Tagarchief: moderne korte verhalen

Alpaca (5) Het duel

Alleen een klein gezelschap mocht het paleis betreden, Joeri herkende enkele bewoners van krotwoningen nabij de stadsmuren, maar ze werden geweigerd en de soldaten gebruikten zelfs hun speren. Een officier knikte langzaam met zijn hoofd, staarde aandachtig naar Marith die ongegeneerd terugkeek. Ze toonde geen enkele angst, ging ook niet dichterbij Joeri of Koen lopen. Stemmen van toeschouwers verstomden, terwijl ze passeerden – Joeri begreep heel goed dat hij de stad onmogelijk had kunnen ontvluchten.

Eerst de poort, toen het binnenplein – het herinnerde enigszins aan het Louvre in Parijs, bedacht Joeri, eerder een paleis dan kasteel. In het midden lag een geïmproviseerde arena, een rechthoek bestaand uit zand en wachtposten die elke ontsnapping zouden moeten voorkomen. Joeri vond de tribune die voor de edele koninklijke familie was opgericht en – natuurlijk – een paar genodigden. Het tafeltje, met daarop de wapens waaruit hij mocht kiezen, ontdekte hij veel later pas, aangezien de luchtballon zijn interesse trok – een mogelijkheid om te ontsnappen, zoveel was duidelijk.

“Ga maar bij de ballon kijken,” zei Joeri.

Marith knikte opgewekt, Koen reageerde nauwelijks, maar staarde naar de enorme luchtballon die het binnenplein domineerde – onzichtbaar voor de wereld erbuiten, alsof er geen wereld bestond buiten het paleis, aangezien deze mensen alleen hier verbleven.

“En jij dan?”, vroeg Marith.

Een officier kwam in zijn richting, het was dezelfde man die hem gisteren had toegebeten dat het duel op het noenuur zou beginnen, nee, plaatsvinden. “Ik heb een afspraak voor een duel, dat weet je,” zei Joeri. Hij bestudeerde nog snel de luchtballon; geen klassieke mand of zo, maar een houten plateau, vermoedelijk het toneel van talloze gevechten die op een grotere hoogte werden gevoerd.  Gelukkig geen stalen kabels, maar gewoon touw, dus die kon je doormidden hakken met een bijl of zwaard.

“Je bent er, niet slecht voor een buitenstaander,” zei de officier die het kennelijk onnodig vond zijn naam te noemen voor een man zoals Joeri. “We beginnen.”

Koen sprak enkele onverstaanbare woorden tegen Marith, ze liepen verder en Joeri volgde de officier. Voor het eerst voelde hij een zekere beklemming in zijn maag, een tikje nerveus, hij zocht zijn tegenstander, mogelijk een reusachtige kerel die Joeri kansloos zou laten in een rechtstreeks gevecht. Hij moest slimmer zijn en een geschikt wapen kiezen, zoals een speer, Joeri had er eerder mee gewerkt, als atleet, voor hem het was een sterk onderdeel geweest. Hij werd aan het publiek voorgesteld, ze wisten dat hij onderwijzer van beroep was, recht van lijf en leden, hij had zelfs de vaandels gegroet. Zijn tegenstander bleek een man die nooit verder was gekomen dan de krottenwijken aan de buitenste rand van Alpaca en eten had willen stelen. “Een overwinning levert deze man een fantastische beloning op – het brood dat hij probeerde te stelen – voor zijn vrouw en kinderen.” Joeri probeerde het idee van zich af te zetten, mannen, misschien ook vrouwen, die regelmatig duelleerden om zo aan eten en drinken te komen voor hun gezin.

“De laatste, die op zijn benen blijft staan, wint.”

Joeri knikte als teken dat hij hem had begrepen, ondertussen keek hij naar de tafel, want er lagen enkele verrassende wapens klaar. Er lag geen speer, wel twee zwaarden, dolken, bijlen en zelfs pistolen, nee, revolvers – twee revolvers. Als zijn tegenstander eerst mocht kiezen, dan zou hij de revolvers zelf uitkiezen en daarmee het duel beslissen.

Er volgde een loting, ze moesten strootjes trekken, de winnaar zou mogen beginnen met kiezen en uiteraard won de man die begerig naar de tafel staarde. Joeri trok er een afwachtende houding bij, alsof het hem nauwelijks interesseerde. Hij wilde geen argwaan wekken. Zijn tegenstander besloot een bijl te gaan gebruiken en een zwaard. Geen revolvers, hij kende het gebruik van vuurwapens kennelijk niet. Het verbaasde Joeri dat er echte revolvers klaarlagen, daardoor twijfelde hij ook iets te lang toen zijn beurt volgde – eerst checkte hij de kogels, er klonken opgewonden kreetjes op de tribune die hij zo goed mogelijk negeerde, tot slot stopte hij beide wapens bij zich, eentje achter zijn riem, de andere in zijn rechterhand. Ook pakte hij een zwaard van de tafel.

“Goddomme – Mag dat ook?”

“Ja, daar heb ik niets van gezegd,” zei de officier.

Echte, geladen vuurwapens – Joeri probeerde te bedenken wat het betekende als de officier twee revolvers klaar had gelegd op tafel, het was erg vreemd, sterker nog, het leek hartstikke idioot. Moderne technologie in een stad die voor de late middeleeuwen gebouwd leek te zijn, mensen noemden zich schipbreukelingen en er lagen vuurwapens klaar voor het duel, terwijl Joeri evengoed de koning zou kunnen vermoorden, als hem dat zo uitkwam. Het leek een enorme roekeloosheid van de Broeders van het Bloed, tenzij het duel als een test gold, een manier om uit te vinden of je wel genoeg van het vaderland hield. Zouden de soldaten zijn borst doorboren als hij het wapen op één van de leden van het koninklijk huis richtte? Zijn tegenstander kende het gebruik van vuurwapens niet en het was Joeri geen moment opgevallen dat de soldaten ze wel gebruikten. Hij trok de haan naar zich toe en liet het wapen weer zakken. Het was nog te vroeg voor een schot. Voor het eerst in zijn leven moest hij een vuurwapen richten op een echt, levend mens, iemand die alleen zijn vrouw en kinderen te eten wilde geven, daarom stond hij hier. Er klonk links en rechts wat besmuikt gelach, mensen die dachten dat hij zijn wapen niet durfde af te vuren.

Zijn tegenstander stond voorover gebogen, Joeri meende heel zeker te weten dat de man nooit eerder in zijn leven zelfs maar een wapen had vast gehad.

“Ben je een tovenaar?”, vroeg de man wiens stem een beetje trilde, Joeri bespeurde een zekere angst – voor de dood – een gevecht tegen de man die een tovenaar was.

“Waarom?”, vroeg Joeri.

“Je weet hoe die duivelse machines werken.”

Het was helemaal niet zeker dat Joeri de man in zijn borst zou raken, of been misschien zelfs, mogelijk boorde de kogel zich tenslotte in een soldaat, of toeschouwer, aangezien hij geen geoefend schutter was. Er kon zoveel onvoorspelbaars gebeuren. Toch had hij twee machtige wapens bemachtigd en de edele Broeders van het Bloed wisten ervan, of niet.

“Een tovenaar, als ze me dàt hadden verteld.”

Er klonken wat kreten op de tribune, leden van de koninklijke familie die zich zaten op te winden.

Een kogel zou af kunnen zwaaien, net zo makkelijk, een onschuldige raken, als die er was – in het paleis.

Joeri zocht de kortste weg naar de luchtballon, een mogelijkheid om weg te komen uit Alpaca, er zou niet snel een andere kans volgen, dat begreep hij goed. Het zou nodig zijn om andere slachtoffers te maken, soldaten neer te schieten die hem tegen wilden houden. Hoe had het in godsnaam kunnen gebeuren dat hij op een plein stond na te denken over doodschieten van soldaten? Omdat het de enige manier was om weg te komen uit een naargeestige, belegerde stad die vroeg of laat overlopen zou worden door hongerige ghouls.

Zijn tegenstander begon onverwacht te gillen en rende naar Joeri die kalm opzij stapte, waarna de man voorover in het zand viel. Met een soldaat als tegenstander zou het duel anders zijn geweest, was er een echt gevecht gevolgd, zou hij nooit de revolvers hebben kunnen kiezen, die zouden er niet hebben klaargelegen voor een man als Joeri. De man krabbelde overeind, graaide onhandig naar zijn wapens, maar Joeri schopte de bijl weg die vijf meter verderop bij de voeten van een soldaat bleef liggen.

Zijn tegenstander had ook geen motoriek die zich leende voor een gevecht, een hulpeloos slachtoffer, een zinloze moord, die als entertainment diende, omdat leden van het koninklijk huis zich verveelden. Alsof er ’s nachts onvoldoende ghouls werden afgeslacht. Hopelijk werkte Koen in de tussentijd aan een plannetje, afleiding, waardoor de aandacht van alle aanwezigen naar iets totaal anders verschoof – Joeri wilde de man niet doden, zijn arm woog zwaarder dan ooit, het kostte moeite om te richten.

Toch pakte de man zijn zwaard veel professioneler vast, alsof zijn brein hem had verteld dat hij wel degelijk een gevecht moest leveren, anders zou hij binnen driekwartier dood op het plein liggen. Joeri wist het uiteraard niet zeker, maar het moest zo zijn, hij raadde vaker gedachten die mensen hadden, het was een gave, al was hij geen telepaat. Goed kijken, niet snel oordelen, de man was bereid om te vechten, als Joeri het naliet – hij begon nu echt te vechten.

De revolver was een gok geweest, misschien hadden ze ermee geknoeid waardoor het nu geen waarde had. Gillend kwam zijn tegenstander met opgeheven zwaard dichterbij, als het geluid enige angst moest aanjagen – Joeri blokkeerde de poging en duwde hem weg – de man moest zijn best doen om niet te struikelen, had extra stappen nodig, het publiek lachten er hartelijk om, leedvermaak, het was overduidelijk dat Joeri geen zin had om de man zomaar te vermoorden. “Dood hem!”, riep er iemand, een man. Opnieuw klonk er gelach op het plein, nu was het spottend bedoeld, heel duidelijk, alsof Joeri met zijn slachtoffer speelde – dat deed hij natuurlijk niet.

“Hoeveel kinderen heb je?”, vroeg Joeri. Het was een vreemde vraag, aangezien ze elkaar moesten doden.

“Drie,” mompelde hij, “twee jongens en een meisje.”

“Hebben jullie het zo slecht dat je eten moet stelen?”

De man gaf geen antwoord, maar weg – de officier keek toe en leek zich bijzonder te amuseren – toch legde Joeri het als een antwoord op – bovendien had hij zelf de krotwoningen gezien, ze werden als eerste overvallen als de ghouls een bres in de verdediging hadden geslagen en de stad waren binnen gevallen.

“Zeg eens – Hoe heet je?”

“Ernst, dat is mijn naam.”

Opnieuw begon er een toeschouwer te schreeuwen. “Vermoord hem nou eens eindelijk, verdomme!”

De officier had zich tot nu toe niet bemoeid met het gevecht, maar schraapte zijn keel en zei: “Het duel is een serieuze aangelegenheid, heren, jullie moeten vechten, dat is de bedoeling en dat verwachten we.”

Joeri ergerde zich aan de toon waarop de officier sprak en richtte ogenblikkelijk het wapen. “Bemoei je er niet mee, je hebt alleen gezegd dat één van ons aan het einde op zijn benen moet staan.” Vrijwel direct nadat hij zijn woorden had uitgesproken, sloeg er een kogel in – enkele centimeters voor zijn linkervoet – het verraste hem allerminst, want twee vuurwapens neerleggen zonder enige verzekering leek hem inderdaad erg roekeloos. Joeri stak de punt van zijn zwaard naar Ernst, als waarschuwing, hij mocht even niets doen, hij keek er zo intimiderend bij als maar enigszins mogelijk was en hij waande zich even op de atletiekbaan. In een raamopening vond hij de schutter, een karabijn, wel een goede schutter, of hij had Joeri moeten raken. Op de tribune werden er kreetjes geslaakt, geen opwinding, het was iets heel anders – het duidde op paniek – er werd een rookpluim zichtbaar – Joeri aarzelde geen seconde en richtte zijn wapen op de schutter die in de raamopening stond – nog steeds, alsof hij niet eens verwachtte dat Joeri het zou proberen – hij vuurde het wapen af – gedurende enkele seconden dacht hij te hebben gemist, maar de schutter in het raam viel voorover. Het was beginnersgeluk, tien andere schoten zou hij hebben gemist, dat wist Joeri heel zeker. Hij kon moeilijk anders. De man moest hem doden. Dat stond vast.

Joeri richtte zijn wapen op de officier die voor het eerst blijk gaf van angst en achteruit stapte. “Opdonderen!”, blafte hij – vervolgens sloeg hij met een enkele klap het zwaard uit de handen van Ernst. “Denk erom – jij staat hier als laatste op je benen.”

Joeri begon te rennen, één van zijn snelste meters ooit, de knie hield het goed, maar het moest niet erg lang duren. Hij schoot twee soldaten in de borst die zijn doortocht trachtte te versperren. Marith stond al op het zwevende vlot van de luchtballon – soldaten probeerden de brand te blussen die er was ontstaan – Koen bleek zich heel ergens anders op te houden, terwijl Marith stond te schreeuwen: “Opschieten, opa Koen! Snel!”

Joeri sprong op het vlot, voelde een pijnlijke prik in zijn knie, maar negeerde het vervelende gevoel en richtte zich eerst op Koen die bijna dertig meter verderop het brandje trachtte te verdedigen. Een speer suisde door de lucht, gevolgd door een andere, Joeri wist te ontwijken, maar begreep heel goed dat ze de ballon wilden vernielen, zodat ze nooit meer konden ontsnappen – hij sloeg een touw doormidden, daarna nog eentje en voelde de luchtballon omhoog gaan, Joeri probeerde wat knopjes waarmee hij de brander activeerde, de lucht in de ballon moest warmer worden dan hij al was. Door het geluid van de brander trok hij de aandacht, hij vuurde twee kogels af zonder te richten, het was genoeg. De chaos had ervoor gezorgd dat ze wegkomen.

Marith staarde met betraande ogen omlaag, want opa Koen werd op dat moment door minstens zes soldaten doodgeslagen. Joeri trok het meisje weg, omdat ze dit niet hoefde te zien – ze mocht het niet eens zien.

Ze drukte haar gezicht in zijn buik en bleef huilen – een gewoon meisje dat iets vreselijks meemaakte. Joeri zou Marith nooit vertellen dat haar opa Koen geen seconde van plan was geweest haar thuis te brengen. Het was een gelukkig toeval geweest dat het toch mogelijk werd, dankzij een luchtballon.

De ballon raakte buiten bereik van de soldaten, hij hoorde doffe klappen van mannen die vielen en hen nog hadden geprobeerd tegen te houden. Eén man wist alsnog op het vlot te klauteren – Joeri richtte het wapen en wilde schieten – tot Marith riep: “Papa?”


Alpaca (4) De stad, het paleis en de muren

Uren later stond hij op het dak, een laaghangende wolkenlucht strekte zich uit tot voorbij de horizon. Marith lag al een tijdje te slapen, hij zou hetzelfde moeten doen, maar het lukte helemaal niet. Er wachtte hem morgen een duel, een geoefende officier van de koninklijke garde tegen een onderwijzer die toevallig op een redelijk niveau aan sport had gedaan. Hij was niet zo’n man die een uitdaging uit de weg ging, bijvoorbeeld door ’s nachts te vluchten. Onverstandig idee trouwens, aangezien er akelige kreten te horen waren achter de stadsmuren. Joeri begreep de angst die burgers hadden om ooit buitengesloten te worden, verbannen, ze zouden overgeleverd zijn aan de lijkenvreters, zoals Marith zo volwassen had weten te verwoorden.

Hij hoorde voetstappen dichterbij komen, zijn gastheer had hem gevonden en ging ook bij de reling staan. “Zo gaat het elke nacht,” zei hij, “een goed huis houdt zulke geluiden buiten, dan vergeet je ze soms.”

“Elke nacht?”, vroeg Joeri.

“Ja. Gelukkig komen ze nooit over de muur, daar zijn ze te stom voor, het is een oud gezegde in onze stad, ook tijdens de regering van de oude koning; onze geliefde vorst regeert alleen overdag en in de stad.”

“Je krijgt het gevoel dat er een stevige tirannie heerst,” zei Joeri die opzij keek, naar Koen, want er werd een lijkenvreter aan een lans werd geprikt, twee soldaten trokken de lans terug en wierpen vervolgens het lijk weer terug over de rand. “Nu begrijp ik ergens wel dat je een – laten we zeggen – robuust gezag uitoefent in zo’n omgeving. Het probleem is wel dat er twee vestingen bestaan, de stad zelf, vervolgens het paleis, dat zo goed als onneembaar is, ook voor opstandelingen in de stad.”

“En jij wilt met een tienjarige op reis,” zei Koen die gedurende een kort ogenblik vergat dat hij toch echt had toegezegd mee te willen gaan, omdat de Broeders van het Bloed aasden op zijn leven en rijkdommen.

“Overdag zou het best lukken,” zei Joeri die zijn gastheer nu wat langer aanstaarde – misschien ging er een wankelmoedig persoon verborgen achter het zelfverzekerde gezicht van opa Koen, zoals Marith hem noemde.

“Hoeveel van die miserabele schepselen lopen er buiten rond?”, vroeg Joeri die het gedrag van de soldaten roekeloos vond, ze trokken weer zo’n ding omhoog, een lijkenvreter, eentje die bewoog en, zo op het eerste gezicht, razende bewegingen maakte met zijn hoofd en klauwen. Er galmden opgefokte stemmen door de atmosfeer waarna de lijkenvreter over de rand werd getrapt – er klonk een felle gil.

“Geen idee. Wil je geloven dat ik ben opgegroeid in een stad zonder hoge muren?” Hij knikte met zijn hoofd, een beetje opgewonden, als een kleine jongen. “Het paleis is altijd een kroonjuweel geweest, daaromheen heb je de gegoede burgers, of stadsadel, wat verder daarvandaan vind je de ambachtslieden, vissers, boeren uiteraard en verschoppelingen die je, volgens mij, in elke grote stad zult vinden, ook de jouwe, waar jij vandaan komt, al vertel je er weinig over.” Nu was het de beurt aan Joeri om bevestigend te knikken. “Alleen de haven herinnert nog een beetje aan vroeger, de vissers kunnen de zee bereiken, dat wel, al vinden sommigen dit ook ronduit gevaarlijk. Maar de lijkenvreters hebben nog nooit via het water geprobeerd onze stad binnen te komen. Dus… tja.”

Joeri dacht aan het aloude Constantinopel, ook een stad aan het water die nooit was veroverd tot de kruisvaarders via de haven binnen wisten te dringen.

“Maar – het geliefde vaderland – is de stad?”

“Inderdaad. Verder is er niets.”

“Welke manieren zijn er om weg te komen?”

“Via het water is veilig, je zou de lucht kunnen proberen – er zijn geen lijkenvreters met vleugels.”

Joeri herinnerde zich het onbekende beest dat laag boven de golven vloog en hem aan had gevallen, dus zo heel erg veilig was het water nou ook weer niet.

“Weet je het zeker, Koen?”

“Nee,” antwoordde hij. “Dat begrijp je toch wel?”

“Je bent nooit buiten de stadsmuren geweest, de stad is jouw wereld, zoals een vogel die je hebt gevangen niet voorbij de tralies van zijn kooi kan denken. Je zou het misschien wel willen, maar bent doodsbenauwd.”

“Precies. Dit is mijn voorouderlijk huis. Ik ben opgegroeid in een rustige veilige wereld die vandaag wordt bedreigd door onbekende, agressieve wezens.”

“Misschien waren ze er altijd al, maar wist je het niet.” Een stad, gelegen aan de zee, belaagd door onbekende, hongerige wezens die elkaar konden opeten, maar ook een stad wilden binnendringen en dat volgens Koen pas sinds enkele jaren deden, omdat ze er nooit eerder zijn geweest – kennelijk – of ze hadden talloze generaties nodig gehad om de stad te bereiken, na een zwerftocht van honderden jaren.

Koen legde zijn handen op de reling en staarde naar de horizon, terwijl Joeri de logica – of juist het gebrek eraan probeerde te doorgronden, want er klopte iets niet. Hij wist dat het zo was, er gaapte een gat in het verhaal van opa Koen dat groot genoeg was om er een mooie leugen in te passen. “Je bent opgegroeid in een stad zonder muren die werden gebouwd vanwege een dreiging van buitenaf, anders hoef je niet te besluiten om een muur te bouwen.” Koen staarde naar zijn handen in plaats van de verte. “In mijn wereld waren er altijd eerst belegeringen nodig, plunderingen, voordat mensen muren wilden gaan bouwen, anders deden ze dat niet eens. Ná de moordpartijen, de verkrachtingen en begrafenissen. Op school vertel ik dit anders. Dat snap je natuurlijk wel. Als er geen dreiging bestaat, hoef je geen muren te bouwen. Waarom zou je immers zoiets doen? Je leeft in een wereld zonder gevaarlijke buren.” Hij sprak met zachte stem, de buren hoefden niet mee te luisteren. “De stad, het paleis en de muren, alles staat er om een gruwelijk gevaar buiten te houden.” Joeri wachtte enkele seconden. “Ik zou het prettig vinden als je me ook echt de waarheid zou willen vertellen, Koen.”

“Je hebt gelijk,” zei hij.

“Dus… vertel.”

“We noemen onszelf schipbreukelingen,” zei hij. Er viel een korte stilte. Koen was de juiste woorden aan het zoeken en blijkbaar vond hij het een moeilijk verhaal om uit te leggen. “Onze voorouders komen van een andere wereld, mijn vader vertelde vaak het verhaal dat we onze schepen landinwaarts hebben achtergelaten. Als je de rivier volgt, kom je er vanzelf. Geen idee waarom ze ooit hebben besloten om onze stad, Alpaca, juist hier te bouwen, dus aan de zee en een rivier, ja, het is misschien erg menselijk om dat te doen, maar het was geen handige beslissing, gezien de akelige wezens die de plek claimen.” Koen zweeg opnieuw en beide mannen staarden naar de muur – ze zagen hoe een vijftal soldaten werden uitgescholden vanwege hun roekeloze gedrag, dus spelen met lijkenvreters die halfdood waren en weer terug werden gegooid over de rand van de stadsmuur. “Ik heb tovenaars wel eens horen beweren dat we de slechtste plek hebben uitgekozen voor een stad, omdat we daarmee oeroude migratieroutes blokkeren. We noemen ze geen mensen, maar lijkenvreters, overdag lijken ze geen tanden te hebben, maar ’s nachts zijn ze in staat om je aan stukken te scheuren.”

“Zombies misschien, of vampiers,” zei Joeri. Er schoot hem een andere naam te binnen die beter voldeed aan de mysterieuze transformatie. “Ghouls.”

“In het begin sprak Marith heel weinig, maar na een tijdje begon ze zich veilig te voelen en begon ze erover dat ze dolgraag terug wilde keren naar huis.”

“En je hebt toen een fout gemaakt,” zei Joeri, “door Marith wijs te maken dat het geen probleem zou zijn. Ze begrijpt amper dat het omringende land wordt geterroriseerd door ghouls waardoor we een tocht nooit zullen overleven, omdat je een schuilplaats nodig hebt voor de nacht, je moet veilig slapen.”

“Ga jij het haar vertellen?”

“Ja, uiteraard.”

“Tja, je kunt moeilijk anders.”

“Maar jij bent erbij, je moet toegeven dat mijn verhaal klopt, anders zou ze me voor een leugenaar houden.”

“Ik begrijp het.”

“De officier wist dat je je over me zou ontfermen.”

“Eh – ja – gastvrijheid is een belangrijk goed, al controleren we graag of je echte tanden hebt en geen vermomde ghoul, zoals je ze noemt, het is misschien wel een betere omschrijving overigens, ja, dat zou zo maar kunnen, Joeri. We gaan slapen, jij in ieder geval, anders ben je morgen niks waard in het duel.”

“Krijg je de keuze uit een aantal wapens of zo?”

“Soms mag je een tegenstander kiezen, een slaaf bijvoorbeeld, de officier vindt het namelijk beneden zijn waardigheid om zelf tegen je te knokken. Ik zeg niet dat het beslist zo gaat, maar wees niet verbaasd.”

“Ik dacht dat de officier mijn tegenstander zou zijn.”

“Je hebt geluk. Het duel is tijdens het noenuur, formeel duurt dat van 12 tot 1, je krijgt een uur de tijd om te vechten, als je daarna leeft, heb je gewonnen, of laten ze je in elk geval in leven,” zei Koen.

“Welke wapens gebruiken de meeste duellisten?”

“Zwaard, speer, dolk ook wel, soms de zweep.”

“Van geluk gesproken.”

“Je had ’s nachts kunnen duelleren, dan zouden ze een ghoul, wat een fantastische naam is dat trouwens, hebben gevangen en die aan je gepresenteerd.”

“Ik geloof je meteen.”

Er volgde een onrustige nacht, waarbij Joeri nadacht over de vraag of de speer geschikt zou kunnen zijn voor een arm als de zijne, krachtig genoeg, want spierkracht was de afgelopen jaren toegenomen. Hij bracht drie keer per week in een sportschool door. Dat deed hij ook nog. Joeri was een man die druk werkte aan zijn fitheid. Er mankeerde fysiek weinig aan hem. Heel eventjes dacht hij aan executies zoals die in vroeger eeuwen werden uitgevoerd op marktpleinen, als een attractie, ter lering en vermaak, handelaren leefden er uiteraard goed van, zoals altijd, bovendien bestonden er eveneens galgenvelden, buiten de stad, waarbij lijken werden opgehangen ter afschrikking. Er bestond geen andere stad dan Alpaca, dus het lijk van Joeri werden hoogstens over de rand gegooid en achtergelaten voor de ghouls, misschien veranderde hij dan zelf wel in zo’n kreng. Het idee dat Koen niet helemaal eerlijk was geweest wortelde voorzichtig in zijn brein, Joeri had al één leugen gevonden, aangezien Marith hoopte op een terugkeer naar huis en Koen had geen idee hoe hij zoiets moest verwezenlijken, aangezien de stad zijn wereld was die hij nooit eerder had verlaten. Er hing hoe dan ook een benauwende sfeer in de stad Alpaca.  

Volgende morgen werd hij verrassend genoeg vrij laat wakker, het was allang licht, maar hij had geen besef van tijd, aangezien hij geen horloge droeg. Zijn telefoon was al uitgegaan, waarschijnlijk in de zee. Hij dronk een beker melk, at een boterham en een stukje worst. Veel honger had hij niet en ook Marith sprak erg weinig en mogelijk had Koen haar eerder al gewaarschuwd om niet erg druk te doen. Na zijn ontbijt deed hij wat oefeningen, spieren losmaken, gewoon een beetje opwarmen, zodat hij zijn ergste stijfheid kwijt zou zijn als hij het paleis betrad.

Om elf uur verlieten ze met zijn drieën het huis en Joeri had het idee dat hij er nooit meer terug zou keren. Onderweg naar het paleis passeerden ze mensen die hem aankeken, een vreemdeling, maar nauwelijks anders dan hijzelf, een onderwijzer die door een wonderlijke omstandigheid in Alpaca terecht was gekomen. Een leerlinge had hem naar een andere wereld gebracht – nu liep hetzelfde meisje naast hem, min of meer dan, ze leek op de Marith die hij kende, maar ze was anders. Hij raakte haar hoofd eventjes aan, beroerde het met zijn vingers, ze keek omhoog, naar hèm en lachte.

De andere Marith – die in zijn klas – zou nooit zo’n mooie, opgeluchte lach hebben kunnen laten zien – prachtige witte tanden, heldere ogen die net zo hard lachten als haar gezicht – donkere haren die in een vlecht bijeen waren gebonden – vrolijk, blij, zeer opgelucht, alsof haar liefste wens in vervulling ging.

Hij lachte even en toonde weer zijn ernstige gezicht, want Joeri bedacht dat Marith geen dubbelganger had, maar een doppelgänger en dat was iets anders.

Toch herkende hij ook een blik in haar ogen die veel ouder was dan hij zich ooit had kunnen voorstellen, alsof er een onvoorstelbaar geheim verborgen ging achter haar netvliezen.

 


Alpaca (3) Marith

Joeri bleef staan en boog zijn hoofd, alsof hij de vaandels groette, misschien hoorde het hier wel zo, want de soldaat had ook gesproken over zijn geliefde vaderland. In het paspoort van Joeri stond Nederland, maar hij begreep best dat hij zijn gastheren niet mocht beledigen. Hij zou beslist de spelregels moeten leren en ook uitvinden hoe hij terug kon keren naar huis.

Het duurde op zijn hoogst vijf seconden, daarna liep hij verder, achter hem klonk instemmend gemompel, de soldaten spraken tegen elkaar, maar Joeri slaagde er niet in te verstaan wat ze nou precies zeiden. Hij passeerde twee massief ogende stadspoorten, een soldaat, ongetwijfeld een onderofficier, verliet de stad en begon enkele bevelen te brullen naar de twee soldaten die Joeri hadden onderzocht – het werd nu echt donker, de soldaten zouden waarschijnlijk de poorten sluiten en vaandels binnen moeten halen.

Heel even bleef hij staan en keek onderzoekend om zich heen, omdat het de eerste keer was dat hij zo’n primitieve stad te zien kreeg en het overtrof zijn stoutste verwachtingen. Scheefgezakte. houten krotwoningen, gesloten luiken, maar de rookpluimen kringelden uit gemetselde schoorstenen, dat weer wel. Er moesten flinke branden zijn geweest in het verleden, zoals altijd als je houten huizen bouwde. Langs de stadsmuren, waarvoor de stedelingen grote bakstenen hadden gebruikt, groter dan normaal dus, lagen moestuintjes, de akkers die een deel van de bevolking van gezonde groente en fruit voorzag. Het grootste gebouw moest een paleis zijn, of tempel, dit volk zou minimaal een koning hebben en misschien zelfs een soort god-koning, zoals in het verleden van de aarde wel vaker voor is gekomen. Hij hervatte zijn tocht, want de mensen zouden kunnen denken dat hij als spion de stad was binnengedrongen.

Op straat brandden er vuren, met name om mensen warmte te bezorgen, ze schenen niet te gaan eten, of hadden dit allang gedaan. Joeri had geen enkel besef meer van tijd, uiteraard had hij honger en dorst. Mannen, vrouwen en kinderen staarden hem aan, ze waren erg mager, hadden ingevallen wangen, vuile gezichten en ze droegen lompen als kleren. Tientallen ogen volgden hem en Joeri begon te rekenen hoelang het zou duren voordat hij in de problemen kwam. Hij telde de mogelijkheid eerder in seconden dan minuten, maar voorlopig gebeurde er niets en de burgers keken hem hooguit na, ze deden niets, zeiden niets, maar keken hem na, alsof ze zeker wilden zijn dat hij hèn geen kwaad zou doen.

Zijn schoenen zonken weg in een laag modder, hij tilde zijn voeten flink omhoog en stapte verder, gaandeweg constateerde hij dat de huisjes beter werden, minder krotachtig, beter gebouwd, echte stenen muren, maar de voorgevels waren van hout. Er hing een onmiskenbare zilte geur in de stad, de zee was altijd nabij en de vissers brachten het grootste deel van het voedsel binnen. Het viel Joeri allang mee dat de mensen, die beslist honger leden, de moestuinen met rust schenen te laten. Hij dacht aan een systeem van belonen en straffen, een beetje zoals de Romeinen hadden gedaan, brood en spelen, een oeroude, beproefde combinatie. Voor hem bestond er slechts één enkele reden om hier te zijn, hij wilde zo snel mogelijk weer naar huis, kreeg pijn in zijn buik van alle starende en zwijgende gezichten, mensen die verbaasd leken te zijn, omdat de soldaten hem gewoon binnen hadden gelaten – onbeschaamd!

Voor de poorten van het paleis bleef hij stilstaan, hoge muren, kleine raampjes, gesloten luiken, maar ook een gracht die langs het gehele gebouw scheen te zijn gegraven – het was niet natuurlijk. De ophaalbrug stond omhoog, er waren twee extra gesloten poorten. Hij staarde naar het water en probeerde te ontdekken of er dieren in zwommen, roofvissen misschien wel.

Hoeven van paarden kwamen ritmisch neer, hij draaide zich om, staarde een beetje besluiteloos naar een oude man die een dood konijn vasthield en de ruiters ongemerkt probeerde te passeren. Een ruiter, mogelijk een officier, gezien zijn uniform, maar Joeri wist het niet helemaal zeker, gaf de oude man een klap met zijn zweep die fel heen en weer zwiepte, zodat het slachtoffer neerviel en zijn konijn goed vasthield. “Opdonderen, ouwe man! In ons geliefde vaderland is er geen plek voor ellendigen zoals jij.”

Joeri liep naar de oude man, stak een hand uit, maar zei geen woord – hij hield zijn rug recht en probeerde zijn groeiende irritatie te onderdrukken, want het hielp hem allemaal niets. Het was een vreemd land.

“Help jij hem?”, vroeg de ruiter.

“Je ziet het,” antwoordde Joeri.

“Morgen een duel, we verwachten je in het paleis, op het noenuur,” zei de ruiter, “dan kun je laten zien hoe graag je zulke wezens verdedigt en vooral – hoe goed je daarin bent.” Er klonk besmuikt gelach. Ze vonden het amper de moeite waard om hun grenzeloze minachting, want zo was het echt, te laten blijken aan Joeri – die de arm van de oude man vast had gepakt, ooit een sterke arm. Er lag een bebloede streep over het gezicht van de man.

Beide mannen keken de ruiters na. Bijna een halve minuut later stak de oude man zijn hand uit en zei: “Mijn naam is Koen en hoop dat je me niet alleen hebt geholpen vanwege het konijn dat ik heb gekocht.”

“Het ziet er smakelijk uit,” zei Joeri, “maar er hangt in deze stad een sfeer die irritatie opwekt.”

“Hoe is jouw naam eigenlijk? Want die heb ik niet gehoord.”

“Joeri, zo heet ik.”

“Nou, Joeri, nu heeft een Broeder van het Bloed je uitgedaagd voor een duel, dat kan onmogelijk goed aflopen, dus kun je nu beter maar eerst een fijne maaltijd genieten, goed vlees, goede wijn,” zei Koen die verder begon te lopen, Joeri volgde hem, “morgenmiddag zien we wel verder. Zo krijgen we in elk geval een kans om onze geliefde koning te zien.”

“Daar krijg ik dus een beetje jeuk van,” zei Joeri.

“Wie niet?”, vroeg Koen die in een degelijk gebouwd huis woonde, geen kasteel of zo, maar wel erg groot. “Tegenwoordig moet ik alles zelf doen, begrijp je. Ik heb dan wel een hulpje, maar ze is nog erg jong.” Anders dan bij het paleis lag er geen gracht rond het huis van Koen die de voordeur openmaakte en Joeri uitnodigde als eerste binnen te gaan. De deur ging vrijwel meteen dicht en Joeri hoorde het slot knarsen.

“Een hulpje?”, vroeg Joeri die zich in moest houden en niet direct over kinderarbeid wilde beginnen.

“Ja, een meisje, negen jaar, of tien inmiddels, ik heb haar gekocht, om te voorkomen dat één of andere smeerlap – nou ja, je begrijpt wel – ik snap je weerzin, beste Joeri, ja, slavernij, kinderarbeid, ja, ik weet het. Ze heeft nog geen seconde gewerkt, ik heb haar in bad gestopt, aangekleed, probeer haar iets te leren, maar ze weet eerlijk gezegd al een hoop, veel meer dan gewone kinderen die je in deze stad doorgaans vindt.”

Joeri hoorde een kinderstem, het meisje natuurlijk, ze riep de oude man. “Opa – opa Koen? Ben jij het?”

“Ja, alles in orde!”, riep hij – de oude man ging op zachte toon verder, zodat het meisje hem niet hoorde. “Afgezien van een lelijke striem in mijn gezicht, een nieuw souvenir van de Broeders van het Bloed.”

“Slavernij, kinderarbeid,” zei Joeri, “twee begrippen die ik verafschuw en beslist afkeur, zoals alle fatsoenlijke mensen zouden doen, iedereen, jij ook.”

“Om te voorkomen dat ze als seksslavin was geëindigd,” zei Koen die verder begon te lopen in een erg donkere hal. Er hingen oude schilderijen aan de muren die nooit een straaltje zonlicht hadden gezien. Joeri herkende duidelijke middeleeuwse elementen, maar dit was toch echt een compleet andere wereld.

“Ik snap het. Principes moet je je kunnen veroorloven, terwijl ze in het geliefde vaderland in dienst van de koning lijken te staan.”

Ze betraden een woonkeuken, zo heette dat wel. Joeri bleef in de deuropening staan, als stijf bevroren, want het meisje dat aan de keukentafel zat te schrijven en uiteraard gebruikte ze een ganzenveer, leek zo op het eerste gezicht een gewoon meisje te zijn. Onopvallend. Een middelmatige leerlinge op school. Erg stil ook. Als onderwijzer moest hij zichzelf er wel eens op attenderen dat ze in zijn klas zat. Naar het bord komen om een rekenopdracht te maken, vond ze vervelend, al had ze er weinig moeite mee. Meisje met een gezonde, licht getinte huidskleur, ze lachte en liet daarbij mooie witte tanden zien, ze had lang, zeer donker, bijna zwart haar en heldere, blauwe ogen.

Het meisje liet de ganzenveer vallen – haar ogen sperden wagenwijd open – ze sloeg beide handen voor haar mond en schreeuwde: “Meester Joeri!”

“Marith? Maar hoe kom jij – ?”, vroeg hij. Zijn verstand zocht naar een oplossing voor het raadsel.

“Dat weet ik ook niet, hoor,” zei Marith die zich met gebalde vuisten van haar stoel liet glijden. “Yes! Yes! Ik ga lekker weer terug naar huis!”, riep ze. Haar stem galmde door de keuken, terwijl er een zacht vuurtje brandde onder een kookpot, waardoor er een fijne warmte heerste, anders dan de kilte die zich buiten leek te hebben gehecht aan mensen, hun dieren en zelfs de gebouwen.

Joeri en Koen staarden naar elkaar, in de tussentijd probeerden ze hun bedenkingen binnensmonds te houden, maar snapten goed dat ze vroeg of laat het meisje uit haar dromen moesten halen, aangezien het allesbehalve een simpele kwestie was. Marith zat middenin haar vreugdedansje, terwijl beide mannen  verder liepen – Koen legde zijn dode konijn op tafel – Joeri nam plaats en wreef over de stoppels die op zijn wangen en keel begonnen te groeien, zodat hij zich ook afvroeg hoelang hij nu al onderweg was.

“Jij zou ook blij moeten zijn, meester Joeri,” zei Marith die bestraffend klonk, omdat ze niet begreep waarom hij onderuitgezakt op een stoel was geploft.

“Ik ben erg moe, bovendien heb ik honger.”

“Een ogenblikje,” zei Koen.

“Graag,” zei Joeri, “straks een stukje konijn, tenzij je die voor morgenavond wilde bewaren.” Hij keek naar het dode dier dat nog moest worden klaargemaakt.

Koen trok een kastje open en haalde er een stevig stuk brood uit die hij op tafel legde, ook haalde hij een goed stuk kaas en een worst tevoorschijn en een mes.

“Ja, ik heb een dolk buit gemaakt,” zei hij Joeri die het mes pakte en op tafel legde, “een of andere tandeloze vent die mijn schoenen probeerde te stelen.”

“O, dan heb je kennisgemaakt met een lijkenvreter,” zei Koen die een kastje openmaakte en weer sloot toen hij een kruik had gevonden die hij op tafel zette – en een beker.

“Ja,” zei Marith en ze knikte eenmaal met haar hoofd. “Ze zijn in werkelijkheid niet echt tandeloos, volgens opa Koen, want ’s nachts krijgen ze lange tanden waarmee ze mensen en dieren kunnen verscheuren. De muren zijn er om de lijkenvreters buiten te houden, heeft opa Koen laatst verteld – echt eng.” Marith klonk heel serieus, volwassen zelfs, maar vertelde een verhaal uit een horrorfilm dat echt was.

Joeri sneed een stukje brood af, schonk een beker vol met – wijn – eerst eten, dan een goede slok rode wijn.

“Ik wil naar huis, net als Marith,” zei hij.

“Dan  zul je eerst het duel moeten overleven.”

“Weet ik, tenzij het me lukt daarvoor al naar huis te gaan,” zei Joeri, “aangezien ik geen zin heb om te vechten tegen officieren van de koninklijke garde. Zo’n arrogant mannetje dat beter getraind is dan ik.” Het brood smaakte erg goed. “En ik probeer te verklaren waarom Marith hier is èn ook daarginds.”

“Geen idee. Echt niet,” zei Marith.

“We moeten thuis zien te komen, naar onze eigen wereld teruggaan, het is een heel moeilijke opgave.”

“Dat ben ik het mee eens,” zei Koen.

“Hopelijk kun je me vertellen dat er een tovenaar leeft, desnoods hier – in de stad – die een manier weet om ons allebei weer thuis te krijgen – in het andere geval zullen we een vijandig gebied moeten doorkruisen, als ruiters, of met een boot,” zei Joeri.

“Het wemelt van de heksen en tovenaars, goede en slechte, prutsers en geniale types,” zei Koen. “Stel dat het je lukt om het duel te winnen, dan is het een kans. We zullen de stad moeten verlaten, vragen stellen, dreigen, vechten.”

“We?”

“Ja, want je dacht toch niet dat ik jullie zonder mij op reis liet gaan?” De stem van Koen echode rond.

Joeri speelde met zijn beker en staarde naar Koen. “Ze hebben je tot nu toe met rust gelaten – in je huis – maar een inval heeft ook consequenties voor Marith.” Ongetwijfeld was er iets waardoor de Broeders Koen nu niet durfden aan te pakken, te overvallen in zijn huis. Joeri liet de vraag rusten en nam een slokje wijn.

“Precies.”

“Dus? Gaan we op avontuur?”, vroeg Marith.

“We zullen wel moeten,” zei Joeri.


Alpaca (2) Een wereld in de mist

Joeri herinnerde zich zijn kennismaking met het meisje al te goed, ze kwam in gezelschap van haar moeder naar school. Ze woonden nog maar net in de stad, alleenstaande moeder. In het begin leek het alsof haar huid meer kleur had dan in latere jaren, toen ze echt bleek was geworden, niet eens wit, maar een soort kalkgrijs, erg onnatuurlijk. Hij vroeg een collega of ze meer wist, maar die haalde haar schouders op. Erg veel hoorde hij er niet over, het was een erfelijke aandoening, ze verdroeg geen zonlicht. Enkele maanden terug bleek ze in zijn klas te zitten, dus begon hij er voorzichtig over. Marith droeg haar lange haren meestal in een staart, omdat ze anders helemaal een spookachtig voorkomen zou hebben.

Hé, hij was gesprongen om te voorkomen dat hij zou veranderen in een geknotte wilg. Toch spookten er herinneringen door zijn hoofd en hij was nog steeds aan het vallen.

Ongetwijfeld.

Niettemin zou hij zich niet eens bewust mogen zijn van de val, aangezien hij het bewustzijn was verloren. Er zou een diep donker gat van onwetendheid moeten hangen in zijn brein dat eindigde als hij zijn ogen opende en misschien zou dat nooit meer gebeuren – misschien was hij dood. Het zou best wel eens mogelijk kunnen zijn dat zijn lichaam op een rotspunt terecht was gekomen, zodat hij nu alsnog heel langzaam veranderde in een struik. Waren er duidelijke regels in deze vreemde wereld? Natuurlijk waren er regels, hij moest ze leren kennen, ondanks zijn kapotte knie, zou hij de regels van het spel goed kunnen leren en een spel kon je winnen en verliezen.

Zijn val eindigde in een rivier, of zee, of een meer, hij had geen flauw idee, maar Joeri kwam bij kennis, opende zijn ogen, begon te hoesten en zwemmen, anders zou hij alsnog verdrinken. Armen voelden erg zwaar aan, hij voelde iets bij zijn rechtervoet en maakte een langzame trappende beweging, zwom verder en voelde de aarde onder zich verschijnen.

Hij ging staan, viel meteen neer, drukte zich omhoog, maar miste de kracht om te gaan staan, dwong zichzelf om alsnog omhoog te komen, terwijl hij de overslaande stem van zijn trainer hoorde galmen, die er niet was, niet hier, wel in een andere wereld. Joeri vloekte enkele malen, strompelde, struikelde, tot hij besefte dat de golven naar zijn enkels leken te willen happen, maar zover niet kwamen. Hij was gered en leefde nog altijd. Er glom een grijns op zijn gezicht die snel verdween, hij liet zich vallen, eerst op de knieën, daarna zakte hij weg in de duisternis.

Toen hij wakker werd, lag hij half op een duin, was hij zijn schoenen kwijt en staarde hij ook nog eens in het gezicht van een onbekende tandeloze man die de broekriem van Joeri probeerde los te maken. Erg moeilijk, schijnbaar had hij dat nooit eerder gedaan. Joeri aarzelde geen seconde en prijsde zichzelf gelukkig, omdat geen van zijn leerlingen hem konden zien – hij balde een vuist en sloeg de rover keihard in het gezicht – er klonk een schreeuw – de man viel achterover, maar Joeri stond snel op, want hij zag ook het stalen lemmet van een mes glimmen. Oké. Nu werd het dus echt vervelend. Hij bukte en nam een handvol los zand, wel wachtte hij op de rover die besluiteloos toekeek, het leek alsof hij niet durfde. Een stuk verderop lagen zijn schoenen en sokken in het zand. Joeri was op tijd wakker geworden.

“Maak dat je wegkomt!”, riep Joeri met harde stem.

“Ik hou de schoenen en – je sokken.”

“Nee, ik weet iets beters, je mag levend vertrekken,” reageerde Joeri. “Wat dacht je daarvan?” Hij trok een smerig dreigend gezicht waarmee hij vroeger zijn tegenstanders op de atletiekbaan wist te imponeren. Dus omlaag getrokken wenkbrauwen, een luide stem, borst vooruit, zijn tegenstander strak aankijkend, ja, het was ronduit intimiderend, zo kende zijn leerlingen hem niet. Het werkte gelukkig wel. “En laat je mes vallen. Dat is nu van mij.” Joeri had geen idee wat voor plek dit was, een vreemde wereld, andere regels, maar toch ook niet zo heel veel anders dan thuis. Menselijke roofdieren en aaseters had je overal. De rover zonder naam liet zijn mes vallen, draaide zich om en begon heel hard weg te rennen. Joeri glimlachte heel even, maar trok snel een ernstig gezicht, hij mocht niet genieten van andermans zwakheden. Het was belangrijk weer thuis te komen, tenzij hij languit in Mariths huis lag.

Hij ging zitten en trok zijn schoenen aan, de stank van zijn aanvaller hing nog een beetje om hem heen. Voor het eerst nam hij de tijd om zijn omgeving te bestuderen. Ja, hij bevond zich op een strand. Het was heel goed mogelijk, zelfs zeer waarschijnlijk, dat er ergens een zon in de lucht hing, maar niet zichtbaar. Dichte wolkenluchten hingen laag boven de zee, heel vreemd overigens, duinen als bergen onttrokken een onbekend land aan zijn zicht. Het was een avontuur waar hij aan was begonnen zonder het ook te willen. Marith had hem gedwongen tot een spel en hij zou het spelen. Misschien had hij buiten moet blijven, aangezien het meisje alleen thuis was – de moeder werkte waarschijnlijk, maar dat bleef onzeker. Wat nou als de moeder net zoveel ergernis had opgewekt? Marith zou dezelfde type ijzige kou hebben losgelaten en haar naar een andere wereld hebben geslingerd. Of wat Marith ook had gedaan, een meisje dat een heel gevaarlijk talent had, Joeri zou een hulpdienst moeten bellen, uitleggen wat er was voorgevallen, als hem dat al was gelukt en hij had beslist voorgangers gehad die hetzelfde hadden geprobeerd en totaal waren mislukt. Hij strikte zijn veters, stond op, keek om zich heen.

Er was een rover geweest, een tandeloze vent, niet eens zo vreselijk oud zelfs, een twintiger, dus mocht Joeri veronderstellen dat er ergens een dorp of stad moest zijn. Daar woonde vast wel iemand die hem wilde helpen. Dat hoopte hij dan toch, anders had hij een probleem. Hij begon te lopen, zocht het natte gedeelte van het strand. De duinen waren echte reuzen die hoog boven zijn hoofd uittorenden, hoger dan hij thuis gewend was. Wolkenpartijen probeerden langs hellingen naar de toppen te klimmen, maar eindigden slechts als een miezerige neerdalende regen, zodat zijn kleren klam aanvoelden. Joeri overwoog naar boven te klimmen, naar de top van een van de duinen, maar hield vast aan zijn eerste plan – een dorpje of stad te vinden.

Er rolden dikke mistwolken over de golven, al bleven ze wel op afstand, de temperatuur daalde merkbaar, hij voelde een rilling over zijn rug gaan en keek regelmatig opzij, aangezien hij net iets te vaak vreemde silhouetten van onbekende monsters leek te zien. Natuurlijk vertelde hij zichzelf dat het allemaal verbeelding was, toch bleef hij op zijn hoede – Marith had hem naar een gevaarlijke wereld geslingerd. Soms bleef hij stilstaan en probeerde de bewegingen van zo’n onbekend beest te volgen, de onvoorspelbaarheid maakte het ontzettend moeilijk. De kou was blijvend en hij had een betere jas nodig, een sjaal, misschien zelfs handschoenen en een muts. Hij had zijn armen over elkaar geslagen en liep steeds sneller, maar ook hongeriger verder. Joeri begon zich af te vragen waar de onbekende aanvaller was gebleven. Er viel nergens een stad te bekennen. Het strand leek nog vele tientallen en misschien zelfs honderden kilometers door te kunnen gaan. Hij vond een afgekloven been, zelfs een voet, schoon gevreten door een onbekend monster – het been lag op het strand – verder niets – Joeri wilde niet direct aan het ergste denken, zoals kannibalen, hij zou onmogelijk kunnen zeggen of het been er al heel erg lang lag.

Terwijl hij naar de beenderen stond te staren, een beetje gefascineerd, dat ook wel, begon de branding ineens veel meer lawaai te maken dan normaal. Het werd ook kouder, een smerige lucht stroomde in zijn richting, Joeri keek naar links en zag een wijd opengesperde muil snel dichterbij komen – enorm groot, glanzend grijsgrauw lichaam, heel gestroomlijnd ook, maar gevleugeld, zodat hij zich bijna een meter boven de golven voort kon bewegen. Joeri begon hard weg te rennen, hoopte dat het voldoende zou zijn, omdat de muil van het onbekende beest rijk was aan scherpe tanden die hem makkelijk zouden kunnen verscheuren als Joeri te traag zou zijn.

Het monster draaide vrij plotseling naar links – Joeri bleef weer staan en hield het mes goed vast, alsof dat ook zou helpen, als hij niet snel genoeg was geweest. 

“Als je je tanden nou vaker zou poetsen,” zei Joeri die hijgend naar het monster staarde dat op een haai leek, maar enorm veel groter dan een haai zou kunnen zijn. Bovendien beschikte dit beest over een paar klauwen. Een golf van stank rolde er over het strand, het dier brulde nijdig en sloeg met zijn enorme vleugels die hem de spanwijdte van een straaljager gaven. Joeri negeerde het beest verder en besloot over het rulle zand te gaan lopen, erg lastig, maar het moest wel. Voordat er een nieuwe aanval zou volgen. Hij zou immers niet altijd even op zijn hoede zijn, mogelijk nog slechter opletten dan daarnet, toen hij het been stond te bestuderen. Zijn leerlingen zouden het een afschuwelijke bezigheid hebben gevonden. Meester Joeri die een afgekloven mensenbeen bestudeerde.

Het begon al een beetje donker te worden, de onzichtbare zon zakte weg in – zoals hij hoopte – het westen, zoals dat op aarde ook het geval was. Zijn maag gromde behoorlijk, hij had honger en voorlopig leek het erop dat zijn dag eindigde onder een bewolkte hemel, terwijl er zich onbekende monsters in de mistwolken schuilhielden – ja, erg vervelend.

De verlossing kwam vrij onverwacht, Joeri ontdekte rookluimen die krachteloos omhoog cirkelden, een dorp, een stad misschien zelfs, er woonden mensen die eten bereidden boven open vuren of zich lekker warmden. Hij begon sneller te lopen. Het strand eindigde bij een stadsmuur die begon in het water en verdween in de duinen. Geen huizen die boven de muur uitstaken, wel een koepel die ongetwijfeld aan een tempel of paleis toebehoorde, want zo waren mensen nu eenmaal – ja, natuurlijk stonden er huizen.

Joeri begon langzamer te lopen – twee schildwachten hielden hem belangstellend in de gaten, maar vergaten evenmin er zeer ernstig bij te kijken, alsof ze ook echt de belangrijkste personen in de stad waren.

“Ik – eh – zou verder willen gaan,” zei Joeri, omdat de schildwachten een slagboom neer hadden gelaten. Ze droegen een zwaard en lieten ook een hand rusten op het handvat.

“Doe je mond eens goed open, zodat ik even kan kijken,” zei een soldaat die vlak voor Joeri ging staan.

Joeri wilde vragen waarom hij dit moest doen, maar vond het verstandiger domweg te gehoorzamen, hij kende de spelregels in deze vreemde wereld niet. Hij deed met andere woorden wat hem gevraagd werd.

“Tjonge,” zei de soldaat, “keurig netjes, je bent anders dan de zwervers die normaal binnen willen.”

“Ik ben van een andere wereld.”

“Beheers je een ambacht waarmee je ons geliefde vaderland van dienst kunt zijn?”, vroeg de soldaat.

“Nou ja,” zei Joeri, “ik ben onderwijzer.”

“Dat zou me niets verbazen,” zei de soldaat, die erbij lachte, zijn kameraad deed de slagboom omhoog, zodat Joeri verder kon lopen. Verderop stonden er twee gekruiste vaandels die de toegang markeerden – Joeri wilde gewoon doorlopen, maar durfde niet goed.


Faking it (5/5)

‘I should have gone to college and gone into real estate and got myself an aquarium’

Na het laatste lesuur bleef Marvin alleen achter in de klas. Soms bleef er een enkele leerling achter die een vraag wilde stellen en niet durfde in een volle klas. Een jongen scheen heel even te aarzelen, maar volgde zijn klasgenoten naar buiten. De school begon leeg te lopen, hij zou naar huis gaan, eten klaarmaken voor vrouw en kinderen, televisie kijken, hopelijk nu eens een ander onderwerp terugzien, alles behalve Brad. Hij zette stoeltjes recht – veegde het bord – en liet een paar boeken in zijn tas wegglijden – Daphne verscheen in de deuropening – haar wangen waren roder dan normaal. “Ik – eh – heb bezoek voor je.”

Een man en een vrouw kwamen het lokaal binnen, recherche – heel opvallend – meestal zag je dat toch wel meteen – ze hoefden zich amper voor te stellen. Toch bestudeerde hij de identiteitskaarten. Zijn naam was De geus, die van haar Rijsbergen. “Neem plaats,” zei Marvin, “ik heb een idee waar jullie voor komen.”

“De verdachte – Bradley Molensteen,” zei De Geus.

“Waarvan wordt hij verdacht?”, vroeg Marvin.

“Moord – onder andere,” zei Rijsbergen.

“Vanavond is er een persconferentie. Half acht,” zei De Geus. “Zeg eens – Hoe goed kent u Bradley?”

“Sinds de storm is uitgebroken – zou ik zeggen – niet.” Marvin bestudeerde de gezichten, twee gespannen turende rechercheurs, slechts één man die de verdachte al vele jaren kende – omdat ze ooit in dezelfde straat hadden gewoond – Brad bij zijn oma.

“Zijn moeder. Wat weet u daarvan?”

“Vrijgekomen, Brad had het er moeilijk mee, maakte foute grappen over verstoppen van steakmessen, ze zou op bedevaart zijn gegaan – nooit teruggekomen.”

“Heeft hij er ooit iets over gezegd? Ik bedoel – Brad. Zomaar van de aardbodem verdwenen. Dat is toch vreemd?”, vroeg De Geus die zijn handen met gespreide vingers neerlegde op het tafeltje.

“Ja,” zei Marvin. “Bedevaart, ze werkte in Lyon als serveerster, zoiets heb ik hem horen zeggen, daarna raakte ik het spoor bijster, want ze zou ook non zijn geworden, ergens – nou ja – noem maar een klooster.”

“Vond u dat niet vreemd?”, vroeg Rijsbergen.

Marvin antwoordde op iets luidere toon dan hij wilde doen. “Tuurlijk. Met de kennis van nu helemaal. Al ga je een leugenaar niet meteen van moord beschuldigen. Tenminste – in mijn familie doen we dat niet.” Hij zweeg en perste zijn lippen op elkaar.

De Geus maakte aantekeningen.

Rijsbergen knikte begrijpend met haar hoofd. “Mijnheer De Waal – ik snap het.”

“Er zijn best wel incidenten geweest – vanochtend dacht ik er nog aan – of – nou ja – incidenten – misschien moet ik spreken van voorvallen. Een onderwijzer vroeg in de zesde klas, nu groep acht, wat voor werk we wilden doen, later, als we groot waren. Bradley zei dat hij soldaat wilde worden, omdat je ongestraft mensen kon doodschieten. Ja, zijn moeder zat toen al vast wegens de moord op zijn vader.”

“Zijn er meer – voorvallen – die destijds niets betekenden en waarvan u achteraf dacht – tja – .”

Marvin onderdrukte een glimlach. “Hij had een clubje opgericht – een club voor eenzame harten – Brad was voorzitter en enig lid – ik ben er een paar keer bij geweest toen hij een vrouw versierde – ze gingen mee. Als ze er niet van gediend waren, mochten ze hem een klap in het gezicht geven – zijn woorden. Toentertijd betekende het hoegenaamd niets. Nu vraag je je af of het deel was van zijn systeem. Nee, het spijt me, ik ken geen namen of gezichten. Blondines, brunettes, geverfd haar, niet geverfd.”

“Hoe vaak heeft u dit zien gebeuren?”

“Twee, drie keer.”

“Steeds hetzelfde verhaal – dezelfde truc.”

“Ja.”

“En u bleef steeds alleen achter?”, vroeg Rijsbergen.

“Ja, vraag dat maar aan de oude kastelein van onze stamkroeg, ik hoor zijn schaterlach nog wel eens.”

“Bestaat het café nog?”, vroeg Rijsbergen.

“Ja, café ’t Glaasje.”

“Oké. Dank u wel.”

“Zijn moeder – Hoe zit het daarmee?”

De Geus en Rijsbergen keken elkaar aan.

“We gaan het vanavond toch bekendmaken,” zei De Geus en zijn stem klonk een beetje dreigend.

“Ik zal u de details besparen, maar ze leeft – ja, ze blijkt het land nooit te hebben verlaten – ze was een gevangene, ze is overgebracht naar een ziekenhuis.”

“Mijn God – Mijn God – Wat een ellende.” Hij begroef zijn gezicht in zijn handen – grote handen.

“U bent er niet zo erg goed in, hè?” Rijsbergen wachtte eventjes voordat ze verderging. “Faking it.”

“Daar ben ik heel erg slecht in,” zei Marvin.

“Wat denk u nou – als u dit allemaal overziet?”

“Hij – Bradley – had briefjes in zijn toilet opgehangen – misschien nog wel trouwens – quotes van seriemoordenaars – de één nog erger dan de ander. Ik herinner me er eentje van Jeffrey Dahmer – de naam stond erbij, daarom weet ik het, laatst dacht ik er nog aan. ‘I should have gone to college and gone into real estate and got myself an aquarium.’ Iemand had destijds die jongen onder zijn hoede moeten nemen, een kinderpsychiater, er werd niks gedaan – in plaats daarvan hebben we hem een monster laten worden.”

Hij keek opzij – Joanne stond in de deuropening – gefronste wenkbrauwen – sjaal losjes om de hals.

“Ik ga naar huis, mijn vrouw wacht op me.”

“Mogen we u vaker vragen stellen?”, vroeg De Geus.

“Liever niet.”

“Dat begrijpen we,” zei Rijsbergen.

“De persconferentie sla ik over – vanavond – ik weet meer dan voldoende – misschien laten we de televisie wel uit – het zou een goed idee zijn, denk ik.”

Joanne knikte bevestigend.

Marvin kwam overeind, net als de rechercheurs. “Soms mag je zeggen dat je het echt niet hebt geweten – al is het nog zo gruwelijk.” Hij pakte zijn tas mee.

“Wat zou u hebben gedaan – als u het had geweten?”

“Eerst zou ik hem buiten westen hebben geslagen met een stoel, daarna had ik de politie gebeld.”

“Waarom slaan?”, vroeg Rijsbergen.

“Zoals je zelf al zei – ik ben slecht in faking it.” Hij liep naar de deur, zoende Joanne en betrad de gang.

Marvin en Joanne verlieten het schoolgebouw, gevolgd door de twee rechercheurs die zwijgend achter hen aanliepen. “Een collegaatje heeft me hierheen gebracht,” zei ze. “Mijn fiets staat er nog – Alice stuurde een app dat je met de recherche sprak.”

Hij knikte bevestigend en schudde ondertussen beide rechercheurs de hand – hun auto stond buiten het hek.

“Dan halen we je fiets op en leggen we die in de auto,” zei hij. De Geus liep al weg, maar bleef weer staan, want Rijsbergen aarzelde veel te lang. “Ja?”

“We kunnen niet beloven dat we geen nieuwe vragen bedenken over Bradley Molensteen,” zei ze.

“Ik weet het,” zei Marvin, “vierentwintig uur geleden leek er nog niets aan de hand te zijn, terwijl nu – .”

“Wie weet tot ziens,” zei Rijsbergen.

Marvin en Joanne stapten in hun auto, hij keek over zijn schouder en begon gas te geven – heel rustig.

Bijna veertig jaar geleden liepen ze naar huis – moeder van Menno voorop – aanvankelijk spraken ze nauwelijks tegen elkaar. Menno vroeg ineens: “Meende je dat nou echt – soldaat worden, omdat – .”

“Nee, natuurlijk niet,” zei Brad. “Ik heb dat gezegd om te zieken. Wat een gezeik, zeg. Wat wil je worden – later als je groot bent? Rijk en beroemd is oké.”

Destijds klonk zijn reactie heel normaal, zoals Bradley altijd wel verstandig kon praten – als hij wilde. Soms gebeurde het gewoon niet en dan zei hij iets vreemds waardoor Menno bijna ging denken dat zijn vriend het ook echt meende. Had hij het kunnen weten? Brad reageerde soms erg apart, maar was ook een beroemde schrijver.

Vele jaren later stopte Menno voor een stoplicht.

“Waar denk je aan?”, vroeg Joanne.

“Aan hem.”

“Vertel.”

“Had ik het kunnen weten? Nee, dat denk ik niet. De vraag is ook of je het ooit zou durven vermoeden.”

“We hebben hem een monster laten worden.”

“Hij is naar zijn oma gegaan en dat was dan dat.”

“En zijn moeder?”, vroeg Joanne.

“Toen was jij er nog niet, denk ik.”

“Vanaf je opmerking over Jeffrey Dahmer.”

“Brad bewaarde zijn moeder als slavin, gevangene – ze hebben haar gevonden in zijn huis – levend – dat dan weer wel – ze ligt nu in het ziekenhuis.”

“Jee, wat erg.”

“Hij wordt onder andere beschuldigd van moord.”

“Ga je de persconferentie echt niet kijken?”

“Nee.”

“Zal het je helpen, denk je? Niet kijken.”

“Nee.”

“Als het om praatprogramma’s gaat – ,” zei ze.

“Hebben ze je gebeld?”

“Ja. Je had je telefoon weer uitgezet.”

“En?”

“Ik ken je toch.”

“Dus?”

“Ik heb ‘nee’ gezegd, wil je ook niet overhalen.”

Hij drukte het gaspedaal omlaag en begon te rijden.

“Hij had gelijk.”

“Wie?”

“John Wayne Gacy.”

“Wat heeft hij ook alweer gezegd?”

A clown can get away with murder.”

“Brad – een clown? Vind je dat echt?”

“Nee. He was faking it.”


Faking it (4/5)

‘I am sorry that I am unable to murder the whole damned human race’

Volgende morgen parkeerde hij op het gebruikelijke tijdstip zijn auto op het terrein van zijn school – er hingen plukjes journalisten rond die zich bij de hoofdingang hadden verzameld – zelfs cameraploegen – Marvin begreep dat zijn oude vriendschap met Brad in het openbaar was gekomen. Hij vloekte niet eens, maar accepteerde dat zijn naam, Marvin de Waal, dè oudst levende bekende van Brad was – alle anderen waren dood of verdwenen. In de ochtendkrant las hij ook al een stukje over de moeder die jaren geleden spoorloos was verdwenen. Moord werd als een aannemelijke verklaring beschouwd.

Marvin pakte zijn schooltas steviger vast en begon naar de ingang te lopen.

“Mijnheer De Waal! Dat bent u toch? Mijnheer De Waal – Wilt u commentaar geven op de affaire rond de Metal Machine Killer.” Microfoons werden onder zijn neus gehangen – hij keek rond, maar de microfoons leken gigantisch groot te zijn. “U bent toch een goede vriend van Bradley Molensteen?”

Marvin zocht naar woorden en stelde vast dat hij slechts onzinnige clichés zou kunnen uitspreken. Elke vraag lokte een nieuwe uit, zo bleef hij bezig en zou hij nooit een punt kunnen zetten achter de kwestie.

Toch wilde hij één ding zeggen. Op televisie. Een gedachte die halverwege de nacht, na enkele uren woelen en staren naar het plafond, was opgekomen.

“Of ik een vriend ben geweest van Bradley Molensteen, tja, dat zul je aan hem moeten vragen,” mannen en vrouwen, alle journalisten luisterden aandachtig, misschien hadden ze zelfs geen commentaar verwacht, “misschien was hij alleen goed in – faking it.” Zeven, misschien acht verschillende mannelijke en vrouwelijke stemmen vroegen wat hij daar precies mee bedoelde. Een nieuwslezer had een kwartier geleden nog verteld dat de forensische politie niet kon zeggen om hoeveel slachtoffers het ging – ze waren met andere woorden nog aan het tellen, want dat betekende het. “Als hij werkelijk schuldig zou blijken te zijn – hetgeen nog moet blijken – dan weet ik niet met wat voor man ik al die jaren aan de bar heb gehangen.”

“Wat gaat u tegen de politie zeggen?”, vroeg een verslaggever. Geen idee voor die de man werkte.

Marvin forceerde een glimlachje. “Mocht de politie met vragen komen – dan zal ik die stuk voor stuk en heel zorgvuldig beantwoorden.”

Ondertussen wurmde hij zich langs een cameraman en wist het gebouw binnen te komen, een geblokte conciërge wist te voorkomen dat de journalisten verder zouden kunnen lopen. Marvin slaakte een kort zuchtje. Het was goed gegaan. Hij had geen domme opmerkingen gemaakt, alleen de verwijzing naar ‘faking it’ was misschien onverstandig geweest, want ze zouden op zoek gaan de herkomst ervan.

Hij betrad de lerarenkamer en liet zich op een wankele stoel neervallen – zijn tas plofte op de vloer.

Daphne, een lerares biologie, iets ouder dan Joanne, ging naast hem zitten en vroeg: “Faking it?” Kennelijk was het live, of bijna live op televisie geweest. Een minuutje om het gebouw binnen te komen, een lange gang, jas uittrekken, tas oppakken, nou ja, alles bij elkaar misschien een minuutje of vijf. Lang genoeg om de beelden op je telefoon te volgen.

Een collega van de sectie Nederlands nam ook plaats. Ze bestudeerde hem met dezelfde vragende ogen.

“Ik kon niet slapen – vannacht – toen ben ik naar beneden gegaan en heb zitten googelen. Seriemoordenaars, hun gedrag, psychologie, zulke dingen. Want ik wilde het gewoon weten. Ik vond een site over Ted Bundy, beruchte moordenaar, dertig bekende slachtoffers. Hij was met name goed in – faking it, doen alsof je een goede vriend bent en je ook zo gedragen, terwijl het je in werkelijkheid geen ruk interesseert – of nee – hij voelt er niks bij – maar hij doet alsof en verschaft zich daarmee het alibi van een maatschappelijk leven. Doen alsof.”

“Je bedoelt dat zo’n man als het ware een persoonlijkheid uitzoekt, dus iemand die hij wil zijn, waarna hij die man ook inderdaad is geworden,” zei Daphne die zijn uitleg aandachtig had gevolgd.

“Kan dat? Bestaat zoiets echt?”, vroeg Alice, zoals de collega heette die net als Marvin Nederlands gaf.

“Kennelijk,” zei Marvin. “Daarna kon ik pas slapen. Toen lukte het. Al ben ik er echt compleet ziek van.”

“Het verbaast me een beetje dat Joanne je heeft laten gaan,” zei Daphne. “Ik had je thuis gehouden.”

“Marvin laat zich niet makkelijk tegenhouden,” zei Alice, “al heb je misschien wel een beetje gelijk.”

“Het lukt wel,” zei Marvin. “Het leidt af.”

“De leerlingen willen ook alles weten, net als wij,” zei Alice die een aangename glimlach liet zien.

“Fragmenten, meer kan ik niet vertellen. Dat is alles.” Hij zat een beetje onderuit gezakt op de stoel. “Ik wacht wel af, ook als de recherche me wil spreken. Zoveel vrienden heeft Brad nou ook weer niet, mensen die hem al zo’n lange tijd kennen. Eentje.”

“Misschien vragen ze je wel voor Pauw, of Tan,” zei Daphne. “Mag je daar alles vertellen wat je weet.”

“Beslist niet. Dat heb ik mezelf beloofd. Nee.”

“Ik zou gaan,” zei Daphne.

“We hadden gisteravond afgesproken, een paar biertjes drinken samen, het was al een tijd geleden. In het café las ik dat hij de politie hem had opgepakt.”

Er ging een bel, Marvin pakte zijn tas en kwam overeind. “Aan de slag, beste mensen. Afleiding,”

“Daar zorgen de jongelui wel voor,” zei Daphne.

Er hing een bijna plechtige stilte in de klas, alsof hij vooraf al een moeilijke vraag had gesteld. Hij liet zijn tas op de vloer vallen, tegen het bureau aan.

“Goedemorgen,” zei hij. Een reactie golfde door het klaslokaal, niet erg overtuigend, de deur stond open, zoals altijd, want zo hadden ze het afgesproken op school, geen geheimen in de klas. Hij verwachtte elk ogenblik een vingertje – van een leerling – die min of meer namens de groep dè vraag zou stellen en nu eens wel moeite leek te hebben met zijn of haar vraag. Marvin had nooit gezegd dat hij Bradley echt kende.

En – ja. Inderdaad. Een vinger. Maartje. Natuurlijk.

“Mijnheer – ik wilde iets vragen – Klopt het dat u – dat u Bradley Molensteen persoonlijk – kènt?”

“Ja,” antwoordde hij – ondertussen ging hij op de rand van zijn bureau zitten – zijn favoriete plekje. “Al heel lang zelfs. Sinds de basisschool, nou ja, vroeger noemden we dat een lagere school. Ja, ik ken hem al heel lang.” Hij moest zich nog diplomatieker uitdrukken dan normaal, veel minder uitgesproken zijn. “Ik ben misschien nog verbaasder dan jullie, omdat ik hem al zo lang geleden hebben leren kennen.” Er ging een geroezemoes door de klas die snel wegstierf. “En als jullie willen weten of ik ooit iets heb gemerkt, verdenkingen heb gehad, dan zeg ik ronduit ‘nee’.”

“En dat boek dan?”, vroeg een jongen die Freek heette. “Ze zeggen nu dat het echt gebeurd is.”

“Er zijn meer boeken over moord en doodslag, daarmee is het nog niet automatisch waar gebeurd.”

Het gesprek eindigde na bijna vijftien minuten. Hij herhaalde hoofdzakelijk wat hij eerder al had gezegd. Soms moest hij een paar woorden inslikken – leerlingen gingen aan het werk – hij besprak het huiswerk dat ze hadden moeten doen. Marvin liep rond, legde nog wat details uit en herinnerde zich plots een gesprek dat ze ooit, heel lang geleden, hadden gehad – in de klas. De onderwijzer vroeg zijn leerlingen wat voor werk ze wilden doen – als ze groot waren geworden. Marvin herinnerde zich ineens het antwoord van Bradley.

“Soldaat, mijnheer.” Links en rechts klonk er wat gegniffel van leerlingen, maar het werd spoedig stil, nadat de onderwijzer een strenge blik had opgezet.

“Waarom?”

Bijna veertig jaar later gleed er alsnog een koude rilling langs de ruggenwervels van Marvin.

“Dan kun je ongestraft mensen doodschieten.”


Faking it (2/5)

          ‘A clown can get away with murder’

Op de basisschool wekte Brad allerminst de indruk dat hij ooit iets bijzonders van zijn leven terecht zou brengen. Stil ventje, nogal teruggetrokken, maar andere leerlingen paste ervoor op om hem te pesten. Hij reageerde soms onvoorspelbaar, was stevig gebouwd, erg groot ook. Marvin kwam hem daar voor het eerst tegen. Brad leek totaal niet op de zwierige voorzitter van een club voor eenzame harten die hij later beslist zou worden.

Het had er geen enkele schijn van dat beide jongens goed bevriend zouden kunnen raken, aangezien ze allebei totaal andere interesses hadden. Marvin ging bijvoorbeeld voetballen en meldde zich aan bij een club in de buurt – hij was geen goede speler, maar ook geen slechte. Brad vertoonde geen enkele belangstelling voor zoiets als sport. Ze raakten met elkaar in gesprek, omdat ze vanaf groep 8 dezelfde route naar school en huis volgden. Brad had geen moeder of vader die hem ophaalde – hij woonde bij zijn oma. Veel vertelde hij er niet over en Marvin stelde evenmin vragen. Het werd het begin van een vriendschap die heel lang zou duren. Na een tijdje liep Brad gewoontegetrouw met de moeder van Marvin naar huis – hij woonde in dezelfde straat en kreeg nu eens geen vervelende vragen over een oma die voor hem zorgde in plaats van een jonge moeder.

Op zekere dag vroeg Marvin aan zijn ouders hoe het zat. De vader van Marvin haalde verontschuldigend zijn schouders op en antwoordde: “Geen idee, jongen. Als je het zo graag wilt weten, dan moet je het vragen. Bedenk wel dat het ons geen bliksem aangaat.” Het klonk heel logisch, dus besloot Marvin er niet over te zwijgen, want het ging hem inderdaad niks aan. Brad zou er zelf over vertellen. Misschien deed het teveel pijn. Hij sprak nooit over zijn ouders. Alsof ze bij een verkeersongeluk om het leven waren gekomen.

Het duurde enkele jaren voordat Brad de woorden leek te hebben gevonden, of bereid was domweg te vertellen wat er – lang geleden – was gebeurd. Mannen – inmiddels – die in hun stamkroeg aan de bar hingen en al een tijdje bier aan het drinken waren.

“Je hebt me nooit gevraagd wat er met mijn ouwelui is gebeurd,” zei hij. Het was geen verwijt of zo, eerder een vaststelling. Brad had er kennelijk over nagedacht. Het verleden begon een beetje te spoken.

“Klop,” zei Marvin. “Mijn vader zei dat het ons geen bliksem aanging. Zoiets heeft hij gezegd, dacht ik.”

Jonge kerels – Brad moest zijn boek nog schrijven. Ze studeerden allebei, HBO, geen universiteit, al begon het erop te lijken dat Brad eerdaags zou afhaken. Hij had er geen zin meer in om hard te werken, zodat hij na een vierjarige studie als loonslaaf verder kon gaan, een nuttig lid van de samenleving, hij voelde zich een dandy – Marvin zag geleidelijk de persoonlijkheid ontstaan die jaren later furore maakte in de media. Dit begon hem toen al duidelijk te worden, maar de bekentenis, die Brad destijds in de kroeg deed terwijl ze samen aan de bar hingen, verbijsterde hem totaal.

“Moeder zit een gevangenisstraf uit – wegens moord,” zei hij en Marvin geloofde hem direct, want in Brads ogen herkende hij een duistere gloed – gedurende een fractie van een seconde – toen was het weer weg. “Ze heeft mijn pa vermoord – drankprobleem, weet je wel, gewelddadig, ook dat, ja. Voor de duidelijkheid. Moeder deelde de klappen uit, niet vader en ze zopen allebei als ketellappers. Zelf logeerde ik bij mijn oma, dus werd de aanklacht ‘voorbedachte rade’.”

Marvin wachtte alleen af en stelde geen vragen.

Hij forceerde een grijnslachje. “Ja, ze had het goed voorbereid – met een steakmes heeft ze toen zijn strot doorgesneden. Vriendje van moeder heeft geholpen het lijk te verstoppen in het bos, maar kreeg spijt.” Hij nam een slok bier en zette het glas neer. “Waarom vertel ik je dit? Ze komt vrij – proefverlof heet dat. Of ze bij mij – haar enige zoon – op de bank mag slapen.”

“Heftig verhaal, jongen,” antwoordde Marvin.

“Dus ik heb geantwoord: ‘Tuurlijk mam, dat kan.’ Wat moet je godverdomme anders zeggen?

“Ook daarom heb je geen zin meer in studie.”

“Precies.”

“Maar je wilt ook geen nuttig lid van de samenleving worden,” zei Marvin die probeerde te glimlachen.

“Dat zeker niet,” zei Brad die zijn glas leegmaakte. “Wat denk je? Zou ik mijn steakmessen moeten verstoppen?” Hij grijnslachte erbij, heel uitdagend.

Toen de controverse rond het boek Metal Machine Killer haar hoogtepunt had bereikt, werd uiteraard ook de moord op Molenaar senior opgerakeld. Voor de boekverkopen betekende het goed nieuws. Brad moest vooraf hebben geweten dat het zo zou gaan.

Daarna verloren Marvin en Brad elkaar voor langere duur uit het oog, enkele jaren zelfs. Marvin concentreerde zich op zijn studie, zag een relatie mislukken, maar slaagde erin een goede baan te krijgen als leraar Nederlands in zijn oude woonplaats. Hij vroeg zich dikwijls af hoe het tussen Brad en zijn moeder ging, of ze nog altijd op zijn bank sliep en misschien had ze ergens een goedkoop flatje gekregen, een vrouw met een bijstandsuitkering. Aangezien Marvin het adres van Brad had bewaard, besloot hij een brief te sturen en kreeg ook antwoord. Moeder had haar volledige bewegingsvrijheid herwonnen na alle beperkingen die een vroegtijdige in vrijheidsstelling met zich meebracht. Hij merkte op – en Marvin bespeurde hier enige ironie – dat ze haar oude geloof had teruggevonden en aan een bedevaart was begonnen die haar in Noord-Spanje moest brengen – een extra straf wegens de moord op papa. Ongetwijfeld belandde ze tijdens haar voettocht ergens als prostituee in een vunzig kamertje – sarcasme, geen ironie. Aan het einde van zijn brief stelde Brad voor om binnenkort een biertje te drinken. 

Zo gebeurde het ook en op een vrijdagavond ontmoetten ze elkaar in hun oude stamkroeg. Marvin gaf lang genoeg les om oud-leerlingen tegen te komen die kennis begonnen te maken met het nachtleven. Brad vergat te vertellen over zijn boek dat hij beslist aan het schrijven moest zijn geweest, want het zou binnen een jaar verschijnen. Voor de laatste keer zag Marvin hem alleen binnenkomen – de glazen stonden al snel op de bar – hij legde een vijfje neer. Het duurde bijna een half uur voordat Marvin vroeg of Brads moeder haar bestemming had weten te bereiken.

“Laatste berichtje kwam uit Lyon, ze had een baantje gevonden als serveerster in een restaurant.” Brad grijnsde erbij, want hij wist goed wat Marvin dacht.

“Leuk,” zei Marvin die met zijn glas speelde.

“Je dacht natuurlijk aan – ,” zei hij.

“Omdat jij dat hebt geschreven in je brief, goochem.”

Rockmuziek uit de jaren zestig en zeventig vormden muzikaal behang, volume stond niet zo vreselijk hoog, gesprekken waren mogelijk. Marvin en Brad begonnen een tikje aangeschoten te raken. Aan een tafeltje zat sinds een half uur een jonge vrouw, donkerblond, niet echt lichtblond, want ze was haar wenkbrauwen vergeten mee te verven. Wel erg knap.

Brad liet zich van zijn kruk glijden en nam tegenover haar plaats. “Als je er niet van gediend bent, moet je het zeggen – anders geef je me maar een klap in mijn gezicht.” Marvin hoorde hem zijn woorden uitspreken en had zijn rug half naar het tafeltje gedraaid.

Ze schudde haar hoofd – zwijgend – haar paardenstaart zwiepte een tikje venijnig heen en weer.

“Luister – ik ben – niet toevallig – voorzitter en tot nu toe enig lid van een club voor eenzame harten. Doel is om zoveel mogelijkheid eenzaamheid te bestrijden, een verborgen ziekte in onze moderne samenleving.”

“Wil je dat ik met je meega?”

“’t Is een voorstel,” antwoordde hij. “Jij beslist.”

“En je vriend?”

“Die heeft genoeg gehad,” zei Brad.

Marvin knikte met zijn hoofd en forceerde een boer.

“Ik zat op iemand te wachten, maar ja – .”

“Het leven is te kort om spijt te hebben,” zei Brad.

Brad en de jonge vrouw, waarvan Marvin zelfs geen naam wist, liepen gearmd de kroeg uit. De kastelein zag het stelletje weglopen – lachte er hartelijk om.

“Nu jij nog!”, riep hij.

Marvin zou zijn toekomstige echtgenote in de zomervakantie ontmoeten – Joanne heette ze, lerares Engels – want onderwijsvolk zocht mekaar vaak op.


De Buurvrouw (6/6)

De achterdeur stond nog altijd wagenwijd open en Vernon stapte behoedzaam binnen. “Buurman?”, vroeg hij. Er volgde een stilte die werd onderbroken door een vloek die als een rollende donder klonk. Vernon klopte enkele malen op het raam en besloot niet verder te gaan totdat Van Kerkrade zelf begreep dat het alleen buurman Vernon Delsing was die zijn huis wilde betreden en geen – al dan niet – ingebeelde vijand. Je wist maar nooit.

Vernon hoorde voetstappen en de deur ging open, niet erg langzaam, maar met een klap. Van Kerkrade stond in de opening en hield zich vast aan de kozijnen. Zijn haar zag er uit alsof hij net uit bed kwam, er groeide een baard van ruim een week, hij staarde, alsof hij meer bezoekers verwachtte. Zijn overhemd had hij niet dichtgeknoopt, daaronder was een vuil T-shirt zichtbaar waarop roodbruine vlekken prijkten. De gulp van zijn broek stond open. Bovendien stonk hij behoorlijk. Ook naar alcohol.

“Ik ben alleen,” zei Vernon.

“Kom binnen,” zei Van Kerkrade, “neem een biertje – of neem er meteen twee. Er is voldoende.”

“Ik hoorde je – ,” zei Vernon.

“Geen zorgen, of juist wel trouwens – ik ben alleen,” zei de buurman. “Ik stond naar een schim te schreeuwen.”

“Da’s – eh – zorgelijk,” zei Vernon die twee biertjes uit de koelkast pakte en een dopje eraf draaide.

“Beslist.”

De buurman liet zich neervallen op een stoel – Vernon ging tegenover hem zitten en nam een slok.

Van Kerkrade pakte zijn flesje op en hield het eventjes omhoog. “Alle mannen zijn varkens,” zei hij en vervolgens dronk hij het flesje, dat nog halfvol was, in één teug leeg.

Vernon wachtte enkele seconden en zei: “Gezondheid,” zei hij. Daarna nam hij pas een slok.

“Kan me nie’ verschelen,” zei hij en Van Kerkrade schoof het tweede flesje naar zich toe.

“Wanneer zijn je kinderen hier voor het laatst geweest?”, vroeg Vernon.

Van Kerkrade liet een boer. “Lidia is al net zo’n bitch als d’r moeder – Jelle een laffe hond die achter zijn grote zus aanholt,” zei hij.

“Vertel eens – en je hoeft er ook helemaal niks over te zeggen, als je dat niet wilt, hoor – maar – wat moet er gebeuren om een vrouw zover te krijgen dat ze haar parkietje de woorden – .”

Van Kerkrade draaide het dopje los. “Gewoon – een bitch. Vind je dat niet genoeg?” Hij nam een slok, waarmee het flesje direct halfleeg was. “Ja, ik hoor je wel denken – net als iedereen trouwens. Zou hij zijn wijf hebben vermoord? Ja of ja? Zou hij het echt hebben gedaan? Nou? Wat denk je?”

Vernon pakte het flesje van tafel en bracht het naar zijn mond. “Geen idee. Ik ken geen moordenaars.” Hij nam een slok waarna hij het flesje weer op tafel zette.

“Is dat niet wat iedereen wil weten?”

Vernon besloot het spel mee te spelen. De buurman vroeg er gewoon om. Hij was er dronken genoeg voor. “Ik heb de gedachte eerlijk gezegd nog niet toe willen laten,” zei hij. “Al zou je erover kunnen speculeren.” Vernon tikte met zijn wijsvinger op tafel. “Natuurlijk. Waarom stond je laatst de politieauto’s na te kijken? Misschien denk je wel dat ik erg veel weet. Maar ik heb nooit geluisterd.”

“Ik voel me schuldig.”

“Vertel.”

“’s Ochtends om vier uur maakte ze me wakker. Mijn vrouw dus. Dat snap je wel. Ik wist meteen dat het fout zat. Echt, gruwelijk fout. Ze had een hartinfarct. Ik wist het meteen. We hebben geen telefoon in onze slaapkamer. Nooit gehad ook.” Hij nam een slokje bier. “Ik was in paniek. Ze schold me uit voor zwijn. Die trut dacht dat ik het expres deed, dat ik daarom zo treuzelde. Toen ben ik naar beneden gelopen en heb de telefoon gepakt. Ik heb gewoon op de bank gezeten met de telefoon in mijn hand – . Niet gebeld, niets gedaan. Ik hoorde een bons. Ze was gevallen. Zo bleek later. Ik heb haar terug in bed gelegd.” Van Kerkrade keek naar Vernon. “Ja, ik ben schuldig. Maar – mijn God – Wat was ik blij dat de bitch dood was.

“Was je vrouw dan ook echt zo’n secreet?” Vernon had inmiddels diverse meningen aangehoord – dus een kreng, maar ook een wereldwijf, allemaal uitgesproken door dezelfde man. Voor de kinderen was moeder gewoon een moeder geweest, meer niet.

“Het leek wel of het steeds erger werd,” zei hij.

“Dan nog.”

“Ik denk al een paar weken – sinds de crematie – Waar heb ik in hemelsnaam aan zitten denken toen ik op de bank op haar dood zat te wachten? Wat bezielde me?”

“En nu vreet het aan je,” zei Vernon. “Doodslag. Of dood door schuld. Je had 112 moeten bellen, maar hebt dat opzettelijk nagelaten, omdat je je vrouw beu was. Er is geen bewijslast. Alleen een verklaring.” Vernon nam een slokje bier en zette het flesje terug. “Slaap je roes uit, neem morgenochtend een douche, ga je fatsoenlijk scheren en kam je haren. Nadat je normaal hebt ontbeten, koop je een bos bloemen en die geef je aan je dochter.” Van Kerkrade keek naar het raam waarachter een spaarzaam verlichte straat zichtbaar was. “Ik geef het ter overweging mee, hè. Je moet het zelf weten. Het lijkt me misschien nuttig als je daarna een afspraak maakt met je huisarts – een dubbel consult.”

“En dan?”

Vernon dronk het flesje leeg en zette het op tafel. “Justitie? Ik twijfel. Er ligt geen bewijslast, alleen jouw verklaring. Meer is er niet. Ik kan hoogstens bevestigen wat je mij hebt verteld. Da’s ook geen bewijs. Ik zou je in elk geval doorsturen naar een psycholoog of zo, professionele hulp. Gezien je huidige toestand. Zodat je kunt uitleggen hoe je ertoe bent gekomen je vrouw dood te laten gaan. Ik ben geen jurist, heb geen idee wat ze zullen doen.”

Vernon schoof de stoel achteruit en stond op. “Als je bij de huisarts komt zoals je er nu uitziet, mag je niet eens naar huis, denk ik,” zei hij en lachte heel kort, maar het was een gedwongen lach.

Van Kerkrade vond het niet grappig – hij keek ondertussen naar het flesje dat alweer bijna leeg was.

Vernon ging naar huis en liet zich op de bank vallen. Het relaas van de buurman wervelde in zijn hoofd. Om half een ging hij naar bed. Terwijl hij zijn tanden stond te poetsen, bedacht Vernon dat de buurman morgenochtend alles weer kon zijn vergeten. Nee, waarschijnlijk niet – hopelijk niet.

Volgende ochtend – omstreeks tien uur – stond Vernon in de tuin. De buurman kwam buiten, gekleed in een donkergrijs pak, blauwe stropdas.

Beide mannen keken elkaar korte tijd aan.

Vernon dacht dat zijn buurman nog iets wilde zeggen, maar Van Kerkrade zei geen woord, stapte in zijn auto en reed weg.


De Buurvrouw (5/6)

De telefoon ging. Bijna een uur later.

Vernon had de boodschappen opgeruimd.

Het gesprek met Lidia, de dochter van Allan van Kerkrade, had hem verrast. Ze bleek een uiterst prettige vrouw te zijn, vergelijkbaar met zijn buurvrouw zoals die zich in het openbaar presenteerde. Zijn ergernis was begonnen toen Lidia haar auto voor het eerst op Vernons oprit had achtergelaten. Lidia was geen kenau, maar een vrouw die zich te pletter was geschrokken na een telefoontje van haar vader. Vernon pakte de hoorn op en zei: “Hallo.”

“Mijnheer Delsing?”, vroeg een mannelijke stem, niet zo heel erg jong, misschien een dertiger. Vernon herkende hem vrij laat. “U heeft mijn zus gesproken,” zei Jelle.

“Je zus – Lidia.”

“Precies.”

“Dan weet u wat er ongeveer gebeurd is.”

“Een beetje,” zei Vernon.

“Ik vroeg me af – hè – of u een poging zou willen wagen om te bemiddelen?”, vroeg Jelle.

“Waarom doe je dat zelf niet?”

“Omdat u neutraal bent,” zei Jelle.

“Ik moet voor mediator spelen,” zei Vernon.

“Precies – ja, helemaal,” zei Jelle die meteen stukken opgeluchter klonk. “Ja, een mediator – daar hebben we inderdaad behoefte aan, mijnheer Delsing.”

Het probleem was dat er zich heel veel af moest hebben gespeeld in het huis van zijn buren, veel meer dan de kinderen Van Kerkrade vermoedden. Vernon moest denken aan een slangenkuil, en er leefde op dit moment nog één slang. De buurman, dus Van Kerkrade zelf, reageerde – vreemd. Zijn dochter en zoon hadden elkaar gevonden, dankzij een avondje in het café – beide neuzen in dezelfde richting. Zou het kunnen dat de ambulancemedewerkers het verdriet van de weduwnaar verkeerd hadden geïnterpreteerd? Dus opluchting in plaats van verdriet?

‘Jezus. Omdat – ik zo blij ben dat de bitch dood is.’

Hoe vaak had de buurman zijn echtgenote die drie woorden horen zeggen? ‘Mannen zijn varkens.’

Lidia verwoordde een gedachte die een eigen leven was gaan leiden. ‘Heb je mama soms vermoord of zo?’ De buurvrouw moest maanden werk hebben gehad aan het parkietje – maanden.

“Goed – ik doe het – één keer – daarna is het jullie probleem. Afgesproken?”

“Dank u wel , mijnheer Delsing.”

“Je moet er weinig van verwachten, Jelle,” zei Vernon. “Jullie moeder is overleden – zijn vrouw – zoiets komt snoeihard binnen bij mensen – je ouders zijn erg lang bij elkaar geweest.”

“Dan wordt het een kort gesprek, mijnheer Delsing.”

“Laten  we het hopen.”

Vernon legde de telefoon neer en begreep heel goed dat er meer aan de hand moest zijn. De buurman gedroeg zich inderdaad vreemd, maar er bestond nu eenmaal geen spoorboekje voor normale reacties bij een onverwacht overlijden.

’s Avonds belde hij aan, wachtte een tijdje bij de voordeur, maar Van Kerkrade deed niet open. Het was donker in huis, de ramen waren gesloten. Volgende dag belde  hij ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds aan. Niemand thuis. Daarna hielden de kansen op, aangezien hij zou vertrekken naar Duitsland en er minimaal twee weken zou verblijven. Het huis was donker, Van Kerkrade was niet thuis – misschien was hij een weekendje naar het strand, om een beetje uit te waaien en hij hoefde zich niet te verantwoorden.

Zondagavond kreeg hij Jelle aan de telefoon. “Nee, jongen, ik heb je vader niet gesproken. Hij is vermoedelijk een paar daagjes naar het strand of zo.” Vernon maakte hem duidelijk dat hij minimaal twee weken in het buitenland zou zijn. Jelle liet geen teleurstelling blijken. Hij had vast op een gesprek gerekend en nu was er niets gebeurd.

Zijn werkzaamheden in Duitsland duurden langer dan gepland, namelijk tweeënhalve week, zodat hij pas woensdagavond laat thuis kwam. Vernon had zijn oudere zus gevraagd wat eten in de koelkast te leggen, zodat er in elk geval iets zou zijn.

Hij parkeerde zijn auto voor de garagedeur om elf uur ’s avonds, onderweg had hij gegeten in een wegrestaurant. De buurman was in elk geval thuis, een enkel schemerlampje moest de woonkamer verlichten. Vernon inspecteerde de koelkast – eten en drinken genoeg – hij ging verder en betrad zijn tuin. Het was een oude gewoonte. Na een afwezigheid van enkele weken en soms maanden, wilde hij eerst rustig checken of alles er goed bij stond. Aan de andere kant zou hij een berichtje hebben gekregen van zijn zus, als er iets was gebeurd. Zo ging het altijd. Vernon stond in de tuin en zag dat de buurman zijn deur open had laten staan. Het was eind oktober, een koude en vochtige herfst, zelfs voor de buurman was het ongehoord. Vernon beschouwde het half als een uitnodiging om binnen te komen. Toch aarzelde hij. Het ging hem goed beschouwd geen bliksem aan en misschien hadden de kinderen van zijn buurman alles zelf al geregeld. Aangezien Vernon het gesprek niet had kunnen voeren.

Hij liep de keuken in, weerstond zijn eerste impuls om een biertje te pakken en besloot de auto binnen te zetten. Zijn woonkamer baadde in het licht. Vernon gooide eerst de garagedeur open, stapte in zijn auto en reed naar binnen – het raampje ging een stukje naar beneden, want zo had hij het geleerd. Hij stapte weer uit de auto, deed de garagedeur omlaag en op slot – hij liep naar de keuken, pakte een biertje, waarna hij zich op de bank liet neerploffen. Al het werk was gedaan, een beloning leek gepast. Vernon nam een slok, zette het flesje op tafel.

Juist op dat moment begon de buurman te schreeuwen: “Vuile tyfushoer – slet – teringkreng!”

Hij overwoog een nieuwe slok te nemen, maar bedacht zich en herinnerde zich zijn belofte om met zijn buurman te zullen praten. Van Kerkrade was eerder niet thuis geweest. Nu wel. Overduidelijk zelfs.

“Tyfus – tyfushoer!”

Hoogste tijd voor een goed gesprek.


De Buurvrouw (4/6)

“En waar baseert ze dat op?”, vroeg Vernon. Hij betreurde het meteen dat hij erover was begonnen. Hij had gewoon op zijn fiets moeten stappen en nonchalant naar de buurman zwaaien die naar een verdwijnende politiesirene zocht – want zo was het. Misschien verwachtte Van Kerkrade dat er elk ogenblik een paar agenten op zijn stoep zouden staan om hem mee te nemen naar het bureau. Er moest veel meer aan de hand zijn dan alleen een beschuldiging. Het was al erg genoeg dat een dochter haar vader durfde te beschuldigen van moord. Vernon wilde niet eens serieus accepteren dat er sprake was geweest van moord.  Wanneer haatten twee mensen elkaar voldoende om een echte moord te willen overwegen? In de verte klonk een nieuwe sirene, maar die waren er altijd, als je goed luisterde.

“Ze schijnt zoiets gezegd te hebben,” zei hij.

“Je vrouw?”

“Ja – er zou zonder enige twijfel sprake moeten zijn van moord, als ze eerder kwam te overlijden dan ik.”

“Da’s – eh – erg dun,” zei Vernon.

Van Kerkrade begon te lachen. “Het is totaal niks!” Er lag geen enkele blijdschap in zijn ogen.

“En je zoon? Wat zegt hij?”, vroeg Vernon.

“Knettergek,” antwoordde Van Kerkrade.

“Maar toch – je dochter heeft het geroepen.”

“Ja, want zo voelt ze het – intuïtie – haar hart zegt dat ik een moordenaar ben – bovendien heeft – mams – die heeft het meer dan eens – hardop – gezegd.” Van Kerkrade spreidde zijn armen en de blik in zijn ogen verraadde een onuitgesproken vraag – of Vernon het verlossende antwoord wilde geven – onschuldig natuurlijk. Er lag helemaal geen vraag die hij moest beantwoorden. “Volslagen knots. Net als haar moeder.”

Vernon stak zijn handen weg in zijn  broekzakken en schopte tegen een stoeptegel – hij probeerde de juiste woorden te vinden. “Dus je hebt een vader, moeder en twee kinderen, een zoon en dochter. Moeder sterft en dochter gelooft dat er sprake moet zijn van moord. Vader en zoon denken er anders over.” Heel even gingen de mondhoeken van zijn buurman omlaag. “De crematie is allang achter de rug,” zei Vernon.

“Ja. Wat wil je daarmee zeggen?”

Vernon haalde zijn schouders omhoog. “Je stelt jezelf de verkeerde vraag, buurman. Waarom denkt je dochter dat je haar moeder hebt vermoord? Dat is het probleem.”

“Die griet is gewoon geschift. Net als haar moeder.”

Vernon gaf geen reactie meer en wilde boodschappen halen voordat er een echt meningsverschil zou groeien met zijn buurman, een ruzie die onherstelbare schade zou aanrichten. Hij draaide zich om. Zijn hoofd richtte hij naar Van Kerkrade. “Een lastig probleem, Allan.”

Niet zo heel ver weg klonk er een nieuwe sirene, zonder enige twijfel een politieauto, direct gevolgd door een tweede en zelfs een derde. De buurman zei niets meer en bleef alleen kijken naar de auto’s die snel in een andere richting verdwenen. Vernon meende een onrust in de ogen van Van Kerkrade te ontdekken, eerder onrust dan angst. Alsof de dochter een rechercheur had weten te overtuigen dat er inderdaad sprake moest zijn geweest van moord.

Hij bleef wel erg lang staren.

“Ik ga boodschappen halen,” zei Vernon. Hij pompte de achterband van zijn fiets op, terwijl Van Kerkrade zocht naar een politieauto die maar niet dichterbij scheen te komen, al zou hij het nog zo graag willen. Vernon slingerde zijn linkerbeen over de fiets en reed weg. De buurman ging zijn huis weer binnen.

Het beeld – een starende buurman – liet hem geen seconde los, zelfs niet in de buurtsuper. Van Kerkrade werd van moord beschuldigd door zijn eigen dochter, een stevige beschuldiging die niemand lichtzinnig zou mogen opvatten – het was voldoende voor een langdurige ontwrichting van de familierelaties. Als het al ooit goed zou komen. Zoon en dochter hadden ieder een andere partij gekozen. De scheidslijn liep dwars door het gezin. Vernon begreep dat de kwestie hem geen bliksem aanging ondanks het feit dat hij alle details over hun ruzies had kunnen weten – als hij de muziek niet zo hard had aangezet. Geen spijt.

Hij legde twee flessen wijn in zijn karretje – rode wijn – toen zijn naam werd genoemd. Niet eens op een harde snerpende manier, maar gewoon zachtaardig – een vrouwenstem.

“Mijnheer Delsing,” zei de jonge vrouw.

Vernon keek over zijn schouder en zag de jonge vrouw, de dochter van zijn buurman, die haar vader had beschuldigd van moord op haar moeder.

“Dag Lidia,” zei hij.

Ze had vrij lang donkerblond haar, bruine ogen.

“’t Is een beetje gênant – dit.”

“Waarom?”, vroeg hij. Vernon wilde niet meteen laten blijken volledig op de hoogte te zijn.

“Ik dacht – Heeft mijn vader niet met u gesproken?”

“Jazeker.”

“En – Wat vindt u ervan.”

“De beschuldiging?” zei Vernon.

“Ja,” zei Lidia.

“Klopt het? Heb je hem inderdaad beschuldigd – van – ?”, vroeg Vernon die een oudere man liet passeren. De gangpaden waren niet echt breed te noemen.

“Nee, dat heb ik dus niet,” zei Lidia. “Ik heb alleen gezegd dat hij om een sectie had moeten vragen. Da’s alles, mijnheer Delsing. Ziet u – als mijn moeder een erfelijke ziekte onder de leden heeft gehad, dan zou ik dat graag willen weten.”

“Ja, dat begrijp ik wel.”

“Toen is hij erg boos geworden,” zei ze.

“En – je broer?”

“Gisteravond hebben we het uitgepraat – in het café,” zei Lidia die zelfs een lachje wist te produceren. “Je krijgt wel koppijn van dat uitpraten, hoor.”

“Ik heb iets gehoord over hondjes.”

“Ja – ook zoiets – dat heeft hij dus niet eens met ons besproken. Ik zou er eentje hebben genomen, desnoods allebei, maar zeg het dan tenminste. Nu heeft hij ze gewoon weggedaan. Zo lijkt het net of hij alles aan het opruimen is wat hem aan mijn moeder herinnert. Hij haatte moeder. Daar begint het steeds meer op te lijken.”

Vernon durfde niet over het parkietje te beginnen. Of de verzuchting op de dag dat de buurvrouw overleed. ‘Jezus. Omdat – ik zo blij ben dat de bitch dood is.’

“Heeft mijn vader soms meer dingen verteld?”

“Nee.” Vernon had geen zin om de ruzie nog verder op te stoken. Geen enkel belang bij. Totaal niet.

“Gelukkig,” zei Lidia die haar handen vouwde. Een devoot gebaar.

“Maar je hebt je vader niet – keihard – beschuldigd van – ?”, vroeg Vernon.

“Nee – nou ja – ik heb geroepen – Heb je mama soms vermoord of zo? Hij reageerde zo vreemd.”