – mijn handen tastten naar de lichtknop die er moest zijn – ik hoorde een klik, maar er gebeurde niets – de val was totaal dichtgeklapt. Ik keek opnieuw naar het menselijke silhouet dat aan de buurman moest toebehoren, een paar seconden, misschien een halve minuut, veel meer had ik niet eens nodig gehad. Mijn tegenstander had de elektra uitgeschakeld om een val voor me open te zetten en zijn plan had goed gewerkt.
Ik drukte mezelf tegen de muur – het was donker – hij zou er evengoed last van moeten hebben en ik vroeg me niet langer af of dit het langverwachte examen zou kunnen zijn – het was geen wedstrijd, maar de keiharde werkelijkheid. Het licht zou elk ogenblik aan kunnen gaan – of niet en dan zouden we ineens gelijke kansen hebben – ik wachtte af en telde geduldig de seconden, omdat mijn aanvaller elk ogenblik naast me zou moeten staan. Ik telde de seconden die hij nodig had om zich achter die overjas vandaan te worstelen, een warme verstikkende schuilplaats, erg zweterig misschien zelfs, dus ik zou hem moeten kunnen ruiken – ja. Ik zocht een wapen, iets om te gebruiken, zoals een honkbalknuppel, een krukje of stoel waarmee ik hem kon tegenhouden – je moest overal rekening mee houden. Ik had me op laten naaien en wachtte in de duisternis op een aanvaller die ik niet kende – of wel – ik had geen idee. Terwijl de seconden verstreken, ging het licht aan.
Het was inderdaad de buurman die met geheven armen tegen de gordijnen hing – zijn lichaam leunde half tegen het raam – een strop klemde zijn nek af – het bovenlichtje stond open, maar niet de tuindeur – touw was vastgeknoopt aan de sluiter – de indringer was hierheen gekomen met een stuk touw als bagage en geen ander doel dan mijn buurman op te knopen.
Terwijl ik een jongen verwachtte van mijn eigen leeftijd die snel naderbij kwam en zijn belangrijkste voordeel, namelijk de duisternis, had opgegeven, drukte ik op de lichtknop van de slaapkamer. Ik stapte achteruit en hoopte dat hij me niet snel zou opmerken.
Op dit moment moest ik de duisternis zijn werk laten doen – die zou als een onzichtbaarheidsdeken moeten functioneren – zo zou ik op hem wachten. Als hij vanuit het licht kwam, zou hij het nadeel krijgen. Zo had ik het in een boek gelezen, een tijdje geleden. Ik moest alleen nog een wapen zien te vinden waarmee ik mijn aanvaller kon uitschakelen. Mijn linkerhand graaide naar het nachtkastje en ik vond een glas – er zat water in dat ik leeggoot op het bed – geen geluid.
Helaas droeg ik geen zwarte kleding, het zou een aanvullend voordeel zijn geweest, maar gelukkig was het halletje erg slecht verlicht, alsof de buurman een sterke lamp onbelangrijk had gevonden – ik wachtte op de indringer die de belangrijkste mentor in mijn leven tot nu toe had vermoord – ik hoorde geen voetstappen naderen, wel een geluid, als een schoen die op een gladde ondergrond doorgleed – de sportieve schoenen de ik had zien staan – een moordenaar die op me had staan wachten – Toch?
Er verscheen een jongen in de deuropening die in het donker staarde en mijn gedaante zocht, het geluk was in mijn voordeel, want hij zag me niet staan – ik sloeg het glas kapot op de rand van het nachtkastje – hij wist verdomd goed dat ik vroeg of laat zou kijken hoe het met onze buurman ging, iedereen wist van de boeken – na al die jaren wist iedereen ervan.
Hij hoorde het glas breken en draaide zijn hoofd naar links – in zijn hand klemde een vleesmes – ik zakte door mijn knieën en rende naar hem toe – het afgebroken glas had ik stevig vast, klaar om zijn hals, of wat dan ook, open te snijden – ik moest de duisternis in mijn voordeel gebruiken, zolang het kon.
Ik duwde hem opzij – heel even dacht ik dat ik het mes omlaag hoorde kletteren – ik greep zijn strot vast en duwde hem omlaag – zijn ogen zochten het mes en zijn linkerhand graaiden naar mijn ballen – hij had zich laten verrassen – ja, hij had te lang gewacht – ik zag dat hij het mes weer had gevonden en voelde het lemmet in mijn buik steken – op dat moment duwde ik het afgebroken glas in zijn halslagader… en ik verzeker je dat ik echt heel hard heb doorgeduwd, want het mes kletterde nu op het laminaat en ik voelde een warme vloeistof op mijn handen en in gezicht…
Spirits (4/7) Coming of age
“Ik vond een briefje in het eerstvolgende boek van de buurman. ‘Het kwaad komt altijd ongevraagd en onverbiddelijk. Wat ga jij doen om het tegen te houden?’ Andy lag in het ziekenhuis, niet dood, maar ook niet levend. Het vriendje van zijn moeder werd gearresteerd, man stond in de buurt bekend als pooier – dat wisten we. Goedkope hoeren vormden een andere categorie dan zware mishandeling van een minderjarige jongen. Hij mocht ongestraft een hoer in elkaar trappen – dat wel. Weinig agenten zouden daar een probleem van maken – voor een hoer was het immers een beroepsrisico.
Andy zou nooit meer terugkeren in de opleiding – de dokter had zijn leven gered en ik wist bijna zeker dat Andy elke dag van zijn leven sindsdien haatte.
Het duurde erg lang voordat hij thuiskwam, maar ik zag een taxibusje stoppen en Andy bleek in een rolstoel te zitten – een levende dode – hij was zich zijn eigen leven niet eens meer bewust – hij had dood moeten zijn. Ze woonden in een benedenwoning, net als moeder en ik. De ogen van Andy staarden leeg en donker naar een punt schuin boven zijn hoofd.
’s Avonds tijdens het eten spraken we er voor het eerst over – ik wilde weten wat moeder zou doen – of ik net zo goed in een rolstoel thuis zou worden gebracht.
“Mam – Zou je mij dood laten gaan?”, vroeg ik.
“Nee,” zei ze, “want ik wil dat je tot de laatste seconde in je leven spijt zult hebben van het moment waarop je die schoft om een flyer hebt gevraagd.”
“Ik heb er al spijt van.”
“Mooi.”
“Mam?”
“Ja?”
“Heb je een hekel aan me?”
“Nee, ik vind alleen dat je slimmer had moeten zijn, je had jezelf niet aan die mensen mogen uitleveren en misschien – ja, misschien had jij ook gelijk, want ik heb je inderdaad nooit echt goed gewaarschuwd.”
“Sorry,” zei ik.
Toch vormde Andy geen echte uitzondering op de regel. Ik dacht een tijdje aan zijn ogen, zoals hij volkomen apathisch starend in de rolstoel had gelegen – na een maandje of vier moesten ze verhuizen – De Organisatie had een nieuwe woning geregeld. Als je eenmaal in de opleiding zat, deden ze dat voor je. Daarmee wilden ze voorkomen dat moeders naar de politie zouden stappen en hun verhaal deden – we hadden allemaal geleerd dat je niks van de politie mocht verwachten – in onze wijk kwamen ze hoogst zelden, tenzij ze – bijvoorbeeld – het pooiervriendje van Andrews moeder kwamen ophalen. We regelden onze eigen zaken, het was een rustige wijk, zelfs de zaken die er op straat werden gedaan vormden geen verstoring van de orde. De Organisatie was gebaat bij volstrekte rust en als er al ergens onrust of problemen leken te ontstaan, werden ze spoedig en zeer bekwaam uit de weg geruimd.
Het pooiervriendje keerde terug en hij leek belangstelling te hebben voor mijn moeder. Ik was inmiddels vijftien jaar en erg groot voor mijn leeftijd.
Maandagavond kwam ik thuis – moeder zat aan tafel en er stond een geopend doosje waar een gouden ring uitstak. Ze keek me aan, terwijl ik binnenkwam. Haar ogen stonden allesbehalve gelukkig, mondhoeken staken omlaag en ze zei: “Moet je nou eens zien?”
“’n Nieuwe vrijer, mam?”
“Fat Willy is terug – hij heeft me uitgekozen als zijn nieuwe partner.” Man werd zo genoemd, omdat hij graatmager was. Hij haatte zijn bijnaam, dat ook.
“Dan zeg je toch dat hij moet oprotten?”, vroeg ik.
“Hij stalkt me al een paar dagen – en nu dit.” Moeder knikte naar het doosje met de gouden ring erin.
Ik pakte het doosje en sloot het dekseltje.
“Moet ik het regelen?”
“Ja – alsjeblieft – hij is een creep.”
“Oké.”
“Vermoordt hem niet.”
“Ik sla Fat Willy zó hard – dat iemand anders hem alleen maar hoeft om te duwen – dan valt hij dood.”
De oom van Chase onderbreekt hem. “Mag dat? Je zegt dat je voor eigen rechter gaat spelen. Mag dat?”
“Nee, natuurlijk niet, maar kinderen mishandelen is veel meer verboden – dat is de allergrootste misdaad.”
“Hij heeft het joch praktisch vermoord.”
“Fat Willy hééft hem feitelijk ook vermoord – .”
“Heb je ooit aan de politie gedacht?”
“Waardeloze lui – ze namen het halve leger mee, als ze de wijk binnen wilden gaan – je zag het verschil.”
“O – op die manier.”
“Maar goed – ik stak het doosje in mijn jas en ging meteen weer weg – ik had gegeten, getraind natuurlijk – ik wist waar Willy moest rondhangen – er was een kroeg, ja, het was dezelfde waar mijn moeder ook had gewerkt. Zoveel kroegen waren er niet eens in onze wijk. Het was er drukker dan ik had verwacht.
De portier wilde me tegenhouden – hij vond me te jong, maar ik wilde niet opscheppen over de handel of zuipen met mijn vrienden – ik wilde iemand spreken, namelijk Fat Willy en dat zei ik ook meteen.
“Nou – ogenblikje – eventjes vragen of ik je binnen mag laten, want dat weet ik niet zo goed, hoor.”
De deur ging dicht en het lawaai binnen verstomde. Ik hoorde de portier enkele woorden zeggen die ik niet goed verstond, maar hij noemde wel mijn naam.
Bijna een minuut later ging de deur open. De portier stapte opzij en wees naar binnen – ik rook de stank van verschraald bier – ernstig glimmende gezichten van volwassen mannen, maar ook vrouwen die in veel gevallen een grijnslach probeerden te onderdrukken.
Mijn ogen gingen zoekend rond, omdat ik me niet wilde laten overvallen door Fat Willy – de man die ik zocht hing een beetje nonchalant tegen de bar – zijn arm rustte op een koperen stang – zijn ogen glommen als donkerblauwe kerstlampjes – hij was al bezopen.
Ik viste het doosje uit mijn jaszak en gaf het aan hem, maar hij weigerde het aan te pakken – hij zweeg, dus plaatste ik het doosje demonstratief op de bar – daarna zette ik een stap achteruit. “Mag ik je iets vragen?”, vroeg ik – er viel een korte stilte – Mr. Blade zat er ook – aan een tafeltje – de kroeg was ook van hem.
“Je mag alles vragen,” zei Willy die er zijn schouders bij ophaalde, “maar of je ook antwoord zult krijgen?”
“Sinds een paar dagen val je mijn moeder lastig – Zou je daar per direct mee op willen houden?”, vroeg ik.
Willy keek om zich heen, alsof hij zijn vriendjes zocht – zijn mondhoeken krulden omhoog. “Misschien moet ik maar eens extra mijn best doen – ik vind je moeder namelijk een erg lekker wijf.”
In de fightschool leerden we allemaal rustig te blijven, dus niet boos worden en kalm blijven, want als je je op liet naaien, was je reddeloos verloren.
Er klonk besmuikt gelach – links en rechts van me.
“Dus – hoe wou je me tegenhouden?”, vroeg hij.
“Ik zou je om te beginnen kunnen vermoorden.”
Opnieuw hoorde ik lachende mannen en vrouwen, omdat ik de moed had gehad om het hardop te zeggen.
Willy boog voorover en wees op zijn kin. “Dan moet je me hier slaan – of leren ze je dat daar niet?”
Ik aarzelde geen seconde en sloeg hem – zo hard ik kon – ik hoorde zijn kaak breken – zijn ogen draaiden naar boven – ik zag het wit van zijn ogen voordat hij om begon te vallen – zijn armen trokken enkele glazen bier mee – zijn lijf viel met een doffe klap neer. Het was veel sneller afgelopen dan ik had gedacht.
“Godskolere – het ventje kèn ech’ hard slaan.”
De portier kwam naast me staan, pakte de enkels van Willy beet en sleepte hem gewoon naar buiten.
“Chase.” Het was Mr. Blade.
“Ja mijnheer,” antwoordde ik.
“Je had hem kunnen doden. Waarom heb je dat niet gedaan?” Mannen en vrouwen maakten ruimte, zodat we elkaar recht in de ogen zouden kunnen kijken.
“Dat heb ik moeder beloofd, mijnheer.”
“Vandaar dus. Goed werk, jongen. En nu wegwezen.”
Ik draaide me om en ging naar huis. Het duurde bijna tien minuten voordat ik in de woonkamer stond.
Moeder zat op de bank en keek televisie.
“Heb je het geregeld?”, vroeg ze.
“Ja,” antwoordde ik.
“Leeft hij nog?”
“Ja.”
“Goed. Meer wil ik niet weten.”
Ze speelde ondertussen met de afstandsbediening.
“Chase?”
“Ja?”
“Dank je wel.”
De oom van Chase schuift zijn stoel ineens heen en weer, pakt de shotgun vast zonder de loop te richten. “Het is fijn om te horen dat het weer een beetje goed kwam tussen je moeder en jou, maar Fat Willy, zoals jij hem noemt, als die man echt zo heette, moest hebben geweten wie of wat jij in werkelijkheid deed.”
“Er waren er altijd die vergaten wat het betekende om in de opleiding te zitten – ik had goed onthouden hoe jongens en meisjes om me heen reageerden, nadat ik bij de fightschool was gegaan. Ik heb een jongen gekend die Karl heette – zijn moeder en hij woonden schuin tegenover ons – helemaal in het begin mocht ik hem wel, Karl leek een aardig ventje te zijn. Het duurde enkele maanden voordat we allemaal begonnen te merken dat je ontzettend voorzichtig moest zijn als hij in de buurt rondhing.
Ik bedoel – je kunt spullen kwijtraken, nietwaar? Er verdwenen spullen – niet eens elke dag of week, er konden maanden voorbijgaan terwijl er niets vreemds gebeurde. Een jongen raakte zijn broekriem kwijt, Andy riep op een avond dat hij zijn horloge miste – zulke dingen dus – ik liet ooit mijn portemonnee rondslingeren en vond hem zonder contant geld terug. Op gegeven moment gaan zulke dingen knap irriteren.
Onze buurman stelde af en toe een vraag over goed en kwaad, ik hield me ermee bezig, ja. Ik las boeken. Als groep, of als toekomstige spirits, hielden we ons alleen maar bezig met opdrachten – het uitschakelen. Vaak geloofde ik dat we daarom naar school moesten, omdat we er leerden hoe je functioneerde in een groep. In de fightschool vochten we voor onszelf. Ik heb vaak genoeg tegen Karl gevochten en vond hem een goede vechter, een geboren spirit, net als zijn vader, of de mijne, maar we waren geen vrienden.
Misschien dacht Karl dat we allemaal stommelingen waren, want vaak deed hij alsof hij de enige slimmerik was. Nadat Andy thuis was gekomen, dus de zielige Andy, zag ik Karl enkele dagen later op straat – misschien dacht hij dat ik het niet zou zien – of dat niemand het iets zou kunnen schelen, maar hij droeg het horloge van Andy – dat weet ik zeker.
Het zou kunnen dat ik veel te veel nadenk – we vonden het namelijk allemaal rot dat Andy zijn horloge kwijt was geraakt – ik heb destijds geholpen met zoeken, omdat we allemaal wel spullen kwijt raakten. Snap je wat ik bedoel? Misschien had het iets te maken met de klappen die ik Andy heb gegeven voordat hij definitief neerging. Misschien voelde ik me schuldig en had de buurman me echt geraakt met zijn verhalen over goed en kwaad en misschien was Karl echt een gore smeerlap die stal van zijn vrienden, terwijl hij het geld godverdomme niet eens nodig had.
Het kwam doordat we onze emoties altijd moesten verbergen – een student die tijdens een training begon te huilen – het was ronduit genant – zulke dingen gebeurden gewoon en dan pakten we hem nòg harder aan – het mocht en Mr. Flyer moedigde dit zelfs aan. We kenden steeds minder remmingen. Ik vocht in de fightschool om te overleven – voor mezelf en moeder.
Ja, het kwam doordat we onszelf altijd moesten beheersen – pokerfaces of koppen van marmer. Karl was een dief en dat wisten we allemaal. Hoelang duurt het voordat je onredelijk boos wordt op iemand? Na een training hadden we gedoucht, zoals het hoorde en ik keerde terug naar de kleedruimte. Ik kwam als laatste binnen, maar er heerste een merkwaardige stilte, normaal hoorde je jongens zeggen hoe vreselijk goed ze wel niet waren geweest. Nu was het er volkomen stil en enkele gezichten draaiden in mijn richting, toen ik binnenkwam. Een handdoek hing over mijn schouder – ik bedoel maar – soms was er iemand die vergat dat hij zich in het gezelschap van roofdieren bevond.
Karl bleek het probleem te zijn, want hij had het verkeerde kastje opengemaakt en was aan het stelen. De jongens kwamen veel eerder terug dan hij had gedacht. Zo is het gegaan. Hij stak zijn handen in de lucht, alsof hij werd gearresteerd door de politie.
“Jongens – ik beloof dat ik alles zal terugbetalen.” Normaal toonde hij er een grijnslach bij – nu niet. Een paar jongens begonnen zich zwijgend aan te kleden. Mr. Flyer was niet in de buurt – die was in de eetzaal. Ik gooide de handdoek op het bankje en trok mijn onderbroek aan, sokken, overhemd en spijkerbroek.
“- Blij dat jullie zo goed reageren, jongens,” zei hij.
Een jongen die naast me zat, droeg schoenen met stalen neuzen – hij heette Pete, een gemene rotzak.
Karl begon zich aan te kleden. Eerst zijn shirt.
Ik strikte de veters van mijn schoenen en stond op, terwijl andere jongens ook gingen staan – we hadden niets besproken en vandaag hoefde dat ook niet.
“Wat gaan jullie doen?”, vroeg Karl.
Mr. Blade heeft het wel eens gezegd: “Er bestaat eer in het gezelschap van roofdieren.” We begonnen Karl te slaan en sloegen meteen heel hard. We raakten zijn gezicht en armen, borst, maar hij probeerde zich te verdedigen – neuzen van schoenen raakten zijn benen – we schopten en sloegen. Het was een kansloze strijd voor Karl die hij moest verliezen. Hij viel neer, maar we bleven hem schoppen. We zeiden niets en de stilte werd alleen verbroken door onze vuisten en schoenen – ik hoorde zijn botten kraken – hij begon te bloeden – Pete stapte als eerste achteruit – Karl kromp ineen en lag in foetushouding.
Zo hebben we hem achtergelaten en eerlijk is eerlijk – Karl heeft niet gegild, of geschreeuwd, of om zijn moeder geroepen, zoals ik wel eens heb meegemaakt. Hij heeft ook niet om genade gesmeekt. Karl heeft in elk geval zijn persoonlijke eer kunnen redden. Hij is gestorven als een spirit. Ja, er bestaat echt zoiets als eer in het gezelschap van roofdieren,” zei Chase.
Spirits (3/7) Boeken
“Al snel kregen we te horen dat we een ander huis zouden krijgen in – natuurlijk – dezelfde wijk. Moeder sprak weinig, maar deed verder vrij normaal. Drie maanden later verhuisden we naar ons nieuwe adres – het was een etagewoning, maar op de begane grond. De verhuisauto stond voor de deur – alles werd gedaan door de verhuizers – ik ging het huis binnen en er lag een laminaatvloer – de muren waren wit geschilderd, net als de kozijnen en deuren, we hadden een mooie schone keuken met blinkende tegels. Belangrijker: vanaf die dag hadden we een echte tuin, een royaal grasveld met een paar bomen. Moeder zei er niet veel over – we zouden in de zomer buiten kunnen zitten, terwijl de zon achter de flat wegzakte. Ik leerde de dezelfde dag nog onze buurman kennen.”
“De man die zo belangrijk voor je is geweest,” zegt de oom van Chase die nog steeds de shotgun vasthoudt, alsof het zijn meest dierbare bezit betreft.
“Ja,” zegt Chase. “Ik hoefde alleen over het hek te stappen om in zijn tuin te komen – de buurman had geen groen – er lagen plavuizen – hij had een serre gebouwd en daar een oud bankstel neergezet. Deur stond open en ik beschouwde het als een uitnodiging.
En nooit eerder in mijn leven had ik zoiets gezien – ik ging zijn woonkamer binnen en zag muren vol boekenkasten – van de vloer tot aan het plafond, er was een trap gemonteerd die je moest beklimmen om de bovenste boekenplanken te kunnen bereiken.”
“Je bent er zomaar binnengegaan?”, vraagt de oom van Chase wiens ogen wijd open zijn gesperd.
“Ja, want de deur stond open,” zegt Chase. “Bovendien had ik nooit eerder zoiets betoverends gezien – boeken en nog eens boeken – een kamervol. Ik stond middenin de woonkamer om me heen te staren – stelen van boeken leek me de allergrootste misdaad – ik had het niet eens kunnen bedenken. Geen idee hoelang ik daar heb gestaan, maar na een tijdje hoorde ik een stem achter me praten – de buurman bleek een man te zijn die gewend was om met kinderen om te gaan – een gepensioneerde leraar.
“Dat heb je snel gedaan,” zei hij, “de verhuisauto staat amper voor de deur of je begint al in te breken.”
“Sorry – de deur stond open en ik – ,” zei ik.
“Je staat erbij te kijken alsof je nooit eerder in je leven een boek van dichtbij hebt gezien,” zei de buurman.
“Jawel – natuurlijk – maar niet zoveel.”
“Vertel eens,” zei hij. “Huur of koop?”
“Eh – Wat bedoelt u?”
“Betaalt je moeder huur?”
“Nee – nee, ik dacht het niet.”
“Dus ze heeft jullie huis gekocht.”
“Dat ook niet. We hebben het gekregen.”
“In dat geval zit je in de opleiding,” zei hij. “Ga je sinds enkele maanden naar de fightschool?” De buurman ging tegenover me staan en pakte mijn handen – hij begon mijn knokkels te bestuderen die er nogal rood uitzagen – oefeningen waren niet altijd fijn. Er begon zich eelt te vormen op mijn knokkels. Hij liet mijn handen los. “Hout of steen?”, vroeg hij.
“Hout.”
“Ik wil boeken uitlenen, maar ik zoek de titels uit – elk boek krijg ik van je terug en je doet er een verslag bij dat uit enkele regels bestaat. Het is niet de bedoeling dat je er complete opstellen bij schrijft.”
“Oké,” zei ik.
“Het is ook belangrijk dat je het volgende goed begrijpt, want ze zouden ons allebei vermoorden – je mag niemand vertellen dat je die boeken leest en het is ook streng verboden iemand te vertellen over onze contacten – we groeten elkaar op straat, maar doen alsof we elkaar niet kennen – als je nog één keer mijn huis binnenkomt, zoals je net hebt gedaan, dan betekent dat waarschijnlijk de dood voor ons beiden.”
De oom van Chase onderbreekt zijn neefje weer.
“Waarom nam die man zo’n geweldig risico?”
“Geen idee. Ik heb het nooit gevraagd.”
“Wat denk jezelf? Je moet een vermoeden hebben.”
“Om de spiraal van geweld te doorbreken.”
“Hè? Hoe bedoel je?”
“De Organisatie houdt zichzelf in stand – je kunt ze alleen stoppen door ze allemaal te vermoorden, zelfs gevangen zetten heeft totaal geen zin – er is altijd wel iemand die leiding wil geven aan een fightschool – spirits moeten zo min mogelijk geweld toepassen – natuurlijk kan ik vechten, maar een moord mag geen argwaan wekken bij politie of nabestaanden – niemand mag vermoeden dat er een moord is gepleegd – daarom moest ik mijn best doen op school. Hard slaan is niet voldoende, je moet echt slim zijn. Politie en justitie zijn dusdanig overbelast dat veel verdachte sterfgevallen niet worden onderzocht.”
Chase wacht hier enkele seconden, maar zijn oom zwijgt alleen en knikt heel traag met het hoofd.
“Er veranderde meer dan alleen ons huis – op school wist iedereen dat ik een jukbeen van Eduard had gebroken – het was opvallend om te merken hoe vriendelijk iedereen ineens tegen me begon te doen. Ik had nooit veel last van pestkoppen, maar sinds ik, zoals de buurman zei, in de opleiding zat, reageerde iedereen opvallend vriendelijk en tegelijkertijd was ik nooit eerder in mijn leven zo eenzaam – ik werd bijvoorbeeld nooit uitgenodigd voor feestjes en zo.”
“Heb je wel eens ruzie gekregen en toen gevochten?”
“We mochten niet vechten en aangezien iedereen wist dat ik vier keer per week naar de fightschool ging, gebeurde dat ook nooit – ik heb nooit ruzie gezocht met andere jongens – een andere jongen heeft een keer gevochten – die zat in dezelfde groep als ik. Het gebeurde op school en ik heb een einde gemaakt aan het gevecht – de jongen heette Andrew en ik heb heel hard geslagen – enkele malen zelfs – mijn vader scheen dezelfde harde vuisten te hebben gehad.
Na school ben ik direct naar de fightschool gegaan, al hoefde ik er die dag niet eens te zijn, maar ik vond dat ze het verhaal beter van mij konden horen – Andrew ging gewoon naar huis – ik vond niet dat ik klikte – natuurlijk heb ik hem verteld wat ik ging doen, maar het boeide hem weinig – hij haalde zijn schouders op.
Mr. Flyer was er bezig met een paar ouderejaars – ik was nog maar een beginneling – hij stuurde me naar kantoor, zodat ik Mr. Blade kon uitleggen wat er was gebeurd. Nee, ik hoefde niet eens te zeggen dàt er iets was voorgevallen op school – hij wist het al. Slecht nieuws moet je snel tackelen – zo snel mogelijk.”
“Hoe reageerde hij – Mr. Blade?”, vraagt zijn oom.
“Hij vond dat ik goed had gehandeld – Andrew niet, natuurlijk niet, die had willens en wetens een regel van school gebroken – ik kreeg een extra punt – Andrew kreeg zijn eerste officiële waarschuwing.”
“Zijn eerste – ?”, vraagt zijn oom.
“Je mag er tot je eerste examen drie incasseren, bij je vierde moet je vertrekken en kun je beter emigreren.”
“Heel grappig.”
“Het was geen grap.”
“Ze werken dus met officiële waarschuwingen.”
“Ja, tot je zestiende verjaardag. Daarna mag je geen fouten meer maken, want die kunnen de dood tot gevolg hebben of ontmaskering van De Organisatie – je moet je bewust zijn van je plaats in de rangorde.”
“Hoe reageerde die andere jongen – Andrew?”
“Niet zo goed,” antwoordt Chase die erbij glimlacht. “Hij noemde me een klikspaan – een verrader, Andy was ook bang – ik was sterker dan hij – èn slimmer.”
“Je hebt die jongen wel een officiële waarschuwing bezorgd,” zegt de oom van Chase. “Zijn eerste.”
“Klopt – ik weiger op te draaien voor de fouten van een ander – hij zou mij in gevaar kunnen brengen.”
“Ik begrijp het.”
“Fouten van spirits zijn erg dodelijk.”
“Heb je ooit zelf een waarschuwing gekregen?”
“Nee,” zegt Chase. “Voordeel van mijn – lidmaatschap van de fightschool – was dat ik veel minder behoefte had om op straat rond te hangen – tot genoegen van moeder en de buurman zorgde er altijd voor dat ik een lekker boek had om te lezen – hij had een kastje in de wand van zijn serre gebouwd – aan beide zijden zaten luikjes en er paste een boek in. Deurtje open, deurtje dicht – het ging altijd erg snel. Gelukkig groeide er een conifeer die het zicht op het kastje wegnam, anders zou iedereen kunnen zien wat ik er deed. Het was spannend, het was verboden.
Moeder was erg stil geworden, ik probeerde zo min mogelijk aanleiding te geven tot heibel en gedroeg me, volgens mij, heel netjes – vergeleken met andere jongens die in de opleiding terecht waren gekomen. Wel klonk er muziek in huis, we hadden een radio. Verder gebeurde er niet zoveel – ik lag een beetje lui op de bank en las een boek van Tanith Lee, Stephen King of verhalen van Edgar Allan Poe, ik heb Bram Stoker gelezen en Mary Shelley – alle grote namen.
Ik herinner me een incident – het vond in de winter plaats en het zou ’s nachts streng gaan vriezen. Mr. Flyer was koppels aan het formeren, zoals hij het altijd noemde – jongens die tegen elkaar moesten vechten – we droegen altijd hoofdbeschermers, maar gebruikten geen handschoenen, zoals boksers. Ik kreeg, zoals wel vaker, Andy als tegenstander. Het deed me weinig, al maakte hij er vaak een extra competitie van – ik sloeg gewoon harder dan hij en gebruikte veel meer trucjes die hem uit zijn evenwicht brachten – zo slim was hij nu eenmaal niet. De partijtjes waren erg belangrijk in de fightschool, omdat ze je plek in de rangorde bepaalden, als je altijd verloor was je een loser die zijn examen niet haalde.
Ik begon meestal verdedigend, omdat ik wilde uitvissen wat de zwakke plekken van mijn tegenstander waren – misschien was dat wel het probleem – we leerden elkaar veel te goed kennen. Eerst een knokpartijtje dat een kwartier zou duren en daarna gingen we gezamenlijk eten, terwijl we onder de blauwe plekken zaten – voor de meesten was het avondeten een hoogtepunt, omdat niet alle moeders goed konden koken – mijn moeder kookte wel lekker.
Die avond liep alles anders. Andy reageerde erg traag en ik besloot snel een einde aan het gevecht te maken – misschien zou ik hem knock-out kunnen slaan, ondanks de hoofdbeschermer die hij ook droeg. Een hoofdbeschermer omsluit je schedel, maar laat je gezicht vrij, dus besloot ik recht door het midden te gaan – het leek me een logische gedachte – keihard op de neus die waarschijnlijk zou breken, er zou een flinke hoeveelheid bloed gaan stromen – Mr. Flyer zou het gevecht direct stoppen – ik zou winnen.
Aldus het plan dat zich in mijn hoofd vormde.
Maar Andy reageerde vrij traag, meteen al, vanaf het begin van het gevecht en ik vond het een voordeel.
Eerst sloeg ik snoeihard in zijn buik – hij boog kreunend voorover en ik sloeg enkele malen in zijn gezicht – het gedeelte dat niet bedekt werd door de hoofdbeschermer – ik hoorde zijn neusbeentje kraken en waarschijnlijk nog veel meer – hij bleef eventjes stilstaan – Mr. Flyer kwam snel dichterbij om me tegen te houden, want ik wilde meer klappen uitdelen.
Eerst viel Andy op zijn knieën – armen loodrecht omlaag – daarna klapte hij domweg voorover – hij kwam op zijn gezicht terecht en ik keek toe – Had ik echt zo hard geslagen dat hij bewusteloos neerviel?
“Andy! Andy!”, schreeuwde Mr. Flyer die twee gestrekte vingers op een halsslagader drukte – de dokter kwam erbij – ze rende dwars door de zaal en knielde naast het bewegingsloze lichaam van Andy.
Mr. Flyer boog zijn hoofd en bleef een halsslagader zoeken die hij blijkbaar niet kon vinden – de dokter nam het over en begon hem erg snel te reanimeren.
Ik keek toe, terwijl Mr. Flyer het shirt van Andy kapotscheurde en het bovenlichaam van mijn tegenstander bleek onder de blauwe plekken te zitten.
“Dit heb jij niet gedaan, jongen. Dit heb jij niet gedaan!”, riep Mr. Flyer en zijn stem galmde zelfs.
Ik dacht aan een verhaal van Edgar Allan Poe, titel was ‘William Wilson’, over een jongen die zijn goede zelf probeerde te vernietigen en daar ook in slaagde.
Voor het eerst vroeg ik me af wat voor man ik wilde zijn, als volwassene, later als ik groot was.
Even dacht ik dat mijn naam William Wilson was.”