De dood van Manfred Pastoor zorgde gedurende enkele weken voor ophef in de media – een oudere man die op klaarlichte dag was doodgeschoten. Bressers had weinig anders verwacht en deponeerde een dag later de brokstukken van zijn wapen en het koffertje in de Maas. Er zou nooit een dader worden gevonden. Het hondje lag er met een pistoolschot, net als zijn baasje, maar de zaak bleek toch spoedig ingewikkelder te liggen. Pastoor had samengewoond met een vrouw die dood op bed lag, vermoord met hetzelfde wapen dat ook voor het dier was gebruikt. Na deze onthulling verdween de aandacht enigszins, aangezien de dode eveneens schuldig was aan moord.
Ondanks alle speculaties in de pers kwam de zaak al spoedig op een dood spoor terecht. Zelfs een vage beschrijving van een man die eventueel als dader kon worden aangemerkt – minimaal betrokkene – leidde tot geen enkele bruikbare aanwijzing. Bressers volgde de affaire op een gepaste afstand en bracht vijf maanden door in zijn Veluwse bungalow. In de tussentijd wimpelde hij aanbiedingen af om opnieuw in een talkshow te verschijnen – hij overwoog bovendien nooit meer in zulke programma’s te verschijnen.
Halverwege maart keerde hij terug – de dag na zijn terugkeer wandelde hij naar de winkel om zijn lectuur te halen, zoals altijd – er leek niets te zijn veranderd.
“We hebben u gemist, mijnheer Bressers,” zei een vrouw, er wiebelde een knotje bovenop haar hoofd.
“Volgens mij had ik een berichtje gestuurd.”
“Ja-a, maar dan kunnen we u als vaste klant nog wel erg missen. We zien u graag binnenkomen, hoor.”
“Deze keer blijf ik een tijdje.”
Bressers verliet de winkel en bestudeerde in de tussentijd de voorpagina van een tijdschrift die de naam vermeldde van een politicus, een snel rijzende ster in de Haagse politiek, een relatieve onbekende – hij was onverwacht lijsttrekker geworden voor zijn partij. Het was woensdagochtend, een week voor de verkiezingen. John Bressers kende hem al, had hem eerder ontmoet – lang geleden. Toch moest hij half januari goed nadenken wanneer hij de goedlachse family man die Nicolas Reijnders heette eerder tegen het lijf was gelopen – een man die premier kon worden.
Twintig jaar geleden om precies te zijn, toen Reijnders als hulpverlener werkte voor een hulporganisatie die Equal Chances heette en belangrijk werk deed in ontwikkelingslanden.
Talentvolle kinderen kregen de kans een opleiding te volgen inclusief diploma en goedbetaalde baan. Er verscheen een grijns op het gezicht van Bressers die hij meteen weer wist te onderdrukken, omdat er een man passeerde met een hondje dat herinnerde aan het dier waarmee Manfred Pastoor zich steeds buiten waagde.
Reijnders had tijdens zijn verblijf op een Caraïbisch eiland een meisje verkracht en Bressers werd ingeroepen om de man weg te laten komen van het eiland zonder tussenkomst van de politie uiteraard – hij moest het probleem oplossen en dat heeft hij gedaan, hij was een professional.
In zijn archief lag een dossier over de kwestie – verklaringen en ook foto’s die Bressers had genomen. Het was een normale procedure. Reijnders protesteerde, terwijl het meisje bewusteloos op bed lag. Ook daar nam hij foto’s van – een heel jonge Reijnders die zich op stond te vinden over Bressers – vanwege de foto’s. Als belastend materiaal.
Reijnders echt had gedacht dat hij zomaar weg zou kunnen lopen.
“Het moet, anders help ik je niet,” was het antwoord van Bressers geweest, “zo zijn de regels van het spel.”
“Oké – oké, het is mijn eigen schuld,” zei Reijnders.
Het was vooral zelfbescherming – als incident manager, zoals Foley de functie altijd noemde, kon je wel eens in problemen komen, als de plaatselijke politie zich met een kwestie begon te bemoeien – er mochten nooit vraagtekens bestaan over de schuldvraag – Reijnders had het gedaan en Bressers zou hem nooit laten vertrekken, als hij weigerde op te schrijven dàt hij het ook had gedaan, dus een meisje verkracht. Bressers gooide een pen en kladblok op het tafeltje. “Ik wil dat je opschrijft wat er is gebeurd – ja, een bekentenis.”
“Ja maar – ik.”
“Luister eens, jongen. Ik vind je een eersteklas viespeuk, een pervert, het zou me geen moeite kosten om je te neer te knallen, maar ik ben een prof en doe wat me is gevraagd. Jij hebt haar verkracht, ik zorg ervoor dat je over een paar uur in het vliegtuig zit.”
Bressers stak zijn vingers achter zijn broekriem, zodat zijn pistool bloot kwam te liggen – een bewuste actie, aangezien Reijnders verdomd goed diende te beseffen wat hij riskeerde als hij weigerde mee te werken.
“Oké,” zei Reijnders die alleen een onderbroek aan had – hij begon direct te schrijven – na bijna tien minuten legde hij de pen neer en wachtte hij af.
Bressers verbaasde zich er enigszins over dat Reijnders de woorden zomaar op had kunnen schrijven, las de verklaring en knikte eenmaal met zijn hoofd. “Naam – handtekening – datum – plaats.”
Reijnders deed wat hem werd opgedragen – slaakte tenslotte een diepe zucht, alsof het nu echt tot zijn bewustzijn scheen door te dringen dat zijn leven een andere richting had genomen. Er lag een handgeschreven verklaring – daarin noemde hij zich een verkrachter – een zestienjarig meisje – mogelijk zelfs jonger – Bressers wilde de mogelijkheid niet uitsluiten – zulke meiden zagen er vaak ouder uit.
Reijnders kleedde zich aan – hij nam amper de moeite zijn veters te strikken. “Alles verzameld?”, vroeg Bressers.
Reijnders zei geen woord en knikte alleen.
‘Nog één ding,” zei Bressers, “ik ga een dossier aanleggen over – het meisje en jou – er zal nooit wat mee worden gedaan – je hebt mijn woord – zo zijn de regels van de firma.” Reijnders beet op zijn onderlip, veegde een traantje weg, al dan niet denkbeeldig. “Je mag een carrière nastreven in het bedrijfsleven, gemeenteraad is eveneens toegestaan, een grote Hollandse gemeente – het mag – het landsbestuur is off-limits – in dat geval zou je best wel eens ingehaald kunnen worden door de geesten uit je verleden.”
“Maar – ik moet – het is een familietraditie, net als dit werk – ontwikkelingshulp – samenwerking – als voorbereiding op een politieke carrière – net als mijn vader en grootvader moet ik minister worden.”
“Je hebt je rechten verspeeld,” zei Bressers die de ogen van Reijnders steeds groter zag worden – als een opgejaagd hert dat in een felle lichtbalk staarde. “Kijk – het meisje is nog altijd bewusteloos – of heb je haar een of ander middel toegediend en heeft ze zelf geen flauw idee wat haar is overkomen – zo’n vieze drug?”
“Ik zit helemaal klem – je hebt een bekentenis.”
“Je bent een viespeuk, een pervert, een smeerlap.”
Reijnders maakte de deur open en wilde weglopen.
“Totaal geen respect voor de Majesteit,” zei Bressers.
Twintig jaar later liep Bressers naar huis en probeerde hij de spoken uit zijn eigen verleden te verjagen. Reijnders had nooit goedkope olie ingekocht voor welk bedrijf dan ook, maar gewerkt als hulpverlener – Equal Chances, gelijke kansen voor alle kinderen, al moesten ze tot de kerk van de familie Reijnders behoren. Bressers passeerde enkele restaurantjes die juist de deuren begonnen te openen, maar hij vond het te vroeg en misschien at hij vandaag gewoon thuis.
Op de kruising ging hij linksaf – Bressers zag een man aan de overkant die begon over te steken – hoewel het niet duidelijk was of ze elkaar moesten kennen.
“Mijnheer Bressers?”, vroeg de onbekende.
Ze zagen elkaar inderdaad voor het eerst. Bressers zweeg en bestudeerde de jonge man, een dertiger met sluik achterovergekamd haar, een stoppelbaardje.
Bressers dacht aan een goed opgeleide vent die regelmatig in een fitnesszaal terug te vinden was, een beetje gezond leefde, maar ook sigaretten rookte, want hij stonk onmiskenbaar uit zijn mond.
“Ja.”
“Heeft u een minuutje de tijd voor me?”
“Dat gaat wel lukken, denk ik.”
“We hebben een – eh – gemeenschappelijke kennis.”
“O.”
“Hij is de volgende premier van ons land.”
“Heb je het over deze man?”, vroeg Bressers die de cover van het tijdschrift liet zien.
“Jazeker.”
“En?”
“Mijn werkgever heeft een goed geldbedrag over om – eh – een dossier dat u in bezit hebt te laten verdwijnen – uiteraard moet u dat ook bewijzen – hij wil er een half miljoen euro voor betalen. Ik heb geen idee waarom mijnheer zo’n hoog bedrag wil betalen en het gaat me goed beschouwd geen bliksem aan.”
“Ik kan me voorstellen dat je eerst een hacker aan het werk hebt gezet,” zei Bressers die erbij glimlachte.
Een kortdurende twinkeling in de ogen van de man bewees dat Bressers gelijk moest hebben. “Ach ja.”
“Weet je dat ik dat digitale gedoe nooit goed heb begrepen? Er gaat niets boven ouderwets papier.”
“U moet meewerken, mijnheer Bressers.”
“Is dat zo?”
“In het landsbelang.”
“Hoe heet je eigenlijk?”
“Hans – van der Schoor.”
“Nou – Hans – Wat er in het landsbelang is, heb ik je werkgever al twintig jaar geleden uitgelegd. Daar zat echt geen woord Chinees bij. Anders is hij niet slim genoeg voor het ambt dat hij tegen beter weten in ambieert. Ik heb hem heel goed gewaarschuwd.”
“Mijn werkgever vindt afwijzingen niet zo leuk.”
Bressers begon verder te lopen en liet Van der Schoor achter – een incident manager had verregaande bevoegdheden om te handelen zoals hij nodig vond. Sinds zijn pensionering was hij hooguit archivaris, de beheerder van een explosieve verzameling dossiers.
“Hier is het laatste woord niet over gezegd!”, riep Van der Schoor en zijn stemde galmde door de straat.
John Bressers draaide zich direct om en liep terug – rug kaarsrecht, kin omhoog, een dreigende blik in zijn ogen, zoals hij goed wist hoe je moest intimideren.
“Ik was incident manager – een probleemoplosser – nu ben ik archivaris en die is onschendbaar,” zei hij. “Daar kan geen twijfel over bestaan – je hebt je in een spel laten meetrekken dat je onmogelijk kunt overzien.” Bressers liep naar huis, stak de sleutel in het slot en opende de deur – het was stil op straat.
Nadat hij de hal betrad en de deur dicht had gedaan, mompelde hij enkele vloeken – zijn gedachten gingen niet terug naar het meisje – twintig jaar geleden, maar een ambitieuze politicus die de verwachtingen van zijn familie moest waarmaken. Het was stil in huis.
In de woonkamer gooide hij zijn tijdschriften op tafel – zelf nam hij spelend met zijn telefoon plaats – het ging om Reijnders die het dossier wilde kopen – de werkgever die Van der Schoor bedoelde. Wie anders? Bressers tikte de pincode van zijn toestel en begon een sms’je te tikken – voor Foley.
Zoals Van der Schoor al had gemerkt, deed Bressers zelden of nooit iets digitaals, zeker geen belangrijke informatie. ‘Een assistent van – vermoedelijk – Reijnders wil het dossier kopen voor een half miljoen euro.’ Ze moesten er al maanden mee bezig zijn geweest – het team Reijnders – zelfs een poging om zijn PC te hacken. Uiteraard zouden er politieke tegenstanders kunnen zijn die het dossier graag wilden hebben, maar niemand anders dan alleen Reijnders kon op de hoogte zijn van de explosieve inhoud – een bekentenis die nooit op een ander moment geschreven had kunnen zijn – sinds vandaag een tikkende tijdbom, aangezien Reijnders de regels had overtreden – door zijn lijsttrekkerschap en een assistent die de kwestie heel graag wilde regelen.
De voordeurbel ging – hij griste zijn telefoon mee en deed de deur open. Het was de buurman – bijna tien jaar ouder dan Bressers – een aardige vent – getrouwd – geen hond, wel een kat. “Leuk dat je weer thuis bent, John. Ik zag je discussiëren met die engerd.”
“Engerd?”, vroeg Bressers die erbij glimlachte.
“Ja, volgens mijn vrouw en ze heeft gelijk. Die kerel loopt hier al een paar weken rond te hangen. Dan ben je toch wel een beetje een engerd. Vind je ook niet?”
“Ja. Helemaal. Je hebt gelijk.”
“Meer wou ik niet zeggen. Alleen dat.”
“Bedankt, buurman. Als ik eens wat terug kan doen.”
“Ik weet je te vinden.”
Zijn voordeur viel zachtjes in het slot, terwijl Bressers probeerde te bedenken wat het betekende dat Van der Schoor zijn huis wekenlang in de gaten had gehouden – een engerd, zoals de buurtjes hem noemden. Het was geen toevallige ontmoeting en Bressers had dit ook geen moment willen geloven. Hij betrad de woonkamer en wilde alweer plaatsnemen – zijn telefoon begon te trillen – het was zijn dochter die belde – Maaike, zo heette ze. “Met mij,” zei hij.
“Hoe is het, pap?”
“Goed – ik ben weer thuis.”
“Mooi.”
“Hoezo?”
“Nou, dan kom ik vanmiddag effetjes langs.”
“Toevallig ben ik thuis. De hele dag.”
“Da’s helemaal niet toevallig.”
“Nee, niet echt. Is er iets?” Maaike klonk net iets minder opgewekt dan normaal. Het viel echt op.
“Nee – eh – ja – of eigenlijk is het wel leuk. Denk ik.”
“Je klinkt niet erg overtuigd, lieverd.”
“Ik kan gaan werken – als incident manager.”
“Wie heb je gesproken?, vroeg hij.
“Een zekere mijnheer Grijs – Michel Grijs.”
“Incident manager?”
“Ja.”
Tagarchief: thriller
John Bressers (1/5) Gelijke kansen
Alpaca (13/13) Een goede reden om terug te gaan
Joeri had een verblijf van amper een week op Alpaca achter de rug. Zoveel hoefde hij zich niet eens aan te passen. Al bleef de herinnering hem bijten. De beelden waren op zijn netvlies gebrand, ook de schutter in het paleis die hem neer had moeten schieten vertoonde zich in een droom – nachtmerrie. Wel ging hij vrij snel weer aan het werk. Hij vond het een opluchting om normaal bezig te zijn in de klas.
Marith woonde bij een pleeggezin in de stad, ging naar een andere school, maar had haar eigen dubbelganger nog steeds niet mogen ontmoeten, ook al bleef ze er regelmatig naar vragen. Joeri ging er regelmatig langs – als hij binnenkwam, leek er nooit veel aan de hand – toch zei de pleegmoeder dat ze normaal erg in zichzelf gekeerd leek te zijn – soms kreeg ze domweg geen enkele reactie van het meisje. Een andere keer begonnen de glazen in de vitrinekast te trillen, alsof er een zware bus of vrachtwagen passeerde. Haar ogen kregen een vreemde kleur, bovendien sprak het meisje een totaal onbekende taal.
Joeri vroeg hoe het ermee ging.
Ze antwoordde: “Ik wil die ander ontmoeten.”
“Zeg eens – Is Elektra er nog?”, vroeg hij.
“Natuurlijk. Wat dacht jij? Ik ben haar ook. Of dacht je soms dat ik alleen het meisje was?,” vroeg Marith.
“Eerlijk gezegd dacht ik dat Elektra op Alpaca was achtergebleven,” zei Joeri, “het zag er mooi uit. Spectaculair. Een mooie show die je hebt opgevoerd.”
“In het paleis van Hellingshoek werd ik zo wakker, je weet het, dat heb ik je verteld, prins Atari heeft me vrijgelaten en ik werd wakker in dit lichaam, de herinneringen zijn van het meisje en Dennis – ja – misschien heeft Dennis het gedaan – dat zou kunnen. Alles draait om de honger naar macht. Welke rol had Dennis bijvoorbeeld in het paleis? Was hij belangrijk? Ik heb eerlijk gezegd geen flauw idee.”
“Waarom wil je zo graag het andere meisje zien?”
“Ik wil gewoon naar huis. Dat is alles.”
“Eerlijk gezegd vond ik het makkelijk, toen je nog gewoon een meisje was en niet een heks of godin.”
“Ik ben een heks waarvan de geest onsterfelijk is, maar het lichaam wordt ouder en sterft tenslotte, ooit zoek ik weer een nieuwe gastvrouw, ja, een vrouw.”
“Wil je me even alleen laten met je pleegouder?”
“Ja.”
Marith verliet de woonkamer, terwijl Joeri de vrouw aankeek die een hand voor haar mond hield. “Ik sta perplex, dus het is ook ècht allemaal gebeurd, zoals de kranten ook schrijven – ze is echt een heks.”
“Ik dacht dat die entiteit op Alpaca was gebleven.”
“En nu?”
“Je hebt het gehoord. Ze wil haar dubbelganger ontmoeten, of beter gezegd: haar doppelgänger.”
“Dus die heeft ook een soort – macht?”
“Ja – geërfd van haar vader – de vraag is alleen welke van de twee mannen haar moeder in bed heeft gehad. Ik denk eerlijk gezegd de verkeerde, de doppelgänger. Gezien de macht die het andere meisje blijkt te hebben. Als onze Marith, die van Alpaca, naar huis gaat, dan zou de betovering beslist kunnen stoppen.”
“En anders?”
“Dan blijven er mensen verdwijnen naar Alpaca.”
“De balans tussen de werelden moet worden hersteld – zo zit het – als ik je goed begrijp,” zei ze.
“Afgezien daarvan – we willen een ontmoeting – de meisjes leren elkaar kennen – wat er daarna gebeurt,” zei Joeri. “ja, dat is voor iedereen een verrassing.”
“Maar je hebt een idee.”
“Ja,” zei Joeri die zich het moment herinnerde waarop hij naar Alpaca verdween; de vlakte van de versteende boommensen, gevolgd door een sprong die eindigde op een mistig strand niet ver van de stad.
“En misschien gebeurt er helemaal niks,” zei hij.
“Geloof je dat echt?’, vroeg Beatrijs, zoals de pleegmoeder heette, ze deed alleen de noodopvang.
Joeri werd zich bewust van Marith die tegen een deurkozijn stond te leunen – de armen over elkaar.
“Ik had een goede reden om mee te gaan,” zei Marith, “en dat deed ik echt niet om hier te blijven wonen.” Joeri hoorde de stem van een machtige heks – Beatrijs sloeg een hand voor haar mond – hield haar adem in. “Joeri praat net zo makkelijk over een doppelgänger, alsof het niks is – ik wil hem geloven, maar ik moet het met eigen ogen zien – mìjn ogen dus – niet die van een tienjarig kind – als je begrijpt wat ik bedoel.”
“Waarom”, vroeg Joeri. “Ik snap je niet.”
“Er hoort in jullie wereld geen doppelgänger te bestaan,” zei Marith, “het is vreemd. Ik wil het per se zelf hebben gezien – daarna ga ik terug naar huis.”
“Naar Alpaca.”
“Ja,” zei ze.
“Waarom zou je dat nou doen?”, vroeg Beatrijs.
“Ik ga gewoon terug. Punt uit.”
“Bovendien ben ik verantwoordelijk,” zei Beatrijs.
“Daarom gaan we naar de school,” zei Marith, al hoorde de Joeri nog altijd de heks spreken, “confronteren in de klas, er zijn kinderen met telefoontjes. Zo heten die dingen toch? De kinderen en misschien de leerkracht zullen filmen wat er gebeurt. Jij zult nergens de schuld van krijgen.”
Joeri herkende een wilde flikkering in de ogen van Marith, of Elektra, hij probeerde een gedachte te verdringen die ineens was opgekomen en was net zo simpel als gruwelijk, als hij tenminste gelijk had. “Ik begin het ineens door te krijgen – dus wat je hebt gedaan en het is afgrijselijk,” zei Joeri, “de storm – je hebt het meisje helemaal niet gebruikt om de dood van opa Koen te wreken – het was gewoon collateral damage – bijkomende schade, zoals het heet. Het ging je om iets anders, nietwaar Elektra? Je wilde je op een tegenstander wreken. Dennis moest en zou sterven. Heb je daarom een stad met vele duizenden inwoners van de Alpacabodem weggevaagd? Is dat echt de reden waarom je dat gedaan hebt. Vanwege Dennis?”
Marith staarde naar de vloer en zei niets. Vervolgens keek ze Joeri in de ogen – net als Beatrijs die zo geschokt was dat ze geen woord meer kon uitbrengen.
“Wat heeft hij gedaan?’, vroeg Joeri wiens stem ijselijk kalm klonk. “Heeft het met Atari te maken?”
“School,” zei Marith – nu sprak ze zelf. “School!” Ze gilde zo hard dat de oren van Joeri er pijn van deden.
Marith draaide zich snel om, verliet de kamer en rende de trap op – boven sloeg er een deur dicht – Joeri wist heel zeker dat ze geen woord meer zou zeggen.
“En nu? Ik weet het even niet,” zei Beatrijs.
“Het probleem is dat Marith – of Elektra – over letterlijk alles heeft nagedacht – ze biedt je zelfs een alibi aan – hoewel ik zeker weet dat Elektra het geen probleem zal vinden als je in de problemen komt.”
“Dan moet ik er niet aan meewerken,” zei ze.
“Je zult wel moeten. Anders is ze morgen of overmorgen spoorloos verdwenen en kun je het niet uitleggen. Je hebt geen spoor van bewijs,” zei Joeri.
“Ik kan het niet,” zei Beatrijs.
“Kom morgen gewoon naar mijn school – de klas – ooit horen ze elkaar een keer te ontmoeten – er is geen enkel verschil tussen de twee – ik bedoel – zelfs hun vingerafdrukken zijn identiek.”
“Misschien heb je gelijk.”
“Het is zoals het is, Beatrijs. Jullie komen op bezoek. Wat er daarna gebeurt – ik weet het net zo min als jij.”
“Jawel. Ze verdwijnt in een volle klas.”
“Ze verschaft je een alibi. Je bent verantwoordelijk voor het kind, niet de heks die ze is,” zei Joeri.
“Ik heb met andere woorden geen keus,” zei ze.
“Precies.”
De volgende morgen om enkele minuten over half tien was Joeri druk bezig – de kinderen werkten zoals ze altijd deden en ook Marith deed goed mee. De deur van zijn klaslokaal stond open. Inderdaad verscheen Beatrijs op het afgesproken tijdstip in de deuropening – Marith, of beter gezegd, Elektra hield zich bijna schuil achter de pleegmoeder die rustig binnenkwam. Er gleed een opgewonden siddering door de klas – stemmen die toenamen qua volume en wegstierven.
Zoals Elektra al verwachtte, haalden sommige kinderen meteen hun telefoontjes tevoorschijn – Joeri zei geen woord – Marith stond op en keek Elektra aan, een volmaakt spiegelbeeld, alleen lag er een oneindig diepere wijsheid in de ogen van Elektra opgesloten.
Het duurde erg lang voordat er wat gebeurde – gezegd werd – beide meisjes stonden gewoon tegenover elkaar – ze zeiden helemaal niets – deden ook niets.
Geen agressie, alleen berusting. Bijna alle kinderen filmden met hun telefoon, ook een leerkracht die in de gang toekeek. Joeri wachtte af – bijna een minuut.
“Jouw Dennis is dood, net als de mijne,” zei Marith.
Elektra legde haar vingers op een wang van Marith die haar gezicht wegtrok en een stapje achteruit deed.
“Het is best vervelend om zo gewoon te zijn, hè?”, vroeg Elektra. “Vind je ook niet? Maar weet je nou wat het echte probleem was? Jouw Dennis was niet zo bijzonder. Er zat een tovenaar in zijn hoofd… er is al een tijdje niets meer gebeurd en je begrijpt toch wel waarom? Ik hoop tenminste dat je zo slim bent.”
“Wat is de naam van de tovenaar?”, vroeg Joeri.
Elektra stak haar hand uit naar Marith en negeerde Joeri die rustig wachtte op het antwoord dat misschien nooit meer zou komen. “Elektra is één van de laatste Zephyrs, we zijn onsterfelijk, jammer genoeg hebben we geen eigen lichaam en dat is onze vloek.” De meisjes schudden elkaar de hand. Joeri nam plaats op de rand van zijn bureau en keek toe.
“Naam,” zei hij.
“Holger, meester Joeri.”
“Heet hij zo? Is dat zijn naam? Holger?”
“Ja.”
“Oké. Goed.” Hij knikte een enkele maal met zijn hoofd, stond op en legde een hand op de rug van Marith, als teken dat ze weer moest gaan zitten. “Nu heb je je antwoord – Wat ga je nu doen, Elektra?”
“Ik ga terug naar Hellingshoek, meester Joeri.”
“Ga je de doden begraven, Elektra?”, vroeg Joeri. Direct ging er een opgewonden fluistering door de klas, terwijl hij zijn vraag betreurde en zijn eigen onnadenkendheid vervloekte – ‘slechte beurt, Joeri’. Een onderwijzer moest zijn woorden beter kiezen.
“Ik ga opnieuw beginnen,” zei Elektra.
“Hè?”
“Opnieuw beginnen,” zei ze. Er glom een opgewekte glimlach op het gezicht van het meisje dat er geen was. “Opnieuw beginnen, ja, lekker, vanaf het begin.”
“Kan dat?”
“Tuurlijk.”
“Ook om die reden ben je meegegaan. Uitgekookt.”
“Ja, ik ben best wel slim.”
Joeri dacht het verkeerd te zien, maar Elektra werd ineens dunner – nee, doorzichtiger dan ze aanvankelijk was. Hij zag een tafeltje staan, het ging ongelofelijk snel, misschien wel zoals hijzelf naar Alpaca was verdwenen en nu deed Elektra het zelf. Hij hoorde kreetjes van jongens en meisjes die hetzelfde verschijnsel waarnamen. De ogen van Marith waren weggedraaid – omhoog – hij zag alleen het wit van haar ogen – meer niet – Joeri wees naar Beatrijs die al klaar stond om Marith op te vangen. Marith moest nog wat restenergie hebben overgehouden die Elektra wist te gebruiken. Eerst werd ze doorzichtig, vervolgens verdween ze gewoon.
“Heb je dat?’, vroeg een jongen.
“Ja,” zei een andere.
“Ik zet het op internet,” zei een meisje.
“Eerst!”, riep een jongen.
Voordat Marith om zou kunnen vallen, pakte Beatrijs haar vast en legde ze het meisje op een kast neer.
“Ik ga 112 wel bellen – voor de zekerheid,” zei een leerkracht die in de deuropening toe stond te kijken.
“En nu, meester Joeri?’, vroeg een meisje.
“Je hebt het gehoord, Annebelle, alles draait om een tovenaar en een heks die Holger en Elektra heten, de laatste Zephyrs, ze hebben geen eigen lichaam. misschien moeten we vertrouwen in een jongen die Atari heet, al wordt hij prins Stommeling genoemd.”
“Dat klinkt niet best,” zei Annebelle.
“Nee. Maar we zullen het ermee moeten doen,” zei Joeri. “Als het goed is, zullen we het nooit weten.” Hij keek peinzend voor zich uit en zei: “Ze zei dat het verhaal begon in een stad genaamd Hellingshoek. Bovendien kunnen er een hoop mensenlevens worden gered die anders verloren zouden gaan – hoop ik.” Tijd en ruimte gehoorzaamde aan totaal andere wetten – in elk geval als een man of vrouw naar Alpaca reisde – een vreemd spel, een zekere Holger had mensenlevens nodig voor zijn wrede magie, een tovenaar die het brein van Dennis beheerste en hem misschien ook gewoon wàs, zoals Elektra ook Marith heette en kon reageren als een tienjarig meisje. Verleden en toekomst vloeiden in elkaar over. Holger beoefende zijn praktijken al vele eeuwen en Joeri hoopte alleen maar dat Elektra ook echt van plan was om hem voor eens en altijd tegen te houden, al zou hij de zekerheid misschien nooit echt kunnen krijgen.
‘Ik ga opnieuw beginnen’, had Elektra gezegd.
Maar gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen. In dat geval zagen Joeri en Elektra elkaar weer terug.
Alpaca (12/13) Thuis
Er trokken al geruime tijd loodzware wolken door de atmosfeer – wolkenpartijen die steeds hoger opstapelden en op het land schenen te leunen, hoewel ze nog ver weg waren. Mannen en vrouwen staarden naar de lucht die continu veranderde. Beide zonnen waren onzichtbaar geworden, er lag een grijze schaduw over het land dat donkerder werd. De oevers lagen steeds verder weg en Joeri hield er rekening mee dat ze spoedig open zee zouden bereiken. Het zicht nam af, er vielen wat spetters regen. Gesprekken verstomden één voor één, Joeri herkende ernstige gezichten van mensen die niets durfden te zeggen. Het regende, het werd droog en er viel opnieuw regen.
Twee vrouwen maakten het lichaam van Dennis klaar voor een zeemansgraf, Marith hield hen continu in de gaten, alsof ze zeker wilde zijn dat hij inderdaad in het water zou verdwijnen. Kinderlijke nieuwsgierigheid en misschien domineerde de heks.
Joeri hoorde iemand vragen: “Waar gaan we heen?”
“Naar de hel, als je het mij vraagt,” zei Paul.
Heel even brak er een zonnestraal door de atmosfeer, toen het lichaam van Dennis in het water viel – Joeri en Marith keken elkaar aan – er danste een glimlach op haar gezicht – die spoedig verdween. Het was een levensgevaarlijke combinatie – een godin, of heks, die zich in het lichaam van een meisje bevond. Zeker als de twee elkaar beïnvloedden – een gevaarlijk duo.
“Je hoeft nergens bang voor te zijn,” zei Marith, “Atari beschermt ons tijdens de overtocht.” Ze pakte een hand van Joeri vast en kneep er nogal flink in.
“Hoe?”, vroeg Joeri.
“Dennis betaalt de veerman – Nachro.”
“Dus we zijn echt de poort van Nachro gepasseerd?”
“Ja. Het was essentieel.”
“Maar Nachro was – is – .”
“Ik weet het.”
“Dus?”
“Hij komt in vele gedaanten en vaak ongewenst.”
Joeri en Marith bestudeerden elkaars ogen – hij herkende een fantastische wijsheid die een mens pas na een leven van honderden jaren zou mogen hebben.
“Dennis?”
“Een slechte tovenaar die mensenlevens nodig had om zijn bezweringen te kunnen uitvoeren,” zei Marith en Joeri hoorde nu echt een afwijkende stem praten.
“Je vader?”
“Die van Marith?”
“Eh – ja.”
“Hij is een doppelgänger,” zei ze.
“Dus ik had al die tijd gelijk.”
“De vader van Marith was een aardige man,” zei ze.
“Wat is je naam?”
“Je mag me Elektra noemen.”
“Dus het is best ingewikkeld.”
Er verscheen een glimlach op haar gezicht. “Ja.”
“Hoe zit het met Marith?”
“Zelfde verhaal – gelukkig leeft haar duistere weerspiegeling op aarde – mijn gastvrouw moet per se terugkeren naar huis. Daarmee wordt die ander een gewoon meisje dat het goed doet op de basisschool.”
“Ik begrijp het,” zei Joeri. “Ze reageren op elkaar, als een positief en negatief. Maar de vader van het meisje is overleden. Kun je zeggen wat er fout is gegaan?”
“Dennis, dus de goeie, ging dood, toen begonnen de twee doppelgängers op elkaar te reageren, eentje hier, eentje daarginds, dus bij jullie op aarde,” zei ze. “Nog één ding,” want de plechtigheid stond op het punt te beginnen, “het meisje moet aan boord van het schip blijven – het idee dat ze achter zou blijven op Alpaca kwam bij Dennis vandaan – dat is een vals spoor. Je zult zien – nee – we gaan hier vaststellen dat er geen nieuwe vliegtuigen of schepen meer zullen stranden.”
“Beter.”
Er volgde een moment van verwarring – duidelijk zichtbaar in de ogen van Marith – terwijl de woorden van Elektra stil vielen – of hoe ze ook heette.
Het was Harm die een paar woorden prevelde voordat het lichaam van Dennis definitief in de diepte verdween. Joeri bestudeerde aldoor het gezicht van Marith die onverstoorbaar toekeek. Er leek geen enkele herinnering aan een vader te leven, iemand die ooit om haar had gegeven, want papa was lang geleden al gestorven aan een ziekte met een lelijke naam. Zo had mama het gezegd.
Eerst verdween het lichaam in het water, daarna ging het harder waaien. De zon verdween opnieuw achter een wolkendek dat laag boven de zee hing – golven klauwden steeds verder omhoog, bijna als monsters die hongerden naar meer vlees en bloed. Reindert stond aan het roer, terwijl de motor nijdig bromde – nu wel – een geluid dat verdween in de storm – maar de trilling was continu voelbaar in het schip. Water buitelde over de reling en stroomde weer weg, of kwam in de kajuit terecht. “Kan iemand me vertellen waarom we dit ook alweer doen?”, vroeg een man genaamd Cees en niemand waagde het te antwoorden.
Het meisje had een complete stad van de Alpacabodem gevaagd, omdat ze opa Koen wilde wreken. Een ongekende macht. Een gewoon meisje en een machtige heks, die volgens Elise ook een godin van twee werelden zou kunnen zijn,, vochten om voorrang. Harm trok de deur dicht en daarmee de kajuit, terwijl er slagregens neerdaalden en het schip vocht tegen golven die de Holland als een indringer schenen te beschouwen. Zou Marith de storm hebben laten ontketenen? Om te laten zien wat ze nou voelde?
Marith stond ineens op en liep naar de deur. Joeri wilde opstaan, iets ervan zeggen, maar een onbekende macht hield hem tegen, alsof het niet mocht van de heks – godin. Ze opende de deur en stapte op het dek – alle ogen volgden het meisje. “Nu gaan we er allemaal aan,” zei Cees die een klap op zijn arm kreeg. Reindert brulde iets onverstaanbaars, maar Marith negeerde hem domweg. Joeri kwam omhoog, nu lukte het wel, hij liep naar de deur, uit een vliegtuig gehaald. Plotseling begon het meisje op te lichten, er ontstond zomaar ineens een stralenkrans, als een aura, een geweldige gouden gloed. Ze spreidde haar armen. Uit haar vingertoppen zag Joeri helder oplichtende vonken komen als vuurwerk dat in een nachtelijke atmosfeer uiteenspatte. Er vormde zich een ontzagwekkend groot donker lichaam rondom Marith. Regendruppels, die in de tussentijd neer bleven vallen, leken haar te vermijden. Er groeide een geweldige wolk van licht. Marith klapte in haar handen. Joeri hoorde een explosie, alsof er een bom was ontploft. Hij deinsde achteruit, net als Harm en de anderen die zich in de kajuit ophielden. Een paar kinderen begonnen te huilen. Het leek alsof het schip aan stukken werd gereten. Maar in werkelijkheid kwam de zee weer tot rust – stormwolken verdwenen sneller dan ze waren gekomen – Joeri had nooit eerder zoiets gezien. Het gebeurde binnen enkele seconden. Marith viel op haar knieën – vervolgens kwam ze als een levenloze lappenpop op het dek terecht. Joeri gooide de deur open en rende naar buiten, hij knielde neer en zocht naar een hartslag.
“Ze leeft,” zei hij. “Gelukkig.”
“De wolken trekken weg,” merkte Harm op.
Meer mannen en vrouwen waagden zich op het dek, wel bleven ze enigszins uit de buurt van Marith, voor zover dat mogelijk was. Ook de kinderen kwamen mee. Marith bewoog heel voorzichtig, Joeri stak zijn hand uit, omdat ze op wilde staan. “Waar zijn we?”, vroeg ze. Haar stem klonk zachter dan Joeri gewend was, eerder als het meisje uit zijn klas. Ze kreeg venijnige blikken terug, oude schipbreukelingen die dachten dat ze wist waar ze hen heen had gebracht.
Harm staarde omhoog – naar de sterren – hij zocht een vast punt in het noorden, of wat hij hoopte dat het noorden zou moeten zijn – zoals een sterrenbeeld. Na een paar minuten staren, waarbij de wolken in hoog tempo verdwenen, stootte hij Elise aan. “Kijk – We zijn thuis,” zei Harm. “Daar heb je de poolster. Zie je hem? Het begin van het steelpannetje? Pal noord.”
“Ja, je hebt gelijk. Ik zie ook de grote beer,” zei Elise.
“Het betekent dat Marith ons thuis heeft gebracht.”
“Ze heeft woord gehouden,” zei Harry.
“De heks – bedoel je.”
“Het zag er spectaculair uit,” zei Reindert.
“En nu?”, vroeg Esmeralda.
“We zullen in oostelijke richting varen, aangezien we ons nu kunnen oriënteren op de poolster, zoals ooit de Vikingen hebben gedaan,” zei Harm. “Dáár willen we heen en nu zullen we na al die jaren thuis komen.” Hij wees naar een punt aan de horizon dat verlicht werd door talloze sterren en een maan die hen begeleidde.
*****
Ruim drie dagen later werden ze door een marineschip achterhaald. Joeri stelde geen opluchting vast, eerder angst voor wat er ging gebeuren. Ze moesten uitleggen waar al die tijd hadden uitgehangen, dus in een andere wereld, genaamd Alpaca.
Hij werd geleefd, het overkwam hen allemaal zonder enige uitzondering. Joeri kreeg een medisch onderzoek, er volgde een gesprek met een psycholoog en hij probeerde uit te leggen dat het geen enkel nut zou hebben om het verhaal te vertellen, omdat ze hem hoe dan ook niet ging geloven. Wel kwamen ze bijna allemaal voor op een lijst met vermiste personen. Aan de hand van biometrische gegevens, zoals die werden vastgelegd in paspoorten, konden functionarissen vrijwel alle identiteiten vaststellen. Familie kreeg te horen dat er min of meer een wonder was gebeurd. Hun vaders, moeders, broers en zussen waren terecht, al viel het erg moeilijk om te bepalen welke gebeurtenissen er zich nou precies hadden voorgedaan. Joeri vertelde de psycholoog dat het net een droom was geweest, een avontuur en hij werd wakker, zoals sommige leerlingen hun opstellen nog wel eens wilden eindigen. Het schip werd onderzocht door technici die vervolgens vaststelden dat er vreemde, min of meer buitenaardse sporen voorkwamen in het hout – de invloed van bijvoorbeeld een dubbelster. Ook werden er delen van een vliegtuig aangetroffen dat nog altijd rondvloog met inbegrip van de deur.
De scepsis veranderde in verbijstering, al belandde het nieuws in het begin niet eens in de media, het werd geheim gehouden. Ook bleek Marith een volmaakte dubbelganger te zijn van het meisje dat in de klas van Joeri zat, zelfde DNA, zelfde vingerafdrukken, alles bleek identiek. De meisjes deelden zelfs hun herinneringen, afgezien van Alpaca en ja – het meisje waarmee het avontuur van Joeri was begonnen had inderdaad een blekere huid dan haar positieve kopie.
Het duurde bijna twee weken voordat ze samen mochten eten. Joeri wist dat zijn werkgever hem officieel ziek had gemeld – hij lag inderdaad niet languit in de gang van het huis dat aan Marith en haar moeder toebehoorde.
Joeri schonk thee voor zichzelf in, nam twee broodjes, twee plakjes kaas en aardbeienjam. Daarna nam hij plaats aan een tafeltje. Niet veel later ging Marith tegenover hem zitten. Een broodje. Glas melk.
Een minuutje later volgden Harm en Elise, ze hadden allebei een bescheiden ontbijtje op hun dienblad liggen. “Ze beginnen het te snappen,” zei Harm.
“Is dat zo?”, vroeg Joeri.
“Ik heb – dinges verteld dat ik het andere meisje wil zien,” zei Marith die vervolgens een slokje melk nam.
“Waarom?”, vroeg Elise.
“Nieuwsgierig,” antwoordde Marith.
“Beste mensen,” zei Harry op nogal luide toon, “we staan in de krant – wereldwijd heb ik zelfs gehoord.”
“Volgens Harm beginnen ze het te begrijpen,” zei Eline die aardbeienjam op een croissantje smeerde.
“We kunnen een boek schrijven over ons leven op Alpaca – alles wat we hebben meegemaakt,” zei Paul, “een aardige bijverdienste, als je het mij vraagt.”
“We kunnen brood eten zonder er eerst een te hoeven bakken. Wat een fantastische luxe is dat,” zei Elise.
“Ja – er is echt, warm stromend water,” zei Harm.
“Voor altijd een schipbreukeling, al ben je thuis,” zei Paul die een nieuw kopje koffie ging halen, “hopelijk heeft mijn werkgever nog een baan voor me, mijn kennis is natuurlijk hopeloos verouderd – ik moet naar school, een heleboel leren – techniek gaat snel.”
“Niks gehoord nog?”, vroeg Elise.
“Nee,” antwoordde Paul.
“Slecht hoor,” zei Elise.
Een officier kwam de eetzaal binnen en wachtte totdat de gesprekken verstomden. Joeri zette het kopje op tafel. “Dames, heren, kinderen,” zei hij, “we gaan zo meteen afmeren in de haven – er zijn familieleden aanwezig – ik geloof dat iedereen er is. We hebben geen media toegelaten, aangezien we voor dit moment de hereniging met jullie verwanten belangrijker vinden dan emotionele plaatjes van mensen die elkaar vreselijk lang niet hebben gezien.”
“Waarvoor dank,” zei Harm.
Toch zou het heel lang duren voordat ze zich echt thuis zouden voelen.
Alpaca (11/13) Godin van de twee werelden
De motor van het schip bromde vrijwel onhoorbaar, terwijl ze langzaam met de stroom mee werden genomen. Joeri keek in het water en zag de geheimzinnige vismensen bewegen, alsof ze de Holland leken te begeleiden tijdens haar vertrek. Harm wierp een blik over de rand voordat hij ging zitten en zei: “Je moet geen hand in het water steken, Joeri, want je bent hem gegarandeerd kwijt.” Hij onderdrukte een glimlach waarbij zijn mondhoeken al voorzichtig omhoog gingen. “Ik heb de moeder van Hilde gesproken – je weet wel – een opmerking over een droom en Marith speelde uiteraard, zoals zo vaak, een opvallende hoofdrol.”
“Verontrustend,” zei Joeri.
“Je maakt je zorgen.”
“Uiteraard.”
“Alpaca is een vreemde wereld,” zei Harm. “We leven hier nu zo’n tien jaar, denk ik. We denken dat er buiten onszelf geen andere mensen meer zijn, zeker sinds de wraakactie van Marith. Je hebt je vooral beziggehouden met je leerlinge en dat begrijp ik heel goed – we hebben wel een onderzoek gedaan – meer als een steekproef, zoals je begrijpt. Het is ondoenlijk om alle doden op de kant te halen. Ik heb eerlijk gezegd louter stadsbewoners gezien.”
“Kende je ze zo goed dan?”, vroeg Joeri.
“We hadden contact.”
Elise reikte beide mannen een beker water aan. Joeri klemde zijn vingers er omheen en nam een slokje. “We hebben Marith nodig. Dat weet je. Er is geen ruimte voor bijgeloof en brandstapels, ook niet als er iets fout gaat,” zei Joeri.
“Je hebt net als ik de vliegtuigwrakken gezien en geloof me als ik zeg dat er ook echte schepen aan de grond zijn gelopen – verderop – we hebben het onderzocht – daar hadden we genoeg tijd voor. Er komen al heel lang mensen vanuit onze eigen wereld, die van de aarde, tegen hun wil op Alpaca terecht en ze wilden uiteraard zo snel mogelijk naar huis, zullen beslist pogingen hebben ondernomen om terug te gaan. Dit stukje van Alpaca is gevaarlijk, zeer vijandig voor mensen die een ongestoord bestaan willen leiden. Altijd waren we bang dat de stad eerdaags onder de voet zou worden gelopen door grote aantallen lijkenvreters, maar het blijkt een meisje van tien te zijn die ervoor heeft gezorgd dat er alleen ruïnes zijn overgebleven – de mensen zijn gedood, vermoord – allemaal – van de Alpacaanse bodem gevaagd, omdat Marith opa Koen wilde wreken, een man die haar beschermde. Natuurlijk moet je jezelf een vraag stellen. Wie beschermt ons tegen het meisje? Je hoeft geen angst te hebben dat we iets zouden willen doen, bovendien krijg je amper de kans om iets uit te richten. Dit leidt wel tot een nieuwe vraag, die minstens zo verontrustend is. Wie beschermt ons tegen Marith als jou wat overkomt?” Harm wachtte hierna eventjes, nam een slok water. “Ga me niet vertellen dat Elise het op zich zal nemen om de macht, die in het meisje huist, te controleren.”
“Het is mijn taak om haar dat te leren,” zei Joeri.
“Marith.”
“Ja, natuurlijk.”
“Wat ik bedoelde te zeggen,” zei Harm die een nieuwe slok water nam. “Zoals je hebt geconstateerd is er al heel erg lang een soort verbinding tussen onze eigen aarde en Alpaca – bovendien zijn de vliegtuigen en schepen in totaal verschillende tijdvakken door een poort gekomen, zodat er sprake lijkt te zijn van willekeur – heden, verleden en zelfs toekomst. Kijk maar eens naar het schip dat aan stuurboord ligt.”
Harm stond op en wees naar een schip dat ongeveer aan het einde van de zeventiende eeuw moest zijn gebouwd, het lag niet in het water, maar was op een of andere manier gevangen in een paar grote bomen. Joeri kwam omhoog en keek naar het schip waarvan hij een naam probeerde te vinden, maar dat lukte niet.
“Ik vrees de dag waarop ons lot afhangt van de grillen van een tienjarig meisje, zonder twijfel de machtigste heks die deze wereld ooit heeft gekend.”
“Ze brengt ons thuis,” zei Joeri, “dat zul je zien.”
“De mannen en vrouwen hebben me gevraagd dit met je te bespreken,” zei Harm, “hun angsten te delen.”
Joeri legde een hand op Harms schouder. “Alles komt goed. Dat zul je zien. Ik ken mijn taak – geloof me.”
Wat Harm bedoelde te zeggen – begreep Joeri, toen hij weer plaatsnam en tegen de reling leunde – er waren genoeg kansen voor een meisje zoals Marith om een bestaan op te bouwen, als heks, omdat Alpaca talloze nederzettingen en steden zou moeten kennen, buiten de stad die ze net had vernietigd. Een tactiek van verschroeide aarde, om de aardse wereld bij voorkeur veilig te houden voor een magie zoals die van Marith – waar haar duivelse vloek ook vandaan mocht komen – want erg natuurlijk vond hij hem niet.
Iemand moest het haar bijna hebben aangedaan, zoals vaker gebeurde in oude verhalen. Misschien was de destructieve kracht, die in Marith huisde, wel het werk van een onbekende heks – een tovenaar. Joeri herinnerde zich Dennis, de doppelgänger, toen hij op het vlot klauterde – de ballon steeg steeds sneller. De verbazing van Marith, of verbijstering, leek oprecht te zijn, maar ze hield haar echte emoties verborgen. Als een volleerde actrice in plaats van een kind. Er ging een onbekende ziel verborgen achter het gezicht van Marith – die zoveel leek op zijn eigen leerlinge, hij kende haar zelfs erg goed – toch week ze op bepaalde punten duidelijk af – ze toonde zich minder gesloten, oogde gezonder, bleek een vrolijker persoonlijkheid te zijn.
Gesprekken gingen verder, kinderen staarden naar een landschap dat langzaam veranderde – er groeide minder bomen en struiken, het werd kaler – een glooiende grasvlakte – Joeri verwachtte ruiters te zien, afstammelingen van schipbreukelingen die domweg andere keuzes hadden gemaakt, ofschoon Koen had opgemerkt dat alle mensen in de stad woonden. Was dit niet een normale opvatting voor een stedeling? Koen wist zich geen ander leven voor te stellen buiten de stadsmuren van Alpaca. Hij ving losse zinsdelen op, soms alleen woorden, terwijl Joeri naar de oever bleef staren. Marith kwam naast hem staan. “Heb je altijd al kunnen – toveren?”, vroeg hij.
Ze haalde haar schouders op – hoofd hing scheef – Marith beet op haar lip. “Ik weet het echt niet.”
“Wat is je oudste herinnering?”
Joeri legde zijn handen op de reling en keek geboeid naar een kudde paarden, al waren ze veel groter dan de dieren hij op aarde had aanschouwd.
“Het is heel raar,” zei ze.
“Dat maakt niet zoveel uit.”
“Ik droomde, nee, ik dacht dat ik droomde, maar het gebeurde echt, in werkelijkheid zweefde ik in een soort bubbel. Eigenlijk vond ik het best wel leuk – tot ik ontdekte dat er ook mannen en vrouwen waren die me bewaakten en ongelofelijk bang leken te zijn.” Opnieuw sprak Marith volwassener dan haar leeftijd rechtvaardigde, het klonk heel natuurlijk, alsof er een onbekende geest in haar hoofd had plaatsgenomen. Joeri vond het ineens aannemelijk dat het zo was. “Ik werd me ineens bewust van een jonge prins, die Atari heette en erg nieuwsgierig was – hij bevrijdde me uit mijn bubbel – ik heb geen idee wat er toen gebeurde, maar opeens werd ik ook echt wakker, voelde mijn lichaam. Ik hoorde stemmen die spraken van een enorme stommeling, ze bedoelden Atari, toen heb ik hem zijn bijnaam gegeven. Prins Stommeling.”
Joeri keek heel eventjes opzij en zag Harm die zijn armen in de lucht hield om zich te verontschuldigen.
“Atari, oftewel prins Stommeling.”
“Ja, zo noemde ik hem. Hij durfde niet eens boos te worden,” zei Marith die erbij lachte – zo’n aanstekelijke lach die alle mensen blij moest maken.
“Prins Stommeling,” herhaalde Joeri.
“Je gelooft me niet, hè?”
“Een bubbel.”
“Ja, een droom waarin je droomt dat je droomt, vervolgens wakker wordt, maar nog steeds droomt.”
“Da’s ingewikkeld.”
“Ik vind van niet.”
“Je werd wakker in het paleis – in de stad.”
“Nee joh, natuurlijk niet. Ik werd heel ergens anders wakker – echt, heel ver daar vandaan,” zei Marith.
“Wat zei opa Koen hiervan?”
“Ik deed alsof ik alles was vergeten.”
“Hoe weet ik nou of je de waarheid zegt?”
“Dat doe ik gewoon.”
“Het is ingewikkeld.”
“Ach, misschien heb je wel gelijk.”
“Daarstraks vroeg je of je een heks was.”
“Ja.”
“Alsof het idee je heel erg verbaasde.”
“Wat?”
“Nu doe je het weer, Marith.”
“Mensen horen de waarheid liever niet, bovendien krijgen ze een hekel aan me, als ze weten wat ik ben.”
“Ze zijn bang. Da’s normaal.”
“Nou en.”
“Iemand die met één enkele gedachte een complete stad van de aardbodem – eh – Alpacabodem vaagt.”
“Als je het zo zegt.”
“Daar wordt iedereen bang van.”
“Best wel, denk ik.”
“Je lijkt heel veel op een meisje in mijn klas, bent haar ook echt, tegelijkertijd heb ik vaak het idee dat je een compleet ander mens bent – engel of demon – waardoor ik me afvraag wat er zou gebeuren als je meegaat naar huis – je wilde wèl graag mee naar huis, toen ik je voor het eerst zag in het huis van opa Koen.”
“Natuurlijk. Dat wou je zien. Dat was ook normaal.”
“Wie ben je dan echt?”
“Marith.” Ze trok er een heel serieus gezicht bij.
“Soms wel, ja.”
Stroomopwaarts verschenen er twee rotsformaties, maar Joeri stelde al heel snel vast dat het kunstmatige constructies waren – twee gigantische standbeelden, waarbij de man een zeis vasthield en het mes in de bodem van de rivier scheen te verdwijnen – tegenover hem stond een vrouw die in elke hand een wereldbol had – ze droegen allebei lange kapmantels, maar Joeri herkende het gezicht van de vrouw – als een alleenstaande moeder. Hij keek naar Marith, terwijl de Holland voorbij dreef – de motor stond uit – er stond een stroming die zo sterk was dat de boot werd voortgetrokken naar een onbekend punt in de verte. Het vrouwelijke standbeeld was als de moeder van Marith, het andere vertoonde een ernstig gezicht, als een vorst die zojuist een moeilijk oordeel heeft geveld.
“Misschien Atari zelf, als hij ouder is geworden.”
Hij dacht aan de vrouw – wie ze moest voorstellen.
“Elektra, godin van de twee werelden, het leven en de dood.”
Joeri zag de beeltenis van Marith – ze zou, anders dan haar naamgenoot in zijn klas, de godin Elektra moeten zijn, dus hoorde hij zich nu af te vragen of ze het leven kwam brengen of misschien toch de dood.
“Het is de poort van Nachro,” zei Marith die nog altijd een volwassen stem gebruikte, toch stond er een tienjarig meisje naast hem, als een geest. “Daardoor komt het terug. Dat is de waarheid. Ik breng jullie thuis. Geloof me – ik ben niet degene die jij in me herkent.” Zo had ze vanaf de eerste dag geklonken. Een tienjarig meisje dat klonk als een volwassene.
“Ik geloof je.”
“Dus je brengt ons echt naar huis?”, vroeg Harm.
“Vanzelf – je kunt nog zolang dood zijn.”
Joeri begreep dat de onbekende geest, of godin, die in Marith leefde, nooit de volledige reis zou meemaken. Godin van de twee werelden, Elektra, zo heette ze kennelijk, of ze had een onbekende naam met exact dezelfde betekenis. Ze bleef op Alpaca, want dit was thuis – ze bracht Joeri weer terug en dat was alles.
“Wijze woorden voor een – ,” zei Harm.
“Ik weet wat je denkt,” zei Marith die naar Joeri keek – ze leek alle anderen te negeren. “Ik ben hier, maar ook daarginds – jij komt er vandaan en kent het meisje erg goed, ik ben haar voor een groot deel zelf en snap dat een deel van haar persoonlijkheid is afgesplitst. We zullen de puzzel weer compleet moeten maken.”
“Komt het goed?’, vroeg Joeri.
“Man overboord!”, schreeuwde Paul.
De lippen van Marith bewogen teveel voor een simpele bevestiging. Hij miste haar reactie volledig door de opwinding die losbarstte, er was iemand overboord geslagen – nee, het zat anders – er was niemand over de reling gevallen of gesprongen, er hadden geen afwijkende geluiden geklonken, bovendien constateerde hij dat de vismensen waren verdwenen. Het viel hem nu pas voor het eerst op.
“Wie is het?”, vroeg Harm.
Alle mannen, vrouwen en kinderen dromden samen op de voorplecht, voor zover dat mogelijk was. Joeri zag een flard van de luchtballon die in het water dreef – verderop lag er nog een stuk, zelfs het vlot, of een afgebroken deel ervan dat in het water dreef, net als Dennis die zich had vastgeklampt aan het hout. Kinderen werden weggestuurd, oudere jongens en meisjes mopperden, omdat ze dit niet mochten zien.
“Hij is dood,” zei Paul.
“Je moet het zeker weten,” zei Reindert.
“Haal hem aan boord dan!”, riep Esmeralda.
Paul en Reindert namen de taak op zich om het lichaam aan boord te trekken, omdat ze nu eenmaal zeker moesten weten of Dennis, de doppelgänger, inderdaad was overleden. Joeri zag het meteen, toen ze het lichaam omdraaiden – een deel van het gezicht was verminkt, alsof er iemand van zijn vlees had gegeten. De meeste schipbreukelingen keken weg.
“Mijn vader was al dood, mama heeft het zelf gezegd,” zei Marith die achteraan bleef staan – ze hoefde het dode lichaam van Dennis niet te zien. Het tienjarige meisje had blijkbaar de overhand gekregen.
“Ik probeer het te begrijpen,” zei Joeri.
“Het was een ziekte met een lelijke naam.”
Alpaca (10) Het vertrek van de Holland
Ze hadden al zolang in de buik van een vulkaan gewoond, werden er beschermd tegen massa’s regenwater die er nu en dan neervielen, maar de aanwezigheid van zoveel moderne technologie diende als basis voor nieuwe vindingen. De boot was gemaakt van hout, zoals Joeri al verwachtte, anders dan klassieke Vikingschepen was deze boot voorzien van een echte kajuit – Joeri liep op het dek – er stond een mast, dus ze konden gebruikmaken van de wind, als het al nodig was, want Roel en Harry hadden afgelopen periode een motor gebouwd die ook echt werkte – het moest een ongelofelijke zoektocht zijn geweest, maandenlang zoeken, alsof ze op een vuilnisbelt van vele vierkante kilometers groot naar geschikte onderdelen zochten. Joeri hoorde de uitleg van Roel die overduidelijk had gezegd niet zo nodig weg te hoeven, maar zijn kennis in dienst van de gemeenschap had gesteld en een schip gebouwd die voorzien was van een echte motor.
“Hij heeft gelijk, hoor,” zei Roel, “ik begrijp het wel. Natuurlijk moeten we vertrekken – we hebben er overigens al vele tientallen keren over gesproken.”
Joeri bestudeerde een ingenieuze constructie – een echt fornuis gemaakt van bakstenen, de vloer en wand er omheen waren beschermd met metaal afkomstig van – jawel – een vliegtuig. Hij had ooit eens op een zestiende-eeuws schip gestaan en een vergelijkbare constructie bestudeerd, al waren er toen andere materialen gebruikt, geen brandvast metaal zoals nu.
“We moeten brood kunnen bakken,” zei Paul.
“Vlees,” zei Joeri.
“Je krijgt erg weinig vlees op Alpaca, het zou besmet kunnen zijn, dat kunnen we niet onderzoeken,” zei Paul. “Daarom kiezen we het zekere voor het onzekere. Het is niet altijd even prettig – ik ben altijd een vleeseter geweest – het is het eerste wat ik ga doen als ik weer thuis ben – een goeie biefstuk eten.”
“In de stad werd er vlees gegeten,” zei Joeri.
“Konijn, denk ik,” zei Paul.
“Ja.”
“De konijnen komen uit een vliegtuig,” zei Roel.
“Hoe was het om hier neer te komen?”, vroeg Joeri wiens eerste kennismaking met Alpaca anders was verlopen. Deze mannen hadden aan boord van een vliegtuig gezeten en verwachtten aan het eind van wat misschien een lange reis moest zijn geweest in Amsterdam of Parijs uit te stappen – in plaats daarvan kwamen ze op een woeste, vijandige planeet terecht.
“Jij zou het moeten weten,” merkte Roel op.
“Ik ben geen schipbreukeling,” reageerde Joeri.
Roel en Harry stopten met hun bezigheden.
“Marith – of beter gezegd – een doppelgänger die veel lijkt op het meisje – heeft me hierheen gestuurd – ineens stond ik op een vlakte tussen duizenden bomen die konden praten – ze huilden tranen van bloed. Mijn vinger was al in een takje veranderd. Daarom ben ik over de rand gesprongen – één van de boommensen zei het ook – het was de enige oplossing – het moest.”
“Dus toch,” zei Harry.
“Het meisje wil naar huis,” zei Paul.
“Wie niet?”, vroeg Joeri.
“Mijn zoon vertelde dat Marith opzettelijk de storm heeft laten losbarsten om zich te wreken op alle mensen in de stad – omdat ze iemand hebben gedood die door Marith ‘opa Koen’ wordt genoemd, ze heeft bij hem gewoond. Ze zou dit hebben verteld.”
“Tijd voor een goed gesprek,” zei Joeri.
Uiteraard zou hij alle verklaringen die verwezen naar bovennatuurlijke machten als onzin terzijde moeten schuiven. Toch wist hij sinds zijn aankomst op Alpaca dat hij dit niet langer mocht doen. Sinds de doppelgänger van Marith, het stille meisje uit zijn klas, Joeri naar een onbekende vijandige wereld had gestuurd. Hij had meer vreemde dingen gezien. Mensen die in bomen waren veranderd. Hij dreigde zelf eveneens te transformeren in zo’n boom en was vervolgens over de rand van een klif gesprongen, een daad waarmee hij zeker zijn eigen leven had gered – ofschoon het weinig met redelijkheid te maken had. Een complete stad wegvagen, omdat enkele soldaten verantwoordelijk waren voor de dood van opa Koen – dat was beslist onredelijk. Hoe zou Joeri een dergelijke verwoestende macht kunnen beheersen? Als onderwijzer wilde hij om te beginnen Marith duidelijk maken wat haar macht feitelijk inhield – zonder Marith mee te slepen naar de rivieroever om haar keihard te confronteren met de doden. In ieder geval zou hij Marith moeten laten inzien welke onvoorstelbare kracht ze diende te beheersen en zo mogelijk ook kanaliseren, hoewel de schipbreukelingen hun angst voor het meisje net zo goed onder controle moesten zien te houden, anders zouden ze nooit thuis komen.
De ochtend verliep heel geleidelijk in een middag die alle drukte met zich meebracht aan de vooravond van een lange reis, zo eentje die hen thuis moest brengen. Spullen werden naar de boot gebracht, iedereen werkte mee, ook Joeri, dus van een gesprek kwam voorlopig weinig terecht. Het ruim van de Holland, zoals het schip heette, werd helemaal volgestouwd. ’s Avonds, toen ze vermoeid wachtten op het eten, ging hij naast het meisje zitten dat al zat te knikkebollen.
“Je moet nog eventjes wakker blijven, Marith,” zei Joeri. Er lag een zakelijke klank in zijn stem waardoor ze direct haar ogen opende en aandachtig toekeek.
“Doe ik ook, meester Joeri.”
“Mooi. We moeten praten. Jij en ik.”
“Ja, dat weet ik.”
“Gelukkig. Enig idee waarover?”
“Nee,” zei ze.
“Ik heb gehoord dat jij de storm hebt gebruikt om de mensen in de stad te straffen voor wat ze opa Koen hebben aangedaan,” zei Joeri en Marith luisterde alleen, maar zei helemaal niets. Er zaten een paar mannen en vrouwen mee te luisteren die zich net zo min met het gesprek wilden bemoeien. Waarschijnlijk voelden ze zich nogal opgelucht, omdat ze dit niet met het meisje hoefden te bespreken. “Vroeger zou ik hebben gezegd dat dit onmogelijk zou zijn geweest, voordat een meisje, dat sterk op jou lijkt, mij hier, dus op Alpaca, terecht liet komen – ja, ze leek op jou – of lijkt op jou, want ik moet ervan uitgaan dat ze leeft.”
“Ik was alleen maar een beetje boos,” zei ze.
“Hoeveel mensen zijn er – denk je – die hetzelfde kunnen als jij?”, vroeg Joeri die korte tijd op een antwoord wachtte. Marith haalde haar schouders op als teken dat ze het niet wist. Dat was wel eerlijk. “Vermoedelijk heb je een talent geërfd van je vader. Ik weet het bijna zeker. Je hebt het van je vader, maar hij is niet de man die zich Dennis noemde tijdens ons avontuur met de luchtballon. De man waarvan je moeder heeft gezegd dat hij dood was gegaan en ja – je hebt je dapper gehouden, goed geacteerd, nadat we met de luchtballon waren ontsnapt. Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik het erg moeilijk vind, hoor. Dat geldt voor de meeste mensen die op dit moment bij ons in het dorp zijn.”
Haar lippen vormden twee woorden: ‘Dank je.’
“Het betekent dat je een grote gave hebt, Marith. Je kunt dingen laten gebeuren. Ik kan dat niet. Maar Roel en Harry, Elise en Harm kunnen dat evenmin, net als hun kinderen – je bent de enige – Dennis niet te vergeten – die kan dat ook – vermoedelijk is hij de reden waarom alle vliegtuigen hier zijn gecrasht.”
“Dat is heel slecht,” zei Marith.
“Zo’n zware storm over een stad heen laten komen – dat mag je ook helemaal niet doen – sterker nog – je mag het ook echt nooit meer doen. Het is niet goed.”
“Ik wilde het niet echt – ik dacht er alleen aan.”
“Je was erg boos vanwege opa Koen.”
Joeri zag de ogen van Marith heen en weer schieten.
“Ja,” zei ze.
“Misschien moet je maar eens – om te beginnen – een dagboek bijhouden – opschrijven wat je voelt, zodat je de emoties die in je lijf rondrazen op een andere, veel veiliger manier kunt laten ontsnappen. Tekenen mag ook, als je dat leuker vindt. Het helpt.”
Marith staarde naar Joeri en zei geen woord.
“Je mag er ook altijd over praten,” zei hij, terwijl zijn mondhoeken omhoog gingen, “maar opschrijven wat je voelt, tekenen – dat vind ik een heel goed idee.”
“Dan ga ik tekenen, denk ik,” zei ze.
“Zolang je – wat je voelt – maar niet opeet. Dat is voor niemand goed, voor jou en ons allemaal ook erg slecht. Uiteraard kun je er met mij over praten, of Elise,” zei Joeri die hierna even wachtte – want ze luisterde aandachtig, zoveel was duidelijk, al bemoeide ze zich tot dusverre niet met het gesprek, “je kunt ook bij Elise terecht, ze vindt het vast goed.”
Elise knikte met haar hoofd. “Beslist.” Ze stond op en legde een hand op Mariths schouder. “We gaan bij de andere kinderen kijken, ze beginnen met eten.”
Ze liepen weg en Marith leek nog iets te vertellen, terwijl Joeri aan de woorden van het meisje dacht.
‘Ik was alleen maar een beetje boos.’
Harm stond vrij onverwacht naast Joeri en zei: “Het vreemdste gesprek dat ik ooit heb aangehoord en ik moet er ook echt elk woord van geloven. Mijn God. Ze heeft de stad weggevaagd om de dood van opa Koen te wreken – een complete stad, al snapt ze nauwelijks wat ze heeft aangericht. Wat een macht!”
“Hoe is Marith op Alpaca terechtgekomen?”, vroeg Reindert die het meisje net als iedereen nastaarde.
“Dat wist ze niet,” zei Joeri. “Ik geloof haar.”
“Is het belangrijk?”, vroeg Paul.
“Ja,” zei Harm. “Ze is de sleutel.”
“Joeri en Elise moeten proberen uit te vissen hoe ze de sleutel kan gebruiken – alleen zo komen we thuis.”
“Inderdaad,” zei Joeri. “Dankzij opa Koen die voorkwam dat ze zou worden misbruikt als seksslavin, hij heeft een eerdere ramp uitgesteld. We mogen de oude Koen heel erg dankbaar zijn.”
“Wat is er met hem gebeurd?”, vroeg Reindert.
“Hij heeft zich dood laten slaan, zodat Marith en ik konden ontsnappen – ze heeft alles gezien – alles.”
“Jee, wat erg.”
“Daarna wist Dennis op het vlot te klimmen, de ballon had op dat moment al een aardige hoogte gekregen. Hij leek sterk op de vader van Marith, maar in werkelijkheid bleek hij de doppelgänger te zijn.”
“Twee kanten van dezelfde medaille, als een persoonlijkheid die zich heeft opgesplitst, het doet me een beetje denken aan Jekyll en Hide,” zei Harm.
“Daar lijkt het op, maar ik weet niet goed of het klopt – mijn intuïtie zegt dat het anders zit. Ik bedoel – Marith lijkt een heel normaal meisje, denkt heel gewone dingen, net als alle andere kinderen, maar ze heeft de griezelige gave om de dingen echt te laten gebeuren.”
“Goed en slecht – dat bedoel je?”, vroeg Reindert.
“Precies. Ze is niet anders dan andere kinderen.”
“Ze lijkt op een mutant,” zei Harm.
“Marith brengt ons thuis,” zei Joeri.
De volgende ochtend daalden ze allemaal voor een laatste keer de helling af – Joeri en Marith liepen bijna achteraan – het meisje leek het gesprek van gisteren alweer te zijn vergeten. Gelukkig dreven er geen lichamen meer in het water, al zouden ze er onderweg nog een stel tegen kunnen komen. Ongeveer dertig meter onder de top veranderden plantjes in een ondoordringbare jungle, afgezien van de brede strook die door de bewoners van het dorp vrij was gemaakt, omdat ze hout nodig hadden gehad voor een boot – daarna bleven ze nieuwe aangroei wegbranden – zo had Harm uitgelegd – een vrij uitzicht op de rivier was cruciaal geweest voor de dorpelingen. Joeri zag ernstige gezichten van mannen en vrouwen die een vertrek diep in hun hart betreurden – zoveel was wel duidelijk – de boodschap lag in vrijwel alle ogen, ook die van Harm – bovendien waren ze afhankelijk van een tienjarig meisje, een machtige heks, al snapte ze nauwelijks wat ze had aangericht. Joeri maakte zich zorgen. Zouden hun reisgenoten begrip opbrengen voor het meisje als het tijdens de reis een keer flink tegenzat? Of zouden ze Marith keihard de schuld geven van de problemen die er waren? Omdat ze een zondebok nodig hadden – de geschiedenis was nu eenmaal rijk aan zondebokken en je moest tenslotte iemand de schuld kunnen geven van je ellende.
Ze gingen aan boord – iedereen – één voor éen – eerst een paar mannen, gevolgd door de vrouwen en kinderen – Joeri duwde Marith naar de loopplank, al leek ze totaal geen haast te hebben. Harm en een paar andere mannen, waaronder Reindert, bleven aan de wal – ze stonden te overleggen. Koppen waren geteld. Eerder al. Joeri stond aan dek en hoorde een zesjarig meisje zeggen: “Mijn broer zegt dat jij niet mee naar huis zult gaat – je blijft hier.” Hij draaide zijn hoofd – een meisje genaamd Hilde sprak tegen Marith die op haar beurt haar schouders ophaalde en op zeer overtuigende wijze liet blijken dat ze ook niet wist waar Hilde het over had. De moeder van Hilde trok een ietwat streng gezicht, alsof Hilde wist dat ze dit onderwerp beslist niet mocht bespreken. Met zijn tweeën verdwenen ze in de kajuit, maar Hilde maakte een lange neus, alsof ze het toch echt wel leuk vond.
“Ze heeft een hekel aan me,” zei Marith.
“Je kunt iets bijzonders,” zei Joeri die op het dek ging zitten, terwijl er een schaduw over hem heen viel.
“Ben ik nou een heks?”, vroeg Marith.
“Het lijkt erop, ja,” zei Joeri, “maar er zijn goede heksen en slechte – je bepaalt zelf wat je bent.”
“Dus – dat van de stad Alpaca is echt waar?”
“Ja.”
Alpaca (8) Joeri en de heks van Alpaca
Het eiland leek in een wolk van water en wind te verdwijnen, alsof de goden hadden beslist dat het voor eens en altijd weggevaagd diende te worden. Knetterende bliksemflitsen, gevolgd door rollende donders. Na het eten had hij zijn spijkerbroek uitgetrokken, zodat Elise, want heette zijn verpleegster, de wonden kon verzorgen.
“Je bent erg gespierd,” zei Elise.
“Ik heb veel aan atletiek gedaan.”
“Gestopt?”
“Door een blessure. Slechte knie.”
“En toen?”
“Onderwijzer,” antwoordde hij.
“Maar dan kun je belangrijk werk voor ons doen.”
“We proberen thuis te komen. Marith en ik.”
“Don’t we all,” zei Elise die er verder over zweeg.
“Een van de kinderen stelde zijn moeder een vraag, het ging over een heks,” zei Joeri die afwachtte, terwijl Elise zorgvuldig de wonden schoonmaakte, ze goot schoon water over zijn been, totdat alle sporen waren verdwenen, ellendige ziekteverwekkers.
“Dat komt later wel. Je moet eerst herstellen,” zei Elise, “de Squids is een gevaarlijk, zelfs dodelijk organisme, we hebben er een paar goede mannen en vrouwen aan verloren voor we wisten wat te doen.”
“De heks van Alpaca,” zei Joeri – hij hoopte op zijn minst een reactie te krijgen, een verklaring, want vreemd vond hij het beslist, hoewel Marith geen idee had van het bestaan van haar eigen doppelgänger.
“Niet dit meisje, Marith.”
“In dat geval snap ik je wel, denk ik.”
“Anders zou je een leugenaar zijn geweest en was je ook heel ergens anders vandaan gekomen,” zei Elise.
Regenwater kletterde neer en veroorzaakte een geweldige modderpoel waarbij er stroompjes ontstonden, gelukkig stroomde het water via gaten in de muur naar buiten – bergafwaarts. Joeri hield zich verborgen in het binnenste van de vulkaan, net als alle andere schipbreukelingen, mannen, vrouwen en kinderen. Marith zat bij de andere kinderen te eten, Joeri at een boterham, de eerste in lange tijd. Hij voelde zijn benen te veel, maar wist ook dat er meer dan voldoende tijd was. Geen noodzaak om iets te overhaasten, bovendien moest hij eerst herstellen van zijn verwondingen. Elise hield zich verborgen nadat ze zijn benen had verbonden. Hij dronk een slap kopje koffie, maar het was zijn eerste sinds de doppelgänger van Marith hem naar Alpaca had gestuurd.
Hij bestudeerde de schuilplaats aandachtig, een massieve gang. Boven zijn hoofd zag hij tekeningen die de bewoners op de rotswand hadden gemaakt, hij herkende verschillende gezichten, al zagen ze er stukken jonger uit in houtskool. Ondanks de herhaalde verzekeringen van Elise wilde hij opstaan, er volgde hoe dan ook geen langdurige wandeling. Kennelijk had hij enorm veel geluk gehad. Net als Marith trouwens. Mannen en vrouwen knikten vriendelijk naar hem. “Ben je echt onderwijzer?”, vroeg een oudere man, ongeveer zestig jaar oud.
“Ja.”
“Neem plaats, jongen,” zei de man, “ik ben Harm.”
“Joeri,” zei hij.
“Ja, dat weet ik.”
Joeri nam plaats op een geïmproviseerde stoel, iemand had er eentje willen maken, maar hij bleek stabiel genoeg. Harm lachte heel eventjes en zijn vingers gleden over een stoppelbaard van een week oud. Deze mensen verzorgden zichzelf goed en probeerden te overleven in een vijandige omgeving.
“Hoelang wonen jullie hier al?”, vroeg Joeri.
“Veel te lang,” zei Harm. “Het is overleven.”
“Ik ben in de stad geweest. Daar komen we vandaan.”
“Ze hebben het opgegeven,” zei Harm. “Anders dan wij, zoals je begrijpt, we geloven dat er een terugkeer mogelijk is – ooit zullen we weer thuiskomen.”
Enkele toehoorders zaten met hun hoofden te knikken, maar Harm was overduidelijk de leider. Ze zeiden geen woord, de mannen en vrouwen luisterden. Buiten bleef de regen neervallen, heviger dan eerst zelfs, er hing een eigenaardige groene waas over het landschap, een harde wind joeg een gordijn van water naar binnen, maar ze bleven er ver genoeg vandaan.
“Hoe?”, vroeg Joeri.
Hij glimlachte, zodat er een uiterst vriendelijk gezicht ontstond. “Geen flauw idee. Niemand weet het.”
Joeri knikte enkele malen en wachtte heel even. “Ik probeerde iets meer te horen over een opmerking – of beter gezegd – een vraag die een jongen stelde.”
Harm begon nu op zijn beurt met zijn hoofd te knikken. “Ik begrijp het. Elise zei het al daarstraks. Volgens een aantal kinderen die zo’n beetje dezelfde droom blijken te hebben gehad, al zijn de verhalen een tikje verwarrend, zou er een meisje onderweg zijn die ons thuis zou brengen.” Harm slikte voordat hij verderging. “Een heks.” Hij draaide zijn hoofd naar links en bleef een tijdlang naar de opening staren – er viel een muur van water naar beneden – de lucht was diep donkergroen gekleurd – de wind was gaan liggen. “Het meisje zou de stroom van de rivier veranderen – normaal stroomt een rivier naar de zee, weet je, nu zou de stroom tijdens een enorme regenstorm omdraaien.”
“Het klinkt erg fantastisch,” zei Joeri.
“Zoiets als dit,” Harm keek opnieuw naar buiten, “heb ik ook nooit eerder meegemaakt. Nog nooit.”
“Marith zou de heks zijn uit de voorspelling,” zei Joeri die er niet eens bij durfde te lachen. “Een heks.”
“Kom mee,” zei Harm, “want dit gaat zo ook niet.”
Joeri stond moeizaam op en volgde zijn begeleider, Harm, die naar een donker punt achter in de grot wees. Stemmen verstomden, terwijl ze passeerden, heel begrijpelijk, aangezien Joeri nu snapte dat deze mensen al wekenlang over weinig anders moesten hebben gesproken, een jonge heks die hen thuis kon brengen. Harm pakte een brandende toorts uit een houder en liep enkele passen verder, maar bleef staan bij een tekening die uit twee totaal verschillende gezichten scheen te bestaan – toch ging het om een en hetzelfde meisje – zoveel werd Joeri wel duidelijk, terwijl hij de tekening bestudeerde die bestond uit een reeks vettige strepen. Hij zag een vriendelijk, glimlachend gezicht, geflankeerd door een ander, identiek aan het eerste overigens, dat pure haat en agressie uitstraalde – een erg bleek gezicht, ogen die een geweldige haat tentoonspreidden. Harm hield de toorts wat dichterbij, zodat hij de tekening beter kon bestuderen.
“Ze is de enige,” zei Harm. “Er zijn geen andere tekeningen van mensen, of zelfs dieren, waarbij we tweemaal hetzelfde gezicht zien maar op een totaal andere manier voorgesteld, een verschil van dag en nacht, een goede en ook een slechte persoonlijkheid.”
Joeri dacht terug aan het moment waarop de andere Marith had besloten hem weg te sturen naar Alpaca, alsof ze zijn aanwezigheid domweg beu was geweest.
“Ik heb genoeg gezien,” zei Joeri en hij zocht naar zijn bankje tientallen meters verderop en niet al te ver van de koelte vandaan die de regenstorm bracht. Wel leek het minder hard te gaan regenen, een paar mannen stonden naar buiten te kijken en Joeri bedacht dat ze de schade probeerden te beoordelen die mogelijk was ontstaan. De muur zou het houden. Dat wel. Joeri liet zich behoedzaam zakken op een bankje, ging liggen, zakte meteen weg, liet zich zachtjes neerkomen en sloot zijn ogen. Alleen het geluid van een gestaag vallende regen hoorde hij eerst nog, maar ook dat werd geleidelijk minder en hield tenslotte op.
Onbekende tijd later werd hij wakker en lag nog altijd languit op het bankje, niet eens een ziekenhuisbed, zoals Joeri min of meer had verwacht. Hij opende zijn ogen, bewustzijn keerde terug, hij dacht aan Harm, Marith en alle anderen die hier zolang woonden. Ze hadden het niet opgegeven, zoals de inwoners van de stad Alpaca wel hadden gedaan, geen keurige permanente onderkomens gebouwd, een nieuwe werkelijkheid, al zou die net zo goed kunnen zijn als de oude, als je redenen genoeg had om er te blijven.
Elise wachtte op hem, haar ietwat vermoeide blauwe ogen staarden hem aan, terwijl hij langzaam omhoog kwam. Zijn benen deden nog altijd pijn, al was het beduidend minder dan gisteren. Het drong tot hem door dat hij bijna twee volle dagen continu bezig was geweest, want ook in het huis van opa Koen had hij nauwelijks enige rust genomen.
“Hoelang heb ik geslapen?”, vroeg hij. Het leek hem goed beschouwd een domme vraag. Enkele uren, zo zou het antwoord moeten luiden, zeven, misschien acht uur, meer had hij onmogelijk kunnen geslapen.
“Lang. Je was behoorlijk uitgeput, Joeri. Waarschijnlijk had je het zelf niet eens in de gaten.”
Joeri zag beide zonnen in een heldere blauwe lucht hangen, geen wolken, geen mist. Het was een mooie, zonnige dag, warm zelfs. Zijn handen gleden over zijn benen, de kracht begon terug te keren. Hij had zin in een paar boterhammen, het liefst ook eens wat warms, maar boterhammen waren wel cruciaal. Mogelijk zou Elise later een kom soep opwarmen.
“Bijna dertien uur, net als Marith, die heeft ook een gat in de dag geslapen, maar jij bleef doorslapen.”
“Hoe zit het met de rivier?”, vroeg hij.
“De profetie?”
“Ja.”
Elise knikte eenmaal met haar hoofd, staarde ondertussen naar de vloer, alsof daar het antwoord lag. “Die is uitgekomen. Nu is er alleen een discussie losgebarsten in de groep over onze terugkeer naar huis. Sommige van onze mensen vinden het lichtzinnig om zomaar een reis naar het onbekende te wagen, je weet het immers niet. Koud-water-vrees, als je het mij vraagt. We zitten nu ook al middenin het onbekende. Ik heb geen zin om te blijven, aangezien we al die jaren een terugkeer hebben voorbereid. Natuurlijk is het best eng, maar degenen die willen blijven, kunnen volgens mij beter naar de stad gaan.”
“Geen echte optie, vind ik,” zei Joeri.
“Marith vertelde al zoiets, ze had het over lijkenvreters. Jij hebt een andere naam gebruikt. Ghouls. Die heb ik al eens gehoord, lang geleden.”
“Dus – ze heeft verteld over de grote aantallen ghouls die op het punt staan om de stad te overvallen.”
“Ja.”
“De duinen zagen letterlijk zwart van de ghouls.”
“Zou je de rivier willen zien?”, vroeg Elise. “Onze boot ligt er namelijk ook afgemeerd, verstopt uiteraard, anders zouden zwervers die kunnen stelen.” Ze lachte. “Ja, we hebben een boot.”
“Graag.”
“Al wil ik eerst je wonden inspecteren,” zei Elise, “daar moet ik heel streng in zijn, je bent echt zo’n man die met een zware blessure onverzorgd doorloopt.”
“Je hebt ongetwijfeld gelijk.”
Joeri trok zijn spijkerbroek uit en liet Elise de bandages losmaken, smalle reepjes katoen gekookt in water, zodat ze steriel waren. Het duurde een tijd, ondertussen at hij wat boterhammen.
“Ik ben niet tevreden, je zult nog een dagje moeten wachten voordat ik je een lange wandeling naar de rivier wil toestaan. Geduld oefenen, jongeman.”
Hij glimlachte en wilde een flauw grapje maken, zijn ogen glinsterden eventjes, maar hij besloot te zwijgen en kauwde ondertussen op een stukje brood en kaas.
Bijna een uur later keerden ze allemaal terug, Joeri hoorde de gesprekken geleidelijk dichterbij komen en stelde tot zijn tevredenheid vast dat de rivier inderdaad, zoals de voorspelling al luidde, zijn stroomrichting had omgekeerd – het water stroomde terug naar een ver onbekend punt in het binnenland. Eerst klommen de kinderen over de muur, daarna vrouwen, tot slot volgden de mannen, Joeri luisterde maar half, het was een anticlimax, zo leek het. Ze hadden er jarenlang op gewacht en nu was het zover.
“Het blijft een reis naar het onbekende, je kunt onmogelijk voorspellen wat ons daarginds wacht,” zei een man die iets ouder leek te zijn dan Joeri.
Het was een vreemde gewaarwording – hun geduld werd beloond – er daagde een kans op terugkeer, wat ze mogelijk stilletjes hadden opgegeven, sommige leden begonnen last te krijgen van een zekere angst. Joeri herinnerde zich het moment waarop zijn vinger in een wilgentakje was veranderd, het deed zelfs pijn, hij moest heel snel beslissen en mocht geen seconde aarzelen, anders zou het veel te laat zijn geworden.
“Dan zullen we er nog eens goed over moeten praten,” hoorde hij Harm zeggen en Joeri begon al te denken dat een meerderheid van de mensen die deel uitmaakten van de groep liever voor zekerheid kozen. Ergens hadden ze natuurlijk wel gelijk, want het bleef een avontuur zonder zekere kans op een goede afloop. Het zou een stuk moeilijker worden om de boot mee te krijgen die uiteraard was gemaakt voor een grote groep mensen – niet eens een boot, eerder een schip.
Uren gingen voorbij, de discussie verstomden heel langzaam, mensen hernamen hun gewone werkzaamheden, alsof er nooit meer iets zou veranderen. Joeri liep ongedurig heen en weer, bleef bij de muur staan, vond Marith ineens naast zich die verwachtingsvol omhoog keek. “Heb je hem gezien?”
“Je bedoelt natuurlijk de boot.”
“Ja.”
‘Heel groot, net een Vikingschip, meester Joeri.”
‘Plek genoeg dus voor iedereen.”
“Ja, echt wel.”
De volgende ochtend leek in eerste instantie rustig te beginnen, Joeri werd wakker, veel vroeger dan een dag eerder, maar werd plots vastgeklampt door Harm die er een heel serieus gezicht bij trok. “Kom mee.” Er stonden verschillende ladders tegen de muur, Joeri klom er behoedzaam overheen en ging naar beneden. Voordat hij enkele stappen had gezet, liep Harm naast hem wiens wenkbrauwen en mondhoeken duidden op een groot onheil. Het kon moeilijk anders. Er was iets vreselijks gebeurd afgelopen nacht. De boot was gestolen. Zoiets. De vinger van Harm wees naar een punt in de verte – zoals hij had gehoord stroomde de rivier landinwaarts, maar het bleek dat er iets anders mee was gekomen, de stille getuigen van een ramp die zich elders had voorgedaan – in de stad Alpaca moest er een vreselijke ramp zijn gebeurd. Eerst zag Joeri niet zo goed wat er in het water dreef, hij moest zich dwingen om goed te kijken, zijn brein te laten accepteren wat hij zag – dat het ook dàt was waar het op leek, want hij zag niet één, of enkele tientallen – nee, er dreven honderden dode mensen in het water.
Alpaca (7) Het eiland van de schipbreukelingen
Ze trokken zichzelf op de oever van een eiland en Marith gilde: “Hij heeft me geduwd – geduwd!” Door het water bleven de tranen onzichtbaar, toch wist Joeri heel zeker dat ze er waren. Joeri zocht naar onbekende roofdieren, terwijl de ballon vrij snel verdween. Dennis liet zich niet eens zien, of wist dat ze zich hadden weten te redden. Er heerste een aangename temperatuur, subtropisch.
“Waarom dacht je dat je vader dood was?”, vroeg hij.
Marith zwaaide met een gebalde vuist naar de luchtballon die al honderden meters verderop hing.
“Smeerlap!”, riep ze.
Joeri wachtte af, probeerde geen antwoord te forceren. Er zou vanzelf wel een reactie volgen.
“Ik was bang,” zei Marith.
“Waarom?”
“Hij rook zelfs anders, nee, hij stonk gewoon.”
“Je bedoelt – Dennis?”
“Ja, natuurlijk,” zei Marith die nog altijd naar de luchtballon stond te staren en heel erg boos was, ze veegde enkele tranen weg die over haar wang rolden.
“Dan heb je mij gefopt – en Dennis ook.”
“Volgens mama heb ik – soort van – twee vaders – eentje is dag, de ander nacht, goed en slecht,” zei Marith, “de slechte is hier – op Alpaca.”
“Kan het gebeuren dat er eentje doodgaat, terwijl de ander gewoon verder gaat met zijn leven?”, vroeg hij.
Ze haalde haar schouders op, kennelijk had ze nooit eerder iemand gesproken die dit kon uitleggen, of zelfs de ervaring had opgedaan, zoals Joeri en Marith. Het meisje was bang geweest, had niets laten merken, zich zo normaal mogelijk gedragen en ook Joeri daarmee voor de gek gehouden – hij droeg zichzelf op beter op te letten, als ze weer zoiets ging doen.
“Hij is niet papa, maar Dennis – stomme Dennis.”
“Je hebt het goed gedaan,” zei Joeri.
“En nu?’, vroeg ze. Het onderwerp leek afgedaan te zijn voor Marith die zich omdraaide, alsof de luchtballon daarmee meteen uit haar geheugen was verdwenen. Joeri volgde haar kijkrichting. Hij vond het een slechte plek, veel water, gevaarlijke wezens die zich verborgen hielden om onverwacht toe te slaan, zoals de vismensen die hij had gezien. Een raadselachtige plek, aangezien de vliegtuigen, afkomstig uit zijn eigen, vertrouwde wereld, hier waren neergestort. Opa Koen had ongelijk gehad, er waren meer steden en gemeenschappen op de wereld die Alpaca genoemd werd. De overlevenden hadden zich vermoedelijk in alle richtingen verspreid, levens opgebouwd, omdat ze onmogelijk terug konden keren. De rivier zonder duidelijke oevers meanderde kalmpjes door een landschap dat bezaaid was met eilanden. Er lagen vliegtuigwrakken, maar die waren er lang geleden neergekomen – gras, mos, onbekende planten en struiken overwoekerden de brokstukken.
“Een boot, een kano of zo, zodat we verder kunnen reizen,” zei Joeri, “en anders moet ik een vlot bouwen, ook leuk om te doen, wel erg lang geleden.”
“Heb je wel eens een vlot gebouwd?”
“Ja – met mijn vader.”
“Waarom?”
Joeri glimlachte heel even. “Hij vond dat je dat gewoon moest kunnen, een vlot bouwen. Wat je er ook van vindt – het was ontzettend leuk om te doen.” Hij raapte een stok van de bodem, omdat hij de diepte wilde peilen – misschien konden ze naar een ander eiland lopen, omdat het water doorwaadbaar was. “Zullen we het er maar eens op wagen?”, vroeg hij.
“Wat?”
“Oversteken natuurlijk.”
“Ik kan natuurlijk wel zwemmen,” zei Marith.
“Misschien valt het mee,” zei Joeri die terugdacht aan het wapen dat hij had laten vallen, het water leek bij die gelegenheid erg diep te zijn – al viel het misschien mee – hij zou zijn revolver terug moeten zien te vinden. Een vuurwapen op zak was altijd handig.
Hij stapte in het water – inderdaad, niet zo erg diep, maar zijn onderbenen verdwenen in een donkere smurrie, een groengrijze substantie die zich als een wolk door het water begon te verspreiden – een levende wolk zelfs, want hij voelde akelige steken. Joeri liet zich achterover vallen, belandde op de oever en trok zijn voeten snel omhoog – hij sloeg met de stok op zijn onderbenen – om de troep te verwijderen – vies, smerig en stinkend, net een amoebe, hij had er zelfs geen andere naam voor. Zijn spijkerbroek kleurde een beetje rood, dus de weg door het water mocht hij nu wel zo’n beetje vergeten, want ze zouden de overtocht niet eens overleven. “Bah,” mompelde hij, terwijl Marith hem met grote ogen aankeek. Joeri gebruikte een platte steen om de laatste resten te verwijderen, maar het spul, de resten van een soort levend organisme, niet eens dood, zoals hij eerst dacht, stierf erg snel af, zodra het op het droge was.
“Jèk! Wat is dat?”
“Iets gevaarlijks,” zei hij. “We zullen toch echt een vlot moeten bouwen om van het eiland af te komen. Zwemmend zou het misschien lukken, maar ik durf het nu eerlijk gezegd niet zo goed meer aan. We gaan in plaats daarvan het eiland verkennen, eten zoeken, inmiddels heb ik, net als jij, een stevige trek gekregen, er moet allicht ergens iets zijn dat je kunt eten.”
“Je bloedt, meester Joeri.”
“Ik weet het.”
“Misschien is er schoon water en kun je je wassen.”
“Laten we het hopen.”
Ze bevonden zich op een smalle oever, een strookje aarde dat meestal verdween onder water, dat was duidelijk te zien, er waren sporen die duidden op een geregelde overstroming. Daarachter lag een groenbruine haag van bomen en struiken, ook herkende hij de witte glinstering van een vliegtuigromp, zoals je die overal tegenkwam. “We volgen het – eh – strand, Marith. Misschien vinden we een pad dat gemaakt is door mensen die hier wonen.” Er moesten gestrande reizigers op het eiland zijn, of hun nakomelingen, aangezien er altijd mensen achterbleven die geen zin hadden in een riskant en onbestemd avontuur elders. “En blijf uit de buurt van het water,” zei hij, “want je weet hier maar nooit.”
Marith knikte eenmaal en ging links van hem lopen. Het was jammer dat zijn revolver daarginds ergens op de bodem van de rivier lag, maar het was te riskant om er verdere verwondingen voor op te lopen, zijn benen deden een beetje pijn, maar hij bloedde niet langer – het was alweer gestopt en misschien hield hij er een tijdje last van – een paar dagen. Straks zou hij wel kijken. Als ze een rustige plek hadden gevonden.
Na bijna een kilometer vonden ze een brede strook grond, een passage tussen de onherbergzame jungle, die plat gewalst oogde, er lagen geknakte bomen met zwart geblakerde stammen, er stonden struiken die kort geleden waren verbrand, toch zag Joeri meteen dat de plek weer groen begon te worden. Joeri en Marith keken elkaar aan, ze zeiden niets, want het was volkomen duidelijk wat ze gingen doen – landinwaarts, het was een ideale kans, ze hoefden zich niet door een vijandig en gevaarlijk gebied te worstelen, langs takken met scherpe doornen. Joeri moest denken aan een snelweg die dwars door een natuurgebied aangelegd moest worden, maar de werkzaamheden waren om onbekende redenen gestaakt en de natuur hernam haar oude rechten. Toch moesten ze op hun hoede zijn.
Ze hervatten de tocht, Marith bleef aan de linkerzijde van Joeri lopen, terwijl de twee zonnen, die een hoog punt boven de horizon hadden bereikt, schuil begonnen te gaan achter een dicht wolkendek. Hij keek opzij – naar de wolken – die er anders uitzagen dan gisteren, toen hij op het strand ontwaakte. Er had een mistwolk gehangen over een groot gebied en Joeri dacht even dat het een permanente toestand was. Boven de horizon lag een donkere, blauwe grijze streep die slecht nieuws betekende voor Joeri en Marith, aangezien ze snel onderdak moesten vinden. Ze volgde zijn kijkrichting en trok een verveeld gezicht, maar zei verder helemaal niets. Joeri hoopte alleen dat er verderop een nederzetting wachtte, vriendelijke mensen die hen allebei wilden helpen.
Hij bleef staan bij een boom die op een geknotte wilg leek, net als op de hoogvlakte, aan het begin van zijn avontuur, maar hij had nooit verwacht het resultaat van zo’n vreemde betovering hier aan te zullen treffen. Natuurlijk lagen er overal wrakstukken, steeds maar weer hetzelfde beeld, straal motoren, vleugels die waren afgebroken, delen van een romp met stoelen. Opnieuw zag hij een griezelige mengeling van tranen en bloed langs de stam druipen. Hij schudde met zijn hoofd, keek naar de horizon die echt donker begon te worden.
“Kom, we moeten opschieten.”
Ze begonnen weer te lopen, Marith keek eventjes omhoog – naar Joeri – ze leek iets te willen zeggen, maar besloot te zwijgen, aangezien het geen nut zou hebben. Ongetwijfeld wilde ze vragen om eten. Hij legde zijn hand op haar rug – de landingsstrook begon heel geleidelijk te stijgen, bodem werd ook droger, zandkorrels dwarrelden omhoog, als stof – ver vooruit ontdekten ze een rotsformatie, geen bergen, maar kleiner, heuvels, of resten van oude bergen, misschien een vulkaan die vele millennia terug voor het laatst was uitgebarsten – hij wist het niet zeker, maar Joeri besloot dat hij net zo goed het hoogste punt op zou zoeken, aangezien er een geringe kans op overstroming bestond.
“Bergen,” merkte Marith op.
“Soort van – misschien een dode vulkaan.”
“Wonen er mensen?”
“Dat weten we snel genoeg.”
Hij wierp een snelle blik over zijn schouder en zag de wolken sneller dichterbij komen, als een bovennatuurlijk monster dat het land van Alpaca wilde overvallen met woeste slagregens en harde wind. Enkele honderden meters verder werd het duidelijk dat er rond een deel van de vulkaan, want zo bleef hij hem voor zichzelf noemen, een muur was gebouwd, geen keurige bakstenen zoals de stad Alpaca, maar rotsblokken die slordig op elkaar waren gestapeld – hij zocht een ingang, bewoners, als ze er al waren.
Plots stak er gedurende een fractie van een seconde een hoofd boven de omheining uit – de muur – er zou een plateau gebouwd moeten zijn, daar stond de vrouw op – uiteraard – het was een vrouw die ze zagen – Joeri zwaaide met zijn arm, heel overdreven, om aandacht te trekken, maar ze moest hen al een flinke tijd in de gaten hebben – misschien vanaf het moment dat ze via de corridor landinwaarts waren gaan lopen, want zo’n strategische plek was het. De vrouw keek omlaag en voerde een gesprek dat onhoorbaar was voor zowel Joeri als Marith, ze schudde haar hoofd – ze kon het net zo min verstaan. Ze waren te ver weg.
Ze bleven staan, niet al te dichtbij, een keurige afstand, hoewel Marith stond te popelen om het fort binnen te gaan – Joeri had nog niet eens ontdekt hoe ze dat voor elkaar moesten krijgen, of ze zouden over de rand mogen klimmen – met behulp van een ladder.
“Hallo. Ik ben Joeri. En het meisje heet Marith.”
Ook de luchtballon hadden ze goed kunnen volgen, ze wisten dat ze er allebei vanaf waren geduwd door een onbekend iemand – Dennis, een doppelgänger, iemand die heel sterk deed denken aan de vader van Marith, maar hem ook zeer beslist niet was – een vader deed zulke absurde dingen nu eenmaal niet.
“Kom jullie uit de stad?”
“Ja. We zijn ontsnapt.”
“Met de ballon. Toch is het fout gegaan. Iemand heeft jullie naar beneden geduwd. Ik heb het zelf gezien,” zei de vrouw en ze keek naar de verte, alsof ze ter bevestiging zocht naar de ballon die nog te zien was.
“Dennis, een man die lijkt op de vader van Marith, maar in werkelijkheid is hij een doppelgänger.”
“Twee mannen, twee geesten, een goede en een slechte.”
“Inderdaad,” zei Joeri.
De vrouw keek naar Marith. “Of een meisje.”
“Echt niet,” zei Marith, “ik ben uniek, er is er maar eentje zoals ik, er zijn er geen twee en dat is echt zo.”
“Ben je gewapend, Joeri?”, vroeg de vrouw die de opmerkingen van Marith volledig negeerde.
“Ik ben een revolver kwijtgeraakt in het water.”
“Je hebt contact gemaakt met Squids, een uniek wezen, volkomen onschadelijk, tot je er in trapt.”
“Ben een beetje gewond.”
“Die zullen we verzorgen,” zei ze. “Ogenblik.”
Aan de andere zijde werd er een ladder aangegeven die de vrouw omlaag stak, Joeri plaatste hem wat beter in het rulle zand en beduidde Marith omhoog te gaan – ze aarzelde eerst nog, maar hij gebaarde ongeduldig. In de verte klonk dreigend gerommel, de storm begon sneller dichterbij te komen. “Hop – klimmen, dat heb je op school ook vaak zat gedaan.”
Joeri volgde ogenblikkelijk – de vrouw, die zich niet had voorgesteld, pakte Marith vast en tilde haar over de rand – Joeri hees zichzelf moeizaam over muur, liet zich rustig zakken, hij klom voorzichtig naar beneden. Zijn benen deden meer pijn dan hij had gedacht. De vrouw trok zijn broekspijp omhoog en floot eventjes. “Dat moeten we goed verzorgen.”
Beneden hadden er zich enkele mannen en vrouwen verzameld, uiteraard ook een paar kinderen die zich op de voorgrond hadden gedrongen – Marith keek een beetje onwennig om zich heen – Joeri liet zich verder omlaag zakken, stapte op de harde bodem en hoorde ineens een jongetje van ongeveer elf jaar zeggen: “Mama – Is dat meisje nou een echte heks?”
Alpaca (6) De hemel boven Alpaca
Joeri liet de haan van zijn revolver voorzichtig teruggaan, terwijl Marith de dood van opa Koen alweer vergeten scheen te zijn bij de aanblik van een man die oneindig veel belangrijker was dan Koen. Joeri stak een hand uit naar de man die zich ternauwernood op het vlot had weten te hijsen – een man met een opvallend bleke huid en dezelfde donkere haren en zelfs kleur ogen – vader en dochter, het was volstrekt duidelijk, bovendien liet de reactie van Marith niets aan duidelijkheid te wensen over. De herinnering aan een doppelgänger verdreef hij ook meteen. “Ik ben Joeri, de onderwijzer van Marith.”
“Dennis,” zei de vader van Marith. “Je hebt het podium gebruikt waarop we – ze – gevechten laten plaatsvinden, als het weer te slecht is, oogt spectaculair, moet ik zeggen, je kunt diep vallen, de paleisadel kijk toe, terwijl ze achter een raam staan.”
“Ik vermoedde al zoiets,” zei Joeri, die zijn slechte gedachten probeerde te verdringen, een koning die de hel van zijn stad zou kunnen ontvluchten, als de ghouls over de verdedigingsmuren wisten te klimmen.
“Ik heb de propaanbrander gebouwd,” zei Dennis.
“Pap, ik dacht dat, maar – ,” zei Marith die haar zin niet voltooide en stopte met praten, omdat ze had geloofd dat haar echt vader dood was.
“Nee, liefie, je oude vader leeft nog steeds,” zei hij.
“Fijn. Nu kunnen we echt naar huis,” zei Marith.
“Hopelijk is dat ergens landinwaarts,” zei Joeri, “want daar brengt de wind ons momenteel naar toe.”
“We zijn hier gekomen, dus we kunnen ook terug.”
“Dat zou erg prettig wezen, Dennis.”
Dennis en Marith stonden een metertje van de rand van het vlot vandaan, ze staarden omlaag, naar de stad Alpaca, die zich in zijn volle uitgestrektheid toonde. “Kijk maar eens goed, want dit is iets wat weinig mensen voor ons hebben gezien – urbi et orbi – de stad en de wereld, want dat is wat het betekent – Alpaca.”
“Heet de hele wereld dan Alpaca?”, vroeg Marith.
“Ja, want de stad is Alpaca en de stad is de wereld.”
“Dat snap ik niet, papa.”
“Er was geen naam voor deze plek, toen de eerste schipbreukelingen hier terechtkwamen, dus hebben ze de stad Alpaca genoemd, niemand weet nog hoe dat ooit is ontstaan, maar de stad was ook de wereld, aangezien je buiten de stadsmuren niet zult overleven, of je moet de beschikking hebben over een luchtballon, dan drijf je boven het gevaar – hoop ik.”
“Ik zou het niet hebben kunnen navertellen,” zei Joeri het magazijn van zijn revolver controleerde, hij had nog twee kogels over, geen drie, zoals hij zelf dacht.
“En nu?”, vroeg Dennis.
“We zijn hier gekomen, dus we kunnen ook terug,” zei Joeri, “je hebt het net zelf gezegd. Weet je nog?” Er wachtte hem nog een paar ogenblikken voordat de luchtballon in laag hangende wolken zou verdwijnen. Onder hem lag een stad, zoals gezegd, bestond er slechts één stad in deze wereld die Alpaca heette, zoals in de laatste eeuwen van de Europese oudheid de westerse wereld werd beheerst door de stad Rome. Joeri zag dat er een rivier stroomde die de stad in tweeën kliefde, het paleis domineerde, bleek centraal en strategisch te liggen en zelfs een deel van de rivier eindigde of begon ondergronds, onzichtbaar voor al te nieuwsgierige blikken. Joeri twijfelde er niet aan dat er ook een schip klaar lag voor de koning. Hij zou altijd kunnen ontkomen aan de hongerige kaken van de ghouls.
“De ballon werd slecht bewaakt,” zei Joeri.
“Ach, je kunt toch nergens heen. Waar moet je heen? Er is niets anders dan Alpaca. In een flits, dus tijdens de chaos die je hebt aangericht, herkende ik ineens mijn dochter. Voor mij was dat voldoende. Al heb je geen idee waar je aan bent begonnen.”
Marith was gaan zitten, niet ver van de brander. De luchtballon bewoog zachtjes in oostelijke richting, verder landinwaarts, terwijl ze de duintoppen aan leken te kunnen raken, als ze dat echt zouden willen.
Dennis schakelde de brander opnieuw in en joeg warme lucht in de ballon, zodat ze weer stegen. Alpaca leek een onbeduidende stad te zijn achter de duinen. Er bewogen donkere schimmen tussen hoog gras, mensachtige figuren, ghouls misschien wel, of die zouden ze zijn als het donker was. Enorme aantallen zelfs, die aangetrokken leken te worden door de stad, zoals vliegen die een felle lamp in een duistere nacht opzochten.
“Je hebt gelijk, meester Joeri,” zei Dennis die de propaanbrander controleerde en iets veranderde. “Kijk,” mompelde hij, “zo moet hij beter werken.”
“Het zijn er een heleboel,” merkte Marith op die aan de rand stond te kijken, maar tegen werd gehouden.
“Ja, ze hebben geen schijn van kans, als er echt een massale aanval begint, dat zou je tenminste denken,” zei Joeri. “Je moet er een meter vandaan blijven, Marith, het vlot is gebouwd voor mensen die eraf moeten vallen, als variété, een dom circusspektakel.”
“Ja, meester Joeri.”
“Nou moeten we wel eten zien te scoren,” zei Dennis.
Dennis had gelijk, maar ze moesten er een keer voor dalen, bovendien bestonden er op de wereld die Alpaca heette geen supermarkten, zoals thuis. Het betekende een dier vangen, dus schieten, daarna zouden ze het vlees roosteren boven een vuur.
Joeri zocht naar het zwaard waarmee hij de touwen had los gehakt, zodat ze konden ontsnappen, maar kennelijk was het gevallen, toen er mannen wanhopig aan boord van het vlot probeerden te raken. Hij herinnerde zich het moment niet goed meer. Joeri observeerde vader en dochter – Marith had gedacht dat Dennis was overleden, zoiets had ze geroepen, nadat hun hereniging eenmaal een feit was.
Joeri realiseerde zich dat Dennis meer leek op het meisje dat in zijn woonplaats was achtergebleven dan haar onbezorgde evenbeeld op het vlot van de ballon.
Het zou iets kunnen betekenen, maar dat hoefde niet. Marith had geen idee hoe ze in Alpaca terecht was gekomen, legde uit wat opa Koen voor haar had betekend, hoe ze gedurende vele maanden in zijn huis had gewoond. Het was een verhaal dat herinnerde aan zijn eigen avontuur, bedacht Joeri, afgezien van de vlakte die volstond met mensen als geknotte wilgen, slachtoffers van de doppelgänger Marith. Hij miste dat deel van het verhaal, maar wilde er geen vragen over stellen, aangezien het afleidde en misschien zou ze er vroeg of laat terloops iets over zeggen. Een enkele keer staarde hij net iets te lang naar Dennis en zijn dochter. Zou ze het stoffelijk overschot van haar vader hebben gezien? Maar ze was zo ontzettend blij. Het leek te mooi om waar te zijn.
Hij keek over de rand van het vlot, terwijl de ballon zijn reis naar het oosten gestaag voortzette, de hoge duinen waren inmiddels in een moerasgebied veranderd dat ergens voorbij de horizon eindigde. Ook worstelde er een ondenkbaar brede rivier zich door het onherbergzame landschap, zodat de verschillen tussen land en water erg klein waren geworden. Hij ontdekte visachtige wezens die door het water gleden dat veel dieper was dan hij zich kon voorstellen, net onbekende dieren die menselijke vormen vertoonden; ranke lijven, maar geen echte benen, aangezien ze niet langer hoefden te lopen, zwemvliezen en beslist ook scherpe tanden, zoals bleek, als ze naar andere dieren hapten.
“Hoeveel kogels heb je nog, Joeri?”, vroeg Dennis.
“Twee,” antwoordde Joeri en hij besloot het andere wapen gewoon te verzwijgen, al moest Dennis hebben gezien dat hij twee vuurwapens van de tafel had gepakt, voorafgaand aan het duel. “Twee stuks.”
“Da’s niet veel,” zei hij.
“Enig idee hoe we terug kunnen keren naar huis?”, vroeg Joeri. Het was een belangrijke vraag. Dennis zou het antwoord moeten weten, aangezien hij al veel langer in Alpaca leefde. “Er moet een manier zijn.”
Dennis staarde naar een onbekend punt aan de horizon, terwijl de zon voorzichtig door de wolken heen begon te breken, voor het eerst sinds Joeri aan zijn reis in de onbekende wereld was begonnen. Tot overmaat van ramp hingen er twee zonnen in de lucht, wat inhield dat ze echt heel erg ver van huis waren.
“Ik heb geen idee,” zei Dennis die een diepe zucht slaakte. “Eerlijk gezegd bevalt het me hier best.”
“Nou, ik wil echt naar huis, hoor, papa,” zei Marith.
“Maak je geen zorgen, liefie, je komt thuis.”
“En ik heb honger,” zei Marith.
“Dan zul je nog effetjes moeten wachten,” zei Dennis.
“En jij? Hoe ben jij naar Alpaca gekomen?”
“Dat weet ik niet zo goed, opeens stond ik op een soort hoogvlakte, er groeide bomen die ooit echte mensen waren geweest, ze huilden tranen van bloed. Mijn pink begon een boomtakje te worden, dus ik ben gesprongen, later werd ik wakker op een strand.” Joeri hoorde zichzelf praten en wist zeker dat hij niet zo snel zou vertellen hoe zijn avontuur was begonnen. Daarom deed hij zijn uiterste best om Marith uit het zijn verhaal weg te laten, omdat hij het niet begreep.
“Jee – Moet je nou eens kijken,” zei Marith.
Bijna een kilometer verderop lagen er talloze brokstukken van vliegtuigen in het water – op het land – glanzende, afgebroken delen van rompen, vleugels, straalmotoren die over een grote oppervlakte verspreid waren geraakt, vliegtuigstoelen. Joeri ging naast Marith staan en begreep dat het geen nut zou hebben om het meisje naar een andere richting te laten kijken, aangezien ze de wrakstukken had ontdekt. Hopelijk lagen er geen lijken meer, misschien sporadisch kaalgevreten beenderen, aangezien de beesten allang hun werk hadden gedaan. “Mijn God,” zei Joeri die het schouwspel probeerde te overzien. Beide zonnen waren inmiddels volledig door de bewolking gebroken en legde een verblindende schittering over het gigantische oppervlak. Joeri ontdekte de namen van wel zeer aardse bedrijven die in de loop der jaren vliegtuigen waren verloren, soms zonder ook maar één spoor achter te laten – er bestonden fantastische verklaringen voor zulke verdwijningen en Joeri dacht er nu ook aan, toch zou hij ervoor oppassen om de woorden nu uit te spreken.
De ballon verloor enige hoogte, zodat de brokstukken dichterbij begonnen te komen – Joeri dacht dat hij ze bijna kon aanraken, zoals de duinen eerder die dag.
“Wat is er nou gebeurd, papa?”, vroeg Marith.
“Ik heb geen idee,” zei Dennis.
Joeri dacht aan verschillende werelden die naast elkaar bestonden, ofschoon een gewone sterveling nooit tussen de werelden zou kunnen reizen. Toch was er zoiets gebeurd. Er flitste nog een andere angstaanjagende gedachte door zijn hoofd. Het hoefde helemaal niet zo te zijn dat alle mensen die naar deze onbekende wereld waren gereisd in hetzelfde tijdvak terecht waren gekomen, tijd en ruimte waren grillige verschijnselen waardoor de tijdsverschillen uiteenliepen tot misschien honderden jaren. Als de verklaring was geweest dat Alpaca, de stad, generaties terug, aldus opa Koen, werd gebouwd door schipbreukelingen – zijn woorden, zo had hij het letterlijk gezegd – dan bestond er geen andere verklaring. Verleden, heden en toekomst vormden hier een merkwaardige hutspot, Joeri veronderstelde dat zelfs de vismensen afstammelingen zouden kunnen zijn van mensen die hier ooit waren gestrand en niet in staat om weer terug te keren naar huis. Hij balde zijn vuist en keek opzij – naar Dennis en Marith, er moest een manier zijn om thuis te komen. Het moest.
De luchtballon ging verder, Dennis schakelde de brander opnieuw in, zodat ze weer gingen stijgen, ze passeerden oudere wrakstukken, delen van vliegtuigen die er veel eerder al waren gestrand, onbekende toestellen, maatschappijen en symbolen waar nog geen ontwerper mee bezig was geweest,
Alpaca was een vergaarbak van het universum, een vuilnisemmer, alsof er een mechanisme bestond, een onbekende macht die alle anomalieën op Alpaca terecht liet komen – zodat elders de orde was hersteld.
Wrakstukken die verdronken leken te zijn. Onbekende planten hadden zich vastgehecht aan het metaal, gelukkig werden er geen lijken zichtbaar achter de gebroken ramen of tussen enorme openingen die als gevolg van een crash waren ontstaan, zelfs het toestel dat er in latere jaren bovenop was neergekomen. Hij bleef naar beneden kijken, zoals Dennis en Marith ook deden. Opeens voelde hij een hand op zijn schouder, alsof Dennis zijn evenwicht dreigde te verliezen, Joeri keek opzij en zag de koele, berekenende blik van de doppelgänger, ook herkende hij een zekere razernij. De andere hand trok de revolver weg die Joeri achter zijn broek had gestoken – dus toch – vervolgens veranderde de gezichtsuitdrukking van Dennis snel.
Dennis duwde hem ineens weg, naar voren, Joeri verloor zijn evenwicht en struikelde over de rand. Hij hoorde een gil en wist heel zeker, gedurende een enkele seconde, dat Marith over de rand werd geduwd, of zelf had gesprongen – maar ze viel ook.
Hij viel in het water, liet zijn revolver los, vocht zich naar de oppervlakte en zag Marith naast zich vallen.
Dennis was een doppelgänger, niet haar vader.
Marith gilde heel hard, ze verdween in het water, Joeri graaide naar het spartelende lichaam en hield haar vast. “Ik laat je niet gaan, dat zou ik nooit doen.”
Alpaca (5) Het duel
Alleen een klein gezelschap mocht het paleis betreden, Joeri herkende enkele bewoners van krotwoningen nabij de stadsmuren, maar ze werden geweigerd en de soldaten gebruikten zelfs hun speren. Een officier knikte langzaam met zijn hoofd, staarde aandachtig naar Marith die ongegeneerd terugkeek. Ze toonde geen enkele angst, ging ook niet dichterbij Joeri of Koen lopen. Stemmen van toeschouwers verstomden, terwijl ze passeerden – Joeri begreep heel goed dat hij de stad onmogelijk had kunnen ontvluchten.
Eerst de poort, toen het binnenplein – het herinnerde enigszins aan het Louvre in Parijs, bedacht Joeri, eerder een paleis dan kasteel. In het midden lag een geïmproviseerde arena, een rechthoek bestaand uit zand en wachtposten die elke ontsnapping zouden moeten voorkomen. Joeri vond de tribune die voor de edele koninklijke familie was opgericht en – natuurlijk – een paar genodigden. Het tafeltje, met daarop de wapens waaruit hij mocht kiezen, ontdekte hij veel later pas, aangezien de luchtballon zijn interesse trok – een mogelijkheid om te ontsnappen, zoveel was duidelijk.
“Ga maar bij de ballon kijken,” zei Joeri.
Marith knikte opgewekt, Koen reageerde nauwelijks, maar staarde naar de enorme luchtballon die het binnenplein domineerde – onzichtbaar voor de wereld erbuiten, alsof er geen wereld bestond buiten het paleis, aangezien deze mensen alleen hier verbleven.
“En jij dan?”, vroeg Marith.
Een officier kwam in zijn richting, het was dezelfde man die hem gisteren had toegebeten dat het duel op het noenuur zou beginnen, nee, plaatsvinden. “Ik heb een afspraak voor een duel, dat weet je,” zei Joeri. Hij bestudeerde nog snel de luchtballon; geen klassieke mand of zo, maar een houten plateau, vermoedelijk het toneel van talloze gevechten die op een grotere hoogte werden gevoerd. Gelukkig geen stalen kabels, maar gewoon touw, dus die kon je doormidden hakken met een bijl of zwaard.
“Je bent er, niet slecht voor een buitenstaander,” zei de officier die het kennelijk onnodig vond zijn naam te noemen voor een man zoals Joeri. “We beginnen.”
Koen sprak enkele onverstaanbare woorden tegen Marith, ze liepen verder en Joeri volgde de officier. Voor het eerst voelde hij een zekere beklemming in zijn maag, een tikje nerveus, hij zocht zijn tegenstander, mogelijk een reusachtige kerel die Joeri kansloos zou laten in een rechtstreeks gevecht. Hij moest slimmer zijn en een geschikt wapen kiezen, zoals een speer, Joeri had er eerder mee gewerkt, als atleet, voor hem het was een sterk onderdeel geweest. Hij werd aan het publiek voorgesteld, ze wisten dat hij onderwijzer van beroep was, recht van lijf en leden, hij had zelfs de vaandels gegroet. Zijn tegenstander bleek een man die nooit verder was gekomen dan de krottenwijken aan de buitenste rand van Alpaca en eten had willen stelen. “Een overwinning levert deze man een fantastische beloning op – het brood dat hij probeerde te stelen – voor zijn vrouw en kinderen.” Joeri probeerde het idee van zich af te zetten, mannen, misschien ook vrouwen, die regelmatig duelleerden om zo aan eten en drinken te komen voor hun gezin.
“De laatste, die op zijn benen blijft staan, wint.”
Joeri knikte als teken dat hij hem had begrepen, ondertussen keek hij naar de tafel, want er lagen enkele verrassende wapens klaar. Er lag geen speer, wel twee zwaarden, dolken, bijlen en zelfs pistolen, nee, revolvers – twee revolvers. Als zijn tegenstander eerst mocht kiezen, dan zou hij de revolvers zelf uitkiezen en daarmee het duel beslissen.
Er volgde een loting, ze moesten strootjes trekken, de winnaar zou mogen beginnen met kiezen en uiteraard won de man die begerig naar de tafel staarde. Joeri trok er een afwachtende houding bij, alsof het hem nauwelijks interesseerde. Hij wilde geen argwaan wekken. Zijn tegenstander besloot een bijl te gaan gebruiken en een zwaard. Geen revolvers, hij kende het gebruik van vuurwapens kennelijk niet. Het verbaasde Joeri dat er echte revolvers klaarlagen, daardoor twijfelde hij ook iets te lang toen zijn beurt volgde – eerst checkte hij de kogels, er klonken opgewonden kreetjes op de tribune die hij zo goed mogelijk negeerde, tot slot stopte hij beide wapens bij zich, eentje achter zijn riem, de andere in zijn rechterhand. Ook pakte hij een zwaard van de tafel.
“Goddomme – Mag dat ook?”
“Ja, daar heb ik niets van gezegd,” zei de officier.
Echte, geladen vuurwapens – Joeri probeerde te bedenken wat het betekende als de officier twee revolvers klaar had gelegd op tafel, het was erg vreemd, sterker nog, het leek hartstikke idioot. Moderne technologie in een stad die voor de late middeleeuwen gebouwd leek te zijn, mensen noemden zich schipbreukelingen en er lagen vuurwapens klaar voor het duel, terwijl Joeri evengoed de koning zou kunnen vermoorden, als hem dat zo uitkwam. Het leek een enorme roekeloosheid van de Broeders van het Bloed, tenzij het duel als een test gold, een manier om uit te vinden of je wel genoeg van het vaderland hield. Zouden de soldaten zijn borst doorboren als hij het wapen op één van de leden van het koninklijk huis richtte? Zijn tegenstander kende het gebruik van vuurwapens niet en het was Joeri geen moment opgevallen dat de soldaten ze wel gebruikten. Hij trok de haan naar zich toe en liet het wapen weer zakken. Het was nog te vroeg voor een schot. Voor het eerst in zijn leven moest hij een vuurwapen richten op een echt, levend mens, iemand die alleen zijn vrouw en kinderen te eten wilde geven, daarom stond hij hier. Er klonk links en rechts wat besmuikt gelach, mensen die dachten dat hij zijn wapen niet durfde af te vuren.
Zijn tegenstander stond voorover gebogen, Joeri meende heel zeker te weten dat de man nooit eerder in zijn leven zelfs maar een wapen had vast gehad.
“Ben je een tovenaar?”, vroeg de man wiens stem een beetje trilde, Joeri bespeurde een zekere angst – voor de dood – een gevecht tegen de man die een tovenaar was.
“Waarom?”, vroeg Joeri.
“Je weet hoe die duivelse machines werken.”
Het was helemaal niet zeker dat Joeri de man in zijn borst zou raken, of been misschien zelfs, mogelijk boorde de kogel zich tenslotte in een soldaat, of toeschouwer, aangezien hij geen geoefend schutter was. Er kon zoveel onvoorspelbaars gebeuren. Toch had hij twee machtige wapens bemachtigd en de edele Broeders van het Bloed wisten ervan, of niet.
“Een tovenaar, als ze me dàt hadden verteld.”
Er klonken wat kreten op de tribune, leden van de koninklijke familie die zich zaten op te winden.
Een kogel zou af kunnen zwaaien, net zo makkelijk, een onschuldige raken, als die er was – in het paleis.
Joeri zocht de kortste weg naar de luchtballon, een mogelijkheid om weg te komen uit Alpaca, er zou niet snel een andere kans volgen, dat begreep hij goed. Het zou nodig zijn om andere slachtoffers te maken, soldaten neer te schieten die hem tegen wilden houden. Hoe had het in godsnaam kunnen gebeuren dat hij op een plein stond na te denken over doodschieten van soldaten? Omdat het de enige manier was om weg te komen uit een naargeestige, belegerde stad die vroeg of laat overlopen zou worden door hongerige ghouls.
Zijn tegenstander begon onverwacht te gillen en rende naar Joeri die kalm opzij stapte, waarna de man voorover in het zand viel. Met een soldaat als tegenstander zou het duel anders zijn geweest, was er een echt gevecht gevolgd, zou hij nooit de revolvers hebben kunnen kiezen, die zouden er niet hebben klaargelegen voor een man als Joeri. De man krabbelde overeind, graaide onhandig naar zijn wapens, maar Joeri schopte de bijl weg die vijf meter verderop bij de voeten van een soldaat bleef liggen.
Zijn tegenstander had ook geen motoriek die zich leende voor een gevecht, een hulpeloos slachtoffer, een zinloze moord, die als entertainment diende, omdat leden van het koninklijk huis zich verveelden. Alsof er ’s nachts onvoldoende ghouls werden afgeslacht. Hopelijk werkte Koen in de tussentijd aan een plannetje, afleiding, waardoor de aandacht van alle aanwezigen naar iets totaal anders verschoof – Joeri wilde de man niet doden, zijn arm woog zwaarder dan ooit, het kostte moeite om te richten.
Toch pakte de man zijn zwaard veel professioneler vast, alsof zijn brein hem had verteld dat hij wel degelijk een gevecht moest leveren, anders zou hij binnen driekwartier dood op het plein liggen. Joeri wist het uiteraard niet zeker, maar het moest zo zijn, hij raadde vaker gedachten die mensen hadden, het was een gave, al was hij geen telepaat. Goed kijken, niet snel oordelen, de man was bereid om te vechten, als Joeri het naliet – hij begon nu echt te vechten.
De revolver was een gok geweest, misschien hadden ze ermee geknoeid waardoor het nu geen waarde had. Gillend kwam zijn tegenstander met opgeheven zwaard dichterbij, als het geluid enige angst moest aanjagen – Joeri blokkeerde de poging en duwde hem weg – de man moest zijn best doen om niet te struikelen, had extra stappen nodig, het publiek lachten er hartelijk om, leedvermaak, het was overduidelijk dat Joeri geen zin had om de man zomaar te vermoorden. “Dood hem!”, riep er iemand, een man. Opnieuw klonk er gelach op het plein, nu was het spottend bedoeld, heel duidelijk, alsof Joeri met zijn slachtoffer speelde – dat deed hij natuurlijk niet.
“Hoeveel kinderen heb je?”, vroeg Joeri. Het was een vreemde vraag, aangezien ze elkaar moesten doden.
“Drie,” mompelde hij, “twee jongens en een meisje.”
“Hebben jullie het zo slecht dat je eten moet stelen?”
De man gaf geen antwoord, maar weg – de officier keek toe en leek zich bijzonder te amuseren – toch legde Joeri het als een antwoord op – bovendien had hij zelf de krotwoningen gezien, ze werden als eerste overvallen als de ghouls een bres in de verdediging hadden geslagen en de stad waren binnen gevallen.
“Zeg eens – Hoe heet je?”
“Ernst, dat is mijn naam.”
Opnieuw begon er een toeschouwer te schreeuwen. “Vermoord hem nou eens eindelijk, verdomme!”
De officier had zich tot nu toe niet bemoeid met het gevecht, maar schraapte zijn keel en zei: “Het duel is een serieuze aangelegenheid, heren, jullie moeten vechten, dat is de bedoeling en dat verwachten we.”
Joeri ergerde zich aan de toon waarop de officier sprak en richtte ogenblikkelijk het wapen. “Bemoei je er niet mee, je hebt alleen gezegd dat één van ons aan het einde op zijn benen moet staan.” Vrijwel direct nadat hij zijn woorden had uitgesproken, sloeg er een kogel in – enkele centimeters voor zijn linkervoet – het verraste hem allerminst, want twee vuurwapens neerleggen zonder enige verzekering leek hem inderdaad erg roekeloos. Joeri stak de punt van zijn zwaard naar Ernst, als waarschuwing, hij mocht even niets doen, hij keek er zo intimiderend bij als maar enigszins mogelijk was en hij waande zich even op de atletiekbaan. In een raamopening vond hij de schutter, een karabijn, wel een goede schutter, of hij had Joeri moeten raken. Op de tribune werden er kreetjes geslaakt, geen opwinding, het was iets heel anders – het duidde op paniek – er werd een rookpluim zichtbaar – Joeri aarzelde geen seconde en richtte zijn wapen op de schutter die in de raamopening stond – nog steeds, alsof hij niet eens verwachtte dat Joeri het zou proberen – hij vuurde het wapen af – gedurende enkele seconden dacht hij te hebben gemist, maar de schutter in het raam viel voorover. Het was beginnersgeluk, tien andere schoten zou hij hebben gemist, dat wist Joeri heel zeker. Hij kon moeilijk anders. De man moest hem doden. Dat stond vast.
Joeri richtte zijn wapen op de officier die voor het eerst blijk gaf van angst en achteruit stapte. “Opdonderen!”, blafte hij – vervolgens sloeg hij met een enkele klap het zwaard uit de handen van Ernst. “Denk erom – jij staat hier als laatste op je benen.”
Joeri begon te rennen, één van zijn snelste meters ooit, de knie hield het goed, maar het moest niet erg lang duren. Hij schoot twee soldaten in de borst die zijn doortocht trachtte te versperren. Marith stond al op het zwevende vlot van de luchtballon – soldaten probeerden de brand te blussen die er was ontstaan – Koen bleek zich heel ergens anders op te houden, terwijl Marith stond te schreeuwen: “Opschieten, opa Koen! Snel!”
Joeri sprong op het vlot, voelde een pijnlijke prik in zijn knie, maar negeerde het vervelende gevoel en richtte zich eerst op Koen die bijna dertig meter verderop het brandje trachtte te verdedigen. Een speer suisde door de lucht, gevolgd door een andere, Joeri wist te ontwijken, maar begreep heel goed dat ze de ballon wilden vernielen, zodat ze nooit meer konden ontsnappen – hij sloeg een touw doormidden, daarna nog eentje en voelde de luchtballon omhoog gaan, Joeri probeerde wat knopjes waarmee hij de brander activeerde, de lucht in de ballon moest warmer worden dan hij al was. Door het geluid van de brander trok hij de aandacht, hij vuurde twee kogels af zonder te richten, het was genoeg. De chaos had ervoor gezorgd dat ze wegkomen.
Marith staarde met betraande ogen omlaag, want opa Koen werd op dat moment door minstens zes soldaten doodgeslagen. Joeri trok het meisje weg, omdat ze dit niet hoefde te zien – ze mocht het niet eens zien.
Ze drukte haar gezicht in zijn buik en bleef huilen – een gewoon meisje dat iets vreselijks meemaakte. Joeri zou Marith nooit vertellen dat haar opa Koen geen seconde van plan was geweest haar thuis te brengen. Het was een gelukkig toeval geweest dat het toch mogelijk werd, dankzij een luchtballon.
De ballon raakte buiten bereik van de soldaten, hij hoorde doffe klappen van mannen die vielen en hen nog hadden geprobeerd tegen te houden. Eén man wist alsnog op het vlot te klauteren – Joeri richtte het wapen en wilde schieten – tot Marith riep: “Papa?”
Faking it (5/5)
‘I should have gone to college and gone into real estate and got myself an aquarium’
Na het laatste lesuur bleef Marvin alleen achter in de klas. Soms bleef er een enkele leerling achter die een vraag wilde stellen en niet durfde in een volle klas. Een jongen scheen heel even te aarzelen, maar volgde zijn klasgenoten naar buiten. De school begon leeg te lopen, hij zou naar huis gaan, eten klaarmaken voor vrouw en kinderen, televisie kijken, hopelijk nu eens een ander onderwerp terugzien, alles behalve Brad. Hij zette stoeltjes recht – veegde het bord – en liet een paar boeken in zijn tas wegglijden – Daphne verscheen in de deuropening – haar wangen waren roder dan normaal. “Ik – eh – heb bezoek voor je.”
Een man en een vrouw kwamen het lokaal binnen, recherche – heel opvallend – meestal zag je dat toch wel meteen – ze hoefden zich amper voor te stellen. Toch bestudeerde hij de identiteitskaarten. Zijn naam was De geus, die van haar Rijsbergen. “Neem plaats,” zei Marvin, “ik heb een idee waar jullie voor komen.”
“De verdachte – Bradley Molensteen,” zei De Geus.
“Waarvan wordt hij verdacht?”, vroeg Marvin.
“Moord – onder andere,” zei Rijsbergen.
“Vanavond is er een persconferentie. Half acht,” zei De Geus. “Zeg eens – Hoe goed kent u Bradley?”
“Sinds de storm is uitgebroken – zou ik zeggen – niet.” Marvin bestudeerde de gezichten, twee gespannen turende rechercheurs, slechts één man die de verdachte al vele jaren kende – omdat ze ooit in dezelfde straat hadden gewoond – Brad bij zijn oma.
“Zijn moeder. Wat weet u daarvan?”
“Vrijgekomen, Brad had het er moeilijk mee, maakte foute grappen over verstoppen van steakmessen, ze zou op bedevaart zijn gegaan – nooit teruggekomen.”
“Heeft hij er ooit iets over gezegd? Ik bedoel – Brad. Zomaar van de aardbodem verdwenen. Dat is toch vreemd?”, vroeg De Geus die zijn handen met gespreide vingers neerlegde op het tafeltje.
“Ja,” zei Marvin. “Bedevaart, ze werkte in Lyon als serveerster, zoiets heb ik hem horen zeggen, daarna raakte ik het spoor bijster, want ze zou ook non zijn geworden, ergens – nou ja – noem maar een klooster.”
“Vond u dat niet vreemd?”, vroeg Rijsbergen.
Marvin antwoordde op iets luidere toon dan hij wilde doen. “Tuurlijk. Met de kennis van nu helemaal. Al ga je een leugenaar niet meteen van moord beschuldigen. Tenminste – in mijn familie doen we dat niet.” Hij zweeg en perste zijn lippen op elkaar.
De Geus maakte aantekeningen.
Rijsbergen knikte begrijpend met haar hoofd. “Mijnheer De Waal – ik snap het.”
“Er zijn best wel incidenten geweest – vanochtend dacht ik er nog aan – of – nou ja – incidenten – misschien moet ik spreken van voorvallen. Een onderwijzer vroeg in de zesde klas, nu groep acht, wat voor werk we wilden doen, later, als we groot waren. Bradley zei dat hij soldaat wilde worden, omdat je ongestraft mensen kon doodschieten. Ja, zijn moeder zat toen al vast wegens de moord op zijn vader.”
“Zijn er meer – voorvallen – die destijds niets betekenden en waarvan u achteraf dacht – tja – .”
Marvin onderdrukte een glimlach. “Hij had een clubje opgericht – een club voor eenzame harten – Brad was voorzitter en enig lid – ik ben er een paar keer bij geweest toen hij een vrouw versierde – ze gingen mee. Als ze er niet van gediend waren, mochten ze hem een klap in het gezicht geven – zijn woorden. Toentertijd betekende het hoegenaamd niets. Nu vraag je je af of het deel was van zijn systeem. Nee, het spijt me, ik ken geen namen of gezichten. Blondines, brunettes, geverfd haar, niet geverfd.”
“Hoe vaak heeft u dit zien gebeuren?”
“Twee, drie keer.”
“Steeds hetzelfde verhaal – dezelfde truc.”
“Ja.”
“En u bleef steeds alleen achter?”, vroeg Rijsbergen.
“Ja, vraag dat maar aan de oude kastelein van onze stamkroeg, ik hoor zijn schaterlach nog wel eens.”
“Bestaat het café nog?”, vroeg Rijsbergen.
“Ja, café ’t Glaasje.”
“Oké. Dank u wel.”
“Zijn moeder – Hoe zit het daarmee?”
De Geus en Rijsbergen keken elkaar aan.
“We gaan het vanavond toch bekendmaken,” zei De Geus en zijn stem klonk een beetje dreigend.
“Ik zal u de details besparen, maar ze leeft – ja, ze blijkt het land nooit te hebben verlaten – ze was een gevangene, ze is overgebracht naar een ziekenhuis.”
“Mijn God – Mijn God – Wat een ellende.” Hij begroef zijn gezicht in zijn handen – grote handen.
“U bent er niet zo erg goed in, hè?” Rijsbergen wachtte eventjes voordat ze verderging. “Faking it.”
“Daar ben ik heel erg slecht in,” zei Marvin.
“Wat denk u nou – als u dit allemaal overziet?”
“Hij – Bradley – had briefjes in zijn toilet opgehangen – misschien nog wel trouwens – quotes van seriemoordenaars – de één nog erger dan de ander. Ik herinner me er eentje van Jeffrey Dahmer – de naam stond erbij, daarom weet ik het, laatst dacht ik er nog aan. ‘I should have gone to college and gone into real estate and got myself an aquarium.’ Iemand had destijds die jongen onder zijn hoede moeten nemen, een kinderpsychiater, er werd niks gedaan – in plaats daarvan hebben we hem een monster laten worden.”
Hij keek opzij – Joanne stond in de deuropening – gefronste wenkbrauwen – sjaal losjes om de hals.
“Ik ga naar huis, mijn vrouw wacht op me.”
“Mogen we u vaker vragen stellen?”, vroeg De Geus.
“Liever niet.”
“Dat begrijpen we,” zei Rijsbergen.
“De persconferentie sla ik over – vanavond – ik weet meer dan voldoende – misschien laten we de televisie wel uit – het zou een goed idee zijn, denk ik.”
Joanne knikte bevestigend.
Marvin kwam overeind, net als de rechercheurs. “Soms mag je zeggen dat je het echt niet hebt geweten – al is het nog zo gruwelijk.” Hij pakte zijn tas mee.
“Wat zou u hebben gedaan – als u het had geweten?”
“Eerst zou ik hem buiten westen hebben geslagen met een stoel, daarna had ik de politie gebeld.”
“Waarom slaan?”, vroeg Rijsbergen.
“Zoals je zelf al zei – ik ben slecht in faking it.” Hij liep naar de deur, zoende Joanne en betrad de gang.
Marvin en Joanne verlieten het schoolgebouw, gevolgd door de twee rechercheurs die zwijgend achter hen aanliepen. “Een collegaatje heeft me hierheen gebracht,” zei ze. “Mijn fiets staat er nog – Alice stuurde een app dat je met de recherche sprak.”
Hij knikte bevestigend en schudde ondertussen beide rechercheurs de hand – hun auto stond buiten het hek.
“Dan halen we je fiets op en leggen we die in de auto,” zei hij. De Geus liep al weg, maar bleef weer staan, want Rijsbergen aarzelde veel te lang. “Ja?”
“We kunnen niet beloven dat we geen nieuwe vragen bedenken over Bradley Molensteen,” zei ze.
“Ik weet het,” zei Marvin, “vierentwintig uur geleden leek er nog niets aan de hand te zijn, terwijl nu – .”
“Wie weet tot ziens,” zei Rijsbergen.
Marvin en Joanne stapten in hun auto, hij keek over zijn schouder en begon gas te geven – heel rustig.
Bijna veertig jaar geleden liepen ze naar huis – moeder van Menno voorop – aanvankelijk spraken ze nauwelijks tegen elkaar. Menno vroeg ineens: “Meende je dat nou echt – soldaat worden, omdat – .”
“Nee, natuurlijk niet,” zei Brad. “Ik heb dat gezegd om te zieken. Wat een gezeik, zeg. Wat wil je worden – later als je groot bent? Rijk en beroemd is oké.”
Destijds klonk zijn reactie heel normaal, zoals Bradley altijd wel verstandig kon praten – als hij wilde. Soms gebeurde het gewoon niet en dan zei hij iets vreemds waardoor Menno bijna ging denken dat zijn vriend het ook echt meende. Had hij het kunnen weten? Brad reageerde soms erg apart, maar was ook een beroemde schrijver.
Vele jaren later stopte Menno voor een stoplicht.
“Waar denk je aan?”, vroeg Joanne.
“Aan hem.”
“Vertel.”
“Had ik het kunnen weten? Nee, dat denk ik niet. De vraag is ook of je het ooit zou durven vermoeden.”
“We hebben hem een monster laten worden.”
“Hij is naar zijn oma gegaan en dat was dan dat.”
“En zijn moeder?”, vroeg Joanne.
“Toen was jij er nog niet, denk ik.”
“Vanaf je opmerking over Jeffrey Dahmer.”
“Brad bewaarde zijn moeder als slavin, gevangene – ze hebben haar gevonden in zijn huis – levend – dat dan weer wel – ze ligt nu in het ziekenhuis.”
“Jee, wat erg.”
“Hij wordt onder andere beschuldigd van moord.”
“Ga je de persconferentie echt niet kijken?”
“Nee.”
“Zal het je helpen, denk je? Niet kijken.”
“Nee.”
“Als het om praatprogramma’s gaat – ,” zei ze.
“Hebben ze je gebeld?”
“Ja. Je had je telefoon weer uitgezet.”
“En?”
“Ik ken je toch.”
“Dus?”
“Ik heb ‘nee’ gezegd, wil je ook niet overhalen.”
Hij drukte het gaspedaal omlaag en begon te rijden.
“Hij had gelijk.”
“Wie?”
“John Wayne Gacy.”
“Wat heeft hij ook alweer gezegd?”
“A clown can get away with murder.”
“Brad – een clown? Vind je dat echt?”
“Nee. He was faking it.”