Tagarchief: SF Thriller

Tom van alsem en de echo van Octagon (7/7)

Twee van de harpijen die het gevecht om de hond hadden verloren concentreerde zich op het huis dat nu als schuilplek diende voor Tom en Sjors – het scherpe verblindende licht van de doorgang die Tom had gemaakt, had teveel aandacht getrokken  – de beesten scheerden langs de gevels van het huis, alsof ze hen naar buiten wilden dwingen – er ging een luid gekrijs door de atmosfeer dat al spoedig wegstierf, want het was kennelijk wel zo dat ze de woningen niet binnen konden dringen en mogelijk waren ze daar wel toe in staat, maar schatten ze de risico’s veel te hoog in.

Niettemin bleven de harpijen hard krijsen – hun snerpende schreeuwen bleven aanhouden tot de zon begon op te komen – toen werd het eindelijk stil – het was het moment waarop Tom en Sjors in slaap vielen. Tom lag op de bank, Sjors had een comfortabele fauteuil uitgezocht waarvan hij de leuning achterover wist te zetten. De vermoeidheid eiste haar tol, want ze waren allebei bijna een volle dag wakker geweest – Tom viel in slaap en opende enkele uren later zijn ogen. Met een enorme schok ging het door hem heen dat de harpijen hen juist uit hun slaap hadden gehouden, omdat ze overdag te moe zouden worden om op pad te gaan. Het kwam erop neer dat ze kostbare tijd verloren. In feite moesten ze nu iets eetbaars zien te vinden en op pad gaan.

Als de mensen inderdaad vier jaar geleden waren vertrokken, zou dat een probleem zijn.

Natuurlijk lag er niets meer in de koelkast wat ze zouden kunnen eten – de kelder was zorgvuldig leeggeruimd – er stonden alleen nog een paar flessen wijn – blijkbaar hadden de oom en tante van Sjors er geen heil in gezien om ze mee te nemen of leeg te drinken. Even lag er een glimlach op zijn gezicht.

Uit de kraan kwam geen water. Ze hadden helemaal niets te eten en niets te drinken. Het betekende dat hij een nieuwe poort moest maken en hen allebei naar een tijdstip in het verleden moest brengen – misschien het moment waarop Astrid de eerste harpijen had vrij gelaten – want zo moest het ongeveer zijn gegaan.

“Wat ben je nou aan het doen, Tom?”, vroeg Sjors die vrijwel geruisloos achter hem was komen staan en met zijn vingers door zijn verwarde haren streek.

“Eten en drinken zoeken.”

“En?”

“Noppes. Niets. We zullen op zoek moeten naar eten. En leren leven met de ramp die hier is gebeurd,” zei Tom. “Het is erg vreemd dat we niet meer terug konden naar onze eigen periode, ik heb het rare idee dat ik gewoon door iemand werd tegengehouden.”

“Denk je soms dat ik het was?”

“Kun je dat dan?”, vroeg Tom.

“Geen idee.”

“Het ging erom dat je het wel een lekker idee vond om zonder je ouders verder te kunnen – of stiefouders. Is je moeder overigens wel je echte moeder of niet?”

“Goeie vraag, ik dacht het wel, maar dat heb ik ook altijd geloofd van mijn stiefvader.”

“We moeten gaan,” zei Tom, “alle tijd die we hier staan te praten, is tijdwinst voor de harpijen, want ze komen tevoorschijn als het donker begint te worden.”

“Ja, je hebt gelijk.”

“Eten en drinken, dat komt eerst.”

“Je hebt gelijk, ik zal je nu niet tegenhouden,” zei Sjors en er brak vrijwel meteen een grijnslach door.

“Er gebeurt niets,” zei Tom.

“O.”

“Ik wil weten hoe de stad eruit ziet en misschien vinden we ergens nog een blikje witte bonen in tomatensaus of zo – crisisvoedsel, maar wel lekker.”

“Je kunt ze koud eten, dacht ik.”

Bijna vijf minuten later verlieten ze het huis – Sjors droeg zijn eigen jas, Tom had er eentje gevonden die aan de kapstok hing, maar lang geleden voor het laatst was gedragen – er zaten bonnetjes in van een parkeergarage – minimaal vijf jaar oud. Het was bijna twee uur ’s middags – ze hadden allebei zes uur geslapen en Tom voelde zich een beetje uitgerust. Voor ze de straat hadden verlaten, kwamen ze de eerste uitgebrande autowrakken tegen – het bleek in elk geval dat het rijtje huizen dat ze achter zich lieten zo ongeveer het enige was dat nog overeind was gebleven – zover hun ogen konden zien ontvouwde zich een gruwelijke verwoesting – ruïnes – puinheuvels waar ooit eengezinswoningen of flats hadden gestaan – het deed Tom denken aan een oorlogszone – alleen waren er hier geen huizen meer overeind gebleven, behalve dan waar ze uit kwamen.

Tom en Sjors beklommen een van de hoogste heuvels, omdat ze allebei zonder een woord te zeggen wilden zien hoever de verwoestingen feitelijk gingen.

Hier en daar stond er nog een flat of huis overeind, maar verreweg de meeste huizenblokken waren volledig vernietigd – mocht er ergens nog iets te eten zijn overgebleven, dan was het hoogstens geschikt voor aaseters of roofdieren, zoals de harpijen ongetwijfeld waren – zoals de krant al had gezegd.

“Focking hell,” zei Sjors. “Haal ons hier alsjeblieft weg, want we komen om van de honger – we gaan hier dood, joh. Dit is het echte einde van de wereld.”

“Eerst wil ik iets anders weten,” zei Tom.

“Oké.”

Natuurlijk hoefde Tom zijn vraag niet eens te stellen.

“Het was heel simpel – ik heb het anders aan de politie verteld – hier durf ik het wel te doen, want we zijn middenin een verdomde Apocalyps terechtgekomen – hopelijk zal geen mens je geloven.”

“Ik beloof het,” zei Tom.

“Vader zette het op een zuipen, zodra hij thuis was gekomen. Ondertussen vertelde hij dat zijn werk niet meer bestond. Een complete industrie was in een paar weken tijd compleet weggevaagd. Hij vroeg zich af of hij ooit nog aan een fatsoenlijke baan zou komen. Ik bedoel – het was net een soort zondvloed – woorden en drank – de woorden kwamen eruit, de drank ging erin. Urenlang. Mijn moeder wilde het eerst op zijn beloop laten, maar op een gegeven moment werd hij stikvervelend. Dus moest ze er iets van zeggen. Ja, ik had daar tussenbeide kunnen komen, maar vond het beter als we definitief van hem af zouden zijn. Het was gewoon zo’n split second decision. Maar de klappen die moeder kreeg kwamen harder aan dan ik had gedàcht – veel harder – ik hoorde haar schreeuwen – dat ik de politie moest bellen en dat kon ik juist niet. Ook vond ik het verbijsterend dat mijn vader, want dat was hij toen nog steeds, zich zo kon laten gaan. Ik hoor nog steeds hoe haar ribben braken. Toen heb ik ingegrepen. Het probleem is dat ik me weinig meer kan herinneren van de klappen die ik hèm heb gegeven. Veel later pas – ik geloof dat ik jullie huis al had bereikt – vanaf dat moment weet ik het pas weer.”

“Je schuld bestaat eruit dat je hebt nagelaten de politie te bellen – bovendien bestond er al een geschiedenis van geweld, want het ging elke keer zo als je – eh – stiefvader een paar weken thuis was.”

“Het interesseert me totaal geen ruk – dat ik 112 had moeten bellen en zo – of het feit dat ik hem doodgemaakt heb – ik moet naar de begrafenis – maar ik wil helemaal niet – alsof iemand een schattig hondje laat zien en dan moet je zeggen dat je het leuk vind, terwijl het je feitelijk geen reet interesseert, want zo ben ik niet. Het boeit me gewoon geen ruk.”

“Weet de politie dat je opzettelijk niet hebt gebeld?”

“Doodslag ten gevolge van extreme stress.”

“Het lijkt me een goede opening bij de psycholoog.”

“Een Oedipuscomplex,” zei Sjors, “ik zeg het zelf maar – voordat jij het er zo meteen uit gaat flappen.”

“Dat is 100% juist,” zei Tom.

“Ik dacht dat ze me op zouden sluiten wegens moord. De rechercheur vertelde het en ik heb minuten lang op mijn onderlip zitten bijten uit blijdschap, maar hij dacht dat ik vocht tegen de tranen. Ik was zo blij.”

“En nu?”, vroeg Tom.

“Laten we gaan.”

Er viel een stilte, terwijl ze zwijgend om zich heen keken naar een vlakte vol verwoeste huizen die pas ver voorbij de horizon leek te eindigen – het was het territorium geworden van de harpijen die zich ergens schuilhielden – Tom had geen zin om te ontdekken waar dat precies zou zijn – vast een parkeergarage die in tact was gebleven. Met een wijsvinger trok hij een cirkel door de lucht en nu slaagde Tom er wel in één keer in – er hing een enorme cirkel met een knetterende corona er omheen, zoals bij een zonsverduistering.

Eerst was het Sjors die door de opening stapte, direct gevolgd door Tom – hij stelde vast dat de missie was geslaagd, want ze waren teruggekeerd naar de tuin die al enkele malen het begin van een avontuur was geweest. De eerste keer had Astrid een draak getekend, daarna had ze gekozen voor de harpijen. In beide gevallen was het een slechte keuze geweest, want ze had het er beter bij kunnen laten – een leeg vlak – zoals het ook hoorde voor een basketbalveld.

Hij stond op de plek die normaal aan Astrid toebehoorde, omdat ze van daar een perfect zicht had op het terras achter het huis van haar ouders – tussen de bomen die dankzij een stevige wind heen en weer deinden. Er lag geen tekening op het asfalt – Tom had een grote draak verwacht – of ander mythische beesten, zoals de harpijen die in een toekomst het land in gijzeling hadden genomen. Anders dan hij had verwacht, was er totaal niets.

In het gras was de gereedschapskist van Astrid blijven staan, dus ze zou elk moment terugkeren om haar spullen op te halen. Of alsnog een paar harpijen te tekenen, want dat was de reden geweest waarom ze juist hierheen waren gekomen. Vanwege de tekening.

Na bijna een kwartier verscheen Astrid tussen de bomen die in het vroege voorjaar net in bloei stonden.

“Hé – Zijn jullie alweer terug?”, vroeg ze.

“Zoals je ziet,” zei Tom.

“En jij bent Sjors,” zei Astrid.

“Hoi,” zei Sjors die haar een hand wilde geven, maar tegelijkertijd bedacht dat hij dat nou niet mocht doen.

“Nu zie ik je wel. Je was er daarstraks toch ook?”

“Ja,” zei Sjors.

“Vreemd. Maar ik heb het zien gebeuren. Jullie zijn vertrokken, zoals je ook bent gekomen. Net als in de film. Je trekt een soort scheur in de lucht en hoppa.”

“Ik dacht dat je een nieuwe tekening had gemaakt.”

“Dat was het plan. Maar we hebben besloten dat ik dat beter pas kon doen als je was vertrokken.” Er verscheen een valse grijns op Astrids gezicht. “We hebben het gehad over mythische wezens. Zoals harpijen. Misschien doe ik dat wel. Morgen of zo.”

“Beter van niet,” zei Tom, “daar komen we net vandaan. Het is zelfs een slechter idee dan de draak.”

“Ik wilde een mannetje en vrouwtje tekenen, binnen enkele dagen is de tekening toch weg door de regen.”

“Als je wilt, brengen we je naar de wereld van de harpijen,” zei Sjors, “dan ben je voorgoed genezen.”

“Zo erg?”

“Ja,” zei Tom, “zelfs een vlinder kan wel eens een levensgevaarlijk dier zijn, als je hem hier tekent.”

“Saai,” zei Astrid.

“Da’s best fijn, hoor,” zei Sjors. “Je hebt geen idee hoe leuk dat kan zijn.”

Opnieuw tekende Tom een cirkel – of scheurde hij de atmosfeer in twee stukken – zodat ze er doorheen konden stappen. Wel hoorde hij Astrid nog een keer zeggen dat ze dat ook best wel een keer wilde doen.

Een volgende keer misschien. Nu even niet.

Er kwam altijd wel een volgende keer.


Tom van Alsem en de echo van Octagon (6/7)

Uiteraard slaagde Tom er wel in om Sjors waar te nemen en zelfs aan te raken, hij stond nou eenmaal naast hem, maar voor Astrid bleef hij een geestverschijning die hooguit voetafdrukken in het gras achterliet – hij had de reis gedeeltelijk afgelegd.

Zijn stoffelijke lichaam lag in bed te slapen, zoals Tom het aan zijn makker had laten zien – geen oom of tante die Sjors Rooijackers wakker zou krijgen.

“Wat is er aan de hand, Tom?”, vroeg Astrid.

“Ik denk dat je het antwoord al weet.”

“Je ziet er ouder uit dan normaal.”

“Ja, dat klopt.”

“Uit de toekomst? Kom je daar vandaan?”

“Ja.”

“En wie staat er naast je?”

“Sjors – een vriend van me.”

“Waarom zie ik hem niet?”

“Je zou ervan schrikken, denk ik, ik heb geen idee.”

“Wat is er aan de hand?”, vroeg Astrid.

“Je gaat een draak tekenen, het wordt de beste tekening die je ooit hebt gemaakt – straks kom ik je opzoeken en zal ik hem tot leven wekken – dat kan ik – er is weinig tijd om het je uit te leggen – maar het is ongelofelijk belangrijk dat je wat anders doet. Bloemen – whatever – braamstruiken, of vogels.”

“Hoeveel jaar zijn er voorbijgegaan?”

“Vier. Moeder is zwanger – ik krijg een zusje – ze willen haar Sanne noemen, maar ik wil dat niet. Alles is beter dan dat. Marieke, Elize, Daphne, Annemiek.”

“Je hebt een baard, Tom. Weet je dat wel?”

“Ja.”

“Het is voor het eerst dat ik je met een baard zie.”

“Denk eraan: geen draak,” zei Tom.

“Ook geen vampiers of zombies,” zei Sjors.

Tom begon te lachen. “Inderdaad. Je hebt gelijk.”

“Wat? Ik heb niks gezegd,” zei Astrid.

“Ook geen vampiers of zombies. Zei Sjors.”

“Wel een goed idee.”

“Misschien moet je beter niets tekenen,” zei Tom.

“Da’s saai,” zei Astrid die de binnenkomende visite kon zien – heel even strekte ze haar armen en benen. “Jullie zijn er – je moet gaan – anders wordt het verdraaid lastig.”

“Tot ziens,” zei Tom.

“Volgende keer moet je Sjors ècht meenemen.”

“Niks over mijn stiefvader alsjeblieft,” zei Sjors.

Opnieuw stapten ze door de cirkel – nu betraden ze de slaapkamer van Sjors wiens verdoofde lichaam onveranderlijk op het bed lag. “Bedankt voor je hulp,” zei Tom, “al was de oplossing nogal simpel.”

“Je hebt geen idee wat Astrid nu heeft getekend.”

“Inderdaad. We merken het vanzelf.”

“Gelijke oorzaken, hebben gelijke gevolgen – als er iets moet gebeuren, dan zal het ook gebeuren – wat je ook doet om te voorkomen dat er iets erg fout gaat.”

“We hebben nog een andere klus liggen,” zei Tom.

“O?”

“Zoeken naar je echte vader.”

“Denk je dat ik dat zou willen?”, vroeg Sjors.

“Ja.”

Er volgde een schaterende lach die meteen verstomde. Sjors maakte een gebaar alsof hij een ritssluiting dichtmaakte en wees naar beneden. “Ze zitten, denk ik, nog tv te kijken – een of andere film.”

“Ik ga al,” zei Tom – voor de slaapkamerdeur brandde het ovaal waar hij eerder doorheen was gestapt – hierna zou hij op het dak van de garage terechtkomen. “Doei.” Zonder op een antwoord te wachten keerde Tom terug naar huis – het was net zo stil als het de afgelopen dagen was geweest – dankzij de lockdown. Hij klom door het openstaande raam en bedacht dat zijn afwezigheid hooguit een minuut of zo had geduurd. Terwijl hij in zijn slaapkamer stond, viel het hem op dat er nergens licht brandde – lantaarnpalen waren uit – achter geen enkel raam was licht te zien. Volgens zijn telefoon zou hij anderhalve minuut weg zijn geweest – het was een kort uitstapje geweeest.

Zijn nieuwsgierigheid dreef hem ertoe naar beneden te lopen en gewoon eens te checken dat alles in orde was. Tom liep de trap af – met elke stap nam zijn onrust toe, want er heerste beneden een volstrekte duisternis en stilte. In de woonkamer viel er niemand te bekennen. Wel lag er een krant op tafel die bijna vier jaar oud was – een kop in chocoladeletters. ‘Brabant moet evacueren.’ Het duurde een tijdje voordat de betekenis tot hem door wist te dringen, want het was een absurde zin. Op een korrelige foto viel er een grote gedaante te zien die volgens de begeleidende tekst een gevaarlijke harpij moest zijn.

What the fuck is een harpij?”, vroeg Tom, maar er was niemand in de buurt om zijn vraag te beantwoorden. Het klonk wel enigszins bekend in de oren, alsof hij het woord een keer had gehoord – volgens de krant ging het om een vliegend monster.

“Pap? Mam?” Zijn stem galmde door het huis, maar het begon steeds duidelijker te worden dat er al minstens vier jaar niemand woonde – behalve Brabant hadden er kennelijk meer provincies moeten evacueren. Hij sloeg met zijn vuist op tafel en dacht aan Astrid die, recalcitrant als ze was, een gevaarlijk roofdier uit de mythologie moest hebben getekend – een harpij.

In de krant vond hij een achtergrondartikel over de crisis die er destijds was uitgebroken – in de Bossche wijk Schutskamp waren mythische wezens verschenen en bezit begonnen te nemen van de stad. Harpijen. Zo werden ze genoemd, maar ze bleken afschrikwekkender dan in de Griekse mythologie. Lijven van roofvogels – zo groot als mensen – maar koppen die op zijn minst mensachtig waren en nog het meest deden denken aan mummies – grote kaken met scherpe tanden – ze hadden een voorkeur voor levend vlees, maar deden zich tevens tegoed aan de doden.

Er ontsnapte diverse vloeken aan zijn mond, terwijl hij dit las – het was ’s nachts beslist levensgevaarlijk – de regering had een avondklok ingesteld – evacuaties – blijkbaar woonden zijn ouders en zusje momenteel in Duitsland, want zoiets vermeldde de krant – er bestond grote interesse voor de goed opgeleide Hollanders die hun Nederduitse oorsprong hadden herontdekt. Je moest je domweg aanpassen.  

Hij probeerde contact te zoeken met zijn ouders – misschien werkte Facebook wel gewoon, het betekende dat hij zijn ouders en zusje zou kunnen traceren. In elk geval kon hij ze laten weten dat hij als door een wonder veilig was, maar in hun oude huis zat. Alles werkte hetzelfde – het duurde eventjes voordat zijn toestel een netwerk had gevonden – hij opende Facebook – zocht naar de site van zijn moeder die ‘vanuit haar nieuwe woonplaats in München zich bevoorrecht voelde, omdat de kinderen gezond waren en het zo goed deden op school. Er stond zelfs een foto op het scherm – vader, moeder, hijzelf en Marieke. Tom liet zich snakkend naar adem op een stoel zakken, want dit begreep hij echt niet.

Seconden en minuten gingen voorbij – blijkbaar was er iets gruwelijk fout gegaan toen hij terugkeerde naar huis – hij had zichzelf en dus ook Sjors naar de verkeerde plek gebracht – het was een eigenaardige post-apocalyptische wereld – in elk geval in Nederland – daarbuiten leek er weinig aan de hand.

Het betekende dat hij terug moest keren naar de slaapkamer van Sjors die hij er had achtergelaten in een verkeerde werkelijkheid. Hij liet zijn telefoon wegglijden in zijn spijkerbroek en stond op – opnieuw tekende hij een corona – Tom zou er doorheen moeten kunnen stappen – zijn geest concentreerde zich op Sjors die in Den Bosch lag te slapen en nergens van op de hoogte mocht zijn – hij was direct naar bed gegaan en zou morgenochtend pas tot de ontdekking komen dat er iets hevig fout zat.

Hij stapte door het gat en Sjors lag net als daarstraks met zijn gezicht naar de muur te slapen – het was er donker – ook de wekkerradio gaf geen licht – buiten waren de straatlantaarns net zo verduisterd als bij Tom in de straat – er klonk een snerpende schreeuw in de straat – het had absoluut niets menselijks – wel zorgde het ervoor dat Sjors zijn ogen opende en om zich heen keek – in eerste instantie weigerde het tot hem door te dringen dat Tom weer in zijn kamer stond – er was iets anders dat zijn aandacht had getrokken.

“Hè? Wat?”, vroeg Sjors.

“Er is wat verkeerd gegaan.”

“Hoe bedoel je?”

“Ik heb ons vier jaar terug in de tijd gebracht en naar een andere parallelle werkelijkheid – zo heet dat, geloof ik. Wat je net hebt gehoord is een soort harpij. Zo worden ze genoemd in de krant. Brabant is als eerste geëvacueerd, daarna volgde de rest van het land. Mijn ouders wonen in Duitsland. Met Marieke. En vreemd genoeg ikzelf.”

“Ik snap je niet zo goed. Hoe kun jij daar wonen?”

“Simpel. Ik ben hier. Maar dáár ben ik er ook.”

“Twee jongens die jouw naam en uiterlijk hebben.”

“Ja.”

Er groeide overduidelijk een gedachte in Sjors zijn hoofd die de telefoon van het tafeltje pakte en begon te zoeken zonder er een woord bij te zeggen. Na een slordige halve minuut liet hij zich achterover zakken. “We wonen in Singapore. Mijn vader, moeder en ikzelf. Je hebt ons naar een plek gebracht waar het leven zonder ons verder is gegaan. Nu heb ik mijn vader nooit doodgeslagen, want hij leeft nog.”

“We moeten terug naar onze eigen wereld.”

“Waarom?”

“Hoezo? Wat bedoel je met waarom? Je hebt toch al gezegd dat je niet met de dood van je vader zit.”  

“Nou kan ik doen waar ik zin in heb.”

Buiten klonken er diverse schreeuwen.

“Hoe zien ze er eigenlijk uit?”, vroeg Sjors die het gordijn opzij trok en uit het raam keek – Tom ging naast hem staan – in de straat waren er vijf harpijen in de lucht aan het vechten om een hond – er was er eentje die een poot en een stuk van zijn heup scheen te hebben afgescheurd – een tweede had de rest van het dier – voor zijn makkers was er genoeg om te delen. “Dat ziet er wel heftig uit, Tom van Alsem.”

“Er is vier jaar terug een avondklok ingesteld.”

“Het betekent dat ze ’s nachts erg gevaarlijk zijn.”

“Nachtdieren,” zei Tom.

Sjors liet het gordijn terugvallen en dat deed dat net iets te laat, want één van de harpijen had hem opgemerkt. “Godskolere.” Sjors die zich op het bed liet vallen. “Breng ons toch maar weer terug.”

“Mooi,” zei Tom die zich begon te concentreren op de wereld die hij eerder had achtergelaten – Octagon dreigde te gebeuren – in plaats daarvan was er een heel andere ramp gebeurd – de harpijen hadden het overgenomen met zo’n overmacht dat ook het leger weinig had kunnen aanrichten – dat is wat het betekende. Hij tekende een nieuwe ovaal in de slaapkamer, maar er gebeurde helemaal niets. Zijn gedachten bleven bij de wereld die hij altijd heeft gekend – de gigantische draak op het basketbalveld – Astrid die een eigenaardig gevoel voor humor had – vader, moeder en Marieke.

Misschien slaagde hij erin zich te concentreren op een ander tijdstip in het nabije verleden – enkele jaren terug – de wereld van de harpijen – dat lukte dus wel.

Daarna liet hij zich op een kruk zakken. “Verdomme.”

Het ovaal met de brandende corona er omheen doofde langzaam maar zeker uit en Sjors stond erbij te kijken zonder een woord te zeggen, want hij raadde al wat Tom zat te denken en feitelijk ook zei dankzij zijn gezichtsuitdrukking. 

“Dus we zitten als ratten in de val?”, vroeg Sjors.

“Ja, inderdaad.”


De doodshoofdmagiër

Rustig wandelde Aras naar de roltrappen die vandaag voor de verandering nu eens goed functioneerden – het was een koude regenachtige dag en hij had zojuist een telefoontje gekregen dat zijn auto klaar stond na een nieuwe Apk-keuring. Er bleek weinig aan de hand te zijn. Olie verversen en zo. Normaal zou hij nog eventjes hebben gewacht, maar het weer beloofde te verslechteren en er werd zelfs een storm voorspeld.

Een onbekende man probeerde hem mopperend te passeren en duwde hem een beetje opzij, omdat Aras niet ver genoeg naar rechts stond. Mensen waaierden in alle richtingen uit – hij betrad de stationshal en koos voor perron 17 – een volgende roltrap – sinds enkele dagen had hij de trein nodig om per openbaar vervoer bij de garage te komen – er was een nieuwe dienstregeling ingevoerd, hetgeen betekende dat er in een deel van de stad helaas geen bussen meer reden.

Dankzij vooruitgang en efficiëntie.

Binnen enkele minuten zou er gelukkig een trein arriveren, dus hij zocht de grootste groep mensen op. Vermoedelijk zou hij daar ook moeten instappen. De man die hem zojuist opzij had geprobeerd te duwen had koffie gekocht en hield het bekertje vast alsof het een belangrijke verovering was. Aras zocht de beschutting op van een wachtruimte, hoewel de regen en wind er net zo goed vrij spel had. Helaas kwam de haastige medereiziger in zijn richting en hij had een blik in zijn ogen die weinig goeds beloofde. Voor Aras was er weinig aan de hand – hij wilde zijn auto ophalen bij de garage en daarna rustig naar huis.

“U weet toch wel dat het de bedoeling is dat u geheel rechts op de roltrap moet staan, zodat de mensen die haast hebben niet worden tegengehouden,” zei de man en er lag een vreemde glimlach op zijn gezicht.

“En je wacht op dezelfde trein als ik?”, vroeg Aras.

Inmiddels begon de trein binnen te komen en Aras negeerde de man die hem een les wilde leren en zich druk had gemaakt om niets in het bijzonder – haast had gehad, omdat hij een beker koffie wilde kopen. Beiden mannen zochten in verschillende wagons een zitplaats – de reis van Aras zou slechts enkele minuten duren – hij zou de stad zelfs niet verlaten.

Ongeveer tien minuten later stond hij op het perron in het noordwestelijk deel van de stad – hij daalde een brede trap af en ontdekte beneden op het trottoir dat hij aan de verkeerde kant van de straat terecht was gekomen – zijn herkenningspunt bestond uit een oud stoomtreintje dat op de hoek van de kruising was neergezet – daar moest hij heen. De enige veilige en snelle weg, gezien het enorm drukke verkeer, was terug omhoog te gaan en aan de andere kant via de andere trap naar de straat af te dalen en zo verder te lopen naar de garage.

Dus – hij ging naar boven, vloekte enkele malen vanwege de extra moeite die hij moest doen om op zijn bestemming te komen en belandde op een verlaten perron, terwijl er zojuist nog een paar jonge mensen hadden gestaan. Nee, niet helemaal verlaten – aangezien er nog één man stond. Aras herkende hem – ruim een kwartier geleden had de betweterige kerel geprobeerd hem de les te lezen over waar je precies op een roltrap plaats diende te nemen. Het was dezelfde man en toch weer niet, want hij leek de afgelopen minuten jaren ouder te zijn geworden en dat was uiteraard onzin. Het moest iemand anders zijn. Inmiddels vielen er geen regen meer, de wind voelde fijner aan dan daarnet beneden op straat. Nog even en het zonnetje zou doorbreken. 

“Het spijt me – ik moet de andere trap hebben,” zei Aras die de onbekende koffieliefhebber passeerde.

“Ik wilde u even alleen spreken, mijnheer Aras.”

“Sorry – hebben we mekaar eerder gesproken of gezien? Heb ik bij u in de klas gezeten of zo?” Aras bleef staan en onderzocht de onbekende beter. Het was een normale man die zich net niet casual kleedde – een man waarvan je geloofde dat hij de baas was.

“Uw eerste vraag kan bevestigend antwoorden.”

“U bent ouder geworden – u bent dezelfde man?”

“Ja, dat ben ik.”

“Hoe is dat mogelijk?”, vroeg Aras.

“Ik ben de geheimzinnige vreemdeling die u kent uit de verhalen die mensen elkaar vroeger vertelden.”

“Het spijt me – niet bij ons thuis.”

“Nee – inderdaad. Dat weet ik.”

“Mag ik nu passeren?”

“Om heel eerlijk te zijn – ik ben hier om u te herinneren aan uw belofte, mijnheer Aras,” zei de man die zich als een geheimzinnige vreemdeling had voorgesteld – het betekende dat Aras vermoedelijk met een gestoord individu te maken moest hebben.

Maar hij zag dezelfde persoon voor zich die Aras een goede twintig minuten geleden opzij probeerde te duwen en daar aardig in was geslaagd. Inmiddels stond de vreemdeling niet langer rechtop, maar gebogen, zoals een bejaarde man – hij had een smal gezicht gekregen met ingevallen wangen – zijn huid zat vol pigmentvlekken – daarstraks was hij een vijftiger geweest, zoals er een miljoen zijn in het land.

“Ik begrijp er niets van.”

“Het doet me genoegen dat ik hier en nu mag zeggen dat u het stokje van me gaat overnemen, mijnheer.”

“Stokje? Welk stokje? Waar heeft u het over?”

“U moet het de tijd geven, het komt vanzelf.”

“Dit is gewoon onzin,” zei Aras.

“Hier – neemt u alstublieft mijn koffie, want daar zult u tenslotte troost uit putten – het is namelijk het enige waar u na verloop van tijd nog van zult genieten.”

Hoewel hij de beker niet eens wilde aanpakken, hield Aras hem tenslotte wel degelijk vast, waarna de geheimzinnige vreemdeling zich omdraaide en over de rand van het perron stapte en spoorloos verdween.

Heel even stond Aras naar beneden te kijken. Er was helemaal niets. Wèl voelde hij de regen op zijn hoofd neerdalen – het was een vieze koude wind – er ging een rilling door zijn lichaam en hij deinsde achteruit.

Er kwam een andere trein het station binnen.

“Gaat het wel, mijnheer?’, vroeg een jonge studente.

“Ja,” zei Aras.

Het leek volslagen onzin – verbeelding – hij deed alsof er geen ontmoeting had plaatsgevonden, alsof er niemand over de rand van het perron was gestapt, alsof hij gedurende enkele minuten geen regen had gevoeld en het nooit vijf tot tien graden warmer was geweest – want het zweet stond op zijn rug. Aras daalde de trap af en hield de leuning stevig vast.

Een belofte – kennelijk had hij ooit een belofte gedaan – het probleem was alleen dat hij alles was vergeten.

Zo wandelde hij in gedachten verzonken verder, sloeg net voorbij de stoomtrein rechts en volgde het voetpad – een man passeerde hem die ijverig een bakfiets met drie kletsende kinderen vooruit trapte – normaal stond Aras vanwege zijn goede geheugen bekend en vergat hij niets of anders heel weinig – nu leek een onbekende, wiens naam hij nog altijd niet kende, een belofte te hebben gedaan – het was een man die over de rand van het perron was gestapt – een beetje zoals een zelfmoordenaar had gedaan voor een aanstormende trein – in plaats daarvan was de geheimzinnige vreemdeling in het niets verdwenen.

Er golfde een koude rilling door zijn lichaam en Aras vreesde voor een opkomende verkoudheid. Korte tijd later stapte hij over de drempel van de garage – betaalde zijn rekening en zocht zijn auto op. Achter het stuur van zijn blauwe Opel probeerde hij de eigenaardige ontmoeting op het perron naar de achtergrond te verdrijven. Hij had het zich verbeeld.

Het was natuurlijk de wind en regen geweest – kou.

Terwijl er muziek speelde, stuurde hij naar rechts – aan het eind van de straat ontdekte hij een Eiffeltoren die stukken kleiner was uitgevallen dan het origineel.

Een vreemde plek voor zoiets – hij ging linksaf en verderop bevond zich de kruising met het pompstation – ja, ondanks alle praatjes van de gemeente was het honderd keer prettiger in je eigen auto – zeker als het zulk slecht weer was. In zijn brein tolden diverse herinneringen rond – hij wist alles nog.

Behalve een belofte – iets over een stokje overnemen.

Andere auto’s begonnen te rijden – hij trapte het gaspedaal omlaag en volgde de stroom – ging rechts en zag een flatgebouw opdoemen met de geschilderde gezichten van twee beroemde Nederlandse wielrenners die een ronde van Frankrijk hadden gewonnen. Er was ruimte voor meer. In zijn ooghoek – schuin rechts voor hem – stak een meisje over – op een knalrode fiets – als het bloed van een mens – rood stoplicht – Aras bedacht dat het veel te vroeg was, want tienermeisjes hoorden niet te verongelukken. Rode auto – een oude Ford – wist haar te ontwijken. Het meisje lanceerde enkele scheldwoorden en zo te zien deed de bestuurder exact hetzelfde – ook claxonneerde hij langdurig – hij was terecht erg boos.

Zelf liet hij het gaspedaal omhoog komen – er stonden mensen toe te kijken die met name hun hoofden schudden, omdat het meisje geen geduld had gehad om even te wachten tot het groen was geworden.

Het was inderdaad een belofte die hij ooit had gedaan – zijn geheugen gaf hem het complete verhaal dat hij jaren geleden heel diep had weggestopt, maar dankzij de schok van iets wat een aanrijding had moeten zijn wist Aras het weer. Zijn hand legde hij losjes op de koppeling – begon weer te rijden en liet zich ontspannen meevoeren in het verkeer, zoals altijd.

Hij wist het weer. Het einde was nooit echt een einde, maar het begin van iets nieuws dat zich ergens anders afspeelde, zoals de geheimzinnige vreemdeling niet over de rand van het perron naar een zekere dood was getuimeld – verschillende werkelijkheden kwamen nu samen en Aras leefde dankzij een gelukkig toeval in één van de vele duizenden en misschien miljoenen werelden – geen universum, maar een multiversum, het was het lot van een man als Aras wiens taak het was geworden om uiteenlopende kansen samen te brengen. Het gevolg van een heel oude belofte.

Ergens was er een planeet zoals de aarde waarop het meisje met haar bloedrode fiets wèl snoeihard in botsing was gekomen met de auto die haar hier net had gemist. Miljoenen werelden, miljoenen kansen.

Jaren geleden – toen wilde het nog wel eens gebeuren dat plassen en sloten dichtvroren – strenge winters – anders dan vandaag de dag – na weken van lichte en matige vorst bleef het overdag rond het nulpunt, zoals het zo mooi werd omschreven. Sneeuw was geleidelijk veranderd in regen – een keiharde bevroren ondergrond had gezorgd voor een laag ijs – het was spiegelglad en om op school te kunnen komen had Aras een leraar gevraagd of hij mee mocht rijden. Natuurlijk bleek het een kansloze missie te zijn, want ruim driekwart van alle leerlingen had de school niet eens gehaald – sterker nog – dikwijls slaagden ze er zelfs niet in om het dorp te verlaten waar ze woonden.

Op de terugweg ging het fout en ze hadden bijna de straat bereikt waarin ze beiden woonden – idee was rechts te gaan, door de snelheid en gladde bodem schoot de auto rechtdoor – de leraar dook halverwege de helling zijn auto uit en Aras worstelde met zijn autogordel – daar kwam zijn leven tot stilstand. Letterlijk dus. Hij heeft er later nooit meer over gesproken, omdat hij het hele voorval wilde vergeten.   

Volgende dag had zijn leraar in de krant gestaan – de aanwezigheid van Aras werd verzwegen, alsof hij er nooit bij was geweest. Toch gebeurde er iets vreemds toen de auto omlaag suisde – ondanks het feit dat de docent er allang uit was gesprongen, zat er iemand naast hem en de helling leek geen begin of einde te hebben – in werkelijkheid ging het om een metertje of vijf. “Denk je dat het ijs dik genoeg is voor een auto? In elk geval een minuut of twee, misschien drie, tot je je gordel los hebt weten te krijgen en eruit kunt.”

“Wie ben jij?”, vroeg de zestienjarige Aras. Ver weg in een onvoorstelbare diepte slaagde hij erin de bevroren sloot te ontwaren, het vroor sinds december.

Ik ben de Doodshoofdmagiër.”

“Ga ik nou dood? Breekt de auto door het ijs?”

De provincie werd destijds bedekt door een dikke laag ijs – er waren mensen aan het schaatsen op straat, omdat het mogelijk was. Een fractie van een seconde – langer zou de auto onmogelijk nodig hebben gehad om het ijs te bereiken en tot stilstand te komen, maar Aras dacht dat het een eeuwigheid was geweest. Hij had er niks bij gedacht. Het probleem zat hem in de autogordel. Het was een ander systeem dan in zijn vaders auto. Het rode knopje zat op een totaal andere plek. Jaren later dacht hij aan het voorval en snapte hij dat mensen vaak doen zonder na te denken.

Normaal pakte hij lijn 5 naar huis of de garage, maar dankzij een nieuwe dienstregeling werd hij gedwongen de trein te nemen – het was de reden waarom een dwaze vent hem weg had geprobeerd te duwen, een zogenoemde doodshoofdmagiër – iemand die een dwaze liefde had voor koffie, want het was de koffie geweest waardoor de man Aras op de roltrap weg had willen duwen – het was het begin van alles.

Een kruispunt – een treinstationnetje.

Enkele ogenblikken geleden had hij achter het stuur van zijn auto gezeten – nu was Aras opnieuw onderweg naar de garage om zijn auto te halen – het duurde een paar seconden voordat het besef tot zijn verstand wist door te dringen – in zijn ooghoek zag hij een trotse vader met drie kinderen in een bakfiets.

Daarom bleef Aras stilstaan – hij keek naar het station dat hoog boven de weg uittorende en het was er een drukte van belang – mensen stonden druk te bellen, toch heerste er geen enthousiaste sfeer, hij dacht aan bedroefdheid – alsof er een mens was doodgegaan.

Nee, er was niemand over de rand van het perron gestapt – Aras had zelf gekeken en er was echt niets.

Niemand. Geen idee hoe het kon. Maar het was wèl gebeurd. Soms moest je geen verklaringen zoeken.

Hij besloot de kwestie te laten rusten en zijn auto op te halen, want die stond natuurlijk nog in de garage.

Aras begon de straat over te steken – er lag een prachtig voetpad langs de weg dat hij moest volgen – een secondelang bleef hij wachten op de man die opgewekt een paar kleuters probeerde te interesseren in een kunstwerk – de jongens dachten dat hij de voorlichtingsposter bedoelde die waarschuwde voor alcohol in het verkeer, de vader gaf het toen maar op.

Natuurlijk viel er al urenlang een druilige regen, toen hij het kantoor van de garage binnenstapte begroette de eigenaar hem net zo enthousiast als altijd. “Goeiemiddag, mijnheer Aras. Fijn u weer te zien.”

“Je had gebeld dat de auto klaar was.”

“Ja, ik weet het.”

Aras boog voorover en zocht zijn autosleutel die een opvallende sleutelhanger had – zeer herkenbaar vanwege een metalen Kipling aapje – het lag er niet.

“Is iemand er nog mee bezig?”, voeg Aras.

“Nee, je broer is geweest. Ik had je niet verwacht.”

“Maar ik kom altijd zelf!”

“Vraag maar aan je broer, drink een koffietje met hem – ik blijf er buiten, want ik dacht er goed aan te doen,” zei de garagehouder die zijn armen omhoog stak.

“Wanneer?”

“Drie dagen geleden.”

“Oké, ik ga mijn broer wel bellen. De groeten!”

Met een harde dreun trok hij de deur achter zich dicht en liep weg, al bleef hij op het trottoir weifelend staan. In een van de autoruiten zag hij zijn eigen reflectie terug – het viel erg op dat hij donkere ogen had gekregen – bijna net zo donker als het scherm van zijn telefoon die hij vanochtend had opgeladen. Vreemd.

Net als de auto – daarstraks – drie dagen geleden.

Een oudere man op een elektrische fiets passeerde Aras, terwijl hij naar de bushalte liep – nee, dat zou geen enkel nut hebben, want er reden hier geen bussen meer – er was een efficiëntere dienstregeling ingevoerd – onrendabele lijnen waren opgeheven. Zo meteen zou er ongetwijfeld een auto linksaf slaan en de oudere man met zijn e-bike ging veel te snel.

Het was een donkere Volkswagen en de bestuurder reed niet eens zo hard – dat viel best mee – maar de oudere fietser schrok enorm, hij viel op het asfalt – de bestuurder van de auto slaagde er niet in om op tijd te stoppen en overreed de man wiens stem door merg en been ging – nee, ‘zou moeten gaan’ – Aras voelde er niets bij – anders dan normaal – het deed hem niks.

Het besef vormde zich in zijn hoofd dat hij het ijs zojuist voor de eerste keer flinterdun had gemaakt. Hij hoorde geen man in doodsnood, maar krakend ijs.

Was het dan echt zo gemakkelijk?

Aras keek onrustig zoekend om zich heen, alsof iedereen hem als een dader zou herkennen. Maar hoe zou dat in vredesnaam mogelijk zijn? Het was volkomen onzin – dus Aras wandelde onverstoorbaar verder – negeerde de bestuurder en onbeweeglijke fietser volkomen – Aras had zijn werk gedaan.

Tegelijkertijd leken ze hem niet eens waar te nemen.

Omdat zijn brein geen andere oplossing wist te bedenken, keerde hij terug naar het station – nog eenmaal wierp Aras een blik over zijn schouder en zag de bestuurder een telefoongesprek voeren – zelfs de woorden kon hij ondanks de afstand goed verstaan.

Hij legde zijn hand op de leuning, klom moeizaam naar boven en bedacht wel zin te hebben in een goeie kop koffie, zoals zijn moeder vroeger altijd zette. Op het perron keek hij om zich heen – telde slechts een handjevol passagiers die de regen hadden getrotseerd. Het oogde netjes en kalm, want er was nooit iemand voorover getuimeld, vermorzeld door een trein.

Het duurde bijna zeven minuten voordat er een trein stopte – Aras wilde naar het centraal station, want daar hadden ze prima koffie – eten trouwens ook – hij had op de eerste plaats zin in een stevige bak koffie.

Een vrouw wilde eerder instappen dan hij – raakte zijn schouder, maar er gebeurde verder niet zo veel.

Misschien dacht hij dat hun schouders tegen elkaar botsten – het probleem was dat hij er niks van voelde.

Op het centraal station stapte hij uit – net als alle andere passagiers – hij zocht naar een roltrap en herinnerde zich opnieuw dat hij zin had in koffie.

Geen eten of zo. Koffie. Naar huis wilde hij evenmin.

Hij stapte op de roltrap en herinnerde zich zijn thuis.

Voetstappen in het trappenhuis – Bulgaarse stemmen van de benedenburen – het was allemaal krakend ijs, zoals de stem van een jonge student – geen woorden, maar krakend ijs dat minimaal 20 centimeter dik had moeten zijn in plaats van het flinterdunne vliesje dat er destijds lag – het was veel te weinig voor een auto.

Behoedzaam lichtte hij enkele minuten later de deksel van zijn beker op – het was een overheerlijke geur, zodat hij even mocht vergeten dat hij was gestorven.


De mensendief

In de zomermaanden ben ik vaak en langdurig op straat te zien. Winter heeft alles behalve mijn voorkeur, want het is er koud en nat, mensen dragen dikke isolerende kleding – sjaals en handschoenen. Toch zijn er gisteren incidenten voorgevallen waardoor je me komende weken niet op straat zult zien – ja, ik ben dol op de drukte – mensen die in winkels en cafés samendrommen – terrasjes stromen vol – mannen en vrouwen drinken koffie, thee, mineraalwater, bier en wijn, maar ik ben nog altijd geschokt – mijn belevenissen hebben een gewone man van me gemaakt. Ik was het vergeten. Ik was echt vergeten dat het zo ging. Het was alweer zo lang geleden. De mensen die ik dood heb zien neervallen. Het was een vreselijke ervaring. De kranten hebben er niet eens over geschreven. Heel vreemd. Ik dacht rechercheurs aan de deur te krijgen, omdat ze me wilden spreken. Het was bizar. Afgelopen nacht heb ik niet eens geslapen – ik dacht dat ze me zouden komen halen.

Ik moet het complete verhaal vertellen, dus vanaf het begin. Zoals gebruikelijk loop ik op de zaken vooruit. Eerste mooie dag van het jaar. Dat was gisteren. Media geven er tegenwoordig prachtige namen aan. Ik keek naar de buitenthermometer. Het was twintig graden. Warm genoeg om de jas thuis te laten. Ik voelde me zo goed dat mijn wandelstok ongebruikt in de hoek bleef staan. Nu denk je misschien dat ik een heel oude man ben, maar dat is niet zo. Het valt allemaal best mee. Ik begaf me voor het eerst in maanden op de galerij van mijn flat. Normaal gesproken laat ik de boodschappen thuis bezorgen. Ik ben dol op internet. Wat een prachtige uitvinding is dat toch! Een mens hoeft niet eens zijn appartement te verlaten. Het is alleen jammer dat die jongens binnenkomen, spullen neerzetten en meteen weer moeten gaan.

Ik droeg een hoed als bescherming tegen de zon. Mijn appartement bevindt zich op de derde verdieping. Er is een lift, anders zou ik het niet eens hebben gekocht. Geen denken aan! Ik heb heel even gewacht tot de liftdeuren opengingen – er waren meisjes van een jaar of vijftien die niet durfden te giechelen en toch maar liever de trap gebruikten. Het duurde een halve minuut voordat de lift op mijn verdieping stopte – ik hoorde een zucht die me aan een stervend mens deed denken – deuren gingen open. Ik was de enige. Mijn vinger drukte het knopje ‘0’ in.

Niet veel later begaf ik me in de volle zon – ik voelde de weldadige warmte van het vroege voorjaar. Een brede straat – er waren auto’s geparkeerd, maar tegenwoordig mag je het eerder vreemd vinden als er teveel parkeerplaatsen ongebruikt blijven. Ik wilde richting centrum, omdat daar de meeste mensen zijn. Aan het einde van de straat ligt het station – treinen passeren er de hele dag – geel-blauwe vlekken die binnenkomen en snel vertrekken. Ik liep op het trottoir en zag een stelletje in mijn richting komen. Jongen en meisje. Ze waren rond de twintig, studenten nog maar, mijn favoriete mensen, want die zijn barstensvol energie.

“Pardon jongelui,” zei ik en de jongen deed zijn best om dapper te blijven, terwijl zijn meisje een stapje achterbleef. “Het centrum is toch dáárheen?”

Jongen wees naar de passerelle – roltrap. “Ja, mijnheer – omhoog – en andere kant weer omlaag – dan bent u er eigenlijk al.” Tegenwoordig zijn de jonge mensen weer beleefd, anders dan vroeger. Ik stak mijn hand uit om hem te bedanken en hij aarzelde eerst even, maar accepteerde toch. Sinds wanneer ga je dood aan een handdruk?

“Dank je wel – ik hoop dat jullie tweeën veel kinderen op de wereld zullen zetten,” zei ik, “het zullen mooie kinderen zijn – dat weet ik zeker.”

Ze waagden het niet te gniffelen en ik liep verder. Ik voelde de warmte van zijn handdruk – een broeierige hitte die ik een tijd geleden voor het laatst had gevoeld. Ik was al bijna twintig meter verder gelopen, toen ik het meisje hoorde gillen. Ondanks mijn eerste aandrang, dus om te blijven staan en te kijken, ben ik toch doorgelopen. Ze bleef gillen. Eerlijk gezegd dacht ik dat mijn hoed me zou verraden. Man met hoed. Zoveel mannen zijn er nooit die een hoed dragen. Ik moest mijn uiterste best doen om een grijnslach te onderdrukken. Zo begint het altijd. In het begin ben ik meedogenloos. Iedere kans grijp ik aan. Ze gaan er allemaal voor – iedere jongen en elk meisje. Zo beleefd, zo voorkomend.

Roltrap bracht me naar boven. Ik ben dol op roltrappen – ze zijn erg comfortabel. Eenmaal boven voelde ik een vulkaan van menselijke energie. Er stond een jongen die gitaar speelde – hij was niet eens zo heel erg goed – in feite vond ik hem zelfs erg slecht. Ik bleef een tijdje staan en keek naar zijn verrichtingen – de sukkel dacht dat ik hem stond te bewonderen. Tussen mijn vingers knisperde een briefje van 50 euro. Als je dat lang genoeg volhoudt, denkt hij vanzelf dat ik hem dat ook echt wil geven. Hij zong en speelde een oude blues klassieker – ja, ik kende het nummer heel goed. In mijn herinnering klonk het toch anders – veel beter – meer gevoel. Muzikant stopte met spelen. Gitaar zakte omlaag en raakte achter zijn rug, een beetje zoals Johnny Cash. “Vond u het erg goed, mijnheer?” Er lag een zeker afgrijzen in zijn ogen. Hij vond me een afstotelijk wezen – dat was duidelijk te zien, maar hij wilde het briefje van 50 euro dat ik vasthield.

Ik stak mijn hand naar hem uit en wachtte tot hij zich gedwongen voelde het gebaar te belonen. Het zit in het gedrag van de menselijke soort. Zo zijn jullie gewoon.

“Zelden zo’n uitvoering gehoord,” zei ik, “voortreffelijk.” Ik voelde zijn levensenergie vonken in mijn hand en arm – zijn ogen draaiden weg – ik zag nog slechts zijn oogwit en hij begon te wankelen op zijn benen. Ik stopte het bankbiljet weg en liep verder. Het was een mooie dag. Lekker warm. Ik bekeek mijn reflectie in een winkelruit – of probeerde dat te doen, maar ontwaarde een geest – iets dat daar op leek tenminste. Er bestaan geen geesten. De muzikant graaide ondertussen naar zijn gitaar die op de vlucht leek te zijn. Ik keek over mijn schouder, tikte mijn hoed omhoog en grijnsde tevreden, omdat het wederom gelukt was.

Er klonk een doffe klap – een brekend instrument, hetgeen natuurlijk heel jammer was, maar aan de muzikant ging helemaal niets verloren. Een knoeier. Gillende mensen, vooral vrouwen. Tientallen meters verderop betrad ik de roltrap die me naar het plein zou brengen, een heel mooie plek. Ik passeerde een verkoper van Straatnieuws en overwoog een exemplaar van zijn krantje te nemen, zocht zelfs euromuntjes in mijn broekzak, maar vond hem er toch veel te oud en verlept uitzien – een smal perkamentachtig gezicht, doffe zwarte ogen – totaal geen levensenergie, alsof de man nog slechts enkele weken te leven had. Ik rook de bedorven lucht die hij uitademde – mensen wurmden zich achter me langs, maar ze waagden het niet hun handen op mijn rug te leggen. Verkoper van Straatnieuws keek me aan alsof hij me daadwerkelijk herkende. Ik heb geen vrienden en je komt me maar één keer in je leven tegen. Ik dacht aan een opmerking, zoals: ‘Je hebt niet lang meer.’ Mijn rechterhand ging omhoog, ik schoof mijn hoed voorover, zodat de schaduw over mijn ogen zou vallen, maar de verkoper dacht dat ik hem iets aan wilde doen. Hij deinsde terug – zijn hoofd draaide weg – en ik vreesde een benepen schreeuw om hulp te zullen horen, maar het bleef stil – voor zover je van stilte kunt spreken op een druk stationsplein.

Ik hervatte de wandeling die ik was begonnen. Zon verwarmde de kille botten in mijn lijf. Bij mensen zie je een duidelijke schaduw die over het trottoir meebeweegt, maar ik heb er nooit een gehad. Ik hoop altijd dat ze dat niet zien en gelukkig letten mensen doorgaans heel slecht op. Er volgde een gedeelte van bijna honderd meter waarbij ik in de volle zon liep – daarna werd het simpeler. Negentiende-eeuwse herenhuizen wierpen een schaduw over het trottoir. Ik ben geen man die een zonneallergie heeft, maar ik hou evenmin van het felle licht. Daarom draag ik altijd een hoed als de zon schijnt. Bij de brug stond alweer een straatmuzikant – een zigeuner die accordeon speelde – hij speelde een vrolijke melodie, maar leek te bevriezen, zodra hij mij in het oog kreeg. Hij brak het liedje af dat afkomstig was uit de moderne cultuur en begon ineens enkele maten Mozart te spelen. De ‘Requiem’ van Mozart. Ik stak de rivier over en bevond me tussen tientallen mensen die genoten van een vrije dag – het mooie weer – een heerlijke zon die scheen.

Wederom begaf ik me in de schaduw van een fijn modern gebouw waarbij de architect zelfs aan een galerij heeft gedacht. Het was een straat die herinnerde aan de vissers van weleer. Aan het eind stond een jonge man, rond de twintig jaar, die blaakte van het zelfvertrouwen en een allemachtig harde stem had. Hij sprak over Jezus, de zoon van een god, alsof hij hoogstpersoonlijk bij hem op school had gezeten. “Jezus vergeeft al uw zonden!”, riep hij. Mensen passeerden hem en staarden koppig recht vooruit, alsof hij er niet was. Ik zag de prediker staan en hoorde duidelijk zijn woorden. Opnieuw zijn bekende mantra: “Jezus vergeeft al uw zonden!” Ik bleef stilstaan en hij wilde dezelfde woorden nog eens uitspreken. Ik stak mijn hand uit – en dat is een verschrikkelijk koude hand – hij aarzelde heel even. Een oprechte gelovige die aarzelde – jazeker. “Hoe weet jij nou dat hij daartoe bereid is?”, vroeg ik.

“Ik weet het zeker,” zei hij en zijn stem klonk hees.

Ik was benieuwd of hij me de hand zou durven te schudden. De zigeuner zou het nooit hebben gedaan, nee, absoluut niet. De prediker wel, want er stonden inmiddels talloze mensen te kijken. Zou het geloof overwinnen? De warmte en kracht van zijn prille leven belandde in mijn hand en arm. Zijn ogen draaiden omhoog – ik zag alleen nog het oogwit – zijn spieren verstijfden – schuim borrelde uit zijn mond en ik moest mijn hand bijna loswringen. Ik deed een stap achteruit. Ik hoefde hem niet te troosten, want Jezus zou hem immers redden. Hij hoefde geen angst te hebben.

Ik nam mijn hoed af – mensen dachten dat ik dit uit eerbied deed, maar de warmte werd me even teveel – transpiratievocht droop langs mijn gezicht. Er had erg veel energie in de jonge man gezeten. Mensen filmden wat er gebeurde – ze hielden allemaal hun mobieltjes gespannen voor zich. Ik werd ook gefilmd. Voor het eerst voelde ik een angst die ik ook weer wist te verdringen. De doodstrijd van de jongeman duurde langer dan ik had gedacht. Toeschouwers vergaten mijn aanwezigheid, dus ik haastte me de zijstraat in – ik ging naar de Vismarkt, al heb je daarmee slechts de halve naam.

In de winkelruiten zag ik mijn gestalte en voor het eerst herkende ik een gewoon mens. Ik zou zelfs plaats kunnen nemen op een terrasje en een koud drankje bestellen. Drie levens in amper een half uur. Voorlopig had ik er voldoende genomen. Gulzig ben ik nooit geweest. Ik weet wanneer ik er genoeg heb gehad. Teveel levens maken me menselijk en dat probeer ik te voorkomen. Aan het einde van de straat – alweer een kruising – ja, de oude stad is er vol van – voelde ik ineens een zachte hand op mijn schouder. Ik bleef staan en het was mijn menselijke geschokte zelf die omkeek – ik stond oog in oog met een jonge vrouw. Lichtblond haar dat ze in een staartje droeg – ze had het geverfd, want de wenkbrauwen waren donker.

De vierde kun je beter niet nemen – het is me eerder gebeurd, lang geleden en gisteren gebeurde het opnieuw. “Die jongen valt zomaar dood neer en u gaat er vandoor?” Ze sprak de woorden in één langgerekte verbazing uit, alsof ze nooit eerder zoiets brutaals had waargenomen.

“Het spijt me,” zei ik – mijn hand stak bijna automatisch recht vooruit alsof ik mijn excuses wilde aanbieden, omdat ik zoiets ongerijmds had gedaan. Ik vervloekte mezelf direct al, omdat ik goed wist wat de gevolgen zouden zijn.

Haar arm ging omhoog en haar vingers raakten de mijne aan – ik voelde haar energie in mijn lichaam terechtkomen – alle kracht die een jonge vrouw nodig zou hebben om kinderen te baren. Ik wist wat er zou gebeuren en het gebeurde ook. Haar spieren verkrampten – ogen draaiden weg, zoals de anderen ook was overkomen. Er stonden mensen te kijken, maar ze hadden niet alles gezien. Terrasgasten dronken bier en wijn – ze hadden geen idee. Vrouw zakte door haar benen – handen raakten de kasseien alsof ze zich wilde tegenhouden. Ik keek om me heen en begon weg te lopen. Het ging me niet aan.

Ik liep in een steegje tussen twee statige huizen. Een overheerlijke, koele schaduw viel over me heen. Achter me schreeuwden en gilden mensen die natuurlijk niets snapten van wat er was gebeurd. Mijn hoed rustte onopvallend tegen mijn dijbeen, zodat ik minder herkenbaar zou zijn. Opnieuw bereikte ik een kruispunt en ik besloot links te gaan, omdat ik het spoor van lijken wilde vermijden. Ja, de vierde gebeurde gewoon en ik wist heel goed wat er gebeurde, als ik een vierde zou nemen. Auto’s reden voorbij, net als fietsers, ik was een heel gewone wandelaar onderweg naar huis. Ik zette de hoed terug op mijn hoofd. Een onopvallende man. Ik was een mens geworden. De vierde had me menselijk gemaakt – ik voelde het leven van een gewoon mens en ik haat het om zo menselijk te zijn. Vorige keer heb ik dagenlang op politie zitten te wachten – wist zeker dat ze me zouden komen halen. Net als nu, net als vandaag. Sirenes klonken in de oude stad. Ze hadden vier ambulances nodig – nee, acht, twee ambulances voor elke hartstilstand die werd gemeld bij 112. Terwijl ik terug naar huis liep, dacht ik aan de families die zouden horen dat hun geliefden waren gestorven. Zo plotseling gestorven, terwijl ze een man spraken die een hoed droeg, maar er uitzag als de dood zelf.

Ik heb drie levens nodig om te blijven bestaan – een vierde maakt me menselijker dan ik wil zijn, maar het effect duurt slechts enkele dagen. Het gezicht van de vierde – de jonge vrouw – brandt op mijn netvlies – ik zag de ontzetting in haar ogen, want ze wist dat haar leven zou eindigen. Haar verloren leven zit nu in me – het duurt een dag of drie, misschien vier en dan is het gelukkig verdwenen – ja, ik ga door een storm van menselijke emoties voordat ik weer mezelf ben. Drie, of misschien vier dagen. Mogelijk draag ik de volgende keer wel een pet – of ga ik ’s nachts en blootshoofds – maar één ding kan ik je beloven – je zult weten dat ik het ben, als we elkaar de hand schuddende duivel die ik altijd al ben geweest.

 


Blauw

Dit verhaal heb ik in november en december 2016 geschreven. Nadat ik een artikel had gelezen over de mogelijkheden van genetische modificatie. Nu heb ik het nog maar eens uit mijn archief opgehaald.

Om drie minuten over half acht belde Casper aan.

Ik lag te slapen en dacht eerst dat het een vergissing was, draaide me om, maar er werd opnieuw gebeld – twee korte, driftige geluiden. Ik stond op, trok een broek aan en deed open.

Casper oogde erg rustig, net als altijd – ik moest mijn best doen om niet, zoals altijd, te staren naar zijn azuurblauwe haren – zijn rechteroog was geel, het linker groen, zoals altijd dacht ik dat ik het verkeerd zag. Misschien droeg hij kleurlenzen. “Ik heb uw hulp nodig, mijnheer. Mijn vader ligt op bed en hij reageert niet. Hij wil niet wakker worden.” Casper had een prettige stem die me aan een nieuwslezer deed denken. Zijn arm ging traag omhoog en hij veegde zijn haren achter zijn oren. “Nou, laten we dan maar eens zien wat er aan de hand is, jongen, “ zei ik, “ik trek een shirt aan en pak mijn telefoon. Ogenblikje.”

“Ja – ja.”

Het appartement van Casper en zijn vader bood een eenvoudige aanblik. Ik was er nooit eerder binnen geweest – hij kende me, omdat we elkaar wel eens tegenkwamen in de lift. Een jonge kerel van achttien of negentien jaar – ongetwijfeld studeerde hij aan een universiteit, maar ik had geen idee waar precies. Sinds twee jaar liet hij zijn hoofdhaar groeien. Ik kende hem als een jochie met kortgeschoren haar – sinds zijn eindexamenjaar liet hij zijn haren groeien en hij bleek blauw haar te hebben – zijn haar was altijd azuurblauw en ik zocht regelmatig naar uitgroei van bruine of blonde haren. Hij verborg zijn ogen meestal achter een bril die licht getinte glazen had, zodat zijn eigen irissen niet zo opvielen.

Ze woonden er al net zo lang als ik. Een oudere vader en zijn zoon. Ik zag nooit familie of vrienden binnengaan. Er kwam gewoon niemand.

Muren en plafond waren krijtwit geschilderd – er hingen een paar schilderijtjes, geen foto’s – aan de kapstok hing voor elke bewoner van het huis een jas die paste bij het jaargetijde – het was herfst. Casper wees de slaapkamer van zijn vader – ik rekende op het ergste, want een man die weigerde wakker te worden kan een overleden man zijn – doodgegaan in zijn slaap. Ik bleef op de drempel staan.

De buurman lag onder zijn dekbed – hij oogde keurig verzorgd, alsof hij zich net had geschoren – onderkaak hing slap omlaag, de ogen waren gesloten. Ik liep verder en voelde zijn huid – die was erg koud. Er kon geen twijfel over bestaan. Deze man was dood – een uur, misschien twee uur al, misschien zelfs langer. Ik ben geen deskundige.

“Je vader is dood,” zei ik. “Hij zal nooit meer wakker worden.” Heel even betwijfelde ik of mijn boodschap wel doorkwam, maar hij knikt heel traag, dus hij had me begrepen. Ik tikte de cijfers van het alarmnummer en maakte verbinding. Binnen vijf seconden kreeg ik een dame aan de telefoon. In korte bewoordingen legde ik uit wat er aan de hand was. Buurjongen – een vader die niet wakker werd.

“Mevrouw – ik heb genoeg dode mensen gezien om te weten dat deze man – sorry, jongen – is overleden,” zei ik. Een reanimatie zou weinig uitmaken. De vader van Casper was beslist dood.

“Ze sturen een ambulance,” zei ik.

“Vertel eens. Heb je afgelopen nacht misschien een vreemd geluid gehoord waarvan je dacht dat het niets voorstelde?” Ik achtte de kans vrijwel nihil, maar wilde het toch proberen.

“Nee.”

“Heb je familie die je kunt bellen?”

“Ook niet.”

“Alleen je vader.”

“Ja.”

“En hoe zit het met je moeder?”, vroeg ik.

“Die heb ik nooit gekend.”

“O, ja, da’s erg vervelend.”

Zijn blauwe haren hingen langs zijn gezicht en verborgen zijn vreemde ogen – geel en groen, alsof God ineens over een geweldig gevoel voor humor bleek te beschikken – een geel en groen oog, maar ook blauwe haren. Hij droeg een bleek shirt dat half open hing, zodat zijn borsthaar zichtbaar werd. Ook blauw. Huid was erg bleek, bijna grauw, een vreemde mengeling van blauw en grijs. Alsof zijn bloed ook een afwijkende kleur moest hebben.

“Mijnheer – u staart,” zei hij.

“Sorry.”

“Ik werd vroeger op school ‘Alf’ genoemd.”

“Zoals de alien uit die Amerikaanse serie.”

“Ja.”

“Moet erg lastig zijn geweest.”

“Daarom had ik altijd stekels. Ik laat mijn haar nu gewoon groeien, al een jaartje of twee. Het is hip. Ik hoef niets meer uit te leggen. Niemand begint er over. Nou ja, bijna niemand.”

Het was geen goed gespreksonderwerp. Ik had moeten vragen wat zijn vader voor hem heeft betekend – hoe belangrijk de man in zijn leven is geweest, maar dat wist ik allemaal al. Er was niemand anders. Geen familie. Hij stond er alleen voor. “En je weet niet hoe het is ontstaan?”

“Nee.”

Ik probeerde me te bedwingen en geen nieuwe vragen te stellen, of een kruisverhoor te beginnen, zoals ik wel eens wil doen – bij een boeiende persoonlijkheid – Casper, hij leek me het gevolg van een uit de hand gelopen experiment – genetische modificatie waarbij je de haarkleur kunt beïnvloeden en zelfs de kleur van de ogen. Afgelopen twee jaar schreven de kranten er veelvuldig over. Ouders die een kind konden samenstellen, zoals je de accessoires van een auto bij elkaar zocht. Ik had spotprenten gezien – ouders die ruzieden, omdat een albino toch niet helemaal in het gezin bleek te passen.

“Hoe oud ben je?”

“Twintig – sinds een week.”

“Meerderjarig – dus als je hulp nodig hebt,” zei ik. Mijn horloge vertelde me dat we al bijna vijf minuten stonden te wachten. Ik hoorde geen sirenes. Nog niet. “Van de gemeente krijg je het niet.”

“Ik hoef geen hulp van de gemeente.”

“En anders weet je me wel te vinden.”

“Ja.”

Hij veegde zijn haren achter zijn oren en keek naar het lichaam dat keurig onder het dekbed lag. Ik volgde zijn kijkrichting en dacht aan een geënsceneerd tableau – alsof de man daar neergelegd was door de jongen – de overleden vader lag er wel heel erg keurig bij – het was me direct opgevallen dat zijn kin er glad geschoren uitzag. Waarom zou de jongen zoiets doen? Een dood in scene zetten? Ik probeerde het idee uit mijn hoofd te zetten – er waren geen aanwijzingen voor. De jongen had afgelopen nacht niets vreemds gehoord, net als ik trouwens. Mocht er iets raars zijn gebeurd, dan zou een lijkschouwing dit kunnen aantonen. Als het al tot een sectie zou komen. Waarom ook? Waarom zou de jongen met blauw haar zijn eigen vader vermoorden? De enige persoon die hij familie mag noemen. We zeiden langere tijd niets tegen elkaar – wachtten op een sirene die moest klinken.

Er klonk inderdaad een sirene – heel dichtbij – alsof de chauffeur het kruispunt passeerde en misschien was dit inderdaad het geval. Daarna volgde een stilte die bijna een minuut duurde – bel van de intercom ging. Casper liep naar het videoscherm alsof het hem allemaal weinig interesseerde. Ik kreeg niet echt een goed beeld van hem. Hij oogde erg kalm – zeer beheerst. “Ja,” zei hij, “het is de zesde verdieping – ik zal naar de lift lopen en u opwachten.” Mogelijk had hij erg veel verdriet om het overlijden van zijn vader, maar hij liet er niets van zien.

“Nee,” zei ik, “je kunt beter bij je vader blijven. Ik ga wel naar de lift. Dat kan ik beter doen.”

“Goed,” zei Casper die me aankeek alsof de opdracht maar half tot hem door wilde dringen.

Ik verliet het appartement en liep naar de lift – deuren gingen al open – ambulancebroeders kwamen naar buiten en ik wees de richting – daarheen dus, eerste deur links.

“Is er familie bij?”, vroeg een ambulancebroeder.

“Een jongen – de zoon van de overledene – maar hij is volkomen rustig – er is geen paniek – totaal niet.”

Liftdeuren waren alweer dicht gegaan. Ambulancebroeders gingen het huis binnen, ik volgde hen op een afstandje. Feitelijk wilde ik mijn aanwezigheid niet langer opdringen. Toch betrad ik het huis en trof Casper wederom in de deuropening van zijn vaders slaapkamer, alsof hij niet verder durfde te gaan. Ik vroeg me af of de kamer van zijn vader verboden gebied is geweest. Het dekbed was omgeslagen – ik zag een man die een pyjama droeg. Tot dusverre zou ik geen argwaan hebben kunnen koesteren. Er lag een man dood op bed en hij was in zijn slaap gestorven. Ik stond naast Casper toe te kijken, terwijl een ambulancebroeder de rechteronderarm half draaide – ik had eerlijk gezegd niet naar een bloedvlek gezocht, maar die was er wel. Net als een kleine, gerafelde wond, maar er was vrijwel geen bloed te zien – . “Ik ga wel bellen – politie moet erbij komen,” zei een ambulancebroeder, man met een beginnend baardje. Het duurde enkele ogenblikken voordat de werkelijkheid keihard bij me binnen wilde komen. De vader van Casper was niet gewoon in zijn slaap overleden – er moest sprake zijn van een moord.

Ik keek opzij en zocht Casper, maar die was verdwenen – hij was weggelopen.

“Casper!”, riep ik – het kostte me slechts enkele stappen om het appartement te verlaten, zodat ik Casper de lift binnen zag gaan – de deuren sloten al.

Hij draaide zijn hoofd om – ik zag zijn ogen – de gezichtsuitdrukking en ik wist nu dat hij eindelijk begreep wat er was gebeurd. Zijn vader was vermoord en de jongen was zelf de dader…

De volgende dag ben ik naar het politiebureau gegaan om een verklaring af te leggen – die ken je – daar heb ik over geschreven. Onderweg naar huis bleef ik denken aan de dode man op het bed en zijn zoon die authentiek blauw haar leek te hebben, maar ook een groen en een geel oog. Een opmerkelijke speling van het lot. Casper had tevens een erg bleke huidskleur, grauw zelfs, een kleur die er bijzonder ongezond uitzag, alsof hij ziek was. Ik checkte mijn telefoon en las een bericht over de vermiste jongen – er stond niet geschreven dat hij een moordenaar was – nee, de politie beschreef hem als een belangrijke getuige die kon verklaren wat er was gebeurd. Natuurlijk was het onderzoek in volle gang – de rechercheurs gaven geen antwoord op mijn vragen – ze wisten het ook niet, maar mijn geheugen herhaalde continu hetzelfde detail – een kleine, gerafelde wond op de rechter onderarm.

Ik had mijn werkgever laten weten enkele dagen vrij te willen nemen vanwege de gebeurtenissen afgelopen nacht – een dode buurman, zijn zoon die ervandoor is gegaan, maar geen woord over het vreemde uiterlijk van Casper. Ik stuurde mijn auto rustig door het verkeer, maakte geen haast, ik had alle tijd van de wereld, hoefde nergens heen. Soms dacht ik Casper te zien lopen. Een opvallende verschijning met azuurblauwe haren, maar een meisje draaide zich lachend om – plusminus twintig jaar – ze droeg een bril met hoornen montuur – had bruine wenkbrauwen, terwijl die van Casper eveneens blauw waren geweest. Zelfs het borsthaar van Casper bleek azuurblauw te zijn. Ik weigerde de jongen een freak te noemen, want zulke opmerkingen hoorde hij zijn hele leven al – hij moest het vaak genoeg hebben gehoord – werd langdurig gepest – hij werd op school Alf genoemd – wat ‘Alien Life Form’ betekende – A.L.F., dus Alf.

O ja, mocht Casper opnieuw voor mijn deur verschijnen, dan moest ik de politie bellen. Ik had geknikt met mijn hoofd, het verzoek was duidelijk genoeg en bovendien volstrekt redelijk. Mijn auto parkeerde ik aan het eind van de straat. Ik woon net buiten het centrum. Er ligt een tramhalte dichtbij, dus een hoop mensen willen graag in mijn straat parkeren, mensen die er niet wonen, maar graag geld besparen op parkeerkosten. Ik speelde met mijn sleutels, maakte de deur open die toegang bood tot de algemene ruimte – ik checkte de brievenbus en er lag alleen een foldertje van een politieke partij dat er niet zou mogen liggen, want ik heb een sticker op de klep met het verzoek zulke troep niet in de bus te gooien. Ik gooide het in een vuilnisbak en liep verder. Die dag nam ik de trap, niet de lift, zoals ik vaker doe, omdat ik graag fit wil blijven. Mijn appartement bevindt zich op de tweede verdieping. Het was vrij donker in de gang – lampen verspreidden een zacht licht – het was er stil, alleen mijn schoenen tikten op de tegels. Ik bereikte mijn voordeur en stak de sleutel in het slot, maar aarzelde ook – de deur die toegang bood tot het appartement van mijn dode buurman was verzegeld. Ik keek naar links en herkende het silhouet van de jongeman die er gisterochtend vandoor was gegaan. Hij wist zich goed te verbergen in de schaduw, want die voordeur bevond zich in een nis. Ik zou hem normaal niet eens hebben opgemerkt. Een andere bewoner zou de jongen domweg voorbij zijn gelopen. Ik hoorde zijn ademhaling – als een zucht, volgens mij wilde hij dat ik hem zou horen.

Ik duwde mijn voordeur open. “De politie zoekt je.”

“Weet ik,” zei hij. Zijn haren oogden minder blauw dan gisterochtend en misschien zag ik het verkeerd. Begrijp me alsjeblieft goed. Hij had nog altijd blauwe haren, maar donkerder, bijna zwart, maar ze waren beslist blauw. Zijn hoofd draaide een beetje weg, zodat een schaduw hem deels aan het zicht onttrok. Hij bewoog enkele centimeters naar rechts – voor hem links – en ik meende heel even dat hij onzichtbaar werd, maar hij stond er gewoon – ik zag hem alleen minder goed. Zo donker was het niet eens. Het was vroeg in de middag. Buiten was het zwaar bewolkt en de weerberichten spraken over langdurige regenval. Ik dacht dat ik het verkeerd zag. Het lag aan mij. Ik had slecht geslapen, lette niet goed op – zag wel vaker vlekken en flitsen. Volgens mijn huisarts kwam het door de leeftijd – gevolg van een klimmende leeftijd – het werd erger. Dit was net zoiets. Een jongen die scheen te verdwijnen in een schaduw. Een illusie.

Ik wilde vragen wat hij had gedaan, maar bedwong mezelf. “Wat is er gebeurd?”

Casper bleef zich verbergen in de schaduw en gedurende een heel kort ogenblik leek het alsof hij op raadselachtige wijze was verdwijnen – of er misschien nooit was geweest. Alles gebeurde in mijn hoofd – het was niet echt. “Hij is doodgegaan.”

“Je beledigt mijn intelligentie, jongen, mensen gaan niet zomaar dood – daar is allemachtig veel ellende voor nodig. Bovendien heb ik een vreemde wond gezien. De politie hoopt dat jij kan zeggen hoe die is ontstaan.” Ik koos mijn woorden heel voorzichtig, sprak niet al te luid en hoopte vooral dat er geen buren naar buiten zouden komen die zich met ons gesprek zouden bemoeien. Casper zou direct verdwijnen. Hij was veel jonger en fitter dan ik. Casper verliet de veilige schaduw waarin hij zich tot nu toe verborgen hield. Ik had het goed gezien. Zijn haren hadden een donkerblauwe kleur gekregen – zijn ogen waren donker geworden, normaal – huidskleur was iets minder grauw – ja, hij zag er bijna normaal uit.

“Wat is er gebeurd?”, vroeg ik. Voor de tweede keer in ongeveer een minuut stelde ik die vraag, maar nu om een compleet andere reden. Hij toonde zich voor het eerst – liet zich zien – Casper droeg andere kleren, gekocht of mogelijk gestolen – geen idee. Hij droeg een donker kostuum, wit overhemd en zwarte schoenen. Casper zag er goed verzorgd uit, niet eens als een gewone jongen. Hij oogde als een kerel.

“Ik ben bang, mijnheer,” zei hij en Casper liet de jongen zien die hij in werkelijkheid was.

“Kom je binnen?”, vroeg ik.

Casper keek eerst links en rechts, alsof hij een drukke straat wilde oversteken. We waren met zijn tweeën. Er was niemand anders in de gang.

“Gaat u de politie bellen?”

“Ik zou dat wel moeten doen.”

Hij liep onder een lamp door – zijn gestalte werd voor het eerst goed zichtbaar. Voetstappen echoden door de gang. “U bent nieuwsgierig, wil graag weten hoe het zit – wie ik ben en waar ik vandaan kom, ook al heb ik al verteld dat ik niet weet waarom ik er zo uitzie.”

“Toch moet je iets geleerd hebben de afgelopen dag.”

“O – ja, ik heb zelfs heel veel geleerd,”

Hij betrad mijn appartement, een lange smalle gang, maar het was er donker – ik had geen licht aan – deuren waren allemaal gesloten en ik zag Casper domweg in het niets verdwijnen – of nee – de duisternis leek hem in te sluiten als een perfect zittende mantel. Ik verbeeldde me niets. Het gebeurde echt en hij wist het verdomd goed. Vroeger moest hij leuke spelletjes hebben gespeeld met zijn vader, de oude man die gisterochtend – .

Ik legde mijn vingers op een lichtknopje – spaarlamp ging aan en hij kwam heel langzaam tevoorschijn. De mantel, die hij hem zo goed scheen te passen, brokkelde af en verdween, als sneeuw voor de zon. Hij stond voor me – draaide zich om en keek me aan. “Ja, ik weet wat u denkt. Wat is dit voor een schepsel dat er zo menselijk uitziet, maar het niet is! Heb ik gelijk of niet?” Hij begon te lachen – hij had mooie, regelmatige witte tanden – een goed verzorgd gebit.

“Je zegt het goed,” zei ik.

De deur gleed langzaam in het slot – woonkamerdeur ging open – Casper ging verder en ik volgde hem, terwijl zijn gestalte in een regelmatige tred naar de bank bewoog – hij nam plaats en keek om zich heen – zijn ogen blonken onderzoekend, terwijl hij bekeek hoe mijn woonkamer eruit zag. Geen moderne meubels, alles is al en dagje ouder. Ik ben geen man die daar veel geld aan uit geeft. Een partner heb ik niet. Wel heb ik een grote verzameling stripboeken. Casper toonde een opgewekte grijns – de boekenkast bedekte een volle muur – vijftien meter vol strips en romans, maar ook enkele elpees. “Mooi zeg!”, zei hij en ik dacht dat hij op zou staan, omdat hij mijn verzameling van dichtbij wilde bekijken.

Ik vroeg me af of het een goed idee was geweest om de jongen binnen te halen. Zijn gedrag viel onmogelijk te voorspellen. Ik wist niet eens wat hij precies was. Een jongeman wiens gestalte verdween in een schaduw, terwijl hij wel degelijk aanwezig was – onzichtbaarheid stond immers niet gelijk aan niet-zijn – hij was er wel, maar ik zag hem niet. Gisterochtend had hij azuurblauw haar, een groen en een geel oog, een bleke, asgrauwe huid. Maar vanmiddag zag hij er – bijna – normaal uit – ja, bijna. “Er is een woord voor wat ik ben,” zei hij.

Casper legde zijn rechterarm op de leuning. Gisterochtend leek hij een kleine jongen die een gigantisch ongeluk was overkomen. Nu zat er een veel ouder iemand voor me. Een zelfverzekerde, volwassen kerel die alles heeft meegemaakt. Ik had geen idee hoe dit kon gebeuren.

“Ik weiger te raden,” zei ik.

Hij gaf het antwoord dat vanzelfsprekend leek.

Een monster natuurlijk!”

Ik durfde niet eens te lachen. Casper noemde zichzelf een monster. Hij keek om zich heen, las de boektitels die naast hem in een rek stonden. Zijn opmerking leek vanzelfsprekend, alsof niemand ooit had geantwoord dat hij uit zijn nek kletste. Buiten begon de regen tegen de ruiten te tikken – komende uren zou er regen blijven vallen. Zo was het ook gezegd. Ik ging nergens heen.

“Je haar was gisteren veel lichter van kleur,” zei ik – vooral om de stilte te doorbreken.

“Ral 5009,” zei hij.

“O dat weet je toch wel.”

“Tuurlijk.”

“Dit is mijn normale haarkleur. Zo ziet het eruit als ik helemaal in orde ben – gezond dus.”

“Ik dacht dat – .”

“Nee.”

“Hoe – ?”

“Stress, denk ik. De dood van mijn vader.”

Ik pakte de telefoon vast en speelde ermee. Hij moest naar de politie – vertellen wat er was gebeurd.

“Bij gewone mensen gebeurt dat niet, hè.”

“Ik zei het al daarnet – ik ben een monster – een freak.”

“Anders – je bent anders – da’s alles.”

“Nee, u bent anders, ik ben een freak. U heeft me altijd gewoon aangekeken in de lift of in de gang.”

“Daarom hoef je jezelf nog geen monster te noemen,” zei ik. In gedachten zag ik hem weer verdwijnen in de schaduw – onzichtbaar worden, zodat mijn zintuigen hem niet langer registreerden. Een monster is een roofdier dat aast op menselijk bloed of vlees of allebei. Ik wilde zijn talent bespreken, maar durfde het nog niet aan – nog niet.

“Ja, u bent altijd erg aardig geweest.”

“Waarom ben je hierheen gekomen?”, vroeg ik. “Je bent gevlucht, zodra het woordje ‘politie’ viel. Daarmee heb je jezelf verdacht gemaakt. Er zit een vreemde wond op de arm van je vader en de politie zoekt een verklaring die ze niet kunnen vinden.”

“Ik heb niets fout gedaan,” zei Casper – zijn stem klonk opvallend rustig. De stress had een verkleuring van zijn haar veroorzaakt – het was bleker geworden – azuurblauw in plaats van heel donkerblauw, bijna zwart, zoals vandaag.

“Daar gaat het niet om.”

Hij kwam omhoog, stond niet op, zoals gewone mensen, maar kwam in één enkele vloeiende beweging omhoog en liep naar de grote boekenkast. “Ik wou dat ik dit eerder had geweten,” zei hij, maar zijn gestalte verdween in de schaduw – ik verberg mijn kast namelijk in een eeuwigdurend schemerduister om de ruggen van mijn boeken te beschermen tegen zonlicht – ze verbleken anders. Zijn stem klonk duidelijk, ik hoorde hem praten, maar zag hem niet. Hij leek te zijn verdwenen. Heel even maakte hij een stap achterwaarts en hij werd weer zichtbaar – ik zag een deel van zijn lichaam in een strook daglicht – doorzichtig, als een geest. Er was geen zonlicht, het regende en het zou voorlopig blijven regenen.

“Ik zou alles willen lezen.”

Ik legde mijn telefoon neer.

“Vind je niet dat ik recht heb op een verklaring? Je belt aan en vraagt me naar je vader te kijken, omdat hij niet wakker wil worden en ik heb gehoor gegeven aan je wens – je vader is vermoord.”

“Nee, hij heeft een zachte dood gekregen.”

Ik gaf geen antwoord. Zijn gestalte ging verborgen in het schemerduister. Ik zag af en toe een stukje van zijn schouder en arm. Jaloezieën waren grotendeels gesloten. Ik had geen lampen aangedaan. Casper leek zich daar het prettigst te voelen – in de schaduw kon niemand hem aanstaren. Zijn hele leven lang draaiden mensen – voorbijgangers – hun hoofden als ze hem zagen passeren – een jongen met blauw haar die tevens een groen en een geel oog had. Ik moest hem recht in de ogen kijken. Alleen dan zag ik de kleuren van zijn ogen. “Waarom ben je eigenlijk gekomen?” Hij verborg zichzelf nog altijd in de schaduw. Casper draaide zich om en betrad de woonkamer – de boekenkast staat in een aparte kamer – ooit een slaapkamer voor de ouders. Hij ving het daglicht, een somber en dreigend licht dat paste bij Casper. Weifelend bleef hij staan – naast hem lonkte de deuropening – daarachter bevond zich nog veel meer duisternis waarin hij zich kon verbergen.

“U bent altijd aardig voor me geweest. Als enige.”

Regendruppels kletterden tegen de ruiten. Auto’s reden voorbij – ik hoorde banden op kletsnat asfalt.

Misschien moest ik Casper iets te drinken aanbieden. Hij bleef bij de deur staan en ik geloofde dat hij elk moment zou kunnen vertrekken, omdat hij zelf ook niet goed wist waarom hij op zijn vriendelijke buurman had staan wachten – ik ben altijd aardig voor hem geweest. “Ik begrijp je niet goed,” zei ik. Casper draaide zijn hoofd en keek naar me. “Wat bedoel je precies met een zachte dood?”

“Geen pijn, geen lijden,” zei hij.

“Hoe kwam dat zo?”

“Ik begrijp u niet.”

“Was je vader ziek?”

“Hij was erg oud aan het worden.”

“Dat is geen ziekte.”

“Nee – dat klopt.”

“Dus – ?”

“Mijn vader maakte zich zorgen over mij – .”

“Ik begrijp dat je nauwelijks contact hebt gehad met andere mensen – alleen je vader is er altijd geweest.”

“Ja – inderdaad.”

“Waren je klasgenoten bang voor je?”

“Ze noemden me – ,” zei hij.

“Dat heb je al verteld.”

“Geen idee.”

“Een jongen met authentiek blauw haar, een groen en een geel oog, die een bleke, grauwe huid heeft. Vaak draagt hij een bril met licht getinte glazen, zodat de kleuren van zijn ogen niet zullen opvallen.”

“Vandaag niet,” zei hij.

“Wat niet?”

“De bril.”

“Nee – je hebt gelijk – vandaag niet.”

“En je hebt geen idee hoe je blauwe haren zijn ontstaan – terwijl je daarmee de enige mens op aarde bent die zo’n afwijkende haarkleur heeft – van nature. Je had op de voorpagina’s van alle kranten moeten staan en ondertussen leidt je een anoniem leven in een keurig appartementengebouw.”

“Soms – als mijn vader een goede bui had – vertelde hij wel eens over vroeger – mijn geboorte – hij maakte er dan grapjes over – ‘het was een keuzemenu dat ik in moest vullen’, zei hij. Blauw haar, een groen oog en een geel oog.”

“Dat is niet alles. Er is nog iets. Dat weet je.”

Casper betrad de gang en ik zag zijn gedaante compleet verdwijnen in de duisternis – eerst was hij er nog, vervolgens scheen hij onzichtbaar te zijn – als een holografische projectie die uitgeschakeld werd. “Dit bedoelt u waarschijnlijk,” zei hij. “Het is grappig. Toen mijn vader jonger was, hebben we heel vaak verstoppertje gespeeld – en ik won altijd.” Casper stak zijn arm door de deuropening – ik zag alleen een arm zonder lichaam en al die tijd probeerde ik te doen alsof dat normaal was. Hij stond vrij onverwacht weer in de woonkamer – bij de tafel – zijn hand rustte op een stoelleuning.

“Het ligt niet aan mij, hoor. Ik heb geen speciaal talent – zoals de superhelden die overigens in uw boekenverzameling ontbreken,” zei hij. Casper liep terug naar de boekenkast die een magnetiserende aantrekkingskracht leek uit te oefenen.

“Ik heb – beetje – een hekel aan superhelden.”

“Het komt, volgens mijn vader, omdat uw ogen niet goed genoeg zijn om mij waar te nemen – ik ben er gewoon – altijd – maar u kunt me niet zien.”

“En waarom is dat dan?”

Hij liet zijn vingers langs de ruggen van mijn stripboeken glijden. “Mooi hoor – geweldig.”

Ik wachtte enkele seconden en herhaalde mijn vraag, of een deel ervan. “Waarom?”

“Dat heb ik toch al verteld.”

“Omdat je een monster zou zijn – een freak?”

“Ja.”

“Je bent anders, maar geen monster.”

Mijn nieuwsgierigheid was allang gewekt – jaren geleden al – de dood van Caspers vader had de jongen ertoe gebracht ’s ochtends vroeg bij mij aan te bellen – zijn vader wilde niet wakker worden, maar bleek al een tijdje dood te zijn. Casper had kennelijk nooit eerder in de nabijheid van de dood verkeerd. Anders had hij wel geweten dat zijn vader dood was gegaan en zou Casper hebben 112 gebeld. Nee, hij had hem vermoord – de man was niet zomaar gestorven. Er was iets voorgevallen. Ik wist het zeker. De man was een onnatuurlijke, zij het zachte dood gestorven. Ik herinnerde me de vreemde rafelige wond op de rechteronderarm.

“Ik bied je mijn hulp aan,” zei ik.

“Waarmee?”

“Daar kom je toch voor? Je hebt hulp nodig. Aangezien je vader je na al die jaren in totale onwetendheid heeft achtergelaten – je weet niets over je afkomst. Je zit met een vraag. Ben je een gewoon mens? Of ben je iets anders?”

“Een monster bijvoorbeeld?”

“Nee, jongen – ik bedoel – ‘iets anders’.”

“Oké.”

“Maar eerst moeten we naar het politiebureau.”

“Nee – dat wil ik niet.”

“Het moet. Je hebt geen keus. Om te beginnen laten we zien dat je niets te verbergen hebt.”

“Goed dan. Maar ik haat die mensen.”

Ik herinnerde me zijn gezichtsuitdrukking, toen hij gisterochtend in de lift wilde stappen – ik meende een jongen te zien die zijn eigen vader net had vermoord.

“Daarna gaan we toestemming vragen om het appartement van je vader weer te betreden.” Ik begon mijn jas aan te trekken. “Ik heb je vaders archief nodig, anders kan ik je onmogelijk helpen.”

We waren onderweg naar de lift – ik speelde met mijn huissleutels, terwijl Casper schuin voor me liep. Hij draaide zijn hoofd naar links – er lag een merkwaardige donkerblauwe glans over zijn haren die slordig langs zijn wangen bungelden. “U zegt dat ik ‘iets anders’ ben. Wat ben ik dan?”, vroeg hij.

“Daar durf ik voorlopig nog niet aan te denken.”

“Mijnheer – Denkt u dat elk mens een ziel heeft?”

“Ligt eraan – denk ik – hoe je het bekijkt. Zodra je over een ‘ziel’ begint, denk ik toch vooral aan religie – een ziel is een religieus idee.”

Casper draaide zijn hoofd en keek uit het raam. We passeerden een fietser van wie het lichaam verborgen ging in regenkleding – alleen het drijfnatte, glimmende gezicht was te zien. “Als een mens geen ziel heeft – Wat dan wel?”, vroeg hij.

“Een bewustzijn – een mens heeft een bewustzijn, maar dan ben je toch vooral een atheïst, denk ik. Iemand die over een ziel begint, veronderstelt namelijk een ten-hemel-opneming -of zielsverhuizing.”

“O.”

“Waarom vraag je dat zo?”

“Vader had het er vaak over, mijnheer.”

“Ik krijg een beetje jeuk van jou,” zei ik. “Mijn naam is Johan Vermanen. Je moet me Johan noemen.”

“Oké – goed.”

De ruitenwissers zwaaiden continu heen en weer, terwijl de regen bleef neervallen. Bloedrode lichten weerspiegelden loepzuiver in het wegdek. Ik hield voldoende afstand en we waren onderweg naar het bureau – ik had een langdurige stilte verwacht. Een zwijgzame Casper die uit het raam staarde en niets zou zeggen of bijna niets. Soms moest ik door diepe plassen regenwater rijden en hoorde ik het harde kletteren tegen de onderkant van mijn auto.

“Is er echt een verschil?”, vroeg hij ineens en Casper draaide zijn lichaam half naar links – de bestuurdersplaats – dus naar mij.

“Denk het wel, ja.”

“Maar u weet het niet zeker?”

“Misschien – als de dood geleidelijk aan nadert en  we schijterig beginnen te worden – daardoor zouden we wel eens in een ziel kunnen gaan geloven, omdat je je ineens bewust wordt van je christelijke identiteit – .”

“Volgens vader heb ik geen ziel,” zei hij.

Ik wachtte al erg lang voor het stoplicht groen werd – er begonnen een paar auto’s te rijden, maar ik moest weer wachten – eerst oranje, dan rood.

Casper streek zijn blauwe haren achter zijn oren en leek het stoplicht net zo zorgvuldig te bestuderen als ik. “Maar vond je vader dat hij er zelf wel een had?”

“Ja.”

“Waarom?”

Het duurde erg lang voordat het licht weer groen werd – ik had de radio uitgeschakeld – het was buiten acht graden Celsius – niet warm, niet koud.

“Ik zou zo graag eens kerstmis willen vieren,” zei hij en Casper tikte enkele malen op de ruit. “Dat lijkt me best wel leuk. Met zo’n dennenboom, een heleboel ballen, zilverkleurige slingers. En lichtjes. Natuurlijk ook beeldjes en het kindje Jezus.”

Ik trapte het gaspedaal omlaag en begon te rijden.

“Nooit gedaan?”, vroeg ik.

“Nee.”

“Weet je. Ik begrijp je steeds minder.”

“Zou de politie me in de gevangenis gooien, Johan?”

“Nee – daar moet je iets voor gedaan hebben. Dat doen ze niet zomaar.”

“Ik heb niks gedaan.”

Mijn rechtervoet kwam heel traag omhoog – verkeer begon vast te lopen in de avondspits – ik had een ongelukkige tijd uitgekozen om te gaan rijden.

“Ja, ik heb wel iets gedaan,” zei Casper die zijn benen strekte, “ik heb vader een zachte dood gegeven.”

“Je bent een belangrijke getuige – ze willen je graag spreken – je had er nooit vandoor moeten gaan.”

“Ik was bang.”

“Dat snap ik. Het is best eng als je vader ineens dood is, maar je bent erbij geweest.” Ik draaide mijn stuur naar links en trachtte een parkeerplaats te vinden. “Bovendien is er die vreemde wond op zijn arm – daar ga je beslist vragen over krijgen.”

“Zou u denken – ?”, vroeg hij. “Kijk – daar is een parkeerplaats – u moet vlug zijn.”

“Ik zou ernaar vragen,” antwoordde ik – ik draaide het stuur scherp naar links en begon te parkeren. Een fietser wist mijn auto nipt te ontwijken – een man wiens belangstelling vooral werd getrokken door het donkerblauwe haar van Casper en zijn wenkbrauwen.

“Ik denkt dat u gelijk heeft.”

Een zachte dood, zoals Casper die bedoelde, strookte mijns inziens niet met een kleine rafelige wond. Het betekende heel beslist dat er een gewelddadig moment moest zijn geweest die tot het overlijden van zijn vader heeft geleid. We stapten uit – regendruppels kletterden naar op hoofd en schouders. De regen scheen Casper totaal niet te deren. We wandelden naar het politiebureau, alsof de herfst niet was ingevallen, alsof het al niet ruim een uur onafgebroken regende. Ik wilde geen vragen stellen over ziel en bewustzijn, omdat de vader kennelijk vond dat het voor zijn zoon anders lag. Vader wel, zoon niet. Het leek me een curieus onderscheid, maar een normaal gezin waren ze nooit geweest.

We betraden het bureau – ik ging voorop en Casper volgde – ik wist niet eens zeker of hij er niet weer vandoor zou gaan. “Goedenavond,” zei ik. “Deze jongeman is de zoon van de heer Jesper Noorderligt – die gisterochtend dood werd aangetroffen op bed. Er zijn wat vragen gerezen omtrent de toedracht.”

“En – u bent – ?”

“De buurman die uit zijn bed werd gehaald.”

“Een ogenblikje. U kunt even plaatsnemen. De rechercheur komt er zo aan.”

Het duurde niet erg lang. Een rechercheur die ik eerder had gesproken, kwam met uitgestoken hand naar ons toe – rechercheur Madeleine Steenbergen, zo heette ze. Casper en de rechercheur stelden zich aan elkaar voor. “Komt u maar even mee,” zei ze. “Dan kunnen we rustig bespreken wat er is gebeurd.”

We gingen een spreekkamer binnen. Er stond een computer – Casper nam plaats aan de tafel, ik pakte de stoel naast de zijne – de rechercheur liet de stoelpoten over de vloer glijden en ging zitten. “We vonden het een beetje vreemd dat u er vandoor bent gegaan,” zei Steenbergen die Casper recht in de ogen keek. Ze knipperde een keer met haar ogen – merkte zijn vreemde, afwijkende uiterlijk op, maar liet zo min mogelijk blijken – ongetwijfeld zou ze het in haar persoonlijke verslag opschrijven.

“Ik was bang,” zei Casper, “omdat mijn vader dood was gegaan – ik wist niet wat ik moest doen. Het was fout om weg te rennen. Ik wist het niet meer.”

Natuurlijk had ik niets tegen de politie gezegd over mijn verdenking – ik dacht nog altijd dat Casper zijn vader had gedood – mijn nieuwsgierigheid naar het motief en de manier waarop hij het had gedaan was buitengewoon groot –  ‘een zachte dood – hij heeft zijn vader een zachte dood gegeven. Wat betekende dat in hemelsnaam? Een zachte dood!’ Ik kon evenmin uitleggen waarom de gedachte me overviel, er was de stand van zijn hoofd – een eigenaardige flikkering in zijn ogen – maar zijn uiterlijk was sowieso al vreemd, bijna als een alien – inderdaad – ik begreep zijn klasgenoten heel goed. Ik vroeg me af of de jongen blauw bloed zou kunnen hebben, dus echt blauw, stromend bloed.

“Wanneer wist je dat je vader dood was gegaan?’

“Toen mijn – , toen Johan zei dat hij dood was – ik had nooit eerder een dood mens gezien – het was de eerste keer. Daarom vroeg ik me af – ,” zei hij, maar Casper leek zijn zin niet af te willen maken.

“Wat vroeg je je af?”, vroeg Steenbergen en haar stem klonk allervriendelijkst, alsof je je diepste geheimen probleemloos kon blootleggen.

“Het spijt me dat ik er niet bij was – ik had bij mijn vader willen zijn, toen hij stierf. Ik zou in dat geval hebben geweten of hij een ziel heeft gehad.”

“Waarom is dat zo belangrijk voor je?”

“Vader sprak er vaak over.”

“Waarom? Was hij een religieus man?”

“Vroeger niet. Laatste tijd wel.”

“En dus sprak hij regelmatig over de ziel van een mens.”

Hij knikte langzaam. “Ja.”

Casper keek me enkele ogenblikken aan – zijn wenkbrauwen had hij omlaag getrokken, hij beet op zijn onderlip. “Vertel de waarheid, jongen. Zeg wat je denkt. Je hebt niks te verbergen.”

“Wat zei je pa dan precies?’

“Volgens mijn vader heb ik geen ziel.”

“Waarom niet?”

“Ik ben geen afstammeling van Adam en Eva.”

Misschien had ik een extra rondje moeten rijden, niet zo snel naar het politiebureau behoren te gaan en de jongen veel langer uithoren. Ik keek opzij en wilde een opmerking maken, maar zweeg. De rechercheur deed hetzelfde. Er viel een stilte die door Casper zelf werd onderbroken.

“Johan heeft het in de auto hierheen uitgelegd – sommige mensen hebben een ziel, anderen een bewustzijn – ik heb een bewustzijn en geen ziel.”

“Dàt is onzin, beste jongen. Dat heb ik nooit gezegd. Niet op die manier. Beslist niet.” Kennelijk had Casper een passend antwoord op zijn vraag gevonden in mijn uitleg, maar die stemde op geen enkele manier overeen met wat ik had gezegd. “Religieuze mensen zijn eerder geneigd te spreken over een ziel, maar ik ben geen godsdienstig man, daarom heeft de omschrijving ‘bewustzijn’ voor mij persoonlijk veel meer betekenis.”

Casper zei niets, maar knikte met zijn hoofd.

“Zo heb ik het gezegd.”

“Vertel eens, Casper,” zei de rechercheur. Ze boog enigszins voorover en keek hem recht in de ogen. “Vertel eens eerlijk. Heb je iets gedaan met je vader waardoor hij nu dood is?”

“Nee,” antwoordde hij.

Casper had zijn vader een zachte dood gegeven – ik wist niet eens wat hij ermee bedoelde – een zachte dood. Het kon van alles betekenen.

“Heeft je vader je wel eens gevraagd iets te doen waardoor hij zou kunnen sterven?”

“Ja,” zei Casper die naar het tafelblad keek.

“Wat moest je doen?”

“Ik moest hem een zachte dood geven.”

“Dat snap ik niet,” zei Steenbergen.

“Geen pijn, geen lijden.”

“We hebben een wond op zijn rechteronderarm aangetroffen. Weet je hoe die is ontstaan?”

“Nee.”

“Ik vraag me af hoe je vader zijn – Hoe oud ben je?”

“Twintig, sinds een week.”

“Ik vind het onvoorstelbaar dat je vader – of welke vader dan ook – een zoon zoiets zou durven te vragen.”

“Ik heb toch al geen ziel, dus ik kom niet in de hel.”

Casper boog achterover, alsof hij de schaduw probeerde op te zoeken en onmerkbaar wilde verdwijnen – ik had geleerd dat hij dat kon. Madeleine Steenbergen had zijn verklaring opgeschreven en geprint. Ze legde de blaadjes neer, zodat hij ze kon lezen en indien akkoord – ondertekenen. Ik verwachtte dat hij in de schaduw zou verdwijnen – als de rechercheur heel eventjes niet keek, zou hij de gelegenheid aangrijpen en een stapje achteruit doen, maar de spreekkamer was goed verlicht. Er lag een donkerblauwe gloed over de haren van Casper die ervoor zorgde dat iedere voorbijganger naar hem staarde. Het was geen verbeelding, geen gezichtsbedrog, maar de simpele realiteit. Casper had blauw haar. Ik ben geïnteresseerd in genetische modificatie, heb er laatste maanden veel over gelezen, omdat ik er een boek over wilde schrijven – een spannend boek, geen wetenschappelijke verhandeling. Probleem was dat ik me niet kon voorstellen dat er in ons genetisch materiaal een mogelijkheid bestond om een man of vrouw blauw haar te geven – of een groen en geel oog. De mogelijkheden waren beperkt. Groene ogen kwamen voor, evenals mensen die twee verschillende oogkleuren hadden – maar geel?

Een heel ander verhaal vormde zijn vermogen te verdwijnen in de schaduw – onzichtbaar te worden voor menselijke waarneming, want hij beweerde dat het aan de beperktheid van mijn zintuigen lag. Ik dacht aan een mensachtige kameleon die zich wist te verbergen in de kleuren van zijn omgeving. Casper pakte een pen van de tafel en schreef heel netjes – in blokletters – zijn naam.

“Gaat u me in gevangenis zetten?”, vroeg hij.

“Nee,” zei de rechercheur en ze leek heel kalm, maar ik herkende een ongenoegen dat ze slecht wist te verbergen, maar voor Casper was het ruim voldoende. “Al heb ik het vermoeden dat je lang niet alles hebt verteld.” Ik kende hem veel langer, feitelijk al enkele jaren, maar de jongen was ook voor mij een vreemde – een raadsel.

“Mag hij in het appartement van zijn vader? Hij heeft immers geen andere plek om te wonen.”

“Ja – natuurlijk – uiteraard.”

“Mooi – dank je,” zei ik – we schudden elkaar de hand – Casper stak zijn hand uit, maar aarzelde. Madeleine Steenbergen bestudeerde zijn huid – kleur van zijn ogen had ze gezien – net als zijn blauwe haren – ze had natuurlijk alles bekeken.

“Bereid je erop voor dat we meer vragen zullen hebben,” zei Steenbergen.

Tijdens het gesprek had hij verteld over de financiën van zijn vader – het vermogen dat er geen was – ze beschikten over voldoende geldelijke middelen – ja, dat wel. Hij moest iets bedenken – zijn studie voortzetten, werk zoeken. We verlieten het bureau en begaven ons in het nachtelijke duister – verlichting van straatlantaarns, koplampen van auto’s, gebouwen en kamers die helder verlicht waren. Ik weigerde over mijn schouder te kijken, maar dacht dat de rechercheur nauwlettend zou volgen hoe we wegliepen. Casper verdween deels in de schaduwen, zoals ik hem eerder had zien doen, een natuurlijke beweging – het gebeurde gewoon. Ik ontgrendelde de portieren van mijn auto en we stapten in. Er reed een fietser zonder verlichting voorbij wiens donkere gedaante in het schijnsel van de koplampen opdook.

Er klonk muziek uit de zestiger jaren in de auto, zomerse geluiden van The Beach Boys. “Ik was bang om zelf te sterven, niet voor de dood van mijn vader,” zei Casper die zijn gordel vastgespte.

“Je hebt een hoop zitten liegen daarbinnen.” Ik draaide het stuur van mijn auto naar rechts en zocht de goede weghelft. “Want je vader heeft kennelijk gevraagd om een zachte dood èn er één gekregen.”

“Zij is politie – ze moet werken voor de waarheid. Ik irriteerde me aan haar toontje, de manier van praten, alsof ik een debiel ben.” De avondspits lag inmiddels alweer achter ons, ik hoefde minder lang te wachten bij stoplichten. Er viel een stilte in de auto. Casper stelde geen nieuwe vragen over moeilijke filosofische begrippen, zoals de ziel van een mens. Wel wachtte er een nieuwe vraag op het puntje van mijn tong, want waarom vond Jesper, de vader van Casper, dat zijn zoon geen ziel kon hebben. Een ziel was voorbehouden aan mensen – wat voor een wezen moest Casper dan wel niet zijn?

We passeerde een supermarkt – erg veel klanten waren er niet – de meeste mensen meden de regen en duisternis. “Heb je herinneringen aan je moeder?”, vroeg ik. Het was nu eenmaal een normale toestand. De man bevruchtte een vrouw – die zwanger werd en negen maanden later schonk ze het leven aan – liefst – een gezonde baby. Een min of meer banale werkelijkheid trok er door mijn hoofd, terwijl de supermarkt, een helder verlichte oase, in de vroege avond begon te verdwijnen. “Of misschien foto’s,” want ik had deze vraag eerder gesteld en toen had Casper ontkennend geantwoord, maar dezelfde vraag later nog eens stellen zou wel eens verrassende resultaten kunnen opleveren.

“Nee, dat heb ik al gezegd.”

“Foto’s?”

“Ook niet.”

“Ben je nooit benieuwd geweest naar je moeder?”

“Waarom heeft ze me niet in de gevangenis gestopt?”, vroeg Casper en hij negeerde mijn vraag volkomen, alsof die absoluut niet relevant was. Ik passeerde straatlantaarns en hij verdween telkens enkele seconden in de duisternis van een vroege winteravond. Ik kwam in de nabijheid van een nieuwe straatlantaarn waardoor hij duidelijk zichtbaar werd om daarna gewoon weer te verdwijnen. Verschijnen, verdwijnen, ik knipperde met mijn ogen en hij zat opnieuw naast me.

“Geen overtuigend bewijs dat er een misdrijf heeft plaatsgevonden, denk ik. Je hebt geen fouten gemaakt. Ja, als je nu had verteld hoe je je vader een zachte dood hebt bezorgd, dan had je vastgezeten.”

“Bent u boos?”

“Nee.”

“Waarom niet? Vader was boos als ik zat te liegen.”

“Ik ben je vader niet.”

Ik vroeg me af hoe het zou zijn als de verlichting in de stad zou uitvallen – wanneer alles in een volstrekte duisternis zou verdwijnen met alleen sterren die als flonkerende edelstenen in een zwarte fluwelen deken waren gedrukt. Casper zou volstrekt onzichtbaar worden. Ik zou hem uit het oog verliezen. Alleen zijn stemgeluid verraadde zijn aanwezigheid – .

Voor de hoofdingang van het flatgebouw parkeerde ik mijn auto. Ik had geluk, zover hoefde ik niet eens te lopen. Casper liep naast me – als een schim die continu heen en weer werd geslingerd tussen twee totaal verschillende werelden. Ik speelde met mijn sleutels – regen viel onveranderlijk neer, ik stapte over een ondiepe plas heen die zich had gevormd.

“Heb je de sleutel van het appartement?”, vroeg ik.

“Ja.”

“Mooi – ik denk dat je alleen zult willen zijn.”

We betraden de hal van het gebouw en er viel een koel wit licht over ons heen – er waren geen schaduwen, zodat zijn blauwe haren goed zichtbaar werden – groen oog, geel oog. Hij keek me aan en ik moest denken aan een reptiel dat zich probeerde voor te stellen hoe het zijn prooi zou verslinden. Een associatie die ik niet eerder had gehad. Zijn haren begonnen minder donkerblauw te worden en ik dacht aan het Ral-nummer dat hij had genoemd. Hij moest zich minder goed voelen dan eerst.

Liftdeuren gingen open – we liepen verder. Ik drukte op het knopje dat de juiste verdieping weergaf.

“Mijn vader was eigenaar van een groot bedrijf. Ik herinner me dat ik altijd in zijn werkkamer speelde, want aan nanny’s had hij een broertje dood. Daarom is hij  uit het bedrijf gestapt – om voor mij te kunnen zorgen – ik dacht eerlijk gezegd dat er meer geld zou zijn, maar het valt erg tegen.” Het was de jongen die eerder nog heel geïnteresseerd vragen had gesteld over de ziel van een mens – die hijzelf zo gesteld niet eens scheen te hebben.

“Je redt je wel,” zei ik. Straks ging hij de ouderlijke woning binnen – die sinds gisteren zijn eigendom was geworden. Het leven van Casper hernam zijn gewone gang en hij zou voor altijd verdwijnen in de schaduwen van de moderne samenleving – nauwelijks meer dan een herinnering. Ik had heel even een rol gespeeld vanwege de dood van zijn vader, maar hij sprak niet eens over een begrafenis die geregeld moest worden.

“Ik weet helemaal niks. Vader heeft me nooit – .”

De lift ging open en we liepen verder – onze voordeuren bevonden zich schuin tegenover elkaar.

Casper kreeg de mannen eerder in de gaten dan ik.

Er stonden er drie en ze waren uitgewaaierd in de schemering van de gang, ik had ze aanvankelijk niet eens echt opgemerkt, dus misschien mankeerde er echt wat aan mijn zintuigen, zoals Casper al zei. “Dag jongen,” zei de man die als leider van het gezelschap leek op te treden. Mijn hoofd draaide naar rechts en ik zag heel duidelijk de langere haren van Casper bewegen – als de tentakels van een inktvis – tastend naar een hulpeloze prooi – ze leken zelfs te groeien – centimeters, bijna een meter lang, nee, veel en veel langer. Ik deinsde achteruit en vroeg me af – niet wie, maar wàt Casper was.

Ik vertrouwde mijn eigen herinneringen niet – Casper had zijn donkerblauwe haren binnen enkele seconden enorm lang laten groeien – zijn haren tastten en graaiden naar de mannen die op hem hadden gewacht. Mannen staken hun handen omhoog, zoals ze zouden doen voor een agent die dreigde te schieten. Casper kalmeerde – zijn haren begonnen korter te worden en namen hun normale lengte weer aan – alleen veel lichter van kleur dan vijf minuten eerder. Daarstraks was het heel donkerblauw geweest, nu azuurblauw, ral 5009. Hij wankelde even en zocht naar zijn evenwicht. Ik pakte zijn arm vast – een gebaar dat hij dankbaar aanvaarde. “Ik voel me niet zo goed, denk ik,” zei hij en zijn ogen draaiden weg, maar hij bleef overeind, al geloofde ik dat hij zou omvallen.

“We zijn – ik ben geen vijand,” zei de man die eerder ook het woord had gevoerd. “Jan Braks – dat is mijn naam. Mijn collega’s Eugene en Armin.”

“Kom maar mee – ik zal iets te eten voor je klaarmaken,” zei ik. Casper knikte heel kort, als een kleine jongen die zijn vader dankte.

Ik opende de deur van mijn appartement – Casper liep verder, zoals hij eerder had gedaan, hij kende inmiddels de weg en liet zich zakken op een krukje dat voor mijn boekenkast stond. Jaloezieën waren geopend, straatverlichting wierp een vaal geel schijnsel door de duisternis en ik zag dat de regendruppels langzaam begonnen te veranderen in sneeuwvlokken – natte sneeuw wel te verstaan. Ik vertrouwde mijn eigen herinneringen niet – Casper die zijn haren als gevaarlijke giftentakels had laten groeien – aanvalswapens die hem ongelofelijk veel energie kostten. “Heb je iets met veel vlees?”, vroeg Casper. De drie mannen kwamen binnen en bleven in de gang staan, want ze wilden zich niet opdringen.

“Als jullie de drie wijzen uit het oosten moeten voorstellen, dan is het veel en veel te vroeg,” zei ik. Ja, dit was een hatelijke opmerking.

“Het is nog geen kerst,” zei Jan Braks.

“Precies,” zei ik.

In de koelkast had ik rosbief liggen – eigenlijk wilde ik het een dag later opeten, maar Casper had het harder nodig. Ik haalde twee bevroren boterhammen uit de vriezer en legde ze op een bord – dat ik in twintig seconden in de magnetron zette.

“Lust je koffie?”, vroeg ik aan Casper – afstanden zijn erg klein in mijn appartement – ik stond in de deuropening, terwijl hij zijn gezicht had begraven in zijn handen.

“ – Thee alsjeblieft,” zei hij – zijn stem klonk gedempt. “Ik heb liever thee – en ik moet pissen,” ging hij verder, “dat heb ik nou altijd.” Hij stond op en verdween in de gang – er was geen licht aan.

Ik keerde terug naar de keuken – Jan Baks wachtte op me – hij leek me een geduldige man. “Als we de wijzen uit het oosten zouden zijn, dan is Casper onze kerstster – een blauwe kerstster – geen speling van de natuur, maar direct gevolg van menselijk ingrijpen – heel opvallend, zeer opmerkelijk,” zei hij. “En dan heb je ook nog zijn ogen die groen en geel zijn.”

De stem van Eugene onderbrak ons gesprek.

“Hij is weg,” zei hij. Het was een rustige constatering.

Ik had Casper niet gevolgd, maar zelfs hij was niet in staat om door een dichte deur te lopen. Het bord met de twee ontdooide boterhammen liet ik in de magnetron achter. Ik ging de woonkamer binnen en deed het licht aan – licht verdrijft de schaduw, maar Casper was nergens te zien – ik ontwaarde geen vermoeid lichaam van een jongeman die pakweg twintig jaar oud moest zijn. Ik begon alle ruimtes in het huis te inspecteren – badkamer, toilet, zelfs de slaapkamers – die waren ook verlaten. Overal deed ik het licht aan – er was geen licht in de garderobekast. “Hij moet zich ergens hebben verstopt,” merkte ik op, “of hij heeft inmiddels het huis verlaten – maar hoe heeft hij dat gedaan?”

Ik keek naar de deur van het balkon – er zijn drie deuren die toegang bieden tot het balkon – de deurklink stond horizontaal, dus de deur was geopend, terwijl de klink omlaag moest staan, zo laat ik hem altijd achter. Eventjes dacht ik een gedaante te zien bewegen op het balkon – Jan Braks stond schuin achter me en hij zag hetzelfde – de man schudde zijn hoofd. Er was niets. Of toch wel? Ik meende echt de gedaante van Casper te zien bewegen, maar het begon ook erger te sneeuwen – sneeuwvlokken bleven op een schouder en borst plakken die er niet eens te zien waren.

Casper stond bij de reling van het balkon zijn kansen te overwegen. Zou hij over de rand kunnen klimmen? Hij moest bijna drie meter overbruggen en zich over zijn ergste vermoeidheid heen zetten. Ik moest me goed concentreren – hij was er echt.

Jan Braks wurmde zich langs me en snelde naar de buitendeur die inderdaad dicht geduwd was. Ik volgde hem en liet Eugene en Armin achter me staan. Braks stapte op het balkon – er viel een smalle bundel licht van een schijnwerper door de ruit die Casper aan de duisternis wist te onttrekken – een goed getrainde militair zou zich op de luifel van de winkels kunnen laten vallen – Casper was over de rand gestapt en hield de stang vast – ik zou mijn beide benen breken – Braks graaide naar zijn arm, maar was te laat – Casper liet zich vallen – ik hoorde een doffe klap, boog half over de schouder van Braks – Casper rende weg en gebruikte de schemering om weg te lopen – hij sprong omlaag – ik zag hem in het schijnsel van een straatlantaarn – hij boog diep door zijn knieën – behield zijn evenwicht, terwijl zijn handen het trottoir raakten die zelfs wit begonnen te kleuren – voetstappen markeerden zijn route, maar nieuwe, vers vallende sneeuw bedekte alle sporen die hij achterliet. “Verdomme,” mompelde Jan Braks.

We keerden terug naar de woonkamer. Ik had geen thee klaargemaakt en nam plaats op een stoel. Braks en zijn mannen gingen ook zitten. “Vertel maar eens hoe het zit met Casper Noorderligt en zijn vader.”

Jan Braks staarde eerst enkele ogenblikken naar de vloer. “Een doorbraak in genetische modificatie, maar dat zul je al wel hebben geraden,” zei Braks. “Jesper is niet zijn vader – beter gezegd – niet zijn enige vader, zoals hij ook vele moeders heeft – bovendien heeft Jesper, die zijn genetische identiteit heeft samengesteld, DNA gebruikt van bepaalde diersoorten – ja, dat kan – ik zie de vraag in je ogen.” Hij knikte. “Wat ik je nu vertel, wàs geheim – maar het ligt inmiddels toch al op straat – de media hebben het nieuws opgepikt – daarom zoeken we Casper – om hem tegen zichzelf in bescherming te nemen – voor er ongelukken gebeuren.” Jan Braks knikte enkele malen met zijn hoofd. “Iedereen is naar hem op zoek – echt, iedereen.”

“Politie liet hem gewoon gaan.”

“Tuurlijk,” zei Braks. “Er ligt geen hard bewijs dat hij de moordenaar van zijn vader is.”

Nu knikte ik met mijn hoofd.

“We hebben hem nodig – om te onderzoeken – Jesper Noorderligt heeft namelijk al zijn onderzoeksmateriaal vernietigd – we hebben geen idee welke mensen DNA hebben geleverd en nog minder welke dieren – en dat is zeer interessant voor ons. Je hebt gezien waarom dat belangrijk is.”

“De intelligentste onderzoekers noemen hem ‘De Nieuwe Adam’, het begin van een nieuw menselijk ras,” zei Eugene, “Jesper had het ventje moeten elimineren, maar had er de moed niet voor.”

“Fraai is dat,” zei ik, “Jesper Noorderligt als een moderne Prometheus.”

“Precies,” zei Jan Braks. “Ik doe een dringend beroep op jouw verantwoordelijkheidsgevoel.” Hij pakte een kaartje uit zijn binnenzak en legde het op tafel. “Bel me – als hij hier is. Ik kom meteen.”

Ik pakte het kaartje op en bestudeerde het – er stond alleen een naam en telefoonnummer van Jan Baks.

*****

Het was november, toen Casper over de reling van mijn balkon stapte – er waren enkele weken voorbijgegaan. Casper en zijn vader vormden een gespreksonderwerp op nieuwsredacties, maar ook in bedrijfskantines. Collega’s wisten dat ik hem kende, aangezien ik vroeger al eens had verteld over mijn buurjongen – blauw haar, een groen en geel oog. Jan Braks wachtte me regelmatig op – als ik thuiskwam, stapte hij uit zijn auto en vroeg of ik hem gezien had. Antwoord was altijd ‘nee’. Na de viering van Sinterklaas verschenen de eerste kerstbomen in woonkamers, donkergroene boompjes met kleurige lampjes en ballen. ‘Ik zou zo graag eens kerstmis willen vieren,’ had hij gezegd. We zaten in de auto. Zijn uitspraak deed vermoeden dat hij een uiterst koele vader moest hebben gehad, geen warme persoonlijkheid en die kerstmis onzin vond. Ik dacht aan onze discussie over ‘ziel’ en ‘bewustzijn’. Voor een nieuwe Adam had Casper heel gewone verlangens, zoals kerstmis vieren.

Ik had enkele jaren terug voor het laatst een boom neergezet – ik had een kunstboom in de berging liggen – die heb ik naar mijn woning gesjouwd. Kerstballen die nog in 1959 door mijn ouders zijn gekocht. Het kostte me bijna drie uur – ik moest nieuwe kerstverlichting kopen, want de oude was kapot gegaan. Tot slot heb ik de beeldjes neergezet – een complete kerststal zonder een echte stal, want ik zette de beeldjes onder de takken – . Nu hoefde het buiten alleen maar te gaan sneeuwen, kouder worden en te vriezen, zodat er een kerstgevoel ontstond. Jaloezieën had ik een stukje open gelaten en ik ben naar buiten gegaan om te controleren of je de kerstverlichting zou kunnen zien – dan zou Casper daar eveneens in slagen. Hij moest het kunnen zien. En het was heel duidelijk zichtbaar. Ik keerde terug naar huis – trok de kraag van mijn jas omhoog als beschutting tegen een ijskoude wind. Casper als nieuwe Adam – Er moest ook een Eva bestaan, want twee Adams leverden nooit een nieuw geslacht op. De gedachte viel me binnen en er lag een vrolijke grijns op mijn gezicht, terwijl ik de lift binnenging.

Casper verdween eind november – ik vroeg me wel eens af waar hij al die tijd uit zou hangen, maar de herinnering vervaagde enigszins en ik had het erg druk met mijn werk – de kerstboom had ik voor hèm neergezet, mij interesseerde het niet zo heel erg veel. Het werd half december – maar op de vierentwintigste was hij nog altijd niet op bezoek geweest – misschien hadden de mannen van Baks hem alsnog gevonden, al leek me dat bijna onmogelijk. Casper liet zich alleen vinden als hij het zelf honderd procent wilde en hij haatte die mannen.

Volgens de weerberichten zou het ’s nachts gaan sneeuwen, een zeldzame witte kerst, het gebeurde misschien eens in de dertig jaar of zo. Ik was vroeg klaar met mijn werk en deed nog snel wat boodschappen. In de nieuwsmedia werd het bestaan van Casper een hoax genoemd, er bestond alleen de foto uit zijn paspoort – een jongen met kort geschoren haar en een afwijkende oogkleur. Mogelijk had hij zijn kale hoofd om een heel andere reden gehad. Vader Jesper moest angst hebben gevoeld voor de gevaarlijke tentakelachtige haren. Je sliep pas rustig als je de gifangel van een roofdier hebt uitgeschakeld. Maar Casper was een vriendelijke jonge vent. Net als gewone mensen verdedigde hij zich tegen vijanden.

’s Avonds laat, het was nog geen kerstmis, ik had de televisie uitgeschakeld en luisterde naar muziek van Bob Dylan, een live-opname uit 1966. De kerstboom verspreidde vrolijk gekleurde lichtjes naar de straat – een boodschap voor Casper die al ruim een maand vermist werd. Ik wist dat geen levende ziel hem ooit zou kunnen vinden. Er zouden geruchten rondgaan. Terwijl ik naar de keuken liep voor een biertje, ging de voordeurbel – ik verwachtte geen bezoek, maar ik hoorde het mechanische belletje waarmee mijn voordeur is uitgerust. Ik deed open, want er bestond slechts één mogelijkheid – Casper Noorderligt had aangebeld – alleen hij zou het kunnen zijn en niemand anders. Mijn hand rustte op de klink – .

Hij oogde weinig anders dan enkele weken geleden, redelijk goed verzorgd, geschoren zelfs, maar de donkerblauwe haren hingen vettig langs zijn hoofd. Een bril zorgde voor een lichtgrijze schaduw die de afwijkende kleuren van zijn ogen verborgen.

“Mag ik binnenkomen?” vroeg hij.

“Tuurlijk.”

“Dank je,” zei hij en Casper betrad mijn huis. Het kaartje van Jan Braks lag onveranderd op tafel. Casper verdween halverwege de gang in de duisternis – zijn gestalte leek gewoonweg op te lossen – maar hij verscheen direct weer in het licht van de huiskamer. Ik stond achter hem en hij bleef bij de tafel staan kijken – hij staarde naar de kerstboom die ik bij het raam had neergezet.

“Iets te drinken?”, vroeg ik

“Ja – Wat heb je?”

“Bier – wijn – water.”

“Bier – dat vind ik wel lekker – .”

“Uiteraard.”

Ik liep naar de keuken en pakte twee blikjes bier uit de koelkast – keerde terug naar de woonkamer – Casper was naar de boom gelopen en bestudeerde de ballen, lichtjes en beeldjes die ik had neergezet.

“Je staat bekend als ‘De Nieuwe Adam’.”

Hij draaide zijn hoofd en ik vroeg me af hoeveel hij had geleerd over zijn afkomst. Veel ervan had ik in de krant gelezen. ‘We moesten medelijden hebben met het kind dat tientallen vaders en moeders zal hebben’, zo schreef een journalist die toen nog niet eens wist dat er allang een dergelijk kind rondliep, want Casper had vele vaders en moeders. Onderzoekers noemden hem de nieuwe Adam, als een volgende stamvader van een mensenras.

“Ben je iets te weten gekomen over je afkomst?”, vroeg ik.

Hij nam plaats op de bank – ik overhandigde hem een blikje. “Wat er in de krant heeft gestaan.”

“En?”, vroeg ik.

“Het is erg modieus om geheime informatie te lekken,” zei hij. “Nu ben ik het onderwerp ervan. Dat maakt het erg lastig.”

Er spookte ineens een gedachte door mijn hoofd. “Ze noemen je de nieuwe Adam.”

“Ja?”

“Een nieuwe Adam veronderstelt tevens een nieuwe Eva.”

“Dat klopt wel, ja.”

“Dus? Is er een Eva?”

Hij keek opzij – naar de tafel. “Er ligt een kaartje van die man op tafel.”

“Ja-a, al een paar weken.”

“Ga je hem bellen?”

“Misschien.”

Hij gaf geen antwoord en bleef naar de tafel staren, alsof het kaartje een soort mystiek voorwerp was.

“Waarschijnlijk houden ze me al wekenlang in de gaten – Braks staat me regelmatig op te wachten. Misschien is er afluisterapparatuur aangebracht en luisteren ze naar wat we tegen elkaar zeggen.”

“Wat denk je? Zouden ze ons echt afluisteren?”

“Ik heb geen idee.”

“Doet het er iets toe?”, vroeg hij.

“Nee – weet je – ik zit al vanaf het begin met slechts één simpele vraag.” Ik opende mijn blikje bier. “Ik wil weten hoe je vader is gestorven.”

“Oké,” zei hij.

“Heb je je vader vermoord?”

“Ik heb vele vaders en moeders.”

“Jesper Noorderligt.”

“Hij heeft me altijd verteld dat ik de enige ben, er is niemand anders – er zou niemand anders zijn.”

“Die is er dus wel.”

Hij verschoof naar het puntje van de zitting en boog voorover. “Zou het kunnen dat je met zijn tweeën moet zijn om een ziel te hebben, Johan?”

“Als een soulmate?”

“Ja – want een mens alleen is de helft van zijn ziel.”

“Da’s slecht nieuws – voor mij.”

“Op een dag ging de telefoon,” zei hij, “het was een meisje – een jonge stem, zoiets hoor je meteen. Verkeerd verbonden, dacht ik. Maar ze zocht Casper Noorderligt.” Er gloeide een aangename, ontspannen glans op zijn gezicht, een seksuele honger, alsof de waarheid eindelijk binnen zijn bereik leek te komen. “Vader – Jesper – .” Hij verbeterde zichzelf meteen. “Ik vertelde hem over – haar naam – maar we worden misschien afgeluisterd – , dus ik geef die mensen geen cadeautjes. Jesper werd razend, hij verbood elk contact – en ik had hem nooit eerder zo vreselijk boos gezien – . ”

“Je had per ongeluk ontdekt dat je niet alleen was.”

“Is het moord als de olifant een muis vertrapt?”

“Als hij het opzettelijk doet wel, ja.”

 “In dat geval mag je die man bellen. Ik zal op hem wachten.”

’s Avonds laat, het was inmiddels kerstmis. Op straat heerste er een volmaakte rust. “Weet je, ik ben vaak een atheïst en soms een gelovige – , vaak denk ik dat er niets is dan de wereld om ons heen en soms hoop ik dat er een hemelse gerechtigheid bestaat. Het zal allemaal onzin zijn, maar ik word ook een dagje ouder – bovendien is het kerstmis en het sneeuwt.”

“Johan, ik had medelijden met de muis.”


Alpaca (12/13) Thuis

Er trokken al geruime tijd loodzware wolken door de atmosfeer – wolkenpartijen die steeds hoger opstapelden en op het land schenen te leunen, hoewel ze nog ver weg waren. Mannen en vrouwen staarden naar de lucht die continu veranderde. Beide zonnen waren onzichtbaar geworden, er lag een grijze schaduw over het land dat donkerder werd. De oevers lagen steeds verder weg en Joeri hield er rekening mee dat ze spoedig open zee zouden bereiken. Het zicht nam af, er vielen wat spetters regen. Gesprekken verstomden één voor één, Joeri herkende ernstige gezichten van mensen die niets durfden te zeggen. Het regende, het werd droog en er viel opnieuw regen.

Twee vrouwen maakten het lichaam van Dennis klaar voor een zeemansgraf, Marith hield hen continu in de gaten, alsof ze zeker wilde zijn dat hij inderdaad in het water zou verdwijnen. Kinderlijke nieuwsgierigheid en misschien domineerde de heks.

Joeri hoorde iemand vragen: “Waar gaan we heen?”

“Naar de hel, als je het mij vraagt,” zei Paul.

Heel even brak er een zonnestraal door de atmosfeer, toen het lichaam van Dennis in het water viel – Joeri en Marith keken elkaar aan – er danste een glimlach op haar gezicht – die spoedig verdween. Het was een levensgevaarlijke combinatie – een godin, of heks, die zich in het lichaam van een meisje bevond. Zeker als de twee elkaar beïnvloedden – een gevaarlijk duo.

“Je hoeft nergens bang voor te zijn,” zei Marith, “Atari beschermt ons tijdens de overtocht.” Ze pakte een hand van Joeri vast en kneep er nogal flink in.

“Hoe?”, vroeg Joeri.

“Dennis betaalt de veerman – Nachro.”

“Dus we zijn echt de poort van Nachro gepasseerd?”

“Ja. Het was essentieel.”

“Maar Nachro was – is – .”

“Ik weet het.”

“Dus?”

“Hij komt in vele gedaanten en vaak ongewenst.”

Joeri en Marith bestudeerden elkaars ogen – hij herkende een fantastische wijsheid die een mens pas na een leven van honderden jaren zou mogen hebben.

“Dennis?”

“Een slechte tovenaar die mensenlevens nodig had om zijn bezweringen te kunnen uitvoeren,” zei Marith en Joeri hoorde nu echt een afwijkende stem praten.

“Je vader?”

“Die van Marith?”

“Eh – ja.”

“Hij is een doppelgänger,” zei ze.

“Dus ik had al die tijd gelijk.”

“De vader van Marith was een aardige man,” zei ze.

“Wat is je naam?”

“Je mag me Elektra noemen.”

“Dus het is best ingewikkeld.”

Er verscheen een glimlach op haar gezicht. “Ja.”

“Hoe zit het met Marith?”

“Zelfde verhaal – gelukkig leeft haar duistere weerspiegeling op aarde  – mijn gastvrouw moet per se terugkeren naar huis. Daarmee wordt die ander een gewoon meisje dat het goed doet op de basisschool.”

“Ik begrijp het,” zei Joeri. “Ze reageren op elkaar, als een positief en negatief. Maar de vader van het meisje is overleden. Kun je zeggen wat er fout is gegaan?”

“Dennis, dus de goeie, ging dood, toen begonnen de twee doppelgängers op elkaar te reageren, eentje hier, eentje daarginds, dus bij jullie op aarde,” zei ze. “Nog één ding,” want de plechtigheid stond op het punt te beginnen, “het meisje moet aan boord van het schip blijven – het idee dat ze achter zou blijven op Alpaca kwam bij Dennis vandaan – dat is een vals spoor. Je zult zien – nee – we gaan hier vaststellen dat er geen nieuwe vliegtuigen of schepen meer zullen stranden.”

“Beter.”

Er volgde een moment van verwarring – duidelijk zichtbaar in de ogen van Marith – terwijl de woorden van Elektra stil vielen – of hoe ze ook heette.

Het was Harm die een paar woorden prevelde voordat het lichaam van Dennis definitief in de diepte verdween. Joeri bestudeerde aldoor het gezicht van Marith die onverstoorbaar toekeek. Er leek geen enkele herinnering aan een vader te leven, iemand die ooit om haar had gegeven, want papa was lang geleden al gestorven aan een ziekte met een lelijke naam. Zo had mama het gezegd.

Eerst verdween het lichaam in het water, daarna ging het harder waaien. De zon verdween opnieuw achter een wolkendek dat laag boven de zee hing – golven klauwden steeds verder omhoog, bijna als monsters die hongerden naar meer vlees en bloed. Reindert stond aan het roer, terwijl de motor nijdig bromde – nu wel – een geluid dat verdween in de storm – maar de trilling was continu voelbaar in het schip. Water buitelde over de reling en stroomde weer weg, of kwam in de kajuit terecht. “Kan iemand me vertellen waarom we dit ook alweer doen?”, vroeg een man genaamd Cees en niemand waagde het te antwoorden.

Het meisje had een complete stad van de Alpacabodem gevaagd, omdat ze opa Koen wilde wreken. Een ongekende macht. Een gewoon meisje en een machtige heks, die volgens Elise ook een godin van twee werelden zou kunnen zijn,, vochten om voorrang. Harm trok de deur dicht en daarmee de kajuit, terwijl er slagregens neerdaalden en het schip vocht tegen golven die de Holland als een indringer schenen te beschouwen. Zou Marith de storm hebben laten ontketenen? Om te laten zien wat ze nou voelde?

Marith stond ineens op en liep naar de deur. Joeri wilde opstaan, iets ervan zeggen, maar een onbekende macht hield hem tegen, alsof het niet mocht van de heks – godin. Ze opende de deur en stapte op het dek – alle ogen volgden het meisje. “Nu gaan we er allemaal aan,” zei Cees die een klap op zijn arm kreeg. Reindert brulde iets onverstaanbaars, maar Marith negeerde hem domweg. Joeri kwam omhoog, nu lukte het wel, hij liep naar de deur, uit een vliegtuig gehaald. Plotseling begon het meisje op te lichten, er ontstond zomaar ineens een stralenkrans, als een aura, een geweldige gouden gloed. Ze spreidde haar armen. Uit haar vingertoppen zag Joeri helder oplichtende vonken komen als vuurwerk dat in een nachtelijke atmosfeer uiteenspatte. Er vormde zich een ontzagwekkend groot donker lichaam rondom Marith. Regendruppels, die in de tussentijd neer bleven vallen, leken haar te vermijden. Er groeide een geweldige wolk van licht. Marith klapte in haar handen. Joeri hoorde een explosie, alsof er een bom was ontploft. Hij deinsde achteruit, net als Harm en de anderen die zich in de kajuit ophielden. Een paar kinderen begonnen te huilen. Het leek alsof het schip aan stukken werd gereten. Maar in werkelijkheid kwam de zee weer tot rust – stormwolken verdwenen sneller dan ze waren gekomen – Joeri had nooit eerder zoiets gezien. Het gebeurde binnen enkele seconden. Marith viel op haar knieën – vervolgens kwam ze als een levenloze lappenpop op het dek terecht. Joeri gooide de deur open en rende naar buiten, hij knielde neer en zocht naar een hartslag.

“Ze leeft,” zei hij. “Gelukkig.”

“De wolken trekken weg,” merkte Harm op.

Meer mannen en vrouwen waagden zich op het dek, wel bleven ze enigszins uit de buurt van Marith, voor zover dat mogelijk was. Ook de kinderen kwamen mee. Marith bewoog heel voorzichtig, Joeri stak zijn hand uit, omdat ze op wilde staan. “Waar zijn we?”, vroeg ze. Haar stem klonk zachter dan Joeri gewend was, eerder als het meisje uit zijn klas. Ze kreeg venijnige blikken terug, oude schipbreukelingen die dachten dat ze wist waar ze hen heen had gebracht.

Harm staarde omhoog – naar de sterren – hij zocht een vast punt in het noorden, of wat hij hoopte dat het noorden zou moeten zijn –  zoals een sterrenbeeld. Na een paar minuten staren, waarbij de wolken in hoog tempo verdwenen, stootte hij Elise aan. “Kijk – We zijn thuis,” zei Harm. “Daar heb je de poolster. Zie je hem? Het begin van het steelpannetje? Pal noord.”

“Ja, je hebt gelijk. Ik zie ook de grote beer,” zei Elise.

“Het betekent dat Marith ons thuis heeft gebracht.”

“Ze heeft woord gehouden,” zei Harry.

“De heks – bedoel je.”

“Het zag er spectaculair uit,” zei Reindert.

“En nu?”, vroeg Esmeralda.

“We zullen in oostelijke richting varen, aangezien we ons nu kunnen oriënteren op de poolster, zoals ooit de Vikingen hebben gedaan,” zei Harm. “Dáár willen we heen en nu zullen we na al die jaren thuis komen.” Hij wees naar een punt aan de horizon dat verlicht werd door talloze sterren en een maan die hen begeleidde.

*****

Ruim drie dagen later werden ze door een marineschip achterhaald. Joeri stelde geen opluchting vast, eerder angst voor wat er ging gebeuren. Ze moesten uitleggen waar al die tijd hadden uitgehangen, dus in een andere wereld, genaamd Alpaca.

Hij werd geleefd, het overkwam hen allemaal zonder enige uitzondering. Joeri kreeg een medisch onderzoek, er volgde een gesprek met een psycholoog en hij probeerde uit te leggen dat het geen enkel nut zou hebben om het verhaal te vertellen, omdat ze hem hoe dan ook niet ging geloven. Wel kwamen ze bijna allemaal voor op een lijst met vermiste personen. Aan de hand van biometrische gegevens, zoals die werden vastgelegd in paspoorten, konden functionarissen vrijwel alle identiteiten vaststellen. Familie kreeg te horen dat er min of meer een wonder was gebeurd. Hun vaders, moeders, broers en zussen waren terecht, al viel het erg moeilijk om te bepalen welke gebeurtenissen er zich nou precies hadden voorgedaan. Joeri vertelde de psycholoog dat het net een droom was geweest, een avontuur en hij werd wakker, zoals sommige leerlingen hun opstellen nog wel eens wilden eindigen. Het schip werd onderzocht door technici die vervolgens vaststelden dat er vreemde, min of meer buitenaardse sporen voorkwamen in het hout – de invloed van bijvoorbeeld een dubbelster. Ook werden er delen van een vliegtuig aangetroffen dat nog altijd rondvloog met inbegrip van de deur.

De scepsis veranderde in verbijstering, al belandde het nieuws in het begin niet eens in de media, het werd geheim gehouden. Ook bleek Marith een volmaakte dubbelganger te zijn van het meisje dat in de klas van Joeri zat, zelfde DNA, zelfde vingerafdrukken, alles bleek identiek. De meisjes deelden zelfs hun herinneringen, afgezien van Alpaca en ja – het meisje waarmee het avontuur van Joeri was begonnen had inderdaad een blekere huid dan haar positieve kopie.

Het duurde bijna twee weken voordat ze samen mochten eten. Joeri wist dat zijn werkgever hem officieel ziek had gemeld – hij lag inderdaad niet languit in de gang van het huis dat aan Marith en haar moeder toebehoorde.

Joeri schonk thee voor zichzelf in, nam twee broodjes, twee plakjes kaas en aardbeienjam. Daarna nam hij plaats aan een tafeltje. Niet veel later ging Marith tegenover hem zitten. Een broodje. Glas melk.

Een minuutje later volgden Harm en Elise, ze hadden allebei een bescheiden ontbijtje op hun dienblad liggen. “Ze beginnen het te snappen,” zei Harm.

“Is dat zo?”, vroeg Joeri.

“Ik heb – dinges verteld dat ik het andere meisje wil zien,” zei Marith die vervolgens een slokje melk nam.

“Waarom?”, vroeg Elise.

“Nieuwsgierig,” antwoordde Marith.

“Beste mensen,” zei Harry op nogal luide toon, “we staan in de krant – wereldwijd heb ik zelfs gehoord.”

“Volgens Harm beginnen ze het te begrijpen,” zei Eline die aardbeienjam op een croissantje smeerde.

“We kunnen een boek schrijven over ons leven op Alpaca – alles wat we hebben meegemaakt,” zei Paul, “een aardige bijverdienste, als je het mij vraagt.”

“We kunnen brood eten zonder er eerst een te hoeven bakken. Wat een fantastische luxe is dat,” zei Elise.

“Ja – er is echt, warm stromend water,” zei Harm.

“Voor altijd een schipbreukeling, al ben je thuis,” zei Paul die een nieuw kopje koffie ging halen, “hopelijk heeft mijn werkgever nog een baan voor me, mijn kennis is natuurlijk hopeloos verouderd – ik moet naar school, een heleboel leren – techniek gaat snel.”

“Niks gehoord nog?”, vroeg Elise.

“Nee,” antwoordde Paul.

“Slecht hoor,” zei Elise.

Een officier kwam de eetzaal binnen en wachtte totdat de gesprekken verstomden. Joeri zette het kopje op tafel. “Dames, heren, kinderen,” zei hij, “we gaan zo meteen afmeren in de haven – er zijn familieleden aanwezig – ik geloof dat iedereen er is. We hebben geen media toegelaten, aangezien we voor dit moment de hereniging met jullie verwanten belangrijker vinden dan emotionele plaatjes van mensen die elkaar vreselijk lang niet hebben gezien.”

“Waarvoor dank,” zei Harm.

Toch zou het heel lang duren voordat ze zich echt thuis zouden voelen.


Alpaca (10) Het vertrek van de Holland

Ze hadden al zolang in de buik van een vulkaan gewoond, werden er beschermd tegen massa’s regenwater die er nu en dan neervielen, maar de aanwezigheid van zoveel moderne technologie diende als basis voor nieuwe vindingen. De boot was gemaakt van hout, zoals Joeri al verwachtte, anders dan klassieke Vikingschepen was deze boot voorzien van een echte kajuit – Joeri liep op het dek – er stond een mast, dus ze konden gebruikmaken van de wind, als het al nodig was, want Roel en Harry hadden afgelopen periode een motor gebouwd die ook echt werkte – het moest een ongelofelijke zoektocht zijn geweest, maandenlang zoeken, alsof ze op een vuilnisbelt van vele vierkante kilometers groot naar geschikte onderdelen zochten. Joeri hoorde de uitleg van Roel die overduidelijk had gezegd niet zo nodig weg te hoeven, maar zijn kennis in dienst van de gemeenschap had gesteld en een schip gebouwd die voorzien was van een echte motor.

“Hij heeft gelijk, hoor,” zei Roel, “ik begrijp het wel. Natuurlijk moeten we vertrekken – we hebben er overigens al vele tientallen keren over gesproken.”

Joeri bestudeerde een ingenieuze constructie – een echt fornuis gemaakt van bakstenen, de vloer en wand er omheen waren beschermd met metaal afkomstig van – jawel – een vliegtuig. Hij had ooit eens op een zestiende-eeuws schip gestaan en een vergelijkbare constructie bestudeerd, al waren er toen andere materialen gebruikt, geen brandvast metaal zoals nu.

“We moeten brood  kunnen bakken,” zei Paul.

“Vlees,” zei Joeri.

“Je krijgt erg weinig vlees op Alpaca, het zou besmet kunnen zijn, dat kunnen we niet onderzoeken,” zei Paul. “Daarom kiezen we het zekere voor het onzekere. Het is niet altijd even prettig – ik ben altijd een vleeseter geweest – het is het eerste wat ik ga doen als ik weer thuis ben – een goeie biefstuk eten.”

“In de stad werd er vlees gegeten,” zei Joeri.

“Konijn, denk ik,” zei Paul.

“Ja.”

“De konijnen komen uit een vliegtuig,” zei Roel.

“Hoe was het om hier neer te komen?”, vroeg Joeri wiens eerste kennismaking met Alpaca anders was verlopen. Deze mannen hadden aan boord van een vliegtuig gezeten en verwachtten aan het eind van wat misschien een lange reis moest zijn geweest in Amsterdam of Parijs uit te stappen – in plaats daarvan kwamen ze op een woeste, vijandige planeet terecht.

“Jij zou het moeten weten,” merkte Roel op.

“Ik ben geen schipbreukeling,” reageerde Joeri.

Roel en Harry stopten met hun bezigheden.

“Marith – of beter gezegd – een doppelgänger die veel lijkt op het meisje – heeft me hierheen gestuurd – ineens stond ik op een vlakte tussen duizenden bomen die konden praten – ze huilden tranen van bloed. Mijn vinger was al in een takje veranderd. Daarom ben ik over de rand gesprongen – één van de boommensen zei het ook – het was de enige oplossing – het moest.”

“Dus toch,” zei Harry.

“Het meisje wil naar huis,” zei Paul.

“Wie niet?”, vroeg Joeri.

“Mijn zoon vertelde dat Marith opzettelijk de storm heeft laten losbarsten om zich te wreken op alle mensen in de stad – omdat ze iemand hebben gedood die door Marith ‘opa Koen’ wordt genoemd, ze heeft bij hem gewoond. Ze zou dit hebben verteld.”

“Tijd voor een goed gesprek,” zei Joeri.

Uiteraard zou hij alle verklaringen die verwezen naar bovennatuurlijke machten als onzin terzijde moeten schuiven. Toch wist hij sinds zijn aankomst op Alpaca dat hij dit niet langer mocht doen. Sinds de doppelgänger van Marith, het stille meisje uit zijn klas, Joeri naar een onbekende vijandige wereld had gestuurd. Hij had meer vreemde dingen gezien. Mensen die in bomen waren veranderd. Hij dreigde zelf eveneens te transformeren in zo’n boom en was vervolgens over de rand van een klif gesprongen, een daad waarmee hij zeker zijn eigen leven had gered – ofschoon het weinig met redelijkheid te maken had. Een complete stad wegvagen, omdat enkele soldaten verantwoordelijk waren voor de dood van opa Koen – dat was beslist onredelijk. Hoe zou Joeri een dergelijke verwoestende macht kunnen beheersen? Als onderwijzer wilde hij om te beginnen Marith duidelijk maken wat haar macht feitelijk inhield – zonder Marith mee te slepen naar de rivieroever om haar keihard te confronteren met de doden. In ieder geval zou hij Marith moeten laten inzien welke onvoorstelbare kracht ze diende te beheersen en zo mogelijk ook kanaliseren, hoewel de schipbreukelingen hun angst voor het meisje net zo goed onder controle moesten zien te houden, anders zouden ze nooit thuis komen.

De ochtend verliep heel geleidelijk in een middag die alle drukte met zich meebracht aan de vooravond van een lange reis, zo eentje die hen thuis moest brengen. Spullen werden naar de boot gebracht, iedereen werkte mee, ook Joeri, dus van een gesprek kwam voorlopig weinig terecht. Het ruim van de Holland, zoals het schip heette, werd helemaal volgestouwd. ’s Avonds, toen ze vermoeid wachtten op het eten, ging hij naast het meisje zitten dat al zat te knikkebollen.

“Je moet nog eventjes wakker blijven, Marith,” zei Joeri. Er lag een zakelijke klank in zijn stem waardoor ze direct haar ogen opende en aandachtig toekeek.

“Doe ik ook, meester Joeri.”

“Mooi. We moeten praten. Jij en ik.”

“Ja, dat weet ik.”

“Gelukkig. Enig idee waarover?”

“Nee,” zei ze.

“Ik heb gehoord dat jij de storm hebt gebruikt om de mensen in de stad te straffen voor wat ze opa Koen hebben aangedaan,” zei Joeri en Marith luisterde alleen, maar zei helemaal niets. Er zaten een paar mannen en vrouwen mee te luisteren die zich net zo min met het gesprek wilden bemoeien. Waarschijnlijk voelden ze zich nogal opgelucht, omdat ze dit niet met het meisje hoefden te bespreken. “Vroeger zou ik hebben gezegd dat dit onmogelijk zou zijn geweest, voordat een meisje, dat sterk op jou lijkt, mij hier, dus op Alpaca, terecht liet komen – ja, ze leek op jou – of lijkt op jou, want ik moet ervan uitgaan dat ze leeft.”

“Ik was alleen maar een beetje boos,” zei ze.

“Hoeveel mensen zijn er – denk je – die hetzelfde kunnen als jij?”, vroeg Joeri die korte tijd op een antwoord wachtte. Marith haalde haar schouders op als teken dat ze het niet wist. Dat was wel eerlijk. “Vermoedelijk heb je een talent geërfd van je vader. Ik weet het bijna zeker. Je hebt het van je vader, maar hij is niet de man die zich Dennis noemde tijdens ons avontuur met de luchtballon. De man waarvan je moeder heeft gezegd dat hij dood was gegaan en ja – je hebt je dapper gehouden, goed geacteerd, nadat we met de luchtballon waren ontsnapt. Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik het erg moeilijk vind, hoor. Dat geldt voor de meeste mensen die op dit moment bij ons in het dorp zijn.”

Haar lippen vormden twee woorden: ‘Dank je.’

“Het betekent dat je een grote gave hebt, Marith. Je kunt dingen laten gebeuren. Ik kan dat niet. Maar Roel en Harry, Elise en Harm kunnen dat evenmin, net als hun kinderen – je bent de enige – Dennis niet te vergeten – die kan dat ook – vermoedelijk is hij de reden waarom alle vliegtuigen hier zijn gecrasht.”

“Dat is heel slecht,” zei Marith.

“Zo’n zware storm over een stad heen laten komen – dat mag je ook helemaal niet doen – sterker nog – je mag het ook echt nooit meer doen. Het is niet goed.”

“Ik wilde het niet echt – ik dacht er alleen aan.”

“Je was erg boos vanwege opa Koen.”

Joeri zag de ogen van Marith heen en weer schieten.

“Ja,” zei ze.

“Misschien moet je maar eens – om te beginnen – een dagboek bijhouden – opschrijven wat je voelt, zodat je de emoties die in je lijf rondrazen op een andere, veel veiliger manier kunt laten ontsnappen. Tekenen mag ook, als je dat leuker vindt. Het helpt.”

Marith staarde naar Joeri en zei geen woord.

“Je mag er ook altijd over praten,” zei hij, terwijl zijn mondhoeken omhoog gingen, “maar opschrijven wat je voelt, tekenen – dat vind ik een heel goed idee.”

“Dan ga ik tekenen, denk ik,” zei ze.

“Zolang je – wat je voelt – maar niet opeet. Dat is voor niemand goed, voor jou en ons allemaal ook erg slecht. Uiteraard kun je er met mij over praten, of Elise,” zei Joeri die hierna even wachtte – want ze  luisterde aandachtig, zoveel was duidelijk, al bemoeide ze zich tot dusverre niet met het gesprek, “je kunt ook bij Elise terecht, ze vindt het vast goed.”

Elise knikte met haar hoofd. “Beslist.” Ze stond op en legde een hand op Mariths schouder. “We gaan bij de andere kinderen kijken, ze beginnen met eten.”

Ze liepen weg en Marith leek nog iets te vertellen, terwijl Joeri aan de woorden van het meisje dacht.

‘Ik was alleen maar een beetje boos.’

Harm stond vrij onverwacht naast Joeri en zei: “Het vreemdste gesprek dat ik ooit heb aangehoord en ik moet er ook echt elk woord van geloven. Mijn God. Ze heeft de stad weggevaagd om de dood van opa Koen te wreken – een complete stad, al snapt ze nauwelijks wat ze heeft aangericht. Wat een macht!”

“Hoe is Marith op Alpaca terechtgekomen?”, vroeg Reindert die het meisje net als iedereen nastaarde.

“Dat wist ze niet,” zei Joeri. “Ik geloof haar.”

“Is het belangrijk?”, vroeg Paul.

“Ja,” zei Harm. “Ze is de sleutel.”

“Joeri en Elise moeten proberen uit te vissen hoe ze de sleutel kan gebruiken – alleen zo komen we thuis.”

“Inderdaad,” zei Joeri. “Dankzij opa Koen die voorkwam dat ze zou worden misbruikt als seksslavin, hij heeft een eerdere ramp uitgesteld. We mogen de oude Koen heel erg dankbaar zijn.”

“Wat is er met hem gebeurd?”, vroeg Reindert.

“Hij heeft zich dood laten slaan, zodat Marith en ik konden ontsnappen – ze heeft alles gezien – alles.”

“Jee, wat erg.”

“Daarna wist Dennis op het vlot te klimmen, de ballon had op dat moment al een aardige hoogte gekregen. Hij leek sterk op de vader van Marith, maar in werkelijkheid bleek hij de doppelgänger te zijn.”

“Twee kanten van dezelfde medaille, als een persoonlijkheid die zich heeft opgesplitst, het doet me een beetje denken aan Jekyll en Hide,” zei Harm.

“Daar lijkt het op, maar ik weet niet goed of het klopt – mijn intuïtie zegt dat het anders zit. Ik bedoel – Marith lijkt een heel normaal meisje, denkt heel gewone dingen, net als alle andere kinderen, maar ze heeft de griezelige gave om de dingen echt te laten gebeuren.”

“Goed en slecht – dat bedoel je?”, vroeg Reindert.

“Precies. Ze is niet anders dan andere kinderen.”

“Ze lijkt op een mutant,” zei Harm.

“Marith brengt ons thuis,” zei Joeri.

De volgende ochtend daalden ze allemaal voor een laatste keer de helling af – Joeri en Marith liepen bijna achteraan – het meisje leek het gesprek van gisteren alweer te zijn vergeten. Gelukkig dreven er geen lichamen meer in het water, al zouden ze er onderweg nog een stel tegen kunnen komen. Ongeveer dertig meter onder de top veranderden plantjes in een ondoordringbare jungle, afgezien van de brede strook die door de bewoners van het dorp vrij was gemaakt, omdat ze hout nodig hadden gehad voor een boot – daarna bleven ze nieuwe aangroei wegbranden – zo had Harm uitgelegd – een vrij uitzicht op de rivier was cruciaal geweest voor de dorpelingen. Joeri zag ernstige gezichten van mannen en vrouwen die een vertrek diep in hun hart betreurden – zoveel was wel duidelijk – de boodschap lag in vrijwel alle ogen, ook die van Harm – bovendien waren ze afhankelijk van een tienjarig meisje, een machtige heks, al snapte ze nauwelijks wat ze had aangericht. Joeri maakte zich zorgen. Zouden hun reisgenoten begrip opbrengen voor het meisje als het tijdens de reis een keer flink tegenzat? Of zouden ze Marith keihard de schuld geven van de problemen die er waren? Omdat ze een zondebok nodig hadden – de geschiedenis was nu eenmaal rijk aan zondebokken en je moest tenslotte iemand de schuld kunnen geven van je ellende.

Ze gingen aan boord – iedereen – één voor éen – eerst een paar mannen, gevolgd door de vrouwen en kinderen – Joeri duwde Marith naar de loopplank, al leek ze totaal geen haast te hebben. Harm en een paar andere mannen, waaronder Reindert, bleven aan de wal – ze stonden te overleggen. Koppen waren geteld. Eerder al. Joeri stond aan dek en hoorde een zesjarig meisje zeggen: “Mijn broer zegt dat jij niet mee naar huis zult gaat – je blijft hier.” Hij draaide zijn hoofd – een meisje genaamd Hilde sprak tegen Marith die op haar beurt haar schouders ophaalde en op zeer overtuigende wijze liet blijken dat ze ook niet wist waar Hilde het over had. De moeder van Hilde trok een ietwat streng gezicht, alsof Hilde wist dat ze dit onderwerp beslist niet mocht bespreken. Met zijn tweeën verdwenen ze in de kajuit, maar Hilde maakte een lange neus, alsof ze het toch echt wel leuk vond.

“Ze heeft een hekel aan me,” zei Marith.

“Je kunt iets bijzonders,” zei Joeri die op het dek ging zitten, terwijl er een schaduw over hem heen viel.

“Ben ik nou een heks?”, vroeg Marith.

“Het lijkt erop, ja,” zei Joeri, “maar er zijn goede heksen en slechte – je bepaalt zelf wat je bent.”

“Dus – dat van de stad Alpaca is echt waar?”

“Ja.”


Alpaca (9) De nomaden

De mannen liepen naar beneden, ondertussen werden de lichamen meegevoerd door een stroom die veel sneller ging dan twee dagen eerder. Het was een opvallend verschil. Geen stilstaand water meer. Joeri vroeg zich af of het nu betekende dat de ghouls erin waren geslaagd om de stad binnen te dringen. Hij bestudeerde de gezichtsuitdrukking van Harm, beneden stonden er al een paar mannen op de rivieroever toe te kijken.

“Het zijn er zo ontzettend veel,” mompelde hij.

Er lag een stoffelijk overschot op de oever, mannen hadden het lichaam uit het water gehaald en begonnen het te bestuderen. Joeri hoorde geen enkele stem die commentaar gaf, maar ze dachten allemaal zonder enige uitzondering exact hetzelfde. Waren het inderdaad lijkenvreters geweest, ghouls, die hun aangevreten slachtoffers weg hadden laten drijven? Paul, zoals de man heette die het lijk onderzocht, trok eerst de mond open en stelde vast dat er geen tanden leken te zijn. Ook wekte de dode een uitgeteerde indruk, mager gezicht, behoorlijk slecht gevoed, gedurende een langere periode. “De transformaties vergen nogal wat van een mens,” zei Paul, “je wordt er bepaald niet gezonder van, maar er valt zo weinig over te zeggen, zeker als ze al dood zijn gegaan.”

“’s Nachts veranderen ze,” zei Harm die naar Joeri staarde en al vreesde dat dit nou precies de betekenis van Pauls woorden moest zijn – overdag een mens, na zonsondergang transformeerden ze in ghouls.

“Was ik al bang voor, ja.”

Squids is weg,” zei een man die Harry bleek te heten. Hij staarde aandachtig in het water dat nogal helder was, het oogde veel schoner dan twee dagen geleden.

“De stroming is omgedraaid,” stelde Joeri vast, “om die reden zien we de lichamen voorbij komen, anders zouden we zelfs nooit hebben geweten dat er daarginds een ramp is gebeurd. Marith en ik hebben enorme massa’s ghouls in de duinen zien lopen, toen we passeerden met de luchtballon – echt massa’s.”

Paul en Harry haalden een ander slachtoffer uit de rivier, een vrouw die goed gekleed was, een rijke stedeling, zo te zien, ze had een grote aanzien genoten. Bovendien bleek ze haar tanden te hebben.

“Leg mij nu maar eens uit wat er is gebeurd,” zei een andere man die een flinke baard had – Reindert.

“Het is de storm geweest,” zei Joeri die stroomopwaarts keek en probeerde te tellen hoeveel lichamen er nog onderweg waren naar een onbekend punt ver in het binnenland, ergens zouden er geen eilanden meer mogen zijn en stroomde er alleen een rivier die hoog in de bergen begon, maar de Amazone was net zo goed een rivier die een afwijkende stroming had – net als hier nu – maar dit was anders.

“En die heeft de stad weggevaagd,” vulde Harm aan.

“Inderdaad. Dat is wat ik denk. Er zullen best ghouls het slachtoffer zijn geworden, verdronken met andere woorden, al weet ik niet eens of dat wel kan. Leven ze? Zoals wij leven? Of zijn het levende doden die bij voorkeur vers vlees mensenvlees nodig hebben?”

“Als zombies?”, vroeg Paul.

“Ja.”

“De vrouw is verdronken,” zei Harry. “Net als die ander trouwens. Joeri zou best gelijk kunnen hebben.”

Joeri keek naar een boom die tijdens de storm omgevallen was en voor een deel in het water lag.

“Hoe is de boot eraan toe?”, vroeg Harm.

“Een paar reparaties – we hadden ons voorbereid op een eventuele storm – het is niet de eerste keer,” zei Paul. “We hebben een dagje nodig om de boel in orde te krijgen met inbegrip van de voorraden die we aan boord moeten brengen – gesteld dat we weg willen.”

“Je bent een voorstander van vertrek – ik weet het,” zei Harm die ondertussen naar de dode vrouw keek.

“Het is slecht nieuws, hè?”, vroeg Reindert.

Joeri dacht aan vliegen die in een zomerse nacht werden aangetrokken door een felle lamp. Nu hun oude lamp was verdwenen in een storm, zouden ze hoogstwaarschijnlijk op zoek gaan naar een nieuwe lamp, ook al zou het alternatief minder fel licht geven.

“Je had het over ghouls,” zei Harm, “voordat Harry met zijn opmerking kwam. Ik weet er gewoon veel te weinig van. Je zou gelijk kunnen hebben. Mensen die veranderen in ghouls werden over de muur gegooid.”

“Is het een ziekte? Als een besmetting?”

“We hebben geen middelen om het goed te onderzoeken – helaas – maar vermoeden dat het te maken moet hebben met besmet vlees – vermoeden,” zei Harm, “een bacteriële besmetting, of een virus.”

“Nu zullen niet alle ghouls hierheen komen, tenzij je zou moeten spreken van een eenduidig organisme dat uit verschillende individuen bestaat,” Joeri dacht aan de massa’s ghouls die hij in de duinen had gezien, aangetrokken door de stad, alsof ze werden gedreven door een gemeenschappelijke macht – één gedachte. “Ik vermoed dat we onze spullen bij elkaar moeten pakken en zo snel mogelijk vertrekken voordat de ghouls onze schuilplaats hebben gevonden – een kwestie van tijd – nu hebben we het initiatief – als ze eenmaal hier zijn, dringen ze ons in de verdediging.”

“Dan kunnen we niet eens meer weg, al zouden we willen,” zei Harm – de andere mannen zwegen.

“Waarom denk je dat ze hierheen komen?”, vroeg Reindert. Zijn vingers leken zijn baard vast te houden.

“We zijn levend vlees en bloed en dus interessant,” zei Joeri, “ik heb, zoals gezegd, onderweg hierheen vele massa’s van die monsters gezien, net als Marith trouwens, we hebben samen naar beneden gekeken.”

“En dan? Waar moeten we naar toe?”, vroeg Harry.

“Dit is voor mij thuis,” zei een man die Roel heette en zich tot dusverre buiten de discussie had gehouden.

“Holland is thuis, dit niet,” zei Paul.

“Hier zijn we op zijn best nomaden,” zei Harm.

“Of dacht je soms dat we hier altijd zouden blijven?”, vroeg Paul die Roel langere tijd aankeek. “Waarom zouden we de boot anders hebben gebouwd?”

“Moeten we roeien?’, vroeg Joeri.

“Nee, de mannen hebben een motor gebouwd, er ligt hier zat materiaal – zelfs brandstof, gelukkig is niet alles verbrand tijdens de crashes van vliegtuigen.”

“We hebben een ook een kajuit gebouwd en een kombuis,” zei Harm. “Roel en Harry zijn ingenieurs, techneuten, die zich niet wilden begraven in de stad. Ik kan goed barbecueën – daar ben ik wel goed in.”

“Waar is de boot?”

“Eindje verderop – we hebben hem afgemeerd in een natuurlijk haventje, heel veilig, al krijg ik soms pijn m’n kop als er weer een storm uitbreekt,” zei Paul.

“We moeten terug naar – het dorp,” zei Harm, “en de zaak bespreken, zodat iedereen goed snapt wat er op het spel staat – ook wat je mag verwachten, als we bijvoorbeeld alsnog zouden besluiten hier te blijven. We gaan als groep, of blijven als groep.”

Harm en Paul lieten de dode vrouw terug in het water glijden, ze draaiden zich om en gingen de berg op. Joeri liep zo’n beetje achteraan, schuin achter Roel, die in het kort uitlegde hoe ze de motor hadden gebouwd, een technisch verhaal en Joeri luisterde half – het belangrijkste was dat de motor het ook deed. Joeri keek omhoog en zag de hoofden van vrouwen boven de muur uitsteken – geen kinderen – er werd heel weinig gesproken, maar vooral gekeken naar de grote aantallen lichamen die nog steeds langsdreven.

Ze beklommen de ladders, hesen zichzelf over de muur en stapten enkele ogenblikken later in de stoffige bodem, Joeri als laatste. Harm zei tegen Elise: “We moeten een belangrijk besluit nemen.”

Marith ging naast Joeri zitten, terwijl mannen, vrouwen en kinderen letterlijk overal vandaan kwamen. Ze keek weliswaar eventjes omhoog, er lag een ernstige blik in haar ogen, alsof ze allang wist, zonder het zelfs te hebben gezien, wat er was gebeurd.

“De situatie is als volgt,” zei Harm die op een duidelijke, docerende toon begon te praten, “de storm heeft – zeer waarschijnlijk – de stad van de – eh – planeet weggevaagd, gezien het aantal slachtoffers in de rivier.” Hij zweeg heel even en bestudeerde de gezichten van alle aanwezigen, zeker ook kinderen. “Uiteraard hebben we geen enkele zekerheid. We zouden een afvaardiging kunnen sturen, een groep die poolshoogte gaat nemen in de stad om te onderzoeken of er inderdaad is gebeurd wat we momenteel denken. Aangezien we ook de humane verplichting hebben om te zoeken naar overlevenden.” Een vrouw wilde hem onderbreken, maar hij gebaarde heel even, een teken dat hij eerst zijn complete verhaal wilde doen. “Probleem is natuurlijk de aanwezigheid van ghouls, de lijkenvreters, zoals we normaliter omschrijven. Er zijn er heel veel van, aldus Joeri. Grote aantallen.”

“Echt wel,” zei Marith.

“De vraag is of we het ons kunnen veroorloven om een groep samen te stellen die gaat zoeken naar overlevenden, aangezien die net zo goed besmet kunnen zijn geraakt door de ghouls – het is een risico en ik wil er eerlijk gezegd geen goede krachten aan opofferen. Eerder al hebben we gekozen om hier te blijven – in tegenstelling tot de andere schipbreukelingen. Bovendien,” zei Harm, “nu komen we tot de kern van de kwestie – het is denkbaar dat de ghouls op zoek gaan naar nieuwe slachtoffers, omdat hun oude doelwit niet langer bestaat, door de storm, het is heel waarschijnlijk dat ze vroeg of laat ons dorp zullen bereiken. Een kwestie van tijd. Dus moeten we een keuze maken. Blijven of gaan! Als we besluiten te blijven, dan zouden we eerdaags niet eens meer kùnnen vertrekken. Het is een hels dilemma.”

“Hoelang gaat het duren voordat die krengen hier zijn?”, vroeg een jonge vrouw die Esmeralda heette.

Harm haalde verontschuldigend zijn schouders op. “Geen idee. Een dag, een week, een maand, half jaar. Wat ik iedereen duidelijk probeer te maken; zie je, vandaag hebben we ons lot zelf in de hand, morgen misschien niet meer, dan wordt er voor ons gekozen.”

“Joeri – jij hebt die krengen gezien,” zei Esmeralda. “Zijn het er echt zoveel?” Ze keek gespannen toe.

“Ja,” antwoordde hij.

“Maar dan moeten we toch wel vertrekken!”, zei Esmeralda die om zich heen keek en overduidelijk bevestiging zocht voor de mening die ze had gegeven.

Joeri zag enkele mannen en vrouwen die knikten met hun hoofd, er was geen enthousiasme, want ze begaven zich in een ongekend avontuur vol nieuwe gevaren. De enige kans om over hun eigen lot te beschikken. Joeri was sowieso niet van plan om in een vulkaangrot te blijven wonen, maar zou Marith nooit hebben kunnen achterlaten bij deze mensen.

“Wanneer gaan we?”, vroeg een zekere Marianne.

“Over twee – nee – drie dagen,” zei Harm, “zodat we ons vertrek goed voor kunnen bereiden – de rivier is dan weer schoon – laten we het hopen in elk geval – en het geeft eventuele overlevenden de kans om ons dorp te bereiken – die plicht hebben we immers ook.”

“Wat is er in de rivier, mama?”, vroeg een jongen.

“Een hoop rommel,” zei de moeder die er een streng gezicht bij trok, zodat hij er geen nieuwe vragen bij stelde. Uiteraard waren er een hoop mensen die mee stonden te luisteren. De vraag kwam toch een keer.

De mensen om hem heen begonnen te overleggen hoe ze hun spullen moesten inpakken – een vreemde aanblik, aangezien ze in primitieve omstandigheden moesten leven en wel degelijk moderne rolkoffers hadden kunnen redden, ook beschikten ze over voldoende kleding. Elise nam plaats op een stoel naast de zijne. “Hoe gaat het?”

“Je hebt je werk goed gedaan,” zei hij.

“Mooi.”

“Ik vond de reactie van de groep – nogal – lauw.”

“De verhalen over ghouls, zoals jij ze noemt, kennen we uiteraard heel goed, al hebben we ze nooit hier op de helling gezien – net zo goed als de stormen die er op Alpaca kunnen woeden, geen verstandige plek voor een stad – maar ja – een rivier, voldoende vis, een beetje landbouw en vee – ik snapte het best wel goed – ik was er bijna heengegaan.”

“Je kunt hier sowieso niet blijven,” zei Joeri.

“Waarom niet?”

“Je hebt de plicht – tegenover de kinderen – om terug te keren naar huis – er ligt hier totaal geen toekomst.”

“Daarom reageren we ook zo lauw. We beseffen dit allang. Al is het moment toch een beetje onverwacht. We hebben allemaal gestemd vóór vertrek, om die reden zijn we destijds een boot gaan bouwen. Roel en Paul zeiden dat ze voor een werkende motor konden zorgen.” Elise keek eventjes om zich heen en zag Marith tussen de andere kinderen die aan spelen waren. “Er ontbrak altijd een reisdoel, we konden nergens naar toe. Harm wilde altijd het binnenland verkennen. Hij verwachtte er veel van, omdat het er veiliger zou zijn.” Elise keek Joeri in de ogen. “Ze heeft geen flauw idee, hè? Marith, jij noemt haar zo.”

“Ik snap je niet zo goed.”

“De heks van Alpaca, beste Joeri. Je hebt er met Harm over gesproken – dat hebben jullie gisteren gedaan. Ik ben er niet bij geweest – heb het gehoord.”

“Ze heet Marith. Ze is een leerlinge van mij.”

“Er wordt gezegd dat – Marith de storm zelf in gang heeft gezet nadat jullie hier binnen zijn gekomen.”


Alpaca (7) Het eiland van de schipbreukelingen

Ze trokken zichzelf op de oever van een eiland en Marith gilde: “Hij heeft me geduwd – geduwd!” Door het water bleven de tranen onzichtbaar, toch wist Joeri heel zeker dat ze er waren. Joeri zocht naar onbekende roofdieren, terwijl de ballon vrij snel verdween. Dennis liet zich niet eens zien, of wist dat ze zich hadden weten te redden. Er heerste een aangename temperatuur, subtropisch.

“Waarom dacht je dat je vader dood was?”, vroeg hij.

Marith zwaaide met een gebalde vuist naar de luchtballon die al honderden meters verderop hing.

“Smeerlap!”, riep ze.

Joeri wachtte af, probeerde geen antwoord te forceren. Er zou vanzelf wel een reactie volgen.

“Ik was bang,” zei Marith.

“Waarom?”

“Hij rook zelfs anders, nee, hij stonk gewoon.”

“Je bedoelt – Dennis?”

“Ja, natuurlijk,” zei Marith die nog altijd naar de luchtballon stond te staren en heel erg boos was, ze veegde enkele tranen weg die over haar wang rolden.

“Dan heb je mij gefopt – en Dennis ook.”

“Volgens mama heb ik – soort van – twee vaders – eentje is dag, de ander nacht, goed en slecht,” zei Marith, “de slechte is hier – op Alpaca.”

“Kan het gebeuren dat er eentje doodgaat, terwijl de ander gewoon verder gaat met zijn leven?”, vroeg hij.

Ze haalde haar schouders op, kennelijk had ze nooit eerder iemand gesproken die dit kon uitleggen, of zelfs de ervaring had opgedaan, zoals Joeri en Marith. Het meisje was bang geweest, had niets laten merken, zich zo normaal mogelijk gedragen en ook Joeri daarmee voor de gek gehouden – hij droeg zichzelf op beter op te letten, als ze weer zoiets ging doen.

“Hij is niet papa, maar Dennis – stomme Dennis.”

“Je hebt het goed gedaan,” zei Joeri.

“En nu?’, vroeg ze. Het onderwerp leek afgedaan te zijn voor Marith die zich omdraaide, alsof de luchtballon daarmee meteen uit haar geheugen was verdwenen. Joeri volgde haar kijkrichting. Hij vond het een slechte plek, veel water, gevaarlijke wezens die zich verborgen hielden om onverwacht toe te slaan, zoals de vismensen die hij had gezien. Een raadselachtige plek, aangezien de vliegtuigen, afkomstig uit zijn eigen, vertrouwde wereld, hier waren neergestort. Opa Koen had ongelijk gehad, er waren meer steden en gemeenschappen op de wereld die Alpaca genoemd werd. De overlevenden hadden zich vermoedelijk in alle richtingen verspreid, levens opgebouwd, omdat ze onmogelijk terug konden keren. De rivier zonder duidelijke oevers meanderde kalmpjes door een landschap dat bezaaid was met eilanden. Er lagen vliegtuigwrakken, maar die waren er lang geleden neergekomen – gras, mos, onbekende planten en struiken overwoekerden de brokstukken.

“Een boot, een kano of zo, zodat we verder kunnen reizen,” zei Joeri, “en anders moet ik een vlot bouwen, ook leuk om te doen, wel erg lang geleden.”

“Heb je wel eens een vlot gebouwd?”

“Ja – met mijn vader.”

“Waarom?”

Joeri glimlachte heel even. “Hij vond dat je dat gewoon moest kunnen, een vlot bouwen. Wat je er ook van vindt – het was ontzettend leuk om te doen.” Hij raapte een stok van de bodem, omdat hij de diepte wilde peilen – misschien konden ze naar een ander eiland lopen, omdat het water doorwaadbaar was. “Zullen we het er maar eens op wagen?”, vroeg hij.

“Wat?”

“Oversteken natuurlijk.”

“Ik kan natuurlijk wel zwemmen,” zei Marith.

“Misschien valt het mee,” zei Joeri die terugdacht aan het wapen dat hij had laten vallen, het water leek bij die gelegenheid erg diep te zijn – al viel het misschien mee – hij zou zijn revolver terug moeten zien te vinden. Een vuurwapen op zak was altijd handig.

Hij stapte in het water – inderdaad, niet zo erg diep, maar zijn onderbenen verdwenen in een donkere smurrie, een groengrijze substantie die zich als een wolk door het water begon te verspreiden – een levende wolk zelfs, want hij voelde akelige steken. Joeri liet zich achterover vallen, belandde op de oever en trok zijn voeten snel omhoog – hij sloeg met de stok op zijn onderbenen – om de troep te verwijderen – vies, smerig en stinkend, net een amoebe, hij had er zelfs geen andere naam voor. Zijn spijkerbroek kleurde een beetje rood, dus de weg door het water mocht hij nu wel zo’n beetje vergeten, want ze zouden de overtocht niet eens overleven. “Bah,” mompelde hij, terwijl Marith hem met grote ogen aankeek. Joeri gebruikte een platte steen om de laatste resten te verwijderen, maar het spul, de resten van een soort levend organisme, niet eens dood, zoals hij eerst dacht, stierf erg snel af, zodra het op het droge was.

“Jèk! Wat is dat?”

“Iets gevaarlijks,” zei hij. “We zullen toch echt een vlot moeten bouwen om van het eiland af te komen. Zwemmend zou het misschien lukken, maar ik durf het nu eerlijk gezegd niet zo goed meer aan. We gaan in plaats daarvan het eiland verkennen, eten zoeken, inmiddels heb ik, net als jij, een stevige trek gekregen, er moet allicht ergens iets zijn dat je kunt eten.”

“Je bloedt, meester Joeri.”

“Ik weet het.”

“Misschien is er schoon water en kun je je wassen.”

“Laten we het hopen.”

Ze bevonden zich op een smalle oever, een strookje aarde dat meestal verdween onder water, dat was duidelijk te zien, er waren sporen die duidden op een geregelde overstroming. Daarachter lag een groenbruine haag van bomen en struiken, ook herkende hij de witte glinstering van een vliegtuigromp, zoals je die overal tegenkwam. “We volgen het – eh – strand, Marith. Misschien vinden we een pad dat gemaakt is door mensen die hier wonen.” Er moesten gestrande reizigers op het eiland zijn, of hun nakomelingen, aangezien er altijd mensen achterbleven die geen zin hadden in een riskant en onbestemd avontuur elders. “En blijf uit de buurt van het water,” zei hij, “want je weet hier maar nooit.”

Marith knikte eenmaal en ging links van hem lopen. Het was jammer dat zijn revolver daarginds ergens op de bodem van de rivier lag, maar het was te riskant om er verdere verwondingen voor op te lopen, zijn benen deden een beetje pijn, maar hij bloedde niet langer – het was alweer gestopt en misschien hield hij er een tijdje last van – een paar dagen. Straks zou hij wel kijken. Als ze een rustige plek hadden gevonden.

Na bijna een kilometer vonden ze een brede strook grond, een passage tussen de onherbergzame jungle, die plat gewalst oogde, er lagen geknakte bomen met zwart geblakerde stammen, er stonden struiken die kort geleden waren verbrand, toch zag Joeri meteen dat de plek weer groen begon te worden. Joeri en Marith keken elkaar aan, ze zeiden niets, want het was volkomen duidelijk wat ze gingen doen – landinwaarts, het was een ideale kans, ze hoefden zich niet door een vijandig en gevaarlijk gebied te worstelen, langs takken met scherpe doornen. Joeri moest denken aan een snelweg die dwars door een natuurgebied aangelegd moest worden, maar de werkzaamheden waren om onbekende redenen gestaakt en de natuur hernam haar oude rechten. Toch moesten ze op hun hoede zijn.

Ze hervatten de tocht, Marith bleef aan de linkerzijde van Joeri lopen, terwijl de twee zonnen, die een hoog punt boven de horizon hadden bereikt, schuil begonnen te gaan achter een dicht wolkendek. Hij keek opzij – naar de wolken – die er anders uitzagen dan gisteren, toen hij op het strand ontwaakte. Er had een mistwolk gehangen over een groot gebied en Joeri dacht even dat het een permanente toestand was. Boven de horizon lag een donkere, blauwe grijze streep die slecht nieuws betekende voor Joeri en Marith, aangezien ze snel onderdak moesten vinden. Ze volgde zijn kijkrichting en trok een verveeld gezicht, maar zei verder helemaal niets. Joeri hoopte alleen dat er verderop een nederzetting wachtte, vriendelijke mensen die hen allebei wilden helpen.

Hij bleef staan bij een boom die op een geknotte wilg leek, net als op de hoogvlakte, aan het begin van zijn avontuur, maar hij had nooit verwacht het resultaat van zo’n vreemde betovering hier aan te zullen treffen. Natuurlijk lagen er overal wrakstukken, steeds maar weer hetzelfde beeld, straal motoren, vleugels die waren afgebroken, delen van een romp met stoelen. Opnieuw zag hij een griezelige mengeling van tranen en bloed langs de stam druipen. Hij schudde met zijn hoofd, keek naar de horizon die echt donker begon te worden.

“Kom, we moeten opschieten.”

Ze begonnen weer te lopen, Marith keek eventjes omhoog – naar Joeri – ze leek iets te willen zeggen, maar besloot te zwijgen, aangezien het geen nut zou hebben. Ongetwijfeld wilde ze vragen om eten. Hij legde zijn hand op haar rug – de landingsstrook begon heel geleidelijk te stijgen, bodem werd ook droger, zandkorrels dwarrelden omhoog, als stof – ver vooruit ontdekten ze een rotsformatie, geen bergen, maar kleiner, heuvels, of resten van oude bergen, misschien een vulkaan die vele millennia terug voor het laatst was uitgebarsten – hij wist het niet zeker, maar Joeri besloot dat hij net zo goed het hoogste punt op zou zoeken, aangezien er een geringe kans op overstroming bestond.

“Bergen,” merkte Marith op.

“Soort van – misschien een dode vulkaan.”

“Wonen er mensen?”

“Dat weten we snel genoeg.”

Hij wierp een snelle blik over zijn schouder en zag de wolken sneller dichterbij komen, als een bovennatuurlijk monster dat het land van Alpaca wilde overvallen met woeste slagregens en harde wind. Enkele honderden meters verder werd het duidelijk dat er rond een deel van de vulkaan, want zo bleef hij hem voor zichzelf noemen, een muur was gebouwd, geen keurige bakstenen zoals de stad Alpaca, maar rotsblokken die slordig op elkaar waren gestapeld – hij zocht een ingang, bewoners, als ze er al waren.

Plots stak er gedurende een fractie van een seconde een hoofd boven de omheining uit – de muur – er zou een plateau gebouwd moeten zijn, daar stond de vrouw op – uiteraard – het was een vrouw die ze zagen – Joeri zwaaide met zijn arm, heel overdreven, om aandacht te trekken, maar ze moest hen al een flinke tijd in de gaten hebben – misschien vanaf het moment dat ze via de corridor landinwaarts waren gaan lopen, want zo’n strategische plek was het. De vrouw keek omlaag en voerde een gesprek dat onhoorbaar was voor zowel Joeri als Marith, ze schudde haar hoofd – ze kon het net zo min verstaan. Ze waren te ver weg.

Ze bleven staan, niet al te dichtbij, een keurige afstand, hoewel Marith stond te popelen om het fort binnen te gaan – Joeri had nog niet eens ontdekt hoe ze dat voor elkaar moesten krijgen, of ze zouden over de rand mogen klimmen – met behulp van een ladder.

“Hallo. Ik ben Joeri. En het meisje heet Marith.”

Ook de luchtballon hadden ze goed kunnen volgen, ze wisten dat ze er allebei vanaf waren geduwd door een onbekend iemand – Dennis, een doppelgänger, iemand die heel sterk deed denken aan de vader van Marith, maar hem ook zeer beslist niet was – een vader deed zulke absurde dingen nu eenmaal niet. 

“Kom jullie uit de stad?”

“Ja. We zijn ontsnapt.”

“Met de ballon. Toch is het fout gegaan. Iemand heeft jullie naar beneden geduwd. Ik heb het zelf gezien,” zei de vrouw en ze keek naar de verte, alsof ze ter bevestiging zocht naar de ballon die nog te zien was.

“Dennis, een man die lijkt op de vader van Marith, maar in werkelijkheid is hij een doppelgänger.”

“Twee mannen, twee geesten, een goede en een slechte.”

“Inderdaad,” zei Joeri.

De vrouw keek naar Marith. “Of een meisje.”

“Echt niet,” zei Marith, “ik ben uniek, er is er maar eentje zoals ik, er zijn er geen twee en dat is echt zo.”

“Ben je gewapend, Joeri?”, vroeg de vrouw die de opmerkingen van Marith volledig negeerde.

“Ik ben een revolver kwijtgeraakt in het water.”

“Je hebt contact gemaakt met Squids, een uniek wezen, volkomen onschadelijk, tot je er in trapt.”

“Ben een beetje gewond.”

“Die zullen we verzorgen,” zei ze. “Ogenblik.”

Aan de andere zijde werd er een ladder aangegeven die de vrouw omlaag stak, Joeri plaatste hem wat beter in het rulle zand en beduidde Marith omhoog te gaan – ze aarzelde eerst nog, maar hij gebaarde ongeduldig. In de verte klonk dreigend gerommel, de storm begon sneller dichterbij te komen. “Hop – klimmen, dat heb je op school ook vaak zat gedaan.”

Joeri volgde ogenblikkelijk – de vrouw, die zich niet had voorgesteld, pakte Marith vast en tilde haar over de rand – Joeri hees zichzelf moeizaam over muur, liet zich rustig zakken, hij klom voorzichtig naar beneden. Zijn benen deden meer pijn dan hij had gedacht. De vrouw trok zijn broekspijp omhoog en floot eventjes. “Dat moeten we goed verzorgen.”

Beneden hadden er zich enkele mannen en vrouwen verzameld, uiteraard ook een paar kinderen die zich op de voorgrond hadden gedrongen – Marith keek een beetje onwennig om zich heen – Joeri liet zich verder omlaag zakken, stapte op de harde bodem en hoorde ineens een jongetje van ongeveer elf jaar zeggen: “Mama – Is dat meisje nou een echte heks?”


Alpaca (5) Het duel

Alleen een klein gezelschap mocht het paleis betreden, Joeri herkende enkele bewoners van krotwoningen nabij de stadsmuren, maar ze werden geweigerd en de soldaten gebruikten zelfs hun speren. Een officier knikte langzaam met zijn hoofd, staarde aandachtig naar Marith die ongegeneerd terugkeek. Ze toonde geen enkele angst, ging ook niet dichterbij Joeri of Koen lopen. Stemmen van toeschouwers verstomden, terwijl ze passeerden – Joeri begreep heel goed dat hij de stad onmogelijk had kunnen ontvluchten.

Eerst de poort, toen het binnenplein – het herinnerde enigszins aan het Louvre in Parijs, bedacht Joeri, eerder een paleis dan kasteel. In het midden lag een geïmproviseerde arena, een rechthoek bestaand uit zand en wachtposten die elke ontsnapping zouden moeten voorkomen. Joeri vond de tribune die voor de edele koninklijke familie was opgericht en – natuurlijk – een paar genodigden. Het tafeltje, met daarop de wapens waaruit hij mocht kiezen, ontdekte hij veel later pas, aangezien de luchtballon zijn interesse trok – een mogelijkheid om te ontsnappen, zoveel was duidelijk.

“Ga maar bij de ballon kijken,” zei Joeri.

Marith knikte opgewekt, Koen reageerde nauwelijks, maar staarde naar de enorme luchtballon die het binnenplein domineerde – onzichtbaar voor de wereld erbuiten, alsof er geen wereld bestond buiten het paleis, aangezien deze mensen alleen hier verbleven.

“En jij dan?”, vroeg Marith.

Een officier kwam in zijn richting, het was dezelfde man die hem gisteren had toegebeten dat het duel op het noenuur zou beginnen, nee, plaatsvinden. “Ik heb een afspraak voor een duel, dat weet je,” zei Joeri. Hij bestudeerde nog snel de luchtballon; geen klassieke mand of zo, maar een houten plateau, vermoedelijk het toneel van talloze gevechten die op een grotere hoogte werden gevoerd.  Gelukkig geen stalen kabels, maar gewoon touw, dus die kon je doormidden hakken met een bijl of zwaard.

“Je bent er, niet slecht voor een buitenstaander,” zei de officier die het kennelijk onnodig vond zijn naam te noemen voor een man zoals Joeri. “We beginnen.”

Koen sprak enkele onverstaanbare woorden tegen Marith, ze liepen verder en Joeri volgde de officier. Voor het eerst voelde hij een zekere beklemming in zijn maag, een tikje nerveus, hij zocht zijn tegenstander, mogelijk een reusachtige kerel die Joeri kansloos zou laten in een rechtstreeks gevecht. Hij moest slimmer zijn en een geschikt wapen kiezen, zoals een speer, Joeri had er eerder mee gewerkt, als atleet, voor hem het was een sterk onderdeel geweest. Hij werd aan het publiek voorgesteld, ze wisten dat hij onderwijzer van beroep was, recht van lijf en leden, hij had zelfs de vaandels gegroet. Zijn tegenstander bleek een man die nooit verder was gekomen dan de krottenwijken aan de buitenste rand van Alpaca en eten had willen stelen. “Een overwinning levert deze man een fantastische beloning op – het brood dat hij probeerde te stelen – voor zijn vrouw en kinderen.” Joeri probeerde het idee van zich af te zetten, mannen, misschien ook vrouwen, die regelmatig duelleerden om zo aan eten en drinken te komen voor hun gezin.

“De laatste, die op zijn benen blijft staan, wint.”

Joeri knikte als teken dat hij hem had begrepen, ondertussen keek hij naar de tafel, want er lagen enkele verrassende wapens klaar. Er lag geen speer, wel twee zwaarden, dolken, bijlen en zelfs pistolen, nee, revolvers – twee revolvers. Als zijn tegenstander eerst mocht kiezen, dan zou hij de revolvers zelf uitkiezen en daarmee het duel beslissen.

Er volgde een loting, ze moesten strootjes trekken, de winnaar zou mogen beginnen met kiezen en uiteraard won de man die begerig naar de tafel staarde. Joeri trok er een afwachtende houding bij, alsof het hem nauwelijks interesseerde. Hij wilde geen argwaan wekken. Zijn tegenstander besloot een bijl te gaan gebruiken en een zwaard. Geen revolvers, hij kende het gebruik van vuurwapens kennelijk niet. Het verbaasde Joeri dat er echte revolvers klaarlagen, daardoor twijfelde hij ook iets te lang toen zijn beurt volgde – eerst checkte hij de kogels, er klonken opgewonden kreetjes op de tribune die hij zo goed mogelijk negeerde, tot slot stopte hij beide wapens bij zich, eentje achter zijn riem, de andere in zijn rechterhand. Ook pakte hij een zwaard van de tafel.

“Goddomme – Mag dat ook?”

“Ja, daar heb ik niets van gezegd,” zei de officier.

Echte, geladen vuurwapens – Joeri probeerde te bedenken wat het betekende als de officier twee revolvers klaar had gelegd op tafel, het was erg vreemd, sterker nog, het leek hartstikke idioot. Moderne technologie in een stad die voor de late middeleeuwen gebouwd leek te zijn, mensen noemden zich schipbreukelingen en er lagen vuurwapens klaar voor het duel, terwijl Joeri evengoed de koning zou kunnen vermoorden, als hem dat zo uitkwam. Het leek een enorme roekeloosheid van de Broeders van het Bloed, tenzij het duel als een test gold, een manier om uit te vinden of je wel genoeg van het vaderland hield. Zouden de soldaten zijn borst doorboren als hij het wapen op één van de leden van het koninklijk huis richtte? Zijn tegenstander kende het gebruik van vuurwapens niet en het was Joeri geen moment opgevallen dat de soldaten ze wel gebruikten. Hij trok de haan naar zich toe en liet het wapen weer zakken. Het was nog te vroeg voor een schot. Voor het eerst in zijn leven moest hij een vuurwapen richten op een echt, levend mens, iemand die alleen zijn vrouw en kinderen te eten wilde geven, daarom stond hij hier. Er klonk links en rechts wat besmuikt gelach, mensen die dachten dat hij zijn wapen niet durfde af te vuren.

Zijn tegenstander stond voorover gebogen, Joeri meende heel zeker te weten dat de man nooit eerder in zijn leven zelfs maar een wapen had vast gehad.

“Ben je een tovenaar?”, vroeg de man wiens stem een beetje trilde, Joeri bespeurde een zekere angst – voor de dood – een gevecht tegen de man die een tovenaar was.

“Waarom?”, vroeg Joeri.

“Je weet hoe die duivelse machines werken.”

Het was helemaal niet zeker dat Joeri de man in zijn borst zou raken, of been misschien zelfs, mogelijk boorde de kogel zich tenslotte in een soldaat, of toeschouwer, aangezien hij geen geoefend schutter was. Er kon zoveel onvoorspelbaars gebeuren. Toch had hij twee machtige wapens bemachtigd en de edele Broeders van het Bloed wisten ervan, of niet.

“Een tovenaar, als ze me dàt hadden verteld.”

Er klonken wat kreten op de tribune, leden van de koninklijke familie die zich zaten op te winden.

Een kogel zou af kunnen zwaaien, net zo makkelijk, een onschuldige raken, als die er was – in het paleis.

Joeri zocht de kortste weg naar de luchtballon, een mogelijkheid om weg te komen uit Alpaca, er zou niet snel een andere kans volgen, dat begreep hij goed. Het zou nodig zijn om andere slachtoffers te maken, soldaten neer te schieten die hem tegen wilden houden. Hoe had het in godsnaam kunnen gebeuren dat hij op een plein stond na te denken over doodschieten van soldaten? Omdat het de enige manier was om weg te komen uit een naargeestige, belegerde stad die vroeg of laat overlopen zou worden door hongerige ghouls.

Zijn tegenstander begon onverwacht te gillen en rende naar Joeri die kalm opzij stapte, waarna de man voorover in het zand viel. Met een soldaat als tegenstander zou het duel anders zijn geweest, was er een echt gevecht gevolgd, zou hij nooit de revolvers hebben kunnen kiezen, die zouden er niet hebben klaargelegen voor een man als Joeri. De man krabbelde overeind, graaide onhandig naar zijn wapens, maar Joeri schopte de bijl weg die vijf meter verderop bij de voeten van een soldaat bleef liggen.

Zijn tegenstander had ook geen motoriek die zich leende voor een gevecht, een hulpeloos slachtoffer, een zinloze moord, die als entertainment diende, omdat leden van het koninklijk huis zich verveelden. Alsof er ’s nachts onvoldoende ghouls werden afgeslacht. Hopelijk werkte Koen in de tussentijd aan een plannetje, afleiding, waardoor de aandacht van alle aanwezigen naar iets totaal anders verschoof – Joeri wilde de man niet doden, zijn arm woog zwaarder dan ooit, het kostte moeite om te richten.

Toch pakte de man zijn zwaard veel professioneler vast, alsof zijn brein hem had verteld dat hij wel degelijk een gevecht moest leveren, anders zou hij binnen driekwartier dood op het plein liggen. Joeri wist het uiteraard niet zeker, maar het moest zo zijn, hij raadde vaker gedachten die mensen hadden, het was een gave, al was hij geen telepaat. Goed kijken, niet snel oordelen, de man was bereid om te vechten, als Joeri het naliet – hij begon nu echt te vechten.

De revolver was een gok geweest, misschien hadden ze ermee geknoeid waardoor het nu geen waarde had. Gillend kwam zijn tegenstander met opgeheven zwaard dichterbij, als het geluid enige angst moest aanjagen – Joeri blokkeerde de poging en duwde hem weg – de man moest zijn best doen om niet te struikelen, had extra stappen nodig, het publiek lachten er hartelijk om, leedvermaak, het was overduidelijk dat Joeri geen zin had om de man zomaar te vermoorden. “Dood hem!”, riep er iemand, een man. Opnieuw klonk er gelach op het plein, nu was het spottend bedoeld, heel duidelijk, alsof Joeri met zijn slachtoffer speelde – dat deed hij natuurlijk niet.

“Hoeveel kinderen heb je?”, vroeg Joeri. Het was een vreemde vraag, aangezien ze elkaar moesten doden.

“Drie,” mompelde hij, “twee jongens en een meisje.”

“Hebben jullie het zo slecht dat je eten moet stelen?”

De man gaf geen antwoord, maar weg – de officier keek toe en leek zich bijzonder te amuseren – toch legde Joeri het als een antwoord op – bovendien had hij zelf de krotwoningen gezien, ze werden als eerste overvallen als de ghouls een bres in de verdediging hadden geslagen en de stad waren binnen gevallen.

“Zeg eens – Hoe heet je?”

“Ernst, dat is mijn naam.”

Opnieuw begon er een toeschouwer te schreeuwen. “Vermoord hem nou eens eindelijk, verdomme!”

De officier had zich tot nu toe niet bemoeid met het gevecht, maar schraapte zijn keel en zei: “Het duel is een serieuze aangelegenheid, heren, jullie moeten vechten, dat is de bedoeling en dat verwachten we.”

Joeri ergerde zich aan de toon waarop de officier sprak en richtte ogenblikkelijk het wapen. “Bemoei je er niet mee, je hebt alleen gezegd dat één van ons aan het einde op zijn benen moet staan.” Vrijwel direct nadat hij zijn woorden had uitgesproken, sloeg er een kogel in – enkele centimeters voor zijn linkervoet – het verraste hem allerminst, want twee vuurwapens neerleggen zonder enige verzekering leek hem inderdaad erg roekeloos. Joeri stak de punt van zijn zwaard naar Ernst, als waarschuwing, hij mocht even niets doen, hij keek er zo intimiderend bij als maar enigszins mogelijk was en hij waande zich even op de atletiekbaan. In een raamopening vond hij de schutter, een karabijn, wel een goede schutter, of hij had Joeri moeten raken. Op de tribune werden er kreetjes geslaakt, geen opwinding, het was iets heel anders – het duidde op paniek – er werd een rookpluim zichtbaar – Joeri aarzelde geen seconde en richtte zijn wapen op de schutter die in de raamopening stond – nog steeds, alsof hij niet eens verwachtte dat Joeri het zou proberen – hij vuurde het wapen af – gedurende enkele seconden dacht hij te hebben gemist, maar de schutter in het raam viel voorover. Het was beginnersgeluk, tien andere schoten zou hij hebben gemist, dat wist Joeri heel zeker. Hij kon moeilijk anders. De man moest hem doden. Dat stond vast.

Joeri richtte zijn wapen op de officier die voor het eerst blijk gaf van angst en achteruit stapte. “Opdonderen!”, blafte hij – vervolgens sloeg hij met een enkele klap het zwaard uit de handen van Ernst. “Denk erom – jij staat hier als laatste op je benen.”

Joeri begon te rennen, één van zijn snelste meters ooit, de knie hield het goed, maar het moest niet erg lang duren. Hij schoot twee soldaten in de borst die zijn doortocht trachtte te versperren. Marith stond al op het zwevende vlot van de luchtballon – soldaten probeerden de brand te blussen die er was ontstaan – Koen bleek zich heel ergens anders op te houden, terwijl Marith stond te schreeuwen: “Opschieten, opa Koen! Snel!”

Joeri sprong op het vlot, voelde een pijnlijke prik in zijn knie, maar negeerde het vervelende gevoel en richtte zich eerst op Koen die bijna dertig meter verderop het brandje trachtte te verdedigen. Een speer suisde door de lucht, gevolgd door een andere, Joeri wist te ontwijken, maar begreep heel goed dat ze de ballon wilden vernielen, zodat ze nooit meer konden ontsnappen – hij sloeg een touw doormidden, daarna nog eentje en voelde de luchtballon omhoog gaan, Joeri probeerde wat knopjes waarmee hij de brander activeerde, de lucht in de ballon moest warmer worden dan hij al was. Door het geluid van de brander trok hij de aandacht, hij vuurde twee kogels af zonder te richten, het was genoeg. De chaos had ervoor gezorgd dat ze wegkomen.

Marith staarde met betraande ogen omlaag, want opa Koen werd op dat moment door minstens zes soldaten doodgeslagen. Joeri trok het meisje weg, omdat ze dit niet hoefde te zien – ze mocht het niet eens zien.

Ze drukte haar gezicht in zijn buik en bleef huilen – een gewoon meisje dat iets vreselijks meemaakte. Joeri zou Marith nooit vertellen dat haar opa Koen geen seconde van plan was geweest haar thuis te brengen. Het was een gelukkig toeval geweest dat het toch mogelijk werd, dankzij een luchtballon.

De ballon raakte buiten bereik van de soldaten, hij hoorde doffe klappen van mannen die vielen en hen nog hadden geprobeerd tegen te houden. Eén man wist alsnog op het vlot te klauteren – Joeri richtte het wapen en wilde schieten – tot Marith riep: “Papa?”