“Ik ben alleen maar de boodschapper,” zei hij.
Jon hield de beitel voor zich – dreigend – alsof hij elk moment toe zou kunnen slaan, maar dat gebeurde niet. Hij bleef staan en besloot niet te reageren.
“De pianospeler, zo gezegd,” ging de man verder.
Jon liet zijn hand zakken en legde de beitel weg.
“U heeft het geld gevonden – dat weten ze.”
Nog altijd zei Jon geen woord.
“Maar niet waar u het bewaart.”
De man leek zijn ergste angst kwijt te zijn geraakt – hij had het pakketje afgeleverd en mocht zo weer vertrekken – naar huis – naar zijn gezin – als de man tenminste een partner of kinderen had.
“Blijkbaar moet ik op zoek naar afluisterapparatuur,” zei Jon wiens stem ijzig vlak klonk – ze wisten alles.
Je had beslist een sadistische persoonlijkheid nodig om de broer van je moordslachtoffer naar Jons huis te sturen – natuurlijk onder bedreiging van een nieuwe moord. Zo moest het zijn gegaan. Het kon niet anders. Maar een echte kerel zou de boodschap zelf hebben afgeleverd en geen – pianospeler – hebben gestuurd.
“Vrijdagavond – negen uur – op het bouwterrein.”
“Welk bouwterrein. Er wordt erg veel gebouwd.”
“Eindje verderop. Je weet wel. Er schijnen drie schoorstenen te staan – .”
“En dan?”
“Dat hoef ik niet meer te zeggen,” zei de man – zijn zelfvertrouwen was gegroeid, “je hebt een miljoen redenen om de afspraak na te komen – je moet wel.”
“Zeg maar tegen je opdrachtgever dat ik er zal zijn,” zei Jon, “om negen uur – op het bouwterrein.” Bijna anderhalf kilometer verderop – misschien twee – lag een braakliggend terrein langs het kanaal waar in de nabije toekomst twintigduizend mensen kwamen te wonen. “En een miljoen redenen om de afspraak na te komen,” zei Jon. De man die geen naam leek te hebben, knikte enkele malen en draaide zich toen om.
Jon wist dat het tijd werd om de wapens uit hun bergplaats op te halen – hij zou ze ongetwijfeld nodig hebben – eentje in elk geval – bovendien leek het hem een goed moment om de vuurwapens kwijt te raken – te dumpen. Hij wilde ze in het water gooien, zodat ze verloren zouden zijn. Hij leunde tegen de werkbank en hield ondertussen de tuin en straat in de gaten, alsof er meer onbekende bezoekers konden opduiken die iets wilden, al ging meestal het dan om zendelingen of vertegenwoordigers.
Jon haalde het luik weg en liet zich omlaag zakken – in de kruipruimte – hij had inderdaad een miljoen redenen om het probleem op te lossen dat zijn gezin bedreigde. Hij kroop naar de uiterste verre hoek – het pakket lag er zoals hij het maanden geleden had achtergelaten, twee pistolen en een doosje kogels gewikkeld in plastic en duct tape.
Jon kroop terug en kwam weer overeind – zijn bovenlichaam stak boven de vloer uit – er heerste een diepe stilte in huis – Michelle was er niet, net als de kinderen die normaal een hels kabaal maakten. Hij plaatste het luik en legde de deurmat terug – de wapens zou hij in een paar emmers verbergen – er lagen schroeven in – ze waren loodzwaar en Jon was sowieso de enige die ze naar beneden kon tillen. Het zou slechts enkele dagen duren – daarna lagen wapens èn kogels op de bodem van het kanaal.
Bijna een uur later kwamen Meindert en Allert thuis, het was gedaan met de rust, maar de belangrijkste mededeling hield hij achterwege – vrijdagavond zouden ze bij opa en oma doorbrengen. “Pap – pap – we hebben gewonnen – met 6-1!”, riep Meindert die zijn tas, net als Allert overigens, gewoon in de gang wilde neergooien. Een prettige opwinding, het ging eigenlijk altijd zo – dus binnenstormen, beetje schreeuwen en tassen middenin de gang neergooien.
“Opruimen jongens,” zei hij – de wijsvinger van Jon wees naar de badkamer waar de wasmachine stond.
“Oké – oké,” zei Meindert die zijn tas meenam.
Allert volgde hem, maar hij had er een hekel aan, want veel liever liet hij zich direct neerploffen op de bank om een computerspel te spelen – tegen Barcelona bijvoorbeeld. Het behoorde tot de vaste rituelen in huis en Jon begreep het goed – hij probeerde de pistolen te vergeten, maar de boodschap van de naamloze man bleef in zijn hoofd rondspoken – vrijdag om negen uur op het bouwterrein. Vrouw en kinderen zouden de avond bij zijn schoonouders doorbrengen – hij moest zaken doen. Hij moest het geld teruggeven – een miljoen euro – een miljoen redenen om een nieuwe koffer te kopen waarin hij die bankbiljetten zou moeten stoppen en vervolgens – . Bij de drie schoorstenen, daar hing, dacht hij, een beveiligingscamera, niet zo handig dus.
“Ik ben alleen maar de boodschapper,” zei hij.
Jon trachtte zich weer te concentreren op de gereedschappen die hij wilde opruimen – de emmers waren verstopt achter een boormachine en slijptol.
“De pianospeler, zo gezegd.”
Er verstreek nog eens anderhalf uur voordat Michelle thuiskwam – het grind knisperde onder de banden van hun auto – Floortje stapte de garage in – Jon was nog altijd aan het opruimen en het werk zou hem minimaal twee uur kosten – zijn dochter droeg haar nieuwe schoenen – misschien zouden ze slechts een seizoen meegaan, misschien wat langer, een half jaar of zo.
“Heel mooi,” zei hij, “hele mooie schoenen.”
“Ja hè?”
Koplampen van hun auto doofden langzaam uit – portier zwaaide open en Michelle legde haar hand op het portier en begon uit te stappen. Er lag een tevreden, maar vermoeide glimlach op het gezicht van zijn echtgenote die zich energiek toonde in shoppen, zoals kopen van schoenen voor Floortje – ja, het was wel eens vermoeiend – ze gooide het portier met een stevige zwaai dicht en liep verder.
“Lekker bezig geweest?”, vroeg Michelle.
“Mm. Beetje.”
“Hoezo? Ging het niet helemaal lekker?”
Jon legde zijn beide handen op de werkbank – hij leunde er met zijn rug tegenaan. “Ik heb vrijdagavond een klus te doen – misschien is het verstandig als je naar je ouders gaat met de kinderen – tv kijken.”
“Floortje – Ga jij naar binnen?”
Michelle keek haar dochter ernstig aan.
“Ja mam,” zei Floortje.
Jon en Michelle wachtten tot hun dochter weg was.
“Wat is er gebeurd?”, vroeg Michelle.
“Er was bezoek – een man uit België, maar met ‘n vlekkeloos Hollands accent, broer van die ander. Mijn aanwezigheid is vrijdagavond dringend gewenst. Zo luidde de boodschap. Meer niet. Ik vermoed dat het over het geld gaat – daar moet het immers over gaan.”
Michelle knikte begrijpend.
“Vrijdagavond dus,” zei ze.
“Ja.”
Hij moest nadenken, maar wist goed beschouwd dat het niet eens nodig was, aangezien er maar één verstandige beslissing wachtte, namelijk geld teruggeven, want ze wilden hun centen terug hebben.
“Beslist niet, je vader heeft het zo al druk genoeg!”, hoorde hij Michelle roepen naar een van de kinderen.
Hij overwoog de radio aan te zetten, maar besloot dat het lawaai van zijn kinderen ruimschoots voldeed.
Natuurlijk lag daar juist de motivatie – hij behoorde zijn gezin te beschermen – het geld was niet relevant. Veel anders hoefde hij niet te doen – alleen zijn gezin te beschermen tegen het kwaad dat op de loer lag.
*****
Rond vijf uur ’s middags, net voor het eten, hoorde hij twee droge knallen – Jon dacht meteen aan pistoolschoten – de emmer met spijkers en wapens stond onveranderlijk op de kast – er kon geen sprake zijn van een ongeluk. De kinderen waren niet in de garage geweest. Geen moment. Ze moesten er weg blijven van Michelle, want haar stem had hij gehoord. Jon liep de tuin in – kalm – er klonken vaker vreemde geluiden op straat en meestal betekende het dat er weinig aan de hand was. “Jon?”, vroeg Michelle die in de keukendeur bleef staan – de gezichten van Meindert en Allert waren zichtbaar – Floortje niet.
“Waar is Floor?”, vroeg hij.
“Binnen – op de bank – koptelefoon.”
Jon liet de tuin achter zich en ging verder, maar bleef staan – een roeiboot lag stil in het water – de roeiers, allemaal jonge mannen, keken naar de kruising – een volwassen man lag op zijn rug – een jonge vrouw was naast hem neergeknield en scheen te bedenken of ze iets moest doen – reanimeren bijvoorbeeld. Jon viste onhandig naar zijn telefoon, liep naar de vrouw en het slachtoffer dat hij eerder die dag gesproken had.
“Heb je 112 al gebeld?”, vroeg Jon.
“Nee – ja – eh – ik weet het niet meer,” zei ze.
“Dan bel ik nog wel een keer,” zei hij.
“Wat moet ik nou doen?”, vroeg ze.
Jon boog voorover en zag twee bloedende vlekken – de boodschapper leefde nog steeds en hij staarde omhoog. “N-niet s-s-schieten – ik ben d-de p-pianospeler,” de woorden kwamen heel moeizaam uit zijn mond, want de letters leken zich te vermengen met bloed.
“Er is hulp onderweg, mijnheer.”
“Hallo, ik ben Jon Dekker.” Hij begon te vertellen waar hij zich bevond – hoe de straat heette – er had een schietpartij plaatsgevonden – slachtoffer leefde nog wel, maar er was haast geboden – ja, twee schoten in de borststreek, zo te zien – de dame van 112 vertelde dat er al een ambulance onderweg was – . Jon draaide zich om – alleen de buren stonden buiten te kijken. O, er had inderdaad al een jonge vrouw gebeld over een man die was neergeschoten – er waren meer ambulances onderweg – en politie uiteraard – die kwam ook.
“Hij is dood, denk ik,” zei de jonge vrouw.
“Volgens mij heb je gelijk.”
“Wat bedoelde hij nou – hij noemde zichzelf een pianospeler,” zei ze. “Snapt u wat hij wilde zeggen?”
“Nee, ik heb geen flauw idee,” zei Jon.
Een jonge kerel op een fiets keerde om en zei: “Ik blijf wachten op de politie om een getuigenverklaring af te leggen – die jongens hebben echt niks gezien, hoor.”
“Er kwam een auto aanrijden,” zei de vrouw die had willen reanimeren, “en die stopte opeens – deze man stapte uit – volgens mij stapte hij uit die auto en – .”
“Toen klonken er twee pistoolschoten.”
Jon luisterde zwijgend en reconstrueerde het incident, zoals het had plaatsgevonden – het was bijna een scene uit de film. Blijkbaar had de pianospeler zijn werk niet al te best gedaan – de klusjesman vond dat Jon zich niet ten volle bewust was van de inzet.
“Ik was mijn gereedschap aan het opruimen,” zei hij.
De klusjesman leek een echte, belangrijke boodschap voor Jon Dekker achter te willen laten op straat. Het moest een boodschap voor Jon zijn.
Hij keek nog eens of Michelle en kinderen op straat stonden, maar zijn echtgenote had ze alle drie binnen gehouden. Een ambulance kwam dichterbij – en Jon stapte op de kruising om aan te wijzen waar ze precies heen moesten rijden – al waren ze te laat.
Ambulance stopte – portier zwaaide open – man stapte uit en Jon zei: “Ik denk dat jullie te laat zijn – nee – herstel – jullie zijn beslist te laat voor die man.”
Niets vertellen over die man, een broer van de vorige eigenaar, betekende meineed, dus moest Jon wel iets zeggen over hun ontmoeting – het gesprek dat ze samen hadden gehad en het slachtoffer zou nooit iets verklappen over het gespreksonderwerp, al zouden andere mensen, bijvoorbeeld zijn buren, kunnen verklaren dat de man in het huis van de familie Dekker is geweest – een boom verstop je het best in een bos – een leugen verstop je tussen de waarheid.
Ja, de man was inderdaad binnen geweest, agent – of rechercheur, maar ze hadden een praatje gemaakt over het huis en de broer die per ongeluk was vermoord – niet ver hier vandaan. Het was ondenkbaar dat Jon en Michelle geen enkele kennis zouden kunnen hebben van het verleden. Jon haatte het om te liegen, want hij moest ook onthouden tegen wie hij welke leugens had opgehangen – daarom sprak hij liever de waarheid – of zweeg hij.
Er arriveerden nog twee ambulances die al vrij snel weer vertrokken – ze hadden geen reëel nut meer. De politie arriveerde wat later waarbij de straat tot plaats delict werd aangemerkt – Jon was getuige, een getuige overigens die niets had gezien.
Ja, hij had zelf gebeld naar 112, maar de agent stelde niet eens de vraag of Jon het slachtoffer misschien kende.
Hij maakte zich geen illusies over vragen van de politie – die zouden ze beslist nog wel gaan stellen.
Tagarchief: korte verhalen
De klusjesman (4/5)
De klusjesman (2/5)
Jon en Michelle lagen in bed – het was ’s avonds laat – boven hun hoofd hing een litho van Dali, een kunstenaar die ze normaal veel te duur zouden zouden vinden, maar door een gelukkig toeval konden ze het betalen. Het raam stond op een kier, iets meer dan dat zelfs. Koude buitenlucht drong binnen, maar zo hadden ze het graag. Ze genoten van elkaars lichaamswarmte. Kinderen lagen al enkele uren te slapen – alle drie – Meindert, Allert en Floortje. Er moest nog veel gebeuren in huis, maar ze konden er in elk geval wonen en dat deden ze sinds een maand.
“Ik heb een artikel gelezen over de laatste bewoner die langer dan een jaar in dit huis heeft gewoond,” zei Michelle die het karwei had opgepakt om de geschiedenis van het huis uit te pluizen, omdat ze dacht te ontdekken wie er een groot geldbedrag zou kunnen hebben verstopt achter een zelf gemetselde muur. Ze sprak haar woorden op een plechtige toon. Vervolgens viel het ineens en schijnbaar zonder aanwijsbare reden stil – Jon keek opzij en wachtte af. De schaduwen van hun slaapkamer waren donker genoeg om vreemde, bijna grillige vormen te creëren.
“Er is best veel over bekend, ik heb alleen een tijdje moeten zoeken,” zei Michelle. “Man is vermoord.”
Jon luisterde naar voetstappen van hun kinderen op de overloop, zodat ze konden horen wat moeder en vader tegen elkaar zeiden. Er was niets.
“Is er een motief bekend – een dader misschien?”
“Man stond bekend als een einzelgänger, gedroeg zich erg netjes in het openbaar, een kluizenaar dus eigenlijk, hij bemoeide zich nergens mee, ze wisten in de buurt niet eens dat hij uit België kwam.”
Op de overloop kraakte er een plank, een van de kinderen zou aan het wandelen kunnen zijn – .
Ze wachtte enkele seconden die in een minuut veranderden – het moest echt volkomen stil zijn.
“Politie dacht aan een vergismoord.”
“Er waren met andere woorden geen concrete aanwijzingen die het slachtoffer verbonden met de onderwereld – georganiseerde misdaad,” zei Jon.
“Zoiets – ja – daar dacht ik ook aan.”
“Blijkbaar beschikt de recherche over een smoelenboek waarin alle bekende leden van de plaatselijke maffia worden beschreven, het liefst met een foto erbij, al dan niet gemaakt na een arrestatie.”
“Een criminele database. Je zou het wel denken.”
“Politiewerk is vooral informatie verzamelen.”
“Ja – en dus?”, vroeg Michelle.
“Een crimineel mag geen aanwijzingen achterlaten.”
“Dus de man, die hier jaren geleden heeft gewoond, kan een onderwereldbankier zijn geweest – iemand die een groot geldbedrag bewaarde voor de maffia.”
“Louter speculaties,” zei Jon.
“Waarom zouden ze het geld hebben laten liggen?”
“Ze wisten niet waar hij het had verstopt – dus konden ze moeilijk gaan zoeken – het zou aandacht trekken.”
“Is het zo simpel?”, vroeg Michelle.
Jon wilde eraan toevoegen dat vroeg of laat een stelletje met een paar kinderen het huis zou willen kopen en er driftig ging verbouwen – slopen en herstellen, zodat er een ander pand zou verrijzen. Ondanks het late uur besloot hij zijn mond te houden. Sommige woorden moesten verdwijnen in het nachtelijke duister, terwijl een gordijntje langzaam heen en weer zwaaide – het begon ineens te waaien.
“Natuurlijk zouden we een deel van het bedrag aan de politie kunnen geven,” zei Jon, “ze kunnen er niks van zeggen – het valt niet te bewijzen.”
“De eigenaren van het geld zouden weten dat we het hebben gevonden, dus hebben we geen rust meer.”
“Dat ook, ja. Daar heb ik ook aan gedacht.”
“Kunnen we dat rotgeld niet gewoon verbranden?”
“Dan moeten we bewijzen dat we dàt hebben gedaan – namelijk dat vervloekte geld van hun verbranden.”
“Verdomme.”
“Inderdaad.”
Op straat knetterde een brommer voorbij. Nou ja, in hun oude huis rammelden de glazen in de vitrinekast, als er een oude dieselbus op volle snelheid passeerde.
Michelle draaide zich op haar linkerzij en hij meende dat ze snel wegzakte in een rusteloze slaap – Jon bestudeerde nog enkele minuten het plafond, ontdekte enkele oneffenheden die hij had laten zitten. Zou hij de consequenties durven te aanvaarden van alle beslissingen die ze samen hadden genomen? Ze hadden het geld gevonden èn verstopt – een voordeel, maar het was ook een geweldig beangstigend probleem.
Bovendien lagen er twee pistolen en munitie in de kruipruimte van hun huis – voor het geval dat het ooit eens nodig mocht zijn en anders zou hij ze vernietigen en de onderdelen in het kanaal gooien – als hij eens alleen in huis zou zijn – hij zou een slijptol gebruiken. Zelfs al had hij zich lang geleden – voordat hij Michelle leerde kennen – langdurig bekwaamd in het gebruik van vuurwapens – een getalenteerde schutter.
Er danste nog een vraag in zijn hoofd, want vroeg of laat zou hij zijn gezin moeten beschermen – een gangster, een of andere patser, een man kwam namens een organisatie het geld opeisen. Misschien hadden ze hem alleen verteld dat er geld moest zijn – je wist maar nooit. Echt zeker was het uiteraard niet – misschien kwam er nooit een man aan de deur om een koffer op te halen.
En toch – er waren ruim een miljoen redenen om iemand langs te sturen voor een goed gesprek – zodra hij klaar was met zijn huis, steeg de kans dat er iemand langs zou komen – bijvoorbeeld een klusjesman.
Zeker weten – ja, ze zouden een klusjesman sturen.
*****
Zaterdagmiddag – de zon scheen, lucht was vrijwel onbewolkt, er dreven alleen een paar sluiers hoog in de atmosfeer – het begon al lekker warm te worden. Meindert en Allert waren aan het voetballen – Floortje zat een computerspelletje te spelen. Michelle had voor het eerst de parasol tevoorschijn gehaald – ze zaten aan het tafeltje – Jon las de krant, een papieren editie wel te verstaan, geen iPad. Er stond thee op tafel en drie glazen limonade die warm stonden te worden, omdat de kinderen te druk waren.
Hij legde de krant op tafel – er fietste een jongeman voorbij die aanwijzingen riep naar een stel roeiers. Jons linkerhand gleed over een ongeschoren kin. Michelle staarde opzij en liet haar boek zakken.
“Een beetje ongedurig, mijnheer Dekker?”
“Ik ben aan het spijbelen,” zei hij.
“Je hebt met andere woorden last van afkickverschijnselen,” zei Michelle die het boek neerlegde op tafel – er stak een 3FM-bladwijzer uit.
“Is papa verslaafd?”, vroeg Floortje die zich geen tijd gunde om op te kijken van haar spel.
“Aan klussen, hè – verbouwen.”
“Inderdaad – je zou bijna opnieuw willen beginnen.”
“Als je dat maar laat,” zei Michelle.
“Ik zou het ook niet doen. Niet echt.”
“O – op die manier – saai,” zei Floortje.
Michelle pakte het boek van de tafel en zette in een vloeiende beweging haar zonnebril weer op.
“Ga effe ga kijken hoe onze voetballertjes het maken – ze zijn al een tijdje uit beeld.” Jon stond op en dacht vrijwel direct aan de klusjesman – een idee dat verleden week, ’s avonds, net voordat hij ging slapen, in zijn gedachten verscheen. Hij dacht niet echt dat er gevaar dreigde, want ook een klusjesman zou eerst zijn verzoek bij hem neerleggen – dus eerst praten, dan volgden er harde maatregelen.
Aan zijn linkerhand lag het kanaal – de woonboten lagen er onveranderd kalm bij, zoals altijd – rechts begon een relatief smalle straat met parkeergarages. Meindert en Allert stonden bijna honderd meter van elkaar – ze speelde geen partijtje, maar schopte de bal eindeloos over en weer – het was een training. Op het kanaal passeerde er een kano – acht roeiers met een stuurvrouw die aanwijzingen lag te schreeuwen. Meindert liet de bal verder rollen – expres of per ongeluk, maar Jon tikte de bal met een boogje terug.
“Hé pap, ik wist niet dat je dat ook kon – .”
“Lang, heel lang geleden.”
“Welke positie?”
“Links back.”
“Was je goed?”, vroeg Meindert.
“Schiet nou o-op!”, schreeuwde Allert, maar Meindert gebaarde dat hij even rustig aan moest doen.
“’n Bottenbreker,” zei Jon die er hard genoeg bij probeerde te lachen om zijn zoon het idee te geven dat het maar een dom grapje was – het was geen grap.
“Huh, dat is helemaal niet waar,” zei Meindert.
“Daar heb je beslist gelijk in, jongen.”
Jon wandelde terug en begreep dat een klusjesman – mocht die ooit van plan zijn om langs te komen – niet eens misschien, maar heel zeker – dan zou dit mogelijk in de vakantie gebeuren – met het gezin in Frankrijk en tegen de tijd dat ze terug wilden keren – nee, eerder al, want zijn broer gaf de planten water – volgde er een verlossend telefoontje – er is ingebroken en de kluis, die hij zo netjes had verborgen achter een litho van Dali, was leeg.
Hij stak de weg over en staarde naar het kalme water. Zijn slippers verdwenen in het gras. Zou het hem spijten als ze tijdens hun vakantie de kluis leeg kwamen halen? Dus alleen de kluis? Al het andere lieten ze natuurlijk netjes achter – ze maakten geen puinhoop van het huis – mogelijk lag er een briefje met een enkele zinnen, een bedankje voor de goede zorgen – omdat het bedrag in tact was – nou ja, bijna.
De vorige bewoner, dus de man die volgens de recherche per ongeluk was geliquideerd, had in vrijwel dezelfde positie gezeten als Jon Dekker. Geen crimineel verleden, maar toevallige eigenaar van ruim een miljoen gitzwarte euro’s, anders lagen ze niet achter een muurtje – mèt twee geladen pistolen. Er moest naar het geld zijn gezocht en hij had alle aanwijzingen over het hoofd gezien – gemist. Is het dan zo onvoorstelbaar dat een man doodleuk een nepmuur bouwde in zijn huis om geld te verstoppen?
In het andere geval zou hij het geld naar een bank moeten brengen, dus zwart geld witwassen – niet in Nederland, want daar was het immers te veel voor – het zou in Zwitserland kunnen – daar hadden ze nog een soort bankgeheim – tenzij de overheid vermoedde dat je een hoop geld verstopte op een bankrekening was je volstrekt veilig.
Foto’s – Michelle had foto’s gemaakt van de verbouwing – vanaf de eerste dag, toen ze er binnen waren gegaan – vader, moeder en drie kinderen die een bouwval bestudeerden, veel werk, dankbaar werk en een gigantische verrassing achter een muur die er om te beginnen al nooit had mogen staan – Jon moest de foto’s bestuderen van de verbouwing – ergens zou hij aanwijzingen moeten vinden – er moest te zien zijn dat er mensen aan het zoeken waren geweest.
Hij draaide zich om en liep terug naar huis.
*****
’s Avonds, terwijl de kinderen al in bed lagen, bladerde hij het fotoalbum door – Michelle had alle foto’s geprint, zodat ze ook echt bewaard zouden blijven – een digitaal archief is tijdelijk. Jon zat op de bank en Michelle was boven aan het rommelen – ze ging elk moment naar bed – ging eerst tanden poetsen en zo – het zou een onschuldig tijdverdrijf moeten zijn – foto’s van de verbouwing bekijken, maar hij voelde zich een rechercheur die aanwijzingen zocht, al dan niet opzettelijk achtergelaten door een paar kerels die over een te geringe bouwkundige kennis beschikten – anders zouden ze een nepmuur hebben herkend, een muur die geen enkele redelijke functie vervulde in huis.
“Wat ben je aan het – ?”, vroeg Michelle. “O – leuk, de foto’s – je bent mijn foto’s aan het bekijken.”
“Ik had ze nog niet gezien.”
Ze keek naar de opgeslagen bladzijde, droeg geen bril of contactlenzen, dus ze zag alleen omtrekken.
“Blijf je nog lang op?”
“Nee – ik denk het niet.”
“Ik ga slapen.”
“Welterusten.”
Hij bleef alleen achter en bestudeerde elke foto die Michelle de eerste dagen van het huis had genomen – muren waarop oud, grotendeels afgescheurd behang zichtbaar was – gaten die in de muur waren geslagen – losse vloerplanken – een muur die er niet eens had mogen zijn – ja, het was heel redelijk om te denken dat een paar gangsters het huis hadden doorzocht, misschien wekenlang zonder te vinden wat ze zochten – hij glimlachte – .
Jon wist vrijwel zeker dat ze op zoek waren geweest naar het geld – anders was de liquidatie van de Belgische man inderdaad een zinloze daad geweest – .
Ja, volgens de makelaar hadden er krakers gewoond, die overigens maar korte tijd zijn gebleven. Ze hadden er een chaos achtergelaten en Jon begreep wat ze er hadden gedaan – gezocht.
Geld. Geen krakers, maar klusjesmannen die geld zochten.
De klusjesman (1/5)
Nee, het was geen dragende muur. Hij schudde zijn hoofd en veegde halflange donkerbruine haren weg. Er bleef een grijswitte veeg achter op zijn wang. Kinderen waren bij zijn schoonouders, omdat ze het kabaal van al het breekwerk niet zouden verdragen. Je moest er kinderen niet aan bloot willen stellen. Hij ging verder met slopen – zijn echtgenote stapte achteruit, terwijl stukken steen omlaag rolden – wolken stof dwarrelden omhoog – straks zou hij alles in één keer opruimen – maar eerst moest je slopen om daarna de troep op te ruimen.
Er viel een stilte – enkele seconden – stof sloeg neer op de betonnen vloer. Hij trok het mondkapje weg en nam een slok koud water – heerlijk koud water. “Daar heb je een dragende muur,” zei hij, “deze hoort er niet eens te zijn – ik heb geen idee waarom ze dit hebben gedaan, want ze hebben hem veel later pas gebouwd.” Michelle leunde tegen het kozijn – ze hield afstand.
Hij verwachtte een opmerking, of een vraag, maar ze keek zwijgend toe. Inmiddels had hij een groot deel van de muur gesloopt – er lagen grote brokstukken metselwerk op de vloer – zo hadden zijn vrouw en hij het ook bedacht, toen ze het huis kochten – ze zouden er enorm veel aan moeten doen – slopen, opnieuw bouwen, mooier en beter maken dan het ooit was geweest – een huis dat bij het kanaal was gebouwd.
Hij nam twee flinke slokken water voordat hij de fles wegzette – wilde de sloophamer oppakken, maar zijn aandacht werd getrokken door een – ja, wat precies? Hij boog voorover en pakte stukken steen op die in de weg lagen – gooide ze opzij.
“Wat is er?”, vroeg ze.
“Geen idee,” zei hij, maar het leek op een zwarte, leren koffer die achter het muurtje lag. Hij plantte zijn voet op de stenen die waren overgebleven en testte het gewicht van de koffer.
Het was een koffer – zo eentje die je meenam op reis, als je met het vliegtuig naar een tropisch land ging. Hij pakte de koffer en zei: “Cadeautje.” Er danste een glimlach op zijn gezicht. “Een verzameling ouwe kranten, historische gebeurtenissen. Troep.”
“Er bestaat geen troep, Jon. Alles is handel.”
“O ja. Vergeten.”
Hij legde de koffer neer in het halletje.
“Een koffer die je achter een muur verbergt,” zei Michelle die haar wenkbrauwen fronste, “dat is vreemd. Waarom doe je dat?”
“Hopelijk gaan we dat snel ontdekken.”
De koffer bleek voorzien te zijn van een cijferslot – hij probeerde enkele voor de hand liggende combinaties, maar het was lastiger dan hij had gedacht. Jon liep naar zijn gereedschapskist – er lag daar een hamer en beitel – het raadsel lag in de koffer en was niet de koffer zelf.
“Ga je hem openbreken?”
“Ja – natuurlijk.”
De sloten zagen er niet erg stevig uit – een fietsslot liet zich lastiger openbreken en dat lukte hem ook heel makkelijk.
“Wat zou er in zitten?”, vroeg Michelle.
“Ouwe kranten – jaren zestig en zeventig.”
“Denk je?”
“Wat anders?”, vroeg Jon en hij plaatste een beitel op het slot voordat hij de hamer hard liet neerkomen. Na de tweede klap brak het slot af – het tweede slot begaf het sneller – hij had er slechts één klap voor nodig.
“De kinderen zouden die machtig interessant vinden,” zei Michelle. “Eigenlijk wel jammer, hoor.”
“Had je ze erbij willen hebben?”
“Misschien.”
Jon legde de hamer en beitel opzij – er verscheen opnieuw een glimlach op zijn gezicht die al snel veranderde in een grijns – zijn vrouw hield er niet van – dat wist hij. Er volgde zo’n opmerking.
“Stel je voor dat de vorige eigenaar er – ,” zei hij.
“Ja – ja, ga nou meer verder,” zei Michelle.
Zijn rug onttrok de koffer aan het zicht van zijn partner. Jon trok het deksel open. Een schril fluitje ontsnapte aan zijn lippen. Michelle kwam naast hem staan en sloeg een hand voor haar mond. Ze gilde niet. De koffer bevatte geld – heel veel geld – talloze pakken biljetten in relatief kleine coupures, uitsluitend gebruikte biljetten die vermoedelijk – waarschijnlijk – nee, zeker niet traceerbaar zouden zijn voor – de autoriteiten, belastingen en al degenen die belang konden hebben bij een koffer met geld. “Bloody hell,” zei hij.
“Is het echt?”, vroeg Michelle.
Jon pakte een bundel bankbiljetten op en bestudeerde een biljet van vijftig euro – hij hield het tegen het licht en alles leek op het eerste gezicht te kloppen – .
“Wil je m’n portemonnee pakken?”, vroeg hij.
“Ja – uiteraard.”
Hij haatte contant geld, meestal betaalde hij in winkels met zijn pinpas – dat was handiger. Michelle gaf hem zijn portemonnee en hij haalde het enige biljet eruit dat hij er altijd in bewaarde – een briefje van vijftig euro, omdat hij vond dat je altijd minimaal vijftig euro aan contant geld op zak moest hebben. Jon stond op en vergeleek de biljetten – of ze hetzelfde aanvoelden – hij verfrommelde ze allebei. Zijn nagels gleden over het papier en hij merkte geen verschil – het was echt, officieel bankpapier – het was echt geld – hij had een koffer met geld gevonden.
“’t Is echt – volgens mij,” zei hij.
“Mijn God.”
“Inderdaad.”
“Hoeveel?”
“Ja-a,” zei hij, “’t is heel erg veel.”
“Dat zie ik – maar hoeveel is het?”
“Een miljoen euro, misschien iets meer.”
“Wil je het – ?”, vroeg ze.
Hij stond naar de koffer vol geld te kijken – had zijn beide handen op zijn heupen geplaatst. “Het is crimineel geld – anders bewaar je dit niet in huis.”
“Shit.” Michelle klonk heel even alsof haar favoriete speelgoed zojuist was afgenomen. “Potverdorie.” Haar paardenstaart zwaaide nijdig heen en weer.
“Al hoeft dat niet te betekenen dat we al dit lekkers vrijwillig teruggeven aan de autoriteiten,” zei hij.
“Het zijn allemaal gebruikte biljetten – dat zie je zo.”
“Niet relevant, Michelle. Als je het wilt uitgeven, moet je ook uitleggen hoe je er aan bent gekomen.”
“O – ja.”
“Crimineel geld. Het kan moeilijk anders.”
“Jammer.”
“Inderdaad.”
“Dus we moeten het naar de politie brengen.”
“Eigenlijk wel,” zei Jon.
“Maar?”, vroeg Michelle.
“Hoe bedoel je?”
“Nou – je zei – ‘eigenlijk wel’.”
Hij stopte het briefje van vijftig euro terug in zijn portemonnee die hij op de vensterbank legde – het andere biljet dwarrelde omlaag en landde op het geopende deksel van de koffer.
“’t Is best fijn om een zakcentje achter te hand te hebben. Waarom zou je het meteen teruggeven?”
“Omdat het crimineel geld is – dáárom”
Jon knikte met zijn hoofd. “’t Is niet echt achtergelaten door iemand waarvan je kunt zeggen dat het leven hem overkomt – .”
Michelle draaide zich om en leek weg te lopen, maar bleef onmiddellijk staan en keek over haar schouder.
“Stevig aan het roer, kapitein van zijn eigen schip?”
“Ja – precies.”
“Het is ook wel lekker om zoveel geld te hebben,” zei Michelle die haar handen over haar hoofd liet glijden.
“Wegbrengen naar de politie kan altijd nog,” zei Jon.
“Oké.”
“We weten dat het huis lange tijd leeg heeft gestaan – we hebben het kunnen kopen, omdat het in een slechte staat verkeert – misschien is het een idee om een eigen onderzoek te doen naar de laatste eigenaren van het pand – daar moet je achter kunnen komen – ik denk aan het kadaster – om te beginnen.”
“Makelaar?”, vroeg Michelle die haar handen had gevouwen op een wijze die plechtig aandeed.
“Nee, die zal willen weten waarom we dit vragen.”
“We zeggen dat we een overzicht willen maken van alle mensen die er hebben gewoond – ik maak er een weblog van – aangezien we ongeveer – een miljoen – redenen hebben om dat te doen.”
“Dan moeten we het geld ergens verstoppen – een veilige plek – de zolder bijvoorbeeld – of we moeten een kluis kopen – .”
“Die zou je in een muur kunnen verbergen.”
“Zeker weten, ja.”
“Toch is het best spannend,” zei Michelle, “het geld is om te beginnen niet van ons – nooit geweest ook.”
Jon legde zijn armen om de schouders van zijn echtgenote – .
“Als je een miljoen euro kunt verstoppen achter een muur, dan kun je het geld best missen – geen probleem.”
“En als hij terugkomt om zijn geld te halen?”
Hij zoende Michelle op haar mond – ze had warme, vochtige lippen – haar ogen vertoonden enige angst.
“Ik zou het heel zakelijk afhandelen, denk ik.”
“Ja – vast.”
Misschien had er gedurende enkele seconden een duistere gloed in haar ogen gelegen, maar die was nu verdwenen – haar mondhoeken gingen weer omhoog.
“Eerst moeten we de koffer weggooien – het geld tellen en in plastic zakken verstoppen die we zullen verstoppen,” zei Jon.
“Ik vind het een heel avontuur, hoor,” zei Michelle.
“Alles komt goed,” zei Jon, “dat beloof ik.”
“Vast.”
“Al kan ik het geld ook aan het Leger des Heils geven – die kunnen er ook heel nuttige dingen mee doen.”
“Voorlopig niet, verdorie.”
Ongeveer een kwartier later stond hij alleen in huis – Michelle was vertrokken om boodschappen te doen en hij twijfelde er niet aan of ze zou met foldertjes van goede, maar dure kluizen terugkeren. Hij wilde doorzichtige plastic zakken gebruiken en uiteraard duct tape, zodat hij het geld in handzame kleine pakketten zou kunnen verpakken – bedragen van ongeveer honderdduizend euro – misschien de helft. Een krat bier diende als krukje. Hij legde bundels bankbiljetten in een plastic zak en probeerde in te schatten hoeveel waarde ze vertegenwoordigden. Het leek onwerkelijk, alsof hij acteerde in een film. Alleen de camera’s ontbraken en een regisseur.
Toch bleek er nog iets anders verborgen te zijn onder de bankbiljetten waarmee de koffer was volgepakt. Jon begon een volgend pakket bundels bankbiljetten bij elkaar te leggen, de bodem van de koffer werd langzamerhand zichtbaar – er lagen zeven pakketten gewikkeld in plastic en duct tape. Jon hield zijn adem in, toen hij het vuurwapen uit de koffer opviste – er waren er zelfs twee – zijn mobiele telefoon meldde een nieuw berichtje, maar hij bestudeerde twee pistolen – voorzien van kogels en extra munitie, keurig verpakt in een doosje.
Twee pistolen. Authentieke vuurwapens. Dodelijk.
Er lagen zelfs geluidsdempers in diverse afmetingen.
Jaren geleden is hij bij een schietvereniging geweest, maar voor Michelle en de kinderen was hij ermee gestopt.
Eerst nam hij een slok water, al zou hij liever iets gebruiken dat sterker was dan dat – niet eens bier. Vuurwapens behoorden tot een compleet andere categorie dan een koffer vol geld – plusminus een miljoen euro, misschien zelfs meer – hij wist het niet zeker, maar het volledige bedrag boeide hem weinig. Het was in elk geval een hoop geld en een verdomd goede reden om mensen dood te schieten. Michelle hoefde er nooit iets van te weten – de pistolen zou hij altijd in het kanaal kunnen gooien, tijdens een wandeling of fietstocht enkele kilometers verderop.
Jon nam een plastic zak en liet er beide wapens in wegglijden – ook het doosje met kogels deed hij erbij. In de tussentijd luisterde hij aandachtig of Michelle al thuiskwam – zo snel – het bleef stil. Hij begon met behulp van duct tape de inhoud aan het oog te onttrekken – gewoon een pakket met veel tape.
Het was stil in huis – hij stond op en liep naar beneden – Jon wist maar één plek in huis te komen die als bergplaats voor een paar vuurwapens kon dienen – de kruipruimte onder het huis – hij zou er niet kunnen staan, normaal gesproken was het er droog – Jon trok het luik omhoog en liet zich omlaag zakken – hij wilde het niet in het zicht leggen. Misschien zouden de vuurwapens er blijven liggen – vele tientallen jaren – ongebruikt – het maakte weinig uit – Jon kroop door de kruipruimte. Na zo’n vijf meter groef hij een ondiepe kuil en legde het pakket erin – hij veegde het zand terug – een beetje onopvallend – daarna ging hij terug – verliet de kruipruimte en legde het luik netjes terug. Er wachtte een hoop werk – boven lag een koffer met geld – die hij inmiddels half leeg had gemaakt – Jon keerde terug naar de slaapkamer en hoopte een goede beslissing te hebben genomen, maar zou Michelle niet gemakkelijk inlichten over de twee pistolen.
Ondood (3) Nosferatu
Volgende ochtend werd ik wakker en begreep ik vrijwel meteen dat er iets vreselijk fout moest zijn gegaan. Natuurlijk had ik geen idee wat er was gebeurd tijdens de nachtelijke uren en het raam bleek in perfecte staat te verkeren – er lagen geen glasscherven op de vloer – ik had alles gedroomd – maar op straat was het angstaanjagend stil – ik hoorde geen auto’s passeren – er heerste een volmaakte stilte – en toch was het woensdagochtend.
Ik herinnerde me een bloeddorstige vampier die zich via het raam toegang had weten te verschaffen tot mijn huis – hij had mijn toestemming gevraagd om binnen te komen.
Ik wilde douchen, maar er was vreemd genoeg geen water – misschien was ik nog erg versuft na een lange nachtrust, want het was al volop dag, ook de stroom bleek te zijn uitgevallen. Ik had geen licht, maar ook de wekkerradio deed niets meer. Daarom kleedde ik me aan om aan de buurman of -vrouw te vragen of ze mogelijk hetzelfde probleem hadden. Mijn winterjas hing halfopen – het was een mooie dag – vroeg in het voorjaar, maar lekker warm. Auto’s stonden geparkeerd op de normale plekken – ieder had zijn en haar eigen parkeerplaats.
Vogels zweefden laag door de atmosfeer en leken me te beschouwen als een ongenode gast. Ik keek om me heen. Geen rijdende auto’s of fietsers – geen voetgangers – helemaal niets. Langzaam ging ik naar het midden van de weg – ik hoefde geen angst te hebben voor druk verkeer – er was niemand. “Hallo?”, schreeuwde ik. Alleen een meeuw, die spottend scheen te lachen, passeerde – zijn vleugels bewogen niet – hij zeilde voorbij. Eindelijk begon een vreemd beeld aan de horizon mijn aandacht te trekken – ik fronste mijn wenkbrauwen en dacht aan een korte vakantie die ik ooit in Berlijn had doorgebracht – lang geleden – toen er officieel nog een westelijk en oostelijk deel bestond. Ik begon te lopen – verderop werd de weg geblokkeerd door enorme rollen prikkeldraad. Heel erg slordig om zoiets op de openbare weg achter te laten. Terwijl ik steeds sneller begon te lopen, hoorde ik een felle knal – stukken asfalt spatten omhoog – er volgde een tweede knal – op daken van huizen stonden scherpschutters. Ik bleef stilstaan – handen omhoog – ja, een mens doet merkwaardige dingen, als hij moet vrezen voor zijn leven.
“We hebben twee waarschuwingsschoten afgevuurd – komt u niet dichterbij, anders schieten we gericht!” Man gebruikte een megafoon om zich verstaanbaar te maken – zijn stem droeg erg ver.
“Maar ik ben onschuldig!”, antwoordde ik.
“We gebruiken zilveren kogels om u te stoppen.”
Ach ja, zilveren kogels – ik heb ooit gelezen dat zilveren kogels sowieso betrouwbaarder waren dan gewone, aangezien er meer aandacht aan de productie ervan werd geschonken vanwege de kosten van het materiaal.
Ik stond op straat, de zon scheen en ik wist zeker dat ik geen vampier kòn zijn, want ik was bij daglicht op straat, maar ja – Dracula kon ook gewoon naar buiten als de zon scheen – lees het boek nog maar eens. Soms denk ik dat F. W. Murnau, regisseur van de eerste vampierfilm Nosferatu, een geschikt einde nodig had voor zijn film en daarom zijn vampier liet sterven door zonnestralen – Dracula heeft geen moeite met zonlicht – hij vliegt niet spontaan in brand of zo.
Het begon tot me door te dringen dat er veel was gebeurd – ’s nachts – bewoners waren geëvacueerd, ze hadden mij achtergelaten, omdat – omdat – ik had geen flauw idee waarom ze me hadden achtergelaten. “En mijn boodschappen dan?” Ja, lach maar – de problemen die ik had waren oneindig veel groter dan boter, kaas of eieren. Ze hadden me opgesloten en ik werd – overduidelijk – aangezien voor een wezen dat ik zeer beslist niet was.
“U krijgt van ons alles wat u nodig heeft!”
Ongetwijfeld een levend schaap, als ze me voor een vampier hielden. Of een koe.
“Dit mag u helemaal niet doen – ik heb ook rechten – net als iedereen!”, riep ik naar de megafoon-man.
Heel even leek hij te willen reageren, maar een oudere vrouw, die naast hem stond, schudde het hoofd. Ze draaiden zich om – liepen weg – de scherpschutters richtten onverminderd hun wapens. Ik kon niets uitrichten, dus keerde ik terug naar huis.
Daar ontdekte ik dat de batterij van mijn laptop èn iPad leeg waren geraakt, zodat ik mezelf af moest vragen hoeveel tijd er feitelijk was verstreken. Wat was er echt gebeurd? Ik was volledig geïsoleerd – verstoken van elk nieuws en ik ben een nieuwsjunk. Koelkast stond op te warmen, dus de etenswaren zouden al spoedig bederven, maar de mensen, die me opgesloten hielden, zouden me voorzien van alles wat ik nodig heb. Lunch smaakte al niet eens – ik kauwde elke hap van mijn boterham minstens tien keer. Ik had geen idee wat er was gebeurd, maar die mensen waren me minstens een goede verklaring schuldig – ze moesten vertellen waarom ik een gevangene van mijn oude huis en wijk was geworden. Bord en bestek liet ik op het aanrecht achter – ik besloot een ander deel van de wijk op te zoeken, misschien waren de mensen daar eerder geneigd om uit te leggen wat er was voorgevallen.
Opnieuw liet ik het huis achter me, ik voelde een sterke aandrang om naar het toilet te gaan – een stevige kramp in mijn maag en buik – ik keerde terug en liet me net op tijd neervallen – er lag een complete niet-verteerde lunch in de pot. Gisteren kon ik dit eten makkelijk verdragen, vandaag werd ik er ziek van. Ik wachtte enkele minuten, waarna ik opnieuw het huis verliet, net zo hongerig als voor de lunch – ik had niets hoeven te eten – het was zinloos geweest. Buiten – op straat – staarde ik naar het braakliggend terrein, hopen aarde die als een primitieve omwalling fungeerden. Dranghakken stonden half open, uitnodigend bijna, alsof de nachtelijke bezoekers niet eens hun sporen hadden willen uitwissen. Ik voelde een akelige warmte op mijn huid, een aandrang om me in de schaduw te begeven. Hoelang was ik buiten westen geweest? Waarom hadden ze mij laten liggen? Er lag een connectie met het terrein. Ik liep verder, of probeerde dat te doen, maar het vampierkerkhof, zoals het in de media was genoemd, leek aan me te trekken, zoals een alcoholverslaafde naar de fles werd getrokken… Er lagen geen antwoorden, alleen vragen. De discussie ging over vampier en ik ben geen…
Mijn wandeling eindigde sneller dan ik had gedacht, want er waren diverse huizen gesloopt – ik zag hopen gesteente, troep, maar ook resten van meubels. Ik snakte naar adem. Bouwvakkers waren een muur aan het bouwen – wel drie meter hoog, godverdomme! Betonnen platen van twee meter breed. “Kom niet dichterbij!”, waarschuwde een stem die over de puinhopen galmde. Het duurde enkele ogenblikken voordat ik stil wilde blijven staan, zodat er direct al kogels links en rechts van mij insloegen. Ik stak beide armen hoog de lucht in – hield mijn adem in. Hart bonsde luidruchtig. Heel even dacht ik camera’s te ontwaren die elke stap, die ik zette, nauwlettend volgden. Ik stapte achteruit, deed dat heel langzaam, wierp regelmatig blikken over mijn schouder.
Ik draaide me om en liep terug naar huis, of ik dacht dat ik terugkeerde, maar op straat bleef ik staan en tuurde naar het braakliggende terrein – een vampierkerkhof, de aanstichter van mijn ellende. Dode vampiers, er waren geen levende vampiers, al zou je dit natuurlijk nooit kunnen bewijzen. In Schotland zijn graven gevonden van mensen die als middeleeuwse zombies op zouden kunnen staan uit de dood. Lichamen zijn, aldus archeologen, verschrikkelijk toegetakeld. Hoofden en ledematen werden domweg afgehakt. De angst dat mensen na hun dood zouden herrijzen om het vlees van levenden te eten of hun bloed te drinken bleek een wijdverbreid middeleeuws geloof, net zo algemeen als het christendom zelfs. Ik schudde de gedachte van me af. Het was een krankzinnige droom. Zo meteen werd ik wakker en bleek alles niet te zijn gebeurd. Morgenochtend ga ik eerst al die krantenknipsels weggooien, verdorie. De zon begon al naar het zuidwesten te draaien, schaduwen begonnen te groeien. Ik stond naar het kerkhof te kijken – mijn hele leven had ik tegenover een kerkhof geleefd, de fabriek was deels gebouwd op een kerkhof en ze moesten het hebben geweten – de eigenaren wisten ervan. Er gleed een rilling over mijn rug. Ik zou het liefst naar huis willen gaan, genieten van een kopje koffie, Tegelijk drong het besef tot me door dat ik nooit meer terug naar huis zou kunnen keren…
Ik vervloekte mijn eigen lichtzinnigheid, want ik had besloten nette lage schoenen aan te trekken die ongeschikt waren voor omgewoeld terrein. Dranghekken stonden net als vannacht – of gisternacht, een week of een maand geleden – er lag ruimte genoeg om te passeren. Hier stond niet zolang geleden een oude fabriekshal. Ik zou voor het eerst met eigen gaan aanschouwen wat archeologen eerder al hadden gezien – of de Roemeense familie die op tijd was gevlucht voor de Sowjets. Blijkbaar hadden ze niets te duchten gehad van de nazi’s.
Mijn wandeling verliep erg traag – er was erg weinig rommel achtergebleven – ze waren stevig aan het schoonmaken geweest. Ik kon me nauwelijks voorstellen dat er beenderen waren gevonden in het open veld. Er had een fabriek bovenop gestaan.
Na vijf minuten – het leek een eeuwigheid – bereikte ik een afgraving – een kelder, want het was echt een verdieping lager dan het overige veld. Er was een stenen trap, ik zag delen van oude fundamenten. Niemand had ooit iets gezegd over een geheime kelder – een plek waar we als personeelsleden weg dienden te blijven. Ja, Blauwbaard vertelde zijn kersverse echtgenote over de kamer die ze nooit mocht betreden en altijd op slot was. Je moest nooit over je geheim vertellen, alleen dan zou het altijd in tact blijven. De laatste eigenaren wisten nergens van. Zo goed hadden de bouwheren hun werk gedaan. Ik daalde de trap af. Mijn verbeelding toonde de afdrukken van loodzware kisten die lichamen van vampiers bevatten – behalve een luik, dat toegang verschafte naar een lager niveau, was er niets.
Ik had aan een zaklamp moeten denken. Toch ging ik naar beneden, het was een betere trap dan ik me had voorgesteld. Geen simpele houten ladder, maar een echte trap gemaakt van hard gesteente. Daglicht leek mijn reis naar beneden te willen begeleiden. Na bijna drie meter zette ik mijn voet op een ondergrond die net zo keihard bleek te zijn als het gesteente waar de trap uit was gebeiteld. Ze hadden gewoon een stenen zuil in de bodem gestoken en daar een trap van gemaakt. Ik keek om me heen, zocht doodskisten, of lichamen die ooit gewikkeld waren in doeken en inmiddels gemummificeerd. Er waren geen kisten achtergelaten. Mijn ogen moesten wennen aan de duisternis. Dunne straaltjes licht vielen omlaag en vormden vreemde schaduwen. Ik vond stenen zuilen, als geknotte wilgen op de oever van een rivier, of beelden die herinnerden aan menselijke gedaanten – . Ik deed enkele stappen – in plaats van een stenen zuil – een standbeeld – kwam ik oog in oog te staan met een menselijke gedaante wiens ogen waren weggedraaid, zodat ik alleen twee witte vlakken zag – bovenlip had hij omhoog getrokken – ik stelde een ontzagwekkende razernij vast – hoektanden vormden langwerpige dolken die een warme, kloppende halsslagader zochten…
Mijn vingers gleden over zijn armen die hij recht vooruit had gestoken – het was geen echt levend wezen, maar een stenen demon. Misschien – zoals de Chinese keizers over een leger van terracotta soldaten konden beschikken. Heel even geloofde ik dat deze vampiers dezelfde functie moesten hebben.
Oké – wie moesten ze dan bewaken?
Ondood (1)
Ik verzamel krantenartikelen over vampierkerkhoven. Daarom wist ik allang dat ze echt bestaan. Nu en dan vinden archeologen, die in dienst van een gemeente werken, ergens in Europa stoffelijke resten van mensen die er ooit van werden verdacht als vampier uit de dood op te zullen staan. In Polen werd bij verdachte dorpsbewoners het hoofd afgehakt dat vervolgens tussen de benen werd gelegd. Daarmee hoopten de burgers een wederopstanding van de overledene, als vampier, te voorkomen.
In de buurt van Venetië werden vampiers gevonden waarbij een baksteen in de mond ruimschoots voldoende moest zijn om een eventuele opstanding uit de dood te voorkomen. Tot nu toe is er geen reële discussie geweest over het bestaan van vampiers. Archeologen konden verwijzen naar bijgeloof, omdat mensen nu eenmaal niet de gewoonte hebben om op te staan uit de dood – alleen Jezus heeft dat ooit gedaan – een opvallende overeenkomst, vind ik. Doodgaan en drie dagen later levend het graf te verlaten – levend, of ondood, zoals de mythe van de vampier luidt – een groot verschil met de bijbel. Een vampier is een ondode die zich in leven houdt met levend bloed.
Ik woon tegenover een oud fabrieksterrein en als gevolg van de financiële crisis in 2008 heeft het pand vele jaren als een schandvlek in het dorp kunnen bestaan. Het was een ruïne – de ramen waren bijna allemaal gebroken. Of vampiers werkelijk zouden bestaan of ooit, heel lang geleden, hebben bestaan, behoorde tot de wereld van fantasy en horror, een onuitputtelijke bron van verhalen voor jonge mensen die geloven in een liefde die eeuwig zou mogen bestaan en alleen jonge mensen geloven daar in – het is een voorrecht. Omstreeks eind oktober is een sloopbedrijf begonnen aan de sloop van het pand, eindelijk dan toch. Ik ben niet de enige dorpsbewoner die de sloop heeft gevierd. Ik durf te bekennen dat we allemaal een extra borreltje voor onszelf hebben ingeschonken, toen de slopersbal de muren neer begon te halen. Het werk duurde enkele weken en zelfs maanden, gevolg van een onverwacht strenge winter, maar tenslotte liep het werk bijna op zijn einde en werd het terrein bouwrijp gemaakt, maar viel het werk plotsklaps stil – we hadden geen idee wat er aan de hand was, dachten zelfs aan een faillissement van de sloper, maar dat bleek een vals gerucht te zijn. Bedrijf was gezond. Er stonden ineens enkele auto’s van de gemeente, ik herkende een medewerker van de archeologische dienst die altijd mocht opdraven. Het bleef niet bij enkele auto’s van de gemeente. Op een ochtend trok ik de gordijnen van mijn huis open en stonden er busjes die ik nooit eerder had gezien.
Ik verzamel krantenartikelen over vampierkerkhoven. Daarom wist ik allang dat ze echt bestaan. De media berichtten niet eens over een spectaculaire archeologische vondst in ons dorp, maar er cirkelden wel degelijk helikopters in de lucht – binnen enkele uren was er een gigantische tent over de site geplaatst. Er stonden dorpsbewoners toe te kijken, oudere heren met honden, maar ook kinderen die het allemachtig interessant vonden wat er gaande was, ook al zou niemand in die fase met zekerheid kunnen zeggen wat die slopers nou eigenlijk hadden aangetroffen. Hoe zou je zoiets ooit in een gezelschap durven te zeggen? Ik weet heel zeker dat zelfs niemand die voor mijn huis heeft staan kijken de mogelijkheid heeft geopperd dat er een vampierkerkhof was blootgelegd.
Na enkele dagen begon het definitief tot de wereld door te dringen dat er echt iets heel bijzonders was gevonden in ons dorpje dat amper werd vermeld op de meeste kaarten – nu waren we ineens belangrijk, of het oude fabrieksterrein was dat – en de voormalige eigenaren die we al vele jaren niet hadden gezien.
Ik heb een gewoonte, misschien een heel vreemde, maar ’s avonds, voordat ik ga slapen, moet ik een stukje wandelen – vroeger deed ik dat met de hond – tegenwoordig ga ik in mijn eentje – wandelen moet. Het is zelfs makkelijker, omdat je geen hoopjes poep heeft op te scheppen en mee te nemen naar huis. Ik kan geweldig genieten van de afkoelende buitenlucht, altijd al gedaan trouwens – in mijn jonge jaren behoorde het tot een van mijn stille genoegens.
Op een avond ging ik wandelen, zoals ik altijd deed. Ik deed een jas aan, knoopte een sjaal om mijn nek. Een ijsmuts draag ik niet, ook geen pet, wel een hoed. Natuurlijk heb ik heel goede handschoenen, maar die vergeet ik dikwijls aan te doen, dus de handen verdwijnen meestal in de diepe zakken van mijn jas.
Ik verzamel krantenartikelen over vampierkerkhoven. Daarom wist ik allang dat ze echt bestaan. Zodra er voor je huisdeur een gigantisch circus begint te ontstaan, went dat ook heel snel. Ik schonk weinig aandacht meer aan alle activiteiten die me in het begin een groot deel van mijn dagen bezig hielden. Die avond keerde ik terug na een wandeling in een heerlijk koude nacht; een wolkeloze hemel, flonkerende sterren die een grote landkaart vormden. Voor mijn huis stond een auto, zoals zo vaak, maar dit was er eentje met een Duits kenteken – er stonden enkele mannen en vrouwen naar de enorme tent te staren – jonge mensen, oude mensen. Ik bleef kijken, maar graaide tegelijkertijd naar mijn huissleutels. Twee jonge mannen en vrouwen, een oude man, veel ouder dan ik ooit zou kunnen worden, althans die indruk wekte hij, want hij leunde op een wandelstok. In de duisternis herkende ik de diepe groeven op zijn gezicht – een oude man, die veel had meegemaakt.
Terwijl ik de voordeur van mijn woning wilde openen, ontmoetten onze blikken elkaar – het was slechts een kortdurend ogenblik, maar het gebeurde. Ik wilde de sleutelbos vastpakken – mijn rechterhand viel stil in een vloeiende beweging – ik herkende die oude man en wist dat hij inderdaad zeer oud was, veel ouder dan een mens normaal zou kunnen worden. Gedurende enkele seconden zag ik een felle flikkering in zijn ogen die me erg bekend voorkwam. Vroeger had ik in zijn fabriek gewerkt, ooit was hij de eigenaar, een flamboyante man, die allang dood was.
Je moet weten dat ik krantenartikelen verzamel over vampierkerkhoven en natuurlijk begrijp ik dat ze voornamelijk handelen over bijgeloof – toch wist ik dat ze – vampiers – wel degelijk bestaan. Het is geen godsdienst, als je dat soms denkt. Het is een gewone overtuiging die ik altijd heb aangehangen.
De oude eigenaar, die flamboyante man, wiens ogen glansden in het nachtelijk duister, stak zijn hand omhoog, als een heel normale groet – hij lachte zijn tanden bloot, zoals hij vroeger vaak deed. Ik vond hem een aardige man die meedogenloos kon zijn – zo’n reputatie had hij in de fabriek, aardig, maar tegelijkertijd bikkelhard – ik werkte graag voor hem.
Ja, ik wist honderd procent zeker dat hij het was.
Probleem was dat hij al bijna twintig jaar eerder dood was gegaan – ik wist het zeker – hij was het – niemand anders zou het kunnen zijn – hij was het – beslist.
Dode mensen groetten niet – dus was hij een ondode.
Nee – nee, ik moest het me verbeelden, het was toeval – deze mannen en vrouwen leken alleen op mensen die ik ooit erg goed had gekend. Ik vond het erg prettig om over vampiers te lezen en films te bekijken, maar ze behoorden tot de klassieke mythische volkscultuur.
Ik betrad mijn huis en liet de voordeur iets te hard in het slot vallen – bijna een uur later ging ik naar bed.
’s Nachts heb ik niet gedroomd over ondoden met gezichten die me bekend voorkwamen – geen lange magere vingers die op een ruit tikten – geen traag bewegende monden waar lange hoektanden uitstaken. Alle bekende verhalen over vampiers waren verhalen en meer niet. Ik hoefde me nergens druk over te maken. Het waren maar verhalen, heel oude verhalen.
De volgende ochtend nam ik, zoals gebruikelijk, eerst een korte warme douche – daarna bereidde ik een ontbijt – knäckebröd met oude kaas en een kop thee. Het was voor mij een goed begin van de dag. Alles veranderde toen ik de chocoladeletters op de voorpagina van mijn ochtendkrant las – ‘Vampierkerkhof gevonden!’ – twee handen, die aan een vrouw konden toebehoren, hielden een schedel omhoog, anders dan de foto’s die ik kende – een menselijke schedel, als van een homo sapiens, maar dan met de archetypische lange hoektanden van een vampier – het zou een authentieke vondst moeten zijn.
Ik maakte me geen zorgen. Het was niet het eerste vampierkerkhof dat er ooit was gevonden in Europa.
Nee, ik maakte me nog geen zorgen.
Foto’s zijn afkomstig uit het Algemeen Dagblad
Sirene (4/4)
Om negen uur ’s ochtends verliet ik mijn huis voor een sollicitatiegesprek – een mogelijkheid om vijftien uur les te geven, NT2, dus Nederlands aan allochtonen. Ik had al ruim twintig jaar geen les meer gegeven, maar was wel in bezit van een lesbevoegdheid. Er zouden wat bijscholingscursussen nodig zijn, maar dat was geen enkel probleem. Terwijl ik in de auto wilde stappen, verliet een jonge vrouw het huis van Willard – ze riep: “Nou, ik hoop dat u het zo goed met u blijft gaan, mijnheer Maas!”
Ik gunde mezelf geen tijd om na te vragen wat er aan de hand was – dat kwam later wel, als ik er langsging. Het gesprek vond plaats in een kantoortje en bijna een uur later vertrok ik er weer met een redelijk goed gevoel.
Onderweg naar huis begon ik weer na te denken over de opgewekte woorden van de thuishulp toen ze Willards huis verliet. Voordat ik mijn wijk binnen mocht gaan, moest ik me legitimeren. Ik passeerde agenten die al het binnengaande verkeer moesten controleren, dus niemand erin, uitgezonderd de bewoners – ze hadden het kenteken van mijn auto. Uiteraard kende ik het verschijnsel van de goede en slechte dagen die mijn buurman, net als iedereen, ook zou moeten hebben – het optimistische, vrolijke gezicht van de jonge vrouw baarde me enige zorgen. Al gunde ik Willard al het beste in zijn leven, maar het ging de laatste tijd juist helemaal niet zo goed. Het was een beetje een raadsel, zoals de sirene in het bos.
Ik kleedde me eerst om, zette een kopje koffie op tafel en stuurde een berichtje naar mijn broers die graag wilden weten hoe het gesprek was verlopen. Na een half uurtje betrad ik het huis van Willard die tot mijn grote verbazing geen rollator of wandelstok gebruikte – hij ging gewoon rechtop en leek niet de minste moeite te hebben met zijn evenwicht. Mijn buurman leek ineens 10 jaar jonger te zijn, een man die ik nooit heb gekend, omdat ik er slechts een korte tijd woonde. Zijn gezicht leek veel minder doorgroefd, zijn huid stond strakker dan ik van hem gewend was en er gloeide weer een gezonde blos op zijn wangen.
Ik slaagde er niet in mijn verbazing te verbergen en hij lachte zijn vergeelde tanden bloot. “Je probeert het te snappen, hè? Net als ik trouwens. Ben je ooit wakker geworden met het idee dat God je de kans heeft gegund om een totaal verpest leven te herstellen? Nou, zo ben ik vanochtend wakker geworden. Ik heb me in 20 jaar niet zo goed gevoeld.”
“ – Eigenlijk wilde ik vooral weten of je nog wat van de supermarkt nodig hebt,” zei ik en ondertussen bestudeerde ik het uiterlijk van Willard die er ècht uitzag als een man van ongeveer zeventig jaar oud. Gisteren had zijn huid doodsbleek gezien, ondanks de tatoeages op zijn armen en ongetwijfeld borst, alsof de dood dwars door zijn huid probeerde te dringen. Ik schudde mijn hoofd en draaide me om – deze Willard Maas kon best zelf naar de buurtsuper.
“Ja, ik loop eventjes mee,” zei hij, “da’s ook wel eens leuk – ik neem een wandelstok mee, anders valt het de mensen teveel op en gaan ze daarover kletsen.”
Enkele minuten later verlieten we met zijn tweeën het huis en wandelden we in een rustig tempo naar de supermarkt. Willard wees naar alle woningen die in de jaren na zijn vertrek waren gebouwd, een halve stad – vroeger was het landelijk gebied geweest, zover je kon kijken, mensen die in onvoorstelbaar slechte woningen moesten leven en snel oud werden. Paarden die oude, verrotte karren voorttrokken, een paar rijke burgers die zich een automobiel konden veroorloven – ik begreep dat hij een deel van zijn jeugd opnieuw voor zich zag, alle ellende, maar ook de fijne herinneringen.
In de supermarkt ontmoetten we veel verbaasde gezichten – mannen en vrouwen die normaal gesproken zelden of nooit omkeken – Willard was jaren terug voor het laatst in de supermarkt geweest en misschien waren de mensen gewoon verbaasd, omdat hij nog altijd in leven bleek te zijn. Dacht ik.
“Mijnheer Maas – U bent toch de tweede zoon van Diederik Maas? Volgens de krant bent u een tijdje met het meisje gegaan – Hester – Hester Visscher.”
Willard gaf geen reactie en staarde in het oneindige, een starende blik die een onbekend moment in het verleden zocht. “Nee, ik heb haar wel gekend.”
“Dus de krant zit ernaast?”, vroeg dezelfde vrouw. “En wat vindt u eigenlijk van het raadsel – de sirene?”
Willard keek een ogenblikje naar de vloer voordat hij antwoord gaf, een ander antwoord dan ik verwachtte.
“Drie mannen komen bij elkaar om over hun geloof te praten, een christen, een jood en een moslim – ze willen vaststellen wie er gelijk heeft – twee van die mannen kunnen nooit gelijk hebben, eentje heeft er altijd zonder meer gelijk – vertel eens – Wie is dat?”
“Weet ik niet,” zei de vrouw. “Ik heb geen idee.”
“Dàt is nou een raadsel en ik begrijp het ook niet,” zei Willard, terwijl we verder gingen met onze boodschappen. De vrouw bleef verbouwereerd achter en vergat verder vragen te stellen, precies zoals Willard uiteraard bedoelde met zijn vreemde raadsel.
Onderweg naar huis droeg ik de boodschappen in twee plastic tassen – Willard had niet eens zoveel nodig gehad – ik wist niet of de spectaculaire verandering blijvend zou zijn, maar misschien hoopte hij vanaf nu elke dag boodschappen te gaan doen. We spraken weinig – zijn hoofd draaide regelmatig naar het bos, alsof ook het antwoord op zijn eigen raadsel daar ergens lag te wachten, zoals elk van de drie mannen uit zijn voorbeeld altijd gelijk moet hebben. Thuis zou ik de krant moeten lezen, iets wat ik tot nu toe had nagelaten vanwege de sollicitatie. Willard kwam blijkbaar ter sprake, een krant moest hem hebben genoemd, of in elk geval zijn vader. Ik wist dat mijn buurman het antwoord niet makkelijk weg zou willen geven. Mogelijk was zijn raadsel gewoon bedoeld om ons allemaal te ontregelen. Ik had het vermoeden dat zijn opzet was geslaagd. We hadden de supermarkt verlaten zonder verdere vragen over het raadsel van de sirene – niemand zei nog iets.
De middag vergleed heel traag in een avond die koud en onbewolkt beloofde te worden, er hing een gigantische volle maan laag boven het bos. Vroeg in de avond waren er veel buurtbewoners vertrokken. Ze stapten in auto’s en zouden bij familie of vrienden slapen, alles was beter dan een nieuwe nacht in spanning. Ik had de afwas gedaan, ben daar ouderwets in, een vaatwasmachine vind ik zonde. Gordijnen stonden wagenwijd open. Er was een voetbalwedstrijd bezig op televisie, het geluid stond heel zacht – ik ben niet echt een liefhebber, maar soms wil ik nog wel eens kijken. Mijn gedachten bleven onophoudelijk teruggaan naar de spectaculaire verandering die ik bij Willard had vastgesteld. Zoiets had ik nooit eerder meegemaakt en het bestond voor zover ik wist ook niet eens – maar hetzelfde gold natuurlijk voor de sirene die elke nacht aan het roepen was vanuit het bos, een onbekende, vrouwelijke stem – volgens de kinderen die haar hadden gehoord ging het om een treurige en dwingende stem – het was het verhaal van een verloren liefde, aldus de oudere jongens en meisjes die tot hun enkels in het water hadden gestaan. Ik las opnieuw een artikel in de krant, het ging onmiskenbaar over Willard, al weigerde hij iets te zeggen over de gebeurtenissen die hem heel, heel lang geleden weg hadden gejaagd uit Nederland.
Ik zat op de bank en was in slaap gevallen, terwijl op televisie de wedstrijd nog altijd bezig was. Het overkomt me vaker. Ook die avond. Maar de telefoon ging, het was een harde, ouderwetse bel die ik hoorde. Ik nam de hoorn op, maar bleef ook zitten, ook al kan dat in mijn woonkamer niet eens. Een metaalachtige stem, alsof er een machine aan het spreken was, zei: “Het is tijd.” Meer hoorde ik niet. Ik schrok wakker, de televisie vertoonde een praatprogramma dat ’s middags al live was uitgezonden, een herhaling.
Het duurde enkele ogenblikken voordat ik me realiseerde dat er iemand op straat naar mijn huis keek – een oudere man met gespreide benen, armen slap langs zijn lichaam – hij was niet veel jonger geworden. Ik deed mijn schoenen snel aan, griste een jas mee die veel te koud was voor de tijd van het jaar. Een slechte voorbereiding, maar het was tijd. Dezelfde volle maan, die eerder die avond al zo vreselijk groot had geleken, was nu nòg groter. Op straat voelde ik de koude wind die uit het oosten waaide – ik trok mijn capuchon omhoog en bleef naast Willard stilstaan. “Willard en Hester, zo had het moeten zijn – jullie hielden zielsveel van elkaar.”
“Ja, jongen, ik ben vijftig jaar op de vlucht geweest en dacht rustig terug te kunnen komen, omdat iedereen het verleden allang was vergeten – maar geschiedenis is weerbarstige materie en laat zich niet makkelijk in de vergetelheid dwingen. Ik heb geen familie meer, iedereen is dood, ik ben de laatste. Jij komt dichterbij een familielid dan iedereen die ik ooit ben tegengekomen.” Hij draaide zich om en begon naar het bos te lopen, daarachter lag zijn bestemming.
Ik volgde Willard en het leek heel vanzelfsprekend, er moest een getuige zijn, iemand die later kon vertellen over de laatste nacht van de sirene, want het zou de laatste keer worden – ze werd na die nacht nooit meer gehoord. “Kon je haar stem horen?”
“Net zo duidelijk als die kinderen,” zei Willard die zijn lichaam langs struiken en boomtakken wurmde. “Zeg eens, Vince. Heb je ooit eens nagedacht over een tweede kans, als die zich zou voordoen? Mocht je onverhoopt de ergste fout in je leven ongedaan kunnen maken – Zou je dat dan ook doen? Of zijn we onze eigen slachtoffers en onherroepelijk gedoemd dezelfde fouten weer te maken?”, vroeg hij, maar Willard verwachtte geen antwoord van mij te krijgen.
Hij bewoog zich in het bos, alsof hij thuis was gekomen, heel gemakkelijk – hij leek elke kuil te weten en stapte er behendig omheen. Ik voelde een enkele keer water in mijn schoenen, maar wist een vloek binnensmonds te houden. “Een broer van Hester ontdekte dat we elkaar zagen en wilde een wit voetje halen bij zijn ouwe heer – het plan slaagde – mijn vader raakte zijn baan meteen kwijt, het betekende nog grotere armoede, want er was toen geen sociale dienst. Ik heb Hester nooit meer gezien.”
“Jij moest iets doen, voelde je schuldig, besloot naar zee te gaan – je hebt je ouders lange tijd onderhouden, waarschijnlijk tot ze van Drees gingen trekken – een echt pensioentje kregen van de staat – een inkomen. Daarmee werd de macht van de kerk ook aardig gebroken, denk ik, als is dat mogelijk een aanname.”
Willard ging verder – sterren blonken boven onze hoofden en veel duidelijker dan ooit tevoren.
“Wat is er met Hester gebeurd?”, vroeg ik.
Hij bleef staan en draaide zich om. Er lag een spookachtige glans op zijn gezicht – gevolg van maanlicht en donkere, nachtelijke schaduwen.
“Opgesloten in de kelder, al hoopte ze misschien op het klooster, maar dan zou haar vader zijn macht en controle over Hester hebben moeten opgeven.”
“Ze heeft duur betaald voor haar liefde.”
“Ja – .”
“Hoelang heeft ze in die kelder gezeten?”
“In elk geval tot 1976.”
“Wist je dat hij zijn dochter had opgesloten?”
“Nee.”
“Hoeveel mensen wisten dat hij zijn dochter gevangen hield in de kelder van zijn huis?”
“Iedereen was op de hoogte.”
“Alleen jij niet?”
“Ze durfden het mij niet te vertellen, Vince.”
“Waarom – ?”
“Ik was naar huis gekomen en zou die ouwe schooier, die souteneur en landverrader, hebben doodgeslagen met mijn eigen blote handen… ik zou hem hebben vermoord… en dat wisten ze allemaal.”
“’n Tragedie.”
Hij draaide zich weer om en begon opnieuw te lopen.
“Vince – Geloof jij in God?”“Niet echt, al moet je ruimte laten voor twijfel.”
“Nooit gedaan – ik heb nooit in God geloofd, jongen, maar Hester aan de andere kant wel – ze geloofde heel vurig, ik werd er wel eens kriegel van, weet je.”
We bereikte de plas – het wateroppervlak lag er stil bij, zonder rimpelingen, als een reusachtige spiegel.
Willard draaide zijn hoofd een beetje naar rechts. “Je mag een tweede kans nooit verprutsen of laten lopen. Er zijn mensen doodgegaan hierdoor, jonge kinderen, als je dàt geen hoge prijs zou kunnen noemen. Misschien is het de duivel wel die een grap probeert uit te halen met een paar mensen en als je het bestaan van de duivel erkent, dan moet God er dus ook zijn.”
Hij liep het water in, ik bleef achter op de oever, half verscholen tussen bomen en struiken. Ik had geen idee wat hij zou doen – hij bleef in het midden staan en staarde langdurig naar beneden, alsof hij haar zocht. Er was helemaal niemand. Dat wist ik. Zoveel mensen hadden gezocht naar de sirene en niemand had haar gevonden. Er zou niemand mogen zijn. Op zeker moment knielde hij neer, alsof Willard eindelijk had gevonden wat hij zolang geleden was kwijtgeraakt. Er begon heel langzaam een lichaam omhoog te komen uit het water – hij tilde een vrouwelijk lichaam uit de bagger – de troep die zich op de bodem van de plas had gevormd – de modder waarin het leven van Hester Visscher was verzonken. Lange blondgrijze haren hingen omlaag, ze droeg een jurk die ooit modieus moest zijn geweest, haar lichaam droeg alle sporen van jarenlange mishandelingen. Willard droeg haar naar de oever – vuil water spatte op het platgetrapte zand. Hij weigerde haar neer te zetten, knielde neer en zijn worstachtige vingers streelden haar gezicht. “Misschien heeft zowel God als de duivel er niets mee te maken,” zei ik en Hester reageerde nauwelijks op mijn woorden. “Zien we elkaar ooit nog eens terug?”, vroeg ik. Heel even dacht ik aan een Britse schrijfster die liefde de oudste en tegelijk ook sterkste magie had genoemd.
Willard leek te vergeten dat ik toe stond te kijken en gaf geen antwoord meer – zijn aandacht was bij de vrouw die hij zolang geleden achter had moeten laten. Ik draaide me om en slikte enkele laatste stichtelijke woorden in die ik uit had willen spreken – tussen de bomen keek ik nog een laatste maal over mijn schouder – ik zag een man en een vrouw aan de rand van die plas – een enorme volle maan die het decor vormde van een toneel dat toch nog een goed einde leek te mogen beleven voor twee mensen die de tijd, anders dan bij jongeren, in dagen, weken en maanden rekenden – in plaats van jaren, maar zolang ze leefden – deden ze dat hoe dan ook in elkaars gezelschap.
Een uur later zat ik thuis op de bank – mijn intuïtie gaf een duidelijke waarschuwing af – Willard zou niet meer terugkeren en als zijn buurman, zou ik de verplichting hebben naar de politie te gaan – of het alarmnummer te bellen, omdat hij zijn voordeur niet zou willen openen. Willard zou thuis moeten zijn in gezelschap van Hester die hij na zo’n lange tijd had terug gevonden, maar ik begreep heel goed dat zijn huis leeg en donker achter zou blijven. Zo gebeurde het ook. ’s Ochtends belde de thuishulp aan – ze had voor een gesloten deur staan wachten en toonde zich bezorgd – ik besloot direct 112 te bellen en binnen een half uur stonden er politieauto’s, een ambulance en brandweer voor de deur om het huis open te breken – er was een slotenmaker nodig om de deur open te maken, terwijl ik al die tijd wist dat hij weg zou zijn. De raadselachtige verdwijning van mijn buurman Willard Maas werd voorpaginanieuws – ik vond het niet eigenaardig dat de sirene nooit meer werd gehoord. Sinds die tijd wandel ik regelmatig in het bos – einddoel is altijd de plas waar ik Willard zijn vrouw uit het water en de modder heeft gepakt – verleden week dacht ik een ouder echtpaar in de schaduw van een eikenboom te zien – ze hadden alleen oog voor elkaar – ik dacht dat ik een ouder echtpaar zag. Het duurde slechts enkele seconden – daarna waren ze weer verdwenen.
Ik zou er nooit meer aan hebben gedacht als ik gisteren in de supermarkt niet met een stelletje had gesproken dat eenzelfde soort ervaring bleek te hebben. Een ouder echtpaar in de schaduw van een boom – het duurde enkele seconden voordat ze weer verdwenen, alsof het verdwijnend zonlicht die mensen aan het zicht zou kunnen onttrekken – een wolk die voor de zon schuift – een schaduw die plots en geheel onverwacht over het landschap glijdt. Een oudere man en vrouw die er alleen zijn als de zon schijnt, nooit als het bewolkt is – altijd alleen als de zon…
Spirits (7/7) Avondster
Oom Colin leunt achterover, zijn wenkbrauwen raken in een diepe frons en hij zegt: “Je hebt jezelf een goede dekmantel gegeven en dan nog zoek je die man op, terwijl je dat niet hoeft te doen. Dat snap ik niet.”
“Hij zou voor mijn moeder zorgen – dat heeft hij beloofd – of moeder nou zelfmoord heeft gepleegd of is vermoord door De Organisatie doet niet ter zake. Hij heeft onschuldig bloed aan zijn handen,” zegt Chase.
“Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere,” reageert oom Colin. “Je moet nog veel bijleren.”
Chase bijt op zijn onderlip en wacht enkele ogenblikken voordat hij verder gaat met zijn verhaal. “Ik heb rondgezworven in het bos, terwijl de sirenes van brandweerauto’s wegstierven – een enkele keer bleef ik staren naar de rode gloed aan de horizon, maar de vlammen doofden langzaam uit. Ik hoopte op het gezelschap van mensen, heel gewone mensen die in hun dorpen of steden woonden. Misschien zou iemand me kunnen helpen, want uiteraard had ik geen geld voor een buskaartje en anders zou ik moeten liften. Ik moest zien te ontdekken waar ik me bevond – ver weg van huis, of relatief dichtbij. Bij zonsopgang ontdekte ik een laag gebouw in een wolk van licht – het was een pompstation – ik liep zelf nog in het bos. Ik sprong over een modderslootje, klom over een prikkeldraad en wachtte op een auto die passeerde – er stonden iets van veertig vrachtwagens geparkeerd die kentekens hadden uit diverse landen. Gelukkig bevond ik me in Nederland – ik bestudeerde kentekens van personenauto’s die me vertelden waar de bestuurders vandaan moesten komen – een internetadres, een plaatsnaam, een kleine aanwijzing was voldoende om een aanknopingspunt te geven. Het duurde een half uur voordat ik iemand had gevonden die me naar huis wilde brengen. Ik zei dat ik alles was kwijtgeraakt, al mijn geld en pasjes, ik moest op een of andere manier thuis zien te komen. Ik stapte in de auto van een vent die juist een nachtdienst had gedraaid en onderweg was naar huis, maar bij het pompstation sigaretten had gekocht.
Terwijl ik de gordel vastmaakte, schopte ik lege blikjes van een energydrank weg en achtergebleven verpakkingen van drop, maar ook een broodkorst. Hij reed in een verschrikkelijk oud barrel – een auto die minstens zeventien jaar oud was, zelfs geen airco had – het deed er niet toe, want hij wilde me thuisbrengen. Mijn chauffeur woonde in de dezelfde wijk als ik altijd had gedaan en babbelde over afgelopen nacht. Hij bleek al het nieuws te hebben gevolgd over de brand in een oud kloostergebouw, een kostschool, een trainingscentrum dat onzichtbare moordenaars voortbracht, mannen die zich spirits noemden… Ja, het was volop in het nieuws geweest en nog – wel verbaasde ik me over het feit dat het bestaan van spirits tot de mainstream van het nieuws behoorde. Zelf had ik altijd gedacht dat we een geheime organisatie waren – we waren bekender dan ik dacht. Volgens mijn chauffeur was de organisatie volledig uitgeroeid en dat was natuurlijk totale onzin. In mijn geboortestad leefde er nog een belangrijk broeinest. Er bleven er altijd een paar in leven, zoals Mr. Blade.
“Laat me hier maar uitstappen,” zei ik, natuurlijk hoefde ik niet naar huis – mijn huis bestond niet meer – er was een gasexplosie geweest en ik wilde de man ontmoeten die op mijn moeder had moeten passen en het betekende automatisch dat ik hem zou doden. Ik zou slimmer moeten zijn dan mijn slachtoffer, aangezien hij al tientallen jaren een spirit was – die man had de opleiding net zo goed doorlopen. Ik deed de gordel los en stapte uit, gooide het portier dicht – de chauffeur trapte het gaspedaal omlaag en reed weg.
Het was erg vroeg – bijna zeven uur ’s ochtends, veel mensen lagen op bed of waren net aan het douchen. Een paar oudere mensen waren de hond aan het uitlaten, ik zag zelfs een paar mannen die onderweg naar hun werk moesten zijn – op de fiets, met de auto.
Ik droeg een hoodie, de capuchon zakte over mijn ogen – het was belangrijk dat niemand me herkende. Herkenning zou kunnen betekenen dat het plan niet doorging – Mr. Blade zou direct gewaarschuwd zijn, net als Mr. Flyer trouwens, maar ik wist dat Mr. Blade op vaste adresjes te vinden was – ik wist dat hij vaak bij een en dezelfde hoer in bed lag, alsof hij haar pooier was, zonder de stelselmatige mishandelingen van Fat Willy natuurlijk. De vrouw woonde in een boot langs het kanaal, niet ver van de brug, er lag een hond op het dek te slapen, vaak was het dier buiten, vooral als Mr. Blade aanwezig – dat was een beetje het signaal. Ik vertrouwde erop dat Mr. Blade niet zou afwijken van zijn routine, omdat het betekende dat hij inderdaad betrokken was bij de spirits – hij zou zich beslist niet bij een geïnteresseerde menigte voegen om het brandende gebouw te bekijken in de hoop meer te ontdekken over het aantal slachtoffers, bovendien had Mr. Blade daar zijn personeel voor.
De hond vormde best wel een obstakel, ik kon het dier natuurlijk doden, maar heb niets tegen honden. Ik passeerde oude huizen met trappetjes, net als het onze dat niet langer bestond en ik zou er niet heen kunnen gaan – misschien over dertig jaar of zo. Hier en daar probeerde een schemerlamp verlichting in een kamer te werpen – gordijnen gingen langzaam open. Achter mijn broekriem stak de dolk, net als tijdens mijn vlucht, terwijl ik hem tijdens de autorit in één van de steekzakken van mijn sweater heb bewaard – ik wilde de chauffeur kunnen doden, als het moest. Uiteindelijk leunde ik tegen een boom en probeerde te bedenken hoe ik in de boot zou geraken, aangezien de hond zich op het dek gemakkelijk had gemaakt. Ik zou Mr. Blade op de kade kunnen vermoorden, maar dan zouden er getuigen zijn die over me vertelden. Bovendien werd het moeilijker om weg te komen. Burgers zouden filmpjes maken van een jongen die wegvluchtte nadat hij een man had neergestoken.
Na ongeveer tien minuten begon ik naar de boot te lopen en verwachtte een reactie van de hond die wakker werd, toen ik dicht genoeg was genaderd. Ik gooide stukjes oud brood naar het dier die naar de kruimels hapte en begon te kwispelen. Je moet weten dat ik altijd goed met honden om heb kunnen gaan – alle honden dus. De herdershond stapte op de loopplank en kwam in mijn richting – geen echt goeie waakhond die had moeten blaffen. Ik legde mijn hand op zijn kop en krabde enkele malen. Het was voldoende om verder te mogen gaan. De hond zou me geen strobreed in de weg leggen, tenzij ik zijn baasje wilde vermoorden – de prostituee dus.
Zouden ze de voordeur op slot hebben gedaan? Ja dus, maar het betekende niet zoveel – openmaken van voordeuren was een examenvak op school – we waren er allemaal erg bedreven in en Mr. Blade moest hebben geweten dat die kennis ooit tegen hem zou worden gebruikt – vroeg of laat zou iemand dat doen.
Binnen anderhalve minuut was ik binnen – beginnend daglicht probeerde binnen te dringen – gordijnen waren half geopend en er heerste een diepe rust. Het schiep wiegde heel langzaam, er was nauwelijks sprake van golfslag, maar ik voelde het wel degelijk. Woonkamer was netjes, burgerlijk ingericht,
Er lag een vloerbedekking met enkele vloerkleden, ik wandelde langs een ladekast en trok enkele laden open – duwde ze voorzichtig weer dicht – ik wilde verder lopen, maar stuitte op een interessante lade – er lagen enkele injectiespuiten in en een wat ampullen – insuline – ik had aan een injectiespuit voldoende.
Aan de muren hingen schilderijtjes waarvan ik vermoedde dat ze originelen konden zijn. De broodwinning van de vrouw zou voor Mr. Blade weinig verschil hebben gemaakt – een baan is een baan. Hij had goed voor haar gezorgd – dat stond vast. Zou hij haar wel eens hebben geslagen? Na de woonkamer belandde ik in een gangetje, links van mij een toilet en badkamer – daarachter een slaapkamer. Wat zou ik achter die deur mogen verwachten? Waarschijnlijk lagen ze allebei te slapen en misschien waren ze nog maar kort geleden naar bed gegaan. Mr. Blade was een man die voornamelijk ’s nachts leefde. De insuline moest bijna voor hem zijn, dacht ik. Ik legde mijn hand op de deur en wachtte enkele seconden voordat ik de klink omlaag duwde. Was er iemand aan het douchen? Zat er iemand op het toilet? Ik ging terug en controleerde elke ruimte. Leeg.
Bijna twee minuten later duwde ik alsnog de klink omlaag en duwde de deur in zijn geheel open, want ik wilde honderd procent zeker weten dat hij me niet opwachtte – ik zou een weerstand moeten ontmoeten – er zou een hoofd boven de donsdeken uit moeten steken – twee hoofden zelfs – man en vrouw – geen vormeloze hoop waaruit ik moest concluderen dat er iemand lag – hij zou me allang gehoord kunnen hebben. Hij wel, zij niet. Hij was ervoor getraind. Maar hoelang kun je op een moordenaar blijven wachten voordat je je gemak ervan gaat nemen? Vroeg of laat let je niet meer op – het zal mij ook ongetwijfeld ooit eens overkomen – als ik geluk heb.
Ik bleef in de deuropening staan – ze lagen allebei – onmiskenbaar – in bed – ik herkende het grote, logge en inmiddels lompe gedaante van Mr. Blade. Nu moest ik snel handelen en ik had allang bedacht wat ik ging doen – ik zou hem moeten uitschakelen – heel snel – een vuistslag op de kin bijvoorbeeld – eerst Mr. Blade natuurlijk, want hij was het gevaarlijkst. Als ik de hoer moest uitschakelen, zou ik dat doen – doel was om haar wakker te laten worden naast een lijk.
Dat is namelijk waarom we ‘spirits’ worden genoemd – we zijn geen moordenaars die met pistoolmitrailleurs werken – dat is voor sukkels – we dringen je huis binnen en laten je een natuurlijke dood sterven – niemand zal ooit begrijpen dat ik het ben geweest – of iemand anders wiens schaduwen zich langs de muren van je huis heeft bewogen.
Ik telde tot drie en sloeg heel hard – er kraakte iets, maar Mr. Blade leefde nog wel – hij bewoog zelfs, dus ik sloeg nog een keer – de vrouw bleef slapen. Zou ze veel hebben gezopen? Zouden ze allebei hebben gezopen voordat ze naar bed gingen? Ik trok de deken weg en zocht een ader op het dijbeen – liefst dichtbij de lies – een intiem plekje, maar er zitten nu eenmaal enkele prachtige aders die ik kon gebruiken.
De naald drong door in het lichaam – ik begon zuurstof in een ader te spuiten – er zou een luchtembolie ontstaan die een hartaanval tot gevolg ging hebben – . Wie zou er treuren om de dood van een ouwe schooier die jongens opleidde tot killer? Zou de politie zijn dood willen onderzoeken? Het hing af van de verklaring die de vrouw ging afleggen.
Ik heb kort gewacht – eerst wilde ik de eerste duidelijke signalen van een dodelijke hartaanval zien.
Daarna ben ik pas vertrokken. Ik had de dood van mijn moeder gewroken, zowel Mr. Blade als Mr. Flyer konden trots op me zijn – ik was een ueberkiller geworden, zoals iemand ooit had geroepen. Onderweg naar buiten veegde ik alle vingerafdrukken weg die ik had gemaakt – het was genoeg om ze zo slecht te maken dat er geen identiteit aan kon worden gekoppeld, zelfs als er een onderzoek zou komen.
De injectiespuit heb ik volledig kapot getrapt en de stukjes weggegooid in vuilnisbakken langs het pad, maar ook in het water. Overal lag wel iets,” zegt Chase die omlaag kijkt en zijn armen bestudeert.
“Daarna dacht je bij jezelf – laat ik die ouwe oom Colin en tante Catherine maar eens opzoeken – voor hetzelfde geld willen ze me best in huis nemen.”
“Ja.”
“Ik heb niets gehoord over een dode gangsterbaas.”
“Gaat ook niet gebeuren. ‘n Hartaanval. Tja.”
Tante Catherine verschijnt in de deuropening en Chase herkent diverse emoties op haar gezicht waarbij vooral woede overheerst. “Je bent goed in het doden van mensen, maar kun je ook hard werken?”
“Ja, tante Cathy – dat kan ik.”
“In dat geval gaan we verder waar die arme buurman van jou is tegengehouden – je moest maar eens een bloemetje op zijn graf leggen, als je dat ooit kunt.”
“Voorlopig niet, maar ik zal het een keer doen. Het graf van moeder wil ik ook zien,” zegt Chase.
“Goed,” zegt oom Colin die een mes uitklapt en de tie-wraps begint los te snijden. “Je hoort nu bij ons, maar je volgt de regels van het huis – ons huis.”
“Ja oom.”
’s Avonds laat – de zon gaat in het westen onder – Chase heeft een afgelegen plekje op het erf van zijn oom en tante opgezocht – er zijn geen mensen die hem bespieden – denkt hij – maar oom Colin en tante Cathy kijken allebei aandachtig toe, terwijl Chase zijn armen recht voor zich uit steekt – vervolgens maakt hij kort achter elkaar enkele stompende bewegingen – niet heel erg snel, maar erg vertraagd – daarna zien ze zijn rechterbeen omhoog gaan die in een hoek van bijna vijfenveertig graden lijkt te stoppen en daar blijft – gedurende enkele seconden – minstens tien. Tante Cathy loopt weg en schudt alleen haar hoofd.
Oom Colin blijft het ritueel volgen dat zich voltrekt – na bijna tien minuten gaat Chase op zijn handen staan – hij steunt op zijn linkerhand – op zijn rechter – hij bewaart een volmaakt evenwicht – hij loopt op zijn handen en het lijkt hem totaal geen moeite te kosten.
Oom Colin draait zich om en begrijpt – er bestaan geen tamme leeuwen – ze zijn en blijven altijd roofdieren – je moet er voor oppassen. Hij gaat het huis binnen, Cathy is koffie aan het zetten. Gevaarlijk is de moordenaar die kennis draagt van goed en kwaad, want hij zal een laatste oordeel willen vellen.
“Lust je koffie, Colin?”
“Ja – graag.”
Ze schenkt twee kopjes koffie in.
“Ben je er gerust op?”, vraagt ze.
“Wee degene die ooit zijn vertrouwen zal schenden – want die zal er beslist met zijn leven voor betalen.”
“Hadden we hem kunnen weigeren?”
“Nee, hij is familie.”
Spirits (5/7) Examen
“Pijn is een emotie. Die kun je uitschakelen,” zegt de oom van Chase. “Ik heb dat in het leger geleerd.”
“In de fightschool zei Mr. Flyer zei dat altijd.”
“Is die jongen – Karl – gestorven aan zijn verwondingen? Of heeft hij het alsnog overleefd?”
“Net als Andy? Nee, Mr. Flyer heeft hem over de reling van een spoorbrug gegooid, want het moest op zelfmoord lijken – zijn moeder moest dat geloven.”
“Gewelddadig zooitje. Hoe kun je daarmee leven?”
“Tja.”
“En de politie heeft nooit vragen gesteld?”
“Over Karl? Jawel, of we nooit iets hadden gemerkt. Nee agent, geen idee hoe hij dat heeft kunnen doen. We konden allemaal liegen alsof het gedrukt stond.”
“Zit je nu te liegen? Of heb je gelogen?”
“Nee.”
“Goed.”
“Ik wilde er alleen maar mee zeggen dat we onderweg wel eens jongens kwijtraakten – zoals Mr. Flyer in het begin al tegen ons zei – niet iedereen zal het redden. Het was fijn om Fat Willy op straat tegen te komen, een volwassene die voor me opzij stapte – op zekere dag bleek hij dood te zijn – hij was vermoord. Eén van zijn hoeren heeft hem doodgeschoten – kennelijk was ze het beu om steeds maar klappen te krijgen. Moeder begon meer te praten dan ze in lange tijd had gedaan, dus ik geloofde dat alles goed begon te komen. De buurman legde met vaste regelmaat boeken in het kastje en mijn zestiende verjaardag zat eraan te komen – het was de zestiende verjaardag die voor stress zorgde bij alle jongens die in de opleiding zaten. Dan moest je op examen en laten zien dat je er klaar voor was. Ik had al een reputatie, maar was nog helemaal nergens, want tot je eerste grote examen hoorde je nergens bij. We wisten heel goed waar onze opdracht uit zou bestaan – het klonk heel simpel – je kreeg een tegenstander en die moest je uitschakelen, we hadden er jaren op getraind.
Onze groep bestond uit vijf jongens – ikzelf, Pete die altijd schoenen met stalen neuzen droeg en zweetvoeten had, Charlie, een jongen met rotte tanden in zijn mond, flaporen en stekelhaar, maar die ongelofelijk hard kon slaan, bijna net zo hard als ik, Matt wiens vader in de gevangenis zat en Tony, een jongen van Italiaanse afkomst en die ooit voor de maffia zou gaan werken – dat leek ons vrijwel zeker.
Zoals ik min of meer verwachtte, was ik als eerste aan de beurt. Ik had geen wie mijn tegenstander werd, maar vermoedde dat het een jongen zou zijn die net als ik een examen moest afleggen en vermoedelijk afkomstig was van een andere fightschool uit een ander deel van de stad, dus een onbekende jongen, omdat we vrijwel nergens anders kwamen – we kenden elkaar sowieso al veel te goed – als we tegen elkaar zouden vechten, zou het een trainingspotje worden.
Het was min of meer logisch – toch lag er nog één ander probleem – ik kende niemand die was geslaagd voor zijn examen – er waren geen jongens in de wijk waarvan we wisten dat ze het examen hadden gedaan. Het behoorde tot de grote mysteriën van de opleiding.
’s Avonds zat ik in de tuin – ongeveer drie dagen voordat het examen zou plaatsvinden – de zon zakte weg achter de flatgebouwen, er lag een overheerlijke koele schaduw over het binnenterrein – je kon bijna alle huishoudens overzien – vuilnisemmers op balkons, oudere mannen en vrouwen die rookten en lui achterover gezakt op een stoel zaten – er waren ook mensen die een barbecue hadden neergezet en de geur van gebraden vlees verspreidde zich langs de gevels waardoor we opnieuw honger kregen.
Moeder zat een kruiswoordpuzzel in te vullen, zoals ze wel vaker deed – ze vond het belangrijk dat ze haar hersencellen bleef oefenen en niet alleen het huishouden deed. Ik las een boek van de buurman, maar het kostte me die avond moeite om me te concentreren en dit had niet met het examen te maken. Meestal had de buurman zijn tuindeur open staan en konden we hem horen zingen – hij zong erg vaak. Vanavond was het stil – de deur was dicht, ondanks de vrij hoge temperaturen – het was vierentwintig graden Celsius – zoals gezegd – een mooie dag.
Moeder liet haar puzzelboekje zakken en keek opzij.
“Ik heb hem de hele dag al niet gehoord,” zei ze.
“Ja – vreemd, hè? Hij is altijd thuis.”
De afspraak, die we enkele jaren geleden hadden gemaakt, spookte door mijn hoofd. Ik zou nooit zijn huis voor een tweede maal mogen betreden anders zou het de dood voor ons beiden betekenen. Toch wilde ik gaan controleren of hij nog leefde.
Ik legde het boek naast me neer en begon verveeld om me heen te kijken. “Misschien – als ik nu eens – .”
“Wat kan er nou gebeuren, Chase?” Moeder schoof met haar voeten en legde het puzzelboekje weg. “Bovendien gaat het ons niets aan – ondanks – .”
Ze stopte bijna middenin haar zin, omdat de boeken een groot geheim waren – niemand mocht ervan weten. Zo was het al vanaf het begin geweest. Niemand mocht ooit ergens van weten. Moeder stond op en liep naar binnen en ik wist dat ze een tijd weg zou blijven – ik zou over de schutting kunnen klimmen, zoals ik eerder had gedaan, of ik zou kunnen wachten tot hij zingend buitenkwam en we zouden kunnen wachten tot zijn stoffelijk overschot zo begon te stinken dat we de politie belden. Wat zou hij met de briefjes hebben gedaan die ik in de boeken had gestopt? Zou hij ze keurig hebben gearchiveerd? Zou hij ze gewoon in een mapje hebben gedaan met mijn naam in keurige sierlijke letters? Als mijn briefjes nu eens per ongeluk bij een rechercheur terechtkwamen die op de loonlijst stond van De Organisatie en de bazen vervolgens inlichtte?
Ik stond op en keek om me heen alsof ik een drukke straat wilde gaan oversteken – er zaten genoeg mensen te kijken die misschien ook connecties hadden bij De Organisatie – Mr. Blade of Mr. Flyer kenden en vast een wit voetje wilden halen. De briefjes waren een veel grotere dreiging dan oudere mensen die verveeld de avond doorbrachten op hun balkons, terwijl de stank van vuilnis rondkringelde.
Moeder wist het – ze wist dat ik ging kijken, omdat ik nu eenmaal niet anders zou kunnen – moeder wist verdomd goed dat ik over het hek zou klimmen en normaal gesproken zou ze het geen probleem hebben gevonden of zelfs hebben aangemoedigd. Ik keek nog eens naar het tuinhek van de buurman en zijn serre – de gepensioneerde leraar had op de bank moeten zitten. “Nee, nog niet gezien vandaag,” hoorde ik een oude man boven mijn hoofd ineens zeggen en de rook van zijn sigaret dwarrelde heel langzaam omhoog.
“Misschien moet je effe kijken,” zei zijn echtgenote, “omdat je altijd zo dik met die man bent geweest.”
Ik wilde antwoord geven dat dat niet het geval was – we waren toevallig buren – verder niets, maar ze waren vaak genoeg thuis om te zien dat ik regelmatig het kastje openmaakte en er iets in stopte of uithaalde. De maskerade had geen enkele zin gehad – iedereen wist dat ik boeken van de buurman leende. Alle mensen hadden het staand achter de ruiten van hun flatwoningen of zittend op het balkon kunnen zien.
‘Pijn is een emotie die je uit kunt schakelen.’
Op dat moment voelde ik me betrapt – als een jongen van de straat die de supermarkt wilde beroven, terwijl de manager al ruim een half uur op hem wachtte. Ik liep naar het tuinhek, omdat ik moeilijk anders kon.
“We hebben hem de hele dag niet gezien,” zei de oudere vrouw die een nieuwe sigaret aan begon te steken. Haar echtgenoot bromde instemmend. Ik stapte over het hek en ging verder, moeder was binnenshuis en ik wist dat er meer mensen stilzwijgend toekeken – ja, bijna iedereen zat te kijken. Naast de zitbank stond een tafeltje – de gordijnen waren gesloten, alsof de buurman gisteravond naar bed was gegaan en nog steeds sliep. Het bovenlichtje stond een klein stukje open. De gordijnen kleefden bijna tegen de ruit. Ik begon me nu echt zorgen te maken – boven mijn hoofd klonken stemmen van het oudere echtpaar die een woordelijk verslag wensten van wat ik zag, maar ik zweeg en liep door – de tuindeur stond op een kier. Of de buurman was vergeten de deur te sluiten, òf er was iemand afgelopen nacht binnen geweest, iemand die er niets te zoeken kon hebben – misschien was het een valstrik – ik mocht er immers nooit meer komen.
Het examen spookte enkele ogenblikken door mijn hoofd, ik wist niet eens hoe het eruit zou zijn, alleen dat het ging plaatsvinden – ik dacht aan een gevecht op het dak van de school – of zelfs in de fightschool.
Er heerste een diepe stilte, ik hoorde stemmen van buurtbewoners die op het balkon doorvertelden dat ik het huis van de oude man binnen was gegaan. Ik voelde me erg dom – naïef, omdat ik ongewapend was – aan de andere kant moest ik gewone huishoudelijke voorwerpen in dodelijke wapens kunnen veranderen. Er stonden vier stoelen, een tafel, een leren fauteuil en een driezitsbank, via de geopende tuindeur wist het daglicht binnen te dringen – de boekenkasten wierpen schaduwen door de kamer en ik verwachtte elk ogenblik de buurman, net als enkele jaren geleden, toen hij achter me opdook.
Ondertussen luisterde ik naar ongewone geluiden, een plank die kraakte, terwijl het stil moest zijn – misschien lag de oude man inderdaad dood op bed. Ik kwam in het halletje terecht, net zo klein als het onze – een kapstok, er hingen jassen voor elk denkbaar jaargetijde, een donkergrijze overjas die de man een plechtstatige aanblik verleende als hij op straat liep.
Er stonden schoenen onder de kapstok – opvallende sportieve schoenen die hem een modern voorkomen gaven en waarin ik hem echt nooit had zien lopen. Het was erg donker – in het halletje vond ik een spookachtige duisternis – alleen de laatste plukjes daglicht die me waren gevolgd vanuit de woonkamer.
Er waren verschillende deuren in het halletje, twee slaapkamers natuurlijk, een badkamer en toilet, ik vond er ook een gangkast die ik met een ruk opentrok. De grote slaapkamer zou ik als laatste betreden. Omdat ik daar de buurman meende aan te treffen.
Nog altijd hoorde ik geen geluid – ik luisterde aandachtig naar een onverwachte voetstap, of zacht ritselende kleding, een opvallende klik die toebehoorde aan het lemmet van een stiletto – toch bleef het stil – ik hoorde helemaal niets, zelfs geen buurtbewoners die in de deuropening schreeuwden, omdat ze het liefst wilde weten dat hij echt dood was.
Ik duwde de deur van zijn slaapkamer open – mijn moeder sliep in dezelfde kamer – zijn huis vormde een exacte kopie van de onze, maar dan gespiegeld. Er stond een tweepersoonsbed – onbeslapen – hij lag niet op bed, wel creëerde traag verdwijnend daglicht een duistere, menselijke schaduw voor het gordijn – armen waren gespreid, een moderne Christus – mijn handen tastten naar de lichtknop die er moest zijn – ik hoorde een klik, maar er gebeurde niets – de val was totaal dichtgeklapt. Ik keek opnieuw naar het menselijke silhouet dat aan de buurman moest toebehoren, een paar seconden, misschien een halve minuut, veel meer had ik niet eens nodig gehad. Mijn tegenstander had de elektra uitgeschakeld om een val voor me open te zetten en zijn plan had goed gewerkt.
Ik drukte mezelf tegen de muur – het was donker – hij zou er evengoed last van moeten hebben en ik vroeg me niet langer af of dit het langverwachte examen zou kunnen zijn – het was geen wedstrijd, maar de keiharde werkelijkheid. Het licht zou elk ogenblik aan kunnen gaan – of niet en dan zouden we ineens gelijke kansen hebben – ik wachtte af en telde geduldig de seconden, omdat mijn aanvaller elk ogenblik naast me zou moeten staan. Ik telde de seconden die hij nodig had om zich achter die overjas vandaan te worstelen, een warme verstikkende schuilplaats, erg zweterig misschien zelfs, dus ik zou hem moeten kunnen ruiken – ja. Ik zocht een wapen, iets om te gebruiken, zoals een honkbalknuppel, een krukje of stoel waarmee ik hem kon tegenhouden – je moest overal rekening mee houden. Ik had me op laten naaien en wachtte in de duisternis op een aanvaller die ik niet kende – of wel – ik had geen idee. Terwijl de seconden verstreken, ging het licht aan.
Het was inderdaad de buurman die met geheven armen tegen de gordijnen hing – zijn lichaam leunde half tegen het raam – een strop klemde zijn nek af – het bovenlichtje stond open, maar niet de tuindeur – touw was vastgeknoopt aan de sluiter – de indringer was hierheen gekomen met een stuk touw als bagage en geen ander doel dan mijn buurman op te knopen.
Terwijl ik een jongen verwachtte van mijn eigen leeftijd die snel naderbij kwam en zijn belangrijkste voordeel, namelijk de duisternis, had opgegeven, drukte ik op de lichtknop van de slaapkamer. Ik stapte achteruit en hoopte dat hij me niet snel zou opmerken.
Op dit moment moest ik de duisternis zijn werk laten doen – die zou als een onzichtbaarheidsdeken moeten functioneren – zo zou ik op hem wachten. Als hij vanuit het licht kwam, zou hij het nadeel krijgen. Zo had ik het in een boek gelezen, een tijdje geleden. Ik moest alleen nog een wapen zien te vinden waarmee ik mijn aanvaller kon uitschakelen. Mijn linkerhand graaide naar het nachtkastje en ik vond een glas – er zat water in dat ik leeggoot op het bed – geen geluid.
Helaas droeg ik geen zwarte kleding, het zou een aanvullend voordeel zijn geweest, maar gelukkig was het halletje erg slecht verlicht, alsof de buurman een sterke lamp onbelangrijk had gevonden – ik wachtte op de indringer die de belangrijkste mentor in mijn leven tot nu toe had vermoord – ik hoorde geen voetstappen naderen, wel een geluid, als een schoen die op een gladde ondergrond doorgleed – de sportieve schoenen de ik had zien staan – een moordenaar die op me had staan wachten – Toch?
Er verscheen een jongen in de deuropening die in het donker staarde en mijn gedaante zocht, het geluk was in mijn voordeel, want hij zag me niet staan – ik sloeg het glas kapot op de rand van het nachtkastje – hij wist verdomd goed dat ik vroeg of laat zou kijken hoe het met onze buurman ging, iedereen wist van de boeken – na al die jaren wist iedereen ervan.
Hij hoorde het glas breken en draaide zijn hoofd naar links – in zijn hand klemde een vleesmes – ik zakte door mijn knieën en rende naar hem toe – het afgebroken glas had ik stevig vast, klaar om zijn hals, of wat dan ook, open te snijden – ik moest de duisternis in mijn voordeel gebruiken, zolang het kon.
Ik duwde hem opzij – heel even dacht ik dat ik het mes omlaag hoorde kletteren – ik greep zijn strot vast en duwde hem omlaag – zijn ogen zochten het mes en zijn linkerhand graaiden naar mijn ballen – hij had zich laten verrassen – ja, hij had te lang gewacht – ik zag dat hij het mes weer had gevonden en voelde het lemmet in mijn buik steken – op dat moment duwde ik het afgebroken glas in zijn halslagader… en ik verzeker je dat ik echt heel hard heb doorgeduwd, want het mes kletterde nu op het laminaat en ik voelde een warme vloeistof op mijn handen en in gezicht…
Spirits (3/7) Boeken
“Al snel kregen we te horen dat we een ander huis zouden krijgen in – natuurlijk – dezelfde wijk. Moeder sprak weinig, maar deed verder vrij normaal. Drie maanden later verhuisden we naar ons nieuwe adres – het was een etagewoning, maar op de begane grond. De verhuisauto stond voor de deur – alles werd gedaan door de verhuizers – ik ging het huis binnen en er lag een laminaatvloer – de muren waren wit geschilderd, net als de kozijnen en deuren, we hadden een mooie schone keuken met blinkende tegels. Belangrijker: vanaf die dag hadden we een echte tuin, een royaal grasveld met een paar bomen. Moeder zei er niet veel over – we zouden in de zomer buiten kunnen zitten, terwijl de zon achter de flat wegzakte. Ik leerde de dezelfde dag nog onze buurman kennen.”
“De man die zo belangrijk voor je is geweest,” zegt de oom van Chase die nog steeds de shotgun vasthoudt, alsof het zijn meest dierbare bezit betreft.
“Ja,” zegt Chase. “Ik hoefde alleen over het hek te stappen om in zijn tuin te komen – de buurman had geen groen – er lagen plavuizen – hij had een serre gebouwd en daar een oud bankstel neergezet. Deur stond open en ik beschouwde het als een uitnodiging.
En nooit eerder in mijn leven had ik zoiets gezien – ik ging zijn woonkamer binnen en zag muren vol boekenkasten – van de vloer tot aan het plafond, er was een trap gemonteerd die je moest beklimmen om de bovenste boekenplanken te kunnen bereiken.”
“Je bent er zomaar binnengegaan?”, vraagt de oom van Chase wiens ogen wijd open zijn gesperd.
“Ja, want de deur stond open,” zegt Chase. “Bovendien had ik nooit eerder zoiets betoverends gezien – boeken en nog eens boeken – een kamervol. Ik stond middenin de woonkamer om me heen te staren – stelen van boeken leek me de allergrootste misdaad – ik had het niet eens kunnen bedenken. Geen idee hoelang ik daar heb gestaan, maar na een tijdje hoorde ik een stem achter me praten – de buurman bleek een man te zijn die gewend was om met kinderen om te gaan – een gepensioneerde leraar.
“Dat heb je snel gedaan,” zei hij, “de verhuisauto staat amper voor de deur of je begint al in te breken.”
“Sorry – de deur stond open en ik – ,” zei ik.
“Je staat erbij te kijken alsof je nooit eerder in je leven een boek van dichtbij hebt gezien,” zei de buurman.
“Jawel – natuurlijk – maar niet zoveel.”
“Vertel eens,” zei hij. “Huur of koop?”
“Eh – Wat bedoelt u?”
“Betaalt je moeder huur?”
“Nee – nee, ik dacht het niet.”
“Dus ze heeft jullie huis gekocht.”
“Dat ook niet. We hebben het gekregen.”
“In dat geval zit je in de opleiding,” zei hij. “Ga je sinds enkele maanden naar de fightschool?” De buurman ging tegenover me staan en pakte mijn handen – hij begon mijn knokkels te bestuderen die er nogal rood uitzagen – oefeningen waren niet altijd fijn. Er begon zich eelt te vormen op mijn knokkels. Hij liet mijn handen los. “Hout of steen?”, vroeg hij.
“Hout.”
“Ik wil boeken uitlenen, maar ik zoek de titels uit – elk boek krijg ik van je terug en je doet er een verslag bij dat uit enkele regels bestaat. Het is niet de bedoeling dat je er complete opstellen bij schrijft.”
“Oké,” zei ik.
“Het is ook belangrijk dat je het volgende goed begrijpt, want ze zouden ons allebei vermoorden – je mag niemand vertellen dat je die boeken leest en het is ook streng verboden iemand te vertellen over onze contacten – we groeten elkaar op straat, maar doen alsof we elkaar niet kennen – als je nog één keer mijn huis binnenkomt, zoals je net hebt gedaan, dan betekent dat waarschijnlijk de dood voor ons beiden.”
De oom van Chase onderbreekt zijn neefje weer.
“Waarom nam die man zo’n geweldig risico?”
“Geen idee. Ik heb het nooit gevraagd.”
“Wat denk jezelf? Je moet een vermoeden hebben.”
“Om de spiraal van geweld te doorbreken.”
“Hè? Hoe bedoel je?”
“De Organisatie houdt zichzelf in stand – je kunt ze alleen stoppen door ze allemaal te vermoorden, zelfs gevangen zetten heeft totaal geen zin – er is altijd wel iemand die leiding wil geven aan een fightschool – spirits moeten zo min mogelijk geweld toepassen – natuurlijk kan ik vechten, maar een moord mag geen argwaan wekken bij politie of nabestaanden – niemand mag vermoeden dat er een moord is gepleegd – daarom moest ik mijn best doen op school. Hard slaan is niet voldoende, je moet echt slim zijn. Politie en justitie zijn dusdanig overbelast dat veel verdachte sterfgevallen niet worden onderzocht.”
Chase wacht hier enkele seconden, maar zijn oom zwijgt alleen en knikt heel traag met het hoofd.
“Er veranderde meer dan alleen ons huis – op school wist iedereen dat ik een jukbeen van Eduard had gebroken – het was opvallend om te merken hoe vriendelijk iedereen ineens tegen me begon te doen. Ik had nooit veel last van pestkoppen, maar sinds ik, zoals de buurman zei, in de opleiding zat, reageerde iedereen opvallend vriendelijk en tegelijkertijd was ik nooit eerder in mijn leven zo eenzaam – ik werd bijvoorbeeld nooit uitgenodigd voor feestjes en zo.”
“Heb je wel eens ruzie gekregen en toen gevochten?”
“We mochten niet vechten en aangezien iedereen wist dat ik vier keer per week naar de fightschool ging, gebeurde dat ook nooit – ik heb nooit ruzie gezocht met andere jongens – een andere jongen heeft een keer gevochten – die zat in dezelfde groep als ik. Het gebeurde op school en ik heb een einde gemaakt aan het gevecht – de jongen heette Andrew en ik heb heel hard geslagen – enkele malen zelfs – mijn vader scheen dezelfde harde vuisten te hebben gehad.
Na school ben ik direct naar de fightschool gegaan, al hoefde ik er die dag niet eens te zijn, maar ik vond dat ze het verhaal beter van mij konden horen – Andrew ging gewoon naar huis – ik vond niet dat ik klikte – natuurlijk heb ik hem verteld wat ik ging doen, maar het boeide hem weinig – hij haalde zijn schouders op.
Mr. Flyer was er bezig met een paar ouderejaars – ik was nog maar een beginneling – hij stuurde me naar kantoor, zodat ik Mr. Blade kon uitleggen wat er was gebeurd. Nee, ik hoefde niet eens te zeggen dàt er iets was voorgevallen op school – hij wist het al. Slecht nieuws moet je snel tackelen – zo snel mogelijk.”
“Hoe reageerde hij – Mr. Blade?”, vraagt zijn oom.
“Hij vond dat ik goed had gehandeld – Andrew niet, natuurlijk niet, die had willens en wetens een regel van school gebroken – ik kreeg een extra punt – Andrew kreeg zijn eerste officiële waarschuwing.”
“Zijn eerste – ?”, vraagt zijn oom.
“Je mag er tot je eerste examen drie incasseren, bij je vierde moet je vertrekken en kun je beter emigreren.”
“Heel grappig.”
“Het was geen grap.”
“Ze werken dus met officiële waarschuwingen.”
“Ja, tot je zestiende verjaardag. Daarna mag je geen fouten meer maken, want die kunnen de dood tot gevolg hebben of ontmaskering van De Organisatie – je moet je bewust zijn van je plaats in de rangorde.”
“Hoe reageerde die andere jongen – Andrew?”
“Niet zo goed,” antwoordt Chase die erbij glimlacht. “Hij noemde me een klikspaan – een verrader, Andy was ook bang – ik was sterker dan hij – èn slimmer.”
“Je hebt die jongen wel een officiële waarschuwing bezorgd,” zegt de oom van Chase. “Zijn eerste.”
“Klopt – ik weiger op te draaien voor de fouten van een ander – hij zou mij in gevaar kunnen brengen.”
“Ik begrijp het.”
“Fouten van spirits zijn erg dodelijk.”
“Heb je ooit zelf een waarschuwing gekregen?”
“Nee,” zegt Chase. “Voordeel van mijn – lidmaatschap van de fightschool – was dat ik veel minder behoefte had om op straat rond te hangen – tot genoegen van moeder en de buurman zorgde er altijd voor dat ik een lekker boek had om te lezen – hij had een kastje in de wand van zijn serre gebouwd – aan beide zijden zaten luikjes en er paste een boek in. Deurtje open, deurtje dicht – het ging altijd erg snel. Gelukkig groeide er een conifeer die het zicht op het kastje wegnam, anders zou iedereen kunnen zien wat ik er deed. Het was spannend, het was verboden.
Moeder was erg stil geworden, ik probeerde zo min mogelijk aanleiding te geven tot heibel en gedroeg me, volgens mij, heel netjes – vergeleken met andere jongens die in de opleiding terecht waren gekomen. Wel klonk er muziek in huis, we hadden een radio. Verder gebeurde er niet zoveel – ik lag een beetje lui op de bank en las een boek van Tanith Lee, Stephen King of verhalen van Edgar Allan Poe, ik heb Bram Stoker gelezen en Mary Shelley – alle grote namen.
Ik herinner me een incident – het vond in de winter plaats en het zou ’s nachts streng gaan vriezen. Mr. Flyer was koppels aan het formeren, zoals hij het altijd noemde – jongens die tegen elkaar moesten vechten – we droegen altijd hoofdbeschermers, maar gebruikten geen handschoenen, zoals boksers. Ik kreeg, zoals wel vaker, Andy als tegenstander. Het deed me weinig, al maakte hij er vaak een extra competitie van – ik sloeg gewoon harder dan hij en gebruikte veel meer trucjes die hem uit zijn evenwicht brachten – zo slim was hij nu eenmaal niet. De partijtjes waren erg belangrijk in de fightschool, omdat ze je plek in de rangorde bepaalden, als je altijd verloor was je een loser die zijn examen niet haalde.
Ik begon meestal verdedigend, omdat ik wilde uitvissen wat de zwakke plekken van mijn tegenstander waren – misschien was dat wel het probleem – we leerden elkaar veel te goed kennen. Eerst een knokpartijtje dat een kwartier zou duren en daarna gingen we gezamenlijk eten, terwijl we onder de blauwe plekken zaten – voor de meesten was het avondeten een hoogtepunt, omdat niet alle moeders goed konden koken – mijn moeder kookte wel lekker.
Die avond liep alles anders. Andy reageerde erg traag en ik besloot snel een einde aan het gevecht te maken – misschien zou ik hem knock-out kunnen slaan, ondanks de hoofdbeschermer die hij ook droeg. Een hoofdbeschermer omsluit je schedel, maar laat je gezicht vrij, dus besloot ik recht door het midden te gaan – het leek me een logische gedachte – keihard op de neus die waarschijnlijk zou breken, er zou een flinke hoeveelheid bloed gaan stromen – Mr. Flyer zou het gevecht direct stoppen – ik zou winnen.
Aldus het plan dat zich in mijn hoofd vormde.
Maar Andy reageerde vrij traag, meteen al, vanaf het begin van het gevecht en ik vond het een voordeel.
Eerst sloeg ik snoeihard in zijn buik – hij boog kreunend voorover en ik sloeg enkele malen in zijn gezicht – het gedeelte dat niet bedekt werd door de hoofdbeschermer – ik hoorde zijn neusbeentje kraken en waarschijnlijk nog veel meer – hij bleef eventjes stilstaan – Mr. Flyer kwam snel dichterbij om me tegen te houden, want ik wilde meer klappen uitdelen.
Eerst viel Andy op zijn knieën – armen loodrecht omlaag – daarna klapte hij domweg voorover – hij kwam op zijn gezicht terecht en ik keek toe – Had ik echt zo hard geslagen dat hij bewusteloos neerviel?
“Andy! Andy!”, schreeuwde Mr. Flyer die twee gestrekte vingers op een halsslagader drukte – de dokter kwam erbij – ze rende dwars door de zaal en knielde naast het bewegingsloze lichaam van Andy.
Mr. Flyer boog zijn hoofd en bleef een halsslagader zoeken die hij blijkbaar niet kon vinden – de dokter nam het over en begon hem erg snel te reanimeren.
Ik keek toe, terwijl Mr. Flyer het shirt van Andy kapotscheurde en het bovenlichaam van mijn tegenstander bleek onder de blauwe plekken te zitten.
“Dit heb jij niet gedaan, jongen. Dit heb jij niet gedaan!”, riep Mr. Flyer en zijn stem galmde zelfs.
Ik dacht aan een verhaal van Edgar Allan Poe, titel was ‘William Wilson’, over een jongen die zijn goede zelf probeerde te vernietigen en daar ook in slaagde.
Voor het eerst vroeg ik me af wat voor man ik wilde zijn, als volwassene, later als ik groot was.
Even dacht ik dat mijn naam William Wilson was.”
Spirits (1/7) Morgenster
Ze zitten op een veranda – een oude man die een shotgun vasthoudt en een jongen van bijna achttien jaar oud – armen en benen van de jongen zijn vastgebonden aan leuningen en stoelpoten – hij kan niets doen. Vogels kondigen een nieuwe dageraad aan, terwijl de zon heel langzaam boven de horizon klimt. Schoongewassen gordijntjes hangen voor ruiten – deur is gesloten en er zou nog een vrouw in huis moeten zijn, maar die heeft zich niet vertoond. De oude man legt zijn shotgun anders neer en wrijft vervolgens over zijn ongeschoren kin – zacht gerasp van baardharen die er al minstens drie dagen groeien.
“Je lijkt op je vader,” zegt de oude man, een oom van de jongen, maar ze zien elkaar vandaag voor het eerst.
“Dat hoor ik vaker,” reageert de jongen die naar de naam Chase luistert. Hij probeert zijn arm op te tillen, maar de tie-wraps zitten veel te strak en verhinderen elke beweging. “Ik kan het ook niet helpen.”
“Je vader was een grappige vent,” zegt de oom.
“Geen idee. Ik heb altijd gehoord dat hij een spirit was – of één van de spirits, net als ik nu,” zegt Chase.
“Een spirit – een killer – moordenaar,” zegt zijn oom, “om je dood te lachen, echt, een goede grap.”
“Weet je dat ik veel liever een goed boek lees?”
“Vast.”
“We hadden een buurman die een grote verzameling had – boeken, strips, maar ook muziek, elpees.”
“Ik kan me je moeilijk voorstellen als een jongetje dat verslingerd kan raken aan een geschreven avontuur.”
“Toch is het zo.”
“Wat heb je gelezen?”
“Alles.”
“Hoe bedoel je?”
“Nou – gewoon – alles.”
“Nu moet je geen smoesjes vertellen, we hebben afgesproken dat je je verhaal zou vertellen – de hele waarheid en niets anders – Heb jij echt alles gelezen? Over hoeveel boeken spreken we dan eigenlijk?”
Chase draait zijn hoofd en kijkt naar het raam dat het dichtstbij is – alsof er elk ogenblik een gezicht zou kunnen verschijnen – zijn tante die wil weten of haar echtgenoot nog altijd in leven is – want misschien heeft hij zijn oom stilletjes omgebracht. Er gebeurt niets. Het blijft stil in huis, al meent hij soms een kraakje te horen – een plank die beweegt, omdat zijn tante rondloopt – voortdurend rusteloos – de angst.
“Hoeveel boeken? Tientallen – ja, beslist tientallen, misschien wel meer dan honderd. Ja, dat denk ik – zo heb ik het verschil tussen goed en kwaad geleerd – de buurman gaf me eerst boeken die alleen maar daarover gingen – de strijd tussen goed en kwaad.”
“Kon mijn schoonzus – je moeder je dat niet leren?”
“We moesten overleven – ze werkte hard – twee baantjes – overdag een supermarkt, een bedrijfsleider die een perverse viezerik was, maar dat wisten we allemaal wel – je moest er wegblijven – mijn moeder had geen keuze – het was erg moeilijk – ’s avonds werkte ze in een kroeg – als barvrouw.”
“Hoe is het met je moeder?”
“Die is dood.”
“Heb jij haar vermoord?”
“Nee.” Chase probeert zijn armen te bewegen, maar het lukt niet – de tie-wraps zitten behoorlijk vast, al sluiten ze zijn bloedsomloop gelukkig niet af. Ze zullen hier nog wel enkele uren zitten. “Ik niet.”
Zijn oom richt de shotgun op de jongen – er gebeurt niets – Chase steekt zijn handen omhoog, als teken dat hij geen kwade bedoelingen heeft – alleen de handen uiteraard, want de polsen zijn vastgebonden.
“Ik hield van mijn moeder,” zegt Chase.
“Je tante zal willen weten wat er is gebeurd.”
“Ik weigerde te gehoorzamen – een van de spirits te worden en moeder was het daar mee eens – ze heeft ook nooit gewild dat ik in de opleiding zou gaan.”
“De opleiding? Noemen jullie dat zo?”
“Ik niet. Hun. Zij noemen het zo.”
“Wie?”
“De Organisatie.”
“Ik vind het een ondoorzichtig verhaal.”
“Volgens de buurman voeden ze zich met de armoede in de achterbuurten – getto’s – kansloze jongens en meisjes die zich een weg naar de top willen vechten, zodat ze dure kleren en een mooie auto’s kunnen betalen,” zegt Chase. “Maar je moet kunnen vechten, je tegenstander verslaan – als laatste blijven staan.”
“Dus jij bent daar goed in – vechten?”
Chase weet een grijnslach te onderdrukken. “Ja – nou – ik heb betere vechters gezien die niet zo meedogenloos waren tijdens de examens en daardoor verloren. Als je je tegenstander moet bijten om te winnen, dan moet je je tegenstander gewoon bijten.”
Zijn oom blikte eventjes opzij – leek de vrouw te zoeken die zich verborgen hield achter de gevel van het huis. “Heb je om de dood van je moeder gehuild?”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Huilen is taboe.”
“Leg uit.”
“Sommige dingen zijn voor spirits taboe – huilen is er één van – je mag niet huilen, geen emoties tonen.”
“Je wilde toch geen spirit worden – het lijkt me dat je er alsnog eentje bent geworden – een onzichtbare, zoals de kranten schrijven, een echte moordenaar.”
“Ik kan niet huilen. Sorry.”
“Nooit gedaan ook?”
“Nee.”
“Waarom ben je hierheen gekomen?”
De shotgun blijft onaangeroerd op de dijbenen van zijn oom liggen – een levenloos monster dat een dodelijke boodschap achter zou kunnen laten – de ogen van Chase zijn langdurig gericht op het wapen.
“Je bent familie – ik heb geen andere familie meer.”
“Heb je dan niet aan het gevaar gedacht?”
“Ik vermoord ze allemaal als ze het proberen.”
Chase hoort heel duidelijk de ademhaling van zijn oom stoppen – borstkas heeft zich volledig gevuld met zuurstof – daarna ademt de oude man weer uit.
“Je hebt toch het verschil geleerd tussen goed en kwaad?”, vraagt zijn oom die een hand op het wapen legt – er gebeurt verder niets, maar de shotgun ligt er.
“Ja.”
“Is het goed als je mensen vermoord? Zelfs uit wraak? Hebben de boeken van je buurman je dat geleerd?”
“Nee – het kwaad is de nacht – volgens de buurman – het komt altijd ongevraagd en onverbiddelijk – als we niets doen, zal er geen ochtendgloren meer zijn.”
“Ik wil dat je me alles vertelt,” zegt zijn oom.
“Een lang verhaal.”
“Ik heb – we hebben alle tijd.”
De eerste zonnestralen vallen ruimhartig over het land – de oom en tante van Chase wonen in een afgelegen farm – de oude man is een landbouwer die ook kippen en een paar varkens heeft, want vlees hoort bij het avondeten – geen avondmaaltijd zonder goed vlees.
“In het begin woonden we op de derde verdieping – het was, zoals moeder wel eens zei, een herenhuis, maar ze hadden er appartementjes van gemaakt – het goedkoopste bevond zich helemaal bovenin en daar woonden moeder en ik – we hadden nog een zolder boven ons hoofd en daar mochten we nooit komen. We beschikten over een keuken, toilet, badkamer –hadden een woonkamertje en slaapkamer. Het was er ongelofelijk vochtig, het stonk er vreselijk – de muren en plafond van de badkamer zagen zwart van de schimmel. Er is geen huis waar ik gelukkiger ben geweest dan daar – ondanks de stank en schimmel.”


