Er volgde een drukke periode waarbij Vernon vooral hard aan het werk was. Het betekende weinig thuis zijn. Hij kreeg de buurman nauwelijks te zien. Een enkele keer sjouwde hij met een boodschappentas en Vernon vermoedde dat Van Kerkrade veel warme maaltijden uit de magnetron haalde. Dochter en zoon vertoonden zich helemaal niet en hetzelfde gold voor de kleinkinderen, alsof het huis van opa besmet gebied was geworden.
De woorden galmden erg lang na, zoals de trillingen in het wateroppervlak zichtbaar bleven als je een steen in het water had gegooid. ‘Ik heb het kreng vergiftigd.’ Vernon begreep goed – hij had het zelfs opgezocht – dat ‘bitch’ toch echt iets anders inhield dan ‘kreng’ – volgens Google translate – het waren verschillen die alleen in detail bestonden, want de emoties kwamen uit dezelfde bron. Hij legde de situatie uit aan een collega – buurman had de hondjes van zijn overleden vrouw opgeruimd – weggedaan – nu was de dochter boos. Antwoord luidde: “Jammer dan. Die meid draait wel weer bij. Duurt een tijdje.” Een vrouwelijke collega vond het onbeschoft, tactloos. Hij had best mogen wachten, al was het een maand.
Zaterdagochtend in de buurtsupermarkt verwachtte hij roddels over buurman Van Kerkrade, maar het bleef opmerkelijk stil. Geen verhalen, geen praatjes. Mensen gingen nu eenmaal onverwacht dood. Het gebeurde regelmatig en iedereen die oud genoeg was, kende voorbeelden uit zijn directe omgeving – iedereen kende wel iemand die iemand kende…
Mocht een man – blij zijn dat de bitch dood was?
Vernon stond middenin de supermarkt na te denken over zijn boodschappen. Zoals altijd maakte hij geen lijstje, want meestal gooide hij dezelfde producten in zijn karretje. Er zat geen variatie in. Nog altijd hield hij zich bezig met de overleden buurvrouw. Een jonge vrouw duwde een winkelkarretje voor zich uit, terwijl ze ondertussen een briefje vasthield.
Het probleem was een beetje dat Vernon nooit een hekel aan de buurvrouw had gehad. Ze groette altijd netjes, vroeg ook hoe het met hem ging, zeker als hij een tijdje weg was geweest vanwege zijn werk. Dat dan weer wel, ja. Ze hield alles goed in de gaten. Er ontging haar verdomd weinig. Als de buurman het parkietje van zijn vrouw had vergiftigd, dan moest hij slim te werk zijn gegaan. De buurvrouw gaf altijd een complimentje weg als hij – bijvoorbeeld – nieuwe schoenen droeg, maar Vernon kreeg het ook te horen als ze iets lelijk vond. Ze had het hart op de tong. Ze was nooit echt diplomatiek. Alleen de knetterende ruzies die zijn buurtjes nu en dan hadden, vond hij echt vervelend. Hij hoefde niet direct te weten dat de buurvrouw haar partner een grote lul vond. Vernon begreep het wel dat zijn buurman de hondjes naar een asiel had gebracht.
Na ongeveer anderhalve maand beëindigde hij een periode waarin hij bijna uitsluitend had gewerkt. Komende week zou hij veel tijd in huis doorbrengen, heerlijk lanterfanten. Volgende ochtend kwam hij laat uit bed, zijn eerste echt rustige dag. Mobiele telefoon lag op de eettafel, zodat zijn werkgever hem altijd zou kunnen bereiken. Wel liet hij zijn telefoon altijd thuis liggen, als hij het huis uitging. Hij hield ervan om moeilijk bereikbaar te zijn als hij niet hoefde te werken.
Vernon besloot zijn fiets maar eens te pakken voor de boodschappen. De koelkast was leeg en hij haalde hooguit voor twee à drie dagen eten in huis. Hij deed de garagedeur open en zette zijn fiets buiten die een zachte achterband had. Het was koud, maar droog. Van Kerkrade stond eveneens buiten.
Vernon overwoog even de man enigszins te negeren en gewoon naar de Hoofdstraat te fietsen, omdat hij zijn boodschappen snel binnen wilde hebben, dus de achterband oppompen, zwijgen en wegrijden, maar erg vriendelijk zou het niet zijn. Daarom besloot hij eerst maar eens te vragen hoe het ging. Het was anderhalve maand geleden.
“Buurman,” zei Vernon.
Van Kerkrade reageerde helemaal niet.
“Hé, buurman.” Vernon riep iets harder, maar de man staarde onverminderd voor zich uit. Alsof hij stond te wachten. Alsof zijn vrouw elk ogenblik thuis zou kunnen komen. Misschien gebeurde er iets, viel er wat te zien aan de horizon en wist Vernon het gewoon niet.
Hij liep naar Van Kerkrade en legde een hand op diens schouder. De buurman sprong zo ongeveer omhoog, draaide zijn hoofd naar Vernon, die zijn handen verontschuldigend omhoog stak. “Ik ben het maar, hoor.”
“Jezus… man!”, riep Van Kerkrade. “Je laat me schrikken.”
“Sorry. Het was niet mijn bedoeling om je een rolberoerte te bezorgen.”
“Godverdomme, ik sta gewoon te trillen,” zei Van Kerkrade.
“Wat is er dan? Wat is er gebeurd?”
Van Kerkrade veegde enkele zweetdruppels van zijn voorhoofd, die er in werkelijkheid niet waren. Zijn handen trilden. Opnieuw zocht hij naar een punt aan de horizon en Vernon begreep ineens dat het om een politiesirene ging die Van Kerkrade had gehoord. Of een ambulance. Hoe hield je ooit al die sirenes uit elkaar? Waren ze verschillend? Was het belangrijk? Deed het er iets toe? Vernon moest het vergeten.
“Niks… helemaal niks… mijn vrouw is dood… da’s alles, buurman. Je kent het verhaal.” Van Kerkrade draaide zich half om, heel even leek hij terug naar huis te willen lopen. Toch bleef hij staan. Zijn rechter ooglid trilde een beetje, terwijl hij naar Vernon keek. “Een hoop gezeik met mijn dochter.”
“Waarom? Vanwege die hondjes?”
“Nee, daar hebben we het niet meer over.”
“Wat dan wel?”, vroeg Vernon die heel relaxt probeerde te klinken.
“Ze beschuldigt me van moord.”
Vernon dacht aan het parkietje en de hondjes die Van Kerkrade mogelijk in de tuin zou hebben kunnen begraven, als hij boos genoeg was geweest… nee, hij heeft ze afgeleverd bij een asiel en zou er nooit een verhaal over hebben opgehangen. Vernon probeerde zich te herinneren hoe het ook alweer zat. Had hij het verteld? Had de buurman gezegd wat hij met de honden had gedaan?
Er ontglipte een zenuwachtig lachje aan Vernons mond. “Sorry.”
Van Kerkrade zweeg.
“Het gaat toch niet om het parkietje?”
“Nee,” zei de buurman die een denkbeeldige steen wegschopte.
“Ik ga er niet naar raden, buurman.”
“Ze denkt dat ik haar moeder… mijn vrouw… heb vermoord… Mam was nooit ziek, mankeerde nooit iets… Je had een sectie aan moeten vragen.” Hij imiteerde de stem van zijn dochter die net zo goed zijn vrouw had kunnen zijn. “Je hebt haar gewoon vermoord, pap. Dàt heb je gedaan!”
Tagarchief: moderne korte verhalen
De Buurvrouw (3/6)
De Buurvrouw (2/6)
Tot de crematie liet de buurman zich nauwelijks meer zien. Er viel een kaartje op de deurmat, zodat Vernon ook wist wanneer en waar de plechtigheid zou plaatsvinden. Het was een bekende plek – hij was er vaker geweest, een nadeel dat een klimmende leeftijd met zich meebracht.
De bekentenis van de buurman, want zo mocht je het toch wel noemen, bleef lange tijd hangen. Vernon dacht eraan – elke keer als hij de weduwnaar, zijn dochter of zoon, voorbij zag lopen, soms verkeerden ze in gezelschap van een kleinkind, nog vaker waren ze alleen. Hij hoefde zich niet te beklagen over gebrek aan gezelschap, er was voldoende aanloop.
De crematie verliep min of meer zoals hij had verwacht – nergens viel er een spoortje van ongepaste vreugde te bekennen – alle herinneringen getuigden van een vrouw die het hart op de juiste plek had gehad, een echtgenote, moeder en oma die gemist ging worden. Daarmee vielen de woorden van de buurman, die hij op de dag van het overlijden had uitgesproken, geweldig uit de toon.
Al was dit uiteraard te verwachten.
Ja, natuurlijk hadden ze de laatste maanden erg vaak ruzie gehad en soms dacht Vernon dat er ook servies sneuvelde – glazen en borden kapot werden gesmeten.
‘Jezus. Omdat – ik zo blij ben dat de bitch dood is.’
Vernon zag weer de wijd opengesperde ogen van zijn buurman voor zich die zijn tweede glaasje leegdronk en mompelde: “Het is tijd om te gaan. Nog bedankt voor de borreltjes.”
Ze waren naar de buitendeur gelopen en Van Kerkrade was vertrokken.
Binnenkort zou hij er nog eens over beginnen – een bekentenis of verzuchting – de woorden rechtstreeks uit zijn hart.
Het zorgde voor – onbehagen, Vernon dacht er veel te vaak aan. Tijdens de crematieplechtigheid dacht hij regelmatig aan ‘bitch’ in plaats van lieve grootmoeder of moeder.
Na afloop dronk hij een kopje koffie, luisterde naar verhalen van familieleden die uiteraard ook wilden weten wie Vernon was en hoe hij de overleden vrouw kende. De broodjes bliefde hij niet. Hij was een van de eersten die wegging. Vernon schudde zijn buurman de hand, net als de zoon en dochter. “Wie zien mekaar snel,” zei hij – daarna verliet hij het crematorium. De zon scheen volop, het waaide stevig. Vernon liep naar zijn auto, stapte in en reed weg, terwijl er een nummer van Tom Waits speelde. ‘Who are you this time?’
Bijna een week later zetten beide mannen tegelijkertijd de kliko buiten. Het was al donker, gelukkig viel er geen regen, maar het beloofde een koude herfst te worden. Vernon vroeg: “Hoe gaat het ermee, buurman?” Hij stelde zijn vraag vooral uit beleefdheid, niet eens zozeer om echt een antwoord te krijgen.
“Best… best… het is wennen,” zei Van Kerkrade.
“Dat geloof ik goed.”
“Ik heb ruzie met mijn dochter.”
“O?”
Van Kerkrade zette de kliko precies neer, zoals het hoorde, want de vuilnismannen mochten er niet teveel werk aan hebben.
“Ik heb de honden van mijn vrouw opgeruimd – kutbeesten.”
“Da’s snel.”
“Heb die beesten altijd al gehaat.”
“En nu is je dochter boos.”
“Ja, want mams was altijd helemaal gek van haar honden,” zei hij, “ze had liever met honden te maken dan mensen, want dieren laten je nooit in de steek en dat heb ik haar wel zo vaak horen zeggen – Geen idee wat ik haar heb aangedaan.” Hij balde zijn vuisten en stak zijn armen korte tijd omhoog. “En om nog eens vijf jaar met twee van die smerige kutbeesten in huis te zitten – nee, dank je. Ik ben niemand enige verantwoording schuldig. Wil ik die kuthonden eruit? Dan gaan ze eruit!”
“Wat zegt je zoon ervan?”
“Mijn zoon? ‘Groot gelijk, pap.’ Dat zegt hij.”
“De meningen zijn een tikje verdeeld.”
“Boeit me niet. Ik ben de baas in mijn eigen huis. Misschien word ik ooit nog eens seniel, maar vandaag ben ik héél helder.”
“Veel ruzie gehad?”
“Ja, buurman. Dat weet je toch?”
Vernon knikte langzaam met zijn hoofd en staarde ondertussen naar de stoeptegels. Ja, dat wist hij heel goed. Hij had nooit veel aandacht besteed aan de woorden of zinsdelen die ze naar elkaar schreeuwden. Meestal zette hij zijn muziekinstallatie harder, ging het volume omhoog, zodat hij hen niet langer hoefde te horen. Het was te gênant voor woorden, maar zo ging het vaak.
“Maar goed. Ze is de pijp uit. God hebbe haar ziel. Het verhaal is uit.”
“Toch wel een goeie tijd gehad, hoop ik.”
Van Kerkrade begon te glimlachen en hij knikte bevestigend met zijn hoofd. “Ja-a, we hebben geneukt als konijnen.” Hij lachte heel even.
“Da’s in elk geval iets,” zei Vernon.
“En verder – ,” zei Van Kerkrade die naar de voordeur van zijn huis staarde. “Ach, het zal me wel te binnen schieten – eerdaags – nu niet.”
Vernon begon terug te lopen naar huis en bleef bij de voordeur staan. Net als Van Kerkrade overigens.
“Zoek je een vriendin?”, vroeg Vernon.
“Nee,” zei hij.
Vernon betrad het halletje. Zijn buurman speelde met zijn sleutels.
“Weet je – we hadden een parkiet en mijn vrouw wilde het dier leren praten – dat vond ze leuk.”
Vernon liet een kort lachje horen.
“Wat wilde ze dat hij ging zeggen?”
“Mannen zijn varkens,” zei Van Kerkrade.
“Gelukt?”
“Nee.”
“Helemaal niet?”
“Bijna. Als je goed luisterde. Mijn vrouw had de grootste lol.”
“En toen?”
“Ik heb het kreng vergiftigd.”
“En nu ligt het parkietje – in je achtertuin – tussen de de dode cavia’s en konijnen van je dochter,” zei Vernon.
“Ja.”
“Wist je vrouw dat je dat had gedaan?”
Van Kerkrade durfde niet te lachen, alsof het idee hem direct de adem benam. “Ze zou me hebben vermoord, buurman – echt.”
“Dieren zijn immers betrouwbaarder dan mensen – ze laten je nooit in de steek,” zei Vernon – er liep een ijskoude rilling over zijn rug.
‘Ik heb het kreng vergiftigd.’
“Precies – ze zijn er ook te stom voor – dus om te bedriegen – dieren zijn simpele wezens – afgezien van sommige mensapen dan.”
Ja, als zijn buren ruzie hadden, dan zette hij altijd muziek aan – het liefst stampende rockmuziek. Alles was goed, zolang het maar herrie maakte. Het geluid van zijn buren, die elkaar voor rotte vis uitmaakten, moest overstemd worden.
“Doe rustig aan, kerel,” zei Vernon.
“Dat vind ik een goed advies.”
‘Ik heb het kreng vergiftigd.’
Ze leefden allebei alleen in een gigantisch groot huis – erg veel leegstand achter de voordeur, zoals een deskundige het laatst in de krant omschreef. Mannen die van hun privacy hielden – een heel enkele keer leek het er wel eens op dat er spoken uit het verleden tot leven kwamen – of probeerden te komen. Alle herinneringen – alsof de levens van vroegere bewoners zich hadden vastgehecht aan de muren van het huis. Zulke dingen bestonden helemaal niet. Het waren hersenspinsels.
‘Ik heb het kreng vergiftigd.’
De deur ging dicht en Vernon draaide de sleutel naar links.
Welk kreng bedoelde de buurman nou eigenlijk?
Vernon pakte een koud biertje uit de koelkast, liep naar de woonkamer en liet zich op de bank neervallen.
De Buurvrouw (1/6)
De buurvrouw stierf in de nacht van vrijdag op zaterdag. Vernon lag toen zijn roes uit te slapen. Hij was een man die regelmatig alcohol dronk, maar zich op werkdagen een limiet oplegde, twee, soms drie glazen. Hij werd zaterdagochtend wakker om negen uur. Zoals hij wel vaker deed, als hij op was gestaan, keek Vernon eerst uit het raam om te zien wat voor dag het zou gaan worden. Regenachtig dus, winderig ook. Ongeveer veertien graden. Een ambulance blokkeerde de straat, verderop stond er trouwens nog eentje, maar Vernon zag ook twee ambulancemedewerkers teruglopen. Hij boog voorover en drukte zijn neus tegen het venster.
Eerst ging hij douchen, tandenpoetsen en daarna aankleden. Zijn ontbijt bestond uit cruesli met yoghurt. Ondertussen las hij op internet enkele kranten, vooral de schreeuwerige koppen. Hij dronk een kopje thee. Een normaal begin voor de zaterdagochtend. Niks bijzonders. Alle boodschappen waren binnen. De koelkast was gevuld. Om ongeveer elf uur bestudeerde hij zijn tuin, maar bleef wel binnen. Vernon stond bij het raam en zag zijn buurman, wiens gezicht nog somberder oogde dan normaal. De buurman hield een telefoon bij zijn oor, voerde een uitgebreid gesprek en maakte er met zijn arm bewegingen bij die vertraagd overkwamen. Als de ambulance inmiddels was vertrokken, met daarin de buurvrouw, dan moest dat betekenen dat er iets tragisch en onherstelbaars was gebeurd. Alleen na een sterfgeval hoefde de partner niet mee te gaan. Dood was nu eenmaal dood.
Vernon zette een kopje koffie voor zichzelf. Hij woonde alleen. Het huis had ooit toebehoord aan zijn ouders, hij was er ook opgegroeid. Na zijn overlijden zou zijn zoon er gaan wonen. Zo bleef het huis in de familie. Hij nam plaats achter zijn computer om een paar krantenartikelen te lezen. Er werd een storm verwacht, de eerste herfststorm van het jaar. Het was stil in huis. Normaal hoorde hij zijn buren wel eens.
Omstreeks het middaguur parkeerde de dochter van de buurman op het pad. Het was vervelend. Ze deed het altijd, maar Vernon wilde zich er niet aan ergeren. Amper tien minuten later arriveerde de broer van de zus die al binnen was. Zijn gezicht verraadde dezelfde ernst waarmee de zus binnen was gekomen.
’s Middags, om half vijf, keek Vernon opnieuw en waren alle bezoekers vertrokken. Ook oudere mensen die hij nooit eerder had gezien. De deurbel ging en Vernon deed open.
“Kom binnen, buurman,” zei hij.
De buurman, Allan van Kerkrade, kwam verder, het hoofd lichtjes gebogen, maar hij keek Vernon recht in de ogen, toen hij zei: “Ze is dood, buurman.”
“Gecondoleerd.”
“Ik heb er niet eens wat van gemerkt.”
“Mankeerde niks?”
“Nee joh, ze is zelfs nooit bij de dokter geweest,” zei Van Kerkrade.
“Verdorie, een hard gelag.”
“Dat kun je wel zeggen.”
“Borreltje?”
“Dat gaat er nu wel in, ja.”
Beide mannen namen plaats aan tafel. Vernon schonk de glaasjes vol. Ze brachten een toost uit waarbij de overledene werd herdacht.
“Een wereldwijf,” zei Van Kerkrade. Hij dronk het glas in één teug leeg.
Vernon schonk de glaasjes nog eens vol.
“Nu moet ik de aardappels voortaan zelf schillen,” ging Van Kerkrade verder.
“Je kunt het simpel genoeg houden, buurman,” zei Vernon. “Diepvriesmaaltijden die je zo in je magnetron kunt schuiven. Lekker makkelijk. Doe ik ook vaak genoeg.”
“Veertig jaar, we zijn veertig jaar samen geweest,” zei Van Kerkrade, “een eeuwigheid.”
“Alles gaat voorbij. Dat is het leven.”
Van Kerkrade bracht het glaasje voorzichtig naar zijn mond, het was zonde om een druppel te verspillen. Buiten regende het weer. Zo’n plensbui die je vroeger hoogst zelden meemaakte. Hij nam een slokje en zette het glaasje terug op tafel. “Een infarct of zo, hartfalen, dacht de arts.”
“Laat je het onderzoeken?”
“Nee,” zei Van Kerkrade. “Je brengt haar toch niet terug. Het is gedaan. Basta!”
De buurman legde zijn arm op tafel en leek heel even de stortbui te bestuderen die neerviel.
“We hadden een huisje gehuurd aan zee,” zei Van Kerkrade. “Mijn dochter zou gaan bellen. ‘Ik regel het wel, hoor, pap.’ Ik heb gezegd: ‘Als je dat zou willen doen. Graag.’ Die meid is in staat om dagelijks de koelkast te komen controleren – effe kijken of paps wel gezond eet. Want je weet maar nooit. Nu moeders er niet meer is. Zo gaan die dingen.”
“Pure bezorgdheid, buurman. Ze bedoelt het goed.”
“Ja, ik weet het.”
De stortbui werd alweer minder hevig.
“Nou ja,” zei Vernon, “mocht ik nog iets voor je kunnen betekenen, dan weet je me wel te vinden.”
Van Kerkrade tikte enkele malen op tafel, maar bleef ondertussen naar buiten staren.
“Ja – uiteraard,” zei de buurman.
“Ik bedoel – we wonen al zolang naast elkaar.”
Van Kerkrade knikte heel langzaam met zijn hoofd, alsof hij maar half luisterde. “We hebben elkaar leren kennen tijdens carnaval – het is begonnen als zo’n – jee – zo’n gesprek – het ging helemaal nergens over – het is me goed beschouwd een beetje overkomen,” zei hij. “En nu is het boek dicht.”
Vernon reageerde niet – wachtte af.
Er moest nog een opmerking komen. Iets.
Hoe vaak moest je zeggen dat je het veel te goed begreep?
“Een boek dat wat mij betreft spannender is geworden dan nodig was. Je zult ons toch wel eens hebben gehoord?” Van Kerkrade keek naar zijn buurman die bevestigend knikte. Vernon had zijn buurtjes vaak genoeg gehoord, ja.
“Zeker wel.”
“Leuke dingen, maar ook een hoop ellende.”
“Da’s vrij normaal.”
“Ik voel me er bijna schuldig door.”
“Waarom?”
“Omdat,” zei Van Kerkrade die een diepe zucht binnenhield. “Jezus. Omdat – ik zo blij ben dat de bitch dood is.”
De probleemoplosser (2/2)
Het rommelde in het wereldje – ook zijn oude contactpersoon bleek weer aan de slag te zijn gegaan.
“Dat heb je goed gedaan, Joke,” zei Bressers, “en nu zou ik een broodje met oude kaas lusten.” Hij liet het kaartje in zijn portemonnee verdwijnen.
Ongeveer een half uur later verliet hij het café – besluiteloos stond hij op straat om zich heen te kijken – Bressers besloot naar huis te gaan. Voor de kruising passeerde hij een oudere man die hij in eerste instantie niet eens herkende – toch keken beide mannen elkaar gedurende korte tijd aandachtig aan.
“Hé Foley – long time no see,” zei Bressers.
“Ik wil je archief bestuderen,” zei Foley, een man die vlekkeloos Nederlands sprak, een geboren Australiër.
“Mag niet,” zei hij, “zo luidt de regel.”
“Wat klopt er van de bewering dat je je dossiers afgelopen winter hebt verbrand?”, vroeg Foley.
“Blijkbaar was ik erg overtuigend toen ik dat zei.”
“Gelukkig.”
“Zin in koffie – of iets sterkers?”, vroeg Bressers.
“Inmiddels lust ik wel een biertje, ja,” zei Foley.
Ze liepen naar Bressers’ huis dat zich direct naast een oud café bevond – Bressers opende de deur en bood Foley de gelegenheid eerst binnen te gaan. Er hing een frisse, opgeruimde atmosfeer, weinig of geen stof, goed bijgehouden, al deed Bressers het schoonmaakwerk niet eens zelf – lange tijd kwam er een oude vrouw voor, moeder van een schoolvriend, een dame die zich moest zien te redden met een karig pensioentje – sinds – ongeveer – elf maanden had hij contract met een bedrijf dat om de drie maanden een andere schoonmaakster stuurde.
Bressers zette twee koude flesjes op tafel. “Eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik afgelopen dagen relatief veel tijd heb doorgebracht in mijn archief – een buurman beweerde een moord voor te bereiden – zei natuurlijk niet wie het slachtoffer zou gaan worden – een man die ik al eerder tegen ben gekomen.”
“Waar?”
“Ik dacht aan Zuidwest-Afrika – Namibië – de man noemt zich momenteel Manfred Pastoor – wel een prachtige ironiserende naam – ik heb op internet gezocht naar aanknopingspunten – er is totaal niks.”
“Knap frustrerend, dat geef ik toe” zei Foley. “Het is ook de reden van mijn komst – het rommelt een beetje, zoals je hebt gemerkt. Ik zit hier immers ook al – niet om eens lekker na te praten over vroeger en hoe leuk het was.”
“Dacht ik ook al – je komt anders nooit.”
“Het blijkt namelijk dat niet alle – laten we zeggen – ‘old boys’ – goed voor hun pensioen hebben gezorgd – ze hebben nog wel geld, maar niet zo heel veel.”
“Slechte beleggingen?”
“Precies – en vreemd genoeg wekken je televisieoptredens ook de nodige jaloezie – kennelijk heb je het gewoon veel beter gedaan dan anderen die op een of ander moment rijker zijn geweest dan jij.”
“Mijn dochter heeft een tijdje meegelopen op de redactie van zo’n show en opgemerkt dat paps een zekere deskundigheid heeft opgedaan over kwesties die vrijwel alle westerse regeringen liever onbekend houden – mijn kinderen weten weinig van mijn werk. Ik heb ze nooit veel verteld – natuurlijk voerden we vaak genoeg discussies over – bepaalde dingen.”
“Die gewoon in de krant hebben gestaan, maar jij kunt beter dan wie ook onderlinge verbanden leggen, maar dat is ook een deel van het probleem – vrees ik.”
“Eerlijk gezegd vond ik het wel leuk om te doen – een paar keertjes in zo’n talkshow – nooit aan gedacht dat er problemen van konden komen,” zei Bressers.
“Veel van de zaken die we hebben onderzocht zijn tien jaar oud – minimaal – er zijn regimewissels geweest – betrokken personen zijn vaak al overleden. Ik neem je weinig kwalijk – bovendien heb je de vraag destijds aan me voorgelegd – geen bezwaar.”
“Alleen de grenzen van de menselijke geest,” zei Bressers, “het is moeilijk om soms te bepalen wat je wel en wat je beter niet kunt zeggen – gevolg is dat je uiteindelijk zwijgt, terwijl ze willen dat je praat.”
“Maar jij hebt echt geen vreemde dingen gezegd. Absoluut niet. Ik heb alles tweemaal bekeken. Je leest gewoon meer kranten en tijdschriften dan anderen.”
“Dacht ik ook.” Bressers pakte het flesje bier van tafel en nam een slok. “Maar goed – Heb jij enig idee voor wie Manfred Pastoor zijn werk doet? Kennelijk probeert iemand extra centjes te verdienen met mijn archief en misschien moet ik de dossiers vernietigen.”
“Nee, want dat mag niet.”
“Ik weet het.”
“Je wilt weten voor wie Manfred zijn werk doet?”
“Laat maar. Het is ook niet relevant.”
Foley knikte enkele malen met zijn hoofd. “Je leest de krant – in dat geval behoor je het allang te weten.”
“Oké. Ik begrijp het.” Er speelden namen door zijn hoofd van bedrijven, vage kennissen, die het afgelopen jaren niet best hadden gedaan op de beurs. Maar ook landen die als schurkenstaten werden weggezet in de media.
Foley stond op en streek zijn overhemd glad – hij oogde – totaal anders dan normaal – heel casual.
“Ik laat vanavond een pakketje bezorgen,” zei Foley, “je moet de normale procedure volgen – het is een zakelijke beslissing – we weten allemaal wat er gebeurt als je je niet aan de regels houdt.”
“Mijn nummer is hetzelfde. Dat weet je.”
“Ik sms straks de pincode.”
“Woont die vent trouwens alleen?”, vroeg Bressers. “Ik zie hem al maanden twee keer per dag met zijn hondje lopen – hij zit hier ergens in een appartementencomplex.”
Foley bleef in de gang staan en zei: “Laat af en toe eens weten hoe het met je gaat – dat is wel zo leuk.”
“Nuttig – jij hebt nog nooit iets alleen maar ‘leuk’ gevonden,” zei Bressers die de voordeur opendeed.
“Dat is ook waar.”
*****
Het kistje stond op tafel – de pincode bestond uit zes cijfers, niet eens zo heel moeilijk – er lag een geladen pistool in het kistje – hij werd verondersteld hooguit zestien kogels nodig te hebben voor zijn werk – het hoorde bij zijn werk als probleemoplosser en een man als John Bressers was nooit helemaal met pensioen.
Pastoor ging om vijf uur ’s middags nogmaals met het hondje lopen – het zou een goed idee zijn om de man – toevallig – tegen het lijf te lopen – nog beter was het om Pastoor te volgen naar een afgelegen plek in het plantsoen, maar Bressers zou de kans niet eens krijgen. Bressers verdrong het idee dat elke volgend probleem voortaan zou eindigen met een executie – hij had er een hartgrondige hekel aan, omdat de tegenpartij al ruim dertig jaar wist hoe het zou aflopen – als je als werknemer de regels overtrad. Het kistje betekende dat een dossier gesloten moest worden.
Bressers verliet zijn huis, terwijl het pistool in een schouderholster stak – hij droeg een oud spijkerjack, een wit overhemd en vale spijkerbroek. Einddoel heette het café te zijn, maar hij wist dat ergens halverwege Manfred Pastoor moest opduiken die mijmerde over een moord – het was een hobby – Bressers vermoedde eerder dat het een afleiding was waarmee hij een eventueel slachtoffer hoopte te kunnen verwarren. Er waren erg veel mensen op straat – de temperatuur lag hoger dan een dag eerder – het was net iets te warm voor het jack dat hij droeg, maar het kon moeilijk anders. Inderdaad wandelde Pastoor nogal lusteloos in de straat – Bressers stak zijn hand eventjes omhoog en vreesde dat het gebaar aan de aandacht was ontsnapt. Toch gingen de mondhoeken van Pastoor ineens omhoog.
“Dag buurman,” zei hij.
Bressers vroeg zich af of een van de schoonmaaksters contact zou hebben gehad met Pastoor, maar wist ook dat het volstrekt zinloos was om daarover te tobben. Die vrouwen kwamen nooit iets te weten – ze werkten nu eenmaal te kort in zijn huis om ontdekkingen te kunnen doen – zoals de kelder en het archief – .
“Je kijkt alsof je dat beest gruwelijk beu bent,” zei Bressers. “Vroeger in China werden ze opgevreten.”
Er verscheen een grijnslach op het gezicht van Pastoor. “Ik ga paddenstoelen plukken – in het journaal zeiden ze dat er dodelijke exemplaren in de natuur voorkwamen – je kunt ze zo plukken – .”
“En dan stop je ze in het eten van je hond?”
“Nee joh – mijn vriendin zou compleet gek worden.”
“Ik vond je al geen man voor een hond.”
“Jij woont alleen – Toch?”
“Ja.”
“Groot huis, schitterende ligging – in de stad.”
“Jij ook – volgens mij – ,” zei Bressers.
“Nee, alleen schulden.”
“Niet zo best – op jouw leeftijd.”
De mondhoeken van Pastoor leken omhoog te gaan, maar hij bleef – neutraal – kijken. “Waarom loop je niet een stukje mee? Goed voor de eetlust.”
Het moest een keer gebeuren. Bressers knikte langzaam met zijn hoofd en zei: “Akkoord.” Ze begonnen te wandelen – naar de Hekellaan, daarachter lag een groot natuurgebied dat voldoende ruimte bood voor een hondje om lekker te rennen.
Het bleef stil, zolang ze in de nabijheid van mensen waren – Bressers en Pastoor stonden te wachten bij een stoplicht – net als een groot deel van de fietsers.
Ze staken de weg over en gingen rechtsaf. Er lag een weggetje dat heel lichtjes afboog naar beneden – daar begon een natuurgebied, een moeras, het Bossche Broek – Bressers kwam er hoogt zelden, al genoot hij wel degelijk van het uitzicht – een oude stad die zich nog altijd achter een muur scheen te willen verbergen.
Pastoor boog voorover om de hond los te laten – het dier rende er meteen vandoor, alsof dit zijn lang verwachte vrijlating was. Pastoor draaide zich om – keek naar Bressers – de hond was allang vergeten.
“Wat ben je aan het doen, Bressers?”
“Aan het rentenieren,” antwoordde hij, “zo heette het vroeger tenminste, als je dat deed – lanterfanten.”
“Nee – jij niet,” zei Pastoor.
“En jij dan? Wat heb jij gedaan om op zo’n achterlijk keffertje te moeten passen– een kutlikkertje?”
“Begin je nou alweer over die hond?”
Het dier zat bijna vijftig meter verderop te poepen.
“Ik probeer het te begrijpen,” zei Bressers.
“Vrouwtje heeft geld.”
“Ga je paddenstoelen plukken voor je vriendin?”
“Misschien doe ik dat ook wel, maar in dat geval sta ik meteen weer op straat. Snap je wel? Ze is slim.”
“En dus ben je geïnteresseerd in het archief.”
“Ja.”
“Jammer. Alles is verbrand.”
“Ik heb ook zoiets gehoord, ja.”
“Niemand hoeft nog te vrezen.”
“Toch geloof ik je niet,” zei Pastoor.
“Weet je. Ik heb lang nagedacht,” zei Bressers.
Ze liepen verder en sloegen linksaf. De oude stad leek zelfs al te zijn vergeten, terwijl er voortdurend auto’s reden, fietsers en hij wist zeker dat er ook wandelaars waren die amper aandacht besteedden aan twee mannen en een hondje.
“Dat begrijp ik.”
“Ik ben je ooit tegengekomen.”
“Mm – ja.”
“Het duurde eventjes voordat ik me herinnerde waar dat precies is geweest – ik dacht aan Afrika.”
Pastoor liet zijn hand onder zijn jasje verdwijnen en trok een pistool – hij schroefde er een geluidsdemper op – Bressers trok zijn eigen wapen – ze bleken allebei hetzelfde idee te hebben gehad voordat ze hun schuilplaats verlieten. Pastoor richtte zijn wapen op het hondje dat langs de weg liep.
Er klonk een zachte plop waarna het dier neerviel.
“Zo – hè hè,” zei Pastoor die zijn arm liet zakken.
Ondertussen schroefde ook Bressers een geluidsdemper op zijn wapen. “Dierenbeul,” zei hij.
“Ik heb het fucking beest al vanaf dag 1 gehaat.”
“Je bent niet zo’n beste belegger.”
“Nee.” Hij schudde zijn hoofd en leek te onderzoeken of er mensen stonden te kijken – Bressers liep verder.
Niet zo heel erg ver overigens, slechts enkele meters.
“Hoe is het met je vrouw en kinderen – twee jongetjes met lichtblond haar – een tweeling. Toch?”
“Ja.”
Pastoor draaide zich heel langzaam om – zijn arm hing nog rustig langs zijn lichaam – met het pistool.
“Namibië,” zei Bressers. “De handel in uranium. Politiek gevoelig.”
“Wel lucratief.” Pastoor bestudeerde het wapen van Bressers. “Bekend modelletje.”
“Ach ja.”
“Je hebt met andere woorden volledige immuniteit.”
“Ja.”
Bressers zette zijn linkervoet verder naar buiten.
“Waarom?”
“Dat weet je.”
“Dus je hebt gelogen over je archief?”
“Natuurlijk.”
“Verdomme,” zei Pastoor.
“Je hebt een belangrijke wet geschonden,” zei Bressers, “dat wist je toen je over je moordplan begon. Ik vermoed dat het vrouwtje dood is gegaan?”
Pastoor gaf geen antwoord.
“Regel nummer één. De archivaris is immuun,” zei Bressers.
“Ik heb de Majesteit altijd geëerd.” Pastoor gooide zijn pistool in het water, er lag een brede uitloper van de Zuiderplas.
Bressers richtte zijn wapen en vuurde twee schoten kort na elkaar – hij schoot twee keer. Pastoor viel om – haalde traag adem – Bressers zette zijn voet tegen de borst van zijn slachtoffer en duwde hem verder, zodat het omlaag rolde – in één keer het water in.
Hij keek om zich heen – wilde weten of er iemand had gezien wat er was gebeurd, maar niemand scheen te hebben opgelet. John Bressers schroefde de geluidsdemper los en hervatte de wandeling, want het was een mooie dag. Hij stak het wapen in de holster – zocht naar zijn telefoon voor een reservering in het café.
Hij zou straks honger hebben.
De probleemoplosser (1/2)
Voor het ontbijt ging John Bressers een paar kranten kopen – dit deed hij bij een boekenhandel die altijd enkele exemplaren weglegde – achter de toonbank.
Een kopje thee en een stuk of wat crackers met jam waren zijn eerste maaltijd van de dag, terwijl een opkomende zon zijn woonkamer probeerde binnen te dringen. Hij woonde alleen, was al een tijdje gescheiden, geen nieuwe partner, wel had hij twee kinderen – een jongen en een meisje die elk studeerden aan een universiteit – zodoende kwam een oude bijnaam weer in zijn e-mailbox terecht – ‘de archivaris’.
‘Niet langer relevant,’ zo luidde zijn commentaar en Bressers hoopte het onderwerp verder te kunnen laten rusten. ‘Nou ja – ik bewaarde altijd kranten en tijdschriften.’ Helemaal gelogen was het niet eens. Hij heeft dat inderdaad altijd gedaan. Weggooien deed Bressers nauwelijks iets. Voorlopig leek zijn dochter genoegen te nemen met zijn uitleg.
Op straat liep hij een oudere man tegen het lijf die, elke ochtend, om negen uur, het huis verliet in gezelschap van zijn hondje – een onduidelijk ras. Beide mannen knikten beleefd naar elkaar.
Zo kon het gebeuren dat de buurman, ditmaal zonder hondje, ’s middags in een restaurant koffie dronk en met zijn hand begon te zwaaien, terwijl Bressers passeerde.
“Hé – hé – buurman. Kom – ik trakteer.”
Bressers nam plaats en noemde zijn naam.
“Manfred Pastoor,” zei de ander met een glimlach, aangezien mensen kennelijk altijd moesten lachen als ze die naam hoorden.
“Alleen koffie,” zei Bressers tegen de serveerster.
“Je kunt gerust meer bestellen – goed eten, hoor.”
“Dank je, het is voldoende. Ik kom niets te kort.”
Manfred Pastoor begon direct te lachen. “Weet je – ik moest eventjes nadenken voordat ik wist waar ik je al eens eerder heb gezien – John Bressers – jij hebt vroeger gewerkt als – eh – probleemoplosser.”
“Dat klopt,” zei Bressers, “ik ben met pensioen.”
“Zo oud ben je niet eens.”
“Nee, ik ben 59.”
“Schaapjes op het droge – uiteraard.”
“Ik heb het aardig gedaan, ja.”
De serveerster zette het kopje neer en Bressers knikte heel beleefd naar de vrouw die erg jong moest zijn.
“Was je laatst niet in een talkshow?”
“Klopt – ik ben een tijdje in West-Afrika geweest. Daarom hebben ze me gevraagd.”
Pastoor knikte. “Dus je leest elke ochtend je kranten en soms geef je je mening weg in een televisieshow.”
“Als ik er zin in heb,” zei hij.
Op deze manier verliep hun eerste ontmoeting. De mannen woonden in dezelfde straat – dure woningen die gelegen waren middenin het oude stadscentrum. Na bijna tien minuten excuseerde Bressers zich en ging hij verder – zijn einddoel vormde een van de boekhandels die de oude stad nog altijd rijk was. Onderweg naar huis, dus bijna een uur later, liep hij Manfred Pastoor wederom tegen het lijf, alsof de man letterlijk op Bressers had zitten wachten en dat was uiteraard ook zo – Pastoor had een bizarre vraag voor Bressers die het boek, dat hij had gekocht, vasthield.
Er speelde een glimlachje rond de lippen van Pastoor. “Net als jij heb ik enorm veel meegemaakt,” zei hij, “en nu verveel ik me. Sinds enkele dagen denk ik na over het plegen van een moord,” Pastoor wachtte hier even, zodat de woorden konden doordringen tot het bewustzijn van zijn gesprekspartner. “Ja, een moord.”
“Onverstandig,” zei Bressers, “en bovendien verboden. Je krijgt een hoop gelazer met justitie.”
Ze stonden op straat – mensen liepen links en rechts voorbij – niemand besteedde enige aandacht aan twee mannen die een uiterst curieus gesprek voerden.
“Je moet ook geen pistool of zo gebruiken.”
“Waarom vind je overigens dat ik dit moet weten?”
“Boeit het je niet zo?”
“Ik ben met pensioen,” zei Bressers, “tegenwoordig leid ik een rustig leven en soms hang ik een schilderij of een kapstok op als mijn kinderen daarom vragen. Een misdaad voorbereiden is niet strafbaar, maar je kunt er beter geen mensen mee lastig vallen.” Manfred Pastoor wachtte af. “Neem een normale hobby – ga liever vissen – er zijn mensen die dat ook als moord zouden willen omschrijven.” Hij stak zijn hand groetend omhoog en draaide zich om.
Uiteraard bleef het vreemde verhaal hangen – Bressers legde het boek thuis op tafel, liet zich in zijn stoel vallen en dacht na over de man die zich Manfred Pastoor noemde – Bressers wist dat hij hem al eerder had gezien – hij was vergeten waar precies. Een man die beweerde een moord te willen plegen of zich in elk geval bezig hield met de voorbereiding ervan. Terwijl de koffie op het tafeltje koud werd, probeerde hij zich een locatie en naam voor de geest te halen – .
Na bijna drie kwartier stond hij op en liep Bressers naar beneden – daar was de kelder – zijn archief – alle dossiers die hij ooit had verzameld – belastende gegevens over mensen en bedrijven – het was een slecht teken als je naam in zijn archief voorkwam. Het betekende dat je ooit de wet had overtreden en niet een heel klein beetje, maar heel erg veel – zijn werk als probleemoplosser bestond eruit om mensen en bedrijven uit te schakelen die een bedreiging vormden voor de continuïteit van zakelijke activiteiten – zo werd het veelvuldig genoemd – als ordinaire hebzucht een probleem werd, sociale en economische structuren dreigden te ontsporen – dan werd Bressers gebeld – ‘n probleemoplosser, tevens scheidsrechter.
In de praktijk verzamelde hij zoveel belastende informatie dat zijn archief een legendarisch begrip werd – daarom konden zijn kinderen er beter niets van weten, om die reden moest het archief geheim blijven. John Bressers begreep goed dat zijn leven en gezondheid afhing van zijn betrouwbaarheid. Er mocht niets uitlekken, alles diende geheim te blijven. Als een zaak was afgesloten, dan bewaarde hij de documenten, omdat er soms een mijnheer verhaal kwam halen, dan moest Bressers bewijzen hebben. Uiteraard lag zijn gehele archief in een kluis – achter stevige muren en een elektronisch beveiligde deur.
Daarom noemden ze hem ook wel ‘de archivaris’, al vroeg hij zich eveneens af welke kennis van vroeger zijn kinderen lastig viel met een versleten bijnaam.
O ja – uiteraard mocht hij in talkshows verschijnen, zolang het maar niet ging over een van die oude zaken. Veel zaken hadden de media in West-Europa nooit gehaald. Er kwam meer niet in de krant dan wel. De selectiecriteria van westerse media speelden in zijn voordeel, maar het was potentieel explosief. Genoeg voor een kabinetscrisis. Dat was heel zeker.
Bressers trok een ladekast open – de letter ‘p’, want hij hanteerde een ouderwets systeem, dus geen computers die makkelijk gehackt konden worden – toch vond hij geen dossier onder de naam Pastoor. Hij schoof de la weer dicht en ging zitten. Zijn telefoon lag boven op tafel – beneden was er geen bereik – het was een bunker die zelfs een brand moesten kunnen doorstaan – zo was hij gebouwd.
*****
Volgende ochtend knikte Bressers vriendelijk naar Manfred Pastoor die zijn hondje uitliet – het vreemde verhaal van de buurman ijlde nog een beetje na. De voorbereiding van een terroristische aanslag was strafbaar – moord behoorde tot een andere categorie. Bovendien wilde Bressers er geen kwestie van maken, al had zijn nieuwsgierigheid hem ertoe gedreven maar liefst anderhalf uur door te brengen in zijn archief – hij had beslist gezocht naar informatie. Zijn werk had hem naar alle uithoeken van de aardbol gebracht – er waren beslist doden gevallen als gevolg van het werk dat hij had gedaan en soms werd hij ook wel eens gedwongen zichzelf te verdedigen – dat was ook zijn baan – en daarom leefde hij nog steeds. Ook was er nooit een dossier uitgelekt, terwijl dat volstrekt onmogelijk moest zijn – alles bleef waar het was. Een kwestie van vertrouwen – er lag voor een kapitaal aan belastend materiaal in zijn archief. Zo simpel was het.
Pastoor stiefelde naar het plantsoen met zijn hondje – Bressers ging naar de boekhandel voor de kranten.
“Heel vreemd, mijnheer Bressers,” zei de verkoopster, “we hebben een envelop gekregen die voor u is bestemd – een verzegelde envelop zelfs.”
“Toe maar – erg chique,” zei hij. Bressers wilde niet zeggen dat vroegere contacten langs deze weg begonnen – het betekende meestal een hoop werk gedurende enkele maanden die soms eindigde in een bloedbad en vaak is een bedrijf ook maar een façade.
“Alstublieft,” zei ze en Bressers nam zijn kranten mee – een enkele keer vulde hij een dossier aan. Dat ook. Misschien was het een formeel verzoek om een dossier te vernietigen – betrokken hoofdpersoon was overleden – Bressers voelde geen enkele behoefte om dat dan te negeren.
Eenmaal thuis liet hij de kranten op tafel vallen en opende hij eerst de enveloppe die een enkel A4’tje bevatte – meer niet – meestal trouwens. Het was een handgeschreven brief – schrijver was een man die een regelmatig, bijna ouderwets krullend handschrift had. Er is belangstelling voor je archief, oude vriend. Wees op je hoede! Sinds kort gaat je naam rond. Er stond geen naam onder, maar dat hoefde ook niet. Bressers begreep heel goed wie de schrijver was. Ze hadden elkaar in vroeger jaren veelvuldig gesproken.
Hij pakte zijn telefoon en tikte een sms’je voor zijn dochter die kort geleden wist te melden dat er iemand naar de archivaris had gevraagd of probleemoplosser – hij wilde weten wie er naar de archivaris had gevraagd – John Bressers was de man die werd bedoeld en hij had de vraag domweg afgewimpeld, omdat hij zijn relatieve rust niet wilde verstoren met spoken uit een ver en duister verleden – hij was een man met een verleden, net zo goed als Manfred Pastoor trouwens.
Een half uur later volgde het antwoord met een naam.
‘Ik wil die dame ontmoeten.’
‘Okee. Ik ga het zeggen. Waar en wanneer?’
‘In café ’t Vuistje. Prik maar een dag en tijd.’
‘Goed. Da’s bij jou om de hoek.’
Na het ontbijt verbrandde hij de brief en envelop.
******
De kluisdeur stond wagenwijd open – zijn telefoon lag op de traptrede, zodat hij bereikbaar bleef – nu wel – ondertussen zocht hij in het archief naar een man genaamd Manfred Pastoor – het verhaal liet hem niet los – vanmiddag zou hij een stukje gaan wandelen in de stad, een kopje koffie drinken, café ’t Vuistje natuurlijk, aangezien hij daar veel vaker zat – meestal geen alcoholische dranken, wel koffie en een lunch.
De buurman die een moord wilde plegen gebruikte waarschijnlijk een alias – nee, zeker, of hij had in een ver verleden een schuilnaam gebruikt waardoor het nu moeilijker was geworden om hem terug te vinden.
Bressers was bijna negen jaar geleden met pensioen gegaan – sindsdien leidde hij een teruggetrokken bestaan en kwam hij nooit in het buitenland. Geen behoefte aan, want hij was er vaak genoeg geweest, zelfs als zijn kinderen erom vroegen –misschien leefde er een zekere angst voor de demonen die hij tijdens zijn carrière had gecreëerd.
Hij haatte verrassingen en Manfred Pastoor was nou precies zo’n onverwachte wending, een rimpeling in een bestaan dat verder geen opwinding nodig had.
Bressers vermoedde dat hijzelf een doelwit kon zijn.
Het betekende dat Pastoor heel goed wist dat er een archief verborgen ging in – vermoedelijk – een kelder – bovendien zou Bressers veel tijd steken in een zoektocht – zijn brein was trager geworden – hij noemde het een gebrek aan oefening – zijn leven als welgestelde pensionado had hem erg lui gemaakt.
Zijn telefoon begon te trillen – hij pakte het toestel en keek – het was een berichtje van zijn dochter. Nu al.
‘Pap. De professor wil je vanmiddag al zien.’
‘Goed. Hoe laat?’
‘Vier uur.’
‘Prima. Ik zal er zijn.’
Voordat hij zijn telefoon neerlegde, tikte hij de naam Manfred Pastoor – ja, natuurlijk had Bressers dit meteen al moeten doen, maar hij had zichzelf aangeleerd de moderne sociale media te negeren.
Er volgden enkele jonge en oude mannen die zo heetten – hij vond een Twitteraccount van Pastoor – de profielfoto was niet zo heel erg duidelijk en Bressers besliste spoedig dat het de man niet was. Zelf had hij nooit activiteiten op internet ontplooid, een natuurlijke reactie voor een man die niet gevonden wilde worden – een geest in de moderne maatschappij – als je iets te verbergen hebt, moet je van het internet wegblijven. John Bressers behoorde tot de categorie die anoniem wilde zijn. Net als buurman Manfred Pastoor trouwens, die was ook zo.
Hij sloot de kluisdeur en keerde terug naar de woonkamer – het was half bewolkt, soms scheen er een waterig zonnetje – het was krap zeventien graden.
Een afspraak in een café, het liefst druk bezocht, maar dat hoefde niet eens – ze zouden elkaar in het openbaar ontmoeten – Russen maakten wel eens gebruik van zwaar giftig radioactief materiaal om mensen uit te schakelen – nee, hij zou een professor ontmoeten, niet een moordenaar, zoals Manfred Pastoor best wel eens zou kunnen zijn – de professor had netjes gevraagd naar ‘de archivaris’. Maar een professor kon ook bijklussen als moordenaar.
Misschien maakte hij zich veel te druk – paranoïde.
Om vijf minuten voor vier verliet hij zijn huis – hij droeg een dun regenjack – behalve zijn telefoon had hij ook gedacht aan een stiletto, want je wist het niet. Instincten, die sinds vele jaren hadden geslapen, kwamen zoetjesaan tot leven en mogelijk allemaal voor niets en was er weinig aan de hand.
In het café zat een goed verzorgde vrouw met halflang bruin haar aan een tafeltje – op een stoel naast de hare had ze een leren schooltas neergelegd die al een behoorlijke tijd in gebruik was – misschien sinds de middelbare school – hij glimlachte en stak zijn hand uit. “U zou mijn afspraak van vier uur moeten zijn.”
“Mijnheer Bressers,” zei ze en de vrouw stond op. “Ik ben Claudia van Weijlands. Het is een hele eer dat ik u hier zo snel mag ontmoeten – had ik niet gedacht.”
“Ja, soms moet je over de schutting kijken,” zei hij.
Ze namen allebei plaats.
“U bent niet zo van de sociale media,” zei ze.
“Ik vind het vreselijk.”
De serveerster zette een kopje koffie neer en Bressers beduidde dat hij later een broodje zou bestellen.
“U wordt ‘de archivaris’ genoemd,” zei Claudia, “ik zal met de deur in huis vallen, want ik doe onderzoek naar neokolonialisme – ik probeer die wereld in kaart te brengen en u blijkt er gewoon veel van te weten.”
“Je – Mag ik tutoyeren? – Je komt te laat,” zei hij, terwijl ze enkele malen bevestigend met haar hoofd knikte. “Ik heb alles verbrand – afgelopen winter.”
“Verdorie,” zei ze en Claudia liet haar hoofd zakken.
“En dat breng me op het volgende punt,” zei hij.
Ze lachte heel kort. “Ik voel ‘m al aankomen.”
“Dus – vertel – Wie heeft je geïnformeerd?”
“Ik moet mijn bron in bescherming nemen.”
“Da’s heel vervelend.”
“Weet je – ik had al een beetje het idee dat ik me in een soort wespennest aan het begeven was,” zei ze.
“Kwam je echt voor het archief?”
“’t Is een legende,” zei Claudia, “ik heb mannen en vrouwen geïnterviewd die op een of ander moment met jou te maken hebben gehad – zaken die nooit het nieuws hebben gehaald – modern kolonialisme – nu sturen ze geen soldaten en priesters – ze breken de markten gewoon open, al willen die landen vaak de producten niet eens hebben. Zoals tabak.”
“Ja, daar heb ik over gelezen – het is knap vervelend wat de tabaksindustrie in die landen doet – hier mogen die jongens het niet meer – daar evenmin, maar de landen kunnen hen amper tegenhouden. Ze worden juridisch en financieel platgewalst,” zei hij.
“Ik dacht eerst dat je het over olie wilde hebben.”
“Kan ook. Wil je dat?”, vroeg Bressers.
“Nee, want ik zit mijn tijd te verdoen.”
“Jammer,” zei Bressers die steeds beter begon te begrijpen dat hij komende jaren vaker over zijn schouder zou moeten kijken en letten op volgers.
“Waarom wilde je me eigenlijk ontmoeten?”
“Gisteren sprak ik een man die beweerde een moord voor te bereiden – bespottelijk natuurlijk – maar ik moest weer denken aan een vraag van mijn kinderen – een prof had naar ‘de archivaris’ gevraagd – naar mij dus. Ik wilde die persoon leren kennen.”
“Heb ik een probleem?”, vroeg ze.
“Nee, natuurlijk niet. Je praat oprecht gepassioneerd over de kwesties die je inderdaad bezighouden – je zat je beslist boos te maken over de tabaksindustrie.”
“Weten ze het?”, vroeg Claudia die vervolgens een slokje thee nam en het kopje voorzichtig terugzette.
“Wie?”
“O – ja – sorry – je kinderen uiteraard.”
“Ik ben zo’n man die thuis nooit praat over zijn werk. Daarom ben ik ook gescheiden. Te vaak weg geweest. Al spreken we elkaar regelmatig. Goed contact.”
“Dacht ik al. En als een van je kinderen je archief wil gebruiken voor onderzoek. Zou je dat goedkeuren?”
“Verbrand – afgelopen winter. Weet je nog?”
Claudia begon te lachen en nam een nieuw slokje thee. “Ik hoopte je te kunnen foppen,” zei ze, zodra ze het kopje weer terugzette op tafel. “Tevergeefs.”
“Je beticht me van leugens.”
“Nee – nou ja – ach, je weet maar nooit.”
“Hopelijk laat je niet na rond te bazuinen dat ik mijn archief heb vernietigd. Er is helemaal niets meer.”
“Doe ik. Vanmiddag heb ik de collega’s verteld dat ik jou ging ontmoeten – ze waren jaloers – zeiden ze.”
“Nu ga je hen vertellen dat je je tijd hebt verspild.”
“Inderdaad.”
Claudia stond op en wilde geld neerleggen, maar Bressers beduidde dat ze dat niet hoefde te doen.
“Wie weet tot ziens,” zei hij.
“Vast wel – als je kinderen afstuderen bijvoorbeeld.”
“Dat duurt nog een tijdje.”
Ze pakte haar schooltas mee en verliet het café.
“Mijnheer Bressers,” zei de serveerster, “ik moest dit kaartje aan u geven.” Hij pakte een kaartje aan dat een bekende naam bevatte – Robert Foley. “Maar dat mocht ik pas doen als de mevrouw was vertrokken.”
De klusjesman (5/5)
Het was al bijna zeven uur en de volgende dag zou hij naar het politiebureau moeten gaan om een verklaring te ondertekenen. Ach, hij kende het slachtoffer niet echt – had hem slechts eenmaal ontmoet in de garage, een gesprek dat handelde over de broer die in het huis had gewoond en een tijd geleden slachtoffer is geworden van een vergismoord, al zou de politie ook die zaak opnieuw bekijken – twee vermoorde broers waren geen toeval. In dat geval sprak je over boze opzet, een echt plan.
Er stond een koffer bij de voordeur – zijn kinderen zaten televisie te kijken en Michelle was met de afwas bezig – er stond een plastic bakje met macaroni klaar in de magnetron – het kon zo opgewarmd worden.
“Kennen we het slachtoffer?”, vroeg Michelle, terwijl ze de vaatwasmachine aanzette – ze draaide zich om en leunde tegen het aanrecht – armen over elkaar.
“Ja en nee – een broer van de oude bewoner.”
Ze beet op haar onderlip en hield de deuropening in de gaten – voor het geval een van de kinderen iets nodig mocht hebben. “Het haalt ons gewoon in.”
“Inderdaad.”
“We gaan vrijdagmiddag naar de caravan.”
“Niet naar je ouders?”
“Nee, da’s een verkeerd signaal – ze zouden denken dat we ruzie hebben gekregen en dat wil ik niet – .”
Hij knikte alleen.
“Wat ga je doen?”, vroeg ze.
“Geld teruggeven.”
“Alles?”
“Er zijn twee mensen voor vermoord,” zei hij.
“Ja – ja.”
“Dan is het werk echt gedaan.”
“Ik zal blij zijn als dat rotgeld weg is.”
Jon legde zijn vingers op het bakje dat niet erg warm aanvoelde en stelde de magnetron in op vijf minuten – normaal zou dat voldoende moeten zijn. De boodschapper had gezegd dat hij vrijdagavond op het verlaten bouwterrein moest zijn – met het geld uiteraard. Het was een vreemde, onhandige plek – hij moest er een behoorlijk stuk voor lopen met een zware koffer. Er school geen enkele vorm van logica in het plan, want de eigenaar zou zijn auto achteruit op het pad mogen zetten, zodat Jon de koffer er simpel in zou leggen.
Maar als je twee moorden hebt gepleegd – misschien zelfs meer – dan is een derde niet zo moeilijk.
Zou er camera- of hondenbewaking zijn? Geen honden, wel een camera. Voorlopig werd er alleen gesloopt, weinig interessant, gezien de mate van vervuiling die in de jaren vijftig op het terrein is begonnen en pas recentelijk is opgehouden.
Of het moest de bedoeling zijn dat het stoffelijk overschot van Jon Dekker op het terrein achterbleef.
De macaroni van Michelle smaakte prima als altijd – hij bracht zijn vork naar zijn mond en at verder. Er wachtte geen andere oplossing dan zelf een val opzetten voor de achtervolger – die een dode als waarschuwing had achtergelaten op straat – voor het geval het Jon nog niet helemaal duidelijk was geworden – het moest hem angst inboezemen, maar zo voelde hij het niet – wel verontrustte het hem dat hij het kennelijk anders ervoer dan hij behoorde te doen.
“Smaakt het?”, vroeg ze.
“Ja – zeker – het is lekker – zoals altijd.”
Zodra Michelle en de kinderen waren vertrokken, zou hij de pistolen in gereedheid brengen – hij had er eerder mee gewerkt, maar nooit op mensen gericht.
*****
Pistolen, geluidsdempers en kogels lagen op de werkbank – Jon vulde het magazijn volledig bij en gooide de overige kogels in een plastic zak die hij in het water wilde gooien – niet hier overigens, ergens anders – het Amsterdam-Rijnkanaal was geschikt. Zijn telefoon stond uitgeschakeld, maar Michelle zou vanavond niet meer bellen – ze hadden elkaar al gesproken – net na het eten – hij had een diepvriesmaaltijd warm gemaakt – het was, zoals wel vaker, net niet voldoende – Jon was een grote eter.
Er stak een pistool achter zijn broekriem – het andere wapen, voorzien van een demper, lag op de werkbank, een beetje verborgen onder karton. De schutter zou sowieso hierheen komen, aangezien Jon niet van plan was naar het bouwterrein te gaan en zich domweg neer te laten knallen, want zo zou het gaan.
Het werd negen uur en er gebeurde niets – natuurlijk, want zijn afspraak bevond zich een eind verderop – binnen dertig minuten zou er een auto voor het hek moeten stoppen, een andere uiteraard dan eerder die week – andere auto en kleur, een afwijkend kenteken. Alles zou anders zijn, behalve de man – de moordenaar van de twee broers. Jon was heel benieuwd.
De avonden duurden erg lang in juni, er lag een overheerlijke deken van koele lucht boven de stad. De horizon kleurde geel en oranje – Jon had een stoel neergezet in de garage die uiteraard openstond, als een stilzwijgende uitnodiging aan een klusjesman, want inmiddels was het al bijna half tien geworden. Het rechteronderbeen van Jon leunde losjes op zijn knie – onderarm rustte op de werkbank – het pistool binnen handbereik – het andere wapen stak in zijn broek. Af en toe passeerde er een fietser, maar dat werd steeds minder – . De overburen woonden op de andere oever – honderdvijftig naar het oosten en Jon wachtte nog steeds. Ze zouden een verrekijker nodig hebben om te zien wat er hier allemaal gebeurde – zulke mensen waren er wel degelijk – die een verrekijker hadden en aandachtig tuurden naar wat andere mensen deden.
Om zes minuten over half tien verscheen er een gedaante bij het tuinhek – hij moest een auto hebben, mogelijk een moderne die amper geluid maakte, al zou je de banden moeten horen. Hij had niets gehoord. De man had een slank postuur, een meter zeventig, misschien iets langer, maar niet zo heel erg veel. In het schemerduister ging een eventueel wapen verborgen achter een broekriem of in een schouderholster. Hek ging open en weer dicht – man kwam verder en inderdaad knarste het grind ritmisch onder zijn voeten – de man zou ongeveer zestig kilo moeten wegen, net zoveel als Michelle, want het grind klonk hetzelfde.
“We hadden een afspraak, mijnheer Dekker.”
Hoe zou het zijn als een klusjesman ontdekte dat de rollen plotseling waren omgedraaid?
“Ik ben geen man die zich zoiets laat overkomen.”
In een flits van een seconde hield de klusjesman een pistool vast, maar hij liet zijn arm omlaag hangen.
“Enig idee wat voor geld dat is?”
Een pistool met geluidsdemper…
“Nee.”
“Bloedgeld – hij heeft er voor gemoord.”
“Pecunia non olet,” zei Jon.
“Eh – ?”
Jon greep het wapen dat hij al de hele dag klaar had liggen – de klusjesman vuurde een schot af dat naast ging en eindigde in de stenen muur – Jon richtte zijn wapen en schoot vier keer – snel achter elkaar.
De klusjesman liet zijn wapen vallen en tastte enkele malen naar het bloed dat over zijn borstkas begon te stromen – alsof dit scenario onmogelijk scheen te kunnen gebeuren – hij was de brenger van dood.
Jon stond op en liep naar de klusjesman – schopte het wapen weg – maar wachtte tot de man omviel, wel sloot hij meteen de garagedeur. Geen pottenkijkers. Het idee van een eenzame man die urenlang in een verrekijker zat te staren liet hem geen moment los. Jon knielde neer en zocht naar een halsslagader, ook zocht hij naar andere, verborgen wapens, zoals een handig klein exemplaar dat je op je enkel bewaarde. De klusjesman was dood – drie van de vier schoten hadden doel geraakt, een vierde kogel zat in de muur. Hij zou de schade repareren, maar peuterde de kogel er direct al uit en zou die in het water gooien. Ook de andere kogel moest uit de muur. Het ging hem allemaal natuurlijk af, alsof hij een muur metselde en vervolgens de wanden opnieuw stuukte. Er moest ergens een auto staan en de dode man zou zijn sleutels vermoedelijk in een broek- of jaszak bewaren, waarschijnlijk rechts, de man was rechtshandig.
Jon trok handschoenen aan, heel dunne, zodat hij een beetje oogde als een laborant – of een arts – hij zocht de autosleutels van de indringer en vond ze terug in een broekzak – een setje dat toebehoorde aan een gehuurde auto die dichtbij geparkeerd moest staan. Hij probeerde zich te herinneren of er camera’s waren gericht op het huis – of had de buurman aan elektronische beveiliging gedacht – Jon dacht aan de honden die hij in huis wilde halen – Michelle vond het ook een goed idee en de kinderen zouden er weinig anders over denken – verwachtte hij. Honden waren beter – vooral nu een gangster de relatieve rust van zijn gezin had verstoord. Jon verliet zijn tuin en keek om zich heen – zocht naar een auto – een vrij nieuwe Peugeot.
Hij bleef staan op straat en keek naar het huis van zijn buurman – lichten waren uit, maar het was niet laat. De buurtjes zaten in de tuin – genoten van een koud drankje en hadden mogelijk aan hapjes gedacht. Ze zouden niet letten op Jon Dekker die een onbekende auto in zijn garage parkeerde, omdat hij een lijk moest dumpen – zonder forensische sporen achter te laten – er mochten uiteraard sporen in de auto achter blijven, maar Jon had geen strafblad en ook geen broers of zussen die fouten hadden gemaakt – hij dacht aan neven en nichten. Nee, hoogstwaarschijnlijk stond zijn slachtoffer bekend als een doorgewinterde gangster, dus werd er gedacht aan een afrekening in het criminele circuit.
Jon stapte in de auto en bekeek de stickers waarmee de verhuurder waarschuwde om niet te roken – hij reed terug naar huis – maakte zo min mogelijk herrie en moderne auto’s waren gelukkig erg stil. Hij remde, terwijl alleen de motorkap uit de garage stak – ver genoeg om het lijk op te pakken en op de passagiersstoel neer te zetten – Jon opende het portier en sleepte de dode man weg – het kostte hem inderdaad weinig moeite om het lijk in de stoel te zetten – Jon maakte de gordel vast, sloot het portier en drapeerde het hoofd voorzichtig tegen de ruit.
Jon controleerde heel uitgebreid zijn kleding – hij telde de knoopjes van het overhemd dat hij aan had. Er mochten geen aanwijzingen achter blijven. Niets.
Niemand zou argwanend reageren als hij in een auto zou rijden, terwijl er een bezopen vent in de stoel naast de zijne scheen te zitten – vrijdagavond, een mooie avond om eens goed dronken te worden. Het duurde hierna misschien een volle dag voordat iemand op het ruitje durfde te tikken, omdat die mijnheer toch wel erg lang bleef slapen – voordat de politie argwaan begon te krijgen – hij overwoog de auto in brand te steken, maar dat zou beslist heel veel aandacht wekken – net als het scenario dat hij nu wilde volgen. Een geliquideerde man die minstens één volle dag dood in zijn zelf gehuurde auto zou zitten – Hoelang zou het duren voordat de politie gealarmeerd werd?
De garagedeur ging langzaam omlaag – elektrisch – hij hoefde niet eens uit te stappen – Jon en Michelle moesten nog beslissen over beveiliging – honden dus.
Natuurlijk kon hij de auto het kanaal in rollen – Jon vond het een slecht idee – mensen zouden zich details herinneren – het was iets afwijkends en daarom niet geschikt – hij moest de auto ergens achterlaten – het liefst op een parkeerterrein dat buiten bereik van bewakingscamera’s lag – slooppanden. Dit was nog het lastigst – bijvoorbeeld een parkeerplaats die zich in een drukke woonwijk bevond waarbij Jon de auto parkeerde en vervolgens weg zou kunnen lopen zonder enige argwaan te wekken – alsof hij een winkel verliet – of een restaurant – drie of vier stappen – daarna zou hij in de massa zijn opgelost – heel simpel. Zijn mondhoeken gingen omhoog – misschien had hij een briefje ‘niet storen a.u.b.’ op het dashboard moeten leggen.
Hij sloeg rechts af – daarginds lag het bouwterrein – komende jaren ging er een woonwijk verrijzen. Ze zouden elkaar daar ergens hebben moeten treffen – nu liet Jon Dekker de auto achter met het lichaam erin.
Hij stopte onder een paar overhangende bomen – toch baadde een deel van de weg in een zee van licht – Jon bleef zitten en wachtte – tot het weer donker werd.
Het duurde vijf minuten – daarna pas stapte hij uit. Jon zocht de lampen en begreep dat ze reageerden op bewegingsschakelaars – natuurlijk – dus nam hij een omweg – hij gooide de sleutels in het water – er waren geen fietsers – geen wandelaars – hij was de enige.
Jon moest de vloer van de garage schoonmaken.
Er zouden bloedvlekken moeten liggen.
Hij zou natuurlijk een beetje verf kunnen knoeien – dat was beter dan een agressief schoonmaakmiddel.
Jon trok de handschoenen uit en propte ze in zijn broekzak – straks zou hij ze weggooien – thuis…
‘Pecunia non olet’ – ja, de Romeinen begrepen het al – geld stinkt niet.
De klusjesman (4/5)
“Ik ben alleen maar de boodschapper,” zei hij.
Jon hield de beitel voor zich – dreigend – alsof hij elk moment toe zou kunnen slaan, maar dat gebeurde niet. Hij bleef staan en besloot niet te reageren.
“De pianospeler, zo gezegd,” ging de man verder.
Jon liet zijn hand zakken en legde de beitel weg.
“U heeft het geld gevonden – dat weten ze.”
Nog altijd zei Jon geen woord.
“Maar niet waar u het bewaart.”
De man leek zijn ergste angst kwijt te zijn geraakt – hij had het pakketje afgeleverd en mocht zo weer vertrekken – naar huis – naar zijn gezin – als de man tenminste een partner of kinderen had.
“Blijkbaar moet ik op zoek naar afluisterapparatuur,” zei Jon wiens stem ijzig vlak klonk – ze wisten alles.
Je had beslist een sadistische persoonlijkheid nodig om de broer van je moordslachtoffer naar Jons huis te sturen – natuurlijk onder bedreiging van een nieuwe moord. Zo moest het zijn gegaan. Het kon niet anders. Maar een echte kerel zou de boodschap zelf hebben afgeleverd en geen – pianospeler – hebben gestuurd.
“Vrijdagavond – negen uur – op het bouwterrein.”
“Welk bouwterrein. Er wordt erg veel gebouwd.”
“Eindje verderop. Je weet wel. Er schijnen drie schoorstenen te staan – .”
“En dan?”
“Dat hoef ik niet meer te zeggen,” zei de man – zijn zelfvertrouwen was gegroeid, “je hebt een miljoen redenen om de afspraak na te komen – je moet wel.”
“Zeg maar tegen je opdrachtgever dat ik er zal zijn,” zei Jon, “om negen uur – op het bouwterrein.” Bijna anderhalf kilometer verderop – misschien twee – lag een braakliggend terrein langs het kanaal waar in de nabije toekomst twintigduizend mensen kwamen te wonen. “En een miljoen redenen om de afspraak na te komen,” zei Jon. De man die geen naam leek te hebben, knikte enkele malen en draaide zich toen om.
Jon wist dat het tijd werd om de wapens uit hun bergplaats op te halen – hij zou ze ongetwijfeld nodig hebben – eentje in elk geval – bovendien leek het hem een goed moment om de vuurwapens kwijt te raken – te dumpen. Hij wilde ze in het water gooien, zodat ze verloren zouden zijn. Hij leunde tegen de werkbank en hield ondertussen de tuin en straat in de gaten, alsof er meer onbekende bezoekers konden opduiken die iets wilden, al ging meestal het dan om zendelingen of vertegenwoordigers.
Jon haalde het luik weg en liet zich omlaag zakken – in de kruipruimte – hij had inderdaad een miljoen redenen om het probleem op te lossen dat zijn gezin bedreigde. Hij kroop naar de uiterste verre hoek – het pakket lag er zoals hij het maanden geleden had achtergelaten, twee pistolen en een doosje kogels gewikkeld in plastic en duct tape.
Jon kroop terug en kwam weer overeind – zijn bovenlichaam stak boven de vloer uit – er heerste een diepe stilte in huis – Michelle was er niet, net als de kinderen die normaal een hels kabaal maakten. Hij plaatste het luik en legde de deurmat terug – de wapens zou hij in een paar emmers verbergen – er lagen schroeven in – ze waren loodzwaar en Jon was sowieso de enige die ze naar beneden kon tillen. Het zou slechts enkele dagen duren – daarna lagen wapens èn kogels op de bodem van het kanaal.
Bijna een uur later kwamen Meindert en Allert thuis, het was gedaan met de rust, maar de belangrijkste mededeling hield hij achterwege – vrijdagavond zouden ze bij opa en oma doorbrengen. “Pap – pap – we hebben gewonnen – met 6-1!”, riep Meindert die zijn tas, net als Allert overigens, gewoon in de gang wilde neergooien. Een prettige opwinding, het ging eigenlijk altijd zo – dus binnenstormen, beetje schreeuwen en tassen middenin de gang neergooien.
“Opruimen jongens,” zei hij – de wijsvinger van Jon wees naar de badkamer waar de wasmachine stond.
“Oké – oké,” zei Meindert die zijn tas meenam.
Allert volgde hem, maar hij had er een hekel aan, want veel liever liet hij zich direct neerploffen op de bank om een computerspel te spelen – tegen Barcelona bijvoorbeeld. Het behoorde tot de vaste rituelen in huis en Jon begreep het goed – hij probeerde de pistolen te vergeten, maar de boodschap van de naamloze man bleef in zijn hoofd rondspoken – vrijdag om negen uur op het bouwterrein. Vrouw en kinderen zouden de avond bij zijn schoonouders doorbrengen – hij moest zaken doen. Hij moest het geld teruggeven – een miljoen euro – een miljoen redenen om een nieuwe koffer te kopen waarin hij die bankbiljetten zou moeten stoppen en vervolgens – . Bij de drie schoorstenen, daar hing, dacht hij, een beveiligingscamera, niet zo handig dus.
“Ik ben alleen maar de boodschapper,” zei hij.
Jon trachtte zich weer te concentreren op de gereedschappen die hij wilde opruimen – de emmers waren verstopt achter een boormachine en slijptol.
“De pianospeler, zo gezegd.”
Er verstreek nog eens anderhalf uur voordat Michelle thuiskwam – het grind knisperde onder de banden van hun auto – Floortje stapte de garage in – Jon was nog altijd aan het opruimen en het werk zou hem minimaal twee uur kosten – zijn dochter droeg haar nieuwe schoenen – misschien zouden ze slechts een seizoen meegaan, misschien wat langer, een half jaar of zo.
“Heel mooi,” zei hij, “hele mooie schoenen.”
“Ja hè?”
Koplampen van hun auto doofden langzaam uit – portier zwaaide open en Michelle legde haar hand op het portier en begon uit te stappen. Er lag een tevreden, maar vermoeide glimlach op het gezicht van zijn echtgenote die zich energiek toonde in shoppen, zoals kopen van schoenen voor Floortje – ja, het was wel eens vermoeiend – ze gooide het portier met een stevige zwaai dicht en liep verder.
“Lekker bezig geweest?”, vroeg Michelle.
“Mm. Beetje.”
“Hoezo? Ging het niet helemaal lekker?”
Jon legde zijn beide handen op de werkbank – hij leunde er met zijn rug tegenaan. “Ik heb vrijdagavond een klus te doen – misschien is het verstandig als je naar je ouders gaat met de kinderen – tv kijken.”
“Floortje – Ga jij naar binnen?”
Michelle keek haar dochter ernstig aan.
“Ja mam,” zei Floortje.
Jon en Michelle wachtten tot hun dochter weg was.
“Wat is er gebeurd?”, vroeg Michelle.
“Er was bezoek – een man uit België, maar met ‘n vlekkeloos Hollands accent, broer van die ander. Mijn aanwezigheid is vrijdagavond dringend gewenst. Zo luidde de boodschap. Meer niet. Ik vermoed dat het over het geld gaat – daar moet het immers over gaan.”
Michelle knikte begrijpend.
“Vrijdagavond dus,” zei ze.
“Ja.”
Hij moest nadenken, maar wist goed beschouwd dat het niet eens nodig was, aangezien er maar één verstandige beslissing wachtte, namelijk geld teruggeven, want ze wilden hun centen terug hebben.
“Beslist niet, je vader heeft het zo al druk genoeg!”, hoorde hij Michelle roepen naar een van de kinderen.
Hij overwoog de radio aan te zetten, maar besloot dat het lawaai van zijn kinderen ruimschoots voldeed.
Natuurlijk lag daar juist de motivatie – hij behoorde zijn gezin te beschermen – het geld was niet relevant. Veel anders hoefde hij niet te doen – alleen zijn gezin te beschermen tegen het kwaad dat op de loer lag.
*****
Rond vijf uur ’s middags, net voor het eten, hoorde hij twee droge knallen – Jon dacht meteen aan pistoolschoten – de emmer met spijkers en wapens stond onveranderlijk op de kast – er kon geen sprake zijn van een ongeluk. De kinderen waren niet in de garage geweest. Geen moment. Ze moesten er weg blijven van Michelle, want haar stem had hij gehoord. Jon liep de tuin in – kalm – er klonken vaker vreemde geluiden op straat en meestal betekende het dat er weinig aan de hand was. “Jon?”, vroeg Michelle die in de keukendeur bleef staan – de gezichten van Meindert en Allert waren zichtbaar – Floortje niet.
“Waar is Floor?”, vroeg hij.
“Binnen – op de bank – koptelefoon.”
Jon liet de tuin achter zich en ging verder, maar bleef staan – een roeiboot lag stil in het water – de roeiers, allemaal jonge mannen, keken naar de kruising – een volwassen man lag op zijn rug – een jonge vrouw was naast hem neergeknield en scheen te bedenken of ze iets moest doen – reanimeren bijvoorbeeld. Jon viste onhandig naar zijn telefoon, liep naar de vrouw en het slachtoffer dat hij eerder die dag gesproken had.
“Heb je 112 al gebeld?”, vroeg Jon.
“Nee – ja – eh – ik weet het niet meer,” zei ze.
“Dan bel ik nog wel een keer,” zei hij.
“Wat moet ik nou doen?”, vroeg ze.
Jon boog voorover en zag twee bloedende vlekken – de boodschapper leefde nog steeds en hij staarde omhoog. “N-niet s-s-schieten – ik ben d-de p-pianospeler,” de woorden kwamen heel moeizaam uit zijn mond, want de letters leken zich te vermengen met bloed.
“Er is hulp onderweg, mijnheer.”
“Hallo, ik ben Jon Dekker.” Hij begon te vertellen waar hij zich bevond – hoe de straat heette – er had een schietpartij plaatsgevonden – slachtoffer leefde nog wel, maar er was haast geboden – ja, twee schoten in de borststreek, zo te zien – de dame van 112 vertelde dat er al een ambulance onderweg was – . Jon draaide zich om – alleen de buren stonden buiten te kijken. O, er had inderdaad al een jonge vrouw gebeld over een man die was neergeschoten – er waren meer ambulances onderweg – en politie uiteraard – die kwam ook.
“Hij is dood, denk ik,” zei de jonge vrouw.
“Volgens mij heb je gelijk.”
“Wat bedoelde hij nou – hij noemde zichzelf een pianospeler,” zei ze. “Snapt u wat hij wilde zeggen?”
“Nee, ik heb geen flauw idee,” zei Jon.
Een jonge kerel op een fiets keerde om en zei: “Ik blijf wachten op de politie om een getuigenverklaring af te leggen – die jongens hebben echt niks gezien, hoor.”
“Er kwam een auto aanrijden,” zei de vrouw die had willen reanimeren, “en die stopte opeens – deze man stapte uit – volgens mij stapte hij uit die auto en – .”
“Toen klonken er twee pistoolschoten.”
Jon luisterde zwijgend en reconstrueerde het incident, zoals het had plaatsgevonden – het was bijna een scene uit de film. Blijkbaar had de pianospeler zijn werk niet al te best gedaan – de klusjesman vond dat Jon zich niet ten volle bewust was van de inzet.
“Ik was mijn gereedschap aan het opruimen,” zei hij.
De klusjesman leek een echte, belangrijke boodschap voor Jon Dekker achter te willen laten op straat. Het moest een boodschap voor Jon zijn.
Hij keek nog eens of Michelle en kinderen op straat stonden, maar zijn echtgenote had ze alle drie binnen gehouden. Een ambulance kwam dichterbij – en Jon stapte op de kruising om aan te wijzen waar ze precies heen moesten rijden – al waren ze te laat.
Ambulance stopte – portier zwaaide open – man stapte uit en Jon zei: “Ik denk dat jullie te laat zijn – nee – herstel – jullie zijn beslist te laat voor die man.”
Niets vertellen over die man, een broer van de vorige eigenaar, betekende meineed, dus moest Jon wel iets zeggen over hun ontmoeting – het gesprek dat ze samen hadden gehad en het slachtoffer zou nooit iets verklappen over het gespreksonderwerp, al zouden andere mensen, bijvoorbeeld zijn buren, kunnen verklaren dat de man in het huis van de familie Dekker is geweest – een boom verstop je het best in een bos – een leugen verstop je tussen de waarheid.
Ja, de man was inderdaad binnen geweest, agent – of rechercheur, maar ze hadden een praatje gemaakt over het huis en de broer die per ongeluk was vermoord – niet ver hier vandaan. Het was ondenkbaar dat Jon en Michelle geen enkele kennis zouden kunnen hebben van het verleden. Jon haatte het om te liegen, want hij moest ook onthouden tegen wie hij welke leugens had opgehangen – daarom sprak hij liever de waarheid – of zweeg hij.
Er arriveerden nog twee ambulances die al vrij snel weer vertrokken – ze hadden geen reëel nut meer. De politie arriveerde wat later waarbij de straat tot plaats delict werd aangemerkt – Jon was getuige, een getuige overigens die niets had gezien.
Ja, hij had zelf gebeld naar 112, maar de agent stelde niet eens de vraag of Jon het slachtoffer misschien kende.
Hij maakte zich geen illusies over vragen van de politie – die zouden ze beslist nog wel gaan stellen.
De Klusjesman (3/5)
“Jon – ik maak me zorgen,” zei Michelle.
Eind mei, terwijl de kinderen op school waren en Michelle aan het werk, had hij een snipperdag genomen, zodat hij in alle rust twee extra kluizen kon verbergen in huis – zijn vrouw bewaarde sinds die dag een briefje waarop heel gedetailleerd stond beschreven waar hij ze had verborgen – in plaats van het gehele bedrag in één enkele kluis te verbergen, leek het hem beter om het te verspreiden – als het nodig mocht zijn, kon hij de verborgen geldkluizen weer bloot leggen. Voorlopig lag er een goede stuclaag overheen, een bedrag van bijna zevenhonderdduizend euro verdeeld over twee kleinere kluizen – veel kleiner dan die andere waarvoor je slechts een litho moest weghalen.
“Dat begrijp ik,” zei Jon.
Ze waren onderweg naar huis – om half een ’s nachts – de verjaardag van een vriendin van Michelle was een gezellige boel geweest, maar Jon zou water drinken, of cola, of sinas, alles behalve bier. Michelle had een paar glazen wijn gedronken – de kinderen waren thuis – een nichtje van Jon fungeerde er als oppasser.
“En het kom niet door de wijn,” zei ze.
“Zorgen over geld – heel veel geld…”
“Ja.”
“Denk je er zo vaak aan?”, vroeg Jon.
“Elke dag.”
“Ben je bang?”
“Nee, dan zou ik dat hebben gezegd.”
“Oké.”
“Leg nog eens uit waarom je die twee andere kluizen wilde installeren,” zei Michelle die naar Jon keek, maar hij hield zijn ogen op de weg – het was een smalle dijk, want de vriendin woonde achteraf – prachtige boerderij, heel mooi opgeknapt – gemoderniseerd.
“Risico verspreiden – ik denk dat ze naar het geld hebben gezocht, maar nooit gevonden en je mag niet uitsluiten dat ze het nog eens zullen proberen, als we tijdens de zomervakantie in Frankrijk zullen zijn – .”
“En dat vind ik een beetje eng – dat je zo denkt.”
“Je moet vooruit denken – mensen zijn voorspelbaar, erg vaak tenminste – ik heb een hekel aan gedrag dat doet denken aan psychiatrische stoornissen,” zei hij.
“Om die reden heb je veel aandacht besteed aan beveiliging – mijn ouders vonden je paranoïde.”
“Je ouders zijn erg aardige, maar naïeve mensen.”
“Maar je hebt geen alarmsysteem aangelegd.”
“Nee, want een hond is effectiever.”
“Geen poedel, denk ik.”
“Ik denk aan een herdershond.”
“Da’s dan voor het eerst.”
“We hebben vroeger honden gehad.”
“Ik heb je er nooit over gehoord.”
“De kinderen konden beter wat groter zijn,” zei hij.
“Zullen we het eerst in de groep gooien?”
“Mm, om vervolgens te horen dat Floortje een chihuahua schattig zou vinden en dan moet je er ook iets mee doen – ik begin over een herdershond met een reden – zo’n dier beschermt het huis – zijn thuis – ons thuis.”
“Wat ben jij héérlijk democratisch, Jon.”
Hij begon te lachen – zijn voet liet het gaspedaal los en Jon stuurde naar links – richting Den Bosch, daar lag de oprit voor de snelweg – ze woonden in Utrecht.
“Een hond en een kat.”
“Gaat dat samen?”, vroeg Michelle.
“Jawel hoor – tuurlijk.”
“Huisje, boompje, beestje,” zei Michelle. “En dan zou er nooit iets raars kunnen gebeuren, denk je?”
“Je hebt in elk geval wat risico’s uitgesloten.”
“Ze kunnen hoogstens geld stelen – een deel ervan.”
“Of desnoods alles, maar we zijn zelf veilig, tenzij we zouden afspreken dat we het geld op de stoep van het Leger des Heils achterlaten – of de politie.”
“Ik haat het, Jon, ik haat het.”
“Dat begrijp ik, maar je moet je voorstellen wat ze zouden doen als het geld er niet eens meer is,” zei hij.
“Niks, denk ik.”
“Dàt hangt helemaal af van de psychische gestoordheid van de – klusjesman – die ze sturen.”
“Het is toch een hoop geld.”
“Precies – en stel je nou eens voor dat er nooit iemand aanbelt om zijn of haar geld op te halen,” zei hij.
“Dan ben je al die tijd bang geweest voor niets.”
“Inderdaad.”
“Je moet me één ding beloven,” zei hij, “mocht ik je ooit eens op een apart tijdstip vragen in de auto te stappen en met de kinderen naar je ouders te gaan, dan moet je dat ook meteen doen – dus zonder vragen.”
“Oké.”
“Dank je.”
“Wat ga je dan doen?”
“Alles regelen natuurlijk.”
Michelle sloeg haar handen even voor het gezicht, maar ze huilde niet – Jon keek eventjes opzij en meende dat met name de kilte van zijn reactie nogal hard was binnengekomen – hij legde een hand op haar knie, maar ze schoof hem onmiddellijk weer weg.
*****
Drie dagen later en het was een zonnige, warme dag. De kinderen waren op straat aan het spelen, het was een fietsstraat, auto’s reden er zelden, er passeerden regelmatig hardlopers, wandelaars natuurlijk, mannen en vrouwen met honden. Michelle ruimde de was op – Jon zat achter de computer te zoeken naar mogelijkheden om zwart geld wit te wassen, een tijdrovende bezigheid, zowel het uitzoeken als de feitelijke uitvoering, maar kennelijk een populaire bezigheid – er bleek enorm veel informatie beschikbaar te zijn op internet – alleen moest Jon er een café voor beheren – op papier in elk geval – hij las een verhaal waarbij er goed bier in het riool werd gestort, zodat de omzet op papier verhoogd kon worden – .
Jon kende zijn plicht als echtgenoot en vader – elimineren van alle risico’s – toch hadden ze er allebei voor gekozen het geld te bewaren, omdat het nu eenmaal erg veel was – een miljoen euro – ongeveer.
Hij voelde de prettige lichaamswarmte van zijn vrouw – ze stond rechts achter hem – Michelle zoende hem in zijn nek – haar haren vielen over zijn gezicht. “Hoi liefie,” zei hij en Jon schoof de muis weg.
“Wat ben je aan het doen?”, vroeg ze.
“Mogelijkheden zoeken om geld wit te wassen,” zei hij, “erg lastig, tenzij je een corrupte bankmedewerker weet te vinden – hem of haar vijfduizend euro geeft voor het studiefonds van de kinderen die dan aan de universiteit van Sofia kunnen studeren – je zult mensen moeten vertrouwen die je nooit eerder hebt gezien – risico’s lopen,” zei hij.
“Andere manieren? Zijn die er ook?”
“Je kunt het mokkelen naar Dubai – zo’n soort land – waar ze een echt ouderwets bankgeheim hebben.”
“Lijkt me lastig.”
“Inderdaad – de situatie is erg lastig.”
“Jon,” zei Michelle, “als er iemand voor komt – Zou je het geld dan gewoon teruggeven aan – zo’n man?”
“Ik zou er geen mensenlevens voor op het spel zetten,” zei hij, “dat is het niet waard – niet voor mij en dat zou het werkelijk voor niemand mogen zijn.”
“Ik dacht – in de auto – dat je iets anders wilde doen,” zei Michelle. “Hoever zou je kunnen gaan?” Ze trok een stoel onder de tafel vandaan en nam plaats.
“Verkeerde vraag – Hoever zou ik willen gaan?”
“Ik durfde het niet te zeggen,” zei Michelle.
“In elk geval zou ik het risico nooit opzoeken.”
“Alles doen – en alleen maar – om je gezin te beschermen,” zei Michelle, “je bent een heel harde man – veel harder dan ik ooit had durven denken – al ben je ook ontzettend lief en zorgzaam – gelukkig.”
“Zo hard vind ik mezelf niet eens.”
“In de auto – dacht ik heel even – dat je zo’n kerel – die klusjesman – om zou kunnen leggen – vermoorden,” zei Michelle, “zaken doen, zoals ze dat in die enge films noemen – ik vind het echt heel eng.”
Hij schudde zijn hoofd en sloot het venster af dat hij open had staan, terwijl Floortje binnenkwam. “Nee, ik zou de risico’s willen uitsluiten – voordat de politie op bezoek moet komen om de lijken op te ruimen.”
“Ik heb honger,” zei Floortje.
“Trek – je hebt trek – geen honger.”
“Ja-a, trek.” Floortje trok er een gezicht bij.
“Als je gewoon je boterham op had gegeten – dan zou je nu geen – trek – hebben gehad,” zei Michelle.
“Pa-hap – Mam doet het weer!”, riep Floortje.
“En terecht,” zei Jon.
“Maar ik heb nog steeds h – trek.”
“Er is nog liga – dat mag je hebben en niks anders.”
“Goed mam,” zei Floortje die naar de keuken begon te lopen – Jon wachtte af tot zijn dochter weg was.
“Je had het over lijken opruimen,” zei Michelle.
“Ja, je hebt weinig aan die lui – de politie dus.”
“Kunnen we het geld nog inleveren?”
“We hebben wel erg lang gewacht, hè.”
“Bovendien wil ik het voor onszelf houden,” zei ze.
“Misschien komt er nooit iemand voor.”
“En als dat wel gebeurt?”
“Dan zal ik zaken moeten doen met die vent – al heb je er nog zo’n hekel aan – net als ik trouwens.”
Floortje verscheen in de deuropening met haar liga – ze had er een stukje van afgebeten en stond met een vrolijke grijns op haar gezicht te kauwen. “Lekker.”
“Er zitten mussen op het dak,” zei Jon.
“Inderdaad,” zei Michelle.
“Huh?”, vroeg Floortje. “Hoe weet je dat nou?”
“We zien en horen àlles,” zei Michelle die opstond en deed alsof ze een stukje liga wilde opeten, maar Floortje rende snel de tuin in en gilde er vrolijk bij.
*****
De jongens – Meindert en Allert – waren aan het voetballen, nu eens niet op straat, maar op een echt veld – de buurman speelde voor chauffeur, aangezien zijn zoon in hetzelfde team speelde. Floortje had nieuwe schoenen nodig, dus zochten moeder en dochter uren naar een geschikt paar, altijd een moeilijke operatie. Ondertussen ruimde Jon in de garage zijn gereedschap op – twee stalen kasten die voldoende ruimte moesten bieden om alles goed op te bergen.
Er stonden een paar fietsen, uiteraard ook de zijne, vanavond zou Michelle er de auto willen parkeren. Op de werkbank stond een oude radio en er klonk muziek uit de jaren tachtig – Depeche Mode – de oprijlaan bestond uit grind en elke stap zou hij kunnen horen – ook een fiets die dichterbij kwam of een auto.
“Fijne muziek,” zei een stem, maar hij luisterde net niet aandachtig genoeg om te kunnen bepalen waar de spreker vandaan zou kunnen komen – Jon pakte een beitel vast en deed alsof hij stevig na stond te denken.
Hij draaide zijn hoofd en zag een man die ongeveer veertig jaar oud zou moeten zijn – iets ouder misschien zelfs – de onbekende bezoeker droeg een kostuum – wit overhemd, maar geen stropdas – er groeide een stoppelbaardje op zijn kin – geen bril, een lange magere gestalte, hoge jukbeenderen – kort haar.
“Je moet er voor in de stemming zijn,” zei Jon.
“Is dat niet altijd zo?”, vroeg de man die keurig buiten bleef staan – het grind knarste onder zijn schoenen.
Jon gaf geen antwoord en speelde nog steeds met de beitel – het was onduidelijk waar de onbekende man voor kwam – eerlijk gezegd dacht Jon niet aan geld – hèt geld – misschien een evangelist, een priester of zo.
“Denk het,” zei Jon.
“Leuk wonen,” zei de man die om zich heen begon te kijken en deed alsof de omgeving hem nu pas opviel.
“Ja – geweldig – inderdaad.”
Jon leunde bijna ongeïnteresseerd tegen de werkbank, maar hield nog steeds de beitel vast. Hij startte een onhandige poging om zijn nagels schoon te maken.
“Ik – eh – heb een broer gehad die – eh – een tijdje terug in dit huis heeft gewoond,” zei de man.
“O,” reageerde Jon.
“We komen uit Ieper.”
“Stad met een verleden.”
“Maar we wonen al dertig jaar in Holland.”
“Als kind geëmigreerd,” stelde Jon vast.
“Mag ik verder komen?”, vroeg de onbekende.
“Tuurlijk.”
“Ziet u – mijn broer is vermoord – misschien kent u het verhaal – een vergismoord – zei de politie.”
“Ja, een trieste geschiedenis,” zei Jon.
“Het was moeilijk, maar ik moest het aanvaarden – zulke dingen gebeuren nu eenmaal in de wereld.”
“’t Is een idiote wereld,” zei Jon.
Toch prettig dat deze van oorsprong Belgische mijnheer heeft gewacht tot Jon Dekker alleen was. Het had anders gekund – in dat geval zou Michelle de kinderen direct in hun Volvo hebben gefrommeld. Ze zouden met hun viertjes zijn vertrokken – heel zeker.
“Ik heb me altijd afgevraagd of mijn broer iets zou hebben achtergelaten – een boodschap – we zijn de laatste tien jaren niet echt close geweest – Ziet u?”
“Ja.”
Jon strekte zijn arm en schakelde de radio uit – nu geen muziek met veel synthesizers, maar volstrekte rust, als je de plonzende roeispanen niet meerekende.
“Zo – eindelijk heb ik uw volledige aandacht.”
Nog steeds hield hij de beitel vast. Hij speelde er mee.
“Alsof je die nodig hebt,” zei Jon.
“Ik ken een miljoen redenen om uw aandacht te vragen, mijnheer Dekker – uw gezin niet meegeteld.”
“Een miljoen – da’s een heleboel.”
De man liet zijn rechterhand over zijn korte, stekelige haar glijden – het colbertjasje viel verder open en in de oksel bleek zich een enorme transpiratievlek te hebben gevormd – man liet zijn arm direct zakken.
Jon meende een nerveuze bibber te herkennen en een paar vochtdruppels op het voorhoofd te zien.
“Mijnheer Dekker – ik ben ook maar gestuurd.”
De klusjesman (2/5)
Jon en Michelle lagen in bed – het was ’s avonds laat – boven hun hoofd hing een litho van Dali, een kunstenaar die ze normaal veel te duur zouden zouden vinden, maar door een gelukkig toeval konden ze het betalen. Het raam stond op een kier, iets meer dan dat zelfs. Koude buitenlucht drong binnen, maar zo hadden ze het graag. Ze genoten van elkaars lichaamswarmte. Kinderen lagen al enkele uren te slapen – alle drie – Meindert, Allert en Floortje. Er moest nog veel gebeuren in huis, maar ze konden er in elk geval wonen en dat deden ze sinds een maand.
“Ik heb een artikel gelezen over de laatste bewoner die langer dan een jaar in dit huis heeft gewoond,” zei Michelle die het karwei had opgepakt om de geschiedenis van het huis uit te pluizen, omdat ze dacht te ontdekken wie er een groot geldbedrag zou kunnen hebben verstopt achter een zelf gemetselde muur. Ze sprak haar woorden op een plechtige toon. Vervolgens viel het ineens en schijnbaar zonder aanwijsbare reden stil – Jon keek opzij en wachtte af. De schaduwen van hun slaapkamer waren donker genoeg om vreemde, bijna grillige vormen te creëren.
“Er is best veel over bekend, ik heb alleen een tijdje moeten zoeken,” zei Michelle. “Man is vermoord.”
Jon luisterde naar voetstappen van hun kinderen op de overloop, zodat ze konden horen wat moeder en vader tegen elkaar zeiden. Er was niets.
“Is er een motief bekend – een dader misschien?”
“Man stond bekend als een einzelgänger, gedroeg zich erg netjes in het openbaar, een kluizenaar dus eigenlijk, hij bemoeide zich nergens mee, ze wisten in de buurt niet eens dat hij uit België kwam.”
Op de overloop kraakte er een plank, een van de kinderen zou aan het wandelen kunnen zijn – .
Ze wachtte enkele seconden die in een minuut veranderden – het moest echt volkomen stil zijn.
“Politie dacht aan een vergismoord.”
“Er waren met andere woorden geen concrete aanwijzingen die het slachtoffer verbonden met de onderwereld – georganiseerde misdaad,” zei Jon.
“Zoiets – ja – daar dacht ik ook aan.”
“Blijkbaar beschikt de recherche over een smoelenboek waarin alle bekende leden van de plaatselijke maffia worden beschreven, het liefst met een foto erbij, al dan niet gemaakt na een arrestatie.”
“Een criminele database. Je zou het wel denken.”
“Politiewerk is vooral informatie verzamelen.”
“Ja – en dus?”, vroeg Michelle.
“Een crimineel mag geen aanwijzingen achterlaten.”
“Dus de man, die hier jaren geleden heeft gewoond, kan een onderwereldbankier zijn geweest – iemand die een groot geldbedrag bewaarde voor de maffia.”
“Louter speculaties,” zei Jon.
“Waarom zouden ze het geld hebben laten liggen?”
“Ze wisten niet waar hij het had verstopt – dus konden ze moeilijk gaan zoeken – het zou aandacht trekken.”
“Is het zo simpel?”, vroeg Michelle.
Jon wilde eraan toevoegen dat vroeg of laat een stelletje met een paar kinderen het huis zou willen kopen en er driftig ging verbouwen – slopen en herstellen, zodat er een ander pand zou verrijzen. Ondanks het late uur besloot hij zijn mond te houden. Sommige woorden moesten verdwijnen in het nachtelijke duister, terwijl een gordijntje langzaam heen en weer zwaaide – het begon ineens te waaien.
“Natuurlijk zouden we een deel van het bedrag aan de politie kunnen geven,” zei Jon, “ze kunnen er niks van zeggen – het valt niet te bewijzen.”
“De eigenaren van het geld zouden weten dat we het hebben gevonden, dus hebben we geen rust meer.”
“Dat ook, ja. Daar heb ik ook aan gedacht.”
“Kunnen we dat rotgeld niet gewoon verbranden?”
“Dan moeten we bewijzen dat we dàt hebben gedaan – namelijk dat vervloekte geld van hun verbranden.”
“Verdomme.”
“Inderdaad.”
Op straat knetterde een brommer voorbij. Nou ja, in hun oude huis rammelden de glazen in de vitrinekast, als er een oude dieselbus op volle snelheid passeerde.
Michelle draaide zich op haar linkerzij en hij meende dat ze snel wegzakte in een rusteloze slaap – Jon bestudeerde nog enkele minuten het plafond, ontdekte enkele oneffenheden die hij had laten zitten. Zou hij de consequenties durven te aanvaarden van alle beslissingen die ze samen hadden genomen? Ze hadden het geld gevonden èn verstopt – een voordeel, maar het was ook een geweldig beangstigend probleem.
Bovendien lagen er twee pistolen en munitie in de kruipruimte van hun huis – voor het geval dat het ooit eens nodig mocht zijn en anders zou hij ze vernietigen en de onderdelen in het kanaal gooien – als hij eens alleen in huis zou zijn – hij zou een slijptol gebruiken. Zelfs al had hij zich lang geleden – voordat hij Michelle leerde kennen – langdurig bekwaamd in het gebruik van vuurwapens – een getalenteerde schutter.
Er danste nog een vraag in zijn hoofd, want vroeg of laat zou hij zijn gezin moeten beschermen – een gangster, een of andere patser, een man kwam namens een organisatie het geld opeisen. Misschien hadden ze hem alleen verteld dat er geld moest zijn – je wist maar nooit. Echt zeker was het uiteraard niet – misschien kwam er nooit een man aan de deur om een koffer op te halen.
En toch – er waren ruim een miljoen redenen om iemand langs te sturen voor een goed gesprek – zodra hij klaar was met zijn huis, steeg de kans dat er iemand langs zou komen – bijvoorbeeld een klusjesman.
Zeker weten – ja, ze zouden een klusjesman sturen.
*****
Zaterdagmiddag – de zon scheen, lucht was vrijwel onbewolkt, er dreven alleen een paar sluiers hoog in de atmosfeer – het begon al lekker warm te worden. Meindert en Allert waren aan het voetballen – Floortje zat een computerspelletje te spelen. Michelle had voor het eerst de parasol tevoorschijn gehaald – ze zaten aan het tafeltje – Jon las de krant, een papieren editie wel te verstaan, geen iPad. Er stond thee op tafel en drie glazen limonade die warm stonden te worden, omdat de kinderen te druk waren.
Hij legde de krant op tafel – er fietste een jongeman voorbij die aanwijzingen riep naar een stel roeiers. Jons linkerhand gleed over een ongeschoren kin. Michelle staarde opzij en liet haar boek zakken.
“Een beetje ongedurig, mijnheer Dekker?”
“Ik ben aan het spijbelen,” zei hij.
“Je hebt met andere woorden last van afkickverschijnselen,” zei Michelle die het boek neerlegde op tafel – er stak een 3FM-bladwijzer uit.
“Is papa verslaafd?”, vroeg Floortje die zich geen tijd gunde om op te kijken van haar spel.
“Aan klussen, hè – verbouwen.”
“Inderdaad – je zou bijna opnieuw willen beginnen.”
“Als je dat maar laat,” zei Michelle.
“Ik zou het ook niet doen. Niet echt.”
“O – op die manier – saai,” zei Floortje.
Michelle pakte het boek van de tafel en zette in een vloeiende beweging haar zonnebril weer op.
“Ga effe ga kijken hoe onze voetballertjes het maken – ze zijn al een tijdje uit beeld.” Jon stond op en dacht vrijwel direct aan de klusjesman – een idee dat verleden week, ’s avonds, net voordat hij ging slapen, in zijn gedachten verscheen. Hij dacht niet echt dat er gevaar dreigde, want ook een klusjesman zou eerst zijn verzoek bij hem neerleggen – dus eerst praten, dan volgden er harde maatregelen.
Aan zijn linkerhand lag het kanaal – de woonboten lagen er onveranderd kalm bij, zoals altijd – rechts begon een relatief smalle straat met parkeergarages. Meindert en Allert stonden bijna honderd meter van elkaar – ze speelde geen partijtje, maar schopte de bal eindeloos over en weer – het was een training. Op het kanaal passeerde er een kano – acht roeiers met een stuurvrouw die aanwijzingen lag te schreeuwen. Meindert liet de bal verder rollen – expres of per ongeluk, maar Jon tikte de bal met een boogje terug.
“Hé pap, ik wist niet dat je dat ook kon – .”
“Lang, heel lang geleden.”
“Welke positie?”
“Links back.”
“Was je goed?”, vroeg Meindert.
“Schiet nou o-op!”, schreeuwde Allert, maar Meindert gebaarde dat hij even rustig aan moest doen.
“’n Bottenbreker,” zei Jon die er hard genoeg bij probeerde te lachen om zijn zoon het idee te geven dat het maar een dom grapje was – het was geen grap.
“Huh, dat is helemaal niet waar,” zei Meindert.
“Daar heb je beslist gelijk in, jongen.”
Jon wandelde terug en begreep dat een klusjesman – mocht die ooit van plan zijn om langs te komen – niet eens misschien, maar heel zeker – dan zou dit mogelijk in de vakantie gebeuren – met het gezin in Frankrijk en tegen de tijd dat ze terug wilden keren – nee, eerder al, want zijn broer gaf de planten water – volgde er een verlossend telefoontje – er is ingebroken en de kluis, die hij zo netjes had verborgen achter een litho van Dali, was leeg.
Hij stak de weg over en staarde naar het kalme water. Zijn slippers verdwenen in het gras. Zou het hem spijten als ze tijdens hun vakantie de kluis leeg kwamen halen? Dus alleen de kluis? Al het andere lieten ze natuurlijk netjes achter – ze maakten geen puinhoop van het huis – mogelijk lag er een briefje met een enkele zinnen, een bedankje voor de goede zorgen – omdat het bedrag in tact was – nou ja, bijna.
De vorige bewoner, dus de man die volgens de recherche per ongeluk was geliquideerd, had in vrijwel dezelfde positie gezeten als Jon Dekker. Geen crimineel verleden, maar toevallige eigenaar van ruim een miljoen gitzwarte euro’s, anders lagen ze niet achter een muurtje – mèt twee geladen pistolen. Er moest naar het geld zijn gezocht en hij had alle aanwijzingen over het hoofd gezien – gemist. Is het dan zo onvoorstelbaar dat een man doodleuk een nepmuur bouwde in zijn huis om geld te verstoppen?
In het andere geval zou hij het geld naar een bank moeten brengen, dus zwart geld witwassen – niet in Nederland, want daar was het immers te veel voor – het zou in Zwitserland kunnen – daar hadden ze nog een soort bankgeheim – tenzij de overheid vermoedde dat je een hoop geld verstopte op een bankrekening was je volstrekt veilig.
Foto’s – Michelle had foto’s gemaakt van de verbouwing – vanaf de eerste dag, toen ze er binnen waren gegaan – vader, moeder en drie kinderen die een bouwval bestudeerden, veel werk, dankbaar werk en een gigantische verrassing achter een muur die er om te beginnen al nooit had mogen staan – Jon moest de foto’s bestuderen van de verbouwing – ergens zou hij aanwijzingen moeten vinden – er moest te zien zijn dat er mensen aan het zoeken waren geweest.
Hij draaide zich om en liep terug naar huis.
*****
’s Avonds, terwijl de kinderen al in bed lagen, bladerde hij het fotoalbum door – Michelle had alle foto’s geprint, zodat ze ook echt bewaard zouden blijven – een digitaal archief is tijdelijk. Jon zat op de bank en Michelle was boven aan het rommelen – ze ging elk moment naar bed – ging eerst tanden poetsen en zo – het zou een onschuldig tijdverdrijf moeten zijn – foto’s van de verbouwing bekijken, maar hij voelde zich een rechercheur die aanwijzingen zocht, al dan niet opzettelijk achtergelaten door een paar kerels die over een te geringe bouwkundige kennis beschikten – anders zouden ze een nepmuur hebben herkend, een muur die geen enkele redelijke functie vervulde in huis.
“Wat ben je aan het – ?”, vroeg Michelle. “O – leuk, de foto’s – je bent mijn foto’s aan het bekijken.”
“Ik had ze nog niet gezien.”
Ze keek naar de opgeslagen bladzijde, droeg geen bril of contactlenzen, dus ze zag alleen omtrekken.
“Blijf je nog lang op?”
“Nee – ik denk het niet.”
“Ik ga slapen.”
“Welterusten.”
Hij bleef alleen achter en bestudeerde elke foto die Michelle de eerste dagen van het huis had genomen – muren waarop oud, grotendeels afgescheurd behang zichtbaar was – gaten die in de muur waren geslagen – losse vloerplanken – een muur die er niet eens had mogen zijn – ja, het was heel redelijk om te denken dat een paar gangsters het huis hadden doorzocht, misschien wekenlang zonder te vinden wat ze zochten – hij glimlachte – .
Jon wist vrijwel zeker dat ze op zoek waren geweest naar het geld – anders was de liquidatie van de Belgische man inderdaad een zinloze daad geweest – .
Ja, volgens de makelaar hadden er krakers gewoond, die overigens maar korte tijd zijn gebleven. Ze hadden er een chaos achtergelaten en Jon begreep wat ze er hadden gedaan – gezocht.
Geld. Geen krakers, maar klusjesmannen die geld zochten.
De klusjesman (1/5)
Nee, het was geen dragende muur. Hij schudde zijn hoofd en veegde halflange donkerbruine haren weg. Er bleef een grijswitte veeg achter op zijn wang. Kinderen waren bij zijn schoonouders, omdat ze het kabaal van al het breekwerk niet zouden verdragen. Je moest er kinderen niet aan bloot willen stellen. Hij ging verder met slopen – zijn echtgenote stapte achteruit, terwijl stukken steen omlaag rolden – wolken stof dwarrelden omhoog – straks zou hij alles in één keer opruimen – maar eerst moest je slopen om daarna de troep op te ruimen.
Er viel een stilte – enkele seconden – stof sloeg neer op de betonnen vloer. Hij trok het mondkapje weg en nam een slok koud water – heerlijk koud water. “Daar heb je een dragende muur,” zei hij, “deze hoort er niet eens te zijn – ik heb geen idee waarom ze dit hebben gedaan, want ze hebben hem veel later pas gebouwd.” Michelle leunde tegen het kozijn – ze hield afstand.
Hij verwachtte een opmerking, of een vraag, maar ze keek zwijgend toe. Inmiddels had hij een groot deel van de muur gesloopt – er lagen grote brokstukken metselwerk op de vloer – zo hadden zijn vrouw en hij het ook bedacht, toen ze het huis kochten – ze zouden er enorm veel aan moeten doen – slopen, opnieuw bouwen, mooier en beter maken dan het ooit was geweest – een huis dat bij het kanaal was gebouwd.
Hij nam twee flinke slokken water voordat hij de fles wegzette – wilde de sloophamer oppakken, maar zijn aandacht werd getrokken door een – ja, wat precies? Hij boog voorover en pakte stukken steen op die in de weg lagen – gooide ze opzij.
“Wat is er?”, vroeg ze.
“Geen idee,” zei hij, maar het leek op een zwarte, leren koffer die achter het muurtje lag. Hij plantte zijn voet op de stenen die waren overgebleven en testte het gewicht van de koffer.
Het was een koffer – zo eentje die je meenam op reis, als je met het vliegtuig naar een tropisch land ging. Hij pakte de koffer en zei: “Cadeautje.” Er danste een glimlach op zijn gezicht. “Een verzameling ouwe kranten, historische gebeurtenissen. Troep.”
“Er bestaat geen troep, Jon. Alles is handel.”
“O ja. Vergeten.”
Hij legde de koffer neer in het halletje.
“Een koffer die je achter een muur verbergt,” zei Michelle die haar wenkbrauwen fronste, “dat is vreemd. Waarom doe je dat?”
“Hopelijk gaan we dat snel ontdekken.”
De koffer bleek voorzien te zijn van een cijferslot – hij probeerde enkele voor de hand liggende combinaties, maar het was lastiger dan hij had gedacht. Jon liep naar zijn gereedschapskist – er lag daar een hamer en beitel – het raadsel lag in de koffer en was niet de koffer zelf.
“Ga je hem openbreken?”
“Ja – natuurlijk.”
De sloten zagen er niet erg stevig uit – een fietsslot liet zich lastiger openbreken en dat lukte hem ook heel makkelijk.
“Wat zou er in zitten?”, vroeg Michelle.
“Ouwe kranten – jaren zestig en zeventig.”
“Denk je?”
“Wat anders?”, vroeg Jon en hij plaatste een beitel op het slot voordat hij de hamer hard liet neerkomen. Na de tweede klap brak het slot af – het tweede slot begaf het sneller – hij had er slechts één klap voor nodig.
“De kinderen zouden die machtig interessant vinden,” zei Michelle. “Eigenlijk wel jammer, hoor.”
“Had je ze erbij willen hebben?”
“Misschien.”
Jon legde de hamer en beitel opzij – er verscheen opnieuw een glimlach op zijn gezicht die al snel veranderde in een grijns – zijn vrouw hield er niet van – dat wist hij. Er volgde zo’n opmerking.
“Stel je voor dat de vorige eigenaar er – ,” zei hij.
“Ja – ja, ga nou meer verder,” zei Michelle.
Zijn rug onttrok de koffer aan het zicht van zijn partner. Jon trok het deksel open. Een schril fluitje ontsnapte aan zijn lippen. Michelle kwam naast hem staan en sloeg een hand voor haar mond. Ze gilde niet. De koffer bevatte geld – heel veel geld – talloze pakken biljetten in relatief kleine coupures, uitsluitend gebruikte biljetten die vermoedelijk – waarschijnlijk – nee, zeker niet traceerbaar zouden zijn voor – de autoriteiten, belastingen en al degenen die belang konden hebben bij een koffer met geld. “Bloody hell,” zei hij.
“Is het echt?”, vroeg Michelle.
Jon pakte een bundel bankbiljetten op en bestudeerde een biljet van vijftig euro – hij hield het tegen het licht en alles leek op het eerste gezicht te kloppen – .
“Wil je m’n portemonnee pakken?”, vroeg hij.
“Ja – uiteraard.”
Hij haatte contant geld, meestal betaalde hij in winkels met zijn pinpas – dat was handiger. Michelle gaf hem zijn portemonnee en hij haalde het enige biljet eruit dat hij er altijd in bewaarde – een briefje van vijftig euro, omdat hij vond dat je altijd minimaal vijftig euro aan contant geld op zak moest hebben. Jon stond op en vergeleek de biljetten – of ze hetzelfde aanvoelden – hij verfrommelde ze allebei. Zijn nagels gleden over het papier en hij merkte geen verschil – het was echt, officieel bankpapier – het was echt geld – hij had een koffer met geld gevonden.
“’t Is echt – volgens mij,” zei hij.
“Mijn God.”
“Inderdaad.”
“Hoeveel?”
“Ja-a,” zei hij, “’t is heel erg veel.”
“Dat zie ik – maar hoeveel is het?”
“Een miljoen euro, misschien iets meer.”
“Wil je het – ?”, vroeg ze.
Hij stond naar de koffer vol geld te kijken – had zijn beide handen op zijn heupen geplaatst. “Het is crimineel geld – anders bewaar je dit niet in huis.”
“Shit.” Michelle klonk heel even alsof haar favoriete speelgoed zojuist was afgenomen. “Potverdorie.” Haar paardenstaart zwaaide nijdig heen en weer.
“Al hoeft dat niet te betekenen dat we al dit lekkers vrijwillig teruggeven aan de autoriteiten,” zei hij.
“Het zijn allemaal gebruikte biljetten – dat zie je zo.”
“Niet relevant, Michelle. Als je het wilt uitgeven, moet je ook uitleggen hoe je er aan bent gekomen.”
“O – ja.”
“Crimineel geld. Het kan moeilijk anders.”
“Jammer.”
“Inderdaad.”
“Dus we moeten het naar de politie brengen.”
“Eigenlijk wel,” zei Jon.
“Maar?”, vroeg Michelle.
“Hoe bedoel je?”
“Nou – je zei – ‘eigenlijk wel’.”
Hij stopte het briefje van vijftig euro terug in zijn portemonnee die hij op de vensterbank legde – het andere biljet dwarrelde omlaag en landde op het geopende deksel van de koffer.
“’t Is best fijn om een zakcentje achter te hand te hebben. Waarom zou je het meteen teruggeven?”
“Omdat het crimineel geld is – dáárom”
Jon knikte met zijn hoofd. “’t Is niet echt achtergelaten door iemand waarvan je kunt zeggen dat het leven hem overkomt – .”
Michelle draaide zich om en leek weg te lopen, maar bleef onmiddellijk staan en keek over haar schouder.
“Stevig aan het roer, kapitein van zijn eigen schip?”
“Ja – precies.”
“Het is ook wel lekker om zoveel geld te hebben,” zei Michelle die haar handen over haar hoofd liet glijden.
“Wegbrengen naar de politie kan altijd nog,” zei Jon.
“Oké.”
“We weten dat het huis lange tijd leeg heeft gestaan – we hebben het kunnen kopen, omdat het in een slechte staat verkeert – misschien is het een idee om een eigen onderzoek te doen naar de laatste eigenaren van het pand – daar moet je achter kunnen komen – ik denk aan het kadaster – om te beginnen.”
“Makelaar?”, vroeg Michelle die haar handen had gevouwen op een wijze die plechtig aandeed.
“Nee, die zal willen weten waarom we dit vragen.”
“We zeggen dat we een overzicht willen maken van alle mensen die er hebben gewoond – ik maak er een weblog van – aangezien we ongeveer – een miljoen – redenen hebben om dat te doen.”
“Dan moeten we het geld ergens verstoppen – een veilige plek – de zolder bijvoorbeeld – of we moeten een kluis kopen – .”
“Die zou je in een muur kunnen verbergen.”
“Zeker weten, ja.”
“Toch is het best spannend,” zei Michelle, “het geld is om te beginnen niet van ons – nooit geweest ook.”
Jon legde zijn armen om de schouders van zijn echtgenote – .
“Als je een miljoen euro kunt verstoppen achter een muur, dan kun je het geld best missen – geen probleem.”
“En als hij terugkomt om zijn geld te halen?”
Hij zoende Michelle op haar mond – ze had warme, vochtige lippen – haar ogen vertoonden enige angst.
“Ik zou het heel zakelijk afhandelen, denk ik.”
“Ja – vast.”
Misschien had er gedurende enkele seconden een duistere gloed in haar ogen gelegen, maar die was nu verdwenen – haar mondhoeken gingen weer omhoog.
“Eerst moeten we de koffer weggooien – het geld tellen en in plastic zakken verstoppen die we zullen verstoppen,” zei Jon.
“Ik vind het een heel avontuur, hoor,” zei Michelle.
“Alles komt goed,” zei Jon, “dat beloof ik.”
“Vast.”
“Al kan ik het geld ook aan het Leger des Heils geven – die kunnen er ook heel nuttige dingen mee doen.”
“Voorlopig niet, verdorie.”
Ongeveer een kwartier later stond hij alleen in huis – Michelle was vertrokken om boodschappen te doen en hij twijfelde er niet aan of ze zou met foldertjes van goede, maar dure kluizen terugkeren. Hij wilde doorzichtige plastic zakken gebruiken en uiteraard duct tape, zodat hij het geld in handzame kleine pakketten zou kunnen verpakken – bedragen van ongeveer honderdduizend euro – misschien de helft. Een krat bier diende als krukje. Hij legde bundels bankbiljetten in een plastic zak en probeerde in te schatten hoeveel waarde ze vertegenwoordigden. Het leek onwerkelijk, alsof hij acteerde in een film. Alleen de camera’s ontbraken en een regisseur.
Toch bleek er nog iets anders verborgen te zijn onder de bankbiljetten waarmee de koffer was volgepakt. Jon begon een volgend pakket bundels bankbiljetten bij elkaar te leggen, de bodem van de koffer werd langzamerhand zichtbaar – er lagen zeven pakketten gewikkeld in plastic en duct tape. Jon hield zijn adem in, toen hij het vuurwapen uit de koffer opviste – er waren er zelfs twee – zijn mobiele telefoon meldde een nieuw berichtje, maar hij bestudeerde twee pistolen – voorzien van kogels en extra munitie, keurig verpakt in een doosje.
Twee pistolen. Authentieke vuurwapens. Dodelijk.
Er lagen zelfs geluidsdempers in diverse afmetingen.
Jaren geleden is hij bij een schietvereniging geweest, maar voor Michelle en de kinderen was hij ermee gestopt.
Eerst nam hij een slok water, al zou hij liever iets gebruiken dat sterker was dan dat – niet eens bier. Vuurwapens behoorden tot een compleet andere categorie dan een koffer vol geld – plusminus een miljoen euro, misschien zelfs meer – hij wist het niet zeker, maar het volledige bedrag boeide hem weinig. Het was in elk geval een hoop geld en een verdomd goede reden om mensen dood te schieten. Michelle hoefde er nooit iets van te weten – de pistolen zou hij altijd in het kanaal kunnen gooien, tijdens een wandeling of fietstocht enkele kilometers verderop.
Jon nam een plastic zak en liet er beide wapens in wegglijden – ook het doosje met kogels deed hij erbij. In de tussentijd luisterde hij aandachtig of Michelle al thuiskwam – zo snel – het bleef stil. Hij begon met behulp van duct tape de inhoud aan het oog te onttrekken – gewoon een pakket met veel tape.
Het was stil in huis – hij stond op en liep naar beneden – Jon wist maar één plek in huis te komen die als bergplaats voor een paar vuurwapens kon dienen – de kruipruimte onder het huis – hij zou er niet kunnen staan, normaal gesproken was het er droog – Jon trok het luik omhoog en liet zich omlaag zakken – hij wilde het niet in het zicht leggen. Misschien zouden de vuurwapens er blijven liggen – vele tientallen jaren – ongebruikt – het maakte weinig uit – Jon kroop door de kruipruimte. Na zo’n vijf meter groef hij een ondiepe kuil en legde het pakket erin – hij veegde het zand terug – een beetje onopvallend – daarna ging hij terug – verliet de kruipruimte en legde het luik netjes terug. Er wachtte een hoop werk – boven lag een koffer met geld – die hij inmiddels half leeg had gemaakt – Jon keerde terug naar de slaapkamer en hoopte een goede beslissing te hebben genomen, maar zou Michelle niet gemakkelijk inlichten over de twee pistolen.