Tagarchief: moderne korte verhalen

Een fee in spijkerbroek (10)

Het was Gijs die als eerste een verandering scheen op te merken – Leon en Andrea reageerden niet zo erg. Met zijn drieën stonden ze te wachten op de betonnen vloer en het had bijna een kwartier geduurd voordat ze opnieuw bij elkaar waren. Als eerste stapte Jokke tussen de bomen vandaan, vrijwel direct gevolgd door Esmée. “Vertel eens,” zei Gijs, “je zou bijna denken dat je onze sfinx aan het praten hebt gekregen – proficiat – je bent de eerste die daarin is geslaagd.”

“Inderdaad,” zei Andrea.

“Zijn jullie al beneden geweest?’, vroeg Jokke.

“En direct weer in sfinx-modus,” zei Leon.

“Nee,” zei Andrea, “we hebben op jullie gewacht.”

Op de vluchtstrook leunden uitgestapte passagiers een beetje verveeld op de vangrail, soms met hun ruggen naar de Tuin der Geesten. In tegenstelling tot wat ze eerder zagen, leek niemand erg veel nieuwsgierigheid te tonen voor een stuk verwilderde natuur langs de snelweg. “Geen paniek,” zei Gijs, “het lijkt er niet eens op dat ze naar beneden komen.”

“Voorlopig is daar weinig kans op,” zei Leon.

“Leon en ik gaan samen naar beneden,” zei Gijs, “aangezien magische objecten een geheugen hebben, al vind ik dat als dwerg toch wel een wat raar idee.”

“Neem mijn telefoon mee – vanwege de zaklantaarn.”

“Niet nodig,” zei Gijs. “Ik kan zien in het donker.”

“O,” zei Esmée die het toestel meteen weer in haar broekzak liet verdwijnen. “Juist ja. Ik snap het.”

“Vannacht is het volle maan,” zei Leon. “Dus mijn zintuigen staan op scherp – maar alleen vandaag.”

“Juist,” zei Esmée.

“Je hoort nu ook veel meer dan normaal,” zei Jokke.

Gijs begon de trap af te dalen – in het duistere gat dat naar een erg lange gang moest leiden met links en rechts allemaal gesloten deuren, behalve eentje dan.

“Sfinx,” zei Leon die de dwerg volgde naar beneden.

“Oké. In dat geval. Ik moest het een keer uitspugen. Nou, dan net zo goed vandaag in plaats van morgen,” zei Jokke die begon uit te leggen wat het nou precies betekende als je een halfengel was die het altijd kon zien wanneer alle mensen doodgingen en waaraan.

De adamsappel van Andrea wipte eventjes op en neer.

“Jee, da’s heftig,” zei ze.

“Misschien heb je ook wel een fee nodig om een sfinx aan het praten te krijgen,” zei Jokke die in de duisternis staarde, maar het was 100% stil beneden.

“Ze kunnen de deur niet vinden,” zei Esmée.

“Denk je?”, vroeg Andrea.

“Vast.”

“Waarom?”, vroeg Jokke.

“Ach ja, jongens,” zei Esmée die erbij glimlachte.

Inmiddels leek Jokke het onderwerp minder interessant te vinden en staarde naar de snelweg – daarginds zou er eentje moeten zijn die ze bijna altijd hoorden, maar nu was het er akelig stil – door een file. Het scheen hem niet meer te interesseren wat er in de kelder gebeurde – een routineklusje, bedacht door mevrouw Madsen die een probleem zag dat er niet was. Alleen ouwe rottroep, verroeste scharnieren, deuren die vele jaren niet meer open waren geweest.

“Lukt het?’ Andrea stond voorover gebogen in een donker gat te schreeuwen – het duurde veel te lang. Zo moeilijk hoorde het niet eens te zijn om een deur te vinden die eerder door Esmée en Andrea was geopend. Nog altijd volgde er geen enkele reactie.

“Ze zijn gewoon een beetje aan het klieren daarbeneden,” zei Jokke die om zich heen bleef kijken, alsof de kwestie hem geen barst meer aanging.

“Was dit ook niet jouw kelder?’, vroeg Andrea.

“Destiny? Ja,” zei Jokke. “Dat was hier.”

“Hé – daar heb ik over gedroomd – Destiny en haar twee zussen – ze wilden zich voorstellen,” zei Esmée.

“Schikgodinnen,” zei Jokke.

“Jokke praat er niet zo graag over,” zei Andrea.

“Ik kreeg – jeuk – van die vrouwen,” zei Esmée.

“Mijn toekomstige – eh – bazinnen,” zei Jokke. “Ze beslissen over leven en dood van mensen.” Terwijl hij dit zei, keek hij naar de snelweg.

“Leon! Gijs! Opschieten, verdorie!”, riep Andrea.

“Dat krijg je – met een volle – een bloedmaan – dat heb ik tenminste gehoord – een weerwolf wordt er sowieso altijd opgefokt van – maar de dwerg – ik wist niet dat de dwergen last hadden van de maan.” Jokke leek ineens de onzichtbare snelweg minder interessant te vinden. “Misschien moet je kijken.”

“Geen zin,” zei Andrea, “ze lopen gewoon te zieken.”

“Esmée en ik moeten hier blijven,” zei Jokke.

“Verdorie,” zei Andrea. “Kunnen we niet weggaan?”

“En als er nou echt iets aan de hand is?”, vroeg Jokke.

“Mag ik je telefoon – zaklantaarn?”, vroeg Andrea.

Enkele ogenblikken later daalde Andrea de trap af – een bundel wit licht onttrok een muur en wat deuren aan de duisternis die er al sinds vele jaren heerste – Jokke en Esmée keken elkaar aan, maar zeiden niets. Wel luisterde ze aandachtig naar vreemde geluiden die vanuit de duisternis omhoog konden komen. Zelfs de lichtbundel verdween in de duistere gang die ergens vijftig meter verderop eindigde. Jokke keek naar beneden en liet weinig belangstelling zien om ook de trap af te dalen op zoek naar het onbekende.

“Er is echt niks,” zei Esmée. “Geloof me.”

“Ik weet het – ze zijn gewoon aan het klieren.”

“Noemen ze je echt ‘de Sfinx?”

“Ja. Sinds een jaar. Ongeveer.”

“Wat is er gebeurd?”

“n Bezoekje aan de stad. Zomaar. We hadden er zin in. Voor het eerst in een lange tijd. Moeder was knap boos, toen ze hoorde dat we daarginds zijn geweest. Ik had het idee dat ik in een zombiefilm terecht was gekomen – allemaal wandelende doden – echt iedereen die we tegen zijn gekomen – stuk voor stuk.”

“Zombiefilm,” zei Esmée.

“Ja, zo wereldvreemd zijn we niet eens.”

“En hier?”

“Leon? Gijs? Zijn jullie daar?”, vroeg Andrea die zich diep daarbeneden in de gang bevond.

Allebei staarden ze in het donkere gat – de kelder.

“Dwergenhumor,” zei Jokke.

“Ben je het zat?’, vroeg Esmée.

“Beetje.”

“Wacht maar – oren dicht,” zei Esmée die bij haar mond een soort trechter maakte van haar handen. “Iiiee – .” Een vlijmscherpe snerpende gil galmde door het bos – zo hard dat Jokke achteruit deinsde en zijn oren bedekte.

Daarna viel er een stilte, maar beneden hoorde ze rennende voetstappen – Leon, Gijs en Andrea die zo te horen heel hard terug renden naar de trap – ook de wild heen en weer zwiepende lichtbundel bewees dat.

Jokke nam plaats op een omgevallen boomstam, terwijl de bleke gezichten van Leon en Gijs weer wat daglicht vingen. “Wat is er dan? Waarom gil je?”

“Hebben jullie die kutdeur nog niet gevonden?”

“Jawel,” zei Leon. “Maar – .”

“Je wilde een grapje uithalen – met mij,” zei Esmée.

“Ja, we hadden een hele leuke bedacht,” zei Gijs.

En? Hoe was het met de berging?”, vroeg Esmée.

“Niks aan de hand,” zei Gijs.


Een fee in spijkerbroek (8)

Later in de middag verliet Esmée de flat – het vervelende gevoelde kwelde haar nog steeds, werd niet eens minder, zoals ze had gehoopt. Papa zou slechts een paar daagjes wegblijven. Straks lagen de jongens natuurlijk weer lekker lui op de heuvel, maar Esmée had andere plannen. De Tuin der Geesten bood een prachtig labyrint – een wereld die ontdekt wilde worden. Er waren onweersbuien aangekondigd en inderdaad hingen er in de lucht mooie stapelwolken – bergen die steeds van vorm veranderden. Haar handen gleden langs gortdroge boombladeren – bloesem was uitgevallen, een maand geleden al. maar Esmée herkende een mooi kronkelend pad dat een echt einddoel moest hebben.

Ja, het was leuk om vrienden te hebben met wie je lui op een heuveltop kon gaan liggen.

Vandaag ging ze er liever alleen vandoor, omdat papa haar vanochtend achter had gelaten. Het was te riskant, zoals mevrouw Madsen had uitgelegd – veel les had ze niet eens gegeven – ze hadden zitten praten over wie ze was – een fee in spijkerbroek – ja, leuk. Betekende het nu ook dat ze haar hele leven op dit eiland zou moeten doorbrengen – afgescheiden van andere mensen die altijd een bedreiging voor Esmée waren? Het was uiteraard onmogelijk om door muren te lopen, maar ze kon er makkelijk voor zorgen dat ze omvielen. 

Grotere, steviger bomen groeiden er overal – struiken probeerden uit alle macht de bodem te bedekken, zodat de grijsgroen gekleurde vloeren onzichtbaar leken te worden. Na een kwartiertje lopen stond ze bovenaan een trap – een leuning ontbrak – bovendien leek het zo te zijn dat de trap in een diepdonkere duisternis verdween – er moest water zijn beneden – vrij logisch, want het water zakte altijd naar het diepste punt en hier waren er nu eenmaal kelders zat.

Eerst keek ze zoekend om zich heen – ze wilde zeker zijn dat niemand klaarstond om gillend de struiken uit te rennen, omdat ze een kelder wilde verkennen.

‘Soms moest een mens risico’s nemen’, zei papa wel eens. Zoals naar de stad gaan, terwijl dat fout was. Zonder risico’s kwam je nergens. Dus ging ze langzaam omlaag – voorzichtig, omdat teveel risico net zo min erg goed kon zijn. Na enkele traptreden bleef Esmée stilstaan en vervloekte ze zichzelf – erg dom – ze had een mobiele telefoon op zak en daarmee nam ze een uitzonderingspositie in, want ze was de enige – de andere kinderen hadden er geen.

Ze tikte op het scherm – wilde de schijnwerper gebruiken – best makkelijk in het donker – in plaats van een kelder vol water ontdekte ze een lege en zelfs droge gang vol gesloten deuren – een volstrekt droge vloer – dus ging ze verder – naar beneden, want dit was toch iets wat al op een avontuur ging lijken.

Uiteraard probeerde ze de deuren open te duwen, maar ze leken allemaal op slot te zijn. Of het was een oude verrotte bende – verroeste scharnieren en zo.

Volgens de verhalen die ze had gehoord zou ze minstens tot haar heupen in het water moeten staan. Best vreemd. Zo te zien had er hier al sinds lange tijd geen druppeltje water meer op de vloer gelegen.

“Esmée?”

Boven haar hoofd riep Andrea haar naam.

“Hierbeneden,” zei ze.

Het kon ook moeilijk anders – de enige kelder met een lichtbundel die steeds zoekend heen en weer ging. 

“Mama maakte zich zorgen,” zei Andrea. “We krijgen slecht weer.” Voorzichtig kwam Andrea naar beneden – haar voetstappen echoden droog door de gang.

Uit alle macht probeerde ze een deur open te duwen – ze drukte de klink omlaag en voelde inderdaad wat beweging, al verliep het erg moeizaam – ook Andrea hielp mee – de deur ging open, maar heel langzaam.

“Gewoon een berging, net als thuis,” zei Andrea.

“Waarschijnlijk wel,” zei Esmée die naar binnenging en een niet al te grote berging verwachtte – misschien met een paar dozen die bewoners hadden achtergelaten tijdens de verhuizing – of vergeten waren. In plaats daarvan kwam ze in een nieuwe gang terecht – als een brandgang, zoals ze thuis hadden en exact dezelfde.

“Hè?”, vroeg Esmée.

“Wat is dit nou?”

Van links naar rechts – zover als ze konden zien, waren er gesloten schuurdeuren – groen geschilderd, maar dat was wel lang geleden gebeurd – de verf was al aan het bladderen en soms voelde het hout zacht aan – Esmée kon er bijna een deukje in drukken.

“Ik denk – ,” zei Esmée die haar zin niet eens afmaakte, want ze rende naar de volgende deur.

“Wat?”

“Kijk,” zei ze, “hier wonen we – of – hebben we gewoond.” In een en dezelfde beweging zette Esmée haar vlakke handen tegen de deur op twee handpalmen die in het hout leken te zijn gebrand.

“Ja, wacht eens even,” zei Andrea die de linkerpols van haar vriendin vastpakte en heel voorzichtig wegtrok. “Jij weet vast meer van deze brandmerken.”

Er volgde een kort knikje – Esmée kleurde een beetje rood en zette haar beide handen weer op de deur.

“Eerlijk gezegd dacht ik er niet eens zo vaak aan,” zei Esmée.

“Dus je wist het – dat je anders was,” zei Andrea.

“Hè hè, natuurlijk,” reageerde Esmée. “Vanzelf.”

“Veel eerder dan – toen je het glas hebt laten ontploffen – elektronica – gewoon – doorbranden.”

“Ja, zoals ik al zei, ik had er niet meer aan gedacht.”

“Het zijn altijd andere kinderen of volwassenen die hardop zeggen dat je anders bent dan anderen,” zei Andrea, “je hoeft er zelf nooit zo vaak aan te denken.”

“Het was al zolang geleden – ik wist het allemaal wel, maar het is net als de dood van mijn moeder, snap je, ik denk er niet elke dag aan en soms, als alles anders loopt dan normaal en het zit tegen, dan is het er weer.”

“Het is goed dat je bij ons bent komen wonen.”

“Ja,” zei Esmée. “Ben je er klaar voor?” Vervolgens liet ze een lach zien die er veel te opgewekt uitzag.

“Ja – ja.”

“Dan gaan we naar binnen.”

Esmée maakte de schuurdeur open. Met zijn tweeën gingen ze verder – liepen door de veel te volle schuur, dan de tuin, een bekende plek, de sinaasappelboom die papa speciaal voor mama had geplant – hier hadden ze gewoond.

Ook de oude buurman was druk bezig – gras aan het maaien.

“Hé – hallo – Esmée. Ook weer in het land?”

“Heel eventjes maar, hoor,” zei Esmée.

“De monteurs zijn druk bezig.”

“Hé. Jouw moeder heb ik al eerder gezien,” zei hij.

“Dat kan. Ik ben Andrea.”

“Met dat rooie haar – moeilijk om te missen, hè.” In de lucht klonk er een rollende donder – ver weg en dichtbij – niet zo vreemd – het was boven het eiland. “Da’s bij jullie – jullie krijgen de volle laag, denk ik.”

“We moeten terug. Moeder maakt zich zorgen,” zei Andrea die terugliep naar de deur. “Opschieten, joh.”

“Ja. We gaan weer.”

“Moet je je pa niet eventjes goeiendag zeggen?”

“Eh – dat ligt een beetje moeilijk,” zei Andrea.

“O, ik snap hem al – hij denkt dat je daarginds bent.”

“Precies.”

“Juist, ja.”

“Niks verklappen, hoor. Dat we hier zijn geweest.”

“Mm, ik ben erg slecht in geheimen.”

“Het mag echt niet.”

“Vooruit dan maar – al vind ik het vreemd.”

Terwijl ze zich omdraaide, zag ze haar vader bij het raam – Esmée stuurde hem een kushandje en haalde haar schouders op, alsof ze wilde laten weten dat ze het ook allemaal niet goed snapte hoe dit nou kon. Voordat ze de deur dichttrok, zag ze papa met een waarschuwend vingertje. Ze moest voorzichtiger zijn.

Ze renden door de brandgang en Esmée wist verdraaid goed dat de buurman hen zou volgen, omdat hij op een of andere manier moest hebben geraden dat hij middenin een mysterie zat.

Gelukkig stond de deur nog altijd half open, precies zoals ze hem achter hadden gelaten – Andrea ging eerst binnen, daarna Esmée. “We zijn terug,” zei ze, want ze stonden in dezelfde gang die ook het begin van hun avontuur was geweest. Ze waren weer thuis.

“Hé meiden – Waar zijn jullie gebleven?”

Het was de buurman die in de brandgang stond en nog snel voor het losbarsten van een stevige onweersbui het gras van zijn achtertuin had willen maaien.

“Kom – de deur moet snel dicht,” zei Esmée.

Met zijn tweeën trokken ze deur dicht die ze met zoveel moeite open hadden gekregen, maar het leek wel alsof het nu zwaarder ging dan daarstraks. In elk geval wilde Esmée een klik horen – van het slot.

Die kwam er – eindelijk. Verdorie zeg.

“Oeps,” zei Esmée die begon te lachen.

“Nou!”, riep Andrea – ze lachte ook heel hard.

“Hé, Leon. Ze zijn er wel,” zei Gijs die op de trap stond en omhoog keek – de jongens stonden buiten.

“Hoe kan dat nou?”, vroeg Leon.

“Niet goed gekeken,” zei Gijs die de trap afliep.

In de tussentijd tikte Esmée een berichtje. Voor papa. Om zich te verontschuldigen. Het was niet handig geweest wat ze hadden gedaan, maar hadden onmogelijk kunnen weten waar ze terechtkwamen.

“Wat ben jij aan het doen?”, vroeg Leon.

“Sorry? Waarvoor?”, vroeg Gijs die de woorden zag.

“We zijn dáárginds geweest,” zei Andrea.

Ook Jokke was de trap afgedaald. Ze waren compleet.

“Hoe?”, vroeg Jokke.

“We kwamen in de brandgang van Esmée haar oude huis terecht – hun oude schuurdeur en zo – we hebben zelfs de buurman eventjes gesproken. Om er te komen hoefden we alleen maar een deur open te maken.”

“Da’s best handig,” zei Gijs.

“Als het een keer niet anders kan,” zei Esmée.

“Precies.”

Binnen een minuut volgde het antwoord van papa.

‘Wees voorzichtig, liefie. Je trekt te veel aandacht.’

Buiten viel er nu een stevige bui die hopelijk snel voorbijgetrokken zou zijn – ze wilde naar de flat.

‘Het was een ongelukje. Ik wist het niet.’

‘Nu dus wel. Voortaan alleen in geval van nood.’

‘Kom je snel weer thuis?’

‘Overmorgen pas.’

‘Mis je.’

‘Daar geloof ik niks van.😊’


Een fee in spijkerbroek (7)

Een maand later leek het dagelijks leven in de flat en zeker ook daaromheen best wel saai te kunnen zijn – Esmée had er weinig rekening mee gehouden dat ze zich verveeld zou gaan voelen. Op werkdagen hadden alle kinderen les bij mevrouw Madsen thuis – inderdaad hadden ze verschillende leerkrachten die moeilijke onderwerpen uitlegden als het nodig was. Buiten spelen ging na een paar weken te vervelen – iets wat Esmée nooit had verwacht.

Uiteraard lagen ze regelmatig op de heuveltop – Esmée, Andrea, Jokke, Gijs en Leon. In feite keken ze hooguit naar de lucht – condensstrepen – zomerse wolken die zo snel en hoog opstapelden dat ze het heel goed zagen als er een onweersbui volgde.

In de tussentijd had haar vader zijn werk weer opgepakt – zoals hij vroeger ook altijd had gedaan en nog altijd wist ze niet goed wat hij deed, want ze spraken ’s avonds aan tafel echt nooit over zijn werk.

Wat ze nog het moeilijkst had gevonden, was het gigantische hoogtepunt in het Veld van de Duizend Zielen – een ervaring die alle andere gebeurtenissen ronduit saai had gemaakt. Of ze nu tussen haar nieuwe vrienden op de heuvel lag, ’s avonds vanaf het balkon naar beneden keek. Ze ontdekte Nosferatus die een prooi zocht, zoals Gijs het noemde – of Leon en zijn vader die in weerwolven veranderden – ach ja.

Het was haar vader die de rust wist te doorbreken en hij deed dat met een simpele mededeling: “Morgen ga ik naar de stad – ons oude huis – de nieuwe ramen worden geplaatst en ik moet daar echt bij zijn – ik zal de buurtjes een beetje op de hoogte brengen – uitleggen hoe de zaken ervoor staan zonder te zeggen dat jij een fee bent.”

“Hoe doe je dat, pap?”

“Geen idee. Ik verzin wel wat.”

“Hoelang blijf je weg?”

“’n Paar dagen. Meer niet. Ik moet ook wat klanten bezoeken, als ik dan toch aan de wandel ben, is dat een goeie gelegenheid om dat ook eens aan te pakken.” Hier wachtte hij een tweetal seconden. “In de tussentijd logeer je lekker bij mevrouw Madsen.”

“Misschien mag ik een keer helpen met een drankje.”

“Ik zou het allicht vragen.”

Er beloofde een einde te komen aan een warme periode – zomerse temperaturen in het voorjaar – zware onweersbuien, dus wateroverlast – Esmée snapte goed waarom papa ineens haast had gekregen. Natuurlijk wist ze dat er ander weer zou komen – zulke dingen had Esmée altijd al gevoeld en nu zelfs beter dan ooit, omdat ze van mevrouw Madsen had geleerd waar ze nou precies op moest letten. In de flat leefden andere feeën, maar die mochten om een of andere reden geen lesgeven – het was echt een vak. Soms vond ze het jammer, want mevrouw Madsen was ook echt zo streng als een echte leraar kon zijn.

’s Ochtends verliet papa de flat – een rugtas ging ietwat losjes op zijn rug – met zijn tweetjes liepen ze door het jonge bos – boombladeren hingen slap omlaag – het had inderdaad al lang niet geregend. Op een afstandje volgden Gijs’ vader, de huismeester, uiteraard mevrouw Madsen en Andrea. Beide dwergen leken continu de bodem te bestuderen, alsof ze geen bodemschat over het hoofd mochten zien. Volgens Gijs kenden ze elke vierkante centimeter van het terrein – dus ook het Veld van de Duizend Zielen.

“Je snapt toch wel dat ik regelmatig terug zal gaan,” zei papa, want Esmée sprak veel minder dan normaal.

“Ik vind het best wel een beetje – spannend,” zei ze.

“Gelukkig kunnen de mensen onze verborgen ingang niet zien, zelfs al zouden ze dat nog zo graag willen.”

“Door de magie. Ik heb er over geleerd,” zei ze.

“Zo halen we onze boodschappen,” zei papa.

“Met de bakfiets van mijnheer Valentijn.”

“Mijn vervuilende auto wordt geduld,” zei papa.

“Leon en zijn vader willen echte levende hertjes,” zei Esmée die het idee verafschuwde, “om ze op te eten.”

“Ja, dat heb je met weerwolven.”

Veel te snel kwam de fietstunnel in zicht – het gezelschap kwam weer samen. Gijs, want dwergenkinderen werden naar hun ouders vernoemd, begon rustig te gebaren dat Toine de motorkap los moest maken – vaders bovenlijf verdween in de auto en Esmée hoorde een klik – de motorkap ging open. Iets met de accukabels die aangesloten moesten worden. Anders had je op een dag geen prik meer.

Eerlijk gezegd vond ze het al verschrikkelijk dat papa enkele dagen weg moest gaan – naar de stad – om zaken te doen – de ramen te laten maken – klanten te ontmoeten, omdat hij werk voor hen had gedaan. Hun oude buurtjes moesten weten dat ze niet zomaar waren vertrokken of van de aardbodem verdwenen. Liever zou ze tegen papa zeggen dat hij thuis moest blijven – ze had er geen goed gevoel bij – sinds enkele dagen had ze pijn in haar buik, slechte eetlust, vooral nadat papa had verteld dat hij haar alleen zou laten. Het was iets waar ze een hekel aan had. Alleen zijn. 

Volgens Andrea was het volstrekt normaal dat ze zich zo voelde – gistermiddag had ze er iets over gezegd – buiten haar vader had ze geen familie overgehouden – echte familie wel te verstaan, want vrienden had ze zat. Natuurlijk was ze een beetje bang om papa te verliezen. Haar vader zou terugkeren naar de flat, want Esmée was ook voor hem de enige familie die hij nog had.   

“Wees voorzichtig, papa,” zei Esmée die haar vader een knuffel gaf. “Het voelt echt niet zo goed, hoor.”

“Ik ben niet belangrijk. Jij bent dat wel.”

De handen van mevrouw Madsen rustten op haar schouders – bijna vertrouwd, alsof ze mama zou kunnen zijn. Achter het stuur zat papa – raampje naar beneden – autogordel vast – de motor begon zachtjes te grommen, als een echt monster dat begon te leven.

Heel langzaam begon de auto te rijden – Esmée keek hem na – verderop lag er een fietspad.

Papa verdween in een wolk van verblindend licht – gedurende enkele seconden zag ze felle rode  achterlichten in de heldere witte wolk hangen en Esmée dacht dat ze de enige was die dit zo kon zien.


Een fee in spijkerbroek (5)

Voor de flat lag een brede asfaltweg die groen was uitgeslagen, terwijl er ook al boompjes uit scheuren begonnen te groeien. Ze hadden hun oude flatwoning teruggekregen – drie slaapkamers, een keuken, badkamer en groot balkon. Vanuit de woonkamer zag Esmée ruim twintig bomen die in bloei stonden – appels en peren. Mevrouw Madsen hielp met schoonmaken, lakens werden van meubels getrokken, koffers opgeruimd en Andrea belde aan om te vragen of Esmée soms met haar nieuwe vrienden meewilde. Er lag een wereld klaar die ze mocht ontdekken. Toch wachtte ze heel eventjes op haar vaders toestemming.

“Ga maar,” zei hij. “En denk erom: niet in je eentje.”

“Oké.”

“Esmée is met ons, mijnheer De Zwijger.”

“Dan is het goed.”

De buitenlucht rook veel frisser dan in haar oude wijk. Auto’s reden er niet. Ze staken de weg over en stonden vrijwel meteen tussen bomen en struiken die sinds enkele weken weer volop in het blad zaten. Zoals gebruikelijk stak de heuvel boven het bos uit.

“We laten je het eiland zien,” zei Andrea.

“Het klinkt beter dan wijk of dorp,” zei Jokke.

“Er liggen hier ontzettend veel avonturen,” zei Leon, “je hoeft ze alleen maar zien te vinden. Da’s alles.”

“We gaan naar de heuvel,” zei Gijs. “Dat is een prima plek om te beginnen. Van daaruit overzie je alles.”

Ze volgden een kronkelig pad – na vijftig meter bleef Esmée staan en staarde naar een betonnen plaat die op de grond lag – rechts in de hoek zat een heel groot gat – voorzichtig boog ze voorover en keek omlaag.

“Er hebben vroeger huizen gestaan,” zei Andrea. “Alles is weg – gesloopt – behalve de kelders en de fundamenten – die liggen er allemaal nog – ze zijn gestopt en daarna hebben onze ouders de boel overgenomen – de flat had allang weg moeten zijn.”

“Wat is er daarbeneden?”, vroeg Esmée.

“Veel water – vies en stinkend – een meter hoog, soms zelfs meer,” zei Jokke. “Niet fijn daarbeneden.”

“De meeste kelders zijn ondergelopen,” zei Gijs.

“En die vind je overal op het eiland?”, vroeg Esmée.

Vrij langzaam begonnen ze weer te lopen – naar de heuvel. “Aan deze kant wel,” zei Andrea, “we praten ook wel over ‘de Tuin der Geesten’. Verleden jaar zijn er hier bijvoorbeeld lichtdwergen verschenen.”

“Wat zijn dat?”

“Kleine, levensgevaarlijke wezens, dierlijk bijna, die lichtgeven in het donker – spectaculair om te zien,” zei Andrea, “volgens mijn moeder verdedigen ze zich uit alle macht als je ze opjaagt, zoals verleden jaar een man is overkomen – die wilde er eentje vangen.”

“Zijn ze verder onschuldig?’, vroeg Esmée.

“Ja,” zei Jokke.

“Daarna zijn we een officieel reservaat geworden,” zei Gijs die het idee erg grappig scheen te vinden – Esmée staarde net iets te lang – Gijs was een jongen van veertien jaar die al een echte baard had, want dwergen scheerden zich nooit. “Toch wel makkelijk.”

“Ik ga het hier heel leuk vinden,” zei Esmée.

Jokke en Leon begonnen als eersten de heuvel te beklimmen. “Zeker weten,” zei Gijs. “Het is leuk.”

Jokke en Leon lagen al in het gras – hadden hun ogen gesloten en genoten van het heerlijke zonlicht. Ook Andrea en Gijs lieten zich zo ongeveer neervallen, maar Esmée bleef nog eventjes staan om te kijken.

“Thuis mocht ik nooit naar buiten,” zei ze.

“Was je gisteren daarom ook zo boos?”, vroeg Jokke die met een enkel geopend oog half tegen het licht in lag te kijken. “Het was wel een goeie klap, hoor.”

“Hebben jullie die allemaal gevoeld?”, vroeg Esmée.

“Ik viel zelfs flauw.”

“Je bent sowieso heldervoelend,” zei Leon.

“Ja,” zei Jokke.

“Hij weet het als er een ongeluk gebeurt,” zei Gijs.

“In elk geval geen gewone jongen,” zei Andrea.

“Je krijgt nu ook les – samen met ons,” zei Gijs.

“Mijn moeder geeft Nederlands,” zei Andrea.

“De mijne doet wiskunde,” zei Jokke.

“Biologie – aardrijkskunde,” zei Gijs. “Wat anders?”

“Geschiedenis krijg je van Nosferatus,” zei Leon.

“Want die heeft het allemaal meegemaakt,” zei Jokke.

“Da’s ook wel handig,” zei Esmée.

Nog altijd stond Esmée om zich heen te kijken – overal bomen, struiken en groene veldjes – rechthoekige grijze vlakken verdwenen langzaam in het groen – een grote vijver lag blinkend tussen de bomen – boven het water wervelde een wolk onbekende wezens. Andrea kwam eventjes omhoog.

Esmée draaide zich om en wees naar een ander deel van het eiland dat ingeklemd leek te zijn tussen de snelweg en een breed drukbevaren kanaal. Er groeiden minder bomen dan in het zuidelijke stuk – nauwelijks struiken – wel was er een veld, al leek het dat ze minstens tot hun knieën verdwenen in het gras.

“Dat is het Veld van de Duizend Zielen,” zei Jokke.

“Het domein van de doden,” zei Gijs, “ze hebben het monster van Frankenstein aangesteld als opzichter.”

“Een soort kerkhof,” zei Esmée.

“Ja. Min of meer,” zei Leon.

“Hoe bedoel je dat?”, vroeg Esmée.

“Geesten,” zei Gijs. “De doden die zijn gebleven.”

“Dan wil ik er naar toe,” zei Esmée.

“Als je pa het goed vindt,” zei Gijs.

“De doden zijn nooit ver weg,” zei Jokke.

“We zouden toch al gaan,” zei Esmée.

“Ik wil best voor gids spelen,” zei Jokke.

“Is het er – gevaarlijk?”, vroeg Esmée die nu ook ging zitten, maar wel geboeid naar het Veld van de Duizend Zielen bleef kijken.

“Soms,” zegt Andrea.

Een tijdje later stonden ze allemaal weer op en daalden ze de heuvel af – ze volgden het oude pad dwars door de Tuin der Geesten langs resten van gebouwen die er allang niet meer waren – alleen de fundamenten waren overgebleven. Esmée hoorde het verkeer nauwelijks nog langskomen op de snelweg. Het leek alsof ze in een groot spel terecht was gekomen – een wereld die meer magie herbergde dan ze ooit had durven dromen. Haar vrienden wezen de lichtdwergen aan die in tientallen en misschien honderden tegelijk boven het water leken te dansen – ’s nachts zagen ze er beslist indrukwekkender uit – veel meer licht – als vuurwerk.

Heldergroene boombladeren ritselden zachtjes, terwijl ze met zijn vijven verderliepen – hoog boven hun hoofden trok een vliegtuig condensstrepen in de lucht – één van de heksen had een kruidentuin aangelegd die tussen de bomen genoeg zonlicht ving.

Na bijna een half uur verscheen de flat tussen de bomen – een groot bakstenen gebouw – Esmée merkte haar vader op die op het balkon een kopje koffie zat te drinken – naast hem mevrouw Madsen die ongetwijfeld thee dronk.

Verdorie – hier had ze altijd al willen wonen. Ze zou er ook nooit meer weg gaan.


Een fee in spijkerbroek (4)

Haar vader stond half over Esmée heen gebogen, toen ze haar ogen opendeed – het was vroeg in de ochtend, nog bijna donker, al werd het ook licht. “Tandenpoetsen – aankleden en opschieten,” zei hij. “Onze koffers liggen al in de auto,” ging papa verder.

“Wat?” Het was een vraag die ze niet eens had hoeven stellen, want ze herinnerde zich alles weer. “O ja!”

Buiten stond de auto klaar met een draaiende motor – voor Esmée was het een spannend avontuur dat een onzekere afloop beloofde te krijgen. Haar vader keek regelmatig om zich heen, terwijl hij zijn autogordel vastgespte. “Niks abnormaals als je zo vroeg op stap gaat met je dochter, zou je zeggen,” zei hij, “eerlijk gezegd begrijp ik niet waarom ik me zo druk maak.”

Heel langzaam begon de auto te rijden – de motor was nauwelijks te horen en Esmée stelde vast dat iedereen nog gewoon lag te slapen. Alle gordijnen hingen rustig voor de ramen, zoals het hoorde. Autoradio stond uit. Op het grasveldje wandelde een oude man die zijn hond uitliet – het moest nog zes uur worden.

“Hoe zit het dan met school, papa?”

Het duurde enkele seconden voordat haar vader antwoord gaf – hij sloeg rechts af, vervolgens links – ze reden langs een viesbruin slootje en grote huizen. Hij zuchtte diep. “Je gaat naar een andere school, liefie. Vanaf vandaag – zou ook morgen kunnen – krijg je les van Anne Madsen – je weet wel – die je rommel mee heeft helpen opruimen gisteravond.”

“Ik deed het niet expres.”

“Weet ik.”

Op een brede weg begon haar vader sneller te rijden, alsof hij ineens haast leek te hebben, maar dat klopte uiteraard niet – hij mocht hier zeventig per uur.

“Gelukkig maar.”

“Het probleem is dat we jouw talent – want dat is het echt – in goede banen moeten leiden. Snap je me?”

“Anders krijg je nog eens,” zei Esmée die met haar beide handen liet zien wat er zou gebeuren – als een ontploffing, omdat ze een keertje boos was geworden.

“Eerst had ik het nog een paar dagen aan willen kijken,” zei papa. “Ondanks de waarschuwing van Nosferatus. Een oude en zeer verstandige vampier.”

“Hoe oud is hij  dan?”

“Hij heeft Napoleon meegemaakt,” zei papa.

“Dus da’s best lang geleden.”

“Ja.”

Er viel een korte stilte in de auto.

“Was mama ook een fee?”, vroeg ze.

“Ja.”

“Hoe is ze – dood gegaan, papa?” Het was een vraag die ze uiteraard al eerder had gesteld, maar ze wilde het antwoord opnieuw horen – alsof ze het zich amper kon voorstellen dat je zomaar dood kon gaan.

“Ze werd ziek.” Zijn vingers vouwde hij om het stuur van zijn auto – knokkels werden wit. “Dat ging snel.”

“Zo snel dat de dokter niks meer kon doen?”

“Inderdaad.”

“Mis je mama heel erg?”

“Ja. Elke dag, liefie. Elke dag.”

Er was nauwelijks verkeer op straat – een enkele fietser – een andere auto die sneller reed dan mocht. Het stoplicht ging op rood en papa remde keurig af.

“Kan ik mama’s graf ook een keer zien?”, vroeg ze.

“Vandaag misschien al,” zei papa.

“Mooi.”

Het licht werd groen en hij trapte het gaspedaal in – stuurde naar rechts – een politieauto passeerde – eventjes draaide hij zijn hoofd, maar zei totaal niets.

“Pa-hap?”

“Ja.”

“Heb je gehoopt dat ik een gewoon meisje zou zijn?’

“Nou en of.”

“Waarom?”

“Het had ons leven veel makkelijker gemaakt,” zei hij. Er stonden huizen, wat bomen op een rij – struiken – Esmée wachtte op de rest van zijn verhaal, maar hij zocht een manier om met auto in de fietstunnel te komen. “Hier moet ik in kunnen – of het zou mogelijk moeten zijn – vroeger kon je er met de auto komen.”

“Er is toch ook een brug?”

“Die is afgesloten. Dat zei Nosferatus.”

“O ja.”

Er was een niet al te breed fietspad dat tussen hoge struiken leek te eindigen – een dijk en daarachter of zelfs erboven lag de snelweg – enkele meters verderop begon het stadseiland – een reservaat voor freaks, zoals veel mensen het ook vaak noemden, omdat ze de volledige waarheid niet kenden – geen mens had ooit de moeite genomen om het goed uit te leggen. Wel Nederland, maar toch ook weer niet helemaal.

“Ik doe gewoon alsof ik gek ben,” zei hij – eerst keek hij uitgebreid om zich heen – er was niemand op straat – wel was er hier en daar licht te zien in huiskamers.

Haar vader draaide het stuur naar rechts en gaf gas – het was een fietspad, maar het moest kunnen – bovendien leefden ze in een stad waar automobilisten zo ongeveer overal te gast waren op fietspaden. “Zie je,” zei hij en zijn mondhoeken gingen omhoog. “Het kost een beetje moeite, maar we komen er wel.”

Esmée zag een vrouw op het voetpad die met grote ogen de auto nastaarde – ze reden rustig voorbij. Het leek alsof ze iets wilde zeggen – haar hand ging omhoog – haar schelle stem riep een waarschuwing.

Na de huizen was er een stuk braakliggend terrein – niemandsland – Esmée herkende de fietstunnel, of dat was het lang geleden geweest – nu een donker gat. In plaats van een vrije doorgang herkenden ze allebei een hek dat tegen het vrolijk gekleurde beton hing – vreemde woorden, als spreuken die indringers buiten moesten houden. Haar vader stopte en wilde uitstappen, maar het hek werd al opzij geschoven. Opnieuw gingen zijn mondhoeken omhoog – zijn samengeperste lippen maakten plaats voor een grijns.

“Mooi, ze stonden echt op ons te wachten,” zei hij.

Twee koplampen verlichtten een tunnel die veel groter bleek te zijn dan Esmée had gedacht. Breed fietspad met wat scheuren en gaten in het wegdek. Vier of vijf vrouwen, kinderen, net als zijzelf, maar ook kleinere mensen die toch echt dwergen waren. Een fantastische opwinding maakte zich van haar meester – ze zocht het rode knopje om de gordel los te maken – papa zette de motor uit – ondertussen bleek het hek allang weer te zijn gesloten. Niemand erin, niemand eruit. Spreuken als graffiti op het beton.

“We zijn nu echt thuis,” zei hij.

De portieren gingen open – ze stapten uit – papa werd volop gezoend door verschillende vrouwen. Eén van hen legde haar armen om hem heen en riep lachend: “Welkom terug, Toine! Vuil vies smerig eigenwijs rotjong.” Uiteraard lachte ze er opgewekt bij,

Een jongen, die lichtblond bijna wit haar had, stak zijn hand uit en zei: “Ik ben Jokke.”

“Esmée, zo heet ik,” antwoordde ze.

Een meisje met rood haar stelde zich voor als Andrea.

“Net als mijn moeder ben ik een heks,” zei ze.

Een andere jongen met donker, bijna zwart haar – noemde zijn naam. “Ik ben Leon. Een weerwolf.”

De vierde schudde haar hand. “Gijs.”

“Ik ben een fee en dat weet ik nog niet zo lang.”

“Dwerg – net als mijn vader, maar dat snap je wel.”

Esmée bekeek het viertal en wees tenslotte naar Jokke die wel zijn naam had genoemd, maar niet gezegd wat hij nou feitelijk was – want ze waren allemaal anders.

“En jij?”

“Halfengel,” zei Jokke.

“Cool,” zei Esmée. “Dat is ook hartstikke gaaf.”


Een fee in spijkerbroek (3)

Enkele uren later werd ze wakker – twee pratende mannen in de tuin – één ervan was haar vader – de andere had ze nooit eerder gezien. Esmée drukte haar neus tegen het raam en keek omlaag – de onbekende droeg een zwart kostuum, overhemd met opstaande kraag en strikje.

“Hoelang had je die maskerade vol willen houden, Toine?’, vroeg de onbekende die klonk alsof hij een brood bestelde bij de bakker – zijn ogen glommen in het donker en leken op zwarte, lichtgevende kolen.

“Ik – eh – had gehoopt,” zei papa die de kijkrichting van zijn gast volgde en Esmée zag staan.

“We hebben je dochter wakker gemaakt.”

“Kom maar eens beneden, Esmée,” zei papa, “zodat je kennis kunt maken met een oude vriend van ons.”

Voordat haar vader zijn laatste woorden uit had gesproken, draaide ze zich om en rende de trap af. Zo vaak kwamen er geen bezoekers en al zeker niet in het holst van de nacht – een onbekende man die een smoking droeg – als een acteur die op het punt stond de première van zijn nieuwste film te bezoeken. In de keuken verminderde ze snelheid – Esmée liep schijnbaar heel erg kalm de tuin in en stak haar hand uit – precies zoals ze het had geleerd. “Ik ben Esmée.”

Er glom een zuinig glimlachje op het gezicht van de onbekende man. “Mijn naam is Nosferatus,” zei hij. Zijn hand voelde ijskoud aan en dat was erg vervelend. “Je vader heeft niet overdreven – net als Anne trouwens – die zei het ook al – je lijkt erg veel op Tamara.”

“Je bent een vampier,” zei Esmée. “Denk ik.”

Eerlijk gezegd leek het haar volkomen normaal dat er behalve feeën ook echte vampiers moesten bestaan.

Heel even trok Nosferatus zijn bovenlip omhoog – een soort lachje – zijn extreem lange hoektanden staken als vlijmscherpe dolken omlaag. “Dat klopt.”

“En ga je dan ook mijn bloed drinken?”

“Nee,” zei Nosferatus die opnieuw lachte, maar nu hadden zijn hoektanden een gewone menselijke vorm, “ik kijk wel uit – daar komt alleen ellende van – anders eindig ik ook als een gebraden varken aan het spit – nee, dochter van Tamara – je hebt niks te vrezen – niet van mij of mijn kinderen – erewoord.”

“Ja, Nosferatus heeft nogal een duister gevoel voor humor,” zei haar vader die zijn hand op haar rug hield.

“Een gebraden – nee, dat zou ik nooit doen,” zei Esmée die Nosferatus bleef bestuderen – hij had lange magere vingers, enge donkere nagels, als klauwen.

“Jij niet, nee,” zei haar vader.

“Je moet voortmaken, Toine,” zei Nosferatus die nogal onverwacht ter zake kwam, “jullie hebben de aandacht getrokken van een hoop mensen – de klok tikt in je nadeel – je moet opschieten en weggaan.”

“Route?”

“De oude fietstunnel – Jokke en zijn vrienden hebben ervoor gezorgd dat die open is gebleven – uiteraard vertelden ze dat veel en veel te laat,” zei Nosferatus.

“Goed – ik denk dat je ook nu wel gelijk zult hebben.”

“Wacht niet te lang,” zei Nosferatus die zich omdraaide en eerst wegliep – een paar stappen – daarna veranderde hij binnen twee seconden in een kleine vleermuis die rustig weg fladderde – Esmée keek hem na, terwijl het dier in het duister verdween.

“Da’s ook wel makkelijk, hoor. Als je dat kunt.”

“Ja, Esmée. Kom maar mee naar binnen,” zei papa die een tijdje om zich heen keek, al wist ze niet zo goed wat hij nou zocht. “Anders trekken we teveel aandacht.”

“Wanneer gaan we dan?”, vroeg Esmée, terwijl ze in de keuken stonden – deur was gesloten – het licht uit.

“Snel,” zei papa.

Voor Esmée leek het de normaalste zaak van de wereld dat er feeën, heksen en vampiers bestonden – alsof alle vragen waarmee ze al jaren worstelde en nooit eens goed beantwoord kreeg nu waren afgetikt.

“Mocht ik hierom nooit met de kinderen spelen?”

Haar vader wachtte eventjes en leek een of ander punt buiten te zoeken – Esmée volgde zijn kijkrichting – wat verlichte ramen – schaduwen achter gordijnen.

“Papa?”, vroeg ze.

“Omdat ik nooit echt bang ben geweest dat jou iets zou overkomen – eerder andersom – Nosferatus had gelijk – ik ben inderdaad roekeloos geweest.”

“Hebben we met mama dan daarginds gewoond?”

“Ja.”

“Dus je was bang dat ik de andere kinderen iets zou aandoen? Zoals het glas dat vandaag is ontploft?”

“Zoiets, ja.”

“Dat zou ik toch echt nooit doen, hoor.”

“Niet expres – precies zoals vandaag.”

“O, op die manier.”

“Nu ga je naar bed, jongedame.”

“Alsof ik nu zou kunnen slapen.”

“Nou, als je niet slaapt, dan rust je wel.”

“Dat zei oma ook altijd.”

Daarna keerde Esmée terug naar haar slaapkamer en trok ze het dekbed over zich heen – enkele minuten gingen voorbij en ze staarde gewoon naar het plafond. In gedachten zag ze Nosferatus staan – een vampier die haar nooit iets zou kunnen aandoen – ja, het was best handig om een vampier als vriend te hebben. Haar leven was in een dag tijd stukken boeiender geworden – zelf was ze een fee in spijkerbroek, net als moeder jaren geleden – dan waren er heksen, dwergen, andere feeën uiteraard, vampiers en veel meer bijzondere wezens.

Na een tijdje viel ze in slaap. Ze wist het heel zeker en toch leek het alsof Esmée klaarwakker was – haar bed stond ineens in een open veld – er groeiden braamstruiken met donkerblauwe en rode vruchtjes – wat appelbomen en zelfs eentje met perziken. Met een grote glimlach keek ze om zich heen, want dit was de leukste droom die ze ooit had gehad. Esmée zat recht overeind in bed, maar bedacht niet eens dat ze op zou kunnen staan en echt rondlopen.

“Dag Esmée, dochter van Tamara,” zei een vrouw die er – ineens – scheen te zijn en nergens vandaan kwam.

“Wie ben jij?”, vroeg Esmée.

“Mijn naam is Destiny.”

Heel even wilde Esmée vragen of Destiny 100% echt was, maar het antwoord kende ze uiteraard allang.

“Fijn dat we nu kennis mogen maken, Esmée.”

Er verschenen nog twee vrouwen die achter een boom vandaan leken te komen of uit een soort niets opdoken – het ene moment niet, het andere wel.

“Dit zijn mijn zussen Faith en Hope.”

“Hoi,” zei Esmée.

“We willen nu alleen ‘goedendag’ zeggen,” zei Faith.

“Je bent een fee. Dat snap je wel, hè,” zei Destiny.

“In spijkerbroek,” zei Esmée, “niet zo’n soepjurk.”

“Zoals wij – bedoel je?” Destiny begon te lachen, iets later werd ze gevolgd door haar zussen Faith en Hope. Inderdaad droegen ze alle drie zulke lange jurken die hun voeten volledig schenen te moeten verbergen.

“Fijn dat je erbij komt,” zei Hope.

De drie zussen leken best aardig te zijn, toch begon Esmée een vervelend gevoel in haar buik te krijgen – het kwam omdat ze er ineens waren en Esmée snapte genoeg van de Engelse taal om te begrijpen wat er met hun namen werd bedoeld. Dat was duidelijk. Al kwamen er geen moeilijke onderwerpen ter sprake.

Desondanks bedacht Esmée dat ze vragen had willen stellen over mama – Destiny, Hope en Faith zouden veel meer moeten weten – als haar vader niets wist over de manier waarop mama dood was gegaan – jaren terug – voordat ze vertrokken uit een flat die aan de andere kant van de snelweg stond – het was maar één flat – voor de rest hadden ze alles gesloopt.

Nou ja, er lag een terrein zo groot als de stadswijk die er ooit was geweest en sinds enkele jaren een verwilderd park was geworden. Wel erg mooi – een heleboel mensen zouden er graag willen gaan wandelen, maar dat mocht niet. Het was nu eenmaal verboden gebied. Voor gewone mensen wel te verstaan.


Een fee in spijkerbroek (2)

Een noodreparatie, zo heette het. Echte vervangende ruiten moesten worden besteld en dat zou een flinke tijd duren. Esmée snapte het probleem niet helemaal, want ’s avonds om acht uur zouden alle ramen al zijn geplaatst. De buurvrouw had extra aardappels voor haar geschild en een karbonaadje gebakken, zodat ze tussen twee buurjongens aan tafel kwam te zitten.

Voor Esmée was dit bijna het avontuur waar ze naar had verlangd – beter dan buitenspelen – twee jongens die hun soep luidruchtig naar binnen slurpten – gewoon omdat ze dat erg leuk vonden en moeder grinnikte schaapachtig mee. Dus Esmée volgde hun stoere voorbeeld en had de leukste avondmaaltijd sinds jaren, want thuis mocht dat nou eenmaal niet.

“Wat is er precies gebeurd?”, vroeg Cees.

“Geen idee,” antwoordde Esmée.

“Het glas is kapot,” zei Remco.

“Glas gaat niet zomaar kapot.”

“Dat is inderdaad zo,” zei Remco.

“Heb je soms superkrachten, Esmée?”, vroeg Cees.

“Nee,” zei Esmée.

“Ik kan m’n karbonade laten verdwijnen,” zei Remco.

“Dan heb ik ook superkrachten,” zei Cees.

“Ophouden, jongens. Ga gewoon eten,” zei moeder.

Terwijl Esmée een stukje vlees afsneed, probeerde ze te bedenken hoe het was geweest als haar eigen moeder gewoon had geleefd – net als de buurvrouw.

“Maar toch. Al dat glas,” zei Remco.

“Als jullie zo doorgaan, gebruik ik mijn superkracht.”

“Welke?”, vroeg Cees.

“Dat ik jullie binnen een minuut in bed krijg.”

Er viel een stilte die knap lang aanhield. In de tussentijd bestudeerde Esmée haar twee buurjongens die plotseling erg serieus met hun eten bezig waren.

“Eet je thuis vaak karbonade, Esmée?”

“Nee, nooit.”

“Wat dan wel?”, vroeg de buurvrouw.

“Vegetarisch vaak, soms een beetje vlees.”

“Dan snap ik dat van dat glas ook wel een beetje,” zei Cees die zijn opmerking direct betreurde, omdat zijn moeder hem echt een bloedvenijnige blik toewierp.

“Sorry, mam.”

Om half tien ging ze haar eigen huis weer binnen en het leek erop alsof ze de volgende dag zouden verhuizen. Het was nog steeds een geweldige bende, maar er lag in elk geval geen glas meer op de grond. In de gang stonden een paar boodschappentassen. Esmée ontdekte haar eigen iPad waarvan het glas ook al was gebroken en daardoor onbruikbaar was geworden. Bij de vitrinekast bleef ze eventjes staan kijken – alle glazen waren kapot gesprongen. Op het dressoir had een oude radio gestaan, een heel oude, een enorme kast met vier draaiknoppen en glas waarop je de namen van radiozenders kon lezen die vaak al tientallen jaren niet meer bestonden. Zonder een woord te zeggen nam Esmée plaats op een stoel.

“Gelukkig heeft Anne Madsen me geholpen,” zei papa. “Anders was ik nog wel een tijd bezig geweest.”

Geen woord van Esmée. Ze bleef stil.

“Morgen leg ik je oude iPad onder de slijptol,” zei papa die naar de berging stond te staren. “O nee, da’s waar ook, alle elektronica is ook nog doorgebrand.”

“We moeten alles nieuw kopen.”

“Ja.”

“Spiegel in de badkamer is ook kapot,” zei papa.

“Ook van glas,” zei Esmée.

“Ik weet niet of de verzekering het betaalt.”

“Waarom niet?”

“Het is – zoals ze dat noemen – onverklaarbaar.”

“Omdat het – eh – gewoon gebeurde?”

“Zoiets, ja.”

“En alleen bij ons?”

“Ja.”

“Waarom eigenlijk? Wat is er gebeurd?”

Hij nam plaats – ook aan tafel – tegenover Esmée.

“Volgens Anne moeten we verhuizen,” zei papa, “er is in haar flat nog wel een appartement beschikbaar en ik zou er gewoon mijn werk kunnen blijven doen.”

“Anne. Die dame met dat knalrooie haar?”

“Precies.”

“Heeft ze mama gekend?”

Papa begon te glimlachen. “Jazeker. Heel goed zelfs.”

“Waar is die flat dan?”, vroeg Esmée.

“Dat zal ik je laten zien,” zei papa. “Ogenblik.” De eettafel bleek een onopvallend laadje te bevatten – hij legde een kaart op tafel en vouwde hem open. “Kom maar eventjes naar deze kant – het is een zeldzame kaart – gemaakt van papier en volledig intact.” Esmée stond op en liep om de tafel heen. Het was een oude kaart, of misschien veel gebruikt, want er zaten allemaal scheurtjes in de vouwen. Papa legde zijn beide handen op de kaart en wreef hem glad. “Dit is een plattegrond van onze stad. Ik heb hem gemaakt. Lang geleden, toen je moeder nog leefde.” In het midden lag een snelweg – die herkende ze heel goed. “Hier wonen we.” Zijn vinger drukte op een plekje helemaal links op de kaart – een behoorlijk eind van de snelweg – kilometers – misschien wel tientallen.

Aan de rechterkant van de snelweg zag alles er totaal anders uit. Een andere wereld bijna. “En wat is dit? Hier staat ‘De Tuin der Geesten’. Wat betekent dat?”

“Het is een – helaas moet ik nu het ‘moeilijk-woord-alarm’ voor je van stal halen – enclave.”

“Huh?”, vroeg Esmée die het niet meteen begreep.

“Hier wonen alleen bijzondere mensen,” zei papa, “Het is een uniek stukje van Nederland – officieel is het een beschermd natuurgebied. Je mag er wonen, maar alleen als je door de bewoners wordt uitgenodigd en dat gebeurt zo goed als nooit, zoals je zult begrijpen.”

“Hoe komt dat dan?”, vroeg Esmée die naar een rechthoekje stond te staren – het moest een flatgebouw voorstellen – waarschijnlijk zou er zelfs geen lift aanwezig zijn – alleen trappen.

“Daar wonen heksen, tovenaars, feeën, dwergen, weerwolven, vampiers – kortom – wezens die niet in een gewone maatschappij  thuishoren. Zelfs het monster van Frankenstein heeft er een flatje.”

“En ook mevrouw Madsen?”

“Ja.”

“En mevrouw Madsen is hierheen gekomen – alleen maar om je mee te helpen met opruimen?”

“Nee. Ze wilde me vooral waarschuwen dat we moeten verhuizen. Jij en ik.” Papa wachtte hier eventjes voordat hij verder ging met praten. “Anne Madsen en de anderen hebben de klap – letterlijk – gevoeld – Jokke de Vries is zelfs flauwgevallen.”

“Pap – ik weet niet eens wat er is gebeurd!”

Hij leunde achterover en bestudeerde Esmée langere tijd zonder een woord te zeggen – daarom voelde ze zich ongemakkelijk – toch zweeg ze net als haar vader deed. Seconden tikten weg, bijna een volle minuut. “Mijn God – Wat lijk je toch veel op je moeder!”

“Ja, pap, dat heb je vaker gezegd.”

“Het is echt zo.”

“Mag ik daar dan buitenspelen? Met de andere kinderen en zo? Wat ik hier allemaal niet mag.”

“Geen enkel probleem, liefie.”

Nu was het de beurt aan Esmée om langdurig stilzwijgend naar haar vader te staren. In plaats van opgewekt te juichen, omdat ze voor het eerst op straat met andere kinderen zou mogen spelen – onbeperkt.

“Hoe zit het dan?”, vroeg Esmée. Ze durfde het niet eens hardop te zeggen. Heks, tovenaar of zelfs fee.

“Je bent een fee en daar horen uiteraard ook de krachten bij die gewone mensen niet hebben. Ik niet. Je moeder wel. Mevrouw Madsen evenmin.”

“Een fee? Moet ik dan ook zo’n suffe sprookjesjurk aantrekken? Die dragen ze toch allemaal?”

“Nee, een fee in spijkerbroek – net als je moeder.”


Een fee in spijkerbroek (1/6)

Esmée was een meisje dat nooit iets mocht van haar vader, dus bracht hij haar zelf naar school, om Esmée ook weer op te halen als het tijd was. Goed, soms mocht ze in een plas water springen, maar wel met laarzen aan. Alleen gaan fietsen – het was verboden. Er waren zoveel onbetrouwbare figuren in de stad. Uiteraard had ze een paar vriendinnetjes die ze mocht zien. Soms kwamen ze op bezoek – jawel, dat gebeurde – eens per jaar – alleen voor haar verjaardag wel te verstaan. Verder mocht ze niets. School – dan weer thuis – een beetje lezen, televisie kijken, ondersteboven op de bank liggen tot vader het zag.

Misschien vraag je je inmiddels af hoe het met de moeder van Esmée zat. Vond ze dit nou allemaal goed? Het probleem was dat Esmée haar moeder nooit heeft gekend. Uiteraard vertelde papa, als hij in een goede bui was, erg veel over mama, zodat Esmée haar moeder erger dan ooit begon te missen.

Om de haverklap zat Esmée thuis te mokken, omdat haar vader weer eens had gezegd dat ze binnen moest blijven. Het was veel te gevaarlijk. Een kat of hond mocht ze al evenmin hebben. Ze was allergisch, volgens papa. Om die reden stond er ’s middags, toen ze thuiskwam, een kom met een goudvis erin. Vader had geen problemen met goudvissen, Esmée eigenlijk wel – zo’n dom zwemmend oranjekleurig ding dat altijd maar leek te gapen.

Wat had je daar nou aan?

De goudvissenkom stond in haar slaapkamer – op een ouderwets stevig tafeltje dat ze met veel moeite om zou kunnen stoten. Uiteraard probeerde ze het en knoeide alleen wat spatten water op het tafelblad. Meer niet. Wel begon Esmée zich af te vragen welke dingen je er verder nog mee kon doen. “Ben je niet blij met Blub?” Papa had de vis een naam gegeven.

“Ja, ontzettend,” had Esmée geantwoord.

Op een keer zat Esmée op de rand van haar bed naar de vissenkom te staren. Hoe kwam ze van het dier af? Geen eten meer geven. Maar ja, dan nam vader het natuurlijk over. Dat deed hij altijd. Of weggooien in het toilet. Ze had nooit om een goudvis gevraagd.

Ze vond het zielig voor de vis die ze niet in het toilet zou gooien. Maar wat moest ze er verder mee?

Enkele weken later wilde ze buitenspelen. Het was een mooie warme dag in de lente. Alle kinderen speelden op straat. Esmée zat uiteraard binnen. Nou ja, ze mocht in de tuin. Vader had het ook zo gezegd.

Opnieuw had ze het gevraagd. Zoals zo vaak.

“Nee, veel te gevaarlijk,” zei vader.

“Iedereen mag buiten. Alleen ik niet.”

“Niks mee te maken.”

Daarmee hield het gesprek op. Papa draaide zich om en ging weer aan het werk. Het was makkelijk voor hem – papa werkte thuis. Esmée had geen idee wat hij nou precies deed en het boeide haar ook weinig, omdat ze veel liever naar buiten ging om met de andere kinderen te spelen. Stampvoetend liep ze naar boven in de hoop dat vader erg boos zou reageren.

Het was Esmée die boos was. In haar slaapkamer gooide ze de deur dicht – om de deur opnieuw open te maken en wéér dicht te smijten. Geen reactie…

Haar slaapkamerraam kon maar een klein stukje open, alsof papa bang zou zijn dat ze via het dak van de garage naar buiten zou klimmen – wat op zich niet eens zo’n slecht idee was. Esmée liep stampvoetend in het rond en schreeuwde enkele malen heel hard: “Rotzak!” Er kwam geen reactie. Terwijl ze zich op bed liet vallen en al naar het plafond keek, hoorde Esmée een gigantische klap – dichtbij èn ver weg.

Ze kwam overeind en zag de scherven van de vissenkom op het tafelblad en de goudvis onbeweeglijk in een laagje water liggen – echt, overal water – ook op de vloer. Heel langzaam liep Esmée naar het tafeltje. Ze legde een vinger in het water en trok die meteen weer terug. Het water was gekookt. Net als de vis trouwens. Met een hand voor haar mond staarde ze naar de scherven, het water en de dode vis.

Ook de ruit van haar slaapkamerraam lag in duizenden stukken op de vloer. Alles van glas lag gebroken op de vloer. “Pap?”, vroeg ze. Haar stem klonk aarzelend. Ze trok de deur van haar slaapkamer open en bleef bovenaan de trap staan om te roepen – alsof ze niet eens naar beneden durfde te gaan. “Pa–hap?”, vroeg ze. Beneden bleef het stil. Helaas moest ze het vertellen. Niet alleen de vissenkom was kapot, ook het raam. Anders zou ze de troep netjes hebben opgeruimd en verder geen woord over het ongeluk gezegd tot vader er een keer over zou beginnen.

Op de overloop keek Esmée naar de open deur van haar slaapkamer – ze probeerde te snappen wat er was gebeurd, maar durfde en kon ook niets bedenken. Zelf had ze op bed gelegen, toen het gebeurde. Bovendien was het water ook nog eens gekookt. En de vis. “Pap – er is iets gebeurd!” Nu riep ze nog harder. Esmée zuchtte diep en ging naar beneden. “Pa–hap – Waarom geef je geen antwoord?” Eerst keek ze naar het ronde ruitje van de voordeur – er had een ruitje moeten zitten – die was ook gebroken – daarna duwde Esmée langzaam de deur van de woonkamer open, omdat papa daar ergens aan het werk moest zijn – een computer, printer en boeken die hij had verzameld.

“Blijf staan, verdomme!”

Haar vader blafte eerder dan dat hij sprak.

De ruiten van de woonkamer – die van de vitrinekast – zeefdrukken die aan de muur hingen – al het glas was gebroken – het was een chaos. “Ik had misschien beter buiten kunnen gaan spelen, papa,” zei Esmée.

“Heb je schoenen aan?”, vroeg vader.

“Slippers.”

“Welke?”

Esmée stak haar linkerbeen vooruit om te laten zien dat ze slippers droeg met goede dikke zolen.

“Heel voorzichtig dan,” zei hij.

“Ik heb niks gedaan, hoor,” zei ze.

“Mm – nou ja.”

“Blub is gekookt.”

“Da’s dan heel verdrietig,” zei haar vader.

De buurvrouw verscheen bij het raam en zei: “Ik ben me rot geschrokken. Wat een klap, zeg.” Het leek nog wel alsof ze de ruit aan het zoeken was die in duizenden stukjes op de grond lag – binnen en buiten.

Hierna verscheen er een oudere buurman bij het raam.

“Iedereen oké?”, vroeg hij.

“Ja – behalve de goudvis.”

“Ruzie gehad?” Zijn mondhoeken gingen omhoog. “Tjonge jongen. Wat een ravage. Wat is er gebeurd? Heb je al gebeld? Naar 112? Anders doe ik dat effetjes voor je. Ik zeg wel dat je er te geschokt voor ben’.”

“Het glas van mijn telefoon is ook aan gort,” zei de vader van Esmée. “Al het glas is kapot gesprongen.”


John Bressers (5/5) Eindspel

Een vroege wandelaar ontdekte dinsdagmorgen vroeg dat er een dode in de rivier dreef – zo op het eerste gezicht een goed geklede man – gezicht naar beneden – armen en benen die in het donkere water leken te willen verdwijnen. De politie was snel ter plaatse.

Het bleek om Nicky Reijnders te gaan, de man die premier had moeten worden.

Een naaste medewerker had zijn vermissing al gemeld. Enkele minuten voor tien werd er aangebeld – Bressers had zich juist aangekleed en probeerde zich te herinneren of hij een afspraak was vergeten.

Hij deed de deur open – Foley stond om zich heen te kijken – ietwat nonchalant, maar er verscheen een verbeten trek op zijn gezicht toen ze elkaar in de gaten kregen. “John – om elf uur is er een persconferentie – er bestaat een grote kans dat jouw naam zal vallen.”

“Hoe bedoel je?”, vroeg Bressers.

Jesus, man – Where have you been?”, vroeg Foley die geen zin had om te wachten tot Bressers hem uitnodigde binnen te komen en gewoon verderliep.

“In bed – ik lag er laat in.”

Beide mannen liepen naar de woonkamer – Foley ging zwijgend zitten, slaakte een diepe zucht – Bressers pakte zijn mobiele telefoon en zag een reeks flashberichten die louter over Reijnders bleken te gaan – hij was ’s ochtends vroeg dood in de rivier gevonden. Het was groot nieuws – niet alleen in Nederland. Ook de BBC meldde het bericht.

“Jee. Da’s rot, zeg.” Bressers legde zijn telefoon neer.

“Je hebt hem verleden week gesproken,” zei Foley. “Er gaan tal van filmpjes over het internet – miljoenen mensen die graag willen weten wat je hebt gezegd.”

“Misschien moet ik mijn boodschappen voorlopig laten bezorgen,” zei Bressers. “Sorry. Misplaatst grapje. Ik heb Reijnders uitgelegd dat hij de vader is van een zoon – hij moest begrijpen welke gevolgen het contract heeft gehad – dus ook voor hem persoonlijk. Er loopt een onderzoek naar de dood van Chrissie Blakely. Dat heb ik hem allemaal verteld. Hij had zo’n idiote zelfverzekerde tandpastaglimlach op zijn gezicht. Het is heel goed mogelijk dat Reijnders iemand uit zijn entourage in vertrouwen heeft genomen – het zou kunnen – al moet je constateren dat je belangrijkste getuige dood is.”

“Een man die premier zou worden – gezien de peilingen stond het feitelijk vast dat hij het ambt zou bekleden – hij moest geen stomme dingen doen – dat is de beeldvorming die er in de media is gegroeid.”

“Dan kunnen de mensen tenminste vrijuit speculeren over een samenzwering,” zei Bressers die een stoel achteruit trok en plaats nam. “Ik had eerlijk gezegd de indruk dat Reijnders zich niet eens herinnerde waarom we de afspraak hadden gemaakt – misschien iemand die hem een handje wilde geven – succes wensen. Het duurde eventjes voordat hij me kende.”

“Wat ga je nu verklaren, John?”

“Reijnders en ik zijn elkaar al eens tegengekomen – lang geleden – op St. George om precies te zijn.”

“Een campagnemedewerker had het over een donatie,” zei Foley, “Reijnders scheen te hebben gezegd dat je hem een geldbedrag wilde schenken.”

“Laat maar in een persbericht melden dat ik de dood van Nicolas Reijnders diep betreur en zijn familie hierbij condoleer met het onvoorstelbare verlies.” 

“Wat doe je met het dossier?”

“Niets. Voorlopig.”

“Je wacht tot de storm overwaait,” zei Foley.

“Ik heb niets meer gehoord van Boele.”

“Denk je dat hij – ?”

“Je vraagt je af of Nicky Reijnders en Tosh Blakely elkaar soms hebben ontmoet.”

Twintig jaar geleden had Reijnders uitgelegd dat zijn carrière een vooraf vastgelegd traject zou moeten volgen. ‘Maar – ik moet – het is een familietraditie, net als dit werk – ontwikkelingshulp – samenwerking – als voorbereiding op een politieke carrière – net als mijn vader en grootvader moet ik minister worden.’ Hij had nooit durven vermoeden dat zijn verleden hem ook echt een keer zou inhalen – zelfs al zou Chrissie Blakely inderdaad door een dronken toerist zijn aangereden – wat natuurlijk heel goed zou kunnen.

Foley trommelde met zijn vingers op het tafelblad. “John – kerel – Ga je me nog eens koffie aanbieden?”

*****

Woensdagochtend leek het alsof de storm nog vele weken en misschien zelfs maanden zou aanhouden. Er lag een stapeltje kranten op zijn eettafel – zijn telefoon trilde nu en dan – om tien uur zou Van Rijn voor de deur moeten staan, mogelijk in gezelschap van een assistent-officier van justitie – de kans bestond dat de nachtelijke indringer had gesproken.

Zijn telefoon begon opnieuw te trillen.

Maaike.

“Hoi. Met mij.”

“Dag pap. Schikt het? Of heb je het hartstikke druk?” Er klonk een schalkse, vrolijke lach. “Nee toch?”

“Niet meer,” zei hij.

“Bedankt dat je me van die griezel hebt verlost.”

“Michel Grijs.”

“Ja.”

“Graag gedaan.”

“Hij ontloopt me,” zei ze. Er galmde een nieuwe lach.

“Ach ja,” zei hij.

“Hoe heb je dat voor mekaar gekregen?”

“Ik heb hem al eens eerder ontmoet,” zei hij.

“O jee.”

“Hij zal je nooit meer iets vervelends vragen,” zei Bressers.

Er viel een korte stilte. Nieuwe vraag. Ander onderwerp. “Ga je vandaag nog stemmen, pap?”

“Ja.”

“Mensen hebben het alleen nog maar over Reijnders.”

“Onbegrijpelijk.”

“Ze zeggen dat hij is vermoord.”

“Ben je al wezen stemmen?”

“Nee.”

“Nou, Reijnders was geen aardige man.”

“O.”

“Hij was een smeerlap.”

“Mijn stem gaat naar de Partij voor de Dieren.”

“Heel netjes.”

“Ja toch?”

De voordeurbel klonk. “Ik moet je neerleggen.”

“Visite?”, vroeg Maaike.

“Ja.”

“Eh – leuke visite?”

“Niet echt.”

“Succes dan.”

“Dank je.”

Hij legde zijn telefoon tafel en liep naar het halletje – draaide de sleutel naar rechts en maakte open – het was inderdaad Van Rijn, maar ook een jonge vrouw, donkerblond haar, bruine ogen, mantelpakje – witte blouse.

“Kom binnen,” zei hij.

Van Rijn ging verder zonder een woord te zeggen – zijn ogen twinkelden een beetje – dat wel – de jonge vrouw bleef op de deurmat staan en stak haar hand uit. “Ik ben assistent-officier van justitie, mijn naam is Lisette van der Bruggen. Aangenaam, hoop ik.”

“Het is een belangrijke zaak,” zei Bressers.

“Reijnders – Nicolas,” zei Van der Bruggen.

“Nicky – voor vrienden,” zei Van Rijn.

Er drong spaarzaam licht door het raam – gordijnen waren half opengetrokken – folie op kijkhoogte – een stapeltje tijdschriften lag op een tafeltje. Bressers vroeg of ze misschien iets te drinken lustten. Bijna vijf minuten later zette hij koffie en thee op tafel. Zelf nam hij, zoals altijd, koffie – zonder suiker of melk.

“Het was al een vervelende kwestie,” zei Van der Bruggen, “maar de dood van Reijnders heeft de zaak nog verder gecompliceerd.” Bressers trok zijn wenkbrauwen eventjes omhoog – grotere ogen. “Ja, mijnheer Bressers. U kunt heel goed doen alsof u – .”

“John.”

“Goed – heel fijn – John. Je doet alsof je nergens van weet en ondertussen ben je het best van ons allemaal op de hoogte van de meest ranzige trekjes van een man die binnenkort onze premier had kunnen zijn.”

“Wat weet je zelf van – Nicky?”, vroeg Bressers.

“Hij komt uit een vooraanstaande familie – zou de zoveelste minister zijn geworden, vermoedelijk premier – doet het goed in de media – eh – hij lachte veel en makkelijk, zoals blijkt in het filmpje dat is gemaakt verleden week donderdag, toen je hem zo ongeveer gefileerd moet hebben, al heeft niemand kunnen volgen wat je hebt gezegd – want mijnheer Bressers – John voor intimi – weet heel goed wanneer hij met zijn rug naar de camera’s moet staan.”

“Tot zover ben ik akkoord,” zei Bressers.

Van Rijn zweeg alleen, hij nam een slokje koffie.

“Zoals wel vaker is gebeurd in de geschiedenis, blijkt – bleek Reijnders een man te zijn die zich – eh – ja, ik moet zeggen in één woord onbeschoft gedroeg –  er zijn vrouwen die ontslag hebben genomen, omdat ze zich niet veilig voelden in zijn nabijheid. Al zou er dan niets zijn gebeurd – ook geen aanranding.”

“Reijnders heeft illustere voorgangers,” zei Van Rijn.

“En nu is hij dood en stevent zijn partij af op mogelijk de grootste overwinning in de geschiedenis – zetelaantallen die herinneren aan de jaren tachtig – een laatste peiling voorspelt ruim 54 zetels – revolutionair – zeker in ons versplinterde politieke landschap. Een aardverschuiving. Ze zullen de premier willen leveren,” zei Van der Bruggen.

“Ik snap wat er op het spel staat,” zei Bressers.

“Klopt het dat een dossier niet mag worden gepubliceerd als een van de betrokken partijen is overleden?”, vroeg Van Rijn. “Dat is het verhaal.”

“Er zijn een paar uitzonderingen,” zei Bressers. “Maar de contractbreuk van Nicky Reijnders is misschien het belangrijkste element. Hans van der Schoor heeft mij in opdracht van zijn baas gevraagd het dossier Reijnders af te geven. Dat is verboden. Ook had Reijnders na zijn misdaad nooit meer voor een vooraanstaande politieke functie mogen kiezen. Het is één van de belangrijkste bepalingen geweest.”

“Wat heeft hij gedaan?”, vroeg Van der Bruggen.

“Hij heeft een vrouw verkracht,” zei Bressers. “Twintig jaar geleden. Op St. George om precies te zijn. Ik was in de buurt – kreeg  de opdracht om te gaan kijken – hij moest de kans krijgen om zo snel mogelijk het eiland te verlaten. Dat is ook gebeurd.”

“En wat is er met de vrouw gebeurd?”

“Ze werd negen maanden later moeder van een zoon – is twee maanden geleden door een dronken toerist dood gereden – de jongen vond zijn moeder terug in het mortuarium van het ziekenhuis – zijn opleiding werd betaald door Equal Chances – heel bizar. Reijnders kende het dossier, maar had niet gedacht dat een jongen met een donkere huidskleur zijn zoon zou kunnen zijn – Reijnders had het over een zwarte.”

“Een vrouwenverkrachter en racist,” zei Van Rijn.

“Heb je bewijs?”, vroeg Van der Bruggen.

Foley moest beslist hebben geweten dat er iemand van justitie vragen zou komen stellen – een gevolg van de nachtelijke indringer – Guus van Tellingen – het was een domme actie geweest – voor die nacht had de zaak met een sisser af kunnen lopen. Al behaalde de partij van Reijnders ruim twintig zetels meer in de Tweede Kamer dan hij normaal had kunnen bereiken. Er hing evengoed een zwaard van Damocles boven het hoofd van de partijleider. Nicolas Reijnders had zelf het touw doorgesneden. Een laatste wanhoopspoging om de verkiezingen te beïnvloeden, omdat zijn grote droom was verdampt tijdens een gesprek in een Bosch’ café. Reijnders had goed geweten dat zijn politieke carrière achter de rug was. De schande bleef over.

“Ja,” zei Bressers.

“Dan – eh,” zei ze, “wil ik het inzien.”

De woorden van zijn dochter Maaike klonken in zijn hoofd. ‘En jij, pap – Heb jij de Majesteit altijd geëerd?’ Hij stond op en griste zijn telefoon mee.

“Ogenblikje.”

*****

Zijn auto had hij achtergelaten op de bezoekersparkeerplaats – zijn eigen plek werd bezet gehouden – de huurauto van Boele stond er al. John Bressers had zijn oude makker een berichtje gestuurd – ze moesten bijpraten over de laatste ontwikkelingen. Het was bewolkt, er viel wat regen – een passend weertype. Bressers stak zijn hand op naar de receptioniste die meteen vrolijk terug zwaaide.

De deur ging open – Bressers en Boele schudden elkaar de hand – Tosh zat onderuit gezakt in een fauteuil naar televisie te kijken – de eerste onthullingen over zijn vader werden besproken – een handgeschreven bekentenis van Nicky Reijnders.

“De grootste oppositiepartij sinds de CDA en PvdA – in de jaren tachtig – toch hebben ze het nakijken,” zei Boele. “Alles loopt compleet anders.”

“Zonder sociale media was het gelukt,” zei Bressers.

“Ik begrijp niet waarom hij dood is,” zei Tosh.

“Vanochtend heb ik zijn vrouw gesproken,” zei Bressers.

“En?”, vroeg Tosh.

“De weduwe wilde alleen weten of ik destijds een pistool op zijn hoofd heb gezet.”

“Voor de bekentenis?”

Hij trok zijn schouders omhoog, een beetje nonchalant, alsof het hem weinig kon schelen.

“Je hebt je wapen wel laten zien,” zei Boele.

“Tuurlijk.”


John Bressers (4/5) Tosh

Volgende ochtend – het was bijna elf uur – had Bressers zijn dakterras opgezocht – het was vrij warm voor de tijd van het jaar, niet eens zomers, wel behaaglijk. Een ronde tafel, vier stoelen – hij werd omringd door een eindeloos lijkende zee van daken en de kathedraal domineerde de skyline sowieso.

Er stond een kop koffie op tafel, daarnaast lag zijn telefoon. Hij had een berichtje gestuurd naar Boele – een simpele vraag – ‘Wat is er aan de hand?’ Voorlopig volgde er geen antwoord, dus veronderstelde Bressers dat dit met het tijdverschil te maken moest hebben – Boele werkte in de Caraïben.

Hij nam een slokje koffie – er kwam een app binnen – afkomstig van zijn ex-vrouw die wilde weten waar hij zich precies bevond. ‘Thuis – op het dak.’ Zo luidde zijn reactie. Al een uurtje of twee kwamen er verschillende berichtjes binnen, apps, sms’jes. Een of andere redacteur probeerde hem aan de telefoon te krijgen, door een nachtelijke overval en alle publiciteit die het gevolg was. Bressers had er geen behoefte aan en weigerde elke medewerking. In de media zouden ze zeggen dat hij iets wilde verbergen. Zo was het natuurlijk ook. John Bressers had in werkelijkheid een half mensenleven te verbergen. Zijn archief oefende een weergaloze  aantrekkingskracht uit op talloze schimmige figuren.

Het hoorde bij zijn werk en Bressers wist het – hij had het altijd geweten. Duistere geheimen waarvan mannen èn vrouwen nu ineens begonnen te begrijpen dat ze in de kelder van zijn huis werden bewaard.

De voordeurbel ging – Bressers stond op en begon naar beneden te lopen – hij verwachtte zijn ex-vrouw, mogelijk naar aanleiding van het gesprek dat hij gistermiddag met Maaike had gehad over de baan die haar was aangeboden door een zekere Michel Grijs – een naam die klonk als een pseudoniem. Achter het ondoorzichtige glas van zijn voordeur werden een tweetal silhouetten zichtbaar – allebei mannelijk – zoveel was wel duidelijk – een wat nonchalante houding. Bressers opende zijn voordeur en overwoog of het niet beter was geweest om de twee mannen te laten staan.

Het was zijn oude protegé Sven Boele – incident manager – schuin achter hem een jongen die zich verborgen leek te houden. Er groeide een herkenning. Bressers herkende de oogopslag van de jongen die beslist aan zijn Nederlandse vader deed denken – wat de zoon van Chrissie Blakely vermoedelijk zijn hele leven al van een heleboel mensen te horen kreeg. 

“Hé, ouwe,” zei Boele. “Hoe staat het leven?”

“Best,” zei Bressers die eerst zijn oude collega de hand schudde, vervolgens de jongen – die onwennig om zich heen stond te staren, alsof hij moeilijk kon geloven dat hij echt in een oude Brabantse stad was.

“I guess you’re Chrissie Blakely’s son,” zei hij.

“Ik spreek gewoon Nederlands, mijnheer.”

“John – John Bressers.” Hij trok zijn wenkbrauwen vragend omhoog – beide mannen kwamen verder, een beetje aarzelend, alsof ze verboden gebied betraden.

“Op St. George kunnen we hem niet beschermen.”

“Tja, ik had je telefoontje gisteren ook aan moeten nemen,” zei Bressers. “Ik zat op het dak.” Hij wees naar de trap – Blakely liep als eerste naar boven.

Bressers betrad het dakterras. “Ik heet Tosh – Blakely – door een oude song van Peter Tosh – ‘I’m the toughest – Anything you can do, I can do it better.’ Moeder hoopte dat het nummer me sterker zou maken, als ik ooit eens aan mezelf zou twijfelen.”

Boele ging als eerste zitten, onmiddellijk gevolgd door Bressers, Tosh nam als laatste plaats en bleef eerst nog wat onrustig om zich heen kijken, alsof hij op een of andere plek een sluipschutter verwachtte.

“Dus je moeder is vermoord,” zei Bressers.

“Geen twijfel over mogelijk,” zei Tosh.

Bressers twijfelde niet aan de doodsoorzaak, maar een moord zou ook eerst bewezen moeten worden.

“Ik had het dossier gesloten,” zei Bressers.

“Wat is er gebeurd?’, vroeg Boele.

“Reijnders had een assistent gestuurd om het dossier in handen te krijgen – zo moet het ook echt zijn gegaan. Het is ondenkbaar dat Van der Schoor zelf het initiatief heeft genomen – hij zou niet eens op de hoogte mogen zijn van het bestaan ervan. Bovendien heb ik afgelopen nacht een huurmoordenaar neergeschoten. Ik snap ook dat je Tosh laat onderduiken, al ligt mijn huis niet zo voor hand.”

“We zijn alleen op doorreis,” zei Boele.

“Mijn moeder kwam op een dag niet meer thuis,” zei Tosh die zijn verhaal begon te vertellen, terwijl Bressers er nog geen vragen over had gesteld. “Zo gaan zulke dingen op het eiland. Er komt geen politie langs om te zeggen dat er een ongeluk is gebeurd. Op het politiebureau wilden ze me niet eens helpen. Uiteindelijk heb ik haar in het mortuarium teruggevonden – van het ziekenhuis, weet je wel. Ze was aangereden door een dronkenlap – zeiden ze.”

“Wanneer kwam jij in beeld, Sven?”

“Foley belde me een week geleden op – wilde weten of ik misschien in de buurt van St. George was. Ik heb onderzoek gedaan naar het ongeluk, de auto teruggevonden waarmee Chrissie is geschept, net als de naam van een huurder – een valse naam, ik heb in elk geval nog geen man gevonden die echt zo heet en ook nog eens volledig aan het signalement voldoet.”

“Ik zat een week geleden nog hoog en droog in mijn huisje op de Veluwe,” zei Bressers. “Het betekent dat Foley mijn huis – hier in de stad – een tijd in de gaten heeft laten houden. Reijnders zit in de problemen sinds hij openlijk verkondigt premier te zullen worden.”

“Waarom is hij toen niet veroordeeld?”, vroeg Tosh.

“Een paar belangrijke families hebben dat twintig jaar geleden voorkomen – er zou hoe dan ook geen veroordeling zijn gevolgd – wel heeft Reijnders moeten toezeggen nooit een belangrijke post te zullen nastreven in de nationale politiek – zoals minister.”

“Hoe weet je dat zo goed?”, vroeg Tosh.

“Ik heb je moeders leven gespaard,” zei Bressers.

Tosh balde zijn vuist, maar hield zijn mond.

“Misschien verwachtte Reijnders dat ik je moeder zou liquideren – ik heb geen idee – het was nooit het plan,” zei Bressers. “Ja, ik heb voor die mensen gewerkt – oud geld, zoals dat heet. Heel oud geld.”

“Het betekent dat zo’n man overal mee wegkomt, zolang hij braaf de regels van jullie spel volgt – dus hun bedrijf – dat van de witte aandeelhouders – ze hebben een andere naam verzonnen voor de Oost-Indische Compagnie, of West-Indische – whatever.” Tosh sprong op en liep weg, terwijl zijn stoel met een harde klap achterover viel. Go to hell, all of you!”

Boele trok een licht verwijtend gezicht naar Bressers, stond op en ging achter Tosh aan die al op de trap liep.

“Thought you knew that by now, kid,” mompelde Bressers die het kopje oppakte en de koude koffie weggooide. Hij hoorde een gesprek dat zich deels op de trap afspeelde – Boele sprak over kalmte en verantwoordelijkheid om het project te voltooien. Er lag een kans om Reijnders aan te pakken aangezien de man twintig jaar later contractbreuk had gepleegd.

Het duurde bijna vijftien minuten voordat Tosh terugkeerde en er lag een duistere gloed in zijn ogen.  

Boele stond schuin achter hem. “Wat gaat u doen?”

“Eerst ga ik met je vader praten,” zei Bressers.

“En dan?”

“Dat – ligt helemaal aan hemzelf.”

*****

Een rigoureuze oplossing, zoals bij Manfred Pastoor, was om te beginnen uitgesloten, aangezien het een politicus betrof die je niet ongestraft kon doden. De naam en foto van Reijnders stonden op verkiezingsaffiches in het hele land. Hij was in talkshows verschenen, bovendien genoot hij een goede reputatie, als een man die in het verleden geheel belangeloos voor een hulporganisatie had gewerkt. Zelfs een ongeluk zou gevolgen hebben in de verkiezingsuitslag, aangezien Reijnders ook echt nummer één was op de lijst voor zijn partij. Of een onverwachte dood in bed, gevolg van een hartinfarct.

Een vroegere collega van John Bressers vergeleek een politieke moord met niets minder dan een atoombom – de gevolgen zouden tientallen jaren lang nawerken.

Sven Boele en Tosh Blakely vertrokken rond een uur – ze hadden gegeten in de keuken van Bressers die hen vervolgens de sleutels gaf van zijn vakantiehuis.

Langzaam verstreek de middag – het werd half vier en Bressers verwachtte deels dat Reijnders de verkiezingshectiek zou gebruiken om de afspraak af te zeggen, maar het journaal meldde dat het complete circus van Reijnders in ’s-Hertogenbosch was neergestreken –  om die reden trok Bressers zijn jas aan en wandelde rustig naar het café dat het toneel moest worden van een serieus gesprek. Het was een oud trucje dat hij gebruikte. Er zouden veel mensen zijn – de beveiligers hadden als opdracht om al te nieuwsgierige cafébezoekers afzijdig te houden, terwijl Bressers en Reijnders met elkaar spraken. Voor Reijnders was het onmogelijk om een scène te schoppen – misschien zouden ze een stukje wandelen. Het Bossche Broek was ook erg mooi in het voorjaar.

Er hadden zich aardig wat belangstellenden in het straatje verzameld – Bressers wist zich er langs te worstelen en binnen te geraken – een bewaker keek hem onderzoekend aan – Bressers hoefde niet eens te zeggen wat hij kwam doen – Reijnders had een pilsje te pakken gekregen en zou er misschien zelfs een enkel slokje van nemen – hij was druk bezig met een verkiezingsmarathon. Reijnders herkende Bressers na enkele seconden – het kostte hem zowaar wat tijd, want hij wist dat er een ontmoeting zou volgen, maar was er niet meer in geslaagd zich te herinneren wat de aanleiding moest zijn. Het was twintig jaar geleden.

“Dus jij bent het,” zei Reijnders wiens opgewekte tandpastalach plotseling was verdwenen.

“Wist je het nog?”

“Ik had gedacht – nou ja – ik dacht.” Gedurende een kort ogenblik verwachtte Bressers een verklaring, maar de man viel domweg stil – hij zweeg – in plaats daarvan was er alleen een heleboel lawaai in het café.

Bressers stond met zijn rug naar mensen die foto’s wilden maken – of filmpjes, zodat niemand later al liplezend zou kunnen herhalen wat hij had gezegd.

Zijn hand legde hij op de bovenarm van Reijnders, maar Bressers gebaarde ook dat de muziek harder moest. Zo gebeurde het meteen. Oude muziek, jaren zeventig. Veel geluid, zoveel mogelijk zelfs, want alleen Reijnders mocht horen wat hij ging zeggen.

“Je hebt contractbreuk gepleegd,” schreeuwde Bressers in het oor van de politicus. “Ik heb je gewaarschuwd – je kende de voorwaarden van onze overeenkomst.” Er leek een glimlach op het gezicht van Reijnders te zijn gebeiteld – hij oogde totaal onbewogen – alsof ze leuke herinneringen ophaalden. “Wist je dat je Chrissie zwanger hebt gemaakt?” De ogen van Reijnders werden groter – een verbaasde frons die al snel veranderde in een blije grijns. Alsof hij een goede grap had gehoord. “Gezonde, sterke jongen, slimme vent. Jouw stichting heeft zelfs voor zijn opleiding betaald.”

“Tosh? Je bedoelt – Tosh?”, vroeg hij.

“Ja,” antwoordde Bressers.

“Een zwarte – ik bedoel – hij is niet – ,” Reijnders sprak zijn woorden in de fadeout van een nummer. Hij herstelde zich snel. “Excuus, ik ben geen racist.”

Reijnders staarde naar de bar, alsof daar een tip in het hout was gekrast door een eerdere cafébezoeker.

“We zijn de dood van Chrissie aan het onderzoeken,” zei Bressers. “Dat moet je goed in je oren knopen.”

“Dat meen je niet!”

“Dus trek je conclusies.”

“Ja – ik bedoel – ja.”

“Voordat de man die ik vannacht heb neergeschoten, zijn verhaal vertelt aan de politie,” zei Bressers. “Ik zal genoodzaakt zijn om het dossier te overhandigen aan de officier van justitie, zoals je zult begrijpen.”

Reijnders legde een hand op Bressers’ schouder en liep gewoon weg – de man die de volgende premier van het land zou moeten worden begon links en rechts handen te schudden – ongetwijfeld lachte hij er opgewekt bij, maar dat was niet te zien voor Bressers.  

Reijnders hield zijn hoofd naast dat van een vrouw die een foto maakte en vervolgens haar duim omhoog hield. Heel geleidelijk verplaatste het circus zich naar buiten – de kastelein dempte het volume van de muziek, niet een beetje, maar heel erg. Ze konden elkaar weer verstaan. Zoals het hoorde op een gewone dag. Bressers hees zich op een kruk en bestelde een pilsje – nu leek het hem gepaster om bier te drinken.

Een man bleef twijfelend staan en misschien overwoog hij te vragen waar ze over hadden gesproken. Het was simpel genoeg om een leugen te vertellen en deels ook de waarheid. Ze hadden elkaar al eens ontmoet. Reijnders kende de jongen die een donkere huidskleur had – uiteraard, net als zijn moeder. Mogelijk had Reijnders een dossier gelezen en zich niet gerealiseerd dat de jongen zijn zoon was.

De kastelein zette het glas neer voor Bressers die meteen een slok nam – hij had er dorst van gekregen.

“Zeg eens eerlijk. Ga je op hem stemmen?”

“Nee,” zei Bressers. “Absoluut niet.”