Tagarchief: moderne korte verhalen

Spirits (3/7) Boeken

“Al snel kregen we te horen dat we een ander huis zouden krijgen in – natuurlijk – dezelfde wijk. Moeder sprak weinig, maar deed verder vrij normaal. Drie maanden later verhuisden we naar ons nieuwe adres – het was een etagewoning, maar op de begane grond. De verhuisauto stond voor de deur – alles werd gedaan door de verhuizers – ik ging het huis binnen en er lag een laminaatvloer – de muren waren wit geschilderd, net als de kozijnen en deuren, we hadden een mooie schone keuken met blinkende tegels. Belangrijker: vanaf die dag hadden we een echte tuin, een royaal grasveld met een paar bomen. Moeder zei er niet veel over – we zouden in de zomer buiten kunnen zitten, terwijl de zon achter de flat wegzakte. Ik leerde de dezelfde dag nog onze buurman kennen.”

“De man die zo belangrijk voor je is geweest,” zegt de oom van Chase die nog steeds de shotgun vasthoudt, alsof het zijn meest dierbare bezit betreft.

“Ja,” zegt Chase. “Ik hoefde alleen over het hek te stappen om in zijn tuin te komen – de buurman had geen groen – er lagen plavuizen – hij had een serre gebouwd en daar een oud bankstel neergezet. Deur stond open en ik beschouwde het als een uitnodiging.

En nooit eerder in mijn leven had ik zoiets gezien – ik ging zijn woonkamer binnen en zag muren vol boekenkasten – van de vloer tot aan het plafond, er was een trap gemonteerd die je moest beklimmen om de bovenste boekenplanken te kunnen bereiken.”

 “Je bent er zomaar binnengegaan?”, vraagt de oom van Chase wiens ogen wijd open zijn gesperd.

“Ja, want de deur stond open,” zegt Chase. “Bovendien had ik nooit eerder zoiets betoverends gezien – boeken en nog eens boeken – een kamervol. Ik stond middenin de woonkamer om me heen te staren – stelen van boeken leek me de allergrootste misdaad – ik had het niet eens kunnen bedenken. Geen idee hoelang ik daar heb gestaan, maar na een tijdje hoorde ik een stem achter me praten – de buurman bleek een man te zijn die gewend was om met kinderen om te gaan – een gepensioneerde leraar.

“Dat heb je snel gedaan,” zei hij, “de verhuisauto staat amper voor de deur of je begint al in te breken.”

“Sorry – de deur stond open en ik – ,” zei ik.

“Je staat erbij te kijken alsof je nooit eerder in je leven een boek van dichtbij hebt gezien,” zei de buurman.

“Jawel – natuurlijk – maar niet zoveel.”

“Vertel eens,” zei hij. “Huur of koop?”

“Eh – Wat bedoelt u?”

“Betaalt je moeder huur?”

“Nee – nee, ik dacht het niet.”

“Dus ze heeft jullie huis gekocht.”

“Dat ook niet. We hebben het gekregen.”

“In dat geval zit je in de opleiding,” zei hij. “Ga je sinds enkele maanden naar de fightschool?” De buurman ging tegenover me staan en pakte mijn handen – hij begon mijn knokkels te bestuderen die er nogal rood uitzagen –  oefeningen waren niet altijd fijn. Er begon zich eelt te vormen op mijn knokkels. Hij liet mijn handen los. “Hout of steen?”, vroeg hij.

“Hout.”

“Ik wil boeken uitlenen, maar ik zoek de titels uit – elk boek krijg ik van je terug en je doet er een verslag bij dat uit enkele regels bestaat. Het is niet de bedoeling dat je er complete opstellen bij schrijft.”

“Oké,” zei ik.

“Het is ook belangrijk dat je het volgende goed begrijpt, want ze zouden ons allebei vermoorden – je mag niemand vertellen dat je die boeken leest en het is ook streng verboden iemand te vertellen over onze contacten – we groeten elkaar op straat, maar doen alsof we elkaar niet kennen – als je nog één keer mijn huis binnenkomt, zoals je net hebt gedaan, dan betekent dat waarschijnlijk de dood voor ons beiden.”

De oom van Chase onderbreekt zijn neefje weer.

“Waarom nam die man zo’n geweldig risico?”

“Geen idee. Ik heb het nooit gevraagd.”

“Wat denk jezelf? Je moet een vermoeden hebben.”

“Om de spiraal van geweld te doorbreken.”

“Hè? Hoe bedoel je?”

“De Organisatie houdt zichzelf in stand – je kunt ze alleen stoppen door ze allemaal te vermoorden, zelfs gevangen zetten heeft totaal geen zin – er is altijd wel iemand die leiding wil geven aan een fightschool – spirits moeten zo min mogelijk geweld toepassen – natuurlijk kan ik vechten, maar een moord mag geen argwaan wekken bij politie of nabestaanden – niemand mag vermoeden dat er een moord is gepleegd – daarom moest ik mijn best doen op school. Hard slaan is niet voldoende, je moet echt slim zijn. Politie en justitie zijn dusdanig overbelast dat veel verdachte sterfgevallen niet worden onderzocht.”

Chase wacht hier enkele seconden, maar zijn oom zwijgt alleen en knikt heel traag met het hoofd.

“Er veranderde meer dan alleen ons huis – op school wist iedereen dat ik een jukbeen van Eduard had gebroken – het was opvallend om te merken hoe vriendelijk iedereen ineens tegen me begon te doen. Ik had nooit veel last van pestkoppen, maar sinds ik, zoals de buurman zei, in de opleiding zat, reageerde iedereen opvallend vriendelijk en tegelijkertijd was ik nooit eerder in mijn leven zo eenzaam – ik werd bijvoorbeeld nooit uitgenodigd voor feestjes en zo.”

“Heb je wel eens ruzie gekregen en toen gevochten?”

“We mochten niet vechten en aangezien iedereen wist dat ik vier keer per week naar de fightschool ging, gebeurde dat ook nooit – ik heb nooit ruzie gezocht met andere jongens – een andere jongen heeft een keer gevochten – die zat in dezelfde groep als ik. Het gebeurde op school en ik heb een einde gemaakt aan het gevecht – de jongen heette Andrew en ik heb heel hard geslagen – enkele malen zelfs – mijn vader scheen dezelfde harde vuisten te hebben gehad.

Na school ben ik direct naar de fightschool gegaan, al hoefde ik er die dag niet eens te zijn, maar ik vond dat ze het verhaal beter van mij konden horen – Andrew ging gewoon naar huis – ik vond niet dat ik klikte – natuurlijk heb ik hem verteld wat ik ging doen, maar het boeide hem weinig – hij haalde zijn schouders op.

Mr. Flyer was er bezig met een paar ouderejaars – ik was nog maar een beginneling – hij stuurde me naar kantoor, zodat ik Mr. Blade kon uitleggen wat er was gebeurd. Nee, ik hoefde niet eens te zeggen dàt er iets was voorgevallen op school – hij wist het al. Slecht nieuws moet je snel tackelen – zo snel mogelijk.”

“Hoe reageerde hij – Mr. Blade?”, vraagt zijn oom.

“Hij vond dat ik goed had gehandeld – Andrew niet, natuurlijk niet, die had willens en wetens een regel van school gebroken – ik kreeg een extra punt – Andrew kreeg zijn eerste officiële waarschuwing.”

“Zijn eerste – ?”, vraagt zijn oom.

“Je mag er tot je eerste examen drie incasseren, bij je vierde moet je vertrekken en kun je beter emigreren.”

“Heel grappig.”

“Het was geen grap.”

“Ze werken dus met officiële waarschuwingen.”

“Ja, tot je zestiende verjaardag. Daarna mag je geen fouten meer maken, want die kunnen de dood tot gevolg hebben of ontmaskering van De Organisatie – je moet je bewust zijn van je plaats in de rangorde.”

“Hoe reageerde die andere jongen – Andrew?”

“Niet zo goed,” antwoordt Chase die erbij glimlacht. “Hij noemde me een klikspaan – een verrader, Andy was ook bang – ik was sterker dan hij – èn slimmer.”

“Je hebt die jongen wel een officiële waarschuwing bezorgd,” zegt de oom van Chase. “Zijn eerste.”

“Klopt – ik weiger op te draaien voor de fouten van een ander – hij zou mij in gevaar kunnen brengen.”

“Ik begrijp het.”

“Fouten van spirits zijn erg dodelijk.”

“Heb je ooit zelf een waarschuwing gekregen?”

“Nee,” zegt Chase. “Voordeel van mijn – lidmaatschap van de fightschool – was dat ik veel minder behoefte had om op straat rond te hangen – tot genoegen van moeder en de buurman zorgde er altijd voor dat ik een lekker boek had om te lezen – hij had een kastje in de wand van zijn serre gebouwd – aan beide zijden zaten luikjes en er paste een boek in. Deurtje open, deurtje dicht – het ging altijd erg snel. Gelukkig groeide er een conifeer die het zicht op het kastje wegnam, anders zou iedereen kunnen zien wat ik er deed. Het was spannend, het was verboden.

Moeder was erg stil geworden, ik probeerde zo min mogelijk aanleiding te geven tot heibel en gedroeg me, volgens mij, heel netjes – vergeleken met andere jongens die in de opleiding terecht waren gekomen. Wel klonk er muziek in huis, we hadden een radio. Verder gebeurde er niet zoveel – ik lag een beetje lui op de bank en las een boek van Tanith Lee, Stephen King of verhalen van Edgar Allan Poe, ik heb Bram Stoker gelezen en Mary Shelley – alle grote namen.

Ik herinner me een incident – het vond in de winter plaats en het zou ’s nachts streng gaan vriezen. Mr. Flyer was koppels aan het formeren, zoals hij het altijd noemde – jongens die tegen elkaar moesten vechten – we droegen altijd hoofdbeschermers, maar gebruikten geen handschoenen, zoals boksers. Ik kreeg, zoals wel vaker, Andy als tegenstander. Het deed me weinig, al maakte hij er vaak een extra competitie van – ik sloeg gewoon harder dan hij en gebruikte veel meer trucjes die hem uit zijn evenwicht brachten – zo slim was hij nu eenmaal niet. De partijtjes waren erg belangrijk in de fightschool, omdat ze je plek in de rangorde bepaalden, als je altijd verloor was je een loser die zijn examen niet haalde.

Ik begon meestal verdedigend, omdat ik wilde uitvissen wat de zwakke plekken van mijn tegenstander waren – misschien was dat wel het probleem – we leerden elkaar veel te goed kennen. Eerst een knokpartijtje dat een kwartier zou duren en daarna gingen we gezamenlijk eten, terwijl we onder de blauwe plekken zaten – voor de meesten was het avondeten een hoogtepunt, omdat niet alle moeders goed konden koken – mijn moeder kookte wel lekker.

Die avond liep alles anders. Andy reageerde erg traag en ik besloot snel een einde aan het gevecht te maken – misschien zou ik hem knock-out kunnen slaan, ondanks de hoofdbeschermer die hij ook droeg. Een hoofdbeschermer omsluit je schedel, maar laat je gezicht vrij, dus besloot ik recht door het midden te gaan – het leek me een logische gedachte – keihard op de neus die waarschijnlijk zou breken, er zou een flinke hoeveelheid bloed gaan stromen – Mr. Flyer zou het gevecht direct stoppen – ik zou winnen.

Aldus het plan dat zich in mijn hoofd vormde.

Maar Andy reageerde vrij traag, meteen al, vanaf het begin van het gevecht en ik vond het een voordeel.

Eerst sloeg ik snoeihard in zijn buik – hij boog kreunend voorover en ik sloeg enkele malen in zijn gezicht – het gedeelte dat niet bedekt werd door de hoofdbeschermer – ik hoorde zijn neusbeentje kraken en waarschijnlijk nog veel meer – hij bleef eventjes stilstaan – Mr. Flyer kwam snel dichterbij om me tegen te houden, want ik wilde meer klappen uitdelen.

Eerst viel Andy op zijn knieën – armen loodrecht omlaag – daarna klapte hij domweg voorover – hij kwam op zijn gezicht terecht en ik keek toe – Had ik echt zo hard geslagen dat hij bewusteloos neerviel?

“Andy! Andy!”, schreeuwde Mr. Flyer die twee gestrekte vingers op een halsslagader drukte – de dokter kwam erbij – ze rende dwars door de zaal en knielde naast het bewegingsloze lichaam van Andy.

Mr. Flyer boog zijn hoofd en bleef een halsslagader zoeken die hij blijkbaar niet kon vinden – de dokter nam het over en begon hem erg snel te reanimeren.

Ik keek toe, terwijl Mr. Flyer het shirt van Andy kapotscheurde en het bovenlichaam van mijn tegenstander bleek onder de blauwe plekken te zitten.

“Dit heb jij niet gedaan, jongen. Dit heb jij niet gedaan!”, riep Mr. Flyer en zijn stem galmde zelfs.

Ik dacht aan een verhaal van Edgar Allan Poe, titel was ‘William Wilson’, over een jongen die zijn goede zelf probeerde te vernietigen en daar ook in slaagde.

Voor het eerst vroeg ik me af wat voor man ik wilde zijn, als volwassene, later als ik groot was.

Even dacht ik dat mijn naam William Wilson was.”

 

 

 


Spirits (2/7) Selectie

“We leefden zo ongeveer op straat en waren er altijd tot de moeders ons naar huis haalden – het waren de moeders die ervoor zorgden dat de kinderen naar huis gingen – jongens en meisjes – veel onderscheid maakten we niet – mijn moeder werkte in een bar, dus de benedenbuurvrouw stuurde me naar huis – en dan ik ging ook. Veel kinderen hadden geen vaders die leefden – ik was geen uitzondering – mijn vader was dood – een enkele geluksvogel mocht soms zijn vader opzoeken die een gevangenisstraf uitzat – ik heb mijn vader nooit gekend, wel de foto’s gezien – daardoor weet ik dat ik op hem lijk – moeder zei het vaak – iedereen zegt het erg vaak – ja, ik lijk op mijn vader, maar heb de koppigheid van mijn moeder.”

“Je gaat me toch niet vertellen dat er geen volwassen mannen waren bij jullie in de wijk – ?”, vraagt hij.

“Jawel – verkopertjes en zo – klanten natuurlijk – er was altijd een heleboel handel – in alles eigenlijk.”

“En wat verkochten ze zoal?”

“Drugs, goedkope sigaretten, wapens – alle shit die je moeilijk in winkels kunt krijgen – identiteitspapieren – er waren altijd mensen die een nieuw leven zeiden te willen beginnen, of zich wilden verbergen – voor de politie – of ‘De Organisatie’ – je kon honderd keer beter gepakt worden door de politie, dan kwam je tenminste in de gevangenis terecht en bleef je leven – tenzij ze dachten dat je ging kletsen over de spirits.”

“Je praat nu alweer over De Organisatie en spirits – Hoe zit dat nou precies? Vertel daar eens wat over.”

Chase probeert zijn armen te bewegen – zijn benen – de stoel verschuift enkele centimeters – poten schrapen over de vloer – hij ziet een raam opengaan en vermoedt dat zijn tante het verhaal ook wil horen. Het zijn vragen die zijn oom makkelijk uitspreekt.

“De Organisatie is gewoon De Organisatie – die mensen zijn het begin en het einde van alles – ze bepalen hoe je leven eruit zal zien – of je bijvoorbeeld geld en eten te kort zult komen, of mooie kleren hebt om aan te trekken – in een leuk huis woont met voldoende ruimte en zelfs een eigen slaapkamer. Niemand weet wie ze zijn – ik heb geen idee wie ze zijn – toen ik tien jaar oud was, heb ik een stukje papier aangepakt van een man die ik niet eens kende.”

“Wat gebeurde er?”, vraagt zijn oom.

“Ik zat op de trap voor ons huis – nou ja, je weet wel, we woonden op de bovenste verdieping – een man deelde flyers uit – voor een fightschool, zo bleek. Hij sloeg me over en ik stond op om er ook één te pakken. In eerste instantie weigerde hij me er eentje te geven.

“Mag ik er ook eentje?”, vroeg ik.

“Achternaam?”

“Hendrix.”

“Voornaam?”

“Chase.”

“Nooit geleerd met twee woorden te spreken?”

“Waarom?”

Hij begon te lachen. “Chase Hendrix – Ben jij toevallig een zoon van Zak Hendrix – Zachary?”

“Misschien – zou kunnen. Dat zijn drie woorden – .”

“Net zo brutaal als je ouwe heer,” zei hij.

“Weet ik niet. Ook drie woorden.”

“Mijnheer?”, vroeg hij en dat herinner ik me heel goed – de man die de flyers moest uitdelen zocht een ander gezicht – een oudere man die tientallen meters verderop tegen een gietijzeren hek stond te leunen.”

De oom van Chase begint zijn tanden bloot te lachen – gele, scheve tanden. “Dat zijn een hoop details die je als kleine jongen hebt onthouden – je was tien.”

“Het hek is er nog steeds,” zegt Chase.

“Of je bent net zo’n goede leugenaar als je vader.”

“Als je een hoop boeken hebt gelezen, ben je een verteller – aan het eind ga je verhalen vertellen.”

“Niet altijd,” zei zijn oom.

“Dat zijn wel twee woorden.”

“Je hebt gevoel voor humor.”

“Nog steeds.”

“Wie was die oudere man? Je moet hem goed hebben leren kennen,” zegt zijn oom.

“Eigenaar van de fightschool.”

“Dus aan het eind gaat het om sport? Hebben ze je beloofd dat je Olympisch kampioen zult worden?”

“O nee.”

“Wat dan wel?”, vraagt zijn oom. “Wist je moeder dat je – een flyer had gekregen voor de fightschool?”

“Moeder werkte altijd – in een supermarkt en kroeg, als barvrouw – die wist nergens van – ik heb niets verteld – de flyer heb ik verstopt, zodat ze nergens achter zou kunnen komen – in de supermarkt verdiende ze een rottig salaris, net als in de kroeg trouwens – twee rottige baantjes en weinig geld. Ik kreeg de kans om lekker te vechten in een fightschool – daarom ben ik erheen gegaan. Het duurde een week voordat de proeflessen plaatsvonden – of audities, zoals ze werden genoemd, toen ik er binnenkwam.

Er kwamen alleen jongens binnen, geen meisjes – sommige jongens hadden hun moeders meegebracht. We moesten plaatsnemen in een grote kring – de man die ook de flyers had uitgedeeld nam het woord.

“Welkom jongens – dit is misschien de belangrijkste dag van jullie leven,” zei Mr. Flyer. “Winnaars blijven, de verliezers moeten weg.”

Ik zag een paar knikkende hoofden. Mr. Flyer ging verder: “Jullie krijgen de kans om vijf minuten te vechten – ik kies de jongens uit die tegen elkaar zullen strijden – je mag niet krabben of bijten – jullie zijn jongens en geen meiden – wie krabt of bijt verliest.”

Opnieuw een paar knikkende hoofden – .

“De eerste twee kandidaten – Chase Hendrix, Eduard Mulholland.” Hij noemde mijn naam als eerste – ik hoorde een geroezemoes door de sportzaal gaan.

Ik stond op – net als Eduard – er lag een glinstering in zijn ogen die ik goed kende – we kwamen elkaar vaker tegen – hij leefde net als ik op straat. Zijn vader zat een levenslange gevangenisstraf uit wegens een dubbele moord – ik weet niet of de man een spirit was.

We ging tegenover elkaar staan – hij staarde naar me, alsof hij niet goed wist wat er zou gebeuren – armen hingen slapjes langs zijn lichaam – in mijn ooghoek volgde ik de bewegingen van Mr. Flyer die het sein gaf dat we mochten beginnen – ik had geen idee wat de regels waren – er waren er geen. Nou ja, we mochten niet krabben of bijten. Dat was alles.

Eduard balde zijn vuisten, als voor een bokspartij, maar we gingen helemaal niet boksen – hij probeerde me te slaan – zijn vuist schampte mijn kin – ik leunde op mijn linkerbeen en schopte met rechts in zijn knieholte – dat deed ik zo hard mogelijk – Eduard ging neer – zijn achterhoofd sloeg stuiterend op de mat. Om te voorkomen deed hij zich herstelde liet ik mijn linkerknie op zijn borst vallen – linkerhand drukte op zijn keel en ik sloeg hem – Mr Flyer zweeg en keek toe, dus ik sloeg nog eens en nog eens.

Ik voelde twee harde, ijskoude handen die me van Eduard wegtrokken – Mr. Flyer bleek allang ‘stop’ te hebben geroepen en ik had hem niet eens gehoord.

Hij duwde me opzij en ik had enkele extra stappen nodig om mijn evenwicht te bewaren – twee jongens maakten opvallend snel plaats, alsof ik hen eveneens zou willen aanvallen. Een oudere vrouw hielp Eduard overeind – ik vroeg me af of ze een arts kon zijn.

“Chase Hendrix – je hebt nog geen fuck bereikt, maar de eerste stap heb je wel gezet – je kunt een spirit worden,” zei Mr. Flyer. Ik had zelfs geen idee wat hij zou kunnen bedoelen, maar voelde wel een zekere opwinding – ik had mijn vuisten nog altijd gebald.

De eigenaar heette Mr. Blade – ik noemde hem altijd zo – Mr. Blade legde een hand op mijn rug en nam me mee naar zijn kantoor – ik moest plaatsnemen op een stoel en hij ging achter zijn bureau zitten. “Ik heb je gegevens nodig – je naam, adres en school natuurlijk – je gaat verdomme toch wel naar school, hè? Zo niet, dan schop ik je erheen, jongen. Het is belangrijk dat je naar school gaat en je best doet.”

Ik knikte alleen maar en keek naar het dichtgeklapte mes dat naast zijn stoffen bureaublad lag – zo’n mes waar sommige mannen zich ook mee scheerden.

“Chase Hendrix, mijnheer,” zei ik. “1344 Oak Street – we wonen op de derde verdieping. Het stinkt er.”

“Al die ouwe huizen stinken als een bunzing.”

“Op school stinkt het niet zo erg.”

“Da’s dan weer mazzel.” Mr. Blade legde zijn pen neer. “Ik informeer je moeder wel, Chase.”

“Moet ik nu blijven?”, vroeg ik.

“Nee, je krijgt een berichtje als je voor je eerste les moet komen – net als de andere jongens – we proberen altijd vijf jongens te selecteren,” zei hij. “En je moet je niks verbeelden, want de meesten falen gigantisch – bijna niemand doorloopt alle stadia.”

“Ik vind het al leuk om erbij te zijn, mijnheer.”

Het was nog erg vroeg, dus ik bleef zoals altijd rondhangen op straat. Zoals altijd stonden er auto’s geparkeerd waarin kerels handel zaten te drijven – drugs of andere spullen verkochten – meisjes, die jonger waren dan ik, deden een spelletje – andere jongens waren aan het voetballen – ik ging naar een voetbalkooi, een betonnen veld, twee doelen. Ik dacht nog dat er niks was veranderd, maar een kerel stapte plotseling uit een auto; kaalgeschoren hoofd, gouden kettingen en heel veel tattoos. Hij grijnsde een paar gouden tanden bloot en zei: “Ik heb gehoord dat je bent geslaagd voor je auditie, Chase – erg cool.”

“Big deal,” zei ik, “beetje knokken – lekker toch?”

Hij begon te lachen, net als zijn vrienden die nog harder lachten dan hijzelf – ik was enorm grappig. Voordat hij zich omdraaide en wegliep, stak hij zijn handen afwerend omhoog, alsof hij duidelijk wilde maken dat hij begreep wanneer hij moest zwijgen.

Een andere kerel hing uit het raampje van de auto en riep: “Hé Chase, ze gaan een Überkiller van je maken, – nog effe en je moet ons allemaal vermoorden.”

“Alleen gangsters met een grote bek,” zei de kaalkop.

Ze keerden terug naar hun bezigheden – verkoop van illegaal spul en de kinderen gingen verder met spelen. Middag verliep in een landerige rust – niemand viel me lastig of stelde nog vragen over de auditie.

Om half zes ging ik naar huis – deed de voordeur open en rook de geur van vers eten, zoals moeder elke dag klaarmaakte – ze was altijd op tijd thuis om te koken. Ik hoefde niet eens een horloge te dragen – elke dag verliep in ongeveer hetzelfde ritme – om half zes eten – om zes uur stond ik weer op straat – behalve in de winter, als er een halve meter sneeuw was gevallen.

Ik ging het huis binnen en riep: “Hoi!”

Normaal volgde er direct een reactie van mijn moeder, nu bleef het stil. Toch rook ik de gebruikelijke geur van het  avondeten – ik liep verder, naar de keuken, maar bleef in de deuropening staan – moeder stond met haar rug naar me toe – ze had geen woord gesproken sinds ik binnen was gekomen.

“We gaan zo eten,” zei ze en haar stem klonk zacht.

“Oké,” zei ik.

Moeder legde een vorkje neer dat ze gebruikte om het vlees te keren in de pan – onverwacht draaide ze zich om en ik deinsde meteen terug – haar gezicht zag rood van de tranen – ze huilde en niet van blijdschap – .

“Denk nou niet dat ik je ga feliciteren,” zei ze.

Ik gaf geen antwoord. Zei helemaal niets.

“Vind je het niet genoeg dat ik je vader ben verloren aan die smeerlappen? Je weet toch wat ze doen? Ben je nou zo stom – of naïef dat je daar in bent getrapt?”

“Ik heb niets verkeerds gedaan,” zei ik.

Moeder staarde omlaag, toen opzij en pakte een kopje dat ze in mijn richting gooide – goed gemikt, maar ik stapte opzij. “Zie je – je hebt zelfs zijn reflexen.” Ze keek naar het plafond – haar onderlip trilde eventjes. “Ik dacht echt dat we het beter gingen doen – jij en ik. Twee kutbanen om jou een goede toekomst te geven en jij gaat naar die smerige ellendeling en je vraagt: “Mag ik er ook eentje?” Hoe kon je zo stom zijn?”

“Sorry.”

“Nu zit je er aan vast – net als ik – alwéér – toen ik je vader leerde kennen wist ik nergens van – nu wel – ik weet alles over die mensen en wat ze doen. Ze zullen je vast niet hebben verteld wat er met de afvallers gebeurt! Begrijp je wel wat ze daarmee doen?”

“Nee, mam, want daar praat je nooit over.”

“O – Is het mijn schuld? Bedoel je dat soms?”

“Weet ik niet. Je hebt er nooit iets over verteld.”

“Chase, de verliezers gaan dood, daarmee behouden de moeders hun privileges – hun mooie huizen en dure kleren en hoeven ze niet te werken. Ze gaan dood, Chase – de verliezers gaan dood!”

“Mam – ik overleef ze allemaal. Dat beloof ik.”

“We gaan verhuizen, dus ik hoef nooit meer te werken – ze hebben me in genade aangenomen en zorgen weer volledig voor me – mijn werkgevers weten al dat ik ben gestopt, want De Organisatie vindt dat ik altijd hier hoor te zijn, als je me nodig hebt, dus thuis.”

“En ze blijven voor je zorgen?”

“Zolang je je opdrachten blijft uitvoeren, dus je tegenstanders vermoordt, of je verliest ––––––.”


Spirits (1/7) Morgenster

Ze zitten op een veranda – een oude man die een shotgun vasthoudt en een jongen van bijna achttien jaar oud – armen en benen van de jongen zijn vastgebonden aan leuningen en stoelpoten – hij kan niets doen. Vogels kondigen een nieuwe dageraad aan, terwijl de zon heel langzaam boven de horizon klimt. Schoongewassen gordijntjes hangen voor ruiten – deur is gesloten en er zou nog een vrouw in huis moeten zijn, maar die heeft zich niet vertoond. De oude man legt zijn shotgun anders neer en wrijft vervolgens over zijn ongeschoren kin – zacht gerasp van baardharen die er al minstens drie dagen groeien.

“Je lijkt op je vader,” zegt de oude man, een oom van de jongen, maar ze zien elkaar vandaag voor het eerst.

“Dat hoor ik vaker,” reageert de jongen die naar de naam Chase luistert. Hij probeert zijn arm op te tillen, maar de tie-wraps zitten veel te strak en verhinderen elke beweging. “Ik kan het ook niet helpen.”

“Je vader was een grappige vent,” zegt de oom.

“Geen idee. Ik heb altijd gehoord dat hij een spirit was – of één van de spirits, net als ik nu,” zegt Chase.

“Een spirit – een killer – moordenaar,” zegt zijn oom, “om je dood te lachen, echt, een goede grap.”

“Weet je dat ik veel liever een goed boek lees?”

“Vast.”

“We hadden een buurman die een grote verzameling had – boeken, strips, maar ook muziek, elpees.”

“Ik kan me je moeilijk voorstellen als een jongetje dat verslingerd kan raken aan een geschreven avontuur.”

“Toch is het zo.”

“Wat heb je gelezen?”

“Alles.”

“Hoe bedoel je?”

“Nou – gewoon – alles.”

“Nu moet je geen smoesjes vertellen, we hebben afgesproken dat je je verhaal zou vertellen – de hele waarheid en niets anders – Heb jij echt alles gelezen? Over hoeveel boeken spreken we dan eigenlijk?”

Chase draait zijn hoofd en kijkt naar het raam dat het dichtstbij is – alsof er elk ogenblik een gezicht zou kunnen verschijnen – zijn tante die wil weten of haar echtgenoot nog altijd in leven is – want misschien heeft hij zijn oom stilletjes omgebracht. Er gebeurt niets. Het blijft stil in huis, al meent hij soms een kraakje te horen – een plank die beweegt, omdat zijn tante rondloopt – voortdurend rusteloos – de angst.

“Hoeveel boeken? Tientallen – ja, beslist tientallen, misschien wel meer dan honderd. Ja, dat denk ik – zo heb ik het verschil tussen goed en kwaad geleerd – de buurman gaf me eerst boeken die alleen maar daarover gingen – de strijd tussen goed en kwaad.”

“Kon mijn schoonzus – je moeder je dat niet leren?”

“We moesten overleven – ze werkte hard – twee baantjes – overdag een supermarkt, een bedrijfsleider die een perverse viezerik was, maar dat wisten we allemaal wel – je moest er wegblijven – mijn moeder had geen keuze – het was erg moeilijk – ’s avonds werkte ze in een kroeg – als barvrouw.”

“Hoe is het met je moeder?”

“Die is dood.”

“Heb jij haar vermoord?”

“Nee.” Chase probeert zijn armen te  bewegen, maar het lukt niet – de tie-wraps zitten behoorlijk vast, al sluiten ze zijn bloedsomloop gelukkig niet af. Ze zullen hier nog wel enkele uren zitten. “Ik niet.”

Zijn oom richt de shotgun op de jongen – er gebeurt niets – Chase steekt zijn handen omhoog, als teken dat hij geen kwade bedoelingen heeft – alleen de handen uiteraard, want de polsen zijn vastgebonden.

“Ik hield van mijn moeder,” zegt Chase.

“Je tante zal willen weten wat er is gebeurd.”

“Ik weigerde te gehoorzamen – een van de spirits te worden en moeder was het daar mee eens – ze heeft ook nooit gewild dat ik in de opleiding zou gaan.”

“De opleiding? Noemen jullie dat zo?”

“Ik niet. Hun. Zij noemen het zo.”

“Wie?”

“De Organisatie.”

“Ik vind het een ondoorzichtig verhaal.”

“Volgens de buurman voeden ze zich met de armoede in de achterbuurten – getto’s – kansloze jongens en meisjes die zich een weg naar de top willen vechten, zodat ze dure kleren en een mooie auto’s kunnen betalen,” zegt Chase. “Maar je moet kunnen vechten, je tegenstander verslaan – als laatste blijven staan.”

“Dus jij bent daar goed in – vechten?”

Chase weet een grijnslach te onderdrukken. “Ja – nou – ik heb betere vechters gezien die niet zo meedogenloos waren tijdens de examens en daardoor verloren. Als je je tegenstander moet bijten om te winnen, dan moet je je tegenstander gewoon bijten.”

Zijn oom blikte eventjes opzij – leek de vrouw te zoeken die zich verborgen hield achter de gevel van het huis. “Heb je om de dood van je moeder gehuild?”

“Nee.”

“Waarom niet?”

“Huilen is taboe.”

“Leg uit.”

“Sommige dingen zijn voor spirits taboe – huilen is er één van – je mag niet huilen, geen emoties tonen.”

“Je wilde toch geen spirit worden – het lijkt me dat je er alsnog eentje bent geworden – een onzichtbare, zoals de kranten schrijven, een echte moordenaar.”

“Ik kan niet huilen. Sorry.”

“Nooit gedaan ook?”

“Nee.”

“Waarom ben je hierheen gekomen?”

De shotgun blijft onaangeroerd op de dijbenen van zijn oom liggen – een levenloos monster dat een dodelijke boodschap achter zou kunnen laten – de ogen van Chase zijn langdurig gericht op het wapen.

“Je bent familie – ik heb geen andere familie meer.”

“Heb je dan niet aan het gevaar gedacht?”

“Ik vermoord ze allemaal als ze het proberen.”

Chase hoort heel duidelijk de ademhaling van zijn oom stoppen – borstkas heeft zich volledig gevuld met zuurstof – daarna ademt de oude man weer uit.

“Je hebt toch het verschil geleerd tussen goed en kwaad?”, vraagt zijn oom die een hand op het wapen legt – er gebeurt verder niets, maar de shotgun ligt er.

“Ja.”

“Is het goed als je mensen vermoord? Zelfs uit wraak? Hebben de boeken van je buurman je dat geleerd?”

“Nee – het kwaad is de nacht – volgens de buurman – het komt altijd ongevraagd en onverbiddelijk – als we niets doen, zal er geen ochtendgloren meer zijn.”

“Ik wil dat je me alles vertelt,” zegt zijn oom.

“Een lang verhaal.”

“Ik heb – we hebben alle tijd.”

De eerste zonnestralen vallen ruimhartig over het land – de oom en tante van Chase wonen in een afgelegen farm – de oude man is een landbouwer die ook kippen en een paar varkens heeft, want vlees hoort bij het avondeten – geen avondmaaltijd zonder goed vlees.

“In het begin woonden we op de derde verdieping – het was, zoals moeder wel eens zei, een herenhuis, maar ze hadden er appartementjes van gemaakt – het goedkoopste bevond zich helemaal bovenin en daar woonden moeder en ik – we hadden nog een zolder boven ons hoofd en daar mochten we nooit komen. We beschikten over een keuken, toilet, badkamer –hadden een woonkamertje en slaapkamer. Het was er ongelofelijk vochtig, het stonk er vreselijk – de muren en plafond van de badkamer zagen zwart van de schimmel. Er is geen huis waar ik gelukkiger ben geweest dan daar – ondanks de stank en schimmel.”

 


Blauw (5)

Casper boog achterover, alsof hij de schaduw probeerde op te zoeken en onmerkbaar wilde verdwijnen – ik had geleerd dat hij dat kon. Madeleine Steenbergen had zijn verklaring opgeschreven en geprint. Ze legde de blaadjes neer, zodat hij ze kon lezen en indien akkoord – ondertekenen. Ik verwachtte dat hij in de schaduw zou verdwijnen – als de rechercheur heel eventjes niet keek, zou hij de gelegenheid aangrijpen en een stapje achteruit doen, maar de spreekkamer was goed verlicht. Er lag een donkerblauwe gloed over de haren van Casper die ervoor zorgde dat iedere voorbijganger naar hem staarde. Het was geen verbeelding, geen gezichtsbedrog, maar de simpele realiteit. Casper had blauw haar. Ik ben geïnteresseerd in genetische modificatie, heb er laatste maanden veel over gelezen, omdat ik er een boek over wilde schrijven – een spannend boek, geen wetenschappelijke verhandeling. Probleem was dat ik me niet kon voorstellen dat er in ons genetisch materiaal een mogelijkheid bestond om een man of vrouw blauw haar te geven – of een groen en geel oog. De mogelijkheden waren beperkt. Groene ogen kwamen voor, evenals mensen die twee verschillende oogkleuren hadden – maar geel?

Een heel ander verhaal vormde zijn vermogen te verdwijnen in de schaduw – onzichtbaar te worden voor menselijke waarneming, want hij beweerde dat het aan de beperktheid van mijn zintuigen lag. Ik dacht aan een mensachtige kameleon die zich wist te verbergen in de kleuren van zijn omgeving. Casper pakte een pen van de tafel en schreef heel netjes – in blokletters – zijn naam.

“Gaat u me in gevangenis zetten?”, vroeg hij.

“Nee,” zei de rechercheur en ze leek heel kalm, maar ik herkende een ongenoegen dat ze slecht wist te verbergen, maar voor Casper was het ruim voldoende. “Al heb ik het vermoeden dat je lang niet alles hebt verteld.” Ik kende hem veel langer, feitelijk al enkele jaren, maar de jongen was ook voor mij een vreemde – een raadsel.

“Mag hij in het appartement van zijn vader? Hij heeft immers geen andere plek om te wonen.”

“Ja – natuurlijk – uiteraard.”

“Mooi – dank je,” zei ik – we schudden elkaar de hand – Casper stak zijn hand uit, maar aarzelde. Madeleine Steenbergen bestudeerde zijn huid – kleur van zijn ogen had ze gezien – net als zijn blauwe haren – ze had natuurlijk alles bekeken.

“Bereid je erop voor dat we meer vragen zullen hebben,” zei Steenbergen.

Tijdens het gesprek had hij verteld over de financiën van zijn vader – het vermogen dat er geen was – ze beschikten over voldoende geldelijke middelen – ja, dat wel. Hij moest iets bedenken – zijn studie voortzetten, werk zoeken. We verlieten het bureau en begaven ons in het nachtelijke duister – verlichting van straatlantaarns, koplampen van auto’s, gebouwen en kamers die helder verlicht waren. Ik weigerde over mijn schouder te kijken, maar dacht dat de rechercheur nauwlettend zou volgen hoe we wegliepen. Casper verdween deels in de schaduwen, zoals ik hem eerder had zien doen, een natuurlijke beweging – het gebeurde gewoon. Ik ontgrendelde de portieren van mijn auto en we stapten in. Er reed een fietser zonder verlichting voorbij wiens donkere gedaante in het schijnsel van de koplampen opdook.

Er klonk muziek uit de zestiger jaren in de auto, zomerse geluiden van The Beach Boys. “Ik was bang om zelf te sterven, niet voor de dood van mijn vader,” zei Casper die zijn gordel vastgespte.

“Je hebt een hoop zitten liegen daarbinnen.” Ik draaide het stuur van mijn auto naar rechts en zocht de goede weghelft. “Want je vader heeft kennelijk gevraagd om een zachte dood èn er één gekregen.”

“Zij is politie – ze moet werken voor de waarheid. Ik irriteerde me aan haar toontje, de manier van praten, alsof ik een debiel ben.” De avondspits lag inmiddels alweer achter ons, ik hoefde minder lang te wachten bij stoplichten. Er viel een stilte in de auto. Casper stelde geen nieuwe vragen over moeilijke filosofische begrippen, zoals de ziel van een mens. Wel wachtte er een nieuwe vraag op het puntje van mijn tong, want waarom vond Jesper, de vader van Casper, dat zijn zoon geen ziel kon hebben. Een ziel was voorbehouden aan mensen – wat voor een wezen moest Casper dan wel niet zijn?

We passeerde een supermarkt – erg veel klanten waren er niet – de meeste mensen meden de regen en duisternis. “Heb je herinneringen aan je moeder?”, vroeg ik. Het was nu eenmaal een normale toestand. De man bevruchtte een vrouw – die zwanger werd en negen maanden later schonk ze het leven aan – liefst – een gezonde baby. Een min of meer banale werkelijkheid trok er door mijn hoofd, terwijl de supermarkt, een helder verlichte oase, in de vroege avond begon te verdwijnen. “Of misschien foto’s,” want ik had deze vraag eerder gesteld en toen had Casper ontkennend geantwoord, maar dezelfde vraag later nog eens stellen zou wel eens verrassende resultaten kunnen opleveren.

“Nee, dat heb ik al gezegd.”

“Foto’s?”

“Ook niet.”

“Ben je nooit benieuwd geweest naar je moeder?”

“Waarom heeft ze me niet in de gevangenis gestopt?”, vroeg Casper en hij negeerde mijn vraag volkomen, alsof die absoluut niet relevant was. Ik passeerde straatlantaarns en hij verdween telkens enkele seconden in de duisternis van een vroege winteravond. Ik kwam in de nabijheid van een nieuwe straatlantaarn waardoor hij duidelijk zichtbaar werd om daarna gewoon weer te verdwijnen. Verschijnen, verdwijnen, ik knipperde met mijn ogen en hij zat opnieuw naast me.

“Geen overtuigend bewijs dat er een misdrijf heeft plaatsgevonden, denk ik. Je hebt geen fouten gemaakt. Ja, als je nu had verteld hoe je je vader een zachte dood hebt bezorgd, dan had je vastgezeten.”

“Bent u boos?”

“Nee.”

“Waarom niet? Vader was boos als ik zat te liegen.”

“Ik ben je vader niet.”

Ik vroeg me af hoe het zou zijn als de verlichting in de stad zou uitvallen – wanneer alles in een volstrekte duisternis zou verdwijnen met alleen sterren die als flonkerende edelstenen in een zwarte fluwelen deken waren gedrukt. Casper zou volstrekt onzichtbaar worden. Ik zou hem uit het oog verliezen. Alleen zijn stemgeluid verraadde zijn aanwezigheid – .

Voor de hoofdingang van het flatgebouw parkeerde ik mijn auto. Ik had geluk, zover hoefde ik niet eens te lopen. Casper liep naast me – als een schim die continu heen en weer werd geslingerd tussen twee totaal verschillende werelden. Ik speelde met mijn sleutels – regen viel onveranderlijk neer, ik stapte over een ondiepe plas heen die zich had gevormd.

“Heb je de sleutel van het appartement?”, vroeg ik.

“Ja.”

“Mooi – ik denk dat je alleen zult willen zijn.”

We betraden de hal van het gebouw en er viel een koel wit licht over ons heen – er waren geen schaduwen, zodat zijn blauwe haren goed zichtbaar werden – groen oog, geel oog. Hij keek me aan en ik moest denken aan een reptiel dat zich probeerde voor te stellen hoe het zijn prooi zou verslinden. Een associatie die ik niet eerder had gehad. Zijn haren begonnen minder donkerblauw te worden en ik dacht aan het Ral-nummer dat hij had genoemd. Hij moest zich minder goed voelen dan eerst.

Liftdeuren gingen open – we liepen verder. Ik drukte op het knopje dat de juiste verdieping weergaf.

“Mijn vader was eigenaar van een groot bedrijf. Ik herinner me dat ik altijd in zijn werkkamer speelde, want aan nanny’s had hij een broertje dood. Daarom is hij  uit het bedrijf gestapt – om voor mij te kunnen zorgen – ik dacht eerlijk gezegd dat er meer geld zou zijn, maar het valt erg tegen.” Het was de jongen die eerder nog heel geïnteresseerd vragen had gesteld over de ziel van een mens – die hijzelf zo gesteld niet eens scheen te hebben.

“Je redt je wel,” zei ik. Straks ging hij de ouderlijke woning binnen – die sinds gisteren zijn eigendom was geworden. Het leven van Casper hernam zijn gewone gang en hij zou voor altijd verdwijnen in de schaduwen van de moderne samenleving – nauwelijks meer dan een herinnering. Ik had heel even een rol gespeeld vanwege de dood van zijn vader, maar hij sprak niet eens over een begrafenis die geregeld moest worden.

“Ik weet helemaal niks. Vader heeft me nooit – .”

De lift ging open en we liepen verder – onze voordeuren bevonden zich schuin tegenover elkaar.

Casper kreeg de mannen eerder in de gaten dan ik.

Er stonden er drie en ze waren uitgewaaierd in de schemering van de gang, ik had ze aanvankelijk niet eens echt opgemerkt, dus misschien mankeerde er echt wat aan mijn zintuigen, zoals Casper al zei. “Dag jongen,” zei de man die als leider van het gezelschap leek op te treden. Mijn hoofd draaide naar rechts en ik zag heel duidelijk de langere haren van Casper bewegen – als de tentakels van een inktvis – tastend naar een hulpeloze prooi – ze leken zelfs te groeien – centimeters, bijna een meter lang, nee, veel en veel langer. Ik deinsde achteruit en vroeg me af – niet wie , maar wàt Casper was.


Blauw (3)

Ik durfde niet eens te lachen. Casper noemde zichzelf een monster. Hij keek om zich heen, las de boektitels die naast hem in een rek stonden. Zijn opmerking leek vanzelfsprekend, alsof niemand ooit had geantwoord dat hij uit zijn nek kletste. Buiten begon de regen tegen de ruiten te tikken – komende uren zou er regen blijven vallen. Zo was het ook gezegd. Ik ging nergens heen.

“Je haar was gisteren veel lichter van kleur,” zei ik – vooral om de stilte te doorbreken.

“Ral 5009,” zei hij.

“O dat weet je toch wel.”

“Tuurlijk.”

“Dit is mijn normale haarkleur. Zo ziet het eruit als ik helemaal in orde ben – gezond dus.”

“Ik dacht dat – .”

“Nee.”

“Hoe – ?”

“Stress, denk ik. De dood van mijn vader.”

Ik pakte de telefoon vast en speelde ermee. Hij moest naar de politie – vertellen wat er was gebeurd.

“Bij gewone mensen gebeurt dat niet, hè.”

“Ik zei het al daarnet – ik ben een monster – een freak.”

“Anders – je bent anders – da’s alles.”

“Nee, u bent anders, ik ben een freak. U heeft me altijd gewoon aangekeken in de lift of in de gang.”

“Daarom hoef je jezelf nog geen monster te noemen,” zei ik. In gedachten zag ik hem weer verdwijnen in de schaduw – onzichtbaar worden, zodat mijn zintuigen hem niet langer registreerden. Een monster is een roofdier dat aast op menselijk bloed of vlees of allebei. Ik wilde zijn talent bespreken, maar durfde het nog niet aan – nog niet.

“Ja, u bent altijd erg aardig geweest.”

“Waarom ben je hierheen gekomen?”, vroeg ik. “Je bent gevlucht, zodra het woordje ‘politie’ viel. Daarmee heb je jezelf verdacht gemaakt. Er zit een vreemde wond op de arm van je vader en de politie zoekt een verklaring die ze niet kunnen vinden.”

“Ik heb niets fout gedaan,” zei Casper – zijn stem klonk opvallend rustig. De stress had een verkleuring van zijn haar veroorzaakt – het was bleker geworden – azuurblauw in plaats van heel donkerblauw, bijna zwart, zoals vandaag.

“Daar gaat het niet om.”

Hij kwam omhoog, stond niet op, zoals gewone mensen, maar kwam in één enkele vloeiende beweging omhoog en liep naar de grote boekenkast. “Ik wou dat ik dit eerder had geweten,” zei hij, maar zijn gestalte verdween in de schaduw – ik verberg mijn kast namelijk in een eeuwigdurend schemerduister om de ruggen van mijn boeken te beschermen tegen zonlicht – ze verbleken anders. Zijn stem klonk duidelijk, ik hoorde hem praten, maar zag hem niet. Hij leek te zijn verdwenen. Heel even maakte hij een stap achterwaarts en hij werd weer zichtbaar – ik zag een deel van zijn lichaam in een strook daglicht – doorzichtig, als een geest. Er was geen zonlicht, het regende en het zou voorlopig blijven regenen.

“Ik zou alles willen lezen.”

Ik legde mijn telefoon neer.

“Vind je niet dat ik recht heb op een verklaring? Je belt aan en vraagt me naar je vader te kijken, omdat hij niet wakker wil worden en ik heb gehoor gegeven aan je wens – je vader is vermoord.”

“Nee, hij heeft een zachte dood gekregen.”

Ik gaf geen antwoord. Zijn gestalte ging verborgen in het schemerduister. Ik zag af en toe een stukje van zijn schouder en arm. Jaloezieën waren grotendeels gesloten. Ik had geen lampen aangedaan. Casper leek zich daar het prettigst te voelen – in de schaduw kon niemand hem aanstaren. Zijn hele leven lang draaiden mensen – voorbijgangers – hun hoofden als ze hem zagen passeren – een jongen met blauw haar die tevens een groen en een geel oog had. Ik moest hem recht in de ogen kijken. Alleen dan zag ik de kleuren van zijn ogen. “Waarom ben je eigenlijk gekomen?” Hij verborg zichzelf nog altijd in de schaduw. Casper draaide zich om en betrad de woonkamer – de boekenkast staat in een aparte kamer – ooit een slaapkamer voor de ouders. Hij ving het daglicht, een somber en dreigend licht dat paste bij Casper. Weifelend bleef hij staan – naast hem lonkte de deuropening – daarachter bevond zich nog veel meer duisternis waarin hij zich kon verbergen.

“U bent altijd aardig voor me geweest. Als enige.”

Regendruppels kletterden tegen de ruiten. Auto’s reden voorbij – ik hoorde banden op kletsnat asfalt.

Misschien moest ik Casper iets te drinken aanbieden. Hij bleef bij de deur staan en ik geloofde dat hij elk moment zou kunnen vertrekken, omdat hij zelf ook niet goed wist waarom hij op zijn vriendelijke buurman had staan wachten – ik ben altijd aardig voor hem geweest. “Ik begrijp je niet goed,” zei ik. Casper draaide zijn hoofd en keek naar me. “Wat bedoel je precies met een zachte dood?”

“Geen pijn, geen lijden,” zei hij.

“Hoe kwam dat zo?”

“Ik begrijp u niet.”

“Was je vader ziek?”

“Hij was erg oud aan het worden.”

“Dat is geen ziekte.”

“Nee – dat klopt.”

“Dus – ?”

“Mijn vader maakte zich zorgen over mij – .”

“Ik begrijp dat je nauwelijks contact hebt gehad met andere mensen – alleen je vader is er altijd geweest.”

“Ja – inderdaad.”

“Waren je klasgenoten bang voor je?”

“Ze noemden me – ,” zei hij.

“Dat heb je al verteld.”

“Geen idee.”

“Een jongen met authentiek blauw haar, een groen en een geel oog, die een bleke, grauwe huid heeft. Vaak draagt hij een bril met licht getinte glazen, zodat de kleuren van zijn ogen niet zullen opvallen.”

“Vandaag niet,” zei hij.

“Wat niet?”

“De bril.”

“Nee – je hebt gelijk – vandaag niet.”

“En je hebt geen idee hoe je blauwe haren zijn ontstaan – terwijl je daarmee de enige mens op aarde bent die zo’n afwijkende haarkleur heeft – van nature. Je had op de voorpagina’s van alle kranten moeten staan en ondertussen leidt je een anoniem leven in een keurig appartementengebouw.”

“Soms – als mijn vader een goede bui had – vertelde hij wel eens over vroeger – mijn geboorte – hij maakte er dan grapjes over – ‘het was een keuzemenu dat ik in moest vullen’, zei hij. Blauw haar, een groen oog en een geel oog.”

“Dat is niet alles. Er is nog iets. Dat weet je.”

Casper betrad de gang en ik zag zijn gedaante compleet verdwijnen in de duisternis – eerst was hij er nog, vervolgens scheen hij onzichtbaar te zijn – als een holografische projectie die uitgeschakeld werd. “Dit bedoelt u waarschijnlijk,” zei hij. “Het is grappig. Toen mijn vader jonger was, hebben we heel vaak verstoppertje gespeeld – en ik won altijd.” Casper stak zijn arm door de deuropening – ik zag alleen een arm zonder lichaam en al die tijd probeerde ik te doen alsof dat normaal was. Hij stond vrij onverwacht weer in de woonkamer – bij de tafel – zijn hand rustte op een stoelleuning.

“Het ligt niet aan mij, hoor. Ik heb geen speciaal talent – zoals de superhelden die overigens in uw boekenverzameling ontbreken,” zei hij. Casper liep terug naar de boekenkast die een magnetiserende aantrekkingskracht leek uit te oefenen.

“Ik heb – beetje – een hekel aan superhelden.”

“Het komt, volgens mijn vader, omdat uw ogen niet goed genoeg zijn om mij waar te nemen – ik ben er gewoon – altijd – maar u kunt me niet zien.”

“En waarom is dat dan?”

Hij liet zijn vingers langs de ruggen van mijn stripboeken glijden. “Mooi hoor – geweldig.”

Ik wachtte enkele seconden en herhaalde mijn vraag, of een deel ervan. “Waarom?”

“Dat heb ik toch al verteld.”

“Omdat je een monster zou zijn – een freak?”

“Ja.”

“Je bent anders, maar geen monster.”

Mijn nieuwsgierigheid was allang gewekt – jaren geleden al – de dood van Caspers vader had de jongen ertoe gebracht ’s ochtends vroeg bij mij aan te bellen – zijn vader wilde niet wakker worden, maar bleek al een tijdje dood te zijn. Casper had kennelijk nooit eerder in de nabijheid van de dood verkeerd. Anders had hij wel geweten dat zijn vader dood was gegaan en zou Casper hebben 112 gebeld. Nee, hij had hem vermoord – de man was niet zomaar gestorven. Er was iets voorgevallen. Ik wist het zeker. De man was een onnatuurlijke, zij het zachte dood gestorven. Ik herinnerde me de vreemde rafelige wond op de rechteronderarm.

“Ik bied je mijn hulp aan,” zei ik.

“Waarmee?”

“Daar kom je toch voor? Je hebt hulp nodig. Aangezien je vader je na al die jaren in totale onwetendheid heeft achtergelaten – je weet niets over je afkomst. Je zit met een vraag. Ben je een gewoon mens? Of ben je iets anders?”

“Een monster bijvoorbeeld?”

“Nee, jongen – ik bedoel – ‘iets anders’.”

“Oké.”

“Maar eerst moeten we naar het politiebureau.”

“Nee – dat wil ik niet.”

“Het moet. Je hebt geen keus. Om te beginnen laten we zien dat je niets te verbergen hebt.”

“Goed dan. Maar ik haat die mensen.”

Ik herinnerde me zijn gezichtsuitdrukking, toen hij gisterochtend in de lift wilde stappen – ik meende een jongen te zien die zijn eigen vader net had vermoord.

“Daarna gaan we toestemming vragen om het appartement van je vader weer te betreden.” Ik begon mijn jas aan te trekken. “Ik heb je vaders archief nodig, anders kan ik je onmogelijk helpen.”

We waren onderweg naar de lift – ik speelde met mijn huissleutels, terwijl Casper schuin voor me liep. Hij draaide zijn hoofd naar links – er lag een merkwaardige donkerblauwe glans over zijn haren die slordig langs zijn wangen bungelden. “U zegt dat ik ‘iets anders’ ben. Wat ben ik dan?”, vroeg hij.

“Daar durf ik voorlopig nog niet aan te denken.”


Blauw (1)

Om drie minuten over half acht belde Casper aan. Ik lag te slapen en dacht eerst dat het een vergissing was, draaide me om, maar er werd opnieuw gebeld – twee korte, driftige geluiden. Ik stond op, trok een broek aan en deed open.

Casper oogde erg rustig, net als altijd – ik moest mijn best doen om niet, zoals altijd, te staren naar zijn azuurblauwe haren – zijn rechteroog was geel, het linker groen, zoals altijd dacht ik dat ik het verkeerd zag. Misschien droeg hij kleurlenzen. “Ik heb uw hulp nodig, mijnheer. Mijn vader ligt op bed en hij reageert niet. Hij wil niet wakker worden.” Casper had een prettige stem die me aan een nieuwslezer deed denken. Zijn arm ging traag omhoog en hij veegde zijn haren achter zijn oren.

“Nou, laten we dan maar eens zien wat er aan de hand is, jongen, “ zei ik, “ik trek een shirt aan en pak mijn telefoon. Ogenblikje.”

“Ja – ja.”

Het appartement van Casper en zijn vader bood een eenvoudige aanblik. Ik was er nooit eerder binnen geweest – hij kende me, omdat we elkaar wel eens tegenkwamen in de lift. Een jonge kerel van achttien of negentien jaar – ongetwijfeld studeerde hij aan een universiteit, maar ik had geen idee waar precies. Sinds twee jaar liet hij zijn hoofdhaar groeien. Ik kende hem als een jochie met kortgeschoren haar – sinds zijn eindexamenjaar liet hij zijn haren groeien en hij bleek blauw haar te hebben – zijn haar was altijd azuurblauw en ik zocht regelmatig naar uitgroei van bruine of blonde haren.

Hij verborg zijn ogen meestal achter een bril die licht getinte glazen had, zodat zijn eigen irissen niet zo opvielen.

Ze woonden er al net zo lang als ik. Een oudere vader en zijn zoon. Ik zag nooit familie of vrienden binnengaan. Er kwam gewoon niemand.

Muren en plafond waren krijtwit geschilderd – er hingen een paar schilderijtjes, geen foto’s – aan de kapstok hing voor elke bewoner van het huis een jas die paste bij het jaargetijde – het was herfst. Casper wees de slaapkamer van zijn vader – ik rekende op het ergste, want een man die weigerde wakker te worden kan een overleden man zijn – doodgegaan in zijn slaap. Ik bleef op de drempel staan.

De buurman lag onder zijn dekbed – hij oogde keurig verzorgd, alsof hij zich net had geschoren – onderkaak hing slap omlaag, de ogen waren gesloten. Ik liep verder en voelde zijn huid – die was erg koud. Er kon geen twijfel over bestaan. Deze man was dood – een uur, misschien twee uur al, misschien zelfs langer. Ik ben geen deskundige.

“Je vader is dood,” zei ik. “Hij zal nooit meer wakker worden.” Heel even betwijfelde ik of mijn boodschap wel doorkwam, maar hij knikt heel traag, dus hij had me begrepen. Ik tikte de cijfers van het alarmnummer en maakte verbinding. Binnen vijf seconden kreeg ik een dame aan de telefoon. In korte bewoordingen legde ik uit wat er aan de hand was. Buurjongen – een vader die niet wakker werd.

“Mevrouw – ik heb genoeg dode mensen gezien om te weten dat deze man – sorry, jongen – is overleden,” zei ik. Een reanimatie zou weinig uitmaken. De vader van Casper was beslist dood.

“Ze sturen een ambulance,” zei ik.

“Vertel eens. Heb je afgelopen nacht misschien een vreemd geluid gehoord waarvan je dacht dat het niets voorstelde?” Ik achtte de kans vrijwel nihil, maar wilde het toch proberen.

“Nee.”

“Heb je familie die je kunt bellen?”

“Ook niet.”

“Alleen je vader.”

“Ja.”

“En hoe zit het met je moeder?”, vroeg ik.

“Die heb ik nooit gekend.”

“O, ja, da’s erg vervelend.”

Zijn blauwe haren hingen langs zijn gezicht en verborgen zijn vreemde ogen – geel en groen, alsof God ineens over een geweldig gevoel voor humor bleek te beschikken – een geel en groen oog, maar ook blauwe haren. Hij droeg een bleek shirt dat half open hing, zodat zijn borsthaar zichtbaar werd. Ook blauw. Huid was erg bleek, bijna grauw, een vreemde mengeling van blauw en grijs. Alsof zijn bloed ook een afwijkende kleur moest hebben.

“Mijnheer – u staart,” zei hij.

“Sorry.”

“Ik werd vroeger op school ‘Alf’ genoemd.”

“Zoals de alien uit die Amerikaanse serie.”

“Ja.”

“Moet erg lastig zijn geweest.”

“Daarom had ik altijd stekels. Ik laat mijn haar nu gewoon groeien, al een jaartje of twee. Het is hip. Ik hoef niets meer uit te leggen. Niemand begint er over. Nou ja, bijna niemand.”

Het was geen goed gespreksonderwerp. Ik had moeten vragen wat zijn vader voor hem heeft betekend – hoe belangrijk de man in zijn leven is geweest, maar dat wist ik allemaal al. Er was niemand anders. Geen familie. Hij stond er alleen voor. “En je weet niet hoe het is ontstaan?”

“Nee.”

Ik probeerde me te bedwingen en geen nieuwe vragen te stellen, of een kruisverhoor te beginnen, zoals ik wel eens wil doen – bij een boeiende persoonlijkheid – Casper, hij leek me het gevolg van een uit de hand gelopen experiment – genetische modificatie waarbij je de haarkleur kunt beïnvloeden en zelfs de kleur van de ogen. Afgelopen twee jaar schreven de kranten er veelvuldig over. Ouders die een kind konden samenstellen, zoals je de accessoires van een auto bij elkaar zocht. Ik had spotprenten – ouders die ruzieden, omdat een albino toch niet helemaal in het gezin bleek te passen.

“Hoe oud ben je?”

“Twintig – sinds een week.”

“Meerderjarig – dus als je hulp nodig hebt,” zei ik. Mijn horloge vertelde me dat we al bijna vijf minuten stonden te wachten. Ik hoorde geen sirenes. Nog niet. “Van de gemeente krijg je het niet.”

“Ik hoef geen hulp van de gemeente.”

“En anders weet je me wel te vinden.”

“Ja.”

Hij veegde zijn haren achter zijn oren en keek naar het lichaam dat keurig onder het dekbed lag. Ik volgde zijn kijkrichting en dacht aan een geënsceneerd tableau – alsof de man daar neergelegd was door de jongen – de overleden vader lag er wel heel erg keurig bij – het was me direct opgevallen dat zijn kin er glad geschoren uitzag. Waarom zou de jongen zoiets doen? Een dood in scene zetten? Ik probeerde het idee uit mijn hoofd te zetten – er waren geen aanwijzingen voor. De jongen had afgelopen nacht niets vreemds gehoord, net als ik trouwens. Mocht er iets raars zijn gebeurd, dan zou een lijkschouwing dit kunnen aantonen. Als het al tot een sectie zou komen. Waarom ook? Waarom zou de jongen met blauw haar zijn eigen vader vermoorden? De enige persoon die hij familie mag noemen. We zeiden langere tijd niets tegen elkaar – wachtten op een sirene die moest klinken.

Er klonk inderdaad een sirene – heel dichtbij – alsof de chauffeur het kruispunt passeerde en misschien was dit inderdaad het geval. Daarna volgde een stilte die bijna een minuut duurde – bel van de intercom ging. Casper liep naar het videoscherm alsof het hem allemaal weinig interesseerde. Ik kreeg niet echt een goed beeld van hem. Hij oogde erg kalm – zeer beheerst. “Ja,” zei hij, “het is de zesde verdieping – ik zal naar de lift lopen en u opwachten.” Mogelijk had hij erg veel verdriet om het overlijden van zijn vader, maar hij liet er niets van zien.

“Nee,” zei ik, “je kunt beter bij je vader blijven. Ik ga wel naar de lift. Dat kan ik beter doen.”

“Goed,” zei Casper die me aankeek alsof de opdracht maar half tot hem door wilde dringen.

Ik verliet het appartement en liep naar de lift – deuren gingen al open – ambulancebroeders kwamen naar buiten en ik wees de richting – daarheen dus, eerste deur links.

“Is er familie bij?”, vroeg een ambulancebroeder.

“Een jongen – de zoon van de overledene – maar hij is volkomen rustig – er is geen paniek – totaal niet.”

Liftdeuren waren alweer dicht gegaan. Ambulancebroeders gingen het huis binnen, ik volgde hen op een afstandje. Feitelijk wilde ik mijn aanwezigheid niet langer opdringen. Toch betrad ik het huis en trof Casper wederom in de deuropening van zijn vaders slaapkamer, alsof hij niet verder durfde te gaan. Ik vroeg me af of de kamer van zijn vader verboden gebied is geweest. Het dekbed was omgeslagen – ik zag een man die een pyjama droeg. Tot dusverre zou ik geen argwaan hebben kunnen koesteren. Er lag een man dood op bed en hij was in zijn slaap gestorven. Ik stond naast Casper toe te kijken, terwijl een ambulancebroeder de rechteronderarm half draaide – ik had eerlijk gezegd niet naar een bloedvlek gezocht, maar die was er wel. Net als een kleine, gerafelde wond, maar er was vrijwel geen bloed te zien – . “Ik ga wel bellen – politie moet erbij komen,” zei een ambulancebroeder, man met een beginnend baardje. Het duurde enkele ogenblikken voordat de werkelijkheid keihard bij me binnen wilde komen. De vader van Casper was niet gewoon in zijn slaap overleden – er moest sprake zijn van een moord.

Ik keek opzij en zocht Casper, maar die was verdwenen – hij was weggelopen.

“Casper!”, riep ik – het kostte me slechts enkele stappen om het appartement te verlaten, zodat ik Casper de lift binnen zag gaan – de deuren sloten al.

Hij draaide zijn hoofd om – ik zag zijn ogen – de gezichtsuitdrukking en ik wist nu dat hij eindelijk begreep wat er was gebeurd. Zijn vader was vermoord en de jongen was zelf de dader…

 

 


De mensendief

In de zomermaanden ben ik vaak en langdurig op straat te zien. Winter heeft alles behalve mijn voorkeur, want het is er koud en nat, mensen dragen dikke isolerende kleding – sjaals en handschoenen. Toch zijn er gisteren incidenten voorgevallen waardoor je me komende weken niet op straat zult zien – ja, ik ben dol op de drukte – mensen die in winkels en cafés samendrommen – terrasjes stromen vol – mannen en vrouwen drinken koffie, thee, mineraalwater, bier en wijn, maar ik ben nog altijd geschokt – mijn belevenissen hebben een gewone man van me gemaakt. Ik was het vergeten. Ik was echt vergeten dat het zo ging. Het was alweer zo lang geleden. De mensen die ik dood heb zien neervallen. Het was een vreselijke ervaring. De kranten hebben er niet eens over geschreven. Heel vreemd. Ik dacht rechercheurs aan de deur te krijgen, omdat ze me wilden spreken. Het was bizar. Afgelopen nacht heb ik niet eens geslapen – ik dacht dat ze me zouden komen halen.

Ik moet het complete verhaal vertellen, dus vanaf het begin. Zoals gebruikelijk loop ik op de zaken vooruit. Eerste mooie dag van het jaar. Dat was gisteren. Media geven er tegenwoordig prachtige namen aan. Ik keek naar de buitenthermometer. Het was twintig graden. Warm genoeg om de jas thuis te laten. Ik voelde me zo goed dat mijn wandelstok ongebruikt in de hoek bleef staan. Nu denk je misschien dat ik een heel oude man ben, maar dat is niet zo. Het valt allemaal best mee. Ik begaf me voor het eerst in maanden op de galerij van mijn flat. Normaal gesproken laat ik de boodschappen thuis bezorgen. Ik ben dol op internet. Wat een prachtige uitvinding is dat toch! Een mens hoeft niet eens zijn appartement te verlaten. Het is alleen jammer dat die jongens binnenkomen, spullen neerzetten en meteen weer moeten gaan.

Ik droeg een hoed als bescherming tegen de zon. Mijn appartement bevindt zich op de derde verdieping. Er is een lift, anders zou ik het niet eens hebben gekocht. Geen denken aan! Ik heb heel even gewacht tot de liftdeuren opengingen – er waren meisjes van een jaar of vijftien die niet durfden te giechelen en toch maar liever de trap gebruikten. Het duurde een halve minuut voordat de lift op mijn verdieping stopte – ik hoorde een zucht die me aan een stervend mens deed denken – deuren gingen open. Ik was de enige. Mijn vinger drukte het knopje ‘0’ in.

Niet veel later begaf ik me in de volle zon – ik voelde de weldadige warmte van het vroege voorjaar. Een brede straat – er waren auto’s geparkeerd, maar tegenwoordig mag je het eerder vreemd vinden als er teveel parkeerplaatsen ongebruikt blijven. Ik wilde richting centrum, omdat daar de meeste mensen zijn. Aan het einde van de straat ligt het station – treinen passeren er de hele dag – geel-blauwe vlekken die binnenkomen en snel vertrekken. Ik liep op het trottoir en zag een stelletje in mijn richting komen. Jongen en meisje. Ze waren rond de twintig, studenten nog maar, mijn favoriete mensen, want die zijn barstensvol energie.

“Pardon jongelui,” zei ik en de jongen deed zijn best om dapper te blijven, terwijl zijn meisje een stapje achterbleef. “Het centrum is toch dáárheen?”

Jongen wees naar de passerelle – roltrap. “Ja, mijnheer – omhoog – en andere kant weer omlaag – dan bent u er eigenlijk al.” Tegenwoordig zijn de jonge mensen weer beleefd, anders dan vroeger. Ik stak mijn hand uit om hem te bedanken en hij aarzelde eerst even, maar accepteerde toch. Sinds wanneer ga je dood aan een handdruk?

“Dank je wel – ik hoop dat jullie tweeën veel kinderen op de wereld zullen zetten,” zei ik, “het zullen mooie kinderen zijn – dat weet ik zeker.”

Ze waagden het niet te gniffelen en ik liep verder. Ik voelde de warmte van zijn handdruk – een broeierige hitte die ik een tijd geleden voor het laatst had gevoeld. Ik was al bijna twintig meter verder gelopen, toen ik het meisje hoorde gillen. Ondanks mijn eerste aandrang, dus om te blijven staan en te kijken, ben ik toch doorgelopen. Ze bleef gillen. Eerlijk gezegd dacht ik dat mijn hoed me zou verraden. Man met hoed. Zoveel mannen zijn er nooit die een hoed dragen. Ik moest mijn uiterste best doen om een grijnslach te onderdrukken. Zo begint het altijd. In het begin ben ik meedogenloos. Iedere kans grijp ik aan. Ze gaan er allemaal voor – iedere jongen en elk meisje. Zo beleefd, zo voorkomend.

Roltrap bracht me naar boven. Ik ben dol op roltrappen – ze zijn erg comfortabel. Eenmaal boven voelde ik een vulkaan van menselijke energie. Er stond een jongen die gitaar speelde – hij was niet eens zo heel erg goed – in feite vond ik hem zelfs erg slecht. Ik bleef een tijdje staan en keek naar zijn verrichtingen – de sukkel dacht dat ik hem stond te bewonderen. Tussen mijn vingers knisperde een briefje van 50 euro. Als je dat lang genoeg volhoudt, denkt hij vanzelf dat ik hem dat ook echt wil geven. Hij zong en speelde een oude blues klassieker – ja, ik kende het nummer heel goed. In mijn herinnering klonk het toch anders – veel beter – meer gevoel. Muzikant stopte met spelen. Gitaar zakte omlaag en raakte achter zijn rug, een beetje zoals Johnny Cash. “Vond u het erg goed, mijnheer?” Er lag een zeker afgrijzen in zijn ogen. Hij vond me een afstotelijk wezen – dat was duidelijk te zien, maar hij wilde het briefje van 50 euro dat ik vasthield.

Ik stak mijn hand naar hem uit en wachtte tot hij zich gedwongen voelde het gebaar te belonen. Het zit in het gedrag van de menselijke soort. Zo zijn jullie gewoon.

“Zelden zo’n uitvoering gehoord,” zei ik, “voortreffelijk.” Ik voelde zijn levensenergie vonken in mijn hand en arm – zijn ogen draaiden weg – ik zag nog slechts zijn oogwit en hij begon te wankelen op zijn benen. Ik stopte het bankbiljet weg en liep verder. Het was een mooie dag. Lekker warm. Ik bekeek mijn reflectie in een winkelruit – of probeerde dat te doen, maar ontwaarde een geest – iets dat daar op leek tenminste. Er bestaan geen geesten. De muzikant graaide ondertussen naar zijn gitaar die op de vlucht leek te zijn. Ik keek over mijn schouder, tikte mijn hoed omhoog en grijnsde tevreden, omdat het wederom gelukt was.

Er klonk een doffe klap – een brekend instrument, hetgeen natuurlijk heel jammer was, maar aan de muzikant ging helemaal niets verloren. Een knoeier. Gillende mensen, vooral vrouwen. Tientallen meters verderop betrad ik de roltrap die me naar het plein zou brengen, een heel mooie plek. Ik passeerde een verkoper van Straatnieuws en overwoog een exemplaar van zijn krantje te nemen, zocht zelfs euromuntjes in mijn broekzak, maar vond hem er toch veel te oud en verlept uitzien – een smal perkamentachtig gezicht, doffe zwarte ogen – totaal geen levensenergie, alsof de man nog slechts enkele weken te leven had. Ik rook de bedorven lucht die hij uitademde – mensen wurmden zich achter me langs, maar ze waagden het niet hun handen op mijn rug te leggen. Verkoper van Straatnieuws keek me aan alsof hij me daadwerkelijk herkende. Ik heb geen vrienden en je komt me maar één keer in je leven tegen. Ik dacht aan een opmerking, zoals: ‘Je hebt niet lang meer.’ Mijn rechterhand ging omhoog, ik schoof mijn hoed voorover, zodat de schaduw over mijn ogen zou vallen, maar de verkoper dacht dat ik hem iets aan wilde doen. Hij deinsde terug – zijn hoofd draaide weg – en ik vreesde een benepen schreeuw om hulp te zullen horen, maar het bleef stil – voor zover je van stilte kunt spreken op een druk stationsplein.

Ik hervatte de wandeling die ik was begonnen. Zon verwarmde de kille botten in mijn lijf. Bij mensen zie je een duidelijke schaduw die over het trottoir meebeweegt, maar ik heb er nooit een gehad. Ik hoop altijd dat ze dat niet zien en gelukkig letten mensen doorgaans heel slecht op. Er volgde een gedeelte van bijna honderd meter waarbij ik in de volle zon liep – daarna werd het simpeler. Negentiende-eeuwse herenhuizen wierpen een schaduw over het trottoir. Ik ben geen man die een zonneallergie heeft, maar ik hou evenmin van het felle licht. Daarom draag ik altijd een hoed als de zon schijnt. Bij de brug stond alweer een straatmuzikant – een zigeuner die accordeon speelde – hij speelde een vrolijke melodie, maar leek te bevriezen, zodra hij mij in het oog kreeg. Hij brak het liedje af dat afkomstig was uit de moderne cultuur en begon ineens enkele maten Mozart te spelen. De ‘Requiem’ van Mozart. Ik stak de rivier over en bevond me tussen tientallen mensen die genoten van een vrije dag – het mooie weer – een heerlijke zon die scheen.

Wederom begaf ik me in de schaduw van een fijn modern gebouw waarbij de architect zelfs aan een galerij heeft gedacht. Het was een straat die herinnerde aan de vissers van weleer. Aan het eind stond een jonge man, rond de twintig jaar, die blaakte van het zelfvertrouwen en een allemachtig harde stem had. Hij sprak over Jezus, de zoon van een god, alsof hij hoogstpersoonlijk bij hem op school had gezeten. “Jezus vergeeft al uw zonden!”, riep hij. Mensen passeerden hem en staarden koppig recht vooruit, alsof hij er niet was. Ik zag de prediker staan en hoorde duidelijk zijn woorden. Opnieuw zijn bekende mantra: “Jezus vergeeft al uw zonden!” Ik bleef stilstaan en hij wilde dezelfde woorden nog eens uitspreken. Ik stak mijn hand uit – en dat is een verschrikkelijk koude hand – hij aarzelde heel even. Een oprechte gelovige die aarzelde – jazeker. “Hoe weet jij nou dat hij daartoe bereid is?”, vroeg ik.

“Ik weet het zeker,” zei hij en zijn stem klonk hees.

Ik was benieuwd of hij me de hand zou durven te schudden. De zigeuner zou het nooit hebben gedaan, nee, absoluut niet. De prediker wel, want er stonden inmiddels talloze mensen te kijken. Zou het geloof overwinnen? De warmte en kracht van zijn prille leven belandde in mijn hand en arm. Zijn ogen draaiden omhoog – ik zag alleen nog het oogwit – zijn spieren verstijfden – schuim borrelde uit zijn mond en ik moest mijn hand bijna loswringen. Ik deed een stap achteruit. Ik hoefde hem niet te troosten, want Jezus zou hem immers redden. Hij hoefde geen angst te hebben.

Ik nam mijn hoed af – mensen dachten dat ik dit uit eerbied deed, maar de warmte werd me even teveel – transpiratievocht droop langs mijn gezicht. Er had erg veel energie in de jonge man gezeten. Mensen filmden wat er gebeurde – ze hielden allemaal hun mobieltjes gespannen voor zich. Ik werd ook gefilmd. Voor het eerst voelde ik een angst die ik ook weer wist te verdringen. De doodstrijd van de jongeman duurde langer dan ik had gedacht. Toeschouwers vergaten mijn aanwezigheid, dus ik haastte me de zijstraat in – ik ging naar de Vismarkt, al heb je daarmee slechts de halve naam.

In de winkelruiten zag ik mijn gestalte en voor het eerst herkende ik een gewoon mens. Ik zou zelfs plaats kunnen nemen op een terrasje en een koud drankje bestellen. Drie levens in amper een half uur. Voorlopig had ik er voldoende genomen. Gulzig ben ik nooit geweest. Ik weet wanneer ik er genoeg heb gehad. Teveel levens maken me menselijk en dat probeer ik te voorkomen. Aan het einde van de straat – alweer een kruising – ja, de oude stad is er vol van – voelde ik ineens een zachte hand op mijn schouder. Ik bleef staan en het was mijn menselijke geschokte zelf die omkeek – ik stond oog in oog met een jonge vrouw. Lichtblond haar dat ze in een staartje droeg – ze had het geverfd, want de wenkbrauwen waren donker.

De vierde kun je beter niet nemen – het is me eerder gebeurd, lang geleden en gisteren gebeurde het opnieuw. “Die jongen valt zomaar dood neer en u gaat er vandoor?” Ze sprak de woorden in één langgerekte verbazing uit, alsof ze nooit eerder zoiets brutaals had waargenomen.

“Het spijt me,” zei ik – mijn hand stak bijna automatisch recht vooruit alsof ik mijn excuses wilde aanbieden, omdat ik zoiets ongerijmds had gedaan. Ik vervloekte mezelf direct al, omdat ik goed wist wat de gevolgen zouden zijn.

Haar arm ging omhoog en haar vingers raakten de mijne aan – ik voelde haar energie in mijn lichaam terechtkomen – alle kracht die een jonge vrouw nodig zou hebben om kinderen te baren. Ik wist wat er zou gebeuren en het gebeurde ook. Haar spieren verkrampten – ogen draaiden weg, zoals de anderen ook was overkomen. Er stonden mensen te kijken, maar ze hadden niet alles gezien. Terrasgasten dronken bier en wijn – ze hadden geen idee. Vrouw zakte door haar benen – handen raakten de kasseien alsof ze zich wilde tegenhouden. Ik keek om me heen en begon weg te lopen. Het ging me niet aan.

Ik liep in een steegje tussen twee statige huizen. Een overheerlijke, koele schaduw viel over me heen. Achter me schreeuwden en gilden mensen die natuurlijk niets snapten van wat er was gebeurd. Mijn hoed rustte onopvallend tegen mijn dijbeen, zodat ik minder herkenbaar zou zijn. Opnieuw bereikte ik een kruispunt en ik besloot links te gaan, omdat ik het spoor van lijken wilde vermijden. Ja, de vierde gebeurde gewoon en ik wist heel goed wat er gebeurde, als ik een vierde zou nemen. Auto’s reden voorbij, net als fietsers, ik was een heel gewone wandelaar onderweg naar huis. Ik zette de hoed terug op mijn hoofd. Een onopvallende man. Ik was een mens geworden. De vierde had me menselijk gemaakt – ik voelde het leven van een gewoon mens en ik haat het om zo menselijk te zijn. Vorige keer heb ik dagenlang op politie zitten te wachten – wist zeker dat ze me zouden komen halen. Net als nu, net als vandaag. Sirenes klonken in de oude stad. Ze hadden vier ambulances nodig – nee, acht, twee ambulances voor elke hartstilstand die werd gemeld bij 112. Terwijl ik terug naar huis liep, dacht ik aan de families die zouden horen dat hun geliefden waren gestorven. Zo plotseling gestorven, terwijl ze een man spraken die een hoed droeg, maar er uitzag als de dood zelf.

Ik heb drie levens nodig om te blijven bestaan – een vierde maakt me menselijker dan ik wil zijn, maar het effect duurt slechts enkele dagen. Het gezicht van de vierde – de jonge vrouw – brandt op mijn netvlies – ik zag de ontzetting in haar ogen, want ze wist dat haar leven zou eindigen. Haar verloren leven zit nu in me – het duurt een dag of drie, misschien vier en dan is het gelukkig verdwenen – ja, ik ga door een storm van menselijke emoties voordat ik weer mezelf ben. Drie, of misschien vier dagen. Mogelijk draag ik de volgende keer wel een pet – of ga ik ’s nachts en blootshoofds – maar één ding kan ik je beloven – je zult weten dat ik het ben, als we elkaar de hand schuddende duivel die ik altijd al ben geweest.

 


(6) En de vierde is een gewone jongen

De vrienden van Jokke blijven bij de vrouw en haar kinderen – echtgenoot begint te bellen – met politie – hij is ternauwernood aan de dood ontsnapt – net als zijn vrouw en kinderen – dankzij een meisje dat stond te schreeuwen, omdat ze een gave heeft.

Een onbekende gestalte staat ineens naast Jokke – een man die er enkele seconden geleden niet was, maar nu wel en hij zegt: “Jee, wat een ravage.” Man kijkt naar vrachtauto en er verschijnt een frons op zijn gezicht. Het is een oudere man. “Lijkt me eigen auto wel.” Er volgt direct een schreeuw. “Krijg nou de kolere, het is me eigen auto!” Hij rent naar de cabine en staart naar binnen. “Hoe kèn dat nou?” Man draait zich half en vragend om.

Jokke negeert de chauffeur die in de auto ligt, maar er vreemd genoeg ook naast staat. Hij doet het allebei. Wat gebeurt er allemaal? Jokke begint met zijn armen te zwaaien en schreeuwt: “Help!”

“Wat is er aan de hand, jochie – Ben ik dood?”

“Nog niet,” zegt Jokke. “maar je hebt hulp nodig. Ik denk dat ze moeten reanimeren – ja, dat denk ik.”

“Heb ik een soort van infarct gehad?”

“Denk het.”

Mannen komen aangehold – auto’s staan op de vluchtstrook – ze laten zich langs de helling omlaag glijden – stofwolken dwarrelen omhoog – ze klimmen in de cabine en Jokke hoort glassplinters knarsen. “Mijnheer? Mijnheer?”, begint er een man te roepen. “Hoort u mij? Geeft u eens antwoord?”

“Hoe heet je?”, vraagt Jokke.

“Nelis.”

Jokke bestudeert de gestalte die naast hem staat – oudere man in ruitjesoverhemd en spijkerbroek, dun grijs haar en stoppelbaard, hoornen bril.

“Zijn naam is Nelis.”

“Weet je het zeker?”, vraagt een man die zijn hoofd boven het dashboard uitsteekt. “Nelis?”

“Ja. Nelis.”

“Nelis – hopelijk kun je me horen, maar ik ga je reanimeren,” zegt dezelfde man die zojuist twee keer ‘mijnheer’ heeft geroepen. “En jij belt 112.”

“Doe ik al,” zegt de ander.

Andrea komt naast hem staan en vraagt: “Jokke – tegen wie ben je nou steeds aan het praten?”

“De chauffeur,” zegt hij. “Hij is hier.”

“Is hij dan niet – ?”, vraagt Andrea.

“Je snapt het niet,” zegt Jokke, “hij is niet alleen in zijn auto, maar ook hier – naast me – als een geest.”

“Zeg eens, jongen. Ga ik dood?”, vraagt Nelis.

“O,” reageert Andrea.

“Geen idee,” zegt Jokke.

Chauffeur loopt naar zijn auto en gaat op zijn tenen staan, omdat hij beter wil zien wat er gebeurt.

“Je moeder zei het toch al – ?”, vraagt Andrea.

“Inderdaad – de tuin der geesten,” antwoordt Jokke die zijn hoofd draait en de heuvel zoekt die onzichtbaar is geworden in de warme zomernacht. Trommels klinken nog altijd – twee dreunen per seconden. “Heeft je moeder niet verteld wat ze aan het doen zijn – die moet het weten, verdorie. Zelfs Nosferatus hield ons daar weg. Bah, ik haat hun geheimen.” Zijn stem klinkt erg luid, maar Nelis, de vrachtwagenchauffeur, begint langzaam doorzichtig te worden – transparant – ze horen sirenes dichterbij komen – het zijn er twee – zo meteen komen de verplegers naar beneden. Ze kunnen er op geen enkele andere manier komen. Het bos dat er omheen is gegroeid is gewoon te dik. Vanaf de grond kan Jokke de flat niet eens zien. Andrea kijkt naar de chauffeur en haar ogen beginnen ineens groter te worden, alsof ze toch een glimp van Nelis lijkt op te vangen. Jokke kijkt omhoog en ziet een blauw zwaailicht naderen. Nelis lost domweg op – zijn gedaante verdwijnt gewoon.

“Hij is weg,” zegt Andrea en ze wijst de plek aan waar enkele ogenblikken Nelis heeft gestaan.

“Klopt, ja, misschien hebben ze hem gered,” zegt Jokke, “en leeft hij weer.”

Gijs en Leon beginnen ongeduldig te gebaren – nachtelijke schaduwen van bomen hangen over hen heen. Met name Gijs gebaart erg ongeduldig en Jokke snapt hem – want de politie komt ook – agenten gaan onderzoek doen en willen weten wat er is gebeurd – ze moeten verklaringen afleggen. Jokke en Andrea beginnen weg te lopen. Man en vrouw zijn erg met hun kinderen bezig – ze zijn geschrokken – ze zijn allemaal erg geschrokken.

Jokke probeert de geest uit zijn gedachten te verdrijven – een chauffeur die in zijn cabine lag en er ook naast stond – het was een geest – hij heeft een geest gezien. Het is duidelijk. Voordat ze in het bos verdwijnen, hoort hij iemand roepen dat ze moeten blijven, maar Jokke en zijn vrienden gaan verder. Jokke stapt over een omgevallen boomstam – er is een greppel – Andrea wijst naar een oude kelder. Het is een gevaarlijke plek, met name ’s nachts, als je de overgebleven ruïnes niet goed kan zien. Ze zullen hen niet volgen, want het is te gevaarlijk. Misschien komen ze morgen naar de flat. Het zou kunnen. Jokke kijkt naar het gapende gat in de bodem – een betonnen trap – je kunt je er goed verbergen, maar ze komen er nooit. Een middag op de heuvel is fijner dan zo’n akelig gat in deze uithoek. De kinderen van Nosferatus, nou ja, als hij kinderen zou hebben, zouden er zich geweldig voelen. Donker, droog en stil, net een graftombe. Jokke volgt Andrea – die op haar beurt Leon en Gijs geen seconde uit het oog verliest. Leon zou het goed moeten kunnen zien, als het tenminste bijna volle maan zou zijn geweest.

Ze gaan verder – een wandeling in het bos – het is nacht – er klinken meer sirenes – het is de politie die een verhaal zal aanhoren over vier kinderen die in het bos zijn verdwenen. Jokke hoort klapperende vleugels boven zijn hoofd – het is Nosferatus die als vleermuis de vier vrienden nauwgezet volgt.

Hij blijft staan, terwijl Andrea nog enkele stappen doet, Gijs en Leon hebben erg laat in de gaten dat Jokke is achtergebleven. “Wat is er?”, vraagt Andrea – haar stem draagt erg ver in het donker.

Jokke staart in het donkere gat – één van de tientallen kelders die je in dit gedeelte van het bos terugvindt. Er is een trap – natuurlijk van beton – net als daarstraks – maar beneden gloeit er een helder licht, misschien wel het helderste dat hij ooit in zijn leven heeft gezien – veel sterker dan een lamp.

Andrea komt terug, omdat Jokke achterblijft. Ze legt een hand op zijn schouder en ziet, net als hijzelf, het licht dat als een prachtige wolk uit een donker, onderaards hol komt. Het is een boodschap. Het kan bijna niet anders. Andrea veegt een pluk vuurrood haar achter haar oor. Jokke en Andrea kijken elkaar langere tijd aan. Gijs en Leon wachten alleen – doen niets, zeggen niets. Ze beseffen goed dat er iets vreemds gebeurt.

Voor het eerst in bijna een uur is het stil. Er klinken geen trommels, er zijn geen heksen die zingen.

“Het is een uitnodiging,” zegt Jokke.

“Ik ga met je mee. Je weet maar nooit.”

“Zulk helder licht kan alleen maar goed zijn, al komt het uit een gat in de grond. Tot straks.’ ‘Ik hoop het.’ Hij hoort de stem van zijn moeder. Andrea kijkt hem aan, maar ze biedt niet opnieuw aan om mee naar beneden te lopen. “Oké – met zijn tweeën sta je sterker,” zegt Jokke. Andrea kijkt naar de jongens die over afgebroken takken heen beginnen te stappen – ze naderen erg snel. Ze willen dezelfde trap afdalen als Jokke en Andrea. Er is heel weinig kans dat ze dit met zijn tweetjes zullen doen.

Jokke staart omlaag – elke stap die hij op een traptrede zet – trappen van misschien vijftig jaar ouder – hij weet het niet. Hij grijpt een trapleuning vast – hand van Andrea rust continu op zijn rug, omdat ze niets kan zien. Licht is te fel geworden. Jokke loopt langzaam, zodat Andrea hem niet kwijt kan raken. Beneden ligt er een gang – erg lang, smal ook, maar niet erg hoog – hij heeft de neiging om te bukken. Er hangen tl-lampen aan het plafond die het niet doen. Maar het licht heeft een andere oorsprong, al kan hij niet zien waar het vandaan komt – het lijkt overal vandaan te komen. Jokke ontwaart een vrouw met donker haar. Ze draagt een jurk die haar vrouwelijke vormen niet alleen laat zien, maar ze ook weet te verbergen.

“Hallo, Jokke,” zegt ze.

“Hoi,” antwoordt hij en Andrea staat schuin naast hem en haar hand rust nog altijd op zijn rug.

“Ik zie dat je je vrienden hebt meegenomen.”

“Tuurlijk.”

Andrea knijpt zachtjes in zijn arm. Zou ze bang zijn? Gijs en Leon komen heel langzaam de trap af. Jokke hoort hun voetstappen dichterbij komen. De onbekende vrouw houdt haar hoofd een beetje schuin, zodat ze voorbij Jokke en Andrea kan kijken.

“Je zult het vast fijn vinden dat er zoveel mensen om je geven – de heksen die ons hebben geroepen vanavond,” zegt ze, “je moeder was er niet – en Anne Madsen ontbrak ook. Heel opvallend. Twee zeer bepalende vrouwen in jullie gemeenschap – zoveel kracht en het is onvoldoende.”

Jokke durft geen botte opmerkingen te maken. Bovendien weet hij niet zeker of zijn vrienden de onbekende vrouw-verschijning eveneens kunnen horen – misschien wel zien, maar niet horen. Zou het logisch zijn? Misschien is het alleen voor hem. Misschien zien ze de onbekende vrouw niet eens. Het kan best zo zijn dat ze hem alleen horen praten.

“En die brave heksen hebben ons veel en véél te vroeg opgeroepen,” zegt ze. “Je bent er nog lang niet klaar voor. Ik ben te vroeg. Er komt een dag en dan zul je begrijpen wat je taak zal zijn in dit leven, maar vandaag is dat nog niet. Te vroeg. Ja, ik ben veel te vroeg. Je moeder zal wel blij zijn, denk ik. We zullen hen wel duidelijk maken dat er slechts één enkele persoon de bezweringen moet uitvoeren.” Andrea houdt haar hand voor haar mond. Ze kan de vrouw horen. Nu wel. Het is heel duidelijk. “Je roodharige vriendin zal de bezweringen moeten doen, een prachtige dochter van haar moeder. Iemand moet Edith vertellen dat ze zich voortaan nergens meer mee moet bemoeien, anders doen wij het.”

De vrouw begint heel langzaam te lopen – beweegt naar Jokke en Andrea, maar ze los ineens op – . Ze verdwijnt en daarmee dooft het licht dat hen allemaal zo intens heeft verblind compleet.

“Wat was dat?”, vraagt Leon.

“Een verschijning – of een geest – of misschien een schikgodin,” verklaart Andrea. “Ze zou Jokke op hebben moeten halen, maar dat gebeurt niet. Je hebt een grote taak voor de boeg.” Ze slaat met haar vuist op zijn bovenarm, maar hij voelt de klap niet eens. “Je wordt belangrijk.”

“Dat wil ik helemaal niet.”

“Misschien wel. Dat ligt aan de taak,” zegt Andrea.

“Nou ja, zeg,” reageert Jokke.

De vrienden lopen de trap weer op – sneller dan daarnet – Jokke blijft eventjes staan en kijkt omlaag, terwijl hij dit doet exploderen alle tl-lampen. Er volgt een klap. Rookpluimen ontstaan in de smalle gang en hij denkt mensachtige figuurtjes te kunnen zien, maar hij vermoedt dat hij zich iets verbeeldt.

“En nu?”, vraagt Gijs.

“We gaan Edith vertellen dat ze op moet oppassen voordat een van de schikgodinnen haar ezelsoren geeft, omdat ze weigert te luisteren,” zegt Andrea.

“Jij bent ook belangrijk gemaakt,” zegt Jokke.

“En wij dan?”, vraagt Leon.

“We zijn allemaal belangrijk, omdat we vrienden zijn,” legt Jokke uit. ”Dat heeft ze gezegd.”

Hij weet het heel zeker. In zijn eentje was hij de pineut geweest. Dan had hij beslist mee gemoeten.

Boven hun hoofden fladdert de vleermuis – heel onrustig – alsof Nosferatus alles heeft kunnen zien – in elk geval het heldere licht dat in de kelder heeft gehangen – vampiers zijn allergisch voor alle vormen van licht. Jokke sluit de rij van vrienden die zich kronkelig een weg baant door het bos. Jokke ziet de flat boven de bomen uittorenen en de vleermuis verandert in een zwarte mistwolk die omlaag valt en een menselijke gedaante aanneemt. De flatbewoners verzamelen zich bij de ingang van het gebouw en Jokke kijkt eerst omhoog – zijn moeder staat bij het raam – ze oogt heel opgelucht als hij het bos weer achter zich laat. Edith staat er – net als twee vriendinnen die ook allebei een trommel meezeulen. Mevrouw Madsen verlaat het gebouw en lijkt vooral opgelucht dat iedereen er nog is. Edith staat uit te leggen waarom het fout is gegaan.

Andrea onderbreekt de heks die ouder is dan zijzelf. “Het klopt niet, hoor.”

Edith stopt met praten en staart naar het meisje. Nou ja, inmiddels staart iedereen naar Andrea en de moeder van Jokke staat op het balkon van haar flat.

“Eén van de schikgodinnen is verschenen – maar alleen voor Jokke en mij – volgens mij was het Destiny, omdat ze sprak over de lotsbestemming van Jokke. Gijs en Leon waren er ook. Ze heeft Jokke achtergelaten, omdat het te vroeg is – veel te vroeg.”

“Ik denk – ,” begint Edith te zeggen.

“Laat het meisje uitpraten!”, roept de huismeester. Hij ziet er erg boos uit. Zijn ogen fonkelen erg fel.

“Ik moest erbij zeggen,” en Andrea slikt een keer en gaat dan verder, “dat Edith zich niet meer mag bemoeien met Jokke. Als Edith weigert te luisteren, grijpen de schikgodinnen zelf in.”

Nosferatus steekt zijn hand uit naar Jokke en zegt: “Je begrijpt nu toch wel waarom ik – .”

“Dank je wel,” zegt Jokke.

“En ik wilde alleen maar helpen,” zegt Edith.

“Help jezelf in het vervolg, dan verbeter je meteen de wereld,” zegt mevrouw Madsen.

Jokke ziet zijn moeder de woning binnengaan. Er is geen vergadering van alle bewoners, dus hij gaat zelf ook. Hij zwaait naar zijn vrienden – die hem meteen volgen. Iedereen gaat naar huis.

Nog een uurtje op balkon zitten en dan naar bed. Al is het nog erg warm.


de hand van de kunstenaar

Natuurlijk kan ik vertellen wie ik ben, wat voor werk ik doe en dat ik een relatie heb. Het doet er allemaal niet zo toe, want als je me echt een beetje zou kennen, dan weet je dat er voor mij maar één passie bestaat en dat is kunst.

Als jongen moest ik me zien te redden met zakgeld. Veel behoefte aan een eigen krantenwijkje had ik niet, dus je zou kunnen zeggen dat het om die reden mijn eigen schuld was dat ik altijd krap bij kas zat. Wel probeerde ik zoveel mogelijk boeken te lenen en te stelen. Ze gingen allemaal over één enkel onderwerp en dat is kunst.

Na mijn schooltijd ging ik geld verdienen. Salaris viel in het begin een beetje tegen. Ik moest de huur betalen en zo, boodschappen doen,  nieuwe kleren kopen, maar het meeste geld besteedde ik aan het enige dat echt belangrijk is in mijn leven en dat is kunst.

Ik begon te verzamelen en dat kostte niet alleen veel geld, maar ook tijd. Schilderijtjes, beeldjes, alles. Het maakte me niet zoveel uit. Als ik het mooi vond, dan wilde ik het hebben. Ik begon een mooi huis te krijgen, een mooie verzameling – mìjn verzameling. Niemand mocht eraan twijfelen dat ik ongelofelijk veel van kunst hou. 

Op een dag gebeurde er iets dat ik nooit voor mogelijk had gehouden. Nooit gedacht dat ik om een vrouw zou kunnen geven. Ik werd verliefd. Al vrij snel groeide er een probleem. Je begrijpt het al. Ik gaf te veel geld uit aan mijn verzameling. Dus stelde ze me voor de keuze. Het was een vreselijk dilemma. Want ik hou van mijn vriendin, dat doe ik echt, maar ik hou ook van kunst.

Ik heb een manier gevonden om mijn relatie te redden. Voor het eerst in mijn leven begin ik te begrijpen waar het in de kunst werkelijk om draait. Niet het kunstwerk. Dat is het niet. Alles begint en eindigt met de hand van de kunstenaar. Die is bepalend. Ik heb besloten om de hand van de kunstenaar te verzamelen, heb er nu al drie en ik ga ermee verder, want ik hou nu eenmaal van kunst.

(c) Jos Smies, 1985, 2015

 


(1) De verlaten aarde; Jungle

Een ijskoude wind blies door talloze openingen van het gebouw. Gebrekkig onderhoud begon zich te wreken, ruiten waren gesneuveld en metselwerk brokkelde af. Elke nieuwe storm veroorzaakte meer en meer schade.

Het deerde de jongen weinig. Voorlopig had hij een schuilplaats. En wanneer de zorg voor zijn zusje hem te veel werd, ontvluchtte hij in alle stilte het grote huis.

Jack waakte ondertussen over Ellen; die onbetaalbare, betrouwbare, altijd aanwezige, nimmer klagende Jack, hun elektronische huisdokter, butler, kok, vader en moeder tegelijk. Vroeger had hij Jack wel eens vervloekt, diens halsstarrige eigenwijze rechtlijnigheid vormde een akelig irritante eigenschap. Sinds papa niet meer leefde, was Jack toch wel een belangrijke figuur geworden, de spil waar het huiselijke leven om draaide. Je kon zijn belang moeilijk overschatten.

Het oude gebouw met zijn afbrokkelende metselwerk stond aan de voet van Heuvel 18, net buiten de afrastering. Stephen kwam er regelmatig, hoewel de temperatuur nauwelijks zulke uitstapjes rechtvaardigde. Op aandringen van Jack trok hij zijn warmste parka aan, zo’n jas waarin je zelfs bij min tien nog transpireerde en trok de ritssluiting helemaal omhoog, zodat je slechts de vage contouren van zijn gezicht kon zien. Hij liet de poort achter zich dichtvallen en ontweek een valstrik, nog geen anderhalf jaar geleden geïnstalleerd door zijn vader die had hem geleerd behoedzaam manoeuvrerend de woning te bereiken… of achter zich laten, zoals Stephen nu deed. Je moest exact de route kennen, aangezien je anders verstrikt zou raken in dodelijke valstrikken. De laatste keer dat zoiets gebeurde, was tien maanden geleden. Bovendien de laatste keer dat hij een menselijk wezen had gezien, buiten zichzelf en zusje Ellen.

Jack telde niet mee. Jack was een robot.

Die ouwe man volgde hem al een tijdje en mogelijk hield hij zich schuil in dat vervallen gebouwtje waar hij zelf eveneens regelmatig kwam. Stephen droomde wel eens over het gezicht van die ouwe. Echt zo’n doorleefd gelaat met diepe groeven, waarschijnlijk het gevolg van een paar hevige koortsaanvallen. Tenslotte volgde hij hem en slaagde erin door te dringen tot het park op de heuvelrug. En eerlijk is eerlijk… de achtervolger hield het erg lang vol, maar vond tenslotte toch zijn einde. Stephen durfde al enige tijd niet over zijn schouder te kijken, want met die capuchon moest je stil blijven staan en ècht staren. Uiteindelijk weerklonk er een duidelijk ZWOEFFF. Oké, het was veilig. Stephen keek om en zag dat een stalen speer die ouwe man aan een boomstam had genageld. Duidelijke taal. Ook al waren er geen gieren, of andere aaseters die zijn lijk opruimden. De koorts was een meedogenloze niets of niemand ontziende plaag geweest die de planeet leeg had achtergelaten.

Bovenop de heuvel stond zijn huis en dat van Ellen natuurlijk, grotendeels omgeven door een groot park. ‘Jungle’, zei papa heel vaak. Om die ‘jungle’ was een massieve, drie meter hoge muur gebouwd, bijna vijftig centimeter dik. Dit landgoed vormde een volmaakt ondoordringbaar terrein, barstensvol met valstrikken. Stephen kende ze, Ellen niet en papa heeft wel eens gezegd dat Jack nooit buiten kwam.

Aan de achterzijde bevond zich een groot half overdekt terras. Indien je recht omlaag keek, zag je de brede langzaam stromende rivier met zijn bloeddorstige bewoners. Hoe koud het ook werd buiten… de rivier bevroor nooit helemaal. Tegenwoordig hoefde Stephen niet meer op zijn tenen te gaan staan, maar als hij over die brede marmeren rand naar beneden keek… en eventjes geduld in acht nam… zag je die grote lijven tenslotte door het water glijden. Het was een gruwelijke aanblik.

Een enkele keer dacht Stephen dat die monsters wachtten op een nieuwe springer, iemand die zijn aardse bestaan beu was en zich overgaf aan hun bloeddorstige muilen.

Jack wachtte in de deuropening, keurig achter glas en zijn zusje Ellen stond angstig turend naast hem, omdat papa bijna een jaar geleden op die brede marmeren balustrade was geklommen. Stephen wist waarom hij dat ging doen, namelijk die verdomde koorts, tijdens de incubatietijd, nog niet besmettelijk. Er lag een brief in zijn bureau, die Stephen moest lezen als hij oud genoeg was. Jack zou ervoor zorgen dat de boodschap bewaard bleef. Er volgde destijds een langdurige stilte, er gebeurde helemaal niets en papa stond besluiteloos op die balustrade. Ellen huilde natuurlijk, Stephen deed alsof het hem allemaal niet zo veel raakte. Nadat papa’s grote lichaam uit zicht was verdwenen, mocht Stephen gaan kijken. Jack gaf toestemming. Hij rende naar de balustrade en keek omlaag. Er lag een grote grillig gevormde bloedrode vlek over de wateroppervlakte, gevormd door die woest omhoog springende monsters. En later ging Stephen gewoon kijken, controleren of die beesten er nog steeds waren. En of het mogelijk was dat vader in dat woeste water was verdwenen. Jack begreep het niet, en Ellen zou het binnen enkele jaren gaan begrijpen. Stephen zou het zijn zusje laten zien, terwijl hun elektronische voogd hoofdschuddend achterbleef in huis, zoals papa buiten gehoorsafstand van Jack nadrukkelijk bevolen had.

Tegenwoordig kwam Stephen wat vaker buiten, ja… zo noemde hij dat, maar het was al zo vreselijk moeilijk die jungle uit te komen en daarna nog die gevaarlijke wereld. Jack was de oudste, wist echter alleen verhalen te vertellen over vroeger, leuke grappige anekdotes… leuk en nutteloos tegelijk.

Stephen realiseerde zich gaandeweg dat die oude grappige verhalen van Jack getuigden van een lang vervlogen wereld, dus voordat de koorts vrijwel de complete wereldbevolking wegvaagde. Het ging zo snel, volgens papa, dat ‘ze’… wetenschappers dus, niet eens de kans kregen een naam te bedenken. Daarom bleef het bij ‘de koorts’. Papa en mama bouwden vervolgens dit huis… hun huis, hoewel het er mogelijk allang stond en bedoelde papa alleen dat ze de veiligheidsmaatregelen in de jungle hebben geïnstalleerd. Al die barbaarse valstrikken bedoeld om indringers buiten de omheining te houden. Toch raar, want zoveel indringers waren er niet meer.

Inmiddels bood het huis alle benodigdheden die een langdurig verblijf prettig maakten, zoals levensmiddelen, kleding, warmte natuurlijk; boeken die je kon lezen, boeken die je maar beter kon verbranden.

Het was een ideale schuilplaats, uiterst comfortabel en warm, zelfs wanneer de sneeuw omlaag viel en de Aarde veranderde in een compacte ijzige hel. Stephen vond dat een volmaakt contrast met het zwaar beschadigde gebouw onderaan Heuvel 18.

Nogmaals… er wachtte hem daar helemaal niets van waarde. Stephen ging er hoofdzakelijk heen vanwege de prettige herinneringen aan papa, die er graag kwam, al zei hij helaas nooit waarom. Niettemin trotseerde de jongen graag ijzige weersomstandigheden, alle draconische beveiligingen in het park, zodat hij hooguit een uur, anderhalf uur kon doorbrengen binnen de muren van het krot. In eerste instantie realiseerde hij het zich nauwelijks, maar na verloop van tijd besefte Stephen dat hij werkelijk nergens anders heen kon gaan. Hij en Ellen waren gevangenen in het grote huis bovenop die heuvel en Jack zou altijd de afstandelijke toeschouwer zijn.

Vroeger leefden er veel mensen, vertelde papa wel eens. Tijdens lange koude avonden, als het holografische vuur de woonkamer verwarmde en verborgen speakers knetterende en knappende geluiden weergaven, kwamen die lang vervlogen tijden weer tot leven. Stephen luisterde gespannen naar vader, terwijl Ellen langzaam in slaap viel. Ja, de wereld van vandaag was een uitgestorven lege vlakte. Huh… De bevroren lijken in het park vertelden een ander verhaal, er lagen er immers genoeg. In de loop der tijden hadden veel mensen geprobeerd hun domein binnen te dringen. Het werden er steeds minder. Dus papa had wel een beetje gelijk.

De laatste poging dateerde van tien maanden geleden, die ouwe man met zijn doorleefde gelaat. Het kostte Stephen heel veel moeite de speer weer op scherp te zetten, zodat vroeg of laat er weer een indringer door verrast werd. ‘Onvoorstelbaar toch, dat het ooit anders is geweest.’ Jaren geleden woonden er miljoenen mensen in steden, honderdduizenden in dorpen en je slaagde er met geen mogelijkheid in een dag te leven zonder mensen tegen te komen. Of je moest je huis hermetisch afsluiten voor de buitenwereld, gordijnen dicht, voldoende eten en drinken in voorraad, zodat je in alle rust een oud moeilijk boek kon lezen. Stephen vond het ongelofelijk dat mensen zichzelf wilden opsluiten binnen de weliswaar comfortabele muren van hun woning. Destijds heette zulk gedrag ‘excentriek’, volgens Jack tenminste, die er laatst een verhaal over vertelde. ‘Excentriek’ betekende dat een mens zich compleet anders gedroeg dan zijn soortgenoten… zonderling of vreemd, volgens het woordenboek. Vandaag de dag noemde je zoiets puur lijfsbehoud. Misschien leerde Stephen ooit nog eens waarom ze dat vroeger deden, terwijl op datzelfde moment de buitenwereld lonkte, met een uiterst mild klimaat zelfs. Onvoorstelbaar.

Ellen stelde regelmatig moeilijke vragen, steeds vaker eigenlijk, Stephen moest het antwoord meestal schuldig blijven. Hij wist immers ook niet zo veel. Jack vulde de leemte dan maar in en deed dat met verve, als een volleerde podiumartiest. Zijn zusje lachte er heel hard om, Stephen keek tevreden toe, en begreep dat er gedurende enkele uren of dagen geen nieuwe vragen over vroeger meer volgde.

Ja, daarom zocht hij de afzondering van dat tochtige krot. Stephen hoefde geen enkele angst meer te koesteren voor ronddwalende mensen, of akelige monsters, die er in de winter toch nauwelijks waren. De rivier werd druk bevolkt door monsters, zoals Ellen ze hardnekkig noemde. Natuurlijk had ze volkomen gelijk. De rivier was een gevaarlijke plek. Volgens papa waren die dingen er vroeger nooit. Ze zijn er later pas gekomen, gerevolutioneerd in feite, en dat gebeurde in de laatste fase van de koorts. Spaarzame overlevenden richtten gigantische brandstapels op, zodat de lijken werden vernietigd. Wellicht hoopten ze dat daarmee het virus ook verdween. Papa vertelde eveneens over levenden, mensen die ziek werden en vervolgens verbrand werden. Slimmeriken waagden zich slechts buiten gewapend met een vlammenwerper, zodat je zieken direct kon vernietigen. Er verscheen een grijns op papa’s gezicht, toen hij dit zei, want slim mocht je het amper noemen, eerder meedogenloos. Effectief was het beslist. Goed, in de nadagen van die verwoestende pandemie verschenen er monsters. Het duurde enige tijd voordat mensen zoals papa begrepen hoe die smerige dingen ontstonden. Eigenlijk waren ze gewoon mensen, alleen veranderde hun ziekte hen in wezens die de gewijzigde klimatologische omstandigheden konden weerstaan. De winters werden plotseling strenger, duurden ongelofelijk lang. Zomers waren er nauwelijks, of waren verschrikkelijk warm en vochtig. Die monsters waren getransformeerde mensen. Zei papa.

Daarom sprong hij die bewuste dag omlaag. Om zijn lichaam in de muilen van hongerige monsters te laten verdwijnen, zodat Stephen en Ellen de kans kregen op te groeien. En hopelijk kwam er ooit een dag waarop het verschrikkelijke virus zou verdwijnen. Papa zei namelijk dat zulke dingen wel vaker waren gebeurd in het verleden. Plotseling ontstond er een ziekte, die talloze mensenlevens eiste, duizenden, en nog veel meer, miljoenen soms. Tenslotte verdween het virus, of de bacterie, maar je kon met hetzelfde gemak zeggen dat er mensen waren overgebleven die er immuun voor waren. Veel mensen, papa’s tijdgenoten, geloofden in de rol van het dodelijke en muterende virus, dat alle ellende veroorzaakte.

Zoals gebruikelijk vertelde papa dit soort zaken in het oude krot, dat vervallen woninkje net buiten de omheining. Stephen begreep niet zo goed waarom hij altijd wachtte met vertellen over vroeger als ze met zijn tweeën de afzondering hadden opgezocht. Het maakte hem weinig uit.

Vooral niet omdat papa op zekere dag vertelde dat alle gebeurtenissen heel verklaarbaar waren. Een Engelsman genaamd Darwin had ooit een boek geschreven over de natuur en hoe alle levende organismen zich aanpaste aan de omstandigheden. Het was een volkomen natuurlijk proces, zelfs die monsterachtige verschijningen, vond hij verklaarbaar. De natuur veranderde voortdurend, en als een levend wezen niet ogenblikkelijk mee veranderde, dan liep het de kans van de aardbodem weggevaagd te worden. Het was de enige gelegenheid waarbij Darwins naam ooit genoemd werd, en Stephen probeerde later wel eens zijn boek te lezen, maar besloot na drie of vier pagina’s dat je er beter een haardvuur mee kon aansteken. Het was onleesbaar. Gortdroog. Stephen las veel liever een spannend avontuur, bijvoorbeeld over de kolonisatie van Mars.

En daar woonden nog wel heel veel mensen.

Papa zei dikwijls dat de aarde, als iedere planeet, over een zelfverdedigingsmechanisme beschikte, misbruik werd streng bestraft, omdat de natuurlijke omstandigheden wijzigden en de mens opzadelden met een vijandige omgeving.

Papa en mama zouden graag op Mars hebben gewoond, of de Maan, een nog grotere kolonie, maar die vervloekte koorts gooide roet in het eten. Ze waren te laat. En mama stierf na de geboorte van Ellen. Zei papa. Stephen stelde zich voor hoe hij het levenloze lichaam van zijn moeder over die balustrade moest hebben gegooid. Verder sprak papa nooit over mama. Die was dood en dat gebeurde lang geleden.

In ieder geval stond Stephen redelijk beschut, ook al was de kou tot ver in de bodem doorgedrongen. Hier en daar stonden wat meubels. Op de vloer lag kleding. Bij elke stap kraakte het gebroken glas onder zijn voeten.

Er waren tekenen van menselijke aanwezigheid, nou ja… niet hier op aarde natuurlijk, maar boven zijn hoofd vlogen er regelmatig toestellen voorbij die een enkele keer langdurig stil bleven hangen in de atmosfeer. Eenzaamheid was relatief, zou Jack zeggen, want op de Maan hoefde geen mens zich eenzaam te wanen. Daarom was die verre, onbereikbare Maan zo’n mooi, altijd veranderend schilderij. Het liefst bracht hij hen allebei in zo’n toestel naar die grote drukbevolkte Maan. In papa’s studeerkamer stonden verschillende telescopen, zorgvuldig afgestelde apparaten, een volmaakt zicht, veraf kwam daarmee heel dichtbij. Was het mogelijk heimwee te hebben naar zo’n plek, al stond hij sinds zijn geboorte met beide voeten keihard op deze verlaten aarde? Stephen schopte tegen de muur, en er sprongen verscheidene stukjes baksteen weg.

Ze zouden nooit een drager van het virus toelaten. Stephen en Ellen waren gedoemd de rest van hun leven in het huis door te brengen. Zijn periodieke uitstapjes naar de verlaten woning vormde zo’n beetje het enige avontuur dat voor hem was weggelegd. Hier voelde Stephen de ijskoude wind, rolde hij de kraag van zijn trui verder omhoog, en dankzij de capuchon zag je alleen de priemende heldere ogen die zijn vader ook had gehad. Op deze plek voelde je tenminste het leven. Volmaakte rust, geen bemoeienis van Jack, het binnennetwerk, dat de leefomgeving bestuurde en bewaakte.

Er bestond natuurlijk nog een buitennetwerk, ook gemaakt door papa, Joe geheten, en dat diende ter beveiliging van de huisbewoners. Stephen gebruikte die naam zelden of nooit. Jack wist niet van het bestaan van Joe, en dat moest zo blijven. Papa werkte aan een verbinding tussen die twee systemen, maar werd ziek en dus bleef het werk onvoltooid. Sommige valstrikken waren digitaal, holografisch, zoals het haardvuur in de leefkamer, en weer andere waren mechanisch.

Deze schuilplaats zou altijd een mystieke plek voor hem blijven, en al zou Ellen ooit mee willen gaan, dan nog begreep ze vermoedelijk niet waarom dit zo bijzonder was. Papa was immers nooit met zijn zusje hierheen gegaan. Stephen kon er wel een speciale plek van hèm en Ellen van maken. Misschien lukte dit.

Stephen stond pas een kwartier bij het gebroken raam, half achter de muur, en staarde omhoog. In de verte naderde een sneeuwfront, zo’n eindeloos noodweer die het huis op Heuvel 18 liet kermen en zuchten. Nog twee, wellicht drie uurtjes, en dan moest hij weer binnen zijn. Hij liep naar de deuropening, en bleef staan. Hoog boven zijn hoofd ging weer zo’n prachtig toestel, maar het zette koers richting sneeuwfront.

‘Slecht idee jongens.’

Stephen mompelde zijn woorden en grinnikte, omdat hij wist dat ze hem onmogelijk konden horen. Het zou wel mooi wezen als ze eens een tussenstop zouden inlassen en hier beneden rondkeken. Natuurlijk droegen ze van die witte of gele ruimtepakken, zodat hun luchtwegen niet werden blootgesteld aan een dodelijk muterend virus. Oké, wetenschappers of toeristen? Allebei een beetje, meende de jongen, want hoeveel wetenschappers zagen de aarde voor het eerst van zo dichtbij. Ook zo’n opmerking van papa. Vroeg of laat kwamen de mensen terug naar aarde, om eerst uitgebreid te onderzoeken wat er precies was gebeurd. En dat zou met de grootst mogelijke voorzichtigheid gebeuren. Niemand wilde een uitbraak in de Maankolonie. Om diezelfde reden koesterde Stephen nauwelijks de illusie dat ze hier ooit wegkwamen.

Intussen maakte het vliegende schip een zwenkende beweging, draaide honderdtachtig graden en probeerde ditmaal aan de gestaag voortrollende sneeuwstorm te ontkomen.

‘Tja, ik zei het toch.’

Stephen bleef staan, terwijl zijn linkerhand rustte op de deurklink. Het luchtschip maakte slagzij, alsof er problemen waren. De jongen haalde eerst diep adem en opende vervolgens de deur om aan zijn wandeling door de jungle te beginnen. Die deur was nooit op slot, hoefde ook niet, want geen mens haalde levend het huis. In al die jaren was het niemand gelukt. Je moest een ingewijde zijn om zover te komen. Over het worstelende schip maakte Stephen zich geen zorgen meer. Het zou wel goed komen. Eerst maar eens naar huis. Dan konden ze met zijn tweetjes naar de sneeuwstorm kijken. En misschien naar dat vreemd manoeuvrerende toestel.

De deur gleed langzaam in het slot. Stephen hoorde de gebruikelijke ‘klik’. En vrijwel meteen verdween ook het worstelende schip uit zijn gedachten. Er wachtte hem een zware wandeling. Omlaag was nooit zo’n enorme moeite. Als hij terugkeerde naar huis… je weet wel… het was een behoorlijke klim. Geen enkele keer mocht hij zijn concentratie laten verslappen. Jack zei natuurlijk nooit dat hij op diende te passen. Jack wist namelijk nergens van. Binnennetwerk.

Na bijna twee meter deed hij een stap opzij, naar rechts. Rechtdoor lopen was een slecht idee, want je viel met je kont in die bamboestaken. Er lag beneden al iemand. Papa noemde hem wel eens zijn persoonlijke saté. En grinnikte steevast als hij dit had gezegd. Natuurlijk zag een eventuele binnendringer die voetstappen in de sneeuw, maar ’s zomers, wanneer de temperatuur richting dertig graden vloog, lagen de zaken er heel anders voor. Elk jaargetijde vereiste zijn eigen dodelijke val. Papa had veel tijd besteed aan digitale beveiliging die Stephen herkende als eigenaar van het huis. Joe dus. En of Joe op de hoogte was van Ellens bestaan, wist Stephen uiteraard niet. Hij hoopte van wel. ’s Nachts lag hij wel eens in bed, staarde langdurig naar het plafond, en stelde zichzelf dit soort vragen. Het scheen hem een nachtmerrieachtig idee in gezelschap van Ellen hierheen te moeten komen. Zo’n twee meter voorbij die kuil. Daar ergens stond Ivanhoe te wachten wiens zwaard dorstte naar vers warm bloed, zoals hij altijd zei. Talloze ongenodigde bezoekers waren dankzij Ivanhoe niet verder gekomen. Stephen herinnerde zich de ontwerptekeningen heel goed. Papa liet er ooit een paar zien. Eentje toonde een kleurenprent van zo’n middeleeuwse ridder van wie je dacht dat zijn blinkende zwaard nooit zelfs maar een druppeltje bloed had geproefd. Hij legde zijn vinger op die afbeelding.

Dus Ivanhoe werd het. Volgens papa een oeroude televisieridder. In werkelijkheid waren ridders echte slachters, psychopathische moordenaars. Volgens papa dan.

Er zwalkten wel meer van die bewakers rond in het park. Enkele meters verderop – Tussen enkele versteend ogende bomen en struiken lag het onderaardse hol van een draak. Het dier spuwde vuur. Stephen wierp het altijd een handvol snoepjes toe, bont gekleurde zuurtjes die hij speciaal voor dit doel meebracht. Hoofdschuddend passeerde de jongen het drakenhol. Geknars van tanden en brekende snoepjes pijnigden zijn oren. De draak kroop terug in zijn schuilplaats.

Stephen vroeg zich wel eens af hoe die verschijningen precies werkten. Papa was verantwoordelijk geweest voor hun bestaan, had ze allemaal gecreëerd. Mechanisch waren ze in elk geval niet, digitaal… ja, ze hadden een digitale oorsprong, maar bestonden ook ècht. Het zwaard van Ivanhoe kon je levensgevaarlijk verwonden, doden zelfs, en de adem van die draak verkoolde een menselijk lichaam binnen enkele seconden. Verschillende identiteiten, één oorsprong… Joe, het buitennetwerk, gevaarlijk, moordzuchtig, ontworpen voor de veiligheid van een jongen en een meisje. Het was ronduit bizar dat er mensen stierven dankzij een persoon of dier, fabeldier soms, dat eerst alleen op papier bestond. Stephen ontweek behendig detectieogen die de metalen speer activeerde waardoor die ouwe man tien maanden geleden gedood werd. Ergens toch wel een beetje knap; Ivanhoe ontweken, zelfs de draak, maar vond tenslotte zijn einde tegen een boomstam. Zou het pijn hebben gedaan? Of ging het zo vreselijk snel dat je onmiddellijk wegraakte? Mogelijk had papa ook niets gevoeld toen hij in het water terechtkwam. Jack vertelde dat mensen het bewustzijn verliezen in dat ijskoude water. Kon niets gevoeld hebben. Zei Jack tenminste. Ach, en of je hem nou moest geloven.

Lucht betrok in hoog tempo. Wellicht schoof dat grote luchtschip momenteel voor de zon. Je wist maar nooit. Stephen bleef een ogenblik staan. Enkele passen verder en dat halfnaakte wijf zou opdoemen uit een digitale mist. Papa had zich indertijd grandioos vermaakt tijdens die oneindig lange dagen en nachten en buitenissige valstrikken gebouwd die hun werk echter zeer effectief uitvoerden. Stephen wachtte, keek omhoog, en zag een gigantische grauwe slagschaduw verschijnen. Het toestel verloor hoogte. Straks stortte het nog neer. Hij moest opschieten. Zo vaak gebeurde dat niet. Was wel leuk voor Ellen. Je was niet elke dag getuige van een scheepscrash. Warme mist kringelde rond zijn enkels. Stephen deed een stapje opzij. Er kringelde een cynisch glimlachje rond zijn lippen. Dat wijf beschikte over akelig lange hoektanden, een enkele keer droop er een straaltje bloed langs haar kin. In vroeger tijden noemde je zo iemand een vampier.

Hij vroeg zich dikwijls af of ze ook werkelijk bestaan had. Jack zei van niet. Hoe kon papa zo’n monster bedenken? Ivanhoe had werkelijk bestaan. Er hebben ridders geleefd in de Middeleeuwen, en miljoenen jaren terug waren er draken, al noemden moderne mensen zulke beesten dinosauriërs. Opnieuw volgens Jack. Het bleef verwarrend. Mensen bedachten vroeger vreemde dingen. Normaal gesproken zou je toch afstand willen bewaren tot zulke vreemde verschijningen, toch bleef het elke keer opnieuw verbazen hoe mensen zich lieten verleiden. Stephen respecteerde de denkbeeldige lijn iedere keer opnieuw. Papa’s stem galmde tijdens elke wandeling opnieuw in zijn hoofd. Elke valstrik uitleggend. Hoe die gemaakt was. En waarom. Een erg bont gezelschap. Net een driedimensionale encyclopedie van horror.

Hij bereikte het huis, negeerde de uitnodigende poort die je kon gebruiken als je wegging, maar niet wanneer je terugkeerde… De meest dodelijke, best verborgen valstrik van allemaal. Papa was er destijds erg lang mee bezig geweest en Stephen gaf wel eens gereedschappen aan tijdens de bouw. Wanneer iemand het huis binnendrong, activeerde die persoon een guillotine. Een lichaam werd compleet in tweeën gesneden.

Stephen vond het heel normaal die poort te gebruiken bij vertrek en dacht nooit aan de vlijmscherpe valbijl die boven zijn hoofd hing. Ja, de lessen van papa waren zeer goed geweest. De jongen herinnerde zich alles op het juiste ogenblik.

Al die valstrikken moesten hem en zijn zusje een gevoel van veiligheid bezorgen. Het was een zekere waarborg, dat er geen zieke mensen van buitenaf hun domein zouden besmetten. En eigenlijk was het allemaal onzin. Er bestonden geen mensen meer, dus ook geen zieken. Stephen en Ellen waren de laatste levende mensen op aarde. Nou ja, eventjes nog, want zo meteen stortte dat ruimteschip neer op die besneeuwde vlakte bijna twintig kilometer hier vandaan. De traag stromende rivier met zijn hongerige monsters lag er eveneens tussen. Al waren er overlevenden, dan nog zouden ze nooit deze kant van de oever bereiken. Stephen slaagde er niet in te bedenken hoe ze dat voor mekaar moesten krijgen. Maanbewoners, toeristen, onderzoekers, wetenschappers, mensen die verbaasd naar Ivanhoe zouden kijken voordat zijn zwaard een arm of hals afsneed.

“Ellen! Zie je het schip buiten?”

“Ja Stephen, we kijken allang, Jack en ik.”

De jongen ontdeed zich snel van zijn jas, bemerkte voor het eerst dat er een rood gelakte nagel in zijn mouw haakte. Huh, niet eens gemerkt dat hij zo dichtbij was geweest. Stephen staarde verbaasd naar de afgebroken nagel, en propte het tenslotte in zijn broekzak. Hij rolde de kraag van zijn trui weer terug, en nam zijn positie achter Ellen in. Zoals gebruikelijk haalde hij haar haren door de war en legde tenslotte zijn ijskoude vingers plagerig in haar nek.

“Hé… hou op, dat doe je nou altijd. En… bah… je hebt koude handen.”

“Je gaat steeds vaker.”

“Yep, het blijft leuk om te zien waar papa altijd heenging. Op zekere dag gaat Ellen ook mee.”

“Haast je vooral niet.”

Stephen moest er honderd procent zeker van kunnen zijn dat Ellen haar mond zou houden over alles wat ze buiten te zien zou krijgen. Bovendien mocht ze niet zo schrikachtig reageren. Zijn zusje groeide beschermd op, precies zoals papa bedoelde, toen hij al die gevaarlijke valstrikken in de jungle installeerde. Stephen legde zijn handen op haar smalle schouders en keek zwijgend naar het langzaam naderende schip, dat slechts enkele tientallen meters boven de aarde zweefde. Gelukkig zorgde het ijskoude water ervoor dat overlevenden van die crash het huis niet konden bereiken. Oké. Er was hier helemaal geen ijs, bevroren water. Zo meteen stortte dat toestel neer… en de schipbreukelingen zouden eerst geduldig wachten op hulp. Daarna, als de voedselrantsoenen afnamen, gingen die mensen pas op zoek. En uiteindelijk kwamen ze hier terecht. Stephen probeerde het idee uit zijn gedachten te verdrijven. Bevroren water dacht hij huiverend. Een gat in de beveiliging. Hopelijk had papa daar rekening mee gehouden. Ijs. Er verscheen een zorgelijke trek op zijn gezicht.

“Stephen… Kan dat vliegtoestel ook ontploffen?”

“Nee, vroeger gebeurde dat nog wel eens. Tegenwoordig is dat onmogelijk geworden. Als het neerstort, zal er hooguit een hoop schade ontstaan.”

“Gaan er dan mensen dood?”

“Misschien… denk het wel.”

“Moeten we niet helpen?”

“Onmogelijk zusje, de rivier ligt tussen ons en dat schip. Ik heb geen idee hoe we aan de overkant moeten komen. En de monsters houden ons tegen.”

“Die mensen kunnen ook niet hierheen komen?”

“Worden ook tegengehouden ja.”

“En wat gebeurt er met die mensen?”

“Er zal een ander schip komen om ze te redden, denk ik.”

“Als dat niet gebeurt?”

‘Dan gaan ze dood,’ wilde Stephen zeggen, maar zweeg. Verderop raakte het schip de besneeuwde bodem. Hij hoefde zijn zin niet meer uit te spreken. Ellen richtte haar aandacht op het spektakel dat zich recht vooruit ontvouwde. Er was een afstand van bijna vijf kilometer overgebleven. Hopelijk hadden ze een goede bescherming tegen de kou meegenomen… Misschien was er een pak voor iedere opvarende aanwezig. In het andere geval overleefden die mensen de kou amper een halve dag. Sneeuwwolken stoven omhoog en hulden het schip deels in een wolk. Donderend geraas en gekraak drongen vaag echoënd door tot de oren van Stephen en Ellen. Jack bleef stoïcijns naar de crash kijken, verblikte of verbloosde niet. Hoe kon iemand zoiets overleven? Het schip drong door tot diep in de aarde, restanten van verlaten gebouwen werden opzij gedrongen. Stephen bedacht dat ze vandaag veel geluk hadden gehad. Dat toestel had evengoed bovenop hun huis kunnen vallen.

‘Godskolere.’

‘Twee, misschien drie kilometer.’ Het ruimtetoestel lag eindelijk stil te midden van een geweldige hoeveelheid half gesmolten sneeuw, staal en beton. Normaal moest je die afstand makkelijk kunnen lopen. En eventuele overlevenden zouden het beslist proberen. Om vervolgens op die rivier met zijn monsters te stuiten. Misschien bleven ze wel bij het schip hopend op redding, die mogelijk kwam, maar dat hing af van politieke besluitvormers daarboven. Was het gebruikelijk om schipbreukelingen op te halen van aarde waar een dodelijke ziekte de complete bevolking had uitgeroeid? Stephen durfde er geen weddenschap over af te sluiten. Hij zou het spoedig merken. En anders zouden de overlevenden vrij snel ten prooi vallen aan diezelfde ziekte waar al die andere mensen aan waren doodgegaan. Hoe dan ook, binnenkort zou dit incident slechts een herinnering zijn, keurig afgedekt door een dikke laag sneeuw. En die sneeuw ging binnen een half uur vallen. Die overlevenden moesten zich straks naar buiten graven. Er lag een grimmige trek rond zijn mond. “Vervelend,” zei hij. “Kom zusje. We hebben nog wat schoolwerk te doen. Nietwaar jack?”

“Zeker.”

Stephen deed zijn best om het ongeluk te vergeten. Zijn leven ging verder. Hetzelfde leven dat hij gisteren leidde, en eergisteren, en dat altijd hetzelfde zou zijn. En Jack bleef dezelfde. En het huis. Ellen en hij werden ouder totdat Jack als enige overbleef. Soms gebeurde er iets opwindends. Zoals het gecrashte toestel. Stephen wist heel zeker dat hij erheen zou gaan als het mogelijk was geweest. De rivier hield niet alleen de overlevenden tegen. Tenzij het water een kilometer stroomopwaarts koud genoeg was om te bevriezen. IJs. Hij moest zijn voornaamste taak onthouden. Zijn zusje. Ellen. En hij hoorde het meisje te beschermen tegen het kwaad. Ja, Stephen was helemaal vergeten dat water hoorde te bevriezen.

Bij temperaturen onder nul graden Celsius hoorde water te bevriezen. De rivier zou moeten bevriezen, maar dat gebeurde niet. Er kwam ergens warmte vandaan, zoveel had Stephen zelf ook al bedacht. Mogelijk dezelfde kracht die het huis voorzag van warmte en stroom. Alle verschijningen in de jungle hadden hun bestaan te danken aan diezelfde mystieke krachtcentrale. Stephen legde zijn boek open. Langzaam bladerde hij verder naar de juiste bladzijde. Jack zou alles moeten kunnen vertellen over de herkomst van energie in en rond het huis. Bijna drie maanden terug stelde Stephen hem de vraag die papa altijd weigerde te beantwoorden. Natuurlijk probeerde hij het herhaaldelijk, maar doorgaans volgde er slechts een humeurige grom. En jack wist niets. Zei niets. Mogelijk had papa hem zo geprogrammeerd, alleen snapte Stephen weinig van de geheimzinnigheid waarmee het werd omgeven. Hij moest immers op de hoogte zijn van alle relevante informatie over het huis. Het was immers zijn huis. En dat van Ellen natuurlijk, maar die was nog erg jong.

’s Avonds, het liefst wanneer Ellen sliep en Jack zich in zijn privé-vertrekken terugtrok, zocht hij naar de verborgen geschiedenis van het huis. Ergens moest die kennis bewaard zijn, bijvoorbeeld in papa’s voormalige werkkamer. Daar waren enkele tekeningen en krabbels achtergebleven. Hij vond gedetailleerde studies over hologrammen, de driedimensionale verschijningen die ‘zijn kinderen moesten beschermen’. Boven de werktafel van papa hing een flauw opgloeiend lampje, want papa was zelf erg zuinig met verlichting. Bovendien stond de verwarming in tegenstelling tot het overige deel van hun huis erg laag, nauwelijks twintig graden. Zijn zoektocht moest voorzien in een behoefte die echter nooit werd bevredigd. Het leek wel of papa eerst al zijn sporen had uitgewist, en daarna een einde aan zijn leven had gemaakt.

Natuurlijk dacht hij vaak aan papa’s afscheidsbrief, die alles verklarende laatste boodschap in zijn bureaula. Hij zocht en vond helemaal niets. Stephen vroeg Jack of hij soms wist waar de brief was gebleven. Jack antwoordde nergens van te weten. Als die brief inderdaad was geschreven door zijn vader, moest hij nog steeds in het bureau liggen. Een heel simpele redenering. De jongen kende Jack goed genoeg om te weten dat er vandaag geen waarheden werden ontfutseld aan de efficiënt functionerende huisrobot. Het was erg frustrerend. Er verdween informatie. Brieven. Nou ja, één brief. Wel een heel belangrijke, die van een stervende vader aan zijn kinderen.

“Stephen, je moet je schoolwerk doen,” zei Ellen, die eventjes omhoog keek, nadat ze langdurig met haar neus over haar tablet had geleund.

“Ja… ja,” zei hij.

Buiten vielen de eerste sneeuwvlokken, langzaam dwarrelend, wisten kennelijk niet zo goed waar ze neer wilden komen. Hij glimlachte. Van schoolwerk kwam vanmiddag weinig meer terecht. Zo meteen ontstond er een ondoordringbaar wit sneeuwgordijn. Kilometers verderop waren er zwoegende overlevenden, mensen vochten wanhopig voor hun leven. Mannen en vrouwen probeerden uit alle macht computersystemen terug online te krijgen, zodat ze de barre koude konden doorstaan. Hij zag het heel helder op zijn netvlies. De chaos. Doden. Er waren ongetwijfeld doden gevallen, maar ook gewonden. En natuurlijk de geluksvogels die altijd de dans ontsprongen. Zulke figuren had je in elke groep. De storm zou enkele dagen duren. Wanneer de situatie onder controle was, volgde het lange wachten op een reddingsoperatie. Die er mogelijk nooit kwam. Vanwege de koorts. Stephen knikte langzaam als erkenning dat het erg logisch klonk.

En diezelfde overlevenden in dat toestel zagen uiteraard de warme uitnodigende verlichting van het huis. Dat kon moeilijk anders. Vanuit die stalen graftombe hielden ze onmiskenbaar de omgeving in de gaten. Hij zuchtte diep. Ellen legde haar pen neer en staarde lange tijd zwijgend naar Stephen. Alsof ze iets wilde vragen, maar niet goed durfde of wist hoe ze haar vraag moest formuleren. “Ik zou televisie wel leuk vinden.”

Stephen keek verstrooid naar Ellen. “Wat zei je?”

“Televisie. Leuk.”

“Hebben we toch al.”

“Nee, echte televisie bedoel ik. Net als in die oude verhalen.”

“Er is geen televisie meer.”

“Op de Maan hebben ze dat wel.”

“En hier hebben we dat niet.”

“Jammer.”

“Ja… inderdaad.”

Opnieuw viel er een stilte, maar de pen bleef nog altijd onaangeroerd op tafel liggen. Ellen staarde nog steeds naar Stephen. “Denk je dat we ooit op de Maan komen?”

“Daar is weinig kans op.”

“Vanwege de koorts?”

Stephen knikte bevestigend. “Gesteld dat ze daarboven weten dat er nog gezonde mensen zijn hier.”

“We zijn toch dra-gers.”

“Inderdaad… zo heet het… als je wel de koorts hebt, maar er niet ziek van wordt.”

“Als je ziek wordt hè… Verander je dan altijd in een monster?”

“Mm… ja.”

“Heb je dat wel eens zien gebeuren? Ik bedoel… Met eigen ogen?”

“Nee, dat niet. Papa vertelde er altijd verhalen over.”

“O… oké.”

Hij deed zijn uiterste best niet geïrriteerd te lijken. Ellen mocht alles zeggen en vragen. Vandaag tenminste. Hij was niet altijd zo geduldig. Stephen kon erg kortaf reageren. Net als papa.

“Zou je op de Maan willen wonen?”

“Natuurlijk. Al zou ik er aan moeten wennen. Al die mensen.”

“Ja, dat is wel een beetje raar dan hè.”

De sneeuwstorm duurde bijna drie volle dagen. Zoals gewoonlijk. ’s Middags werd het donker en dat bleef het ook tot de lucht eindelijk opklaarde. Dit gebeurde ’s ochtends, rond negen uur, toen Stephen en Ellen nog aan de ontbijttafel zaten. Jack was met de afwas bezig. Er werd niet gesproken.

Straks ging Stephen iets doen wat hij nooit eerder had gedaan. IJs zoeken. Ergens moest er een plek zijn waar je de rivier kon oversteken. En mogelijk hoefde hij lang zo ver niet te gaan. Het was een verplichting tegenover zichzelf en zijn zusje. Jack kon het allemaal niets schelen. Een robot had nu eenmaal geen emoties. De crash veranderde hun beider leven meer dan je zo op het eerste gezicht zou denken. Na de eerste ogenblikken waarin chaos overheerste in dat neergestorte toestel, moesten die mensen de zaken redelijk onder controle hebben. Er waren drie dagen gepasseerd. Ze hadden gekeken – natuurlijk hadden ze gekeken, en het was opgevallen dat er echte werkende verlichting aanwezig was in dat huis op die heuvel. Bovendien bleef er verdraaid weinig sneeuw liggen op dat dak, dus werd het huis verwarmd. Stephen moest onderzoeken. Het was een kwestie van tijd voordat die mensen hierheen kwamen. Ook al waren er talrijke valstrikken in de jungle aanwezig die het sterftepercentage in hun geledingen zouden opschroeven. Hoeveel mensenlevens wilden die mensen opofferen? Geen idee. Stephen zou het snel genoeg ontdekken.

“Wees je voorzichtig?”

“Altijd. Je kent me toch, Jack.”

“Ik heb het idee dat je het gevaar erg slecht inschat.”

“Wat kan me nou gebeuren?”

“Meer dan je denkt. Ook al zijn jullie tweeën immuun voor de koorts. Er blijven voldoende gevaren over in deze wereld,” zei Jack. “En voor het geval je iets geheim probeert te houden, raad ik je eveneens aan geen afgebroken vingernagels in je broekzak achter te laten. Vooral niet als ze rood gelakt zijn.” Hij haalde verontschuldigend zijn schouders op. “Een huisvrouwenkwaal. Ik controleer altijd broekzakken op inhoud voordat ik een broek in de wasmachine gooi.”

Helemaal vergeten. Stephen had die vingernagel afkomstig van de vampiervrouw weg moeten gooien. Niet gedaan. Stom. Zou nooit meer gebeuren. “Ik ken de wereld beter dan je denkt, Jack.”

“Het is geen echte mensachtige vingernagel, vreemd genoeg. Ik herken er een bekende programmatuur in. Die van je vader en mijnheer Harold had helaas ook zo zijn geheimen.”

Stephen zweeg en bleef Jack strak aankijken, knipperde zelfs niet één keer met zijn ogen.

“Het enige wat ik je wilde vertellen… voordat je zo akelig begon te reageren, beste jongen, is dat je voorzichtig moet zijn. Je hebt zo je verplichtingen tegenover je zusje. Mocht er wat met jou gebeuren, dan is ze helemaal alleen.”

“Ik moet weten of die mensen in dat wrak hierheen kunnen komen.”

“Dat lijkt me volstrekt reëel,” zei Jack.

“Dan zijn we het eens.”

“En doe toch maar voorzichtig.”

Af en toe verdacht hij Jack ervan echte gevoelens te hebben. Uiteindelijk lag er altijd een volstrekt logische redenering aan ten grondslag, dus geen emotie, maar keihard logica. Geen ware betrokkenheid, maar een simpele rekensom. Stephen moest voorzichtig zijn, anders bleef Ellen alleen achter. Ja, dit had hij zelf ook allang bedacht. ’s Nachts. Als hij weer eens naar dat vervloekte plafond lag te staren. Vandaag nam Stephen papa’s geweer mee. Er volgde een expeditie. Hij ging ergens heen waar hij nooit eerder was geweest. Vandaag bracht zijn zwerftocht hem op het ijs, of in elk geval in de nabijheid van ijs. Het lag nauwelijks voor de hand om direct al op dat ijs te gaan staan. Hij controleerde het wapen, en veronderstelde dat er voldoende patronen waren. Negenentwintig stuks. Al jarenlang dezelfde negenentwintig patronen. De planeet aarde bood al lange tijd een verlaten aanblik. Er waren geen mensen meer. Alleen monsters die ooit mensen waren geweest. En computergestuurde verschijningen, keiharde energie, gebundelde materie, digitale restanten van een verdwenen beschaving. Mocht je spreken van een nieuwe levensvorm? Door papa geschapen. Hij trok de ritssluiting omhoog, verborg zijn hoofd onder de capuchon en verliet het huis. Eerst die aangebouwde ontvangsthal, gevolgd door een poort, de verborgen guillotine. Vandaag volgde er geen ontmoeting met die vampiervrouw. Hij ging rechtsaf. En dan slingerend omlaag langs een bonte verscheidenheid aan digitale geestverschijningen. Jack kwam mogelijk het dichtst in de buurt van een zelfstandig functionerende levensvorm. Die andere dingen waren weinig meer dan stukjes energie, want het zwaard van Ivanhoe was in werkelijkheid geen zwaard, maar energie. Wel vormvaste energie. Die afgebroken nagel van de vampiervrouw had zijn oorspronkelijke vorm behouden. Zouden ze nieuwe vaardigheden kunnen bijleren? Zoals de gevoelens van Jack. Het was een interessant idee. En tegelijkertijd een heel griezelige.

Zodra Stephen buitenkwam, en die bekende klik achter zich hoorde, begreep hij een belangrijke denkfout te hebben gemaakt. Veel te optimistisch. Wat had hij nou eigenlijk gedacht? Na een bijna drie dagen durende sneeuwstorm! Er lag zoveel sneeuw, dat het onmogelijk was ergens heen te gaan. Er waren hulpmiddelen nodig, zoals je in oude films wel eens zag, sneeuwscooters en dat soort dingen. Ski’s. Hij bleef enkele ogenblikken stilstaan. Ja, papa had met veel rekening gehouden behalve de barre winterse omstandigheden. Weifelend keek hij over zijn schouder. Binnen stond Ellen. Bij het raam. Stephen lachte en zwaaide. Godzijdank was Heuvel 18 redelijk begaanbaar. Er bleef weinig sneeuw liggen, omdat het erg lang duurde voordat de grond koud genoeg werd. Het vormde één van die onverklaarbare wonderen die deze heuveltop kenmerkte. In de winter lag er altijd wel sneeuw, maar nooit zoveel. Hij ging verder. Zelfs zijn enkels verdwenen deze keer in de kleverige brei. Alsof er ergens daarbeneden een kacheltje ging branden bij bepaalde temperaturen, zo’n koudesensor die aangaf als er sneeuw viel. Zou zoiets bestaan? Stephen glimlachte.

Papa had een perfect kasteel gebouwd voor hem en zijn zusje. Overal had hij aan gedacht. Zijn digitale verdedigers mochten niet verdwijnen onder een dikke laag sneeuw. Tegelijkertijd waakte hij ervoor dat er helemaal niets op de bodem lag. Het was een bizar idee. Of er was echt weinig gevallen. Enkele meters verderop kwam hij het eerste gevaar tegen, links, net voorbij de bocht. Stephen bleef behoedzaam rechts lopen… zover mogelijk bij dat beest met zijn stinkende kwijlende bek vandaan. Een hond. Of eigenlijk een monster. Ellen zou absoluut de zenuwen krijgen van dat smerige beest. Diens gele tanden, en stinkende bek, terwijl gekleurd slijm langs zijn tanden en onderlip droop. Oké. Hij voelde zich zelf ook nooit zo’n grote held in de nabijheid van dat mormel.

Stalen kettingen rammelden. Eerst heel zachtjes. Kennelijk duurde het even voordat de nabijheid van een menselijk wezen tot het beest doordrong. Daarna volgde er een woeste ruk. De ketting oogde als een strak gespannen veer. Het dier kwam grommend – en woest happend uit de bruinige mist tevoorschijn. Stephen richtte zijn wapen en dreigde hooguit. Het gaf schijnrust. Je richtte niets uit tegen zo’n monster. Zelfs een halfautomatisch wapen gaf geen zekerheid. Het beest had een spierwitte vacht, bloedrode vochtige ogen, maar alleen ’s winters. Wanneer de sneeuw verdween, veranderde de kleur van zijn vacht en werd lichtbruin. Op Heuvel 18 verdween de sneeuw. Buiten de omheining vaak niet. Er golden andere regels voor de bewoners van het huis en de jungle. Stephen liet het beest enige tijd wild aan zijn ketting rukken. Soms probeerde hij zich voor te stellen wat er zou gebeuren als die ketting brak. Onzin natuurlijk. Papa had die ketting sterk genoeg gemaakt. Er was nog nooit iemand in de kaken van dat beest terechtgekomen. En eigenlijk wilde hij het ook niet zeker weten. Net als de gevoelens van Jack, of die van zijn tweelingbroer Joe, het buitennetwerk. Er speelde een vage herinnering in Stephens hoofd. Het beest had oorspronkelijk een bruine vacht, dus ook als er sneeuw lag. ’s Nachts in bed, als hij weer eens naar dat plafond staarde, dacht hij hier over na. De jongen probeerde zich gerust te stellen. Alleen dan viel hij rustig in slaap. Het hoorde gewoon zo. En die valstrikken waren bedoeld om indringers buiten te houden. Ze oogden allemaal curieus, trokken onmiskenbaar de aandacht en sloegen vervolgens meedogenloos toe. Ivanhoe volgde een vast patroon, net als de vampiervrouw, die alleen verscheen als het betrekkelijk donker was, zoals enkele dagen terug voorafgaand aan die sneeuwstorm. En die draak kende geen enkele voorkeur en verkoolde alles en iedereen. Zijn lijfwachten waren beslist levensgevaarlijk.

Voor buitenstaanders waren ze gevaarlijk… oké, voor ingewijden net zo goed. Je moest voorzichtig zijn, nooit ondoordacht passeren, of dichterbij komen dan je normaal gesproken deed. Drie dagen terug kwam hij thuis met een rood gelakte nagel in zijn mouw. Erg vreemd. Hij was niet eens zo dichtbij geweest. Dus meestal gedroegen ze zich voorspelbaar. Niet altijd.

Stephen voelde de laatste tijd een toenemende behoefte met iemand anders over al deze kwesties te kunnen praten. Ellen was natuurlijk veel te jong. Ze begreep de helft niet eens van alle onderwerpen die zelfs Jack en hijzelf bespraken. Broer en zus scheelden bijna tien jaar. Het meisje was echt een nakomertje geweest en hij meende zelfs een ongelukje. Voor moeder een fataal ongelukje. Jack mocht niets weten van het buitennetwerk, maar had inmiddels een duidelijke aanwijzing gevonden dat er zoiets bestond. Natuurlijk was het belangrijk dat het huis verdedigd werd tegen indringers, maar dit was toch wel absurd. Of geloofde papa niet dat iemand buiten wilde komen? Weggaan was net zo riskant als binnenkomen. Er kwam werkelijk een dag waarop Ivanhoe dat blinkende zwaard dwars door zijn borstbeen stootte, of dat de vampiervrouw met haar messcherpe tanden zijn halsslagader in stukken scheurde.

Hij volgde het pad omlaag. Via deze kant ging het veel sneller naar beneden. De andere route was prettiger, ondanks alle valstrikken inclusief de meest dodelijke van allemaal, die stalen speer. Mogelijk kwam hij Maanschaduw tegen, een onverstaanbare lispelende figuur die meestal in het maanlicht zijn sikkel door de lucht liet zweven en met plezier binnendringers vermoordde. Hij was een van de niet-plaatsgebonden lijfwachten. Ja, absurd… bizar, maar wel Stephens thuis. Zijn hele wereld bestond uit een warm, veilig huis en daar omheen een buitenissige verzameling lijfwachten, wezens die het onderscheid niet wisten tussen vriend en vijand.

Stephen voelde zich een ontdekkingsreiziger. Zo’n onbezonnen dappere figuur uit oude boeken die met gevaar voor eigen leven de grenzen van het bestaan opzocht. Onbekende gebieden. Vreemde volkeren. Grote triomfen, maar ook treurige nederlagen, mannen die omkwamen in woestenijen van ijs of zand of water. Stephen ging vandaag voorbij de grenzen van het paleis dat aan hem en Ellen was achtergelaten. Het krot buiten, net voorbij die omheining, waar ook die ouwe man een tijdje had verbleven, beschouwde hij als een voorpost. Uitvalsbasis. En de muur vormde een prachtig kraaiennest, uitkijkpost of hoe zo’n ding op oude schepen ook mocht hebben geheten.

De ketting kon helemaal niet breken, want er was geen ketting.

Stephen ging verder. Het beest verdween in de mist. Al die dingen leefden dankzij een gegarandeerde onveranderlijkheid. Ze waren altijd hetzelfde. Over honderd jaar sprong dat smerige stinkende dier nog steeds net als vandaag uit die plotseling opdoemende bruine mist. En wellicht vormde de mist nou juist de enige waarschuwing dat er een vreselijke dreiging aanstaande was. Het maakte weinig verschil. Als je te dichtbij kwam, was je altijd te laat. Zou dat monster ook vastgeketend zijn wanneer er een indringer langsliep? Papa heeft alles gemaakt in de wetenschap dat Stephen en Ellen tussen deze verschijningen moesten leven. Die stonden in dienst van twee menselijke bewoners. Lijfwachten dus. Hij durfde het niet uit te proberen. Toch bleef het een interessant idee. Hij zou een mogelijkheid moeten bedenken om die vraag aan Jack te stellen. Zinloos. Waarschijnlijk gaf Jack het geijkte antwoord, namelijk over zijn software en dat hij geen handelingen buiten de gewone programmatuur om kon verrichten. En daarmee gaf hij uitsluitsel over die wezens buiten in de jungle. Stephen bukte. Er hingen versteende wit gekleurde takken over het pad. Heel voorzichtig… Niet wegglijden…

Een eindje verderop scharrelde Maanschaduw rusteloos tussen bomen en struiken. Hij was er elke dag, maar alleen als de opkomende zon te weinig licht over die versteende ijssculptuur heen kon tillen. Een nachtwezen. Net als de vampiervrouw. Over zijn knokige schouders hing een donkerbruine bijna zwarte jas die tot zijn enkels reikte. Maanschaduw vertelde continu volkomen onverstaanbare verhalen. Stephen probeerde wel eens te luisteren en bleef staan. Geconcentreerd, maar tevergeefs.

Maanschaduw vormde misschien wel zijn allergrootste dreiging, omdat hij niet gebonden aan een vaste locatie mocht ronddwalen over het terrein. Je kon hem overal tegenkomen. Hij gebruikte zijn gitzwarte zeis ter ondersteuning, zodat je continu wel ergens een zachte TIK hoorde. Stephen wist dat Maanschaduw zich in zijn nabijheid bevond. Papa waarschuwde altijd voor hem. Overdag had je natuurlijk betrekkelijk weinig te duchten, maar ’s nachts jaagde hij op indringers en het maakte Maanschaduw weinig uit waar ze vandaan kwamen. De allergrootste dreiging bestond uit zijn voorkomen, zijn onophoudelijke onverstaanbare gebabbel. Je was geneigd te blijven luisteren, zodat hij langzaam naderde en tenslotte meedogenloos uithaalde met die vlijmscherpe zeis. Net zo dodelijk als het zwaard van Ivanhoe, of de nagels en tanden van vampiervrouw. Stephen begreep niet goed waarom papa hem zo gemaakt had, het voegde een vreselijk onvoorspelbaar element toe aan de jungle. Vermoeide zonnestralen klommen langzaam naar een hoger punt in het zenit, moeizaam over die ijssculpturen heen. Maanschaduw verdween in het licht, maar je hoorde nog steeds die TIK een eindje verderop. Stephen liet hem achter tussen zijn bevroren bomen en struiken, een ijzig wit roerloos tableau. Hij wilde naar het kraaiennest en daar had je een volmaakt zicht op het Veld der Geesten. Misschien zag hij het gecrashte schip liggen, grote stukken verwrongen metaal of alleen heel veel sneeuw.

Je kwam niet zomaar bij die muur. Papa bereidde altijd een allerlaatste verrassing voordat je in veiligheid was. Langs de muur strekte zich een onschuldig ogend vennetje uit, bijna tien vierkante meter, maar behoorlijk diep. In zijn nachtmerries verschenen er wel eens monsters waar je normaal gesproken het half overdekte terras voor moest betreden, omdat je anders geen behoorlijk zicht had op de rivier. Soms leek er een onaardse verbinding te bestaan. Dat was natuurlijk onzinnig. Stephen beschikte over een goed ontwikkeld evenwichtsgevoel, omdat er vijf grote platte keien in het water dreven. Nou ja, water… Hij noemde het water, omdat er geen andere uitdrukking voor bestond… en anders zou Stephen dat spul gelei moeten noemen. Er leefden geen echte wezens in het vennetje… Poel des Levens… want het spul leefde en als je ook maar het minste druppeltje in beroering bracht, was je leven in gevaar. Hij hoefde slechts tweeënhalve meter te overbruggen, en het toverwoord luidde ‘kalmte’. De Poel des Levens weerhield hem ervan hier vaker te komen. Vandaag eiste zijn missie een oversteek, omdat er een geïmproviseerd trappetje was neergelegd. Papa kende misschien een heel andere route, had echter verzuimd Stephen in te lichten. Geheimen. Jack merkte het daarstraks terecht op.

De zon verdween achter een wolk en Maanschaduw stond amper tien meter verderop. Hij babbelde, onverstaanbaar, zoals altijd. Stephen greep zijn halfautomatisch wapen steviger vast, concentreerde zich en zette de eerste stap. De steen wiegde een beetje. Er gebeurde niets. Het oppervlak bleef rimpelloos, net een spiegel, maar Stephen ontweek zijn eigen reflectie. Kijken was verboden. Papa waarschuwde hem meer dan eensmen beval Stephen feitelijk rechtstreeks, nooit ofte nimmer in deze uithoek van de jungle te komen. Hij vroeg zich af waarom papa de naam “Poel des Levens’ aan deze schijnbaar onschuldige valstrik had toegekend.

Hij concentreerde zich wederom op de oversteek, en verdreef vaders waarschuwing uit zijn gedachten. Hij hoorde een treiterige TIK, harder dan normaal, maar volhardde en zette zijn voeten op de tweede steen, die een beetje lusteloos heen en weer wiegde. Er gebeurde verder niets. TIK. Opnieuw die irritante verschijning. Maanschaduw volgde zijn verrichtingen met meer dan gemiddelde interesse. Net zo abnormaal als de witte vacht van het beest. Stephen wist zeker dat diens oorspronkelijke kleur bruin was geweest. De capuchon verhinderde een snelle blik over zijn linkerschouder. Hij haalde diep adem en liep snel maar gefocust verder… steen nummer drie, vier èn vijf in relatief hoog tempo… Het draaide inderdaad om evenwicht. Niets anders. Die laatste steen schommelde meer dan de andere vier. Kon ook bijna moeilijk anders. Stephen besloot direct tot een sprongetje naar de bevroren bodem. Veilig. Hij draaide zich om. Maanschaduw moest er nog altijd zijn. Stephen wilde hem triomfantelijk in de ogen kijken, uitdagend.

‘Volg mij dan… hierheen… als je kunt.’

Je moest geen gesprekken aangaan met digitale geestverschijningen in papa’s jungle. Zinloos. Maanschaduw schoof het lange dunne grijze haar opzij, maar het viel direct weer terug. Er lag een akelig heldere glans in zijn ogen, eentje die Stephen nooit eerder had waargenomen. Een lange magere vinger wees naar zijn eigen borstkas. “Maanschaduw.” Vervolgens strekte hij zijn lange licht trillende arm. Ondanks de grote afstand voelde Stephen een dreigende toenadering. “Zonnewind.” Voor het eerst verstond hij wat Maanschaduw zei. Dus zijn onverstaanbaarheid was inderdaad gewoon een trucje. Maanschaduw stelde een zekere gemeenschappelijkheid vast. Allebei zwierven ze regelmatig rond in dit park. Stephen voelde een tot neerslachtigheid stemmende herkenning opkomen.

Hij lachte niet meer. Staarde langdurig naar Maanschaduw, terwijl er een beklemmend idee hem bijna letterlijk de adem benam. Was dit dan zijn toekomst? En dat van Ellen? Een rondslenterende schim, die in de schaduw van Zon en Maan zijn werk verrichtte. Om nog vele tientallen jaren in deze parkjungle te lopen, voorzichtig sluipen, en Ellen zou niet durven en sloeg elke keer angstig gade. Jack onttrok zich als gebruikelijk aan dit gedeelte van hun dagelijks leven en onderhield hun geheimzinnige energiebron. Zijn zusje zou altijd één van die vijf verrekijkers gebruiken, zorgvuldig op een statief geplaatst en gericht op een specifiek doel… De Maan… het Veld der Geesten… Het vervallen huis net buiten de omheining… Het territorium waar Maanschaduw zich doorgaans ophield… De vampiervrouw… De verrekijkers waren ook papa’s werk en misschien was mama het wel geweest, omdat ze urenlang verlangend omhoog keek naar de onbereikbare Maan en dat prachtige eeuwig veranderende kleurrijke mozaïek bestudeerde.

Stephen vroeg zich af of papa dit wel zo leuk heeft gevonden. Je moest je immers met het hier en nu bezighouden. Geen onbereikbare verlangens. Die moest je onderdrukken. Toch begreep hij mama wel. De koorts zou hij nooit kunnen krijgen. Stephen en Ellen waren slechts dragers. Ze konden andere mensen besmetten. Dat wel. Het betekende tevens dat Stephen inderdaad de komende zestig jaar dagelijks op dit terrein zou rondzwerven – net als Maanschaduw. Stephen had een echte bijnaam gekregen… Zonnewind. Het woord droeg een betekenis met zich mee. Ze zouden elkaar tegenkomen. Dagelijks. En Stephen werd ouder. In tegenstelling tot Maanschaduw. Dat was zijn boodschap geweest. “Zonnewind, alles blijft altijd hetzelfde.” Stephen beklom heel zorgvuldig de trap die uit los op elkaar gestapelde keien bestond. Toch leek het eindresultaat erg stabiel. Bovenop die winderige muur nam Stephen zijn belangrijkste beslissing ooit.

Stephen schopte eerst restjes smeltend sneeuw opzij. En daarna nam hij het besluit, al had Stephen geen idee hoe hij zijn voornemen moest uitvoeren of wat de reactie van Ellen zou gaan worden. Hij zou -hoe dan ook- niet oud worden binnen de veilige muren van papa’s huis op heuvel 18. Zijn voornemen behelsde tevens een grote onzekerheid. Waar moest je heengaan op deze aarde zonder menselijke bewoners? Hij glimlachte heel eventjes, al was het een plichtmatige glimlach. Hijzelf leefde natuurlijk nog, en Ellen uiteraard. Dus mocht je verwachten dat er meer moest zijn. Steden wellicht. Niet meer zo groot als vroeger. Maar toch. Het werd tijd om uit papa’s schaduw te stappen en een nieuwe gedurfde onderneming te beginnen. Een wereld te ontdekken.

Stephen keek omlaag. De rivier verwijderde zich van het huis en verdween enkele tientallen meters verderop onder het ijs dat er bijna altijd moest liggen. Het weidse uitzicht verdreef zijn neerslachtige stemming een beetje. Ver weg in het zuiden hing een krachteloze zon boven de vlakte. Er waren hoogteverschillen. Een milde bries betastte zijn gezicht. Stephen trok de ritssluiting omlaag, en schoof zijn capuchon terug. Die verschillen in hoogte werden onder andere veroorzaakt door stedelijke ruïnes, enkele maanden terug verdwenen onder dikke lagen sneeuw. Tijdens de zomer smolt die sneeuw nooit meer helemaal. Er bleef altijd wel iets achter. Hij staarde nadenkend omlaag en overwoog zijn kansen als hij naar beneden sprong. Drie meter hoog. Er lag een dikke laag sneeuw, bijna anderhalve meter tegen de muur. Vijf meter lopen en je stond aan de rivieroever. Onbegonnen werk. Hij kwam nooit door die dikke laag sneeuw heen. Het was te vroeg. Hij moest enkele weken wachten. Stephen zuchtte diep. Eigenlijk wilde hij omlaag springen, de wereld gewapenderhand ontdekken.

Hij vergat zijn impuls. Richtte zich op een terugkeer naar huis. Met een beetje geduld en nog meer voorzichtigheid moest je over die muur kunnen lopen en dat krot bereiken. Uiteraard was de ondergrond erg glad, maar zijn schoenen waren voor dit terrein gemaakt. Er kon niets gebeuren. Hoogstens een val in anderhalf meter diep sneeuw. Dat overleefde je wel. Zolang hij naar de juiste richting zou neervallen, mocht dat gebeuren, want je wist nooit welke dodelijke valstrik je activeerde. Gelukkig hielp die bijzondere klimatologische omstandigheid rond Heuvel 18 bij zulke expedities. Zelfs op de vijftig centimeter brede muur bleef haast geen sneeuw liggen. Stephen verwonderde zich er wel eens over dat papa zo’n grote dikke muur heeft gebouwd – en misschien stond die muur er al toen hij er jaren terug kwam wonen. Gewoon gebruikmakend van bepaalde omstandigheden, een ontvolkte aarde, en je kon je keuze laten vallen op elk willekeurig gebouw dat aan je voorwaarden voldeed. Zo moest het ongeveer zijn gegaan, bedacht Stephen. Papa en mama hadden domweg een gebouw in bezit genomen. Het stond er al. Net als deze muur waarop Stephen momenteel liep. Ideale omstandigheden. Passend bij een vooruitziende blik. En niet iedereen was een dergelijke gave gegund. Zoals papa. Die dacht altijd enkele stappen verder dan alle andere mensen. Niet ver genoeg blijkbaar. Anders woonden Ellen en hijzelf momenteel op de Maan, of Mars. Stephen keek opzij. Op de andere rivieroever, langs een steile half vermolmde beschoeiing, had iemand een knalgeel bord neergezet met slordig geschilderde rode letters…

HIER BEGIND HET KONINGKREIK VAN DE KAKKURLAKKEN

Stephen moest zijn verrekijker tevoorschijn halen, omdat hij aanvankelijk niet eens geloofde wat er stond. Er had een enorme hoeveelheid sneeuw gelegen, maar die was over de beschoeiing heen gezakt en lag inmiddels op het ijs.

Talloze verfdruipers bemoeilijkten de leesbaarheid. Stephen plaatste zijn voeten verder uit elkaar, stond wat steviger en nam ruimschoots de tijd om die tekst goed tot zich door te laten dringen. Er zaten spelfouten in die regel, maar het belangrijkste was dat er niet ver hier vandaan een gemeenschap moest bestaan. Met echte levende mensen. Die net zo min als Ellen en hijzelf welkom waren in de buitenaardse koloniën… Heel even dacht hij terug aan dat spannende ogenblik tien maanden geleden, toen die oude man tegen de boomstam werd gespietst. Zou het zo vreemd zijn om te denken dat hij afkomstig was uit het dorp… de stad… Hoe je tegenwoordig zoiets ook moest omschrijven. Geen idee eigenlijk. Stephen liet de verrekijker zakken. Hij staarde peinzend om zich heen.

Eerst links. Waar schijnbaar levenloze bomen en dicht struikgewas roerloos wachtte… een schitterende zilveren verleiding, bloeddorstig loerend naar argeloze voorbijgangers. Rechts wachtte een uitgestrekte lege wereld, maar niet zo vreselijk leeg als hij tot nu toe meende. Er waren mensen. Jack zou er ongetwijfeld een scherpe analyse op loslaten. Stephen glimlachte. Je moest er toch ooit eens gaan kijken… stiekem… heel voorzichtig, omdat je voorbereid moest zijn op vijandige reacties. Papa vertelde daar dikwijls verhalen over. Mensen zochten elkaars gezelschap, omdat mensen nu eenmaal kuddedieren waren. In een gemeenschap was je sterk. Vroeg of laat deed iemand een stap naar voren en liet zichzelf chef noemen. Ooit – En dat gebeurde altijd, want mensen konden niet anders, en vaak werd zo’n man tot leider benoemd, of koning van de kakkerlakken. Met of zonder spelfouten. Stephen keek opnieuw door zijn verrekijker. Het bord oogde erg vers… nieuw en als hij deze route niet had genomen vanwege het gecrashte toestel zou Stephen het nooit hebben gezien. Kakkerlakken…

Dit zou een spectaculaire ontdekking moeten zijn, maar Stephen zag slechts de nodige bedenkingen. Jack zou uiteraard eindeloze tegenwerpingen bedenken, zeer logische argumenten formuleren en Stephen zou weinig anders kunnen doen dan hem gelijk geven. Welke gemeenschap noemde zich nou het ‘koninkrijk van de kakkerlakken’? Het was gewoonweg idioot. Je zou een eervolle naam verwachten, eentje waar je trots op kon zijn.

Stephen verlegde zijn aandacht. De verrekijker werd haast magnetisch aangetrokken door het gecrashte ruimtetoestel dat zo goed als volledig onder een dikke laag sneeuw was verdwenen. Daar konden nog mensen leven, afkomstig uit één van die welvarende sterrenkoloniën. Het duurde een tijdje voordat hij iets vond. Bewijs. Een stukje metaal dat boven de sneeuw uitstak. Stephen ontdekte nog iets. Een vermoeid omlaag hangende blauwe vlag. Er prijkte enkele sterren op die vlag. Goed. Europa dus. Het was een Europees toestel. Met het blote oog verdween die eenzame vlag in de grootse verlatenheid. Zijn verrekijker bracht dat toestel dichterbij. Zouden ze wachten op redding, of gingen de overlevenden een expeditie ondernemen naar dat verlichte huis? Stephen knipperde enkele malen met zijn ogen en vervloekte zichzelf, omdat hij een zonnebril was vergeten. Hij staarde naar het ijs, zag bijna tien meter verderop het bekende open water en natuurlijk gleed één van die afschuwelijke monsters afwachtend voorbij. Mensen. Maar dan gemuteerd. Door het virus. Opnieuw plaatste hij de verrekijker tegen zijn rechteroog en keek. Er waren enkele mensen, gekleed in parka’s net als Stephen. Dus geen geavanceerde ruimtepakken. Hij liet verbaasd de verrekijker zakken en keek enkele seconden later opnieuw. Die mensen zwaaiden energiek met hun armen. Zochten zijn aandacht. Hij betrapte zichzelf op een zekere weerzin. Mensen. Ziekteverwekkers… Nou ja… In elk geval geen kakkerlakken.

Besluiteloos bleef hij staan. Natuurlijk trok hij stilstaand op de muur geweldig veel aandacht, kijkend, loerend, gebruikmakend van een kleine inschuifbare verrekijker. Zijn stoutmoedige voornemen om de wereld desnoods gewapenderhand te veroveren was compleet verdreven. Hij verborg de verrekijker, greep het halfautomatische wapen steviger vast en ging verder. Negeerde de groep zwaaiende en mogelijk schreeuwende mensen bij het wrak. Genoeg ontdekkingen voor één dag.

Er waren mensen in de open lucht bij dat neergestorte toestel zonder enige angst voor een dodelijk muterend virus. In de nabijheid van Heuvel 18 bevond zich een kleine nederzetting. Hij glimlachte bij het bedenken van deze zegswijze. Inderdaad. Een nederzetting. Zo noemde je dat. Een groepje gelijkgezinde mensen. Papa zei het vroeger al. Ze benoemden eerst een chef en legden vervolgens de grens van hun territorium vast. Het koninkrijk van de kakkerlakken.

Misschien was het een goed idee om dat toegangsdeurtje naast de portierswoning weer te barricaderen. Het kon. Al deed hij het normaal nooit. En vervolgens terug naar huis. Rustig nadenken over alles wat hij vandaag had gezien.

Benieuwd wat Jack zou zeggen.

Eenmaal bij de woning, vroeg Stephen zich af of hij hem wel zou inlichten.

Jack was immers maar een robot.