Tagarchief: korte verhalen

Alpaca (12/13) Thuis

Er trokken al geruime tijd loodzware wolken door de atmosfeer – wolkenpartijen die steeds hoger opstapelden en op het land schenen te leunen, hoewel ze nog ver weg waren. Mannen en vrouwen staarden naar de lucht die continu veranderde. Beide zonnen waren onzichtbaar geworden, er lag een grijze schaduw over het land dat donkerder werd. De oevers lagen steeds verder weg en Joeri hield er rekening mee dat ze spoedig open zee zouden bereiken. Het zicht nam af, er vielen wat spetters regen. Gesprekken verstomden één voor één, Joeri herkende ernstige gezichten van mensen die niets durfden te zeggen. Het regende, het werd droog en er viel opnieuw regen.

Twee vrouwen maakten het lichaam van Dennis klaar voor een zeemansgraf, Marith hield hen continu in de gaten, alsof ze zeker wilde zijn dat hij inderdaad in het water zou verdwijnen. Kinderlijke nieuwsgierigheid en misschien domineerde de heks.

Joeri hoorde iemand vragen: “Waar gaan we heen?”

“Naar de hel, als je het mij vraagt,” zei Paul.

Heel even brak er een zonnestraal door de atmosfeer, toen het lichaam van Dennis in het water viel – Joeri en Marith keken elkaar aan – er danste een glimlach op haar gezicht – die spoedig verdween. Het was een levensgevaarlijke combinatie – een godin, of heks, die zich in het lichaam van een meisje bevond. Zeker als de twee elkaar beïnvloedden – een gevaarlijk duo.

“Je hoeft nergens bang voor te zijn,” zei Marith, “Atari beschermt ons tijdens de overtocht.” Ze pakte een hand van Joeri vast en kneep er nogal flink in.

“Hoe?”, vroeg Joeri.

“Dennis betaalt de veerman – Nachro.”

“Dus we zijn echt de poort van Nachro gepasseerd?”

“Ja. Het was essentieel.”

“Maar Nachro was – is – .”

“Ik weet het.”

“Dus?”

“Hij komt in vele gedaanten en vaak ongewenst.”

Joeri en Marith bestudeerden elkaars ogen – hij herkende een fantastische wijsheid die een mens pas na een leven van honderden jaren zou mogen hebben.

“Dennis?”

“Een slechte tovenaar die mensenlevens nodig had om zijn bezweringen te kunnen uitvoeren,” zei Marith en Joeri hoorde nu echt een afwijkende stem praten.

“Je vader?”

“Die van Marith?”

“Eh – ja.”

“Hij is een doppelgänger,” zei ze.

“Dus ik had al die tijd gelijk.”

“De vader van Marith was een aardige man,” zei ze.

“Wat is je naam?”

“Je mag me Elektra noemen.”

“Dus het is best ingewikkeld.”

Er verscheen een glimlach op haar gezicht. “Ja.”

“Hoe zit het met Marith?”

“Zelfde verhaal – gelukkig leeft haar duistere weerspiegeling op aarde  – mijn gastvrouw moet per se terugkeren naar huis. Daarmee wordt die ander een gewoon meisje dat het goed doet op de basisschool.”

“Ik begrijp het,” zei Joeri. “Ze reageren op elkaar, als een positief en negatief. Maar de vader van het meisje is overleden. Kun je zeggen wat er fout is gegaan?”

“Dennis, dus de goeie, ging dood, toen begonnen de twee doppelgängers op elkaar te reageren, eentje hier, eentje daarginds, dus bij jullie op aarde,” zei ze. “Nog één ding,” want de plechtigheid stond op het punt te beginnen, “het meisje moet aan boord van het schip blijven – het idee dat ze achter zou blijven op Alpaca kwam bij Dennis vandaan – dat is een vals spoor. Je zult zien – nee – we gaan hier vaststellen dat er geen nieuwe vliegtuigen of schepen meer zullen stranden.”

“Beter.”

Er volgde een moment van verwarring – duidelijk zichtbaar in de ogen van Marith – terwijl de woorden van Elektra stil vielen – of hoe ze ook heette.

Het was Harm die een paar woorden prevelde voordat het lichaam van Dennis definitief in de diepte verdween. Joeri bestudeerde aldoor het gezicht van Marith die onverstoorbaar toekeek. Er leek geen enkele herinnering aan een vader te leven, iemand die ooit om haar had gegeven, want papa was lang geleden al gestorven aan een ziekte met een lelijke naam. Zo had mama het gezegd.

Eerst verdween het lichaam in het water, daarna ging het harder waaien. De zon verdween opnieuw achter een wolkendek dat laag boven de zee hing – golven klauwden steeds verder omhoog, bijna als monsters die hongerden naar meer vlees en bloed. Reindert stond aan het roer, terwijl de motor nijdig bromde – nu wel – een geluid dat verdween in de storm – maar de trilling was continu voelbaar in het schip. Water buitelde over de reling en stroomde weer weg, of kwam in de kajuit terecht. “Kan iemand me vertellen waarom we dit ook alweer doen?”, vroeg een man genaamd Cees en niemand waagde het te antwoorden.

Het meisje had een complete stad van de Alpacabodem gevaagd, omdat ze opa Koen wilde wreken. Een ongekende macht. Een gewoon meisje en een machtige heks, die volgens Elise ook een godin van twee werelden zou kunnen zijn,, vochten om voorrang. Harm trok de deur dicht en daarmee de kajuit, terwijl er slagregens neerdaalden en het schip vocht tegen golven die de Holland als een indringer schenen te beschouwen. Zou Marith de storm hebben laten ontketenen? Om te laten zien wat ze nou voelde?

Marith stond ineens op en liep naar de deur. Joeri wilde opstaan, iets ervan zeggen, maar een onbekende macht hield hem tegen, alsof het niet mocht van de heks – godin. Ze opende de deur en stapte op het dek – alle ogen volgden het meisje. “Nu gaan we er allemaal aan,” zei Cees die een klap op zijn arm kreeg. Reindert brulde iets onverstaanbaars, maar Marith negeerde hem domweg. Joeri kwam omhoog, nu lukte het wel, hij liep naar de deur, uit een vliegtuig gehaald. Plotseling begon het meisje op te lichten, er ontstond zomaar ineens een stralenkrans, als een aura, een geweldige gouden gloed. Ze spreidde haar armen. Uit haar vingertoppen zag Joeri helder oplichtende vonken komen als vuurwerk dat in een nachtelijke atmosfeer uiteenspatte. Er vormde zich een ontzagwekkend groot donker lichaam rondom Marith. Regendruppels, die in de tussentijd neer bleven vallen, leken haar te vermijden. Er groeide een geweldige wolk van licht. Marith klapte in haar handen. Joeri hoorde een explosie, alsof er een bom was ontploft. Hij deinsde achteruit, net als Harm en de anderen die zich in de kajuit ophielden. Een paar kinderen begonnen te huilen. Het leek alsof het schip aan stukken werd gereten. Maar in werkelijkheid kwam de zee weer tot rust – stormwolken verdwenen sneller dan ze waren gekomen – Joeri had nooit eerder zoiets gezien. Het gebeurde binnen enkele seconden. Marith viel op haar knieën – vervolgens kwam ze als een levenloze lappenpop op het dek terecht. Joeri gooide de deur open en rende naar buiten, hij knielde neer en zocht naar een hartslag.

“Ze leeft,” zei hij. “Gelukkig.”

“De wolken trekken weg,” merkte Harm op.

Meer mannen en vrouwen waagden zich op het dek, wel bleven ze enigszins uit de buurt van Marith, voor zover dat mogelijk was. Ook de kinderen kwamen mee. Marith bewoog heel voorzichtig, Joeri stak zijn hand uit, omdat ze op wilde staan. “Waar zijn we?”, vroeg ze. Haar stem klonk zachter dan Joeri gewend was, eerder als het meisje uit zijn klas. Ze kreeg venijnige blikken terug, oude schipbreukelingen die dachten dat ze wist waar ze hen heen had gebracht.

Harm staarde omhoog – naar de sterren – hij zocht een vast punt in het noorden, of wat hij hoopte dat het noorden zou moeten zijn –  zoals een sterrenbeeld. Na een paar minuten staren, waarbij de wolken in hoog tempo verdwenen, stootte hij Elise aan. “Kijk – We zijn thuis,” zei Harm. “Daar heb je de poolster. Zie je hem? Het begin van het steelpannetje? Pal noord.”

“Ja, je hebt gelijk. Ik zie ook de grote beer,” zei Elise.

“Het betekent dat Marith ons thuis heeft gebracht.”

“Ze heeft woord gehouden,” zei Harry.

“De heks – bedoel je.”

“Het zag er spectaculair uit,” zei Reindert.

“En nu?”, vroeg Esmeralda.

“We zullen in oostelijke richting varen, aangezien we ons nu kunnen oriënteren op de poolster, zoals ooit de Vikingen hebben gedaan,” zei Harm. “Dáár willen we heen en nu zullen we na al die jaren thuis komen.” Hij wees naar een punt aan de horizon dat verlicht werd door talloze sterren en een maan die hen begeleidde.

*****

Ruim drie dagen later werden ze door een marineschip achterhaald. Joeri stelde geen opluchting vast, eerder angst voor wat er ging gebeuren. Ze moesten uitleggen waar al die tijd hadden uitgehangen, dus in een andere wereld, genaamd Alpaca.

Hij werd geleefd, het overkwam hen allemaal zonder enige uitzondering. Joeri kreeg een medisch onderzoek, er volgde een gesprek met een psycholoog en hij probeerde uit te leggen dat het geen enkel nut zou hebben om het verhaal te vertellen, omdat ze hem hoe dan ook niet ging geloven. Wel kwamen ze bijna allemaal voor op een lijst met vermiste personen. Aan de hand van biometrische gegevens, zoals die werden vastgelegd in paspoorten, konden functionarissen vrijwel alle identiteiten vaststellen. Familie kreeg te horen dat er min of meer een wonder was gebeurd. Hun vaders, moeders, broers en zussen waren terecht, al viel het erg moeilijk om te bepalen welke gebeurtenissen er zich nou precies hadden voorgedaan. Joeri vertelde de psycholoog dat het net een droom was geweest, een avontuur en hij werd wakker, zoals sommige leerlingen hun opstellen nog wel eens wilden eindigen. Het schip werd onderzocht door technici die vervolgens vaststelden dat er vreemde, min of meer buitenaardse sporen voorkwamen in het hout – de invloed van bijvoorbeeld een dubbelster. Ook werden er delen van een vliegtuig aangetroffen dat nog altijd rondvloog met inbegrip van de deur.

De scepsis veranderde in verbijstering, al belandde het nieuws in het begin niet eens in de media, het werd geheim gehouden. Ook bleek Marith een volmaakte dubbelganger te zijn van het meisje dat in de klas van Joeri zat, zelfde DNA, zelfde vingerafdrukken, alles bleek identiek. De meisjes deelden zelfs hun herinneringen, afgezien van Alpaca en ja – het meisje waarmee het avontuur van Joeri was begonnen had inderdaad een blekere huid dan haar positieve kopie.

Het duurde bijna twee weken voordat ze samen mochten eten. Joeri wist dat zijn werkgever hem officieel ziek had gemeld – hij lag inderdaad niet languit in de gang van het huis dat aan Marith en haar moeder toebehoorde.

Joeri schonk thee voor zichzelf in, nam twee broodjes, twee plakjes kaas en aardbeienjam. Daarna nam hij plaats aan een tafeltje. Niet veel later ging Marith tegenover hem zitten. Een broodje. Glas melk.

Een minuutje later volgden Harm en Elise, ze hadden allebei een bescheiden ontbijtje op hun dienblad liggen. “Ze beginnen het te snappen,” zei Harm.

“Is dat zo?”, vroeg Joeri.

“Ik heb – dinges verteld dat ik het andere meisje wil zien,” zei Marith die vervolgens een slokje melk nam.

“Waarom?”, vroeg Elise.

“Nieuwsgierig,” antwoordde Marith.

“Beste mensen,” zei Harry op nogal luide toon, “we staan in de krant – wereldwijd heb ik zelfs gehoord.”

“Volgens Harm beginnen ze het te begrijpen,” zei Eline die aardbeienjam op een croissantje smeerde.

“We kunnen een boek schrijven over ons leven op Alpaca – alles wat we hebben meegemaakt,” zei Paul, “een aardige bijverdienste, als je het mij vraagt.”

“We kunnen brood eten zonder er eerst een te hoeven bakken. Wat een fantastische luxe is dat,” zei Elise.

“Ja – er is echt, warm stromend water,” zei Harm.

“Voor altijd een schipbreukeling, al ben je thuis,” zei Paul die een nieuw kopje koffie ging halen, “hopelijk heeft mijn werkgever nog een baan voor me, mijn kennis is natuurlijk hopeloos verouderd – ik moet naar school, een heleboel leren – techniek gaat snel.”

“Niks gehoord nog?”, vroeg Elise.

“Nee,” antwoordde Paul.

“Slecht hoor,” zei Elise.

Een officier kwam de eetzaal binnen en wachtte totdat de gesprekken verstomden. Joeri zette het kopje op tafel. “Dames, heren, kinderen,” zei hij, “we gaan zo meteen afmeren in de haven – er zijn familieleden aanwezig – ik geloof dat iedereen er is. We hebben geen media toegelaten, aangezien we voor dit moment de hereniging met jullie verwanten belangrijker vinden dan emotionele plaatjes van mensen die elkaar vreselijk lang niet hebben gezien.”

“Waarvoor dank,” zei Harm.

Toch zou het heel lang duren voordat ze zich echt thuis zouden voelen.


Alpaca (11/13) Godin van de twee werelden

De motor van het schip bromde vrijwel onhoorbaar, terwijl ze langzaam met de stroom mee werden genomen. Joeri keek in het water en zag de geheimzinnige vismensen bewegen, alsof ze de Holland leken te begeleiden tijdens haar vertrek. Harm wierp een blik over de rand voordat hij ging zitten en zei: “Je moet geen hand in het water steken, Joeri, want je bent hem gegarandeerd kwijt.” Hij onderdrukte een glimlach waarbij zijn mondhoeken al voorzichtig omhoog gingen. “Ik heb de moeder van Hilde gesproken – je weet wel – een opmerking over een droom en Marith speelde uiteraard, zoals zo vaak, een opvallende hoofdrol.”

“Verontrustend,” zei Joeri.

“Je maakt je zorgen.”

“Uiteraard.”

“Alpaca is een vreemde wereld,” zei Harm. “We leven hier nu zo’n tien jaar, denk ik. We denken dat er buiten onszelf geen andere mensen meer zijn, zeker sinds de wraakactie van Marith. Je hebt je vooral beziggehouden met je leerlinge en dat begrijp ik heel goed – we hebben wel een onderzoek gedaan – meer als een steekproef, zoals je begrijpt. Het is ondoenlijk om alle doden op de kant te halen. Ik heb eerlijk gezegd louter stadsbewoners gezien.”

“Kende je ze zo goed dan?”, vroeg Joeri.

“We hadden contact.”

Elise reikte beide mannen een beker water aan. Joeri klemde zijn vingers er omheen en nam een slokje. “We hebben Marith nodig. Dat weet je. Er is geen ruimte voor bijgeloof en brandstapels, ook niet als er iets fout gaat,” zei Joeri.

“Je hebt net als ik de vliegtuigwrakken gezien en geloof me als ik zeg dat er ook echte schepen aan de grond zijn gelopen – verderop – we hebben het onderzocht – daar hadden we genoeg tijd voor. Er komen al heel lang mensen vanuit onze eigen wereld, die van de aarde, tegen hun wil op Alpaca terecht en ze wilden uiteraard zo snel mogelijk naar huis, zullen beslist pogingen hebben ondernomen om terug te gaan. Dit stukje van Alpaca is gevaarlijk, zeer vijandig voor mensen die een ongestoord bestaan willen leiden. Altijd waren we bang dat de stad eerdaags onder de voet zou worden gelopen door grote aantallen lijkenvreters, maar het blijkt een meisje van tien te zijn die ervoor heeft gezorgd dat er alleen ruïnes zijn overgebleven – de mensen zijn gedood, vermoord – allemaal – van de Alpacaanse bodem gevaagd, omdat Marith opa Koen wilde wreken, een man die haar beschermde. Natuurlijk moet je jezelf een vraag stellen. Wie beschermt ons tegen het meisje? Je hoeft geen angst te hebben dat we iets zouden willen doen, bovendien krijg je amper de kans om iets uit te richten. Dit leidt wel tot een nieuwe vraag, die minstens zo verontrustend is. Wie beschermt ons tegen Marith als jou wat overkomt?” Harm wachtte hierna eventjes, nam een slok water. “Ga me niet vertellen dat Elise het op zich zal nemen om de macht, die in het meisje huist, te controleren.”

“Het is mijn taak om haar dat te leren,” zei Joeri.

“Marith.”

“Ja, natuurlijk.”

“Wat ik bedoelde te zeggen,” zei Harm die een nieuwe slok water nam. “Zoals je hebt geconstateerd is er al heel erg lang een soort verbinding tussen onze eigen aarde en Alpaca – bovendien zijn de vliegtuigen en schepen in totaal verschillende tijdvakken door een poort gekomen, zodat er sprake lijkt te zijn van willekeur – heden, verleden en zelfs toekomst. Kijk maar eens naar het schip dat aan stuurboord ligt.”

Harm stond op en wees naar een schip dat ongeveer aan het einde van de zeventiende eeuw moest zijn gebouwd, het lag niet in het water, maar was op een of andere manier gevangen in een paar grote bomen. Joeri kwam omhoog en keek naar het schip waarvan hij een naam probeerde te vinden, maar dat lukte niet.

“Ik vrees de dag waarop ons lot afhangt van de grillen van een tienjarig meisje, zonder twijfel de machtigste heks die deze wereld ooit heeft gekend.”

“Ze brengt ons thuis,” zei Joeri, “dat zul je zien.”

“De mannen en vrouwen hebben me gevraagd dit met je te bespreken,” zei Harm, “hun angsten te delen.”

Joeri legde een hand op Harms schouder. “Alles komt goed. Dat zul je zien. Ik ken mijn taak – geloof me.”

Wat Harm bedoelde te zeggen – begreep Joeri, toen hij weer plaatsnam en tegen de reling leunde – er waren genoeg kansen voor een meisje zoals Marith om een bestaan op te bouwen, als heks, omdat Alpaca talloze nederzettingen en steden zou moeten kennen, buiten de stad die ze net had vernietigd. Een tactiek van verschroeide aarde, om de aardse wereld bij voorkeur veilig te houden voor een magie zoals die van Marith – waar haar duivelse vloek ook vandaan mocht komen – want erg natuurlijk vond hij hem niet.

Iemand moest het haar bijna hebben aangedaan, zoals vaker gebeurde in oude verhalen. Misschien was de destructieve kracht, die in Marith huisde, wel het werk van een onbekende heks – een tovenaar. Joeri herinnerde zich Dennis, de doppelgänger, toen hij op het vlot klauterde – de ballon steeg steeds sneller. De verbazing van Marith, of verbijstering, leek oprecht te zijn, maar ze hield haar echte emoties verborgen. Als een volleerde actrice in plaats van een kind. Er ging een onbekende ziel verborgen achter het gezicht van Marith – die zoveel leek op zijn eigen leerlinge, hij kende haar zelfs erg goed – toch week ze op bepaalde punten duidelijk af – ze toonde zich minder gesloten, oogde gezonder, bleek een vrolijker persoonlijkheid te zijn.

Gesprekken gingen verder, kinderen staarden naar een landschap dat langzaam veranderde – er groeide minder bomen en struiken, het werd kaler – een glooiende grasvlakte – Joeri verwachtte ruiters te zien, afstammelingen van schipbreukelingen die domweg andere keuzes hadden gemaakt, ofschoon Koen had opgemerkt dat alle mensen in de stad woonden. Was dit niet een normale opvatting voor een stedeling? Koen wist zich geen ander leven voor te stellen buiten de stadsmuren van Alpaca. Hij ving losse zinsdelen op, soms alleen woorden, terwijl Joeri naar de oever bleef staren. Marith kwam naast hem staan. “Heb je altijd al kunnen – toveren?”, vroeg hij.

Ze haalde haar schouders op – hoofd hing scheef – Marith beet op haar lip. “Ik weet het echt niet.”

“Wat is je oudste herinnering?”

Joeri legde zijn handen op de reling en keek geboeid naar een kudde paarden, al waren ze veel groter dan de dieren hij op aarde had aanschouwd.

“Het is heel raar,” zei ze.

“Dat maakt niet zoveel uit.”

“Ik droomde, nee, ik dacht dat ik droomde, maar het gebeurde echt, in werkelijkheid zweefde ik in een soort bubbel. Eigenlijk vond ik het best wel leuk – tot ik ontdekte dat er ook mannen en vrouwen waren die me bewaakten en ongelofelijk bang leken te zijn.” Opnieuw sprak Marith volwassener dan haar leeftijd rechtvaardigde, het klonk heel natuurlijk, alsof er een onbekende geest in haar hoofd had plaatsgenomen. Joeri vond het ineens aannemelijk dat het zo was. “Ik werd me ineens bewust van een jonge prins, die Atari heette en erg nieuwsgierig was – hij bevrijdde me uit mijn bubbel – ik heb geen idee wat er toen gebeurde, maar opeens werd ik ook echt wakker, voelde mijn lichaam. Ik hoorde stemmen die spraken van een enorme stommeling, ze bedoelden Atari, toen heb ik hem zijn bijnaam gegeven. Prins Stommeling.

Joeri keek heel eventjes opzij en zag Harm die zijn armen in de lucht hield om zich te verontschuldigen.

“Atari, oftewel prins Stommeling.”

“Ja, zo noemde ik hem. Hij durfde niet eens boos te worden,” zei Marith die erbij lachte – zo’n aanstekelijke lach die alle mensen blij moest maken.

“Prins Stommeling,” herhaalde Joeri.

“Je gelooft me niet, hè?”

“Een bubbel.”

“Ja, een droom waarin je droomt dat je droomt, vervolgens wakker wordt, maar nog steeds droomt.”

“Da’s ingewikkeld.”

“Ik vind van niet.”

“Je werd wakker in het paleis – in de stad.”

“Nee joh, natuurlijk niet. Ik werd heel ergens anders wakker – echt, heel ver daar vandaan,” zei Marith.

“Wat zei opa Koen hiervan?”

“Ik deed alsof ik alles was vergeten.”

“Hoe weet ik nou of je de waarheid zegt?”

“Dat doe ik gewoon.”

“Het is ingewikkeld.”

“Ach, misschien heb je wel gelijk.”

“Daarstraks vroeg je of je een heks was.”

“Ja.”

“Alsof het idee je heel erg verbaasde.”

“Wat?”

“Nu doe je het weer, Marith.”

“Mensen horen de waarheid liever niet, bovendien krijgen ze een hekel aan me, als ze weten wat ik ben.”

“Ze zijn bang. Da’s normaal.”

“Nou en.”

“Iemand die met één enkele gedachte een complete stad van de aardbodem – eh – Alpacabodem vaagt.”

“Als je het zo zegt.”

“Daar wordt iedereen bang van.”

“Best wel, denk ik.”

“Je lijkt heel veel op een meisje in mijn klas, bent haar ook echt, tegelijkertijd heb ik vaak het idee dat je een compleet ander mens bent – engel of demon – waardoor ik me afvraag wat er zou gebeuren als je meegaat naar huis – je wilde wèl graag mee naar huis, toen ik je voor het eerst zag in het huis van opa Koen.”

“Natuurlijk. Dat wou je zien. Dat was ook normaal.”

“Wie ben je dan echt?”

“Marith.” Ze trok er een heel serieus gezicht bij.

“Soms wel, ja.”

Stroomopwaarts verschenen er twee rotsformaties, maar Joeri stelde al heel snel vast dat het kunstmatige constructies waren – twee gigantische standbeelden, waarbij de man een zeis vasthield en het mes in de bodem van de rivier scheen te verdwijnen – tegenover hem stond een vrouw die in elke hand een wereldbol had – ze droegen allebei lange kapmantels, maar Joeri herkende het gezicht van de vrouw – als een alleenstaande moeder. Hij keek naar Marith, terwijl de Holland voorbij dreef – de motor stond uit – er stond een stroming die zo sterk was dat de boot werd voortgetrokken naar een onbekend punt in de verte. Het vrouwelijke standbeeld was als de moeder van Marith, het andere vertoonde een ernstig gezicht, als een vorst die zojuist een moeilijk oordeel heeft geveld.

“Misschien Atari zelf, als hij ouder is geworden.”

Hij dacht aan de vrouw – wie ze moest voorstellen.

“Elektra, godin van de twee werelden, het leven en de dood.”

Joeri zag de beeltenis van Marith – ze zou, anders dan haar naamgenoot in zijn klas, de godin Elektra moeten zijn, dus hoorde hij zich nu af te vragen of ze het leven kwam brengen of misschien toch de dood.

“Het is de poort van Nachro,” zei Marith die nog altijd een volwassen stem gebruikte, toch stond er een tienjarig meisje naast hem, als een geest. “Daardoor komt het terug. Dat is de waarheid. Ik breng jullie thuis. Geloof me – ik ben niet degene die jij in me herkent.” Zo had ze vanaf de eerste dag geklonken. Een tienjarig meisje dat klonk als een volwassene.

“Ik geloof je.”

“Dus je brengt ons echt naar huis?”, vroeg Harm.

“Vanzelf – je kunt nog zolang dood zijn.”

Joeri begreep dat de onbekende geest, of godin, die in Marith leefde, nooit de volledige reis zou meemaken. Godin van de twee werelden, Elektra, zo heette ze kennelijk, of ze had een onbekende naam met exact dezelfde betekenis. Ze bleef op Alpaca, want dit was thuis – ze bracht Joeri weer terug en dat was alles.

“Wijze woorden voor een – ,” zei Harm.

“Ik weet wat je denkt,” zei Marith die naar Joeri keek – ze leek alle anderen te negeren. “Ik ben hier, maar ook daarginds – jij komt er vandaan en kent het meisje erg goed, ik ben haar voor een groot deel zelf en snap dat een deel van haar persoonlijkheid is afgesplitst. We zullen de puzzel weer compleet moeten maken.”

“Komt het goed?’, vroeg Joeri.

“Man overboord!”, schreeuwde Paul.

De lippen van Marith bewogen teveel voor een simpele bevestiging. Hij miste haar reactie volledig door de opwinding die losbarstte, er was iemand overboord geslagen – nee, het zat anders – er was niemand over de reling gevallen of gesprongen, er hadden geen afwijkende geluiden geklonken, bovendien constateerde hij dat de vismensen waren verdwenen. Het viel hem nu pas voor het eerst op.

“Wie is het?”, vroeg Harm.

Alle mannen, vrouwen en kinderen dromden samen op de voorplecht, voor zover dat mogelijk was. Joeri zag een flard van de luchtballon die in het water dreef – verderop lag er nog een stuk, zelfs het vlot, of een afgebroken deel ervan dat in het water dreef, net als Dennis die zich had vastgeklampt aan het hout. Kinderen werden weggestuurd, oudere jongens en meisjes mopperden, omdat ze dit niet mochten zien.

“Hij is dood,” zei Paul.

“Je moet het zeker weten,” zei Reindert.

“Haal hem aan boord dan!”, riep Esmeralda.

Paul en Reindert namen de taak op zich om het lichaam aan boord te trekken, omdat ze nu eenmaal zeker moesten weten of Dennis, de doppelgänger, inderdaad was overleden. Joeri zag het meteen, toen ze het lichaam omdraaiden – een deel van het gezicht was verminkt, alsof er iemand van zijn vlees had gegeten. De meeste schipbreukelingen keken weg.

“Mijn vader was al dood, mama heeft het zelf gezegd,” zei Marith die achteraan bleef staan – ze hoefde het dode lichaam van Dennis niet te zien. Het tienjarige meisje had blijkbaar de overhand gekregen.

“Ik probeer het te begrijpen,” zei Joeri.

“Het was een ziekte met een lelijke naam.”


Alpaca (5) Het duel

Alleen een klein gezelschap mocht het paleis betreden, Joeri herkende enkele bewoners van krotwoningen nabij de stadsmuren, maar ze werden geweigerd en de soldaten gebruikten zelfs hun speren. Een officier knikte langzaam met zijn hoofd, staarde aandachtig naar Marith die ongegeneerd terugkeek. Ze toonde geen enkele angst, ging ook niet dichterbij Joeri of Koen lopen. Stemmen van toeschouwers verstomden, terwijl ze passeerden – Joeri begreep heel goed dat hij de stad onmogelijk had kunnen ontvluchten.

Eerst de poort, toen het binnenplein – het herinnerde enigszins aan het Louvre in Parijs, bedacht Joeri, eerder een paleis dan kasteel. In het midden lag een geïmproviseerde arena, een rechthoek bestaand uit zand en wachtposten die elke ontsnapping zouden moeten voorkomen. Joeri vond de tribune die voor de edele koninklijke familie was opgericht en – natuurlijk – een paar genodigden. Het tafeltje, met daarop de wapens waaruit hij mocht kiezen, ontdekte hij veel later pas, aangezien de luchtballon zijn interesse trok – een mogelijkheid om te ontsnappen, zoveel was duidelijk.

“Ga maar bij de ballon kijken,” zei Joeri.

Marith knikte opgewekt, Koen reageerde nauwelijks, maar staarde naar de enorme luchtballon die het binnenplein domineerde – onzichtbaar voor de wereld erbuiten, alsof er geen wereld bestond buiten het paleis, aangezien deze mensen alleen hier verbleven.

“En jij dan?”, vroeg Marith.

Een officier kwam in zijn richting, het was dezelfde man die hem gisteren had toegebeten dat het duel op het noenuur zou beginnen, nee, plaatsvinden. “Ik heb een afspraak voor een duel, dat weet je,” zei Joeri. Hij bestudeerde nog snel de luchtballon; geen klassieke mand of zo, maar een houten plateau, vermoedelijk het toneel van talloze gevechten die op een grotere hoogte werden gevoerd.  Gelukkig geen stalen kabels, maar gewoon touw, dus die kon je doormidden hakken met een bijl of zwaard.

“Je bent er, niet slecht voor een buitenstaander,” zei de officier die het kennelijk onnodig vond zijn naam te noemen voor een man zoals Joeri. “We beginnen.”

Koen sprak enkele onverstaanbare woorden tegen Marith, ze liepen verder en Joeri volgde de officier. Voor het eerst voelde hij een zekere beklemming in zijn maag, een tikje nerveus, hij zocht zijn tegenstander, mogelijk een reusachtige kerel die Joeri kansloos zou laten in een rechtstreeks gevecht. Hij moest slimmer zijn en een geschikt wapen kiezen, zoals een speer, Joeri had er eerder mee gewerkt, als atleet, voor hem het was een sterk onderdeel geweest. Hij werd aan het publiek voorgesteld, ze wisten dat hij onderwijzer van beroep was, recht van lijf en leden, hij had zelfs de vaandels gegroet. Zijn tegenstander bleek een man die nooit verder was gekomen dan de krottenwijken aan de buitenste rand van Alpaca en eten had willen stelen. “Een overwinning levert deze man een fantastische beloning op – het brood dat hij probeerde te stelen – voor zijn vrouw en kinderen.” Joeri probeerde het idee van zich af te zetten, mannen, misschien ook vrouwen, die regelmatig duelleerden om zo aan eten en drinken te komen voor hun gezin.

“De laatste, die op zijn benen blijft staan, wint.”

Joeri knikte als teken dat hij hem had begrepen, ondertussen keek hij naar de tafel, want er lagen enkele verrassende wapens klaar. Er lag geen speer, wel twee zwaarden, dolken, bijlen en zelfs pistolen, nee, revolvers – twee revolvers. Als zijn tegenstander eerst mocht kiezen, dan zou hij de revolvers zelf uitkiezen en daarmee het duel beslissen.

Er volgde een loting, ze moesten strootjes trekken, de winnaar zou mogen beginnen met kiezen en uiteraard won de man die begerig naar de tafel staarde. Joeri trok er een afwachtende houding bij, alsof het hem nauwelijks interesseerde. Hij wilde geen argwaan wekken. Zijn tegenstander besloot een bijl te gaan gebruiken en een zwaard. Geen revolvers, hij kende het gebruik van vuurwapens kennelijk niet. Het verbaasde Joeri dat er echte revolvers klaarlagen, daardoor twijfelde hij ook iets te lang toen zijn beurt volgde – eerst checkte hij de kogels, er klonken opgewonden kreetjes op de tribune die hij zo goed mogelijk negeerde, tot slot stopte hij beide wapens bij zich, eentje achter zijn riem, de andere in zijn rechterhand. Ook pakte hij een zwaard van de tafel.

“Goddomme – Mag dat ook?”

“Ja, daar heb ik niets van gezegd,” zei de officier.

Echte, geladen vuurwapens – Joeri probeerde te bedenken wat het betekende als de officier twee revolvers klaar had gelegd op tafel, het was erg vreemd, sterker nog, het leek hartstikke idioot. Moderne technologie in een stad die voor de late middeleeuwen gebouwd leek te zijn, mensen noemden zich schipbreukelingen en er lagen vuurwapens klaar voor het duel, terwijl Joeri evengoed de koning zou kunnen vermoorden, als hem dat zo uitkwam. Het leek een enorme roekeloosheid van de Broeders van het Bloed, tenzij het duel als een test gold, een manier om uit te vinden of je wel genoeg van het vaderland hield. Zouden de soldaten zijn borst doorboren als hij het wapen op één van de leden van het koninklijk huis richtte? Zijn tegenstander kende het gebruik van vuurwapens niet en het was Joeri geen moment opgevallen dat de soldaten ze wel gebruikten. Hij trok de haan naar zich toe en liet het wapen weer zakken. Het was nog te vroeg voor een schot. Voor het eerst in zijn leven moest hij een vuurwapen richten op een echt, levend mens, iemand die alleen zijn vrouw en kinderen te eten wilde geven, daarom stond hij hier. Er klonk links en rechts wat besmuikt gelach, mensen die dachten dat hij zijn wapen niet durfde af te vuren.

Zijn tegenstander stond voorover gebogen, Joeri meende heel zeker te weten dat de man nooit eerder in zijn leven zelfs maar een wapen had vast gehad.

“Ben je een tovenaar?”, vroeg de man wiens stem een beetje trilde, Joeri bespeurde een zekere angst – voor de dood – een gevecht tegen de man die een tovenaar was.

“Waarom?”, vroeg Joeri.

“Je weet hoe die duivelse machines werken.”

Het was helemaal niet zeker dat Joeri de man in zijn borst zou raken, of been misschien zelfs, mogelijk boorde de kogel zich tenslotte in een soldaat, of toeschouwer, aangezien hij geen geoefend schutter was. Er kon zoveel onvoorspelbaars gebeuren. Toch had hij twee machtige wapens bemachtigd en de edele Broeders van het Bloed wisten ervan, of niet.

“Een tovenaar, als ze me dàt hadden verteld.”

Er klonken wat kreten op de tribune, leden van de koninklijke familie die zich zaten op te winden.

Een kogel zou af kunnen zwaaien, net zo makkelijk, een onschuldige raken, als die er was – in het paleis.

Joeri zocht de kortste weg naar de luchtballon, een mogelijkheid om weg te komen uit Alpaca, er zou niet snel een andere kans volgen, dat begreep hij goed. Het zou nodig zijn om andere slachtoffers te maken, soldaten neer te schieten die hem tegen wilden houden. Hoe had het in godsnaam kunnen gebeuren dat hij op een plein stond na te denken over doodschieten van soldaten? Omdat het de enige manier was om weg te komen uit een naargeestige, belegerde stad die vroeg of laat overlopen zou worden door hongerige ghouls.

Zijn tegenstander begon onverwacht te gillen en rende naar Joeri die kalm opzij stapte, waarna de man voorover in het zand viel. Met een soldaat als tegenstander zou het duel anders zijn geweest, was er een echt gevecht gevolgd, zou hij nooit de revolvers hebben kunnen kiezen, die zouden er niet hebben klaargelegen voor een man als Joeri. De man krabbelde overeind, graaide onhandig naar zijn wapens, maar Joeri schopte de bijl weg die vijf meter verderop bij de voeten van een soldaat bleef liggen.

Zijn tegenstander had ook geen motoriek die zich leende voor een gevecht, een hulpeloos slachtoffer, een zinloze moord, die als entertainment diende, omdat leden van het koninklijk huis zich verveelden. Alsof er ’s nachts onvoldoende ghouls werden afgeslacht. Hopelijk werkte Koen in de tussentijd aan een plannetje, afleiding, waardoor de aandacht van alle aanwezigen naar iets totaal anders verschoof – Joeri wilde de man niet doden, zijn arm woog zwaarder dan ooit, het kostte moeite om te richten.

Toch pakte de man zijn zwaard veel professioneler vast, alsof zijn brein hem had verteld dat hij wel degelijk een gevecht moest leveren, anders zou hij binnen driekwartier dood op het plein liggen. Joeri wist het uiteraard niet zeker, maar het moest zo zijn, hij raadde vaker gedachten die mensen hadden, het was een gave, al was hij geen telepaat. Goed kijken, niet snel oordelen, de man was bereid om te vechten, als Joeri het naliet – hij begon nu echt te vechten.

De revolver was een gok geweest, misschien hadden ze ermee geknoeid waardoor het nu geen waarde had. Gillend kwam zijn tegenstander met opgeheven zwaard dichterbij, als het geluid enige angst moest aanjagen – Joeri blokkeerde de poging en duwde hem weg – de man moest zijn best doen om niet te struikelen, had extra stappen nodig, het publiek lachten er hartelijk om, leedvermaak, het was overduidelijk dat Joeri geen zin had om de man zomaar te vermoorden. “Dood hem!”, riep er iemand, een man. Opnieuw klonk er gelach op het plein, nu was het spottend bedoeld, heel duidelijk, alsof Joeri met zijn slachtoffer speelde – dat deed hij natuurlijk niet.

“Hoeveel kinderen heb je?”, vroeg Joeri. Het was een vreemde vraag, aangezien ze elkaar moesten doden.

“Drie,” mompelde hij, “twee jongens en een meisje.”

“Hebben jullie het zo slecht dat je eten moet stelen?”

De man gaf geen antwoord, maar weg – de officier keek toe en leek zich bijzonder te amuseren – toch legde Joeri het als een antwoord op – bovendien had hij zelf de krotwoningen gezien, ze werden als eerste overvallen als de ghouls een bres in de verdediging hadden geslagen en de stad waren binnen gevallen.

“Zeg eens – Hoe heet je?”

“Ernst, dat is mijn naam.”

Opnieuw begon er een toeschouwer te schreeuwen. “Vermoord hem nou eens eindelijk, verdomme!”

De officier had zich tot nu toe niet bemoeid met het gevecht, maar schraapte zijn keel en zei: “Het duel is een serieuze aangelegenheid, heren, jullie moeten vechten, dat is de bedoeling en dat verwachten we.”

Joeri ergerde zich aan de toon waarop de officier sprak en richtte ogenblikkelijk het wapen. “Bemoei je er niet mee, je hebt alleen gezegd dat één van ons aan het einde op zijn benen moet staan.” Vrijwel direct nadat hij zijn woorden had uitgesproken, sloeg er een kogel in – enkele centimeters voor zijn linkervoet – het verraste hem allerminst, want twee vuurwapens neerleggen zonder enige verzekering leek hem inderdaad erg roekeloos. Joeri stak de punt van zijn zwaard naar Ernst, als waarschuwing, hij mocht even niets doen, hij keek er zo intimiderend bij als maar enigszins mogelijk was en hij waande zich even op de atletiekbaan. In een raamopening vond hij de schutter, een karabijn, wel een goede schutter, of hij had Joeri moeten raken. Op de tribune werden er kreetjes geslaakt, geen opwinding, het was iets heel anders – het duidde op paniek – er werd een rookpluim zichtbaar – Joeri aarzelde geen seconde en richtte zijn wapen op de schutter die in de raamopening stond – nog steeds, alsof hij niet eens verwachtte dat Joeri het zou proberen – hij vuurde het wapen af – gedurende enkele seconden dacht hij te hebben gemist, maar de schutter in het raam viel voorover. Het was beginnersgeluk, tien andere schoten zou hij hebben gemist, dat wist Joeri heel zeker. Hij kon moeilijk anders. De man moest hem doden. Dat stond vast.

Joeri richtte zijn wapen op de officier die voor het eerst blijk gaf van angst en achteruit stapte. “Opdonderen!”, blafte hij – vervolgens sloeg hij met een enkele klap het zwaard uit de handen van Ernst. “Denk erom – jij staat hier als laatste op je benen.”

Joeri begon te rennen, één van zijn snelste meters ooit, de knie hield het goed, maar het moest niet erg lang duren. Hij schoot twee soldaten in de borst die zijn doortocht trachtte te versperren. Marith stond al op het zwevende vlot van de luchtballon – soldaten probeerden de brand te blussen die er was ontstaan – Koen bleek zich heel ergens anders op te houden, terwijl Marith stond te schreeuwen: “Opschieten, opa Koen! Snel!”

Joeri sprong op het vlot, voelde een pijnlijke prik in zijn knie, maar negeerde het vervelende gevoel en richtte zich eerst op Koen die bijna dertig meter verderop het brandje trachtte te verdedigen. Een speer suisde door de lucht, gevolgd door een andere, Joeri wist te ontwijken, maar begreep heel goed dat ze de ballon wilden vernielen, zodat ze nooit meer konden ontsnappen – hij sloeg een touw doormidden, daarna nog eentje en voelde de luchtballon omhoog gaan, Joeri probeerde wat knopjes waarmee hij de brander activeerde, de lucht in de ballon moest warmer worden dan hij al was. Door het geluid van de brander trok hij de aandacht, hij vuurde twee kogels af zonder te richten, het was genoeg. De chaos had ervoor gezorgd dat ze wegkomen.

Marith staarde met betraande ogen omlaag, want opa Koen werd op dat moment door minstens zes soldaten doodgeslagen. Joeri trok het meisje weg, omdat ze dit niet hoefde te zien – ze mocht het niet eens zien.

Ze drukte haar gezicht in zijn buik en bleef huilen – een gewoon meisje dat iets vreselijks meemaakte. Joeri zou Marith nooit vertellen dat haar opa Koen geen seconde van plan was geweest haar thuis te brengen. Het was een gelukkig toeval geweest dat het toch mogelijk werd, dankzij een luchtballon.

De ballon raakte buiten bereik van de soldaten, hij hoorde doffe klappen van mannen die vielen en hen nog hadden geprobeerd tegen te houden. Eén man wist alsnog op het vlot te klauteren – Joeri richtte het wapen en wilde schieten – tot Marith riep: “Papa?”


Alpaca (4) De stad, het paleis en de muren

Uren later stond hij op het dak, een laaghangende wolkenlucht strekte zich uit tot voorbij de horizon. Marith lag al een tijdje te slapen, hij zou hetzelfde moeten doen, maar het lukte helemaal niet. Er wachtte hem morgen een duel, een geoefende officier van de koninklijke garde tegen een onderwijzer die toevallig op een redelijk niveau aan sport had gedaan. Hij was niet zo’n man die een uitdaging uit de weg ging, bijvoorbeeld door ’s nachts te vluchten. Onverstandig idee trouwens, aangezien er akelige kreten te horen waren achter de stadsmuren. Joeri begreep de angst die burgers hadden om ooit buitengesloten te worden, verbannen, ze zouden overgeleverd zijn aan de lijkenvreters, zoals Marith zo volwassen had weten te verwoorden.

Hij hoorde voetstappen dichterbij komen, zijn gastheer had hem gevonden en ging ook bij de reling staan. “Zo gaat het elke nacht,” zei hij, “een goed huis houdt zulke geluiden buiten, dan vergeet je ze soms.”

“Elke nacht?”, vroeg Joeri.

“Ja. Gelukkig komen ze nooit over de muur, daar zijn ze te stom voor, het is een oud gezegde in onze stad, ook tijdens de regering van de oude koning; onze geliefde vorst regeert alleen overdag en in de stad.”

“Je krijgt het gevoel dat er een stevige tirannie heerst,” zei Joeri die opzij keek, naar Koen, want er werd een lijkenvreter aan een lans werd geprikt, twee soldaten trokken de lans terug en wierpen vervolgens het lijk weer terug over de rand. “Nu begrijp ik ergens wel dat je een – laten we zeggen – robuust gezag uitoefent in zo’n omgeving. Het probleem is wel dat er twee vestingen bestaan, de stad zelf, vervolgens het paleis, dat zo goed als onneembaar is, ook voor opstandelingen in de stad.”

“En jij wilt met een tienjarige op reis,” zei Koen die gedurende een kort ogenblik vergat dat hij toch echt had toegezegd mee te willen gaan, omdat de Broeders van het Bloed aasden op zijn leven en rijkdommen.

“Overdag zou het best lukken,” zei Joeri die zijn gastheer nu wat langer aanstaarde – misschien ging er een wankelmoedig persoon verborgen achter het zelfverzekerde gezicht van opa Koen, zoals Marith hem noemde.

“Hoeveel van die miserabele schepselen lopen er buiten rond?”, vroeg Joeri die het gedrag van de soldaten roekeloos vond, ze trokken weer zo’n ding omhoog, een lijkenvreter, eentje die bewoog en, zo op het eerste gezicht, razende bewegingen maakte met zijn hoofd en klauwen. Er galmden opgefokte stemmen door de atmosfeer waarna de lijkenvreter over de rand werd getrapt – er klonk een felle gil.

“Geen idee. Wil je geloven dat ik ben opgegroeid in een stad zonder hoge muren?” Hij knikte met zijn hoofd, een beetje opgewonden, als een kleine jongen. “Het paleis is altijd een kroonjuweel geweest, daaromheen heb je de gegoede burgers, of stadsadel, wat verder daarvandaan vind je de ambachtslieden, vissers, boeren uiteraard en verschoppelingen die je, volgens mij, in elke grote stad zult vinden, ook de jouwe, waar jij vandaan komt, al vertel je er weinig over.” Nu was het de beurt aan Joeri om bevestigend te knikken. “Alleen de haven herinnert nog een beetje aan vroeger, de vissers kunnen de zee bereiken, dat wel, al vinden sommigen dit ook ronduit gevaarlijk. Maar de lijkenvreters hebben nog nooit via het water geprobeerd onze stad binnen te komen. Dus… tja.”

Joeri dacht aan het aloude Constantinopel, ook een stad aan het water die nooit was veroverd tot de kruisvaarders via de haven binnen wisten te dringen.

“Maar – het geliefde vaderland – is de stad?”

“Inderdaad. Verder is er niets.”

“Welke manieren zijn er om weg te komen?”

“Via het water is veilig, je zou de lucht kunnen proberen – er zijn geen lijkenvreters met vleugels.”

Joeri herinnerde zich het onbekende beest dat laag boven de golven vloog en hem aan had gevallen, dus zo heel erg veilig was het water nou ook weer niet.

“Weet je het zeker, Koen?”

“Nee,” antwoordde hij. “Dat begrijp je toch wel?”

“Je bent nooit buiten de stadsmuren geweest, de stad is jouw wereld, zoals een vogel die je hebt gevangen niet voorbij de tralies van zijn kooi kan denken. Je zou het misschien wel willen, maar bent doodsbenauwd.”

“Precies. Dit is mijn voorouderlijk huis. Ik ben opgegroeid in een rustige veilige wereld die vandaag wordt bedreigd door onbekende, agressieve wezens.”

“Misschien waren ze er altijd al, maar wist je het niet.” Een stad, gelegen aan de zee, belaagd door onbekende, hongerige wezens die elkaar konden opeten, maar ook een stad wilden binnendringen en dat volgens Koen pas sinds enkele jaren deden, omdat ze er nooit eerder zijn geweest – kennelijk – of ze hadden talloze generaties nodig gehad om de stad te bereiken, na een zwerftocht van honderden jaren.

Koen legde zijn handen op de reling en staarde naar de horizon, terwijl Joeri de logica – of juist het gebrek eraan probeerde te doorgronden, want er klopte iets niet. Hij wist dat het zo was, er gaapte een gat in het verhaal van opa Koen dat groot genoeg was om er een mooie leugen in te passen. “Je bent opgegroeid in een stad zonder muren die werden gebouwd vanwege een dreiging van buitenaf, anders hoef je niet te besluiten om een muur te bouwen.” Koen staarde naar zijn handen in plaats van de verte. “In mijn wereld waren er altijd eerst belegeringen nodig, plunderingen, voordat mensen muren wilden gaan bouwen, anders deden ze dat niet eens. Ná de moordpartijen, de verkrachtingen en begrafenissen. Op school vertel ik dit anders. Dat snap je natuurlijk wel. Als er geen dreiging bestaat, hoef je geen muren te bouwen. Waarom zou je immers zoiets doen? Je leeft in een wereld zonder gevaarlijke buren.” Hij sprak met zachte stem, de buren hoefden niet mee te luisteren. “De stad, het paleis en de muren, alles staat er om een gruwelijk gevaar buiten te houden.” Joeri wachtte enkele seconden. “Ik zou het prettig vinden als je me ook echt de waarheid zou willen vertellen, Koen.”

“Je hebt gelijk,” zei hij.

“Dus… vertel.”

“We noemen onszelf schipbreukelingen,” zei hij. Er viel een korte stilte. Koen was de juiste woorden aan het zoeken en blijkbaar vond hij het een moeilijk verhaal om uit te leggen. “Onze voorouders komen van een andere wereld, mijn vader vertelde vaak het verhaal dat we onze schepen landinwaarts hebben achtergelaten. Als je de rivier volgt, kom je er vanzelf. Geen idee waarom ze ooit hebben besloten om onze stad, Alpaca, juist hier te bouwen, dus aan de zee en een rivier, ja, het is misschien erg menselijk om dat te doen, maar het was geen handige beslissing, gezien de akelige wezens die de plek claimen.” Koen zweeg opnieuw en beide mannen staarden naar de muur – ze zagen hoe een vijftal soldaten werden uitgescholden vanwege hun roekeloze gedrag, dus spelen met lijkenvreters die halfdood waren en weer terug werden gegooid over de rand van de stadsmuur. “Ik heb tovenaars wel eens horen beweren dat we de slechtste plek hebben uitgekozen voor een stad, omdat we daarmee oeroude migratieroutes blokkeren. We noemen ze geen mensen, maar lijkenvreters, overdag lijken ze geen tanden te hebben, maar ’s nachts zijn ze in staat om je aan stukken te scheuren.”

“Zombies misschien, of vampiers,” zei Joeri. Er schoot hem een andere naam te binnen die beter voldeed aan de mysterieuze transformatie. “Ghouls.”

“In het begin sprak Marith heel weinig, maar na een tijdje begon ze zich veilig te voelen en begon ze erover dat ze dolgraag terug wilde keren naar huis.”

“En je hebt toen een fout gemaakt,” zei Joeri, “door Marith wijs te maken dat het geen probleem zou zijn. Ze begrijpt amper dat het omringende land wordt geterroriseerd door ghouls waardoor we een tocht nooit zullen overleven, omdat je een schuilplaats nodig hebt voor de nacht, je moet veilig slapen.”

“Ga jij het haar vertellen?”

“Ja, uiteraard.”

“Tja, je kunt moeilijk anders.”

“Maar jij bent erbij, je moet toegeven dat mijn verhaal klopt, anders zou ze me voor een leugenaar houden.”

“Ik begrijp het.”

“De officier wist dat je je over me zou ontfermen.”

“Eh – ja – gastvrijheid is een belangrijk goed, al controleren we graag of je echte tanden hebt en geen vermomde ghoul, zoals je ze noemt, het is misschien wel een betere omschrijving overigens, ja, dat zou zo maar kunnen, Joeri. We gaan slapen, jij in ieder geval, anders ben je morgen niks waard in het duel.”

“Krijg je de keuze uit een aantal wapens of zo?”

“Soms mag je een tegenstander kiezen, een slaaf bijvoorbeeld, de officier vindt het namelijk beneden zijn waardigheid om zelf tegen je te knokken. Ik zeg niet dat het beslist zo gaat, maar wees niet verbaasd.”

“Ik dacht dat de officier mijn tegenstander zou zijn.”

“Je hebt geluk. Het duel is tijdens het noenuur, formeel duurt dat van 12 tot 1, je krijgt een uur de tijd om te vechten, als je daarna leeft, heb je gewonnen, of laten ze je in elk geval in leven,” zei Koen.

“Welke wapens gebruiken de meeste duellisten?”

“Zwaard, speer, dolk ook wel, soms de zweep.”

“Van geluk gesproken.”

“Je had ’s nachts kunnen duelleren, dan zouden ze een ghoul, wat een fantastische naam is dat trouwens, hebben gevangen en die aan je gepresenteerd.”

“Ik geloof je meteen.”

Er volgde een onrustige nacht, waarbij Joeri nadacht over de vraag of de speer geschikt zou kunnen zijn voor een arm als de zijne, krachtig genoeg, want spierkracht was de afgelopen jaren toegenomen. Hij bracht drie keer per week in een sportschool door. Dat deed hij ook nog. Joeri was een man die druk werkte aan zijn fitheid. Er mankeerde fysiek weinig aan hem. Heel eventjes dacht hij aan executies zoals die in vroeger eeuwen werden uitgevoerd op marktpleinen, als een attractie, ter lering en vermaak, handelaren leefden er uiteraard goed van, zoals altijd, bovendien bestonden er eveneens galgenvelden, buiten de stad, waarbij lijken werden opgehangen ter afschrikking. Er bestond geen andere stad dan Alpaca, dus het lijk van Joeri werden hoogstens over de rand gegooid en achtergelaten voor de ghouls, misschien veranderde hij dan zelf wel in zo’n kreng. Het idee dat Koen niet helemaal eerlijk was geweest wortelde voorzichtig in zijn brein, Joeri had al één leugen gevonden, aangezien Marith hoopte op een terugkeer naar huis en Koen had geen idee hoe hij zoiets moest verwezenlijken, aangezien de stad zijn wereld was die hij nooit eerder had verlaten. Er hing hoe dan ook een benauwende sfeer in de stad Alpaca.  

Volgende morgen werd hij verrassend genoeg vrij laat wakker, het was allang licht, maar hij had geen besef van tijd, aangezien hij geen horloge droeg. Zijn telefoon was al uitgegaan, waarschijnlijk in de zee. Hij dronk een beker melk, at een boterham en een stukje worst. Veel honger had hij niet en ook Marith sprak erg weinig en mogelijk had Koen haar eerder al gewaarschuwd om niet erg druk te doen. Na zijn ontbijt deed hij wat oefeningen, spieren losmaken, gewoon een beetje opwarmen, zodat hij zijn ergste stijfheid kwijt zou zijn als hij het paleis betrad.

Om elf uur verlieten ze met zijn drieën het huis en Joeri had het idee dat hij er nooit meer terug zou keren. Onderweg naar het paleis passeerden ze mensen die hem aankeken, een vreemdeling, maar nauwelijks anders dan hijzelf, een onderwijzer die door een wonderlijke omstandigheid in Alpaca terecht was gekomen. Een leerlinge had hem naar een andere wereld gebracht – nu liep hetzelfde meisje naast hem, min of meer dan, ze leek op de Marith die hij kende, maar ze was anders. Hij raakte haar hoofd eventjes aan, beroerde het met zijn vingers, ze keek omhoog, naar hèm en lachte.

De andere Marith – die in zijn klas – zou nooit zo’n mooie, opgeluchte lach hebben kunnen laten zien – prachtige witte tanden, heldere ogen die net zo hard lachten als haar gezicht – donkere haren die in een vlecht bijeen waren gebonden – vrolijk, blij, zeer opgelucht, alsof haar liefste wens in vervulling ging.

Hij lachte even en toonde weer zijn ernstige gezicht, want Joeri bedacht dat Marith geen dubbelganger had, maar een doppelgänger en dat was iets anders.

Toch herkende hij ook een blik in haar ogen die veel ouder was dan hij zich ooit had kunnen voorstellen, alsof er een onvoorstelbaar geheim verborgen ging achter haar netvliezen.

 


Alpaca (3) Marith

Joeri bleef staan en boog zijn hoofd, alsof hij de vaandels groette, misschien hoorde het hier wel zo, want de soldaat had ook gesproken over zijn geliefde vaderland. In het paspoort van Joeri stond Nederland, maar hij begreep best dat hij zijn gastheren niet mocht beledigen. Hij zou beslist de spelregels moeten leren en ook uitvinden hoe hij terug kon keren naar huis.

Het duurde op zijn hoogst vijf seconden, daarna liep hij verder, achter hem klonk instemmend gemompel, de soldaten spraken tegen elkaar, maar Joeri slaagde er niet in te verstaan wat ze nou precies zeiden. Hij passeerde twee massief ogende stadspoorten, een soldaat, ongetwijfeld een onderofficier, verliet de stad en begon enkele bevelen te brullen naar de twee soldaten die Joeri hadden onderzocht – het werd nu echt donker, de soldaten zouden waarschijnlijk de poorten sluiten en vaandels binnen moeten halen.

Heel even bleef hij staan en keek onderzoekend om zich heen, omdat het de eerste keer was dat hij zo’n primitieve stad te zien kreeg en het overtrof zijn stoutste verwachtingen. Scheefgezakte. houten krotwoningen, gesloten luiken, maar de rookpluimen kringelden uit gemetselde schoorstenen, dat weer wel. Er moesten flinke branden zijn geweest in het verleden, zoals altijd als je houten huizen bouwde. Langs de stadsmuren, waarvoor de stedelingen grote bakstenen hadden gebruikt, groter dan normaal dus, lagen moestuintjes, de akkers die een deel van de bevolking van gezonde groente en fruit voorzag. Het grootste gebouw moest een paleis zijn, of tempel, dit volk zou minimaal een koning hebben en misschien zelfs een soort god-koning, zoals in het verleden van de aarde wel vaker voor is gekomen. Hij hervatte zijn tocht, want de mensen zouden kunnen denken dat hij als spion de stad was binnengedrongen.

Op straat brandden er vuren, met name om mensen warmte te bezorgen, ze schenen niet te gaan eten, of hadden dit allang gedaan. Joeri had geen enkel besef meer van tijd, uiteraard had hij honger en dorst. Mannen, vrouwen en kinderen staarden hem aan, ze waren erg mager, hadden ingevallen wangen, vuile gezichten en ze droegen lompen als kleren. Tientallen ogen volgden hem en Joeri begon te rekenen hoelang het zou duren voordat hij in de problemen kwam. Hij telde de mogelijkheid eerder in seconden dan minuten, maar voorlopig gebeurde er niets en de burgers keken hem hooguit na, ze deden niets, zeiden niets, maar keken hem na, alsof ze zeker wilden zijn dat hij hèn geen kwaad zou doen.

Zijn schoenen zonken weg in een laag modder, hij tilde zijn voeten flink omhoog en stapte verder, gaandeweg constateerde hij dat de huisjes beter werden, minder krotachtig, beter gebouwd, echte stenen muren, maar de voorgevels waren van hout. Er hing een onmiskenbare zilte geur in de stad, de zee was altijd nabij en de vissers brachten het grootste deel van het voedsel binnen. Het viel Joeri allang mee dat de mensen, die beslist honger leden, de moestuinen met rust schenen te laten. Hij dacht aan een systeem van belonen en straffen, een beetje zoals de Romeinen hadden gedaan, brood en spelen, een oeroude, beproefde combinatie. Voor hem bestond er slechts één enkele reden om hier te zijn, hij wilde zo snel mogelijk weer naar huis, kreeg pijn in zijn buik van alle starende en zwijgende gezichten, mensen die verbaasd leken te zijn, omdat de soldaten hem gewoon binnen hadden gelaten – onbeschaamd!

Voor de poorten van het paleis bleef hij stilstaan, hoge muren, kleine raampjes, gesloten luiken, maar ook een gracht die langs het gehele gebouw scheen te zijn gegraven – het was niet natuurlijk. De ophaalbrug stond omhoog, er waren twee extra gesloten poorten. Hij staarde naar het water en probeerde te ontdekken of er dieren in zwommen, roofvissen misschien wel.

Hoeven van paarden kwamen ritmisch neer, hij draaide zich om, staarde een beetje besluiteloos naar een oude man die een dood konijn vasthield en de ruiters ongemerkt probeerde te passeren. Een ruiter, mogelijk een officier, gezien zijn uniform, maar Joeri wist het niet helemaal zeker, gaf de oude man een klap met zijn zweep die fel heen en weer zwiepte, zodat het slachtoffer neerviel en zijn konijn goed vasthield. “Opdonderen, ouwe man! In ons geliefde vaderland is er geen plek voor ellendigen zoals jij.”

Joeri liep naar de oude man, stak een hand uit, maar zei geen woord – hij hield zijn rug recht en probeerde zijn groeiende irritatie te onderdrukken, want het hielp hem allemaal niets. Het was een vreemd land.

“Help jij hem?”, vroeg de ruiter.

“Je ziet het,” antwoordde Joeri.

“Morgen een duel, we verwachten je in het paleis, op het noenuur,” zei de ruiter, “dan kun je laten zien hoe graag je zulke wezens verdedigt en vooral – hoe goed je daarin bent.” Er klonk besmuikt gelach. Ze vonden het amper de moeite waard om hun grenzeloze minachting, want zo was het echt, te laten blijken aan Joeri – die de arm van de oude man vast had gepakt, ooit een sterke arm. Er lag een bebloede streep over het gezicht van de man.

Beide mannen keken de ruiters na. Bijna een halve minuut later stak de oude man zijn hand uit en zei: “Mijn naam is Koen en hoop dat je me niet alleen hebt geholpen vanwege het konijn dat ik heb gekocht.”

“Het ziet er smakelijk uit,” zei Joeri, “maar er hangt in deze stad een sfeer die irritatie opwekt.”

“Hoe is jouw naam eigenlijk? Want die heb ik niet gehoord.”

“Joeri, zo heet ik.”

“Nou, Joeri, nu heeft een Broeder van het Bloed je uitgedaagd voor een duel, dat kan onmogelijk goed aflopen, dus kun je nu beter maar eerst een fijne maaltijd genieten, goed vlees, goede wijn,” zei Koen die verder begon te lopen, Joeri volgde hem, “morgenmiddag zien we wel verder. Zo krijgen we in elk geval een kans om onze geliefde koning te zien.”

“Daar krijg ik dus een beetje jeuk van,” zei Joeri.

“Wie niet?”, vroeg Koen die in een degelijk gebouwd huis woonde, geen kasteel of zo, maar wel erg groot. “Tegenwoordig moet ik alles zelf doen, begrijp je. Ik heb dan wel een hulpje, maar ze is nog erg jong.” Anders dan bij het paleis lag er geen gracht rond het huis van Koen die de voordeur openmaakte en Joeri uitnodigde als eerste binnen te gaan. De deur ging vrijwel meteen dicht en Joeri hoorde het slot knarsen.

“Een hulpje?”, vroeg Joeri die zich in moest houden en niet direct over kinderarbeid wilde beginnen.

“Ja, een meisje, negen jaar, of tien inmiddels, ik heb haar gekocht, om te voorkomen dat één of andere smeerlap – nou ja, je begrijpt wel – ik snap je weerzin, beste Joeri, ja, slavernij, kinderarbeid, ja, ik weet het. Ze heeft nog geen seconde gewerkt, ik heb haar in bad gestopt, aangekleed, probeer haar iets te leren, maar ze weet eerlijk gezegd al een hoop, veel meer dan gewone kinderen die je in deze stad doorgaans vindt.”

Joeri hoorde een kinderstem, het meisje natuurlijk, ze riep de oude man. “Opa – opa Koen? Ben jij het?”

“Ja, alles in orde!”, riep hij – de oude man ging op zachte toon verder, zodat het meisje hem niet hoorde. “Afgezien van een lelijke striem in mijn gezicht, een nieuw souvenir van de Broeders van het Bloed.”

“Slavernij, kinderarbeid,” zei Joeri, “twee begrippen die ik verafschuw en beslist afkeur, zoals alle fatsoenlijke mensen zouden doen, iedereen, jij ook.”

“Om te voorkomen dat ze als seksslavin was geëindigd,” zei Koen die verder begon te lopen in een erg donkere hal. Er hingen oude schilderijen aan de muren die nooit een straaltje zonlicht hadden gezien. Joeri herkende duidelijke middeleeuwse elementen, maar dit was toch echt een compleet andere wereld.

“Ik snap het. Principes moet je je kunnen veroorloven, terwijl ze in het geliefde vaderland in dienst van de koning lijken te staan.”

Ze betraden een woonkeuken, zo heette dat wel. Joeri bleef in de deuropening staan, als stijf bevroren, want het meisje dat aan de keukentafel zat te schrijven en uiteraard gebruikte ze een ganzenveer, leek zo op het eerste gezicht een gewoon meisje te zijn. Onopvallend. Een middelmatige leerlinge op school. Erg stil ook. Als onderwijzer moest hij zichzelf er wel eens op attenderen dat ze in zijn klas zat. Naar het bord komen om een rekenopdracht te maken, vond ze vervelend, al had ze er weinig moeite mee. Meisje met een gezonde, licht getinte huidskleur, ze lachte en liet daarbij mooie witte tanden zien, ze had lang, zeer donker, bijna zwart haar en heldere, blauwe ogen.

Het meisje liet de ganzenveer vallen – haar ogen sperden wagenwijd open – ze sloeg beide handen voor haar mond en schreeuwde: “Meester Joeri!”

“Marith? Maar hoe kom jij – ?”, vroeg hij. Zijn verstand zocht naar een oplossing voor het raadsel.

“Dat weet ik ook niet, hoor,” zei Marith die zich met gebalde vuisten van haar stoel liet glijden. “Yes! Yes! Ik ga lekker weer terug naar huis!”, riep ze. Haar stem galmde door de keuken, terwijl er een zacht vuurtje brandde onder een kookpot, waardoor er een fijne warmte heerste, anders dan de kilte die zich buiten leek te hebben gehecht aan mensen, hun dieren en zelfs de gebouwen.

Joeri en Koen staarden naar elkaar, in de tussentijd probeerden ze hun bedenkingen binnensmonds te houden, maar snapten goed dat ze vroeg of laat het meisje uit haar dromen moesten halen, aangezien het allesbehalve een simpele kwestie was. Marith zat middenin haar vreugdedansje, terwijl beide mannen  verder liepen – Koen legde zijn dode konijn op tafel – Joeri nam plaats en wreef over de stoppels die op zijn wangen en keel begonnen te groeien, zodat hij zich ook afvroeg hoelang hij nu al onderweg was.

“Jij zou ook blij moeten zijn, meester Joeri,” zei Marith die bestraffend klonk, omdat ze niet begreep waarom hij onderuitgezakt op een stoel was geploft.

“Ik ben erg moe, bovendien heb ik honger.”

“Een ogenblikje,” zei Koen.

“Graag,” zei Joeri, “straks een stukje konijn, tenzij je die voor morgenavond wilde bewaren.” Hij keek naar het dode dier dat nog moest worden klaargemaakt.

Koen trok een kastje open en haalde er een stevig stuk brood uit die hij op tafel legde, ook haalde hij een goed stuk kaas en een worst tevoorschijn en een mes.

“Ja, ik heb een dolk buit gemaakt,” zei hij Joeri die het mes pakte en op tafel legde, “een of andere tandeloze vent die mijn schoenen probeerde te stelen.”

“O, dan heb je kennisgemaakt met een lijkenvreter,” zei Koen die een kastje openmaakte en weer sloot toen hij een kruik had gevonden die hij op tafel zette – en een beker.

“Ja,” zei Marith en ze knikte eenmaal met haar hoofd. “Ze zijn in werkelijkheid niet echt tandeloos, volgens opa Koen, want ’s nachts krijgen ze lange tanden waarmee ze mensen en dieren kunnen verscheuren. De muren zijn er om de lijkenvreters buiten te houden, heeft opa Koen laatst verteld – echt eng.” Marith klonk heel serieus, volwassen zelfs, maar vertelde een verhaal uit een horrorfilm dat echt was.

Joeri sneed een stukje brood af, schonk een beker vol met – wijn – eerst eten, dan een goede slok rode wijn.

“Ik wil naar huis, net als Marith,” zei hij.

“Dan  zul je eerst het duel moeten overleven.”

“Weet ik, tenzij het me lukt daarvoor al naar huis te gaan,” zei Joeri, “aangezien ik geen zin heb om te vechten tegen officieren van de koninklijke garde. Zo’n arrogant mannetje dat beter getraind is dan ik.” Het brood smaakte erg goed. “En ik probeer te verklaren waarom Marith hier is èn ook daarginds.”

“Geen idee. Echt niet,” zei Marith.

“We moeten thuis zien te komen, naar onze eigen wereld teruggaan, het is een heel moeilijke opgave.”

“Dat ben ik het mee eens,” zei Koen.

“Hopelijk kun je me vertellen dat er een tovenaar leeft, desnoods hier – in de stad – die een manier weet om ons allebei weer thuis te krijgen – in het andere geval zullen we een vijandig gebied moeten doorkruisen, als ruiters, of met een boot,” zei Joeri.

“Het wemelt van de heksen en tovenaars, goede en slechte, prutsers en geniale types,” zei Koen. “Stel dat het je lukt om het duel te winnen, dan is het een kans. We zullen de stad moeten verlaten, vragen stellen, dreigen, vechten.”

“We?”

“Ja, want je dacht toch niet dat ik jullie zonder mij op reis liet gaan?” De stem van Koen echode rond.

Joeri speelde met zijn beker en staarde naar Koen. “Ze hebben je tot nu toe met rust gelaten – in je huis – maar een inval heeft ook consequenties voor Marith.” Ongetwijfeld was er iets waardoor de Broeders Koen nu niet durfden aan te pakken, te overvallen in zijn huis. Joeri liet de vraag rusten en nam een slokje wijn.

“Precies.”

“Dus? Gaan we op avontuur?”, vroeg Marith.

“We zullen wel moeten,” zei Joeri.


Alpaca (2) Een wereld in de mist

Joeri herinnerde zich zijn kennismaking met het meisje al te goed, ze kwam in gezelschap van haar moeder naar school. Ze woonden nog maar net in de stad, alleenstaande moeder. In het begin leek het alsof haar huid meer kleur had dan in latere jaren, toen ze echt bleek was geworden, niet eens wit, maar een soort kalkgrijs, erg onnatuurlijk. Hij vroeg een collega of ze meer wist, maar die haalde haar schouders op. Erg veel hoorde hij er niet over, het was een erfelijke aandoening, ze verdroeg geen zonlicht. Enkele maanden terug bleek ze in zijn klas te zitten, dus begon hij er voorzichtig over. Marith droeg haar lange haren meestal in een staart, omdat ze anders helemaal een spookachtig voorkomen zou hebben.

Hé, hij was gesprongen om te voorkomen dat hij zou veranderen in een geknotte wilg. Toch spookten er herinneringen door zijn hoofd en hij was nog steeds aan het vallen.

Ongetwijfeld.

Niettemin zou hij zich niet eens bewust mogen zijn van de val, aangezien hij het bewustzijn was verloren. Er zou een diep donker gat van onwetendheid moeten hangen in zijn brein dat eindigde als hij zijn ogen opende en misschien zou dat nooit meer gebeuren – misschien was hij dood. Het zou best wel eens mogelijk kunnen zijn dat zijn lichaam op een rotspunt terecht was gekomen, zodat hij nu alsnog heel langzaam veranderde in een struik. Waren er duidelijke regels in deze vreemde wereld? Natuurlijk waren er regels, hij moest ze leren kennen, ondanks zijn kapotte knie, zou hij de regels van het spel goed kunnen leren en een spel kon je winnen en verliezen.

Zijn val eindigde in een rivier, of zee, of een meer, hij had geen flauw idee, maar Joeri kwam bij kennis, opende zijn ogen, begon te hoesten en zwemmen, anders zou hij alsnog verdrinken. Armen voelden erg zwaar aan, hij voelde iets bij zijn rechtervoet en maakte een langzame trappende beweging, zwom verder en voelde de aarde onder zich verschijnen.

Hij ging staan, viel meteen neer, drukte zich omhoog, maar miste de kracht om te gaan staan, dwong zichzelf om alsnog omhoog te komen, terwijl hij de overslaande stem van zijn trainer hoorde galmen, die er niet was, niet hier, wel in een andere wereld. Joeri vloekte enkele malen, strompelde, struikelde, tot hij besefte dat de golven naar zijn enkels leken te willen happen, maar zover niet kwamen. Hij was gered en leefde nog altijd. Er glom een grijns op zijn gezicht die snel verdween, hij liet zich vallen, eerst op de knieën, daarna zakte hij weg in de duisternis.

Toen hij wakker werd, lag hij half op een duin, was hij zijn schoenen kwijt en staarde hij ook nog eens in het gezicht van een onbekende tandeloze man die de broekriem van Joeri probeerde los te maken. Erg moeilijk, schijnbaar had hij dat nooit eerder gedaan. Joeri aarzelde geen seconde en prijsde zichzelf gelukkig, omdat geen van zijn leerlingen hem konden zien – hij balde een vuist en sloeg de rover keihard in het gezicht – er klonk een schreeuw – de man viel achterover, maar Joeri stond snel op, want hij zag ook het stalen lemmet van een mes glimmen. Oké. Nu werd het dus echt vervelend. Hij bukte en nam een handvol los zand, wel wachtte hij op de rover die besluiteloos toekeek, het leek alsof hij niet durfde. Een stuk verderop lagen zijn schoenen en sokken in het zand. Joeri was op tijd wakker geworden.

“Maak dat je wegkomt!”, riep Joeri met harde stem.

“Ik hou de schoenen en – je sokken.”

“Nee, ik weet iets beters, je mag levend vertrekken,” reageerde Joeri. “Wat dacht je daarvan?” Hij trok een smerig dreigend gezicht waarmee hij vroeger zijn tegenstanders op de atletiekbaan wist te imponeren. Dus omlaag getrokken wenkbrauwen, een luide stem, borst vooruit, zijn tegenstander strak aankijkend, ja, het was ronduit intimiderend, zo kende zijn leerlingen hem niet. Het werkte gelukkig wel. “En laat je mes vallen. Dat is nu van mij.” Joeri had geen idee wat voor plek dit was, een vreemde wereld, andere regels, maar toch ook niet zo heel veel anders dan thuis. Menselijke roofdieren en aaseters had je overal. De rover zonder naam liet zijn mes vallen, draaide zich om en begon heel hard weg te rennen. Joeri glimlachte heel even, maar trok snel een ernstig gezicht, hij mocht niet genieten van andermans zwakheden. Het was belangrijk weer thuis te komen, tenzij hij languit in Mariths huis lag.

Hij ging zitten en trok zijn schoenen aan, de stank van zijn aanvaller hing nog een beetje om hem heen. Voor het eerst nam hij de tijd om zijn omgeving te bestuderen. Ja, hij bevond zich op een strand. Het was heel goed mogelijk, zelfs zeer waarschijnlijk, dat er ergens een zon in de lucht hing, maar niet zichtbaar. Dichte wolkenluchten hingen laag boven de zee, heel vreemd overigens, duinen als bergen onttrokken een onbekend land aan zijn zicht. Het was een avontuur waar hij aan was begonnen zonder het ook te willen. Marith had hem gedwongen tot een spel en hij zou het spelen. Misschien had hij buiten moet blijven, aangezien het meisje alleen thuis was – de moeder werkte waarschijnlijk, maar dat bleef onzeker. Wat nou als de moeder net zoveel ergernis had opgewekt? Marith zou dezelfde type ijzige kou hebben losgelaten en haar naar een andere wereld hebben geslingerd. Of wat Marith ook had gedaan, een meisje dat een heel gevaarlijk talent had, Joeri zou een hulpdienst moeten bellen, uitleggen wat er was voorgevallen, als hem dat al was gelukt en hij had beslist voorgangers gehad die hetzelfde hadden geprobeerd en totaal waren mislukt. Hij strikte zijn veters, stond op, keek om zich heen.

Er was een rover geweest, een tandeloze vent, niet eens zo vreselijk oud zelfs, een twintiger, dus mocht Joeri veronderstellen dat er ergens een dorp of stad moest zijn. Daar woonde vast wel iemand die hem wilde helpen. Dat hoopte hij dan toch, anders had hij een probleem. Hij begon te lopen, zocht het natte gedeelte van het strand. De duinen waren echte reuzen die hoog boven zijn hoofd uittorenden, hoger dan hij thuis gewend was. Wolkenpartijen probeerden langs hellingen naar de toppen te klimmen, maar eindigden slechts als een miezerige neerdalende regen, zodat zijn kleren klam aanvoelden. Joeri overwoog naar boven te klimmen, naar de top van een van de duinen, maar hield vast aan zijn eerste plan – een dorpje of stad te vinden.

Er rolden dikke mistwolken over de golven, al bleven ze wel op afstand, de temperatuur daalde merkbaar, hij voelde een rilling over zijn rug gaan en keek regelmatig opzij, aangezien hij net iets te vaak vreemde silhouetten van onbekende monsters leek te zien. Natuurlijk vertelde hij zichzelf dat het allemaal verbeelding was, toch bleef hij op zijn hoede – Marith had hem naar een gevaarlijke wereld geslingerd. Soms bleef hij stilstaan en probeerde de bewegingen van zo’n onbekend beest te volgen, de onvoorspelbaarheid maakte het ontzettend moeilijk. De kou was blijvend en hij had een betere jas nodig, een sjaal, misschien zelfs handschoenen en een muts. Hij had zijn armen over elkaar geslagen en liep steeds sneller, maar ook hongeriger verder. Joeri begon zich af te vragen waar de onbekende aanvaller was gebleven. Er viel nergens een stad te bekennen. Het strand leek nog vele tientallen en misschien zelfs honderden kilometers door te kunnen gaan. Hij vond een afgekloven been, zelfs een voet, schoon gevreten door een onbekend monster – het been lag op het strand – verder niets – Joeri wilde niet direct aan het ergste denken, zoals kannibalen, hij zou onmogelijk kunnen zeggen of het been er al heel erg lang lag.

Terwijl hij naar de beenderen stond te staren, een beetje gefascineerd, dat ook wel, begon de branding ineens veel meer lawaai te maken dan normaal. Het werd ook kouder, een smerige lucht stroomde in zijn richting, Joeri keek naar links en zag een wijd opengesperde muil snel dichterbij komen – enorm groot, glanzend grijsgrauw lichaam, heel gestroomlijnd ook, maar gevleugeld, zodat hij zich bijna een meter boven de golven voort kon bewegen. Joeri begon hard weg te rennen, hoopte dat het voldoende zou zijn, omdat de muil van het onbekende beest rijk was aan scherpe tanden die hem makkelijk zouden kunnen verscheuren als Joeri te traag zou zijn.

Het monster draaide vrij plotseling naar links – Joeri bleef weer staan en hield het mes goed vast, alsof dat ook zou helpen, als hij niet snel genoeg was geweest. 

“Als je je tanden nou vaker zou poetsen,” zei Joeri die hijgend naar het monster staarde dat op een haai leek, maar enorm veel groter dan een haai zou kunnen zijn. Bovendien beschikte dit beest over een paar klauwen. Een golf van stank rolde er over het strand, het dier brulde nijdig en sloeg met zijn enorme vleugels die hem de spanwijdte van een straaljager gaven. Joeri negeerde het beest verder en besloot over het rulle zand te gaan lopen, erg lastig, maar het moest wel. Voordat er een nieuwe aanval zou volgen. Hij zou immers niet altijd even op zijn hoede zijn, mogelijk nog slechter opletten dan daarnet, toen hij het been stond te bestuderen. Zijn leerlingen zouden het een afschuwelijke bezigheid hebben gevonden. Meester Joeri die een afgekloven mensenbeen bestudeerde.

Het begon al een beetje donker te worden, de onzichtbare zon zakte weg in – zoals hij hoopte – het westen, zoals dat op aarde ook het geval was. Zijn maag gromde behoorlijk, hij had honger en voorlopig leek het erop dat zijn dag eindigde onder een bewolkte hemel, terwijl er zich onbekende monsters in de mistwolken schuilhielden – ja, erg vervelend.

De verlossing kwam vrij onverwacht, Joeri ontdekte rookluimen die krachteloos omhoog cirkelden, een dorp, een stad misschien zelfs, er woonden mensen die eten bereidden boven open vuren of zich lekker warmden. Hij begon sneller te lopen. Het strand eindigde bij een stadsmuur die begon in het water en verdween in de duinen. Geen huizen die boven de muur uitstaken, wel een koepel die ongetwijfeld aan een tempel of paleis toebehoorde, want zo waren mensen nu eenmaal – ja, natuurlijk stonden er huizen.

Joeri begon langzamer te lopen – twee schildwachten hielden hem belangstellend in de gaten, maar vergaten evenmin er zeer ernstig bij te kijken, alsof ze ook echt de belangrijkste personen in de stad waren.

“Ik – eh – zou verder willen gaan,” zei Joeri, omdat de schildwachten een slagboom neer hadden gelaten. Ze droegen een zwaard en lieten ook een hand rusten op het handvat.

“Doe je mond eens goed open, zodat ik even kan kijken,” zei een soldaat die vlak voor Joeri ging staan.

Joeri wilde vragen waarom hij dit moest doen, maar vond het verstandiger domweg te gehoorzamen, hij kende de spelregels in deze vreemde wereld niet. Hij deed met andere woorden wat hem gevraagd werd.

“Tjonge,” zei de soldaat, “keurig netjes, je bent anders dan de zwervers die normaal binnen willen.”

“Ik ben van een andere wereld.”

“Beheers je een ambacht waarmee je ons geliefde vaderland van dienst kunt zijn?”, vroeg de soldaat.

“Nou ja,” zei Joeri, “ik ben onderwijzer.”

“Dat zou me niets verbazen,” zei de soldaat, die erbij lachte, zijn kameraad deed de slagboom omhoog, zodat Joeri verder kon lopen. Verderop stonden er twee gekruiste vaandels die de toegang markeerden – Joeri wilde gewoon doorlopen, maar durfde niet goed.


Alpaca (1) Mensen als geknotte wilgen

Gewoon een meisje. Ze viel nooit op. Een middelmatige leerlinge op school. Erg stil ook, een onderwijzer zou haast vergeten dat ze in zijn klas zat. Marith vond het, zoals veel leerlingen, vervelend om voor de klas te verschijnen en een rekenopdracht te maken, al had ze er weinig moeite mee. Meisje met een bleek gezicht, ongezond zelfs, ze lachte nooit, had sluik en donker, bijna zwart haar en heldere blauwe ogen. Tijdens de gym werd ze altijd als laatste gekozen. Niet populair, ze had geen vriendinnetje.

Op een dag bleef Marith thuis, wegens ziekte, aldus haar moeder, die ’s ochtends naar school had gebeld. Meester Joeri belde twee dagen later op, wilde horen of zijn leerlinge zich alweer beter begon te voelen, maar de telefoon werd niet opgenomen.

Aangezien het adres aan zijn route grensde, besloot hij er maar eens langs te rijden. Op de fiets. Het  was geen gewoonte van meester Joeri om zieke leerlingen thuis op te zoeken, toch vond hij het beter om nu eens af te wijken van de regel. Hij had uiteraard ook een mailtje gestuurd naar de moeder. Gisteren viel het hem op dat de gordijnen gesloten waren, het huis zag er sowieso uit alsof er niemand woonde. Daarom wilde hij nu stoppen, aanbellen en wachten tot de moeder, of Marith zelf, de deur open zou doen. Ondertussen vroeg hij zich af of het niet veel te vroeg was om aan een onverwacht thuisbezoek te beginnen.

Het bleke uiterlijk van Marith was te danken aan een overgevoeligheid voor zonlicht. Daarom kwam ze weinig buiten, of zocht als eerste de schaduw op. Meester Joeri had de moeder van Marith wel eens gevraagd of er geen behandeling mogelijk was, veel meer dan een verhaal over vitamine D kreeg hij niet. “Een familiekwaal,” zei Mariths moeder. Zo vader, zo dochter.

Hij tikte de standaard omlaag en keek om zich heen, misschien waren er signalen die hij eerder had gemist. Het was eerder intuïtie dan verstand die hem ertoe had gebracht een tussenstop in te lassen. Normaal hoorde hij niemand praten over Marith tot vanochtend, toen enkele leerlingen spraken over een engerd. Ze bedoelden Marith ermee. Alsof haar bleke uiterlijk een brandmerk was geworden. Hij had gevraagd wat ze precies bedoelden. Het duurde zelfs een flinke tijd voordat een jongen durfde te antwoorden, want zo leek het toch wel een beetje te zijn, vond meester Joeri. Het jongetje zei dat hij haar hand een keer had vastgepakt, een grapje, vervolgens had hij losgelaten. Marith bleek de koudste handen te hebben die hij ooit had gevoeld. Hij was ervan geschrokken.

Uiteraard dacht meester Joeri aan een symptoom van haar lichamelijke afwijking, of beperking, de reden waarom ze ook niet in de zon mocht komen, net als haar eigen vader. Hij speelde met het sleuteltje van zijn fiets en belde aan. Ondertussen keek hij om zich heen, afwachtend, zoekend, mogelijk stak er zo meteen iemand zijn hoofd uit het raam, een ernstig gezicht van een man die hem bezwoer weg te gaan, aangezien hij hier niets te zoeken had. Hij wilde alleen weten hoe zijn leerlinge het maakte en de moeder reageerde niet op een telefoontje of e-mail.

De deur bleef dicht, meester Joeri wachtte erg lang, bijna vijf minuten en er gebeurde helemaal niets. Zijn fantasie toonde het moment waarop Twan de hand van Marith vast had gepakt, een ijskoude hand. “Ze leek wel dood, meester Joeri,” had de jongen geroepen. Ja, precies zo had hij het gezegd. Alsof de jongen ooit de hand van een dood mens had vastgehouden. Het zou kunnen, maar meester Joeri betwijfelde of dat ook echt het geval was geweest. Hij draaide zich om en liep terug naar zijn fiets. Hij hoorde een slot. De voordeur ging open en Marith stond in de deuropening. Ze droeg geen schoenen of slippers. Er viel een zonnestraal over haar blote voeten, zodat ze direct weer een stap achteruit deed, wel stak ze haar hoofd een stukje vooruit.

“Dag Marith!”

“Hoi, meester Joeri.”

“Hoe gaat het?”

“Goed, hoor.”

“Is je moeder thuis, Marith”

“Nee.”

“O? Is ze aan het werk”

Ze schudde ontkennend haar hoofd, terwijl meester Joeri een voet op de drempel zette en vroeg: “Mag ik binnenkomen. Ja? Dat is toch geen probleem, denk ik?” Zijn intuïtie had hem verteld dat hij dit moest doen, aanbellen, lange tijd wachten en hopen dat er iemand opendeed, het liefst de moeder in gezelschap van Marith. Nu trof hij een meisje aan dat kennelijk alleen thuis was. Erg jong trouwens om alleen thuis te zijn. Ze was negen jaar oud. “Waar is je moeder? Heb je enig idee waar ze heen is gegaan?”

Ze haalde haar schouders op. Pure onwetendheid. Of ze speelde het. Meester Joeri sloot de deur achter zich en direct nam er een vreemde, maar broeierige, warme duisternis bezit van het huis.

“Is het altijd zo donker?”, vroeg hij.

“Ja.”

“Waar is je moeder?”

Opnieuw haalde ze haar schouders op. Ze had geen idee.

“Heeft ze een mobiele telefoon, zodat we kunnen bellen?”

“Ik ben echt ziek geweest, hoor, meester Joeri.”

“Dat geloof ik ook wel,” zei hij. “Je moeder heeft gebeld.” Haar gezichtsuitdrukking veranderde vrij plotseling, zijn vragen leken haar ineens te ergeren, zoiets. Gefronste wenkbrauwen. Hij voelde een ijzige kou die ze verspreidde en nergens vandaan kwam, of ze moest zelf de bron zijn. Hij deed een stap achteruit, maar de deur was echt gesloten, hij struikelde over het matje en hield zich vast aan het kozijn – een boom – een kozijn – nee, toch een boom. Zijn hart bonsde vreselijk. Joeri ging recht overeind staan, want hij dacht aan een klas vol kinderen. Hij bevond zich ergens anders, heel ver weg, zo leek het. “Hé! Hallo?”

Hij hield een hand voor zijn mond en keek om zich heen, hij zag allemaal bomen, een enorme vlakte en vele duizenden bomen, zonder bladeren, alsof het allang winter was geworden. Kleine bomen, ze leken op wilgen die net waren geknot. “Wat is dit?”

Hij zocht een verklaring die er niet kon bestaan, want dit was te ongelofelijk voor woorden. Meester Joeri deed enkele stappen en moest veel moeite doen om niet te struikelen, dus bleef hij alsnog haken achter een dikke wortel, maar hij wist een tak vast te grijpen die afbrak – hij viel neer en hoorde een vreselijke gil.

Hij veegde zijn gezicht schoon, gebruikte daarvoor een mouw van zijn sweater. Het viel niet meteen op dat er bloed over de rug van zijn hand sijpelde. Joeri stond op, zag het bloed en liet het takje los dat hij vast had gehouden. Er stroomde bloed uit. Hij staarde naar de boom, ja, er droop dik, donkerrood bloed omlaag. “Zeg eens boom… Ben je echt?” Hij dacht aan boeken die hij ooit had gelezen, allemaal fantasy natuurlijk, verhalen over een hel die mensen hadden bedacht. Waarschijnlijk had hij het bewustzijn verloren en lag hij languit in de gang, want hij het had gewaagd om het huis van Marith te betreden. Joeri begon te lopen, heel langzaam, alsof hij niet eens durfde. Voorzichtig zette hij zijn voeten neer en probeerde de dikke wortels te vermijden. Glimmende druppels vormden zich op de boomstammen, stroomden omlaag – hij zag het gebeuren, durfde geen nieuwe takjes af te breken.

“Waarom. Ben. Jij. Anders?”

“Dat weet ik niet. Zie je, ik ben nieuw,” antwoordde Joeri die zich schaamde, omdat hij zoekend om zich heen moest kijken en hij zocht de man zocht die hem aansprak. Maar er waren geen mensen. Wel groeide er bomen die in de verte aan mensen herinnerden. “Je moet het me niet kwalijk nemen,” zei hij.

“Vertel. Het. Haar. Mar-ith. Nooit. Meer. Doen.”

Er volgde een diepe zucht die deed vermoeden dat de onbekende spreker dodelijk vermoeid was geraakt. Zware druppels vermengd met een rode vloeistof, ongetwijfeld bloed, die langs de stam dropen.

Joeri meende de sprekende boom te hebben ontdekt. “Kunt u me alsjeblieft vertellen hoe ik weer thuis kom?” Heel even spreidde hij zijn armen. Het was een volstrekt raadsel. “Ik ben hier onbekend.”

“Lo-pen. Naar. Klif. Dan. Sprin-gen.”

Eerst twijfelde hij, maar Joeri durfde geen nieuwe vragen meer te stellen. Het putte de boom veel te veel uit. Om die reden ging hij verder, liep voorbij bomen die ooit en mogelijk niet zo lang geleden gewone mensen waren geweest. Ze huilden en bloedden.

Na een wandeling van bijna een uur, bereikte hij de klip die de boom eerder moest hebben bedoeld. Joeri liep zover mogelijk door en staarde omlaag – het uitzicht ontnam hem de adem – een onpeilbaar diepe afgrond met vlijmscherpe punten van rotsen en verder naar beneden hingen er dichte wolken, zodat hij niet eens wist waar hij terecht zou komen, misschien begon hij een val die nooit eindigde en zou hij tijdens zijn val van honger en dorst om het leven komen. Hij keek over zijn schouder en zocht de bomen die achter hem stonden. Kleine hoofden, brede schouders, armen die probeerden te groeien. Behalve bomen die menselijker waren dan Joeri ooit had durven dromen, was er gewoon niks. Geen supermarkt die zijn kant-en-klare maaltijden verkocht. Als het een droom was, zou er sowieso niets kunnen gebeuren.

‘Waarom ben jij anders?’ Een vraag die de boomman had gesteld, dreunde na in het hoofd van Joeri. Het was een goede vraag geweest. Kennelijk had hij in een boom moeten veranderen. Een uitzondering op de regel en elke uitzondering was interessant. Hij voelde zich niet anders. Op school was hij een aparte verschijning, als enige man tussen louter vrouwen.

‘Springen!’

Meester Joeri boog zijn vingers tot een vuist, voelde een pijn die hij niet eerder had gehad, hij staarde naar zijn pink en bleef staren, want zijn pink was in een takje veranderd. Hij zou geen schijn van kans hebben als hij bleef en beslist in net zo’n boom veranderen als alle anderen. Er bestonden geen uitzonderingen op de regel in – de hel van Marith. Of zag hij het verkeerd? Het meisje wist niet eens wat ze aanrichtte. Daarom nam hij de beslissing. Meester Joeri deed enkele stappen achteruit. Wachten betekende veranderen in een boom, dus moest hij maken dat hij wegkwam. Een keuze maken. Hij begon te rennen en sprong – heel ver – zo fit was hij wel. Daarna begon hij te vallen.

Al spoedig verloor hij het bewustzijn.


Faking it (4/5)

‘I am sorry that I am unable to murder the whole damned human race’

Volgende morgen parkeerde hij op het gebruikelijke tijdstip zijn auto op het terrein van zijn school – er hingen plukjes journalisten rond die zich bij de hoofdingang hadden verzameld – zelfs cameraploegen – Marvin begreep dat zijn oude vriendschap met Brad in het openbaar was gekomen. Hij vloekte niet eens, maar accepteerde dat zijn naam, Marvin de Waal, dè oudst levende bekende van Brad was – alle anderen waren dood of verdwenen. In de ochtendkrant las hij ook al een stukje over de moeder die jaren geleden spoorloos was verdwenen. Moord werd als een aannemelijke verklaring beschouwd.

Marvin pakte zijn schooltas steviger vast en begon naar de ingang te lopen.

“Mijnheer De Waal! Dat bent u toch? Mijnheer De Waal – Wilt u commentaar geven op de affaire rond de Metal Machine Killer.” Microfoons werden onder zijn neus gehangen – hij keek rond, maar de microfoons leken gigantisch groot te zijn. “U bent toch een goede vriend van Bradley Molensteen?”

Marvin zocht naar woorden en stelde vast dat hij slechts onzinnige clichés zou kunnen uitspreken. Elke vraag lokte een nieuwe uit, zo bleef hij bezig en zou hij nooit een punt kunnen zetten achter de kwestie.

Toch wilde hij één ding zeggen. Op televisie. Een gedachte die halverwege de nacht, na enkele uren woelen en staren naar het plafond, was opgekomen.

“Of ik een vriend ben geweest van Bradley Molensteen, tja, dat zul je aan hem moeten vragen,” mannen en vrouwen, alle journalisten luisterden aandachtig, misschien hadden ze zelfs geen commentaar verwacht, “misschien was hij alleen goed in – faking it.” Zeven, misschien acht verschillende mannelijke en vrouwelijke stemmen vroegen wat hij daar precies mee bedoelde. Een nieuwslezer had een kwartier geleden nog verteld dat de forensische politie niet kon zeggen om hoeveel slachtoffers het ging – ze waren met andere woorden nog aan het tellen, want dat betekende het. “Als hij werkelijk schuldig zou blijken te zijn – hetgeen nog moet blijken – dan weet ik niet met wat voor man ik al die jaren aan de bar heb gehangen.”

“Wat gaat u tegen de politie zeggen?”, vroeg een verslaggever. Geen idee voor die de man werkte.

Marvin forceerde een glimlachje. “Mocht de politie met vragen komen – dan zal ik die stuk voor stuk en heel zorgvuldig beantwoorden.”

Ondertussen wurmde hij zich langs een cameraman en wist het gebouw binnen te komen, een geblokte conciërge wist te voorkomen dat de journalisten verder zouden kunnen lopen. Marvin slaakte een kort zuchtje. Het was goed gegaan. Hij had geen domme opmerkingen gemaakt, alleen de verwijzing naar ‘faking it’ was misschien onverstandig geweest, want ze zouden op zoek gaan de herkomst ervan.

Hij betrad de lerarenkamer en liet zich op een wankele stoel neervallen – zijn tas plofte op de vloer.

Daphne, een lerares biologie, iets ouder dan Joanne, ging naast hem zitten en vroeg: “Faking it?” Kennelijk was het live, of bijna live op televisie geweest. Een minuutje om het gebouw binnen te komen, een lange gang, jas uittrekken, tas oppakken, nou ja, alles bij elkaar misschien een minuutje of vijf. Lang genoeg om de beelden op je telefoon te volgen.

Een collega van de sectie Nederlands nam ook plaats. Ze bestudeerde hem met dezelfde vragende ogen.

“Ik kon niet slapen – vannacht – toen ben ik naar beneden gegaan en heb zitten googelen. Seriemoordenaars, hun gedrag, psychologie, zulke dingen. Want ik wilde het gewoon weten. Ik vond een site over Ted Bundy, beruchte moordenaar, dertig bekende slachtoffers. Hij was met name goed in – faking it, doen alsof je een goede vriend bent en je ook zo gedragen, terwijl het je in werkelijkheid geen ruk interesseert – of nee – hij voelt er niks bij – maar hij doet alsof en verschaft zich daarmee het alibi van een maatschappelijk leven. Doen alsof.”

“Je bedoelt dat zo’n man als het ware een persoonlijkheid uitzoekt, dus iemand die hij wil zijn, waarna hij die man ook inderdaad is geworden,” zei Daphne die zijn uitleg aandachtig had gevolgd.

“Kan dat? Bestaat zoiets echt?”, vroeg Alice, zoals de collega heette die net als Marvin Nederlands gaf.

“Kennelijk,” zei Marvin. “Daarna kon ik pas slapen. Toen lukte het. Al ben ik er echt compleet ziek van.”

“Het verbaast me een beetje dat Joanne je heeft laten gaan,” zei Daphne. “Ik had je thuis gehouden.”

“Marvin laat zich niet makkelijk tegenhouden,” zei Alice, “al heb je misschien wel een beetje gelijk.”

“Het lukt wel,” zei Marvin. “Het leidt af.”

“De leerlingen willen ook alles weten, net als wij,” zei Alice die een aangename glimlach liet zien.

“Fragmenten, meer kan ik niet vertellen. Dat is alles.” Hij zat een beetje onderuit gezakt op de stoel. “Ik wacht wel af, ook als de recherche me wil spreken. Zoveel vrienden heeft Brad nou ook weer niet, mensen die hem al zo’n lange tijd kennen. Eentje.”

“Misschien vragen ze je wel voor Pauw, of Tan,” zei Daphne. “Mag je daar alles vertellen wat je weet.”

“Beslist niet. Dat heb ik mezelf beloofd. Nee.”

“Ik zou gaan,” zei Daphne.

“We hadden gisteravond afgesproken, een paar biertjes drinken samen, het was al een tijd geleden. In het café las ik dat hij de politie hem had opgepakt.”

Er ging een bel, Marvin pakte zijn tas en kwam overeind. “Aan de slag, beste mensen. Afleiding,”

“Daar zorgen de jongelui wel voor,” zei Daphne.

Er hing een bijna plechtige stilte in de klas, alsof hij vooraf al een moeilijke vraag had gesteld. Hij liet zijn tas op de vloer vallen, tegen het bureau aan.

“Goedemorgen,” zei hij. Een reactie golfde door het klaslokaal, niet erg overtuigend, de deur stond open, zoals altijd, want zo hadden ze het afgesproken op school, geen geheimen in de klas. Hij verwachtte elk ogenblik een vingertje – van een leerling – die min of meer namens de groep dè vraag zou stellen en nu eens wel moeite leek te hebben met zijn of haar vraag. Marvin had nooit gezegd dat hij Bradley echt kende.

En – ja. Inderdaad. Een vinger. Maartje. Natuurlijk.

“Mijnheer – ik wilde iets vragen – Klopt het dat u – dat u Bradley Molensteen persoonlijk – kènt?”

“Ja,” antwoordde hij – ondertussen ging hij op de rand van zijn bureau zitten – zijn favoriete plekje. “Al heel lang zelfs. Sinds de basisschool, nou ja, vroeger noemden we dat een lagere school. Ja, ik ken hem al heel lang.” Hij moest zich nog diplomatieker uitdrukken dan normaal, veel minder uitgesproken zijn. “Ik ben misschien nog verbaasder dan jullie, omdat ik hem al zo lang geleden hebben leren kennen.” Er ging een geroezemoes door de klas die snel wegstierf. “En als jullie willen weten of ik ooit iets heb gemerkt, verdenkingen heb gehad, dan zeg ik ronduit ‘nee’.”

“En dat boek dan?”, vroeg een jongen die Freek heette. “Ze zeggen nu dat het echt gebeurd is.”

“Er zijn meer boeken over moord en doodslag, daarmee is het nog niet automatisch waar gebeurd.”

Het gesprek eindigde na bijna vijftien minuten. Hij herhaalde hoofdzakelijk wat hij eerder al had gezegd. Soms moest hij een paar woorden inslikken – leerlingen gingen aan het werk – hij besprak het huiswerk dat ze hadden moeten doen. Marvin liep rond, legde nog wat details uit en herinnerde zich plots een gesprek dat ze ooit, heel lang geleden, hadden gehad – in de klas. De onderwijzer vroeg zijn leerlingen wat voor werk ze wilden doen – als ze groot waren geworden. Marvin herinnerde zich ineens het antwoord van Bradley.

“Soldaat, mijnheer.” Links en rechts klonk er wat gegniffel van leerlingen, maar het werd spoedig stil, nadat de onderwijzer een strenge blik had opgezet.

“Waarom?”

Bijna veertig jaar later gleed er alsnog een koude rilling langs de ruggenwervels van Marvin.

“Dan kun je ongestraft mensen doodschieten.”


Faking it (3/5)

          ‘I believe the only way to reform people is to kill them’

Marvin stapte uit de bus, terwijl de herinnering aan Brad, voorzitter van een club voor eenzame harten, maar niet wilde verdwijnen. Zijn vrouw zou zich mogelijk verbazen wegens het vroege tijdstip, omdat hij had aangekondigd rond middernacht thuis te zijn. Zodra hij het halletje betrad, riep hij: “Ik ben er weer!” De stem van Joanne klonk in de huiskamer. Hij hing zijn jas aan de kapstok, trok zijn schoenen uit en ging verder, maar pakte geen biertje. Nog niet.

“Je bent vroeg,” zei Joanne. “Wat is er gebeurd?”

Zoon Richard zat te studeren, dochter Mandy bracht haar avond door bij een vriendin, een straat verderop.

Marvin liet zich neerploffen op de bank, net iets te hard, Joanne fronste haar wenkbrauwen, wilde er wat van zeggen, maar wachtte af. “Hij – eh – Brad is gearresteerd – eerder vanavond – als je meer wilt weten, dan moet je op internet kijken. Ik heb een berichtje gelezen over een vrouw die beweerde tegen haar wil te worden vastgehouden in zijn huis. Ze heeft een telefoon te pakken kunnen krijgen en gebeld.”

“Lieve hemel.” Joanne pakte haar iPad van tafel en begon direct te zoeken naar berichten die er inmiddels in overvloed moesten zijn. “Jee,” mompelde ze. “Hier staat dat hij mogelijk de Metal Machine Killer zelf is geworden of al die tijd geweest. Politie schijnt er stoffelijk overschotten – meervoud – te hebben aangetroffen, er is as we speak een onderzoek bezig.”

“Onbevestigde berichten,” zei Marvin.

“Politiekringen.”

“Ik ben in elk geval niet van plan om carrière te gaan maken als ‘vriend van Bradley Molensteen’,” zei hij.

“We mogen bezoek verwachten van de recherche,” zei Joanne, terwijl ze haar iPad opzij legde.

“Zeker – het lijkt me heel redelijk om te veronderstellen dat de recherche tracht te begrijpen wat  voor persoonlijkheid hij in werkelijkheid is – ik ken hem erg lang – ruim veertig jaar. Een verdomde lange tijd. En dan blijk je hem nog niet te kennen.”

De deur zwaaide open en Richard kwam binnen.

“Hé, pap, ik hoor net dat Brad is gearresteerd,” zei hij en de verwondering glom op zijn jonge gezicht.

“Daar hadden we het juist over,” zei Joanne.

“Hij is dus echt de Metal Machine Killer.”

“Geen idee,” zei Marvin, “dat soort dingen laat ik graag aan de politie en het openbaar ministerie over.”

“Je kent hem toch al heel lang, pap?”, vroeg Richard.

“Sinds de basisschool, dat toen nog lagere school heette,” zei Marvin, “stil, terug getrokken ventje, geen schim van de persoonlijkheid die hij later zou worden. Je zou hem vermoedelijk niet herkennen, ik heb nog ergens een jeugdfoto liggen van Brad en mij samen.”

“En nooit iets gemerkt?”, vroeg Joanne. “Ik niet overigens, maar zo vaak heb ik hem nooit gezien.”

“Nee,” zei Marvin. “Hoewel.” Hij zuchtte diep. “Brad had een versiertrucje die hij gebruikte bij vrouwen, bijvoorbeeld als ze alleen in een café waren – ik ben er twee, misschien drie keer bij geweest – in de loop der jaren.” Marvin legde een hand op zijn buik. “Eerst verontschuldigde hij zich voor zijn brutaliteit, zo begon hij, daarna vertelde hij over zijn club voor eenzame harten – hij was voorzitter en enig lid. Hij had zich ten doel gesteld eenzaamheid te bestrijden.”

“Het zegt niets over de schuldvraag,” zei Joanne.

“Zodra je de Metal Machine Killer erbij gaat betrekken, wordt het plotseling doodeng – horror.”

“Denk je dat schuldig is – zoals er nu wordt gezegd?”, vroeg Richard die zich ineens een diplomaat toonde.

“Eén ding heeft me altijd geërgerd,” zei Marvin, “overigens – je mag dit hoogstens met je zus bespreken. Duidelijk?” Richard knikte met zijn hoofd. “Zijn moeder – die vast heeft gezeten wegens moord – is op een bedevaart gegaan, aldus Brad – het is duidelijk dat ze haar voornemen destijds heeft rondgebazuind, er waren veel mensen op de hoogte die haar zelf hebben horen vertellen dat ze weg zou gaan. Vervolgens is ze ergens in Frankrijk verdwenen. Ik heb Brad in de loop der jaren verschillende verhalen horen vertellen over zijn moeder en wat er van haar terecht is gekomen, allemaal anders en dus mag je concluderen dat ze vrijwel allemaal door hem zijn verzonnen – leugens.”

“Wat denk je dan dat er is gebeurd, pap?”

“Ik durf daar niet over te speculeren.”

“Oudere mensen die Brad van vroeger kennen, school en zo, vragen wel eens naar zijn moeder,” zei Joanne, “omdat ze op bedevaart is gegaan. Soms hoor je dat ze waarschijnlijk al jaren in een klooster moet zitten.”

“Serveerster, prostituee, non, ik heb alles gehoord in de loop der jaren, dus allemaal gelogen,” zei Marvin.

“Laten we maar gewoon afwachten,” zei Joanne.

“Precies,” zei Marvin.

“Mm, ik ga weer naar boven – studeren,” zei Richard.

“En hou je een beetje op de vlakte,” zei Joanne.

“Het kan sowieso wel eens vervelend worden,” zei Marvin.

Richard trok de deur achter zich dicht en ging naar boven – zijn voetstappen werden al snel onhoorbaar.

“Een club voor eenzame harten,” zei Joanne.

“Alsof hij het – de eerste keer – ter plekke had verzonnen,” zei Marvin, “misschien ook niet en zocht hij gewoon naar een kans. Hij liet me domweg zitten.”

’s Avonds om half twaalf lag hij op bed, maar slaagde er niet in om de slaap te vatten – Joanne las een boek. Diverse nieuwszenders, maar ook kranten, spraken al over een ‘horrorhuis’ – Bradley M. leek een veroordeling niet eens meer te kunnen ontlopen en zou nooit meer op vrije voeten komen, aldus de tendens in vrijwel alle media. Twitter ging helemaal los, Brad was een trending topic geworden. Toch verraadde het geheugen van Marvin, dat erg goed was, geen incidenten die wezen op een afwijking. Afgezien van het boek Metal Machine Killer, maar dat werd als fiction verkocht – natuurlijk. Bijna zestien jaar geleden was het verschenen en veroorzaakte het een publicitaire storm die sinds vele jaren al niet meer was voorgekomen. Minister van Cultuur moest zeggen dat hij het niet wilde verbieden – censuur was geen goed signaal. Brad beledigde niet God, maar zo ongeveer de complete mensheid en vierde zijn roem. Marvin ging op zijn rug liggen – Joanne liet haar boek zakken en keek opzij.

“Ik lig al een hele tijd te zoeken naar signalen – ik bedoel – zo dom ben ik nu ook weer niet – ooit moet je toch – op één of ander moment – iets zijn opgevallen.” Zijn stem klonk harder dan hij wilde.

“De kinderen liggen al wel te slapen,” zei ze.

“Sorry.”

“Het is verontrustend dat ook de politie zich kennelijk niet geroepen voelt om alle verdenkingen tegen te spreken – het ging om een vrouw die tegen haar wil werd vastgehouden, nu blijkt dat ze is gevlucht naar de buren, die hebben de politie gebeld. Bradley is aangehouden, er is een onderzoek begonnen in zijn huis.” Ze liet een korte pauze vallen. “Wat hebben ze in vredesnaam allemaal in zijn huis gevonden?”

“Dode mensen – lichamen.”

“En je hebt nooit iets gemerkt?”

“Nee.”

“Dat is toch vreemd?”

Wel herinnerde hij zich een gesprek dat ze ooit hebben gevoerd – Marvin en Brad – het ging over zijn boek. Het was toen al een bestseller. Ook begon het duidelijk te worden dat er geen tweede zou volgen.

“We hebben ooit gesproken over seriemoordenaars,” zei hij, “nou ja – hij sprak, ik luisterde alleen. Hij stelde een vraag. ‘Weet je hoe een seriemoordenaar zijn slachtoffer uitzoekt?’ Uiteraard moest ik het antwoord schuldig blijven. ‘Hij kijkt naar de manier waarop een vrouw beweegt, zoals ze loopt. Daar heb ik iets over gelezen. Ik moest het maar eens uitproberen. Misschien zag ik het dan.”

“En?”, vroeg Joanne.

“Nee. Geen flauw idee. Een oude vrouw die haar tas probeert te beschermen – ja – zoiets snap ik heel goed – maar dat andere – nee.”


Faking it (1/5)

‘What’s one less person on the face of the planet?’

Het regende niet eens meer zo hard, maar het ging al wel enkele uren door en het had eerder nog geplensd. Er lagen grote plassen op de weg die flink omhoog spatten als er een auto passeerde. Koplampen weerspiegelden strak schijnende lichtbundels op drijfnat asfalt. Hij stapte uit de bus en zette de kraag van zijn jas omhoog. Thuis leek de regen mee te vallen, maar nu hij over het plein liep, dacht hij er beslist anders over. Hij had afgesproken met Brad, een oude vriend, voor het eerst sinds lange tijd. Ze zouden een paar biertjes drinken in hun oude stamkroeg. Normaal deed hij zoiets niet middenin een werkweek – afspreken in de kroeg – maar voor Brad maakte hij een uitzondering. Vroeger kende hij het menu uit zijn hoofd, want ze serveerden er goede maaltijden. In tegenstelling tot twintig jaar geleden zouden de vaste stamgasten vreemden voor hem zijn.

Hij opende de deur. Er zaten nauwelijks bezoekers binnen. Hij telde er vijf. Brad was er nog niet, of hij zou op het toilet moeten zitten. Marvin knikte naar de kastelein die hem leek te negeren, of de kans te geven zich eerst rustig te nestelen op een krukje. Marvin knoopte zijn jas los en bestelde een biertje. Misschien zou hij straks wat te eten bestellen. Het was lang geleden. Hij wierp een snelle blik op het menu en stelde vast dat ze nog steeds dezelfde saté met frites serveerden. Marvin legde de kaart opzij en glimlachte.

De kastelein zette een biertje neer, een vaasje, zoals het heette, want in de woonplaats van Marvin werden er geen Amsterdammertjes getapt.

“Weinig veranderd,” zei Marvin.

“Kwam je hier veel?”, vroeg de kastelein.

“Ja, lang geleden.”

“Afgesproken met iemand?”

“Vriend van me.”

“Wil je wat te eten bestellen?”, vroeg de kastelein.

“Misschien. Straks.”

“Het kan tot half tien.”

“O, dan heb ik tijd zat.”

Brad en Marvin kenden elkaar al heel lang. Ze waren elkaar voor het eerst tegengekomen bij op school – daarna middelbare school. Ze wisselden periodes af waarin ze erg veel contact hadden, maar er konden ook makkelijk jaren voorbij gaan met slechts een kerstkaartje als teken van leven. Bijna zestien jaar geleden was Brad gedebuteerd als schrijver van een thriller – Metal Machine Killer – dagboekaantekeningen van een seriemoordenaar – dus veel scholen hadden het boek om die reden verboden – je had sterke zenuwen nodig om het in één keer uit te lezen – journalisten stelden de vraag waarom het boek per se uitgegeven moest worden. Het boek behaalde spectaculaire verkoopcijfers, ook in het buitenland, al kreeg het daar dezelfde controversiële ontvangst. Brad leefde er goed van. Hij vertoonde zich bij voorkeur met knappe, jonge vrouwen – blondines, brunettes en roodharigen.

Kleine groepjes mannen en vrouwen betraden het café – langzaam begon het drukker te worden. Een televisiescherm hing op een prominente plek, zodat de voetbalwedstrijd gevolgd zou kunnen worden – straks – Champions League – nu nog niet. Marvin nam een slokje bier en zette het glas zorgvuldig terug. Hij checkte zijn telefoon op eventuele berichten, maar Brad kwam de afspraken altijd na – hij zegde nooit af.

“Die had je vroeger niet,” zei Marvin die naar het beeldscherm keek, een oud-voetballer gaf commentaar op wat een mooie wedstrijd moest worden, een cabaretier luisterde aandachtig. De kastelein tapte enkele verse biertjes en rekende af – een briefje van tien euro lag op de tap die al nat was.

“Dit is geen voetbalcafé, maar veel mensen komen er wel voor,” zei de kastelein, die zijn schouders ophaalde. “Ik vind het prima – het loopt lekker vol.”

Seconden en minuten tikten weg. Op het televisiescherm zag Marvin voetballers die zich klaarmaakten voor de wedstrijd. Hij controleerde nog eens zijn telefoon en verstuurde een app. ‘Waar blijf je? Zo meteen begint het voetbal en ik wil weg hier.’

De kastelein staarde aandachtig naar het toestel van Marvin. “Hij laat wel een tijdje op zich wachten – die vriend van jou.” Het klonk alsof hij het ook echt vervelend vond. De kastelein spoelde enkele vuile glazen om. “Hoe laat hadden jullie afgesproken?”

“Acht uur,” zei Marvin.

“Bijna driekwartier,” stelde de kastelein vast.

“Ja, erg laat.”

Om kwart voor negen begon de wedstrijd. Marvin liet zich van zijn kruk glijden en zocht een afgelegen plek. Hij was niet voor het voetbal gekomen en het irriteerde hem dat Brad hem liet zitten. Zonder bericht. De kastelein zette een vol glas voor hem neer. Marvin legde een briefje van vijf euro neer, terwijl zijn telefoon begon te trillen – een appje van Brad, nee, een flashbericht van de NOS. Hij liet het wisselgeld in zijn broekzak verdwijnen en las de woorden die er stonden – Marvin las het berichtje verschillende malen voordat de boodschap doordrong. ‘Succesvolle thrillerauteur Bradley M gearresteerd.’ Hij drukte zijn duim op de regel en las het complete bericht. ‘De 47-jarige Bradley M. is eerder vanavond door de politie gearresteerd. Waarvan hij wordt verdacht, wilde de politiewoordvoerder niet zeggen. Volgens anonieme bronnen werd er eerder vandaag een noodoproep gedaan vanuit het huis van de auteur. Een nog onbekende vrouw zei dat ze tegen haar wil werd vastgehouden door Bradley M, die bekend is geworden door een thrillerroman die als omstreden bekend staat.’ Marvin vloekte enkele malen, maar slaagde erin de woorden binnensmonds te houden.

Bradley Molensteen, de schrijver van Metal Machine Killer, zat in een gevangeniscel en zou zijn afspraak met vriend Marvin nooit na kunnen komen. Hij klemde zijn vingers om het koude, natte glas en nam een slok – zijn ogen vonden de kastelein die hem korte tijd aanstaarde. Het moest een vergissing zijn geweest. Of had hij weer ergens zo’n Oost-Europese stoephoer vandaan gehaald, zoals altijd, die vervolgens rare ideeën had gekregen? Zo achterlijk waren die wijven nou eenmaal niet. Brad woonde in een mooie, zeer grote villa, hij had ongetwijfeld iemand gevonden die geld wilde zien, een royale schadevergoeding, een loze beschuldiging.

In het toilet van Brad hingen citaten van seriemoordenaars, mannen en vrouwen die vaak vele tientallen slachtoffers hadden gemaakt. Voor de auteur van Metal Machine Killer scheen het heel normaal om zoiets te doen. Terwijl Marvin stond te pissen, las hij woorden die koude rillingen langs zijn ruggenwervels lieten glijden. So what’s one less? What’s one less person on the face of the planet?’ Woorden van seriemoordenaar Ted Bundy – Marvin las het briefje, toen hij zijn gulp omlaag deed. Hij kon er nog smakelijk om lachen. Er hingen meer briefjes. John Wayne Gacy, Carl Panzram, Jeffrey Dahmer.

Toen was het een spel geweest dat hoorde bij een boek, nu leek het ineens bloedserieus te zijn. 

Een nog onbekende vrouw zei dat ze tegen haar wil werd vastgehouden door Bradley – .’

Brad was schuldig, nee, hij was onschuldig.

De briefjes, de citaten waren onzin, een gimmick.

Marvin pakte het glas en dronk het in één teug leeg.

“Wat is er?”, vroeg de kastelein die over de bar hing.

“Slecht nieuws,” zei Marvin.