Tagarchief: spannende verhalen

Spirits (2/7) Selectie

“We leefden zo ongeveer op straat en waren er altijd tot de moeders ons naar huis haalden – het waren de moeders die ervoor zorgden dat de kinderen naar huis gingen – jongens en meisjes – veel onderscheid maakten we niet – mijn moeder werkte in een bar, dus de benedenbuurvrouw stuurde me naar huis – en dan ik ging ook. Veel kinderen hadden geen vaders die leefden – ik was geen uitzondering – mijn vader was dood – een enkele geluksvogel mocht soms zijn vader opzoeken die een gevangenisstraf uitzat – ik heb mijn vader nooit gekend, wel de foto’s gezien – daardoor weet ik dat ik op hem lijk – moeder zei het vaak – iedereen zegt het erg vaak – ja, ik lijk op mijn vader, maar heb de koppigheid van mijn moeder.”

“Je gaat me toch niet vertellen dat er geen volwassen mannen waren bij jullie in de wijk – ?”, vraagt hij.

“Jawel – verkopertjes en zo – klanten natuurlijk – er was altijd een heleboel handel – in alles eigenlijk.”

“En wat verkochten ze zoal?”

“Drugs, goedkope sigaretten, wapens – alle shit die je moeilijk in winkels kunt krijgen – identiteitspapieren – er waren altijd mensen die een nieuw leven zeiden te willen beginnen, of zich wilden verbergen – voor de politie – of ‘De Organisatie’ – je kon honderd keer beter gepakt worden door de politie, dan kwam je tenminste in de gevangenis terecht en bleef je leven – tenzij ze dachten dat je ging kletsen over de spirits.”

“Je praat nu alweer over De Organisatie en spirits – Hoe zit dat nou precies? Vertel daar eens wat over.”

Chase probeert zijn armen te bewegen – zijn benen – de stoel verschuift enkele centimeters – poten schrapen over de vloer – hij ziet een raam opengaan en vermoedt dat zijn tante het verhaal ook wil horen. Het zijn vragen die zijn oom makkelijk uitspreekt.

“De Organisatie is gewoon De Organisatie – die mensen zijn het begin en het einde van alles – ze bepalen hoe je leven eruit zal zien – of je bijvoorbeeld geld en eten te kort zult komen, of mooie kleren hebt om aan te trekken – in een leuk huis woont met voldoende ruimte en zelfs een eigen slaapkamer. Niemand weet wie ze zijn – ik heb geen idee wie ze zijn – toen ik tien jaar oud was, heb ik een stukje papier aangepakt van een man die ik niet eens kende.”

“Wat gebeurde er?”, vraagt zijn oom.

“Ik zat op de trap voor ons huis – nou ja, je weet wel, we woonden op de bovenste verdieping – een man deelde flyers uit – voor een fightschool, zo bleek. Hij sloeg me over en ik stond op om er ook één te pakken. In eerste instantie weigerde hij me er eentje te geven.

“Mag ik er ook eentje?”, vroeg ik.

“Achternaam?”

“Hendrix.”

“Voornaam?”

“Chase.”

“Nooit geleerd met twee woorden te spreken?”

“Waarom?”

Hij begon te lachen. “Chase Hendrix – Ben jij toevallig een zoon van Zak Hendrix – Zachary?”

“Misschien – zou kunnen. Dat zijn drie woorden – .”

“Net zo brutaal als je ouwe heer,” zei hij.

“Weet ik niet. Ook drie woorden.”

“Mijnheer?”, vroeg hij en dat herinner ik me heel goed – de man die de flyers moest uitdelen zocht een ander gezicht – een oudere man die tientallen meters verderop tegen een gietijzeren hek stond te leunen.”

De oom van Chase begint zijn tanden bloot te lachen – gele, scheve tanden. “Dat zijn een hoop details die je als kleine jongen hebt onthouden – je was tien.”

“Het hek is er nog steeds,” zegt Chase.

“Of je bent net zo’n goede leugenaar als je vader.”

“Als je een hoop boeken hebt gelezen, ben je een verteller – aan het eind ga je verhalen vertellen.”

“Niet altijd,” zei zijn oom.

“Dat zijn wel twee woorden.”

“Je hebt gevoel voor humor.”

“Nog steeds.”

“Wie was die oudere man? Je moet hem goed hebben leren kennen,” zegt zijn oom.

“Eigenaar van de fightschool.”

“Dus aan het eind gaat het om sport? Hebben ze je beloofd dat je Olympisch kampioen zult worden?”

“O nee.”

“Wat dan wel?”, vraagt zijn oom. “Wist je moeder dat je – een flyer had gekregen voor de fightschool?”

“Moeder werkte altijd – in een supermarkt en kroeg, als barvrouw – die wist nergens van – ik heb niets verteld – de flyer heb ik verstopt, zodat ze nergens achter zou kunnen komen – in de supermarkt verdiende ze een rottig salaris, net als in de kroeg trouwens – twee rottige baantjes en weinig geld. Ik kreeg de kans om lekker te vechten in een fightschool – daarom ben ik erheen gegaan. Het duurde een week voordat de proeflessen plaatsvonden – of audities, zoals ze werden genoemd, toen ik er binnenkwam.

Er kwamen alleen jongens binnen, geen meisjes – sommige jongens hadden hun moeders meegebracht. We moesten plaatsnemen in een grote kring – de man die ook de flyers had uitgedeeld nam het woord.

“Welkom jongens – dit is misschien de belangrijkste dag van jullie leven,” zei Mr. Flyer. “Winnaars blijven, de verliezers moeten weg.”

Ik zag een paar knikkende hoofden. Mr. Flyer ging verder: “Jullie krijgen de kans om vijf minuten te vechten – ik kies de jongens uit die tegen elkaar zullen strijden – je mag niet krabben of bijten – jullie zijn jongens en geen meiden – wie krabt of bijt verliest.”

Opnieuw een paar knikkende hoofden – .

“De eerste twee kandidaten – Chase Hendrix, Eduard Mulholland.” Hij noemde mijn naam als eerste – ik hoorde een geroezemoes door de sportzaal gaan.

Ik stond op – net als Eduard – er lag een glinstering in zijn ogen die ik goed kende – we kwamen elkaar vaker tegen – hij leefde net als ik op straat. Zijn vader zat een levenslange gevangenisstraf uit wegens een dubbele moord – ik weet niet of de man een spirit was.

We ging tegenover elkaar staan – hij staarde naar me, alsof hij niet goed wist wat er zou gebeuren – armen hingen slapjes langs zijn lichaam – in mijn ooghoek volgde ik de bewegingen van Mr. Flyer die het sein gaf dat we mochten beginnen – ik had geen idee wat de regels waren – er waren er geen. Nou ja, we mochten niet krabben of bijten. Dat was alles.

Eduard balde zijn vuisten, als voor een bokspartij, maar we gingen helemaal niet boksen – hij probeerde me te slaan – zijn vuist schampte mijn kin – ik leunde op mijn linkerbeen en schopte met rechts in zijn knieholte – dat deed ik zo hard mogelijk – Eduard ging neer – zijn achterhoofd sloeg stuiterend op de mat. Om te voorkomen deed hij zich herstelde liet ik mijn linkerknie op zijn borst vallen – linkerhand drukte op zijn keel en ik sloeg hem – Mr Flyer zweeg en keek toe, dus ik sloeg nog eens en nog eens.

Ik voelde twee harde, ijskoude handen die me van Eduard wegtrokken – Mr. Flyer bleek allang ‘stop’ te hebben geroepen en ik had hem niet eens gehoord.

Hij duwde me opzij en ik had enkele extra stappen nodig om mijn evenwicht te bewaren – twee jongens maakten opvallend snel plaats, alsof ik hen eveneens zou willen aanvallen. Een oudere vrouw hielp Eduard overeind – ik vroeg me af of ze een arts kon zijn.

“Chase Hendrix – je hebt nog geen fuck bereikt, maar de eerste stap heb je wel gezet – je kunt een spirit worden,” zei Mr. Flyer. Ik had zelfs geen idee wat hij zou kunnen bedoelen, maar voelde wel een zekere opwinding – ik had mijn vuisten nog altijd gebald.

De eigenaar heette Mr. Blade – ik noemde hem altijd zo – Mr. Blade legde een hand op mijn rug en nam me mee naar zijn kantoor – ik moest plaatsnemen op een stoel en hij ging achter zijn bureau zitten. “Ik heb je gegevens nodig – je naam, adres en school natuurlijk – je gaat verdomme toch wel naar school, hè? Zo niet, dan schop ik je erheen, jongen. Het is belangrijk dat je naar school gaat en je best doet.”

Ik knikte alleen maar en keek naar het dichtgeklapte mes dat naast zijn stoffen bureaublad lag – zo’n mes waar sommige mannen zich ook mee scheerden.

“Chase Hendrix, mijnheer,” zei ik. “1344 Oak Street – we wonen op de derde verdieping. Het stinkt er.”

“Al die ouwe huizen stinken als een bunzing.”

“Op school stinkt het niet zo erg.”

“Da’s dan weer mazzel.” Mr. Blade legde zijn pen neer. “Ik informeer je moeder wel, Chase.”

“Moet ik nu blijven?”, vroeg ik.

“Nee, je krijgt een berichtje als je voor je eerste les moet komen – net als de andere jongens – we proberen altijd vijf jongens te selecteren,” zei hij. “En je moet je niks verbeelden, want de meesten falen gigantisch – bijna niemand doorloopt alle stadia.”

“Ik vind het al leuk om erbij te zijn, mijnheer.”

Het was nog erg vroeg, dus ik bleef zoals altijd rondhangen op straat. Zoals altijd stonden er auto’s geparkeerd waarin kerels handel zaten te drijven – drugs of andere spullen verkochten – meisjes, die jonger waren dan ik, deden een spelletje – andere jongens waren aan het voetballen – ik ging naar een voetbalkooi, een betonnen veld, twee doelen. Ik dacht nog dat er niks was veranderd, maar een kerel stapte plotseling uit een auto; kaalgeschoren hoofd, gouden kettingen en heel veel tattoos. Hij grijnsde een paar gouden tanden bloot en zei: “Ik heb gehoord dat je bent geslaagd voor je auditie, Chase – erg cool.”

“Big deal,” zei ik, “beetje knokken – lekker toch?”

Hij begon te lachen, net als zijn vrienden die nog harder lachten dan hijzelf – ik was enorm grappig. Voordat hij zich omdraaide en wegliep, stak hij zijn handen afwerend omhoog, alsof hij duidelijk wilde maken dat hij begreep wanneer hij moest zwijgen.

Een andere kerel hing uit het raampje van de auto en riep: “Hé Chase, ze gaan een Überkiller van je maken, – nog effe en je moet ons allemaal vermoorden.”

“Alleen gangsters met een grote bek,” zei de kaalkop.

Ze keerden terug naar hun bezigheden – verkoop van illegaal spul en de kinderen gingen verder met spelen. Middag verliep in een landerige rust – niemand viel me lastig of stelde nog vragen over de auditie.

Om half zes ging ik naar huis – deed de voordeur open en rook de geur van vers eten, zoals moeder elke dag klaarmaakte – ze was altijd op tijd thuis om te koken. Ik hoefde niet eens een horloge te dragen – elke dag verliep in ongeveer hetzelfde ritme – om half zes eten – om zes uur stond ik weer op straat – behalve in de winter, als er een halve meter sneeuw was gevallen.

Ik ging het huis binnen en riep: “Hoi!”

Normaal volgde er direct een reactie van mijn moeder, nu bleef het stil. Toch rook ik de gebruikelijke geur van het  avondeten – ik liep verder, naar de keuken, maar bleef in de deuropening staan – moeder stond met haar rug naar me toe – ze had geen woord gesproken sinds ik binnen was gekomen.

“We gaan zo eten,” zei ze en haar stem klonk zacht.

“Oké,” zei ik.

Moeder legde een vorkje neer dat ze gebruikte om het vlees te keren in de pan – onverwacht draaide ze zich om en ik deinsde meteen terug – haar gezicht zag rood van de tranen – ze huilde en niet van blijdschap – .

“Denk nou niet dat ik je ga feliciteren,” zei ze.

Ik gaf geen antwoord. Zei helemaal niets.

“Vind je het niet genoeg dat ik je vader ben verloren aan die smeerlappen? Je weet toch wat ze doen? Ben je nou zo stom – of naïef dat je daar in bent getrapt?”

“Ik heb niets verkeerds gedaan,” zei ik.

Moeder staarde omlaag, toen opzij en pakte een kopje dat ze in mijn richting gooide – goed gemikt, maar ik stapte opzij. “Zie je – je hebt zelfs zijn reflexen.” Ze keek naar het plafond – haar onderlip trilde eventjes. “Ik dacht echt dat we het beter gingen doen – jij en ik. Twee kutbanen om jou een goede toekomst te geven en jij gaat naar die smerige ellendeling en je vraagt: “Mag ik er ook eentje?” Hoe kon je zo stom zijn?”

“Sorry.”

“Nu zit je er aan vast – net als ik – alwéér – toen ik je vader leerde kennen wist ik nergens van – nu wel – ik weet alles over die mensen en wat ze doen. Ze zullen je vast niet hebben verteld wat er met de afvallers gebeurt! Begrijp je wel wat ze daarmee doen?”

“Nee, mam, want daar praat je nooit over.”

“O – Is het mijn schuld? Bedoel je dat soms?”

“Weet ik niet. Je hebt er nooit iets over verteld.”

“Chase, de verliezers gaan dood, daarmee behouden de moeders hun privileges – hun mooie huizen en dure kleren en hoeven ze niet te werken. Ze gaan dood, Chase – de verliezers gaan dood!”

“Mam – ik overleef ze allemaal. Dat beloof ik.”

“We gaan verhuizen, dus ik hoef nooit meer te werken – ze hebben me in genade aangenomen en zorgen weer volledig voor me – mijn werkgevers weten al dat ik ben gestopt, want De Organisatie vindt dat ik altijd hier hoor te zijn, als je me nodig hebt, dus thuis.”

“En ze blijven voor je zorgen?”

“Zolang je je opdrachten blijft uitvoeren, dus je tegenstanders vermoordt, of je verliest ––––––.”


Blauw (5)

Casper boog achterover, alsof hij de schaduw probeerde op te zoeken en onmerkbaar wilde verdwijnen – ik had geleerd dat hij dat kon. Madeleine Steenbergen had zijn verklaring opgeschreven en geprint. Ze legde de blaadjes neer, zodat hij ze kon lezen en indien akkoord – ondertekenen. Ik verwachtte dat hij in de schaduw zou verdwijnen – als de rechercheur heel eventjes niet keek, zou hij de gelegenheid aangrijpen en een stapje achteruit doen, maar de spreekkamer was goed verlicht. Er lag een donkerblauwe gloed over de haren van Casper die ervoor zorgde dat iedere voorbijganger naar hem staarde. Het was geen verbeelding, geen gezichtsbedrog, maar de simpele realiteit. Casper had blauw haar. Ik ben geïnteresseerd in genetische modificatie, heb er laatste maanden veel over gelezen, omdat ik er een boek over wilde schrijven – een spannend boek, geen wetenschappelijke verhandeling. Probleem was dat ik me niet kon voorstellen dat er in ons genetisch materiaal een mogelijkheid bestond om een man of vrouw blauw haar te geven – of een groen en geel oog. De mogelijkheden waren beperkt. Groene ogen kwamen voor, evenals mensen die twee verschillende oogkleuren hadden – maar geel?

Een heel ander verhaal vormde zijn vermogen te verdwijnen in de schaduw – onzichtbaar te worden voor menselijke waarneming, want hij beweerde dat het aan de beperktheid van mijn zintuigen lag. Ik dacht aan een mensachtige kameleon die zich wist te verbergen in de kleuren van zijn omgeving. Casper pakte een pen van de tafel en schreef heel netjes – in blokletters – zijn naam.

“Gaat u me in gevangenis zetten?”, vroeg hij.

“Nee,” zei de rechercheur en ze leek heel kalm, maar ik herkende een ongenoegen dat ze slecht wist te verbergen, maar voor Casper was het ruim voldoende. “Al heb ik het vermoeden dat je lang niet alles hebt verteld.” Ik kende hem veel langer, feitelijk al enkele jaren, maar de jongen was ook voor mij een vreemde – een raadsel.

“Mag hij in het appartement van zijn vader? Hij heeft immers geen andere plek om te wonen.”

“Ja – natuurlijk – uiteraard.”

“Mooi – dank je,” zei ik – we schudden elkaar de hand – Casper stak zijn hand uit, maar aarzelde. Madeleine Steenbergen bestudeerde zijn huid – kleur van zijn ogen had ze gezien – net als zijn blauwe haren – ze had natuurlijk alles bekeken.

“Bereid je erop voor dat we meer vragen zullen hebben,” zei Steenbergen.

Tijdens het gesprek had hij verteld over de financiën van zijn vader – het vermogen dat er geen was – ze beschikten over voldoende geldelijke middelen – ja, dat wel. Hij moest iets bedenken – zijn studie voortzetten, werk zoeken. We verlieten het bureau en begaven ons in het nachtelijke duister – verlichting van straatlantaarns, koplampen van auto’s, gebouwen en kamers die helder verlicht waren. Ik weigerde over mijn schouder te kijken, maar dacht dat de rechercheur nauwlettend zou volgen hoe we wegliepen. Casper verdween deels in de schaduwen, zoals ik hem eerder had zien doen, een natuurlijke beweging – het gebeurde gewoon. Ik ontgrendelde de portieren van mijn auto en we stapten in. Er reed een fietser zonder verlichting voorbij wiens donkere gedaante in het schijnsel van de koplampen opdook.

Er klonk muziek uit de zestiger jaren in de auto, zomerse geluiden van The Beach Boys. “Ik was bang om zelf te sterven, niet voor de dood van mijn vader,” zei Casper die zijn gordel vastgespte.

“Je hebt een hoop zitten liegen daarbinnen.” Ik draaide het stuur van mijn auto naar rechts en zocht de goede weghelft. “Want je vader heeft kennelijk gevraagd om een zachte dood èn er één gekregen.”

“Zij is politie – ze moet werken voor de waarheid. Ik irriteerde me aan haar toontje, de manier van praten, alsof ik een debiel ben.” De avondspits lag inmiddels alweer achter ons, ik hoefde minder lang te wachten bij stoplichten. Er viel een stilte in de auto. Casper stelde geen nieuwe vragen over moeilijke filosofische begrippen, zoals de ziel van een mens. Wel wachtte er een nieuwe vraag op het puntje van mijn tong, want waarom vond Jesper, de vader van Casper, dat zijn zoon geen ziel kon hebben. Een ziel was voorbehouden aan mensen – wat voor een wezen moest Casper dan wel niet zijn?

We passeerde een supermarkt – erg veel klanten waren er niet – de meeste mensen meden de regen en duisternis. “Heb je herinneringen aan je moeder?”, vroeg ik. Het was nu eenmaal een normale toestand. De man bevruchtte een vrouw – die zwanger werd en negen maanden later schonk ze het leven aan – liefst – een gezonde baby. Een min of meer banale werkelijkheid trok er door mijn hoofd, terwijl de supermarkt, een helder verlichte oase, in de vroege avond begon te verdwijnen. “Of misschien foto’s,” want ik had deze vraag eerder gesteld en toen had Casper ontkennend geantwoord, maar dezelfde vraag later nog eens stellen zou wel eens verrassende resultaten kunnen opleveren.

“Nee, dat heb ik al gezegd.”

“Foto’s?”

“Ook niet.”

“Ben je nooit benieuwd geweest naar je moeder?”

“Waarom heeft ze me niet in de gevangenis gestopt?”, vroeg Casper en hij negeerde mijn vraag volkomen, alsof die absoluut niet relevant was. Ik passeerde straatlantaarns en hij verdween telkens enkele seconden in de duisternis van een vroege winteravond. Ik kwam in de nabijheid van een nieuwe straatlantaarn waardoor hij duidelijk zichtbaar werd om daarna gewoon weer te verdwijnen. Verschijnen, verdwijnen, ik knipperde met mijn ogen en hij zat opnieuw naast me.

“Geen overtuigend bewijs dat er een misdrijf heeft plaatsgevonden, denk ik. Je hebt geen fouten gemaakt. Ja, als je nu had verteld hoe je je vader een zachte dood hebt bezorgd, dan had je vastgezeten.”

“Bent u boos?”

“Nee.”

“Waarom niet? Vader was boos als ik zat te liegen.”

“Ik ben je vader niet.”

Ik vroeg me af hoe het zou zijn als de verlichting in de stad zou uitvallen – wanneer alles in een volstrekte duisternis zou verdwijnen met alleen sterren die als flonkerende edelstenen in een zwarte fluwelen deken waren gedrukt. Casper zou volstrekt onzichtbaar worden. Ik zou hem uit het oog verliezen. Alleen zijn stemgeluid verraadde zijn aanwezigheid – .

Voor de hoofdingang van het flatgebouw parkeerde ik mijn auto. Ik had geluk, zover hoefde ik niet eens te lopen. Casper liep naast me – als een schim die continu heen en weer werd geslingerd tussen twee totaal verschillende werelden. Ik speelde met mijn sleutels – regen viel onveranderlijk neer, ik stapte over een ondiepe plas heen die zich had gevormd.

“Heb je de sleutel van het appartement?”, vroeg ik.

“Ja.”

“Mooi – ik denk dat je alleen zult willen zijn.”

We betraden de hal van het gebouw en er viel een koel wit licht over ons heen – er waren geen schaduwen, zodat zijn blauwe haren goed zichtbaar werden – groen oog, geel oog. Hij keek me aan en ik moest denken aan een reptiel dat zich probeerde voor te stellen hoe het zijn prooi zou verslinden. Een associatie die ik niet eerder had gehad. Zijn haren begonnen minder donkerblauw te worden en ik dacht aan het Ral-nummer dat hij had genoemd. Hij moest zich minder goed voelen dan eerst.

Liftdeuren gingen open – we liepen verder. Ik drukte op het knopje dat de juiste verdieping weergaf.

“Mijn vader was eigenaar van een groot bedrijf. Ik herinner me dat ik altijd in zijn werkkamer speelde, want aan nanny’s had hij een broertje dood. Daarom is hij  uit het bedrijf gestapt – om voor mij te kunnen zorgen – ik dacht eerlijk gezegd dat er meer geld zou zijn, maar het valt erg tegen.” Het was de jongen die eerder nog heel geïnteresseerd vragen had gesteld over de ziel van een mens – die hijzelf zo gesteld niet eens scheen te hebben.

“Je redt je wel,” zei ik. Straks ging hij de ouderlijke woning binnen – die sinds gisteren zijn eigendom was geworden. Het leven van Casper hernam zijn gewone gang en hij zou voor altijd verdwijnen in de schaduwen van de moderne samenleving – nauwelijks meer dan een herinnering. Ik had heel even een rol gespeeld vanwege de dood van zijn vader, maar hij sprak niet eens over een begrafenis die geregeld moest worden.

“Ik weet helemaal niks. Vader heeft me nooit – .”

De lift ging open en we liepen verder – onze voordeuren bevonden zich schuin tegenover elkaar.

Casper kreeg de mannen eerder in de gaten dan ik.

Er stonden er drie en ze waren uitgewaaierd in de schemering van de gang, ik had ze aanvankelijk niet eens echt opgemerkt, dus misschien mankeerde er echt wat aan mijn zintuigen, zoals Casper al zei. “Dag jongen,” zei de man die als leider van het gezelschap leek op te treden. Mijn hoofd draaide naar rechts en ik zag heel duidelijk de langere haren van Casper bewegen – als de tentakels van een inktvis – tastend naar een hulpeloze prooi – ze leken zelfs te groeien – centimeters, bijna een meter lang, nee, veel en veel langer. Ik deinsde achteruit en vroeg me af – niet wie , maar wàt Casper was.


Blauw (4)

“Mijnheer – Denkt u dat elk mens een ziel heeft?”

“Ligt eraan – denk ik – hoe je het bekijkt. Zodra je over een ‘ziel’ begint, denk ik toch vooral aan religie – een ziel is een religieus idee.”

Casper draaide zijn hoofd en keek uit het raam. We passeerden een fietser van wie het lichaam verborgen ging in regenkleding – alleen het drijfnatte, glimmende gezicht was te zien. “Als een mens geen ziel heeft – Wat dan wel?”, vroeg hij.

“Een bewustzijn – een mens heeft een bewustzijn, maar dan ben je toch vooral een atheïst, denk ik. Iemand die over een ziel begint, veronderstelt namelijk een ten-hemel-opneming -of zielsverhuizing.”

“O.”

“Waarom vraag je dat zo?”

“Vader had het er vaak over, mijnheer.”

“Ik krijg een beetje jeuk van jou,” zei ik. “Mijn naam is Johan Vermanen. Je moet me Johan noemen.”

“Oké – goed.”

De ruitenwissers zwaaiden continu heen en weer, terwijl de regen bleef neervallen. Bloedrode lichten weerspiegelden loepzuiver in het wegdek. Ik hield voldoende afstand en we waren onderweg naar het bureau – ik had een langdurige stilte verwacht. Een zwijgzame Casper die uit het raam staarde en niets zou zeggen of bijna niets. Soms moest ik door diepe plassen regenwater rijden en hoorde ik het harde kletteren tegen de onderkant van mijn auto.

“Is er echt een verschil?”, vroeg hij ineens en Casper draaide zijn lichaam half naar links – de bestuurdersplaats – dus naar mij.

“Denk het wel, ja.”

“Maar u weet het niet zeker?”

“Misschien – als de dood geleidelijk aan nadert en  we schijterig beginnen te worden – daardoor zouden we wel eens in een ziel kunnen gaan geloven, omdat je je ineens bewust wordt van je christelijke identiteit – .”

“Volgens vader heb ik geen ziel,” zei hij.

Ik wachtte al erg lang voor het stoplicht groen werd – er begonnen een paar auto’s te rijden, maar ik moest weer wachten – eerst oranje, dan rood.

Casper streek zijn blauwe haren achter zijn oren en leek het stoplicht net zo zorgvuldig te bestuderen als ik. “Maar vond je vader dat hij er zelf wel een had?”

“Ja.”

“Waarom?”

Het duurde erg lang voordat het licht weer groen werd – ik had de radio uitgeschakeld – het was buiten acht graden Celsius – niet warm, niet koud.

“Ik zou zo graag eens kerstmis willen vieren,” zei hij en Casper tikte enkele malen op de ruit. “Dat lijkt me best wel leuk. Met zo’n dennenboom, een heleboel ballen, zilverkleurige slingers. En lichtjes. Natuurlijk ook beeldjes en het kindje Jezus.”

Ik trapte het gaspedaal omlaag en begon te rijden.

“Nooit gedaan?”, vroeg ik.

“Nee.”

“Weet je. Ik begrijp je steeds minder.”

“Zou de politie me in de gevangenis gooien, Johan?”

“Nee – daar moet je iets voor gedaan hebben. Dat doen ze niet zomaar.”

“Ik heb niks gedaan.”

Mijn rechtervoet kwam heel traag omhoog – verkeer begon vast te lopen in de avondspits – ik had een ongelukkige tijd uitgekozen om te gaan rijden.

“Ja, ik heb wel iets gedaan,” zei Casper die zijn benen strekte, “ik heb vader een zachte dood gegeven.”

“Je bent een belangrijke getuige – ze willen je graag spreken – je had er nooit vandoor moeten gaan.”

“Ik was bang.”

“Dat snap ik. Het is best eng als je vader ineens dood is, maar je bent erbij geweest.” Ik draaide mijn stuur naar links en trachtte een parkeerplaats te vinden. “Bovendien is er die vreemde wond op zijn arm – daar ga je beslist vragen over krijgen.”

“Zou u denken – ?”, vroeg hij. “Kijk – daar is een parkeerplaats – u moet vlug zijn.”

“Ik zou ernaar vragen,” antwoordde ik – ik draaide het stuur scherp naar links en begon te parkeren. Een fietser wist mijn auto nipt te ontwijken – een man wiens belangstelling vooral werd getrokken door het donkerblauwe haar van Casper en zijn wenkbrauwen.

“Ik denkt dat u gelijk heeft.”

Een zachte dood, zoals Casper die bedoelde, strookte mijns inziens niet met een kleine rafelige wond. Het betekende heel beslist dat er een gewelddadig moment moest zijn geweest die tot het overlijden van zijn vader heeft geleid. We stapten uit – regendruppels kletterden naar op hoofd en schouders. De regen scheen Casper totaal niet te deren. We wandelden naar het politiebureau, alsof de herfst niet was ingevallen, alsof het al niet ruim een uur onafgebroken regende. Ik wilde geen vragen stellen over ziel en bewustzijn, omdat de vader kennelijk vond dat het voor zijn zoon anders lag. Vader wel, zoon niet. Het leek me een curieus onderscheid, maar een normaal gezin waren ze nooit geweest.

We betraden het bureau – ik ging voorop en Casper volgde – ik wist niet eens zeker of hij er niet weer vandoor zou gaan. “Goedenavond,” zei ik. “Deze jongeman is de zoon van de heer Jesper Noorderligt – die gisterochtend dood werd aangetroffen op bed. Er zijn wat vragen gerezen omtrent de toedracht.”

“En – u bent – ?”

“De buurman die uit zijn bed werd gehaald.”

“Een ogenblikje. U kunt even plaatsnemen. De rechercheur komt er zo aan.”

Het duurde niet erg lang. Een rechercheur die ik eerder had gesproken, kwam met uitgestoken hand naar ons toe – rechercheur Madeleine Steenbergen, zo heette ze. Casper en de rechercheur stelden zich aan elkaar voor. “Komt u maar even mee,” zei ze. “Dan kunnen we rustig bespreken wat er is gebeurd.”

We gingen een spreekkamer binnen. Er stond een computer – Casper nam plaats aan de tafel, ik pakte de stoel naast de zijne – de rechercheur liet de stoelpoten over de vloer glijden en ging zitten. “We vonden het een beetje vreemd dat u er vandoor bent gegaan,” zei Steenbergen die Casper recht in de ogen keek. Ze knipperde een keer met haar ogen – merkte zijn vreemde, afwijkende uiterlijk op, maar liet zo min mogelijk blijken – ongetwijfeld zou ze het in haar persoonlijke verslag opschrijven.

“Ik was bang,” zei Casper, “omdat mijn vader dood was gegaan – ik wist niet wat ik moest doen. Het was fout om weg te rennen. Ik wist het niet meer.”

Natuurlijk had ik niets tegen de politie gezegd over mijn verdenking – ik dacht nog altijd dat Casper zijn vader had gedood – mijn nieuwsgierigheid naar het motief en de manier waarop hij het had gedaan was buitengewoon groot –  ‘een zachte dood – hij heeft zijn vader een zachte dood gegeven. Wat betekende dat in hemelsnaam? Een zachte dood!’ Ik kon evenmin uitleggen waarom de gedachte me overviel, er was de stand van zijn hoofd – een eigenaardige flikkering in zijn ogen – maar zijn uiterlijk was sowieso al vreemd, bijna als een alien – inderdaad – ik begreep zijn klasgenoten heel goed. Ik vroeg me af of de jongen blauw bloed zou kunnen hebben, dus echt blauw, stromend bloed.

“Wanneer wist je dat je vader dood was gegaan?’

“Toen mijn – , toen Johan zei dat hij dood was – ik had nooit eerder een dood mens gezien – het was de eerste keer. Daarom vroeg ik me af – ,” zei hij, maar Casper leek zijn zin niet af te willen maken.

“Wat vroeg je je af?”, vroeg Steenbergen en haar stem klonk allervriendelijkst, alsof je je diepste geheimen probleemloos kon blootleggen.

“Het spijt me dat ik er niet bij was – ik had bij mijn vader willen zijn, toen hij stierf. Ik zou in dat geval hebben geweten of hij een ziel heeft gehad.”

“Waarom is dat zo belangrijk voor je?”

“Vader sprak er vaak over.”

“Waarom? Was hij een religieus man?”

“Vroeger niet. Laatste tijd wel.”

“En dus sprak hij regelmatig over de ziel van een mens.”

Hij knikte langzaam. “Ja.”

Casper keek me enkele ogenblikken aan – zijn wenkbrauwen had hij omlaag getrokken, hij beet op zijn onderlip. “Vertel de waarheid, jongen. Zeg wat je denkt. Je hebt niks te verbergen.”

“Wat zei je pa dan precies?’

“Volgens mijn vader heb ik geen ziel.”

“Waarom niet?”

“Ik ben geen afstammeling van Adam en Eva.”

Misschien had ik een extra rondje moeten rijden, niet zo snel naar het politiebureau behoren te gaan en de jongen veel langer uithoren. Ik keek opzij en wilde een opmerking maken, maar zweeg. De rechercheur deed hetzelfde. Er viel een stilte die door Casper zelf werd onderbroken.

“Johan heeft het in de auto hierheen uitgelegd – sommige mensen hebben een ziel, anderen een bewustzijn – ik heb een bewustzijn en geen ziel.”

“Dàt is onzin, beste jongen. Dat heb ik nooit gezegd. Niet op die manier. Beslist niet.” Kennelijk had Casper een passend antwoord op zijn vraag gevonden in mijn uitleg, maar die stemde op geen enkele manier overeen met wat ik had gezegd. “Religieuze mensen zijn eerder geneigd te spreken over een ziel, maar ik ben geen godsdienstig man, daarom heeft de omschrijving ‘bewustzijn’ voor mij persoonlijk veel meer betekenis.”

Casper zei niets, maar knikte met zijn hoofd.

“Zo heb ik het gezegd.”

“Vertel eens, Casper,” zei de rechercheur. Ze boog enigszins voorover en keek hem recht in de ogen. “Vertel eens eerlijk. Heb je iets gedaan met je vader waardoor hij nu dood is?”

“Nee,” antwoordde hij.

Casper had zijn vader een zachte dood gegeven – ik wist niet eens wat hij ermee bedoelde – een zachte dood. Het kon van alles betekenen.

“Heeft je vader je wel eens gevraagd iets te doen waardoor hij zou kunnen sterven?”

“Ja,” zei Casper die naar het tafelblad keek.

“Wat moest je doen?”

“Ik moest hem een zachte dood geven.”

“Dat snap ik niet,” zei Steenbergen.

“Geen pijn, geen lijden.”

“We hebben een wond op zijn rechteronderarm aangetroffen. Weet je hoe die is ontstaan?”

“Nee.”

“Ik vraag me af hoe je vader zijn – Hoe oud ben je?”

“Twintig, sinds een week.”

“Ik vind het onvoorstelbaar dat je vader – of welke vader dan ook – een zoon zoiets zou durven te vragen.”

“Ik heb toch al geen ziel, dus ik kom niet in de hel.”


Blauw (3)

Ik durfde niet eens te lachen. Casper noemde zichzelf een monster. Hij keek om zich heen, las de boektitels die naast hem in een rek stonden. Zijn opmerking leek vanzelfsprekend, alsof niemand ooit had geantwoord dat hij uit zijn nek kletste. Buiten begon de regen tegen de ruiten te tikken – komende uren zou er regen blijven vallen. Zo was het ook gezegd. Ik ging nergens heen.

“Je haar was gisteren veel lichter van kleur,” zei ik – vooral om de stilte te doorbreken.

“Ral 5009,” zei hij.

“O dat weet je toch wel.”

“Tuurlijk.”

“Dit is mijn normale haarkleur. Zo ziet het eruit als ik helemaal in orde ben – gezond dus.”

“Ik dacht dat – .”

“Nee.”

“Hoe – ?”

“Stress, denk ik. De dood van mijn vader.”

Ik pakte de telefoon vast en speelde ermee. Hij moest naar de politie – vertellen wat er was gebeurd.

“Bij gewone mensen gebeurt dat niet, hè.”

“Ik zei het al daarnet – ik ben een monster – een freak.”

“Anders – je bent anders – da’s alles.”

“Nee, u bent anders, ik ben een freak. U heeft me altijd gewoon aangekeken in de lift of in de gang.”

“Daarom hoef je jezelf nog geen monster te noemen,” zei ik. In gedachten zag ik hem weer verdwijnen in de schaduw – onzichtbaar worden, zodat mijn zintuigen hem niet langer registreerden. Een monster is een roofdier dat aast op menselijk bloed of vlees of allebei. Ik wilde zijn talent bespreken, maar durfde het nog niet aan – nog niet.

“Ja, u bent altijd erg aardig geweest.”

“Waarom ben je hierheen gekomen?”, vroeg ik. “Je bent gevlucht, zodra het woordje ‘politie’ viel. Daarmee heb je jezelf verdacht gemaakt. Er zit een vreemde wond op de arm van je vader en de politie zoekt een verklaring die ze niet kunnen vinden.”

“Ik heb niets fout gedaan,” zei Casper – zijn stem klonk opvallend rustig. De stress had een verkleuring van zijn haar veroorzaakt – het was bleker geworden – azuurblauw in plaats van heel donkerblauw, bijna zwart, zoals vandaag.

“Daar gaat het niet om.”

Hij kwam omhoog, stond niet op, zoals gewone mensen, maar kwam in één enkele vloeiende beweging omhoog en liep naar de grote boekenkast. “Ik wou dat ik dit eerder had geweten,” zei hij, maar zijn gestalte verdween in de schaduw – ik verberg mijn kast namelijk in een eeuwigdurend schemerduister om de ruggen van mijn boeken te beschermen tegen zonlicht – ze verbleken anders. Zijn stem klonk duidelijk, ik hoorde hem praten, maar zag hem niet. Hij leek te zijn verdwenen. Heel even maakte hij een stap achterwaarts en hij werd weer zichtbaar – ik zag een deel van zijn lichaam in een strook daglicht – doorzichtig, als een geest. Er was geen zonlicht, het regende en het zou voorlopig blijven regenen.

“Ik zou alles willen lezen.”

Ik legde mijn telefoon neer.

“Vind je niet dat ik recht heb op een verklaring? Je belt aan en vraagt me naar je vader te kijken, omdat hij niet wakker wil worden en ik heb gehoor gegeven aan je wens – je vader is vermoord.”

“Nee, hij heeft een zachte dood gekregen.”

Ik gaf geen antwoord. Zijn gestalte ging verborgen in het schemerduister. Ik zag af en toe een stukje van zijn schouder en arm. Jaloezieën waren grotendeels gesloten. Ik had geen lampen aangedaan. Casper leek zich daar het prettigst te voelen – in de schaduw kon niemand hem aanstaren. Zijn hele leven lang draaiden mensen – voorbijgangers – hun hoofden als ze hem zagen passeren – een jongen met blauw haar die tevens een groen en een geel oog had. Ik moest hem recht in de ogen kijken. Alleen dan zag ik de kleuren van zijn ogen. “Waarom ben je eigenlijk gekomen?” Hij verborg zichzelf nog altijd in de schaduw. Casper draaide zich om en betrad de woonkamer – de boekenkast staat in een aparte kamer – ooit een slaapkamer voor de ouders. Hij ving het daglicht, een somber en dreigend licht dat paste bij Casper. Weifelend bleef hij staan – naast hem lonkte de deuropening – daarachter bevond zich nog veel meer duisternis waarin hij zich kon verbergen.

“U bent altijd aardig voor me geweest. Als enige.”

Regendruppels kletterden tegen de ruiten. Auto’s reden voorbij – ik hoorde banden op kletsnat asfalt.

Misschien moest ik Casper iets te drinken aanbieden. Hij bleef bij de deur staan en ik geloofde dat hij elk moment zou kunnen vertrekken, omdat hij zelf ook niet goed wist waarom hij op zijn vriendelijke buurman had staan wachten – ik ben altijd aardig voor hem geweest. “Ik begrijp je niet goed,” zei ik. Casper draaide zijn hoofd en keek naar me. “Wat bedoel je precies met een zachte dood?”

“Geen pijn, geen lijden,” zei hij.

“Hoe kwam dat zo?”

“Ik begrijp u niet.”

“Was je vader ziek?”

“Hij was erg oud aan het worden.”

“Dat is geen ziekte.”

“Nee – dat klopt.”

“Dus – ?”

“Mijn vader maakte zich zorgen over mij – .”

“Ik begrijp dat je nauwelijks contact hebt gehad met andere mensen – alleen je vader is er altijd geweest.”

“Ja – inderdaad.”

“Waren je klasgenoten bang voor je?”

“Ze noemden me – ,” zei hij.

“Dat heb je al verteld.”

“Geen idee.”

“Een jongen met authentiek blauw haar, een groen en een geel oog, die een bleke, grauwe huid heeft. Vaak draagt hij een bril met licht getinte glazen, zodat de kleuren van zijn ogen niet zullen opvallen.”

“Vandaag niet,” zei hij.

“Wat niet?”

“De bril.”

“Nee – je hebt gelijk – vandaag niet.”

“En je hebt geen idee hoe je blauwe haren zijn ontstaan – terwijl je daarmee de enige mens op aarde bent die zo’n afwijkende haarkleur heeft – van nature. Je had op de voorpagina’s van alle kranten moeten staan en ondertussen leidt je een anoniem leven in een keurig appartementengebouw.”

“Soms – als mijn vader een goede bui had – vertelde hij wel eens over vroeger – mijn geboorte – hij maakte er dan grapjes over – ‘het was een keuzemenu dat ik in moest vullen’, zei hij. Blauw haar, een groen oog en een geel oog.”

“Dat is niet alles. Er is nog iets. Dat weet je.”

Casper betrad de gang en ik zag zijn gedaante compleet verdwijnen in de duisternis – eerst was hij er nog, vervolgens scheen hij onzichtbaar te zijn – als een holografische projectie die uitgeschakeld werd. “Dit bedoelt u waarschijnlijk,” zei hij. “Het is grappig. Toen mijn vader jonger was, hebben we heel vaak verstoppertje gespeeld – en ik won altijd.” Casper stak zijn arm door de deuropening – ik zag alleen een arm zonder lichaam en al die tijd probeerde ik te doen alsof dat normaal was. Hij stond vrij onverwacht weer in de woonkamer – bij de tafel – zijn hand rustte op een stoelleuning.

“Het ligt niet aan mij, hoor. Ik heb geen speciaal talent – zoals de superhelden die overigens in uw boekenverzameling ontbreken,” zei hij. Casper liep terug naar de boekenkast die een magnetiserende aantrekkingskracht leek uit te oefenen.

“Ik heb – beetje – een hekel aan superhelden.”

“Het komt, volgens mijn vader, omdat uw ogen niet goed genoeg zijn om mij waar te nemen – ik ben er gewoon – altijd – maar u kunt me niet zien.”

“En waarom is dat dan?”

Hij liet zijn vingers langs de ruggen van mijn stripboeken glijden. “Mooi hoor – geweldig.”

Ik wachtte enkele seconden en herhaalde mijn vraag, of een deel ervan. “Waarom?”

“Dat heb ik toch al verteld.”

“Omdat je een monster zou zijn – een freak?”

“Ja.”

“Je bent anders, maar geen monster.”

Mijn nieuwsgierigheid was allang gewekt – jaren geleden al – de dood van Caspers vader had de jongen ertoe gebracht ’s ochtends vroeg bij mij aan te bellen – zijn vader wilde niet wakker worden, maar bleek al een tijdje dood te zijn. Casper had kennelijk nooit eerder in de nabijheid van de dood verkeerd. Anders had hij wel geweten dat zijn vader dood was gegaan en zou Casper hebben 112 gebeld. Nee, hij had hem vermoord – de man was niet zomaar gestorven. Er was iets voorgevallen. Ik wist het zeker. De man was een onnatuurlijke, zij het zachte dood gestorven. Ik herinnerde me de vreemde rafelige wond op de rechteronderarm.

“Ik bied je mijn hulp aan,” zei ik.

“Waarmee?”

“Daar kom je toch voor? Je hebt hulp nodig. Aangezien je vader je na al die jaren in totale onwetendheid heeft achtergelaten – je weet niets over je afkomst. Je zit met een vraag. Ben je een gewoon mens? Of ben je iets anders?”

“Een monster bijvoorbeeld?”

“Nee, jongen – ik bedoel – ‘iets anders’.”

“Oké.”

“Maar eerst moeten we naar het politiebureau.”

“Nee – dat wil ik niet.”

“Het moet. Je hebt geen keus. Om te beginnen laten we zien dat je niets te verbergen hebt.”

“Goed dan. Maar ik haat die mensen.”

Ik herinnerde me zijn gezichtsuitdrukking, toen hij gisterochtend in de lift wilde stappen – ik meende een jongen te zien die zijn eigen vader net had vermoord.

“Daarna gaan we toestemming vragen om het appartement van je vader weer te betreden.” Ik begon mijn jas aan te trekken. “Ik heb je vaders archief nodig, anders kan ik je onmogelijk helpen.”

We waren onderweg naar de lift – ik speelde met mijn huissleutels, terwijl Casper schuin voor me liep. Hij draaide zijn hoofd naar links – er lag een merkwaardige donkerblauwe glans over zijn haren die slordig langs zijn wangen bungelden. “U zegt dat ik ‘iets anders’ ben. Wat ben ik dan?”, vroeg hij.

“Daar durf ik voorlopig nog niet aan te denken.”


Blauw (1)

Om drie minuten over half acht belde Casper aan. Ik lag te slapen en dacht eerst dat het een vergissing was, draaide me om, maar er werd opnieuw gebeld – twee korte, driftige geluiden. Ik stond op, trok een broek aan en deed open.

Casper oogde erg rustig, net als altijd – ik moest mijn best doen om niet, zoals altijd, te staren naar zijn azuurblauwe haren – zijn rechteroog was geel, het linker groen, zoals altijd dacht ik dat ik het verkeerd zag. Misschien droeg hij kleurlenzen. “Ik heb uw hulp nodig, mijnheer. Mijn vader ligt op bed en hij reageert niet. Hij wil niet wakker worden.” Casper had een prettige stem die me aan een nieuwslezer deed denken. Zijn arm ging traag omhoog en hij veegde zijn haren achter zijn oren.

“Nou, laten we dan maar eens zien wat er aan de hand is, jongen, “ zei ik, “ik trek een shirt aan en pak mijn telefoon. Ogenblikje.”

“Ja – ja.”

Het appartement van Casper en zijn vader bood een eenvoudige aanblik. Ik was er nooit eerder binnen geweest – hij kende me, omdat we elkaar wel eens tegenkwamen in de lift. Een jonge kerel van achttien of negentien jaar – ongetwijfeld studeerde hij aan een universiteit, maar ik had geen idee waar precies. Sinds twee jaar liet hij zijn hoofdhaar groeien. Ik kende hem als een jochie met kortgeschoren haar – sinds zijn eindexamenjaar liet hij zijn haren groeien en hij bleek blauw haar te hebben – zijn haar was altijd azuurblauw en ik zocht regelmatig naar uitgroei van bruine of blonde haren.

Hij verborg zijn ogen meestal achter een bril die licht getinte glazen had, zodat zijn eigen irissen niet zo opvielen.

Ze woonden er al net zo lang als ik. Een oudere vader en zijn zoon. Ik zag nooit familie of vrienden binnengaan. Er kwam gewoon niemand.

Muren en plafond waren krijtwit geschilderd – er hingen een paar schilderijtjes, geen foto’s – aan de kapstok hing voor elke bewoner van het huis een jas die paste bij het jaargetijde – het was herfst. Casper wees de slaapkamer van zijn vader – ik rekende op het ergste, want een man die weigerde wakker te worden kan een overleden man zijn – doodgegaan in zijn slaap. Ik bleef op de drempel staan.

De buurman lag onder zijn dekbed – hij oogde keurig verzorgd, alsof hij zich net had geschoren – onderkaak hing slap omlaag, de ogen waren gesloten. Ik liep verder en voelde zijn huid – die was erg koud. Er kon geen twijfel over bestaan. Deze man was dood – een uur, misschien twee uur al, misschien zelfs langer. Ik ben geen deskundige.

“Je vader is dood,” zei ik. “Hij zal nooit meer wakker worden.” Heel even betwijfelde ik of mijn boodschap wel doorkwam, maar hij knikt heel traag, dus hij had me begrepen. Ik tikte de cijfers van het alarmnummer en maakte verbinding. Binnen vijf seconden kreeg ik een dame aan de telefoon. In korte bewoordingen legde ik uit wat er aan de hand was. Buurjongen – een vader die niet wakker werd.

“Mevrouw – ik heb genoeg dode mensen gezien om te weten dat deze man – sorry, jongen – is overleden,” zei ik. Een reanimatie zou weinig uitmaken. De vader van Casper was beslist dood.

“Ze sturen een ambulance,” zei ik.

“Vertel eens. Heb je afgelopen nacht misschien een vreemd geluid gehoord waarvan je dacht dat het niets voorstelde?” Ik achtte de kans vrijwel nihil, maar wilde het toch proberen.

“Nee.”

“Heb je familie die je kunt bellen?”

“Ook niet.”

“Alleen je vader.”

“Ja.”

“En hoe zit het met je moeder?”, vroeg ik.

“Die heb ik nooit gekend.”

“O, ja, da’s erg vervelend.”

Zijn blauwe haren hingen langs zijn gezicht en verborgen zijn vreemde ogen – geel en groen, alsof God ineens over een geweldig gevoel voor humor bleek te beschikken – een geel en groen oog, maar ook blauwe haren. Hij droeg een bleek shirt dat half open hing, zodat zijn borsthaar zichtbaar werd. Ook blauw. Huid was erg bleek, bijna grauw, een vreemde mengeling van blauw en grijs. Alsof zijn bloed ook een afwijkende kleur moest hebben.

“Mijnheer – u staart,” zei hij.

“Sorry.”

“Ik werd vroeger op school ‘Alf’ genoemd.”

“Zoals de alien uit die Amerikaanse serie.”

“Ja.”

“Moet erg lastig zijn geweest.”

“Daarom had ik altijd stekels. Ik laat mijn haar nu gewoon groeien, al een jaartje of twee. Het is hip. Ik hoef niets meer uit te leggen. Niemand begint er over. Nou ja, bijna niemand.”

Het was geen goed gespreksonderwerp. Ik had moeten vragen wat zijn vader voor hem heeft betekend – hoe belangrijk de man in zijn leven is geweest, maar dat wist ik allemaal al. Er was niemand anders. Geen familie. Hij stond er alleen voor. “En je weet niet hoe het is ontstaan?”

“Nee.”

Ik probeerde me te bedwingen en geen nieuwe vragen te stellen, of een kruisverhoor te beginnen, zoals ik wel eens wil doen – bij een boeiende persoonlijkheid – Casper, hij leek me het gevolg van een uit de hand gelopen experiment – genetische modificatie waarbij je de haarkleur kunt beïnvloeden en zelfs de kleur van de ogen. Afgelopen twee jaar schreven de kranten er veelvuldig over. Ouders die een kind konden samenstellen, zoals je de accessoires van een auto bij elkaar zocht. Ik had spotprenten – ouders die ruzieden, omdat een albino toch niet helemaal in het gezin bleek te passen.

“Hoe oud ben je?”

“Twintig – sinds een week.”

“Meerderjarig – dus als je hulp nodig hebt,” zei ik. Mijn horloge vertelde me dat we al bijna vijf minuten stonden te wachten. Ik hoorde geen sirenes. Nog niet. “Van de gemeente krijg je het niet.”

“Ik hoef geen hulp van de gemeente.”

“En anders weet je me wel te vinden.”

“Ja.”

Hij veegde zijn haren achter zijn oren en keek naar het lichaam dat keurig onder het dekbed lag. Ik volgde zijn kijkrichting en dacht aan een geënsceneerd tableau – alsof de man daar neergelegd was door de jongen – de overleden vader lag er wel heel erg keurig bij – het was me direct opgevallen dat zijn kin er glad geschoren uitzag. Waarom zou de jongen zoiets doen? Een dood in scene zetten? Ik probeerde het idee uit mijn hoofd te zetten – er waren geen aanwijzingen voor. De jongen had afgelopen nacht niets vreemds gehoord, net als ik trouwens. Mocht er iets raars zijn gebeurd, dan zou een lijkschouwing dit kunnen aantonen. Als het al tot een sectie zou komen. Waarom ook? Waarom zou de jongen met blauw haar zijn eigen vader vermoorden? De enige persoon die hij familie mag noemen. We zeiden langere tijd niets tegen elkaar – wachtten op een sirene die moest klinken.

Er klonk inderdaad een sirene – heel dichtbij – alsof de chauffeur het kruispunt passeerde en misschien was dit inderdaad het geval. Daarna volgde een stilte die bijna een minuut duurde – bel van de intercom ging. Casper liep naar het videoscherm alsof het hem allemaal weinig interesseerde. Ik kreeg niet echt een goed beeld van hem. Hij oogde erg kalm – zeer beheerst. “Ja,” zei hij, “het is de zesde verdieping – ik zal naar de lift lopen en u opwachten.” Mogelijk had hij erg veel verdriet om het overlijden van zijn vader, maar hij liet er niets van zien.

“Nee,” zei ik, “je kunt beter bij je vader blijven. Ik ga wel naar de lift. Dat kan ik beter doen.”

“Goed,” zei Casper die me aankeek alsof de opdracht maar half tot hem door wilde dringen.

Ik verliet het appartement en liep naar de lift – deuren gingen al open – ambulancebroeders kwamen naar buiten en ik wees de richting – daarheen dus, eerste deur links.

“Is er familie bij?”, vroeg een ambulancebroeder.

“Een jongen – de zoon van de overledene – maar hij is volkomen rustig – er is geen paniek – totaal niet.”

Liftdeuren waren alweer dicht gegaan. Ambulancebroeders gingen het huis binnen, ik volgde hen op een afstandje. Feitelijk wilde ik mijn aanwezigheid niet langer opdringen. Toch betrad ik het huis en trof Casper wederom in de deuropening van zijn vaders slaapkamer, alsof hij niet verder durfde te gaan. Ik vroeg me af of de kamer van zijn vader verboden gebied is geweest. Het dekbed was omgeslagen – ik zag een man die een pyjama droeg. Tot dusverre zou ik geen argwaan hebben kunnen koesteren. Er lag een man dood op bed en hij was in zijn slaap gestorven. Ik stond naast Casper toe te kijken, terwijl een ambulancebroeder de rechteronderarm half draaide – ik had eerlijk gezegd niet naar een bloedvlek gezocht, maar die was er wel. Net als een kleine, gerafelde wond, maar er was vrijwel geen bloed te zien – . “Ik ga wel bellen – politie moet erbij komen,” zei een ambulancebroeder, man met een beginnend baardje. Het duurde enkele ogenblikken voordat de werkelijkheid keihard bij me binnen wilde komen. De vader van Casper was niet gewoon in zijn slaap overleden – er moest sprake zijn van een moord.

Ik keek opzij en zocht Casper, maar die was verdwenen – hij was weggelopen.

“Casper!”, riep ik – het kostte me slechts enkele stappen om het appartement te verlaten, zodat ik Casper de lift binnen zag gaan – de deuren sloten al.

Hij draaide zijn hoofd om – ik zag zijn ogen – de gezichtsuitdrukking en ik wist nu dat hij eindelijk begreep wat er was gebeurd. Zijn vader was vermoord en de jongen was zelf de dader…

 

 


Portret van een roofdier

Man beweegt zich geruisloos voort in een schemering die het zonlicht voorgoed achter zich lijkt te laten. Hij zoekt een een menselijk prooidier in de kracht van zijn leven. Man heeft honger – de zomerdag heeft hem uitgeput – geuren komen keihard binnen – hij hoort dreunende slagen van harten – voelt zenuwen die tot het uiterste zijn gespannen. Zwak licht heeft zich verspreid achter diffuse ruiten. Auto’s rijden voorbij – fietsers creëren nieuwe regels – een late hardloper begint aan zijn eerste kilometer – man voelt zijn hoektanden omlaag komen en prikken in het vlees – bloed vloeit in zijn mond, maar hij weet dat het onzichtbaar blijft voor de massa. Zijn ogen glimmen onophoudelijk, pezen en spieren staan gespannen, schoenen komen bijna onhoorbaar neer op de gortdroge straten die bovendien bloedheet zijn na de warme dag. Hij kijkt omhoog en ziet een man die hem bestudeert. Het onbekende roofdier op straat weet zeker dat hij hem nooit eerder heeft gezien.

Hun blikken ontmoeten elkaar, maar het duurt slechts zeer korte tijd. Er is geen blijvende herinnering. Man ziet zichzelf omhoog springen, zijn handen grijpen de luifel vast – maar het zou teveel aandacht trekken. Bewoner van het flatgebouw blijft kijken, maar ziet hooguit een late wandelaar passeren, geen roofdier.

Man blijft staan voor het stoplicht dat rood is – het deert hem normaal niet, maar nu blijft hij wachten. Bovendien twijfelt hij aan de richting – links of misschien toch rechts –  of gewoon oversteken. Het stoplicht verandert van kleur – het is nu groen – hij beweegt nog altijd niet – drie jonge vrouwen passeren – ze trekken overvolle rolkoffers achter zich aan.

“U kunt oversteken, hoor – het is groen,” zegt er een die vriendelijk glimlacht. Meisje helemaal links zou een ideaal slachtoffer zijn. Ze geniet de bescherming van haar vriendinnen – beweegt overduidelijk anders, afwijkend bijna, want ze voelt zich niet prettig ’s avonds zo laat op straat. Hij glimlacht en besluit over te steken – stoplicht is alweer rood – een auto begint te rijden – het roofdier kijkt en dwingt de automobilist langzamer te rijden. Auto passeert, terwijl de motor onbehaaglijk gromt.

Man steekt de trambaan over en houdt zijn ogen gericht op de meisjes die in de wijk proberen te verdwijnen – alsof ze zich willen verbergen tussen flatgebouwen die in de  jaren na de Tweede Wereldoorlog zijn gebouwd. Man heeft een langzame, zorgvuldige tred – een jager die zijn prooi achtervolgt. Tegenwoordig woont hij in een flatwoning – het is behelpen, niet erg groot – bijna twee jaar geleden woonde hij samen met een vrouw die ongeveer zijn leeftijd scheen te hebben – ondenkbaar natuurlijk – maar ze ontdekte zijn geheim en moest sterven – erg vervelend, omdat ze een volmaakte façade vormde. Ze gingen samen op vakantie en hij keerde alleen terug. Geen familie. Buren namen genoegen met zijn uitleg – ongeluk.

Voorlopig kan hij er blijven wonen, al gaat het natuurlijk een keer fout – dan moet hij vluchten.

De meisjes fluisteren enkele waarschuwende woorden tegen elkaar, maar het roofdier heeft geen plannen om hen te overvallen – niet nu. Het is een warme, zwoele avond, bijna vierentwintig graden – veel auto’s op straat, fietsers en wandelaars. Het meisje dat daarnet nog helemaal links liep, heeft inmiddels een meer strategische positie ingenomen – ze loopt in het midden. Het roofdier glimlacht en laat de afstand een beetje toenemen – hij wil de meiden nu nog niet tot zich nemen – hun bloed drinken – vandaag of morgen loopt hij hier opnieuw – rond tien uur ’s avonds en is een van die meiden alleen.

Ze gaan een flatgebouw binnen – hij loopt verder – deur valt dicht – hij staart naar de glimmende knopjes en namen ontbreken voor een groot deel – hij steekt de straat over en laat zijn ogen langs de gevel glijden – binnen vijf minuten moet er ergens licht aangaan – daar wonen de meisjes. Man ademt heel langzaam in – dan weer uit. Hij zoekt naar een raam dat in het donker is gehuld. Zo meteen ontstaat er ergens een geel schijnsel – jawel, tweede verdieping, derde flatwoning van rechts. Mensen zijn argeloze wezens.

Misschien gaat hij er morgenochtend eventjes langs – hij hoeft alleen aan te bellen waarna er zich iemand zeer chagrijnig meldt en blaft ‘wat hij moet’. Hij zal antwoorden dat hij zijn sleutels is vergeten – in keurig Nederlands – accenten zijn verdacht, een man met een accent, dat buitenlands aandoet, staat altijd voor een gesloten deur. Het roofdier weet altijd en overal binnen te dringen – hij moet alleen het juiste moment afwachten en ’s zomers is er altijd wel ergens een raam open – complete deuren van balkons – er kan toch niemand op de derde verdieping binnendringen. Morgenochtend, als de dag aanbreekt, zijn die meisjes het diepst in slaap en kan hij ze alle drie overvallen.

Man heeft honger en zoekt een eenvoudige prooi om te – drinken – in vroegere eeuwen was het moeilijker – hoewel de stedelijke magistraten het geen probleem vonden om desnoods een onschuldige op te hangen als ze daarmee het plebs tot rust konden brengen. Het roofdier verplaatste zijn activiteiten als dit gebeurde – man is een zwerver en blijft nooit lang op dezelfde plek – hij heeft een probleem met officiële documenten – tegenwoordig ligt alles vast op computerschijven – vingerafdrukken, biometrische gegevens, zodat hij zich steeds moeilijker kan verstoppen – man heeft nog geen oplossing gevonden voor zijn probleem – hij weet zich voor te doen als een aardige man – hij is de aardige buurman die de vuilniszakken van zijn oude buurvrouw wegbrengt. Hij zegt altijd ‘goeiemorgen’ in de lift en lacht heel beleefd, maar gaat nooit een gesprek aan – . Hij is niet in staat om een onschuldig praatje te maken. Man gaat verder – kijkt nog eenmaal omhoog en zijn ogen ontmoeten die van het meisje – het is zijn meisje – tenzij ze ongelofelijk veel mazzel blijkt te hebben – het roofdier bijt zich zelden vast in één bepaalde prooi. Hij moet zijn honger zien te stillen – hoe dan ook.

Man ruikt het water – verderop ligt er een kanaal – geen rivier, maar een door mensenhanden gegraven stroom die Amsterdam als haven weer interessant moest maken – hij is erbij geweest, toen er werd gegraven. Het is nog altijd een favoriete plek van het roofdier – hij heeft er enkele fijne herinneringen liggen – er staan keurige hoge flats zonder balkons, zodat de mensen nooit goed volgen wat er op straat gebeurt.

Koud, regenachtig weer is beter voor het roofdier. Gordijnen zijn stijf gesloten, niemand let op – hij heeft zelden honger als de temperaturen zijn gedaald.

Auto’s rijden op de brug – hij kan ze horen – maar ze zullen niet kunnen zien wat er hierbeneden gebeurt. Zijn ogen glijden langs de ramen van flatwoningen – één en al verlichting – van links naar rechts – ramen die geopend zijn – zonwering is soms naar beneden gelaten – die mensen zijn waarschijnlijk niet thuis – hij is alleen – verderop ziet hij de hardloper dichterbij komen – twee fietsers passeren het roofdier en babbelen driftig over vriendinnen, maar vooral seks – hij wacht op de hardloper die al een tijdje aan het lopen is – wereld van de sporter is ineengekrompen tot het formaat van zijn parcours. Het roofdier weet het heel goed – zijn prooi ziet het gevaar niet aankomen – de flatbewoners kijken niet – nou ja – misschien eentje – zo meteen volgt er een botsing – hardloper valt neer – het roofdier buigt zich over hem heen en de flatbewoners zullen denken dat hij hulp aanbiedt – maar hij zal geen hulp bieden – hij zal zijn lange hoektanden in de nek van de man zetten en zijn honger stillen – dat gaat hij doen – een botsing forceren of die vent neerslaan – hij heeft honger.

Daarna gaat hij zich bezighouden met de meisjes.

Dat dan weer wel.

 

 


De dag van het moordende onkruid

Ik schrijf dit verhaal zonder enige hoop dat iemand het ooit zal kunnen lezen. De wereld die ik altijd heb gekend en waarin ik bijna vijftig jaar heb geleefd is verdwenen – bijna letterlijk verdwenen. Zolang ik mezelf kan blijven redden, doe ik verslag van de belangrijkste gebeurtenissen op mijn notebook – er is geen internet meer, maar ik kan opschrijven wat ik mee heb gemaakt en de batterij is nu nog vol genoeg. We hebben ons verschanst in het park. Het is de enige plek die het moordende onkruid, zoals het is gaan heten, heeft overgeslagen. Shane zou zeggen dat het te maken heeft met de natuurlijkheid van de omgeving. Maar nu loop ik op de feiten vooruit. Laat ik beginnen bij het begin, zoals het hoort en niet meteen over het einde van de beschaving vertellen. Er bestaat een grote kans dat je geen idee hebt wat niet alleen mij, maar ook andere mensen is overkomen.

Ik lag in mijn eigen bed en was vroeg wakker. Ik ben trouwens altijd vroeg wakker. Er stond een wekkerradio op mijn nachtkastje die ’s nachts uit bleek te zijn gegaan. Geen cijfers die me konden vertellen dat het pas kwart over vijf was. Of zoiets. Ook geen knipperende cijfers. Display was donker. Ik probeerde de verlichting en vloekte, want het betekende dat er een stroomstoring gaande was – ik moest kijken naar de aardlekschakelaar. Het zou kunnen, nietwaar? Je denkt niet meteen aan het einde van de beschaving. Geloof me – het einde komt als een sluipmoordenaar. Er was niets aan de hand met de apparatuur. Ik heb de koelkast gecheckt, maar het voelde koud genoeg aan – en in het ergste geval zou ik nieuwe boodschappen moeten gaan doen. Voordat ik opnieuw naar bed ging, ben ik naar de wc geweest.

Onbekende tijd later werd ik weer wakker. Buiten was het al dag. Ik herinnerde me de stroomstoring, maar mijn wekkerradio vertoonde nog altijd hetzelfde donkere display. Voor de duidelijkheid: ik behoor tot de groep mensen die van mening zijn dat een mobiele telefoon, of welke telefoon dan ook, niets op het nachtkastje van zijn slaapkamer heeft te zoeken. In de woonkamer stond een weerstation. Ik zou moeten kunnen zien hoe laat het is, maar ik zag alleen de plaatselijke meetgegevens, temperatuur, vochtigheid. Rest was volstrekt blanco. Niets te zien. Telefoon vertelde me dat er ‘geen service’ was. Ook geen internet trouwens. Niets deed het meer. Totaal niets.

Deurbel ging – gelukkig heb ik een mechanische bel. Ik had inmiddels een spijkerbroek en shirt aangetrokken, maar nog geen sokken. Ik deed de voordeur open – het was mijn overbuurvrouw.

“Heb je wel stroom?”, vroeg ze.

“Nee, geen stroom, geen internet, helemaal niets.”

“Nou ja. Ik hoop dat ze het probleem snel hebben opgelost. Want dit heb ik nog nooit meegemaakt.”

“Volgens mij heb ik nog ergens een transistorradio liggen, een heel ouwe, het ding is van mijn ouders geweest. Als ik iets weet, hoor je het meteen.”

Er lagen spullen van mijn ouders in een kast – als je de woonkamer binnenkwam – direct links – de onderste la. Een transistorradio die ik al eens eerder had getest, maar het lukte niet. Ik moest een nieuwe poging wagen. Het was een radio die voor het laatst in 1996 of zo aan had gestaan. Misschien zou de stroom in de tussentijd hersteld worden. Ik hoefde niet eens aan het werk te gaan. Tegenwoordig doe je niets meer zonder stroom. Echt, helemaal niets. In een andere la vond ik batterijen die pasten. Radio bleef dood. Ik probeerde nieuwe batterijen en vrijwel direct hoorde ik de stem van een nieuwslezer die een zeer verontrustend bericht voor begon te lezen. “ —- Vanuit noordwestelijke richting is het zogeheten ‘moordende onkruid’ in ons land met een niet te stuiten opmars bezig. Het lijkt op heel gewoon onkruid, maar heeft een vooralsnog onbekende samenstelling. Het ‘moordende onkruid’ hecht zich aan gebouwen en auto’s, glasvezelkabels, vernietigt met name alle structuren die door mensen zijn gemaakt – de autoriteiten roepen burgers op zoveel mogelijk weg te blijven bij het onkruid, omdat het een gevaarlijke, bijtende stof afscheidt dat ook gebouwen heeft doen instorten. U kunt het best een plek opzoeken met veel bomen en struiken, zoals een park of bos. Economische schade loopt inmiddels in de miljarden. Blijft u vooral niet thuis, want dat is gevaarlijk. Zorgt u voor voldoende medicijnen en voedsel om het enkele dagen vol te houden. Er begint inmiddels een reddingsactie op gang te komen, maar het zal beslist – .” Ik dacht niet meer aan mijn buurvrouw. Terwijl de stem van de nieuwslezer in een donkere betekenisloze dreun veranderde, probeerde ik het nieuws tot me door te laten dringen. Een onkruid dat een sterk bijtende stof afscheidt en structuren weg vreet die door mensen zijn gebouwd.

Nadat ik bijna vijf minuten naar het radiootje had zitten staren, stond ik weer op en verliet het huis. Ik drukte op de deurbel. Buurvrouw deed open en ze moest aan mijn gezichtsuitdrukking hebben gezien dat het helemaal fout zat. “Is het zo erg?”, vroeg ze.

Ik liet het nieuwsbericht horen dat voortdurend werd herhaald. Steeds dezelfde man die net zo goed het weerbericht had kunnen voorlezen.

“Ik begrijp het niet,” zei Mariëlle. “Onkruid?”

“Nee, het ziet er alleen zo uit, maar het is iets heel anders – een of andere materie dat alles kapot lijkt te maken dat door mensenhanden is gebouwd.”

“Mijn hemel – ik moet naar mijn ouders – ze maken zich vreselijk ongerust,” zei ze.

“Ik ga familie opzoeken – in Brabant – dan zie we daarna wel verder,” zei ik.

We moesten een veilige plek opzoeken – in een park – veel groen, maar mijn eerste gedachte was vanzelfsprekend de buurvrouw gelijk te geven. Snel weg hier en misschien zou het onkruid de rivieren niet eens over kunnen steken. Het was een natuurlijke structuur, nietwaar? Ik had niet gerekend op bruggen. We hadden er helemaal niet op gerekend. Niemand. Er kwamen mensen uit hun appartementen die wilden weten wat er aan de hand was. Ik hoorde opgewonden kreten van mannen en vrouwen. Ik pakte de grootste rugzak die ik had liggen en propte er medicijnen in – genoeg voor enkele dagen had de nieuwslezer gezegd – het zou voldoende moeten zijn, maar ik rekende op een maand. Ik ben altijd al erg voorzichtig geweest in die dingen. Miljarden euro’s schade. Dat herstel je niet zomaar en mijn transistorradio was een kostbaar bezit geworden. Nou ja, sommige mensen hadden het nieuws al in de auto gehoord. Daar zit ook een radio. Ik moest een student wegduwen die mijn radio wilde afpakken. Mijn buurman duwde hem ook weg.

Het is erg vreemd om te vluchten voor iets dat je nooit hebt gezien – een gevaar dat er kennelijk is ontstaan in de nachtelijke uren – geen bommen die uit vliegtuigen werden gegooid, zoals in een oorlog. Geen artillerievuur. Het was volkomen stil. Nou ja, ik hoorde mensen boven en onder ruzie maken. Hoezo een park opzoeken? Mens is een kuddedier. We slaan op de vlucht. Dat is wat we doen en we gaan allemaal. Ik ben op zoek geweest naar een stofmasker. Beelden uit 2001 stonden me helder voor de geest. De twin towers in New York die instortten en stofwolken verspreidden. Nee, ik verbeeldde me niets. Niemand trouwens, want ik hoorde auto’s met slippende banden wegrijden van parkeerplaatsen.

“Waar ga jij heen, buurman?”

Ik heb een buurman die dezelfde interesses leek te hebben als ik. Hij had een weekendtas ingepakt – ongetwijfeld toiletspullen. Tja, ik gebruik medicijnen sinds mijn veertiende jaar – wegens astma.

“Brabant – met een beetje mazzel,” antwoordde ik. Voordeur draaide ik keurig op slot. Vanzelfsprekend verwachtte ik weer thuis te kunnen komen. Alleen wist niemand zeker of zijn huis er dan nog zou staan. Moordend onkruid en ik had niets gezien.

“Ben heel benieuwd of het je gaat lukken,” zei hij en de man liet een allervriendelijkste glimlach zien. Hij liep de trap af. Mijn rugzak bungelde half langs mijn schouder en rug. Ik speelde met mijn sleutels en zou in de auto eerst nieuwe berichten willen horen.

Ik stapte in de auto en constateerde dat de benzinetank voor de helft gevuld was. Tweehonderdvijftig kilometer – genoeg om in Brabant te komen – en terug naar Utrecht, als het kon. Ik drukte op het knopje om de radio te horen, er was niets – alleen ruis – dat was alles. Tien minuten heb ik golflengtes geprobeerd, FM en AM – alles wat ik wist te bedenken. Het was erg stil geworden. Buiten klonken er sirenes van politie en brandweer. Auto’s reden niet meer – iedereen stond stil – auto’s blokkeerden wegen – fietspaden – trottoirs. Iedereen probeerde weg te komen uit wat een rampgebied heette te zijn, maar niemand had het moordende onkruid gezien – niemand had een gebouw horen instorten of stofwolken aan de horizon gezien die razendsnel als vulkanische aswolken door de straten denderden. Auto’s draaiden om – steeds meer bestuurders deden dat – en probeerde een alternatieve richting – overal heen – waar je maar heen kon gaan – je moest iets proberen – ietsdoen was altijd beter dan nietsdoen.

Ik probeerde een plan te bedenken om weg te komen, maar besefte goed dat mijn woonwijk tussen twee kanalen lag ingeklemd. Het dodelijke onkruid naderde vanuit noordwestelijke richting, dus moest ik zien te ontkomen via een weg die tijdens een normale avondspits al barstensvol met auto’s stond. Kansloos dus. Daarom besloot ik mijn auto achter te laten en te gaan lopen – eerst naar het park, want de nieuwslezer had het zo gezegd. Nadat alle andere opties waren uitgesloten, bleef dat als enige over.

Was het een geluk dat het op een zondag gebeurde? De ramp zou sneller in bredere kring bekend zijn geraakt, als de snelwegen heel vroeg in de ochtend vol waren gelopen met werkende mensen. Ik wandelde op het trottoir – passeerde verlaten straten – al stonden er enkele auto’s. Gordijnen waren veelal gesloten. Deuren dicht. Achter me klonk een helikopter – eerst was het er slechts eentje – niet veel later keek ik weer om en zag er tien – legerhelikopters wel te verstaan – groot, donker en dreigend. Persoonlijk ging ik me er niet echt veiliger door voelen. Een gordijn schoof open – enkele seconden – gezicht van een slaperige man – haar in de war – gezicht ongeschoren. Man had geen idee van de ramp die aan de gang was. Ik bleef staan – vergat de man die in huis was verdwenen. Half omgedraaid staarde ik naar het westen – daarginds lag de snelweg – het industrieterrein en de nieuwe stad en voor het eerst kreeg ik een demonstratie van het dodelijke onkruid.

Iets onbekends raakte een helikopter – ik kon het niet goed zien, want ik was uiteraard te laat – een bal van vuur vulde de atmosfeer – ik zag een helikopter neerstorten. Het onkruid was in brand gevlogen. Vuur sloeg over naar andere helikopters die allemaal begonnen te branden en één voor één explodeerden – tongen van vuur. Vuur doofde snel uit, maar ik zag grauwe aswolken omhoog komen, wolken stof, afkomstig van gebouwen die niet langer bestonden. We waren een frontlinie geworden. ‘Moordend onkruid’ bleek een vreemde omschrijving van het fenomeen. Ik zag een felrode wolk omhoog komen – een gigantische amoebe die een helikopter vastgreep en gewoon omlaag trok. Ik was niet langer alleen op straat. Auto’s kwamen in mijn richting – mannen reden als krankzinnigen – strakke, gespannen gezichten. Waar wilden die mensen heen? Het was een stadseiland – daar bevond ik me – links en rechts van mij stroomden kanalen – daarom heette het ook Kanaleneiland. Met een auto kwam je nergens meer.

Ik begon een oud T-shirt voor mijn neus en mond te knopen – alsof ik een bank ging overvallen en de man die net nog in huis was verdwenen deed zijn voordeur open. Ik trok mijn gezichtsbedekking weer omlaag.

“Wat is er aan de – ?”, vroeg hij – of hij wilde het vragen, maar hij zag het slinkende vuur aan de horizon en de stofwolken die over drukke wegen rolden. “Kom binnen, joh, je moet schuilen,” zei hij.

“Nee, het is niet veilig – je moet vluchten,” antwoordde ik en de man staarde naar het westen. “Er is een radio-uitzending geweest. We moeten vertrekken. Het is niet langer veilig. Je moet gaan.”

“Maar mijn vriendin is naar – ,” zei hij en zijn ogen bleven onophoudelijk in westelijke richting staren.

“Als ze daar ergens is, kun je het wel schudden,” en ik negeerde de man verder, want het duurde te lang. Er zijn maatregelen genomen in mijn straat om verkeer te weren uit de wijk, maar automobilisten reden zich te pletter op paaltjes. Ik liep verder en keek een enkele keer over mijn schouder. De man was in huis verdwenen en probeerde contact te leggen met zijn vriendin. Ja, maar het had geen nut meer. Als ze in westelijke richting was gegaan, zou ze dood zijn.

Ik bereikte het park – een hele fraaie naam voor een paar bomen – vijvers en vooral veel gras, maar ik kon nergens anders meer heen gaan. Het was al te laat. Er was een kinderboerderij – een restaurant – maar vooral een hoop ruimte. Er waren andere mensen. Gezinnen natuurlijk. Het was een wijk met veel burgers die hun roots hadden in andere culturen. Groepjes mensen die samenklitten – oude shirts voor monden gebonden, een beetje zoals ik had gedaan. Al hing mijn shirt enigszins als een sjaal om mijn nek. Het zou ons iets van bescherming moeten bieden, maar ik herinnerde me ook de beelden uit 2001. De twin towers. Nou ja, ik had zojuist de tongen van vuur gezien die ontstonden nadat de bloedrode amoebe helikopters uit de lucht had geplukt. Waarom noemde ze dat spul eigenlijk ‘moordend onkruid’? Het leek verdomme niet eens op iets plantaardigs – eerder als levensvorm zoals je die op een verre planeet mocht verwachten. Ik dacht aan een invasie van buitenaardse wezens en was zeker niet de enige.

Een beetje ongemakkelijk bleef ik om me heen kijken – we hoorden stemmen van mannen, vrouwen en kinderen – panisch gegil – een ander woord kan ik niet bedenken – doodsangst – mensen die hun auto’s wilden achterlaten, maar dit te laat deden. Ik zocht een plek in de buurt met wat bomen – ver van iets dat door mensenhanden was gemaakt. Stemmen van mensen die gilden in doodsangst – ze kwamen gestaag dichterbij – er waren mensen die in oostelijke richting begonnen te lopen, alsof je ooit snel genoeg zou kunnen gaan. Ik zei er niets over. Er waren mensen die een discussie wilden beginnen. Maar ze oogden allemaal vreselijk bang. Man en vrouw gingen naast me zitten – in het gras dat warm en droog was. Als onze wereld dan toch ten onder moest gaan, dan graag op een dag die in de media als rokjesdag zou zijn aangemerkt. Er begonnen mensen in de richting van de het onkruid te lopen – de amoebe die zich momenteel op het kruispunt bevond. Nog even en mijn eigen appartement zou niet meer bestaan. Ik liet mijn rugzak omlaag zakken en zocht de radio, maar ontdekte te veel loerende blikken van mensen die wilde weten wat ik nou precies ging doen.

We zagen het gebeuren – er verschenen nieuwe helikopters boven het oprukkende onkruid – de gigantische amoebe die onze kant op kwam. Ik hoorde sirenes van politieauto’s – brandweerauto’s. Waar zouden ze in hemelsnaam moeten beginnen? Ze hadden geen idee. Niemand trouwens. Er bestonden geen plannen voor rampen van zo’n grote omvang.

Helikopters bleven op grotere hoogte vliegen. Ik zag bloedrode tongen omhoog schieten die op korte afstand van de toestellen eindigden. Mensen sloegen op de vlucht. Ook degenen die de veiligheid van het park hadden gezocht. Ik voelde me evenmin veilig, maar er waren geen andere kansen overgebleven. Enorme aswolken rolden naar het park. Natuurlijk was ik bang – alleen stommeriken voelen geen angst. Sirenes bleven klinken, maar ik dacht dat het er veel minder waren geworden. We begonnen met enkele honderden mensen in het park – het werden er duizenden, maar hun aantallen namen ook meteen af. Er groeide een stroom vluchtelingen in oostelijke richting, maar ik vroeg me af hoe je ooit snel genoeg over het kanaal zou moeten komen – we zaten als ratten in de val – ik zat als een rat in de val – vanaf het moment dat ik vanochtend wakker was geworden. Daarom trok ik het shirt voor mijn mond en neus. Buren deden hetzelfde. “Wat gaan we doen?”, vroeg mijn buurman. “Blijven of de meute volgen?”

“Het dichtst begroeide stuk van het park opzoeken,” zei ik. Buurman knikte zijn hoofd en hij hielp zijn vrouw met opstaan. “Weg van alle kunstmatige structuren, want dat hebben ze op de radio gezegd.”

Hij stak zijn hand uit, terwijl we het open veld begonnen te verlaten. Alle mensen waren ineens onderweg. Ik keek een laatste keer naar het westen – daarginds lag niet zo lang geleden een trambaan. Bloedrode tongen overspoelden flatgebouwen, zoals de mijne, ik ben een verzamelaar van strips. Alles was weg. Aswolken werden tientallen meters omhoog gestuwd. Ik hoorde de aarde rommelen – beven als bij een echte aardbeving – flatgebouwen die in elkaar stortten – omvielen en in het moordende onkruid verdwenen – juist nu begreep ik totaal niet meer waarom een onbekende debiel de naam ‘moordend onkruid’ had bedacht. We zagen een gigantische, steeds maar groter wordende amoebe naderen die zich dwars door – ja – dwars door alles en iedereen heen vrat. Ik struikelde en viel half voorover, terwijl mijn bondgenoten, want zo begon ik die mensen echt te zien, bleven staan – wachtten tot ik weer verder kon. We zagen mannen, vrouwen en kinderen die in paniek waren – mensen die over de top van hun stemmen schreeuwden. Afzonderlijke geluiden vervormden zich in mijn hoofd tot een orkaan van geluid. Ik dacht dat ik zou gaan stikken, maar vocht tegen mijn impuls om het shirt omlaag te trekken.

We bereikten de top van de heuvel, maar we moesten verder zien te raken – onszelf verbergen tussen bomen en struiken – onze enige bescherming tegen het gevaar dat ons nu heel dicht genaderd was. Anderen volgden ons voorbeeld – ik voelde een hand die zich erg vervelend vast begon te grijpen aan mijn been en ik trapte achteruit – er klonk een schreeuw – of misschien klonk er een schreeuw, maar er was ook zoveel lawaai en ellende. Takken zwiepten langs me heen – ik volgde mijn bondgenoten – lucht begon grijs te worden – zwaarder zelfs – eerste stofdeeltjes bereikten ons toevluchtsoord – het bos dat onze redding moest zijn. Ik liet me vallen – eerder uit wanhoop dan berekening, maar ik zag mijn bondgenoten ook neergaan. Mijn gezicht begroef ik in kille aarde. Dag maakte plaats voor duisternis – aswolken vulden de atmosfeer – tastbare resten van een beschaving die vandaag ten einde zou komen.

Iemand struikelde en viel – een jongen of meisje – ik hoorde een gil – schreeuw – kreet die verdween in het kabaal – ik tastte naar het hoofd van de onbekende en drukte zijn gezicht in de aarde die ons moest beschermen. Af en toe kwam ik omhoog en poogde adem te halen. Ik ga dood – ik ga dood – ik ga dood – ik ga dood. De woorden klonken als bijlslagen in mijn hoofd. Volgens mij verloor ik op zeker moment het bewustzijn. Jawel, ik verloor het bewustzijn. Zeker.

Hoeveel tijd er voorbij ging – dat weet ik niet. Eerste gedachte – há, ik ben er nog. Ik trachtte op te staan en voelde as – stof – heel fijn stof omlaag glijden. De bodem was ermee bedekt. Bomen, struiken, de mensen die weer begonnen te bewegen, er lag een grijze sluier van heel fijn stof. Ik trok het shirt weg dat mijn gezicht volledig had bedekt. Mijn rugzak bleef haken achter een tak, maar ik had nog steeds een rugzak met mijn eigen spullen. En ik leefde.

Er begon een blauwe lucht zichtbaar te worden boven een grijsgrauwe wereld. Ik knielde neer en legde twee vingers op een halsslagader die ik snel gevonden had. Een jongen van plusminus veertien jaar was bovenop me gevallen. Ik draaide hem om – probeerde iets dat op een stabiele zijligging leek. Hij moest vrij adem kunnen halen, zolang hij daar lag. Terwijl ik dit deed, begonnen de man en vrouw, die ik tot mijn bondgenoten had bestempeld, weer te bewegen.

Voor de eerste keer sinds ik thuis in mijn eigen bed wakker was geworden – vanochtend – was het volkomen stil. Er klonk geen geluid. Niets meer. Ik concentreerde me en zocht naar mensen die aan het praten waren – of zelfs de helikopters – maar er was helemaal niets meer – alles was volkomen stil. Ik veegde mijn mond af en betreurde meteen dat ik dat had gedaan, want ik proefde een hoop rommel in mijn mond. Allemaal troep – stof dat tot in de poriën van mijn huid was doorgedrongen. Ik probeerde een relatief schoon stukje van het shirt te vinden en poogde mijn gezicht af te vegen – nog meer stof en ellende. Hoe hoog zouden de concentraties gevaarlijke stoffen zijn geweest? Net als toen in 2001? Hoelang zou het duren voordat je kanker kreeg van die rommel? Zou ik lang genoeg leven om er ziek van te kunnen worden? Of viel het allemaal wel mee?

Ik legde mijn hand op de schouder van mijn buurman en zei: “Mijn naam is Logan.”

“Shane – mijn vriendin Olivia.”

“Wie is de jongen?”, vroeg Olivia.

“Geen idee – hij viel bovenop me. Ik heb geprobeerd hem te beschermen – en hij leeft nog.”

“En nu?”, vroeg Shane.

“Terug naar het open veld,” zei ik, “kijken of het weer veilig is en onderzoeken hoe groot en algemeen de verwoesting is. Misschien zijn we de enige overlevenden in het park.”

Ze knikten allebei. “En hij?”, vroeg Olivia.

“Zullen we wachten tot hij bij kennis komt?”, vroeg Shane, “Dan kunnen we eerst eten en drinken.”

We aten een paar boterhammen – plakjes kaas erbij – we deelden onze vleeswaren, terwijl we afwachtten tussen de bomen – bederfelijke waren gebruikten we als eersten – ik had niet goed nagedacht over de houdbaarheid van mijn eten – Shane en Olivia evenmin. Er kwamen andere overlevenden overeind die weggingen – ze oogden als slaapwandelaars die geen idee hadden. Na een kwartier of zo kwam de jongen bij kennis. Ik zag zijn ogen opengaan – knipperende oogleden – stof, allemaal stof – het zat bij hem ook echt overal. Langzaam kwam hij overeind – ging zitten en bleef een tijdje zitten. “Wie heb m’n kop in die bagger gedauwd?”, vroeg hij.

“Ik.”

“Dacht echt dat ik de pijp uit zou gaan,” zei hij.

“Mijn naam is Logan.”

‘Ik heet Fender,” zei hij en de jongen verwachtte een opmerking over zijn naam, maar we reageerden niet.

“Je hebt de lunch gemist,” zei Shane, “straks krijg je weer een nieuwe kans om te eten.”

“Ik heb al gegeten,” zei Fender. “Gaan we doen?”

“Naar het veld,” zei ik, “we gaan kijken of er meer overlevenden zijn buiten ons vieren – of de zombies die we zojuist weg hebben zien lopen.”

We begonnen heel behoedzaam terug te lopen naar het grasveld – festivalterrein. Ik stapte over een omgevallen boom, er lag nog iets op de bodem en ik begreep te laat dat het een menselijk lichaam was. Shane ging voorop – ik controleerde of de man die bij de boomstam terecht was gekomen leefde – geen ademhaling, helemaal niets. Wanneer hadden we gerend voor ons leven – een uur geleden – een halve dag of zelfs een week – misschien een maand?

Onze eerste voetafdrukken lagen in een dikke laag grauw stof – afkomstig van onze eigen huizen, maar we konden nu kilometers ver kijken. Het veld had vaalgroen moeten zijn, zo kort na de winter, maar oogde eerder als een grauwgrijs geverfd voetbalveld.

Daarachter lag de bron van onze verwondering. Waar niet zo heel lang geleden asfaltwegen waren geweest en flatgebouwen hadden gestaan, groeide kniehoog, geelgroen onkruid – het was echt het eerste waar ik aan dacht. Ik moest aan varens denken. Maar het was iets dat niemand ooit eerder had aanschouwd. Geen bloemen, alleen onkruid, nutteloze schadelijke planten die een halve meter hoog groeiden. Ik bedacht dat je normaal gesproken weken of maanden nodig zou moeten hebben voordat een plant een dergelijke hoogte zou kunnen bereiken. Dit had slechts enkele uren gekost. Het was laat in de middag. We waren erg lang volledig out geweest – dat was wel duidelijk.

In normale omstandigheden zou ik de stad kunnen beschrijven, maar we bevonden ons op een vlakte – een grijs eiland en we werden omringd door iets dat nog het meest op een geelgroene savanne leek. Ik geloofde mijn eigen ogen niet eens. De zon hing lui boven de horizon – het was laat in de middag. Puinbergen verhinderden een vrij zicht, anders had ik tot ver voorbij de horizon kunnen kijken. Ik zocht naar andere overlevenden. Voordat de amoebe ons veld had bereikt, waren we met vele duizenden mensen. Nu telde ik er ongeveer dertig. Ik zag een man weglopen – hij stapte in het moordende onkruid – eerst gebeurde er niets. Spoedig veranderde het onkruid – we herkenden allemaal de vormeloze moordenaar die complete helikopters uit de lucht had geplukt – geelgroen veranderde razendsnel in bloedrood en het lichaam van de man kromp ineen en verdween – hij gilde het uit en zijn stemgeluid moest kilometers ver te horen zijn geweest – een volwassen vent wiens lichaam werd opgeslokt door een gigantisch organisme – als een amoebe. Het ellendige monster veranderde weer in het onkruid dat lichtjes wuifde, terwijl er een wind begon op te steken vanuit het zuidwesten. We waren te zeer overweldigd door wat er van onze wereld was overgebleven om wie dan ook tegen te houden – ik stond verbijsterd om me heen te kijken naar niets in het bijzonder.

Nog vier mensen – mannen en vrouwen – stapten in het onkruid en ik kreeg het idee dat ze verdomd goed wisten wat ze aan het doen waren. Er was niets meer. Ze hadden niemand meer! Ik kon mezelf wijs maken dat mijn familie in het zuiden woonde en op tijd had kunnen vluchten – een betere en grotere kans dan ikzelf zou krijgen om te ontsnappen aan dit eiland. We keken elkaar langdurig aan – staarden zwijgend naar geelgroene puinbergen die de aarde over een oppervlakte van vele kilometers bedekten. Nergens een helikopter te zien – of een ander vliegtuig – geen teken dat er hulp naderde, zoals je hulp mocht verwachten van een overheid die voorbereid was.

“En nu?”, vroeg een onbekende man. Ik kende nog pas enkele namen. Shane en Olivia, Fender. Verder had niemand een naam genoemd. “Wat doen we nu?”

“Wachten tot iemand ons komt ophalen,” zei ik, “laten we hopen dat er een reddingsactie volgt.”

“Dan moet er wel iets over zijn gebleven van de overheid – het leger – eh – het buitenland, de NAVO,” sprak Shane. “Maar stel je nu eens voor dat alles is weggevaagd. Zolang houden we het hier niet vol.”

“Dan ben je aan het speculeren,” zei ik.

“Je kèn altijd nog in die teringzooi stappen,” zei Fender en hij wees het veld aan – zacht wuivend onkruid – onschuldig ogend – lieflijk uitnodigend. “Binnen een minuutje ben je overal van af.”

“Een hele geruststelling, ja,” zei ik. Het werd tijd om uit te zoeken of mijn radio nog functioneerde na de verwoestende stofwolken die er over me heen waren gerold. Ik knielde neer, liet mijn rugzak omlaag zakken en constateerde meteen dat de schade meeviel. Er was nauwelijks stof doorgedrongen. Ik was blij met de plastic tasjes die ik had gebruikt om mijn spullen weg te stoppen. Tasjes kon je altijd hergebruiken of weggooien. “Tijd om de nieuwsberichten te beluisteren,” zei ik. Een beetje onhandig balancerend op één knie trok ik de antenne uit en dankte mijn ouders dat ze ooit een wereldontvanger hadden gekocht. Wie had er nou nog een transistorradio in de la liggen? Ja, ik! Andere overlevenden begonnen in onze richting te komen. Het woordje ‘radio’ ging echoënd rond. Eerst kwam er alleen ruis uit de speaker. Ik draaide het volume omhoog en begon nieuwe zenders te zoeken. Shane merkte al op dat ik een andere golflengte moest proberen. Er waren er wel meer op dit toestel. Na een minuut – ik wilde hem al uitschakelen – begon de stem te spreken die ik vanochtend ook al had gehoord.

“In het getroffen gebied zijn eenheden van het leger op zoek naar overlevenden – voor zover het dodelijke onkruid dit mogelijk maakt – het gevaar is gigantisch groot – voorzichtigheid is geboden – dus voor al degenen die de ramp hebben overleefd blijft hoop op redding bestaan. Wanhoop is onze allergrootste vijand. Blijft u vooral kalm. Redding is onderweg!” Veel meer hoefde ik niet eens te weten. Ik zette het toestel uit en hoorde wel enkele personen protesteren, maar we hadden voldoende gehoord. Er bestond nog een organisatie die zocht naar overlevenden.

Shane begon de overlevenden toe te spreken. “Laten we niet allemaal onze mobiele telefoons aan laten – voor zover ze het nog doen – dus ééntje moet er zijn telefoon aan houden, andere toestellen gaan uit, want we moeten onze batterijen volledig benutten – één voor één uitputten en niet allemaal tegelijk. We moeten verstandig handelen. Ik zal mijn toestel aan laten.” Mensen begonnen hun toestellen te checken, veegden stof weg, al hoorde ik erg veel mensen opmerken dat hun telefoons dood waren. Zeven telefoons bleken nog te werken. We hadden een groep van drieëntwintig mensen overgehouden.

Ik zocht een plekje om te zitten en begon te controleren of mijn notebook wilde opstarten – natuurlijk in een plastic tas – al had ik eerder aan vocht gedacht – en ik voelde me een geluksvogel, toen ik ontdekte dat mijn notebook nog steeds werkte. Er vroeg zelfs iemand heel serieus of mijn internet het deed. Middag vergleed langzaam in de avond en ik begon aan dit verhaal te werken – veel haast had ik niet – misschien doe ik het hoofdzakelijk uit tijdverdrijf. Ik hoorde mensen praten over de ramp. Normale gesprekken, zoals Shane en Olivia voerden – Fender die regelmatig met een gevatte opmerking kwam. Had er een ongeluk plaatsgevonden in een laboratorium? Nam de natuur zelf wraak omdat de mens vele duizenden jaren roofbouw had gepleegd op de aarde? Of was er sprake van een invasie en hadden de aliens ons eindelijk gevonden – de mens als nietige aardworm.

Een voorzichtige rekensom leerde dat we het pakweg tien dagen vol zouden houden met onze voorraden. Daarna begon er toch wel een serieus probleem te dagen. Als we eenmaal per dag zouden eten, dan hielden we het zes dagen vol. Het leek simpel. Gisteren leefden we in overvloed – vandaag moesten we beslissen of het niet beter was om slechts één keer per dag te eten, omdat we anders te snel door onze voorraden heen zouden zijn.

Nadat we een beslissing hadden genomen en feitelijk vond er zelfs geen discussie plaats, begonnen we collectief naar de horizon te staren. Daar – uit welke windrichting dan ook – zou onze hulp moeten komen – helikopters die voldoende ruimte boden voor onze groep – één of meer helikopters. Met zijn allen weg. Niemand zou achter mogen blijven – een vrachthelikopter – zo probeerde ik me voor te stellen – groot genoeg om een half dorp te evacueren. Als de luchtmacht nog over zulke toestellen beschikte.

Fender wees me de volgende ochtend op een vreemd fenomeen. Ik had, net zo min als de meeste overlevenden, geen seconde geslapen. Hij stond te kijken naar het dodelijke onkruid – licht wuivende plantjes die als gecamoufleerd wachtten op een prooi – en ons eiland leek groter te zijn geworden. Tussen de bomen had hij lege bierblikjes gevonden die hij weggooide – naar het onkruid dat meteen reageerde – hongerig bijna – we zagen de amoebe ontstaan die de blikjes vastgreep en opslorpte. Het was echt een monster dat wachtte op een slachtoffer. Ik zag het onkruid ogenblikkelijk dichterbij komen – een meter – halve meter – vervolgens stopte het weer.

“Een buitenaards organisme, denk ik,” zei hij, “zoiets als dit kennen we op aarde niet – als je het met rust laat, dan trekt het zich langzaam maar zeker terug.”

Shane kwam naast ons staan. “Natuur versus cultuur,” zei hij. “Ik heb ook nog niemand over het opperwezen horen praten, maar dat zullen ze wel gaan doen.”

“Vast en zeker,” beaamde ik. In het begin overheerste de schok. Discussies verstomden al snel, er volgde een loom soort gelatenheid in afwachting van onze redders. We bleven naar de horizon staren en durfden de afzondering van het bos niet eens op te zoeken, omdat we bang waren de helikopter te missen. Het was een zekerheid in onze gedachten. Er zou redding komen. Ik luisterde regelmatig naar de radio – we luisterden allemaal en hoorden steeds dezelfde mededeling – Redding is onderweg!

Op de derde dag begon het te regenen – het was heel vroeg in de morgen en ik had al langere tijd naar de bewolkte lucht gestaard in de hoop dat er werkelijk regen zou gaan vallen. We hadden het nodig.

“Het gaat regenen,” zei Shane die naast me stond.

“Dat denk ik ook wel, ja.”

“Binnen een half uurtje.”

Ik knikte bevestigend, maar het duurde bijna een uur voordat de eerste druppels begonnen te vallen. Warme regen spoelde mijn gezicht schoon. Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk water op te vangen – hoofd achterover om druppels met mijn hoofd op te vangen. We durfden nog altijd niet te schuilen, misschien hadden onze redders op de regen gewacht. Fender kleedde zich uit en stond in de regen te dansen, alsof hij zo wilde afdwingen dat er nog meer regen zou vallen. Aarde spoelde schoon. Ik vroeg me af of ik mijn notebook goed had opgeborgen – twee plastic tassen om een kostbaar stukje elektronica te beschermen – het moest genoeg zijn – ik hoopte het.

Het bleef erg lang regenen – vroeg in de middag brak de zon door – we waren allang klaar met de regen – ik had enkele plastic tasjes neergezet om water op te vangen, zodat we onze dorst konden lessen – we zouden water hebben. Gelukkig, want het eten begint op te raken. Er moet snel iets gebeuren – redding – de helikopters die we al vanaf de eerste dag verwachten. Eten voor drie dagen hadden ze geroepen. We zitten als ratten in de val – ons eiland is inderdaad groter geworden, zoals de jonge Fender al heeft opgemerkt, maar we kunnen nog steeds nergens heen. De vijand ligt onveranderlijk op de loer en is zeer geduldig.

Alles is kapot – vernietigd – er is niets meer over. Ik ben nog lang niet klaar met mijn verhaal – ben nauwelijks begonnen, maar er is weinig tijd overgebleven – afgelopen uur ben ik aan het testen geweest – ik wilde weten hoe ik een e-mail kan klaarmaken, dan op ‘verzenden’ klikken, al is er geen internet, maar het bericht zal verzonden worden, zodra er een netwerk wordt opgepikt. Anders is het werk alsnog voor niets geweest, nietwaar? Ik wil er alles aan hebben gedaan. De batterij van mijn notebook gaf enkele ogenblikken terug een alarm – nog maar 6 procent. Ik moet opschieten. Er zijn veel meer verhalen te vertellen, maar ik heb geen tijd.

Binnen nu en een half uur gaat het beeldscherm op zwart. Ik hoop dat ze ons snel zullen vinden. Er zijn er al die zich in het onkruid willen werpen, omdat ze dan overal vanaf zijn – er zijn verhalen die ik nog wil vertellen, maar ik heb heel gewoon geen tijd meer.

Ik leef op een grijsgroen eiland – de regen van vanochtend heeft veel stof weggespoeld. Maar we kunnen geen honderd meter lopen – het monster wacht op ons en niemand kan met zekerheid zeggen of de redding ook echt komt. We kunnen het radiobericht inmiddels dromen. Sinds de eerste dag is dat hetzelfde – ze hebben niets veranderd, geen woord. Ik krijg een nieuwe melding op mijn beeldscherm – 4 procent – ik moet mijn bestand opslaan en e-mail versturen, zodat het ooit ergens – iemand moet het toch een keer kunnen ontvangen? Stel je nou eens voor dat alles verloren is gegaan –

Stel je dat nou gewoon eens voor –

 


(6) En de vierde is een gewone jongen

De vrienden van Jokke blijven bij de vrouw en haar kinderen – echtgenoot begint te bellen – met politie – hij is ternauwernood aan de dood ontsnapt – net als zijn vrouw en kinderen – dankzij een meisje dat stond te schreeuwen, omdat ze een gave heeft.

Een onbekende gestalte staat ineens naast Jokke – een man die er enkele seconden geleden niet was, maar nu wel en hij zegt: “Jee, wat een ravage.” Man kijkt naar vrachtauto en er verschijnt een frons op zijn gezicht. Het is een oudere man. “Lijkt me eigen auto wel.” Er volgt direct een schreeuw. “Krijg nou de kolere, het is me eigen auto!” Hij rent naar de cabine en staart naar binnen. “Hoe kèn dat nou?” Man draait zich half en vragend om.

Jokke negeert de chauffeur die in de auto ligt, maar er vreemd genoeg ook naast staat. Hij doet het allebei. Wat gebeurt er allemaal? Jokke begint met zijn armen te zwaaien en schreeuwt: “Help!”

“Wat is er aan de hand, jochie – Ben ik dood?”

“Nog niet,” zegt Jokke. “maar je hebt hulp nodig. Ik denk dat ze moeten reanimeren – ja, dat denk ik.”

“Heb ik een soort van infarct gehad?”

“Denk het.”

Mannen komen aangehold – auto’s staan op de vluchtstrook – ze laten zich langs de helling omlaag glijden – stofwolken dwarrelen omhoog – ze klimmen in de cabine en Jokke hoort glassplinters knarsen. “Mijnheer? Mijnheer?”, begint er een man te roepen. “Hoort u mij? Geeft u eens antwoord?”

“Hoe heet je?”, vraagt Jokke.

“Nelis.”

Jokke bestudeert de gestalte die naast hem staat – oudere man in ruitjesoverhemd en spijkerbroek, dun grijs haar en stoppelbaard, hoornen bril.

“Zijn naam is Nelis.”

“Weet je het zeker?”, vraagt een man die zijn hoofd boven het dashboard uitsteekt. “Nelis?”

“Ja. Nelis.”

“Nelis – hopelijk kun je me horen, maar ik ga je reanimeren,” zegt dezelfde man die zojuist twee keer ‘mijnheer’ heeft geroepen. “En jij belt 112.”

“Doe ik al,” zegt de ander.

Andrea komt naast hem staan en vraagt: “Jokke – tegen wie ben je nou steeds aan het praten?”

“De chauffeur,” zegt hij. “Hij is hier.”

“Is hij dan niet – ?”, vraagt Andrea.

“Je snapt het niet,” zegt Jokke, “hij is niet alleen in zijn auto, maar ook hier – naast me – als een geest.”

“Zeg eens, jongen. Ga ik dood?”, vraagt Nelis.

“O,” reageert Andrea.

“Geen idee,” zegt Jokke.

Chauffeur loopt naar zijn auto en gaat op zijn tenen staan, omdat hij beter wil zien wat er gebeurt.

“Je moeder zei het toch al – ?”, vraagt Andrea.

“Inderdaad – de tuin der geesten,” antwoordt Jokke die zijn hoofd draait en de heuvel zoekt die onzichtbaar is geworden in de warme zomernacht. Trommels klinken nog altijd – twee dreunen per seconden. “Heeft je moeder niet verteld wat ze aan het doen zijn – die moet het weten, verdorie. Zelfs Nosferatus hield ons daar weg. Bah, ik haat hun geheimen.” Zijn stem klinkt erg luid, maar Nelis, de vrachtwagenchauffeur, begint langzaam doorzichtig te worden – transparant – ze horen sirenes dichterbij komen – het zijn er twee – zo meteen komen de verplegers naar beneden. Ze kunnen er op geen enkele andere manier komen. Het bos dat er omheen is gegroeid is gewoon te dik. Vanaf de grond kan Jokke de flat niet eens zien. Andrea kijkt naar de chauffeur en haar ogen beginnen ineens groter te worden, alsof ze toch een glimp van Nelis lijkt op te vangen. Jokke kijkt omhoog en ziet een blauw zwaailicht naderen. Nelis lost domweg op – zijn gedaante verdwijnt gewoon.

“Hij is weg,” zegt Andrea en ze wijst de plek aan waar enkele ogenblikken Nelis heeft gestaan.

“Klopt, ja, misschien hebben ze hem gered,” zegt Jokke, “en leeft hij weer.”

Gijs en Leon beginnen ongeduldig te gebaren – nachtelijke schaduwen van bomen hangen over hen heen. Met name Gijs gebaart erg ongeduldig en Jokke snapt hem – want de politie komt ook – agenten gaan onderzoek doen en willen weten wat er is gebeurd – ze moeten verklaringen afleggen. Jokke en Andrea beginnen weg te lopen. Man en vrouw zijn erg met hun kinderen bezig – ze zijn geschrokken – ze zijn allemaal erg geschrokken.

Jokke probeert de geest uit zijn gedachten te verdrijven – een chauffeur die in zijn cabine lag en er ook naast stond – het was een geest – hij heeft een geest gezien. Het is duidelijk. Voordat ze in het bos verdwijnen, hoort hij iemand roepen dat ze moeten blijven, maar Jokke en zijn vrienden gaan verder. Jokke stapt over een omgevallen boomstam – er is een greppel – Andrea wijst naar een oude kelder. Het is een gevaarlijke plek, met name ’s nachts, als je de overgebleven ruïnes niet goed kan zien. Ze zullen hen niet volgen, want het is te gevaarlijk. Misschien komen ze morgen naar de flat. Het zou kunnen. Jokke kijkt naar het gapende gat in de bodem – een betonnen trap – je kunt je er goed verbergen, maar ze komen er nooit. Een middag op de heuvel is fijner dan zo’n akelig gat in deze uithoek. De kinderen van Nosferatus, nou ja, als hij kinderen zou hebben, zouden er zich geweldig voelen. Donker, droog en stil, net een graftombe. Jokke volgt Andrea – die op haar beurt Leon en Gijs geen seconde uit het oog verliest. Leon zou het goed moeten kunnen zien, als het tenminste bijna volle maan zou zijn geweest.

Ze gaan verder – een wandeling in het bos – het is nacht – er klinken meer sirenes – het is de politie die een verhaal zal aanhoren over vier kinderen die in het bos zijn verdwenen. Jokke hoort klapperende vleugels boven zijn hoofd – het is Nosferatus die als vleermuis de vier vrienden nauwgezet volgt.

Hij blijft staan, terwijl Andrea nog enkele stappen doet, Gijs en Leon hebben erg laat in de gaten dat Jokke is achtergebleven. “Wat is er?”, vraagt Andrea – haar stem draagt erg ver in het donker.

Jokke staart in het donkere gat – één van de tientallen kelders die je in dit gedeelte van het bos terugvindt. Er is een trap – natuurlijk van beton – net als daarstraks – maar beneden gloeit er een helder licht, misschien wel het helderste dat hij ooit in zijn leven heeft gezien – veel sterker dan een lamp.

Andrea komt terug, omdat Jokke achterblijft. Ze legt een hand op zijn schouder en ziet, net als hijzelf, het licht dat als een prachtige wolk uit een donker, onderaards hol komt. Het is een boodschap. Het kan bijna niet anders. Andrea veegt een pluk vuurrood haar achter haar oor. Jokke en Andrea kijken elkaar langere tijd aan. Gijs en Leon wachten alleen – doen niets, zeggen niets. Ze beseffen goed dat er iets vreemds gebeurt.

Voor het eerst in bijna een uur is het stil. Er klinken geen trommels, er zijn geen heksen die zingen.

“Het is een uitnodiging,” zegt Jokke.

“Ik ga met je mee. Je weet maar nooit.”

“Zulk helder licht kan alleen maar goed zijn, al komt het uit een gat in de grond. Tot straks.’ ‘Ik hoop het.’ Hij hoort de stem van zijn moeder. Andrea kijkt hem aan, maar ze biedt niet opnieuw aan om mee naar beneden te lopen. “Oké – met zijn tweeën sta je sterker,” zegt Jokke. Andrea kijkt naar de jongens die over afgebroken takken heen beginnen te stappen – ze naderen erg snel. Ze willen dezelfde trap afdalen als Jokke en Andrea. Er is heel weinig kans dat ze dit met zijn tweetjes zullen doen.

Jokke staart omlaag – elke stap die hij op een traptrede zet – trappen van misschien vijftig jaar ouder – hij weet het niet. Hij grijpt een trapleuning vast – hand van Andrea rust continu op zijn rug, omdat ze niets kan zien. Licht is te fel geworden. Jokke loopt langzaam, zodat Andrea hem niet kwijt kan raken. Beneden ligt er een gang – erg lang, smal ook, maar niet erg hoog – hij heeft de neiging om te bukken. Er hangen tl-lampen aan het plafond die het niet doen. Maar het licht heeft een andere oorsprong, al kan hij niet zien waar het vandaan komt – het lijkt overal vandaan te komen. Jokke ontwaart een vrouw met donker haar. Ze draagt een jurk die haar vrouwelijke vormen niet alleen laat zien, maar ze ook weet te verbergen.

“Hallo, Jokke,” zegt ze.

“Hoi,” antwoordt hij en Andrea staat schuin naast hem en haar hand rust nog altijd op zijn rug.

“Ik zie dat je je vrienden hebt meegenomen.”

“Tuurlijk.”

Andrea knijpt zachtjes in zijn arm. Zou ze bang zijn? Gijs en Leon komen heel langzaam de trap af. Jokke hoort hun voetstappen dichterbij komen. De onbekende vrouw houdt haar hoofd een beetje schuin, zodat ze voorbij Jokke en Andrea kan kijken.

“Je zult het vast fijn vinden dat er zoveel mensen om je geven – de heksen die ons hebben geroepen vanavond,” zegt ze, “je moeder was er niet – en Anne Madsen ontbrak ook. Heel opvallend. Twee zeer bepalende vrouwen in jullie gemeenschap – zoveel kracht en het is onvoldoende.”

Jokke durft geen botte opmerkingen te maken. Bovendien weet hij niet zeker of zijn vrienden de onbekende vrouw-verschijning eveneens kunnen horen – misschien wel zien, maar niet horen. Zou het logisch zijn? Misschien is het alleen voor hem. Misschien zien ze de onbekende vrouw niet eens. Het kan best zo zijn dat ze hem alleen horen praten.

“En die brave heksen hebben ons veel en véél te vroeg opgeroepen,” zegt ze. “Je bent er nog lang niet klaar voor. Ik ben te vroeg. Er komt een dag en dan zul je begrijpen wat je taak zal zijn in dit leven, maar vandaag is dat nog niet. Te vroeg. Ja, ik ben veel te vroeg. Je moeder zal wel blij zijn, denk ik. We zullen hen wel duidelijk maken dat er slechts één enkele persoon de bezweringen moet uitvoeren.” Andrea houdt haar hand voor haar mond. Ze kan de vrouw horen. Nu wel. Het is heel duidelijk. “Je roodharige vriendin zal de bezweringen moeten doen, een prachtige dochter van haar moeder. Iemand moet Edith vertellen dat ze zich voortaan nergens meer mee moet bemoeien, anders doen wij het.”

De vrouw begint heel langzaam te lopen – beweegt naar Jokke en Andrea, maar ze los ineens op – . Ze verdwijnt en daarmee dooft het licht dat hen allemaal zo intens heeft verblind compleet.

“Wat was dat?”, vraagt Leon.

“Een verschijning – of een geest – of misschien een schikgodin,” verklaart Andrea. “Ze zou Jokke op hebben moeten halen, maar dat gebeurt niet. Je hebt een grote taak voor de boeg.” Ze slaat met haar vuist op zijn bovenarm, maar hij voelt de klap niet eens. “Je wordt belangrijk.”

“Dat wil ik helemaal niet.”

“Misschien wel. Dat ligt aan de taak,” zegt Andrea.

“Nou ja, zeg,” reageert Jokke.

De vrienden lopen de trap weer op – sneller dan daarnet – Jokke blijft eventjes staan en kijkt omlaag, terwijl hij dit doet exploderen alle tl-lampen. Er volgt een klap. Rookpluimen ontstaan in de smalle gang en hij denkt mensachtige figuurtjes te kunnen zien, maar hij vermoedt dat hij zich iets verbeeldt.

“En nu?”, vraagt Gijs.

“We gaan Edith vertellen dat ze op moet oppassen voordat een van de schikgodinnen haar ezelsoren geeft, omdat ze weigert te luisteren,” zegt Andrea.

“Jij bent ook belangrijk gemaakt,” zegt Jokke.

“En wij dan?”, vraagt Leon.

“We zijn allemaal belangrijk, omdat we vrienden zijn,” legt Jokke uit. ”Dat heeft ze gezegd.”

Hij weet het heel zeker. In zijn eentje was hij de pineut geweest. Dan had hij beslist mee gemoeten.

Boven hun hoofden fladdert de vleermuis – heel onrustig – alsof Nosferatus alles heeft kunnen zien – in elk geval het heldere licht dat in de kelder heeft gehangen – vampiers zijn allergisch voor alle vormen van licht. Jokke sluit de rij van vrienden die zich kronkelig een weg baant door het bos. Jokke ziet de flat boven de bomen uittorenen en de vleermuis verandert in een zwarte mistwolk die omlaag valt en een menselijke gedaante aanneemt. De flatbewoners verzamelen zich bij de ingang van het gebouw en Jokke kijkt eerst omhoog – zijn moeder staat bij het raam – ze oogt heel opgelucht als hij het bos weer achter zich laat. Edith staat er – net als twee vriendinnen die ook allebei een trommel meezeulen. Mevrouw Madsen verlaat het gebouw en lijkt vooral opgelucht dat iedereen er nog is. Edith staat uit te leggen waarom het fout is gegaan.

Andrea onderbreekt de heks die ouder is dan zijzelf. “Het klopt niet, hoor.”

Edith stopt met praten en staart naar het meisje. Nou ja, inmiddels staart iedereen naar Andrea en de moeder van Jokke staat op het balkon van haar flat.

“Eén van de schikgodinnen is verschenen – maar alleen voor Jokke en mij – volgens mij was het Destiny, omdat ze sprak over de lotsbestemming van Jokke. Gijs en Leon waren er ook. Ze heeft Jokke achtergelaten, omdat het te vroeg is – veel te vroeg.”

“Ik denk – ,” begint Edith te zeggen.

“Laat het meisje uitpraten!”, roept de huismeester. Hij ziet er erg boos uit. Zijn ogen fonkelen erg fel.

“Ik moest erbij zeggen,” en Andrea slikt een keer en gaat dan verder, “dat Edith zich niet meer mag bemoeien met Jokke. Als Edith weigert te luisteren, grijpen de schikgodinnen zelf in.”

Nosferatus steekt zijn hand uit naar Jokke en zegt: “Je begrijpt nu toch wel waarom ik – .”

“Dank je wel,” zegt Jokke.

“En ik wilde alleen maar helpen,” zegt Edith.

“Help jezelf in het vervolg, dan verbeter je meteen de wereld,” zegt mevrouw Madsen.

Jokke ziet zijn moeder de woning binnengaan. Er is geen vergadering van alle bewoners, dus hij gaat zelf ook. Hij zwaait naar zijn vrienden – die hem meteen volgen. Iedereen gaat naar huis.

Nog een uurtje op balkon zitten en dan naar bed. Al is het nog erg warm.


(5) En de vierde is een gewone jongen

Zijn vrienden staan op te wachten hem in het portiek – Andrea, Gijs en Leon. Ze zijn er alle vier en Jokke is de laatste die de trap af komt lopen. Eerlijk gezegd begonnen ze al te denken dat hij thuis zou blijven. Gedreun van trommels dringt door de pui. “Wat zijn ze aan het doen?”, vraagt Jokke die geen antwoord verwacht van zijn vrienden, omdat ze net zoveel weten als hijzelf. Misschien weet hij wel meer dan zijn vrienden, omdat zijn moeder zes heel belangrijke woorden heeft uitgesproken. ‘Het is de tuin der geesten’. Hoe belangrijk kan het zijn?

Ik moest thuisblijven van mijn vader,” zegt Gijs.

Leon begint met zijn hoofd te knikken. “Ik ook.”

Mijn moeder heeft niks gezegd,” zegt Andrea.

Jokke wacht net iets te lang met zijn reactie. Hij krijg verbaasde blikken van zijn vrienden. “Moeder zei wel iets. Het is de tuin der geesten. Ik heb geen idee wat het betekent. Of zelfs dat het iets betekent.”

Moest aan de heksensabbat denken,” zegt Gijs.

Ja, ik ook, maar die is al geweest.”

Maria Hemelvaart,” zegt Andrea.

Da’s overmorgen pas,” zegt Jokke.

Maar wat betekent het nou? De tuin der geesten!”

Er is maar één manier om daarachter te komen,” zegt Jokke.

Waarom zijn we anders hier?”

Inderdaad.”

Gijs duwt de deur van het portiek open en ze verlaten het gebouw – Jokke begint als laatste de straat over te steken en kijkt korte tijd omhoog – naar zijn moeder die achter het raam toekijkt. Ze oogt alles behalve gelukkig. Waar zou ze bang voor kunnen zijn? “Tot straks.” “Ik hoop het.” Hij heeft geen idee waarom zijn moeder bang is dat hij niet thuis zal komen. Is het vanwege zijn vader? Die ooit ging wandelen en niet meer terugkwam? Moeder bleef thuis – vader ging wandelen. Zo was het. Moeder was zeven maanden zwanger en vader had behoefte aan frisse lucht.

Hij volgt zijn vrienden en ze gaan het bos in – de bomen proberen een dak te maken, maar het is een dak met talloze gaten erin. Sterren zijn zichtbaar, zelfs een maan die lui onderuit hangt. Gijs speelt voor gids – meteen gevolgd door Leon – Andrea en Jokke lopen bijna naast elkaar. “Volgens mij ben je aan het piekeren,” zegt Andrea en haar stem klinkt heel zachtjes. Gijs en Leon kunnen haar niet horen.

Beetje wel, ja. Moeder is bang.”

Ja, ik zag hoe ze stond te kijken,” zegt Andrea.

Terwijl ze overstaken, heeft ze ook gekeken en het gezicht van zijn moeder gezien. Als een levend standbeeld bij het raam – gedempt licht op de achtergrond. Liever had ze gezien dat Jokke was thuisgebleven. Trommelslagen dreunen door het bos en de dieren moeten in hun nachtrust gestoord worden – het kan moeilijk anders. Vogels die hun boomtakken verlaten – maar het lawaai is zo enorm dat hij geen klapperende vleugels hoort. Gelukkig doen ze dit niet elke nacht – of elke maand – Jokke probeert zich te herinneren wanneer ze dit eerder hebben gedaan. Het is net een heksensabbat.

Hij plukt een paar bramen – ze zijn erg lekker dit jaar – en voorbij de volgende bocht groeit een perzikenboom – die zien er ook heerlijk uit. Ook voor een monster van Frankenstein valt er genoeg te eten. Andrea loopt voor hem – Gijs en Leon blijven regelmatig stilstaan – met name Gijs kijkt ietwat geërgerd, omdat Jokke geen haast schijnt te hebben.

Met een sappige perzik in zijn hand versnelt hij zijn pas – de route verandert nooit – dag of nacht – naar de heuvel lopen doe je maar op één manier. Het pad is volledig plat getrapt – er groeit helemaal niks. Vrouwelijke stemmen zingen een melodie – hij kan de woorden niet eens verstaan – alsof het een oude taal is die allang niet meer wordt gesproken. Heksen die zingen of een toverspreuk uitspreken. Wat zou in hemelsnaam de bedoeling kunnen zijn van dit – ?

Gijs en Leon blijven ineen staan – ze bewegen niet langer, maar de heuvel ligt bijna tweehonderd meter verderop. Jokke ontwaart een donkere schim tussen de bomen – het is de vampier – Nosferatus. Hij zegt geen woord, maar het is duidelijk waarom hij daar is gaan staan. Jokke hoort hem spreken. “Ik kan me voorstellen, Gijs en Leon, dat jullie hier niet mogen zijn. Van Jokke en Andrea ben ik niet zeker.”

Het bos is van iedereen,” zegt Gijs. Op zijn kin groeit een dunne baard. Dwergen scheren zich nooit. Hij klinkt erg opstandig, wil het geheim net zo goed ontdekken als zijn vrienden en met eigen ogen zien. Erg teleurstellend als je later van je vrienden moet horen hoe het feitelijk zit. Dat is echt heel erg, ja.

Vannacht heb je hier niets te zoeken,” zegt Nosferatus heel kalm en zijn stem klinkt dwingend.

Jokke en zijn vrienden raken niet onder de indruk.

Wat zijn ze aan het doen?”, vraagt Andrea.

Misschien moest je het eerst maar eens aan je moeder vragen, meisje. O nee, ze is thuis.” De vampier probeert te doen alsof hij zich vergist.

Dat weet ik ook wel, hoor, Nosferatus,” zegt Andrea die zich op staat te winden.

Is het soms een seksfeest?”, vraagt Leon.

Maak dat je wegkomt, vlegel!”, roept Nosferatus die een beweging met zijn arm maakt en Leon opzettelijk mist – hij probeert hem niet eens te raken. “Er zijn dingen die je nu nog niet hoeft te weten.”

Wel, want de toekomst van de flat ligt in onze handen,” zegt Jokke die het een zinloze discussie vindt. Hij neemt een hap van zijn perzik. “Daarom moeten we juist alles weten. Het is belangrijk.”

Trommels blijven dreunen – twee slagen per seconde – een vaste regelmaat – Nosferatus kijkt over zijn schouder en het lijkt alsof hij iets kan zien dat zich vele honderden meters verderop afspeelt. Zijn gedaante lost op – er ontstaat een inktzwarte mist die meteen in een vleermuis verandert en het dier klappert onhoorbaar weg, want de trommels blijven door het bos echoën.

Ook weer opgelost,” zegt Gijs die er tevreden bij kijkt. Ze willen alweer verder gaan lopen, maar Jokke blijf staan en luistert. Er is een ander geluid bijgekomen – geen trommels, maar keihard staal dat kraakt, versplinterend glas, slippende banden.

Gaan jullie naar de heuvel?” Jokke stelt een volstrekt overbodige vraag. Want daarom waren ze onderweg. Zijn vrienden zeggen niets en kijken hem alleen aan. “Eh – ja, ik moet dáárheen.”

Waarom?”, vraagt Andrea.

Heb je dat niet gehoord – daarnet?”

Wat?”

Ben ik dan de enige?”

Denk het.”

Ze hebben niets gehoord – geen auto die van de snelweg is geraakt, alsof het nog altijd moet gebeuren. Hij verbijt zijn verbazing en misschien voelt Nosferatus ongelukken aankomen – een talent dat vampiers moeten hebben – Jokke weet het niet zeker – misschien hoort een halfengel ongelukken voordat ze gebeuren.

Het ongeluk,” zegt Jokke en aan de verbazing van zijn vrienden ziet hij voldoende. Hij is de enige die iets heeft gehoord. “Er is een ongeluk gebeurd.”

Nee,” zegt Andrea, “ik denk dat het gáát gebeuren.”

O shit,” zegt Leon.

Waar moeten we heen?”, vraagt Gijs.

Ik ga nu wel voorop,” zegt Jokke die erg opgelucht is, omdat hij niet alleen hoeft te gaan.

Ging Nosferatus daarom zo snel weg?”, vraagt Leon. “Omdat er een ongeluk moet gebeuren?”

Jokke wacht met zijn antwoord – ze laten de heuvel rechts van hen liggen – zijn nieuwe route gaat dwars door het dichtste deel van het bos. Sterren verdwijnen achter een dicht bladerdek – ook de maan is onzichtbaar geworden. “Hij moet iets hebben geroken,” zegt Andrea, “want vampiers hebben veel betere zintuigen dan gewone mensen.”

Angst.”

Dan moet het ongeluk al zijn gebeurd,” zegt Leon.

Hoeft niet – lekke band – een klapband – een auto die gaat slingeren, zodat je moet stoppen op de vluchtstrook.” Jokke hoort het zichzelf zeggen en heeft geen idee hoe hij het bedacht kan krijgen. Hij weet niets.

Het is een wandeling van bijna vijftien minuten – Jokke bereikt de snelweg als eerste. Inderdaad staat er een auto langs de vangrail. Weg ligt hoog, bijna als een dijk langs een wilde rivier. Ze moeten omhoog klauteren. Jokke hoort stukken geruster te zijn, maar toch blijft hij zoeken naar iets dat niet klopt. Er moet iets zijn. Bovendien heeft hij het ook al gehoord. Krakend staal, versplinterend glas, piepende banden. Maar er is helemaal niets. Man, vrouw en twee kinderen wachten geduldig achter de vangrail, zoals het hoort. Ze dragen alle vier reflecterende hesjes. Niets aan de hand.

Waar is Nosferatus gebleven? Vampier die zich, terwijl ze aan het bakkeleien waren, volkomen onverwacht in een vleermuis veranderde. Jokke ziet hem nergens en probeert hem te vergeten, maar er fladdert een dier in de lucht schuin boven de hoofden van de mensen die moesten stoppen vanwege een klapband. Man staat te bellen. Hij houdt een mobiele telefoon bij zijn rechteroor.

Nou – niks aan de hand,” zegt Gijs die in de grond begint te schoppen en zich bukt – hij houdt een stukje metaal vast. Jokke kijkt toe – zijn vriend lijkt in te schatten of het iets van waarde heeft en gooit het weer weg – Gijs ziet niet eens waar het neerkomt.

Er is wèl iets aan de hand, potverdorie,” zegt Andrea die met haar armen begint te zwaaien. “Hé – jullie daar – het is daar niet veilig!” Ze schreeuwt met overslaande stem en loopt naar voren. Bijna drie meter boven hun hoofd is de snelweg en er staan twee volwassenen omlaag te kijken – ze snappen niet waarom Andrea zo hard begint te schreeuwen. “Jullie moeten weg – het is niet veilig.”

Ik heb de Wegenwacht gebeld,” zegt de man wiens stem maar net hun oren bereikt. Het lijkt wel of de trommels steeds luider beginnen te klinken.

De vleermuis lijkt omlaag te vallen – en verandert in een wolk die de gedaante van Nosferatus aanneemt. “Het is beter als jullie luisteren,” zegt hij en voor een vampier klinkt hij ineens erg zorgzaam.

Oké, maar ik blijf bij mijn auto,” zegt de man en zijn echtgenote begint haar kinderen omlaag te sturen – ze laat zich half naar beneden glijden – wolkjes zand dwarrelen omhoog, terwijl ze telkens centimeters omlaag zakt. Jokke kijkt naar de man die naast zijn auto staat en in de verte tuurt. Er passeren voortdurend auto’s – grote snelheden – vrachtauto’s, soms ook bussen, veel personenauto’s die snelheden van honderddertig halen. “Wegenwacht,” zegt hij.

Nu moet de man nog weg,” zegt Andrea. Gijs en Leon kijken alleen toe – ze zeggen niets.

Mijnheer,” zegt Nosferatus die opvallend vriendelijk klinkt, “het meisje zegt het niet zomaar – ze heeft een gave, net als de jongen naast haar, maar hij weet er nog te weinig van – anders had u allang beneden aan de dijk gelegen – snapt u wel?”

Man schudt met zijn hoofd en hij wijst naar zijn auto – Nosferatus haalt zijn schouders op. “Ik heb je gewaarschuwd, stomme sukkel.”

Vrouw en kinderen zijn eindelijk beneden – ze draait zich om naar Andrea en vraagt: “Waarom – ?”

Haar woorden gaan verloren in een ontiegelijk kabaal dat boven hun hoofden losbarst – een vrachtauto verschijnt vanuit de duisternis – oranje straatlantaarns creëren een zee van licht dat schuil lijkt te gaan achter een vrachtauto die op de man afstevent – man ziet alleen koplampen dichterbij komen. Jokke zoekt de bestuurder van de vrachtauto, maar ziet niemand. Er is niemand. Vrouw begint te gillen – haar kinderen beginnen te gillen, man valt opzij – hij duikt niet, maar valt – Nosferatus is opnieuw een vleermuis die daarboven rondfladdert. Vrachtwagen dendert in volle vaart over de vangrail en schuift naar beneden – langs de dijk. Vrachtwagen schuift tientallen meters verder – krakend staal – versplinterend glas – piepende banden van auto’s die op de snelweg stoppen.

Jokke vergeet de aanwezigheid van zijn vrienden – loopt naar de vrachtwagen – de man die vanwege een lekke band is gestopt, is alweer opgestaan. Hij heeft geen hulp nodig. Daarginds moet een chauffeur zijn – een man die zijn vrachtwagen over de rand heeft laten vallen. Wielen van de vrachtwagen draaien nog.


(4) En de vierde is een gewone jongen

’s Avonds laat zit hij op het balkon – er staan twee houten stoeltjes en hij gebruikt meestal de groene – de stoeltjes hebben elk een andere kleur – het is niet echt belangrijk, maar het valt op. Zijn vader heeft op dezelfde stoel gezeten als Jokke. Dus voordat de vader van Jokke ging wandelen en nooit meer terugkeerde. Zijn moeder zit binnen een trui te breien voor Jokke, want binnen een maand zou de herfst kunnen beginnen. September is vaak al koud.

Niemand heeft hem ooit verteld dat hij helemaal geen gewone jongen is – hij zou zich nu heel bijzonder moeten voelen, veel meer dan bijvoorbeeld vanochtend, maar feitelijk is er niets veranderd. Hij is dezelfde gewone jongen, al zou Andrea hem direct inpeperen dat er niets van klopt. Hij is de minst gewone van allemaal. Jokke is een halfengel die mensen moet genezen en mensen genezen is nu eenmaal wat halfengelen moeten doen. Noem het een lotsbestemming of zo. Hij heeft er totaal geen zin in. Veel liever was hij een weerwolf geweest, maar natuurlijk geneest Jokke daar meteen weer van, terwijl Leon met zijn vader een hele nacht lang door het bos mag rennen. Of zou hij een spookachtig drankje willen brouwen, zoals Andrea met haar moeder, mevrouw Madsen. Het woord ‘halfengel’ vindt hij erg saai klinken. Niets is saaier dan iemand die andere mensen moet genezen. Hij zet zijn voeten tegen het muurtje en kijkt naar lampen die straten en gebouwen in zeeën van licht hullen. Zou je vanuit de ruimte hun flat kunnen zien? En het bos? Zijn moeder heeft een paar kaarsjes aangestoken en er hangt een gaslamp aan het plafond. Het is voldoende. Ze hebben elektrisch licht, maar dat bewaart ze voor de lange, koude winteravonden.

Hij zit er al bijna een half uur voordat de deur opengaat en zijn moeder komt naast hem zitten.

Je zult wel vragen hebben,” zegt ze, “anders zou ik teleurgesteld zijn.”

Best wel.”

Nou?”

Waarom heb je nooit iets gezegd?”

Zoals Anne Madsen al zei – ik zou het je beslist wel een keer hebben verteld, maar niet vandaag en beslist niet tegenover alle flatbewoners. Het was een beetje – eh – vervelend om mee te maken.”

Ik zou erg blij moeten zijn, maar ben het niet.”

En toch is het een voorrecht – het is heel bijzonder om een halfengel te zijn – je hebt het gehoord – er zijn er niet eens zo heel erg veel van op de wereld. Een select groepje – je bent er eentje van misschien vier of vijf – nou – en dat op zeven miljard mensen, of met hoeveel zielen leven we inmiddels op aarde.”

Jokke kijkt naar de asfaltstraat die groen is uitgeslagen. Overdag ziet hij heel duidelijk. In het donker, zoals nu, is het stukken moeilijker. Er zijn wel straatlantaarns, maar die werken allang niet meer. De flat vormt echt een eiland in een groene zee. Schaarse verlichting in flatwoningen. Inbrekers blijven er angstvallig weg, omdat er niets te halen valt. Misschien zouden ze verhalen in elkaars oren fluisteren over vampiers en monsters, dwergen en heksen, zelfs feeën. Stel je voor dat een fee je ineens in een goed mens zou veranderen? Jokke wil er een grap over maken, maar zwijgt en luistert, want zijn moeder spreekt. “Je mag het niet lichtzinnig oppakken, Jokke, je bent een heel bijzondere jongen, al zegt natuurlijk elke moeder dat tegen haar kind.”

En nou moet ik de rest van mijn leven het ene zeikverhaal na het andere aanhoren,” zegt Jokke, “allemaal mensen die problemen hebben.”

Nu zou het best wel eens kunnen helpen als je vader terugkwam van zijn wandeling, al is er dan niemand ziek.”

Waarom had jij vroeger hulp nodig van papa?”

Zijn moeder glimlacht ietwat verlegen en staart naar de vloer – daarna zoekt ze een punt in de verte – ver voorbij de stad die steeds helderder verlicht begint te raken – allemaal verschillende kleuren. “Als ik het vertel, dan valt het best wel mee, denk ik. Zo erg was het niet eens. Dat vond ikzelf tenminste. Ik heb een goede opleiding gevolgd, universiteit dus, dan ben je een slimme meid, rechten gestudeerd en gaan werken. Ik heb veel geld verdiend, hard gewerkt, maar was in werkelijkheid diep ongelukkig. Er zijn genoeg mensen die op die manier heel oud worden. Toen kwam ik op een dag je vader tegen. Geen levenskunstenaar – of ander woord voor wat je van mij een nietsnut zou mogen noemen – maar een handige vent met een goed stel handen aan zijn lijf. Nu had ik al meer relaties gehad, maar je vader was echt goed voor me – en hij had andere prioriteiten. Niet je werk, maar je leven is wat telt. Je krijgt het maar één keer en dat moet je goed doen, want een herkansing krijg je niet. Ik raakte zwanger – van jou – we gingen samenwonen in deze flat – destijds verdiende ik genoeg geld om de flat te kunnen kopen – het complete gebouw dus – maar ik nam ontslag en werd een moeder, een taak die moeilijker bleek te zijn dan alles wat ik ooit eerder had gedaan. Het is net zo hard werken als mijn oude baan, maar veel leuker. En in de zevende maand van mijn zwangerschap ging je vader ineens wandelen om daarna nooit meer terug te komen. Maar het maakte niet zoveel uit. Ik was gelukkiger dan ooit en ik wist dat je vader in orde was, want natuurlijk wist ik diep in mijn hart – ik snapte wie hij moest zijn geweest. Een aura als de zijne mis je niet zo snel. Begrijp je? Ik heb het vanaf het begin geweten. Sindsdien brei ik truien voor de mensen in de flat. Truien en mutsen.”

Je verdient geen geld, niet zoveel als toen, maar je bent veel en veel gelukkiger,” zegt Jokke.

Ja, inderdaad. We doen bijna alles zelf. In een supermarkt komen we zelden of nooit. Behoefte aan sterke drank of nicotine heb ik niet, dus – .”

Veel meer dan vriendschappen aanknopen met mensen doet een halfengel niet eens,” zegt Jokke, “tijdje met iemand optrekken en dan op een avond ga je wandelen en kom je nooit meer terug. Al laat je wel een vrouw en kind achter.”

Je bent boos op je vader – dat snap ik. En toch wist ik wel dat hij niet zou blijven. Ik heb het nooit tegen de politie gezegd natuurlijk. Tegen hun zei ik dat mijn partner weg was gegaan en niet meer thuis is gekomen. Ja, ik had een foto van hem.”

Heb je een foto van papa?”

Niet meer. Ik had een foto van hem.”

Wat is ermee gebeurd?”

Ik bewaarde hem op een computer en zoals veel informatie die je digitaal bewaart is die foto ook verdwenen – alle digitale informatie verdwijnt op den duur. Alles wat je op memorysticks hebt staan. Alleen papier blijft altijd. We hebben onszelf ondergedompeld in een digital dark age. Zo heet het vandaag de dag.”

Nu klink je erg duister, mama.”

Veel informatie die je bewaart op een computer verdwijnt op termijn – ik had foto’s van je vader opgeslagen en die zijn allemaal foetsie. Ik heb echt helemaal niks meer over je vader. Alleen herinneringen. Geen foto die ik je kan laten zien. Totaal niets. Alles is weg.”

Geluiden uit de stad – auto’s die over de snelweg rijden – bereiken het balkon. Jokke kijkt naar zijn moeder – een vrouw van ongeveer vijftig jaar oud, lang grijzend haar dat in een staart omlaag hangt. Ze gebruikt geen make-up. Hij ziet rimpels in haar gezicht, maar het zijn vriendelijke rimpels. “Heb je onze flat digitaal laten verdwijnen?”, vraagt Jokke. Er glanst een vrolijke grijns op zijn gezicht, terwijl hij de vraag stelt. Na al die jaren is het nog altijd een raadsel hoe dit kon gebeuren.

Doe niet zo raar, jongen, je kunt een gebouw wel laten verdwijnen in een computersysteem, maar dan staat het er in werkelijkheid nog steeds. Je zult je rechten toch beslist vast moeten leggen, zodat ze er nooit meer aan kunnen komen – de mensen uit de stad. Al denk ik dat ze tegenwoordig vooral jaloers zijn op onze manier van leven.”

Jij hebt de onderhandelingen gevoerd en alle afspraken vastgelegd met de mensen uit de stad.”

Ja, ik heb geholpen, inderdaad. Er wonen een heleboel talentvolle mensen in onze flat – nuttige talentvolle mensen die een hoop werk hebben verzet.”

Mm, het zou me niet eens verbazen als je het gebouw en terrein gewoon hebt opgekocht.”

Kom nou, jongen, dat laten ze nooit gebeuren.”

Zijn moeder lacht vriendelijk en begint op te staan. Ze loopt naar de deur die openstaat – er is een hordeur die insecten buiten houdt. Zo hoef je geen beesten met een oude krant dood te slaan.

Jullie hebben trucjes gebruikt – je hebt ze laten geloven dat ze moeilijk anders konden,” zegt Jokke die zichzelf plotseling erg slim vindt.

Zijn moeder wacht bij de hordeur. “Als je iets te drinken wilt hebben, dan moet je het zelf pakken.”

Doe ik – straks – ik wil eerst de sterren tellen.”

O, maar dan heb je wel iets te doen vanavond.”

Het is nog vroeg en ik heb vakantie.”

Zijn moeder gaat naar binnen – trekt de hordeur dicht. Beneden steekt een gezelschap van drie heren de straat over – ze zijn vampiers – ook Nosferatus is erbij – ze dragen een zwarte smoking – hoge hoeden ontbreken vanavond, dus gaan ze op jacht – konijnen of andere onvoorzichtige dieren die in het bos leven. Het is een nacht zonder volle maan, dus Leon en zijn vader blijven gewoon thuis. Bovendien moet er evengoed een drankje voor hen worden gemaakt. Alleen heeft mevrouw Madsen er het speeksel van een echte gewone jongen voor nodig. Hij kijkt naar de lucht en ziet een vliegtuig – daarginds – in het noordwesten ligt Schiphol – over exact twee minuten volgt een nieuw toestel en zo gaat het nog urenlang door – de hele avond en nacht.

Vijf minuten na de vampiers ziet Jokke hoe het monster van Frankenstein de straat oversteekt – dezelfde richting als de vampiers. Nu begint zijn nieuwsgierigheid te groeien, want de heksensabbat is weken geleden al gevierd. Blijkbaar is er een vergadering in het bos. Want het monster van Frankenstein heeft totaal andere behoeften dan een vampier. Een monster, zoals hij, kan zich voeden met konijnen en herten, maar lust ook sla en worteltjes. Jokke schuift zijn stoel naar de reling en blijft omlaag kijken – naar de straat – inderdaad begint een groepje van minstens veertien dwergen de weg over te steken. Er moet gewoon een vergadering zijn. Wat moet je ’s nachts anders in het bos doen als er geen heksensabbat is? Misschien lopen ze naar de heuvel. Jokke en zijn vrienden verblijven er ook graag, liefst als de zon schijnt.

Mam?”, vraagt hij en Jokke gaat de woonkamer in, maar zijn moeder staat aan de voordeur. Hij hoort haar praten met mevrouw Madsen. Een vergadering, ja, maar het is normaal om niet gewoon te zijn, zoals mensen, die in de stad wonen, erg gewoon zijn. Jokke draait zich weer om en trekt de hordeur dicht. Vier feeën steken de straat over – hun gestalten lijken sierlijke lichten die zich voortbewegen in het duister. Deur gaat dicht en zijn moeder keert terug. Ze blijft thuis. Bijna alle bewoners zijn onderweg, naar het bos, maar sommigen blijven thuis, zoals de moeder van Jokke. Ook de vader van Leon verdwijnt in het bos, zo op het eerste gezicht een gewoon iemand, zoals Jokke altijd heel gewoon leek te zijn.

Wat gaan ze doen?”, vraagt Jokke. Ja – natuurlijk – de heksensabbat – nee, die is weken terug al geweest. Maar wat zou het anders kunnen zijn? Als de bewoners van de flat geen heksensabbat vieren – Wat zijn ze vanavond dan aan het doen met zijn allen? In de keuken hangt een kruidenkalender en het is half augustus – hij weet het zeker. Hij heeft nog twee weken vrij.

Zijn moeder blijft achter de hordeur staan en ziet, net als Jokke, drie reuzen de straat oversteken. De heksensabbat – hij kent het feest, maar is er nooit bij geweest. Heksen beginnen om half elf op trommels te slaan – het geluid van dreunende trommels tot ver in de zomernacht. Zelfs het verkeer van de snelweg hoort hij dan niet meer. Alleen nog die trommels.

Jokke gaat een glas limonade halen en laat zich neerploffen op zijn stoel. Om precies elf uur beginnen ze op trommels te slaan. Het is een luide, bijna betoverende klank en hij denkt zelfs een rookpluim te zien opstijgen, maar het is de heuvel en die is veel te ver weg. Hij zou er zelf heen moeten gaan in plaats hier op het balkon zitten. Ook zijn moeder heeft plaatsgenomen bij het raam en kijkt naar de heuvel. Er ligt een gedachterimpel op haar voorhoofd als ze zich zorgen maakt, zoals nu.

Jokke ziet haar mond bewegen en hij denkt dat zijn moeder zegt: “Ik weet eerlijk gezegd ook niet goed wat ze aan het doen zijn.” De heksensabbat was weken geleden. Hij kijkt naar zijn moeder – dan weer naar de heuvel – en hij bedenkt ineens dat het iets betekent als de vampiers er wel bij zouden zijn. Jokke begint nu wel heel erg nieuwsgierig te worden naar het geheim.

Geen heksensabbat. Dat was weken terug.

Doffe klappen van trommels dragen vele honderden meters ver – in de stad moeten ze hen ook horen.

Vieren ze een feest in het bos? Is het een feest – of is er iets totaal anders? Hoe hebben ze het toch voor elkaar gekregen dat de flat en het omringende terrein onaangeroerd mochten blijven? Hij wil het weten.

Hij kijkt naar zijn moeder die opnieuw enkele woorden zegt – en ze spreekt ze praktisch onverstaanbaar uit, maar Jokke kan ze goed horen – ondanks de trommels.

“Het is de tuin der geesten.”

Mam, ik moet gaan kijken,” zegt Jokke.

Doe je voorzichtig?”

Tot straks.”

Ik hoop het.”