Tagarchief: feuilleton

Het andere leven van Cayenne (8/11)

De oma van Cayenne woonde in een eenvoudige woning die langs een modderige sloot was gebouwd. Iets na drie uur ’s middags zette Cayenne haar fiets in de voortuin, ze hoefde niet eens aan te bellen, want haar oma had allang de deur open gedaan. Eenmaal binnen hing ze haar regenjack over een stoelleuning en gaf haar oma een zoen op elke wang. In de vensterbank lag een poes te slapen die behalve een wit sikje helemaal zwart was. “Ik heb van je moeder gehoord dat je problemen hebt met geesten die zonder jouw nadrukkelijke toestemming je hoofd binnendringen en dat gebeurt uiteraard wanneer je als mens op je zwakst bent, namelijk tijdens je slaap.” Zonder iets te zeggen had Cayenne plaats genomen, ze knikte een keer, terwijl oma haar verhaal afstak. “Da’s erg vervelend. Heeft je moeder al verteld dat ik tot mijn twintigste jaar hetzelfde heb gehad? Uiteraard ging dat niet vanzelf, ik heb hulp gehad.”

“Een mevrouw heeft iets aangeboden,” zei Cayenne.

“Wil je zeggen wie dat is geweest?”

“Anne Madsen. Ze heeft een dochter die Andrea heet. Ze wonen in de flat – het reservaat – u weet wel.”

“Wat heb je je moeder daarover verteld?”

“Weinig.”

Voordat oma reageerde, vroeg ze: “Lust je thee?”

“Ja – lekker.”

Bijna vijf minuten later stonden er twee dampende mokken thee op tafel. Oma nam plaats en vouwde plechtig handen. “Wat weet je van de bewoners?”

“Best veel inmiddels.”

“En dat is?”

“Nou – er wonen heksen, reuzen en dwergen, feeën, weerwolven, een halfengel, een vampier – o ja – ik zou bijna het monster van Frankenstein vergeten die heet Victor en is in werkelijkheid een aardige man.”

Heel tevreden knikte haar oma met haar hoofd. “Goed – heel mooi, ja.” Om vervolgens een medaillon uit haar sweater te trekken die er voor Cayenne erg bekend uitzag – er had net zo’n exemplaar bij mevrouw Madsen op tafel gelegen. “Toen ik twintig jaar was, kreeg ik dit van een zekere Annabel Madsen. Rood haar, dat had ik ook indertijd. Nu ben ik alleen nog maar wit. Vast en zeker de oma van de vrouw die jij Anne noemt. Een sterke heks en ik ben er bijna van overtuigd dat ze hulp heeft aangeboden. Destijds heb ik die gewoon geaccepteerd, nooit spijt gehad, geen seconde. Ik adviseer je hetzelfde te doen. Of je moet het leuk vinden dat geesten je ’s nachts komen kwellen met hun onvoltooide levens. Je krijgt er snel genoeg van.”

“Dat heb ik al. Bijna tenminste. Ik wil weten hoe het verhaal afloopt. Daarna ga ik het medaillon vragen.”

“Heb je de thee al gedronken?”

“Ja, de eerste keer. Dat bedoelt u, denk ik.”

“In dat geval weet je dat het geen neuzelverhaal is.”

“Dat is het zeker niet,” zei Cayenne die een slokje thee naam en zeker wist dat ze een simpele kruidenthee dronk. “Hoe bent u bij mevrouw – hoe heette ze ook alweer – Annabel Madsen terechtgekomen? Er was toen nog geen reservaat.”

“Mijn vader – jouw overgrootvader – kende iemand die Annabel kende, een goede sterke heks.” Oma begon te lachen, een mooie schaterende lach. “Ja, onze familie zou er zich zeker thuis hebben gevoeld.”

“Het is vreemd om het leven van Carlijn mee te maken – elke nacht opnieuw – zo heette ze, getrouwd en zwanger van haar eerste kind, maar net zo oud als ik – haar leven was ineens voorbij. Een vriendin van me vond het raar, omdat ik voor een rood stoplicht stond te wachten en dat doe ik anders nooit. Nu denk ik dat je inderdaad plotseling weg kan zijn.”

“Ondanks de rottige dingen die we soms meemaken, leef ik liever vandaag dan 1000 jaar geleden – of zo.”

Even dacht Cayenne dat haar oma misschien dezelfde beelden – verhalen – had gezien, toen ze nog een meisje was – ze wist goed dat het niet op een natuurlijke manier op zou houden – de geesten bleven komen. “Het was de bedoeling, hè? Ik moest tot de conclusie komen dat ik dat medaillon moest dragen.”

“Precies. Anders heeft het geen zin.”

Zo ging het gesprek nog eens anderhalf uur verder, hoewel er al snel andere verhalen door werden verteld – eenmaal vroeg Cayenne naar het andere leven van haar oma, maar die ontweek de vraag heel handig en zei dat het nog veel te vroeg was. Iets na half vijf stapte ze op haar fiets en reed naar huis, al overwoog ze een bezoekje te brengen aan mevrouw Madsen.

Nou. Vandaag niet, misschien morgen.

Eén belangrijke vraag bleef tot dusverre onbeantwoord, aangezien Cayenne wilde snappen waarom de demon het nodig had gevonden om Adam te veranderen in een handlanger en de ridders tegen de dorpsbewoners ten strijde te laten trekken. Wie zou het anders gedaan hebben? De vraag stellen was hem beantwoorden.

Thuis zette ze de fiets in de berging, ze pakte de lift naar boven en wandelde even later rustig over de balustrade – het was nog te licht voor Nosferatus, die zou zich zeker niet laten zien. Misschien zag ze hem wel nooit meer.

Zodra ze de voordeur opendeed, begreep Cayenne dat er visite was en natuurlijk kwam het vaker voor, maar nu was het toch een verrassend bekende dame die ze minder snel in hun woonkamer had verwacht. Het waren Anne Madsen en haar dochter Andrea. “Hé – hallo – Is me dat een verrassing, zeg,” zei Cayenne.

“Ja, ik heb rond moet bellen, het kostte wel wat tijd voordat ik je moeder had gevonden en kon vragen of we eventjes langs zouden moeten komen,” zei mevrouw Madsen die een opvallend moderne telefoon liet zien, als een trofee, iets van een andere wereld, maar dat was natuurlijk volkomen onzinnig.

“Ik twijfelde nog of ik u op moest komen zoeken,” zei Cayenne die plaatsnam en haar schoenen uittrok.

“Vandaag – dat is beter.”

“Je moet hem echt gaan dragen, hoor,” zei moeder.

Het medaillon lag op tafel, net zo eentje als oma had gedragen. “Net als oma, want die draagt dezelfde.”

“Het gaat op recept en de dwergen smeden het metaal dat erbij hoort – zo is het altijd gegaan,’ zei mevrouw Madsen, “nu heeft Andrea het brouwsel gemaakt, ze moet het ook leren, al ben ik er steeds bij geweest, want het is toch spannend voor de eerste keer.”

“Afgelopen nacht ging wel,” zei Cayenne.

“Je komt, als ik het goed heb, aan het eind van een droomcyclus en we moeten voorkomen dat er direct een nieuwe begint, want het is toch best verslavend.”

“Omdat je wilt weten hoe het afloopt.”

“Precies,” zei mevrouw Madsen, “al weet je het einde al, omdat het je is verteld door Nosferatus en je hebt het lichaam gezien van Carlijn. Tegelijkertijd ben je eigenwijs genoeg om het medaillon weg te leggen, aangezien je nieuwsgierig bent naar het laatste deel.”

“Maar ik wil gewoon weten waarom het is gebeurd.”

“En de mensen in het kasteel,” zei mevrouw Madsen die de zin niet afmaakte, toch was het duidelijk dat ze doelde op de onschuldigen die er ook werden gedood.

“Dat vind ik minder erg dan die van het dorp.”

Net na zes uur vertrokken moeder en dochter Madsen. In de deuropening beloofde Cayenne langs te komen, volgens de weerberichten zouden er nog een paar zonnige mooie dagen volgen en Andrea wilde haar zeker nog een uitgebreide rondleiding geven en de drie jongens ontmoeten die ze in het begin had gezien, toen Dionne erbij was geweest. Een uur later stond het eten op tafel, het was een vegetarische maaltijd en de avond vergleed in een kalme rust, zelfs Netflix wist daar weinig aan te veranderen. Om kwart voor elf ging ze naar bed, ze poetste haar tanden en begroef zich zorgvuldig onder het dekbed, maar het medaillon had ze in een la van het nachtkastje gestopt.

Zoals gewoonlijk viel ze pas na een kwartier in slaap.

Er heerste grote onrust in het kasteel, aangezien er een flinke brand was uitgebroken in het klooster, sinds korte tijd waren er donkere rookwolken zichtbaar, zodat een groepje ruiters poolshoogte was gaan nemen. Zo’n grote afstand hoefden ze niet eens af te leggen, misschien een halve dag heen en terug.

Toch duurde het lang voordat ze terugkeerden – mensen begonnen zich al zorgen te maken en slechts één man slaagde erin om thuis te komen – zijn kameraden waren één voor één afgeslacht tijdens de terugweg.

De overlevende slaagde er niet in te vertellen hoe er brand was uitgebroken in het klooster, dus nadat alle monniken waren verbrand en de abt was gekruisigd… Er waren nog een paar muren blijven bestaan, de rest was wèg.

Heel even verdwenen alle beelden die zo vertrouwd waren geworden en in haar bed draaide ze zich om en ze opende zelfs haar ogen, maar viel ook vrijwel meteen weer in slaap. Door onbekende ogen kreeg ze zwarte rookpluimen te zien, het waren de ogen van een onbekende vrouw op de muren van het kasteel. Zowel het dorp als het veel verder weg geleden klooster leken nog altijd te branden of het vuur zou als een hongerig monster naar het bos zijn overgesprongen.

Toch vond Cayenne geen gedachten die erop duidde dat haar gastvrouw medelijden kende, ze scheen het hooguit vervelend te vinden dat de monniken overvallen waren door een duistere kracht, maar het bewees ook dat ze niet vroom genoeg waren geweest, dus was het hun eigen schuld.

In het westen zorgde de ondergaande zon voor een bloedrode gloed in de lagere luchtlagen en over roerloze boomtoppen.

Cayenne ontdekte een donkere nevel die zich bijna ongemerkt naar het kasteel bewoog en snapte ook direct wat het moest betekenen, het was Nosferatus wiens honger naar dood en vernietiging nog lang niet was bevredigd. Haar gastvrouw negeerde het fenomeen en ging een ruimte binnen die er aanvankelijk primitief uitzag, maar later toch meer luxe leek te kennen dan Cayenne had gedacht. Ze ontdekte wandkleden, er brandde een prettig vuur en het eten zou snel worden opgediend, een voorgerecht.

Er klonk een harde schreeuw, het was iemand die in doodsnood verkeerde, vrijwel onmiddellijk werd het weer stil, maar Cayenne geloofde dat het slachtoffer verdronk in zijn eigen bloed… daarna werd het stil.


Het andere leven van Cayenne (7)

Struikelend en vallend rende hij door het bos, het was Adam die zich afvroeg hoe hij hier in godsnaam terecht was gekomen. Ver weg in het heden snapte Cayenne goed dat er geen nieuwe beelden van Carlijn zouden volgen, aangezien ze dood was. In plaats daarvan kreeg ze Adam die om een onbekende reden het dorp was ontvlucht en hij begreep zelf niet eens waarom hij dit had gedaan. Er scheen helemaal niets aan de hand te zijn, het was een normale nacht, wel hadden ze gisteravond feest gevierd vanwege een goed geslaagde oogst. Zo vaak hadden ze geen reden voor een uitbundig dorpsfeest. Terwijl de zon op moest komen, rende Adam letterlijk voor zijn leven dat niet eens bedreigd werd door ridders, nee, er bevond zich iets heel anders in het duistere bos en Cayenne snapte dat het om de geheimzinnige vrouw moest gaan met wie ze eerder al kennis had gemaakt.

Een onbekende tijd later bereikte hij het klooster dat werd omgeven door ondenkbaar hoge muren, al snel begon hij op de toegangspoort te bonken – hij probeerde de aandacht van de monniken te trekken door hard te schreeuwen, maar niemand reageerde. Het bleef stil achter de deur en muren, alsof er niemand aanwezig was, hij keek regelmatig over zijn schouder, omdat hij zeker wist dat zijn achtervolger hem inmiddels achterhaald moest hebben. Hij liet zich op de droge bodem zakken en vloekte binnensmonds. Waarom had hij zijn vrouw alleen gelaten? Voor het eerst dacht hij terug naar het moment waarop hij wakker werd – toen Adam zich bewust werd van een gevaar dat er dreigde – niet alleen voor hemzelf, maar iedereen in het dorp. Het was een bovennatuurlijke kracht – een kwaadaardige demon.

Weglokken – hij had geprobeerd de demon af te leiden – misschien zou hij alle levens kunnen redden, maar zijn angst nam toe, bijna per seconde, omdat hij zich steeds beter bewust werd van de dreiging die hen allemaal – elke man, vrouw en kind – boven het hoofd hing. Het was ook het werk van de demon geweest. In gedachten slaagde hij er bijna in om te zien hoe het dorp werd overvallen door een stel ridders die gewoon waren misleid. Het was zinloos, zoals elke vorm van geweld altijd zinloos bleef.

In de ochtendschemering zag hij de onbekende gedaante heel langzaam dichterbij komen, hij voelde een ongekende kou, alsof het januari was, middenin de winter, maar het was eind augustus. Door een voorzichtige opkomende zon leek ze soms te verdwijnen in het licht, het was een demon, een vrouw, maar geen echte vrouw, zoals de zijne, want ze had geen kloppend hart en ademde ook niet echt.

Het was een vermomming die de demon gebruikte, om mannen nieuwsgierig te maken. Ze boog voorover, haar schaduw viel over hem heen, het voelde nog kouder dan al het was geworden en er druppelde bloed van zijn hand dat lekker smaakte en warm was, alsof hij nooit meer last zou kunnen krijgen van de kou. Niets zou hem nog kunnen deren. De eerste druppels bloed gingen verloren, vielen in het zand en op zijn arm, daarna probeerde hij het op te vangen – hij opende zijn mond en dronk het bloed dat de demon hem gaf – hij bedacht dat de demon omgekeerd een mannelijke gedaante had aangenomen als het slachtoffer een vrouw zou zijn geweest – een andere mogelijkheid drong zich niet aan hem op. “Blijf niet bij het klooster, als het licht is geworden, zullen ze je proberen te doden, anders zal de zon het voor hen doen. Verstop je in het bos, begraaf jezelf in de aarde, want overdag mag je je nooit vertonen.” Lichtstralen vielen over de kaal gemaakte vlakte rond het klooster, de demon draaide zich om en verdween in het bos en Adam wist zeker dat hij uiteenlopende gedaantes en namen bewust werd van het ding dat hem zojuist had gevoed. Hij krabbelde overeind, verloor zijn belangstelling voor het klooster, maar voelde tegelijkertijd de brandende kracht van de zon. Ook al begreep hij niet eens wat er gebeurde, toch was zijn wil om te overleven sterker – hij rende terug naar het bos – om zich in de aarde te verbergen tot het donker was geworden – vanavond – de transformatie die in volle gang was, kon geen seconde verhinderen dat hij zich zorgen maakte over zijn vrouw en ongeboren kind die allebei – dat wist hij wel zeker – dood waren.

Toen Cayenne wakker werd, dacht ze maar één ding.

Het was volkomen absurd. Geen uitleg. Helemaal niets. Een onbekende bloedzuigende demon veranderde een onschuldige man in een monster. Al werden ze door een liefde met elkaar verbonden die 1000 jaar geleden had bestaan, Cayenne had hem in zijn duistere kelder opgezocht en gevoeld dat ze vreemdelingen probeerden te zijn. Het probleem was nu juist dat Cayenne alles had gezien, bijna in real time. Zijn liefde lag dood in een kist. Enkele minuten staarde ze naar het plafond, vandaag weigerde ze zomaar – gewoon – naar school te gaan.

Ongeveer tien minuten later besloot ze toch uit bed te komen, douchte sneller dan normaal en ging naar beneden. Haar moeder had het wel een beetje verwacht, deed niet eens zo moeilijk, omdat Cayenne veel meer tijd had nodig gehad dan andere ochtenden.

Niks bijzonders op school. In haar verbeelding probeerde Cayenne nu en dan te zien hoe Nosferatus ’s avonds zijn schuilplaats zou verlaten en wraak ging nemen op degenen die de slachting hadden mogelijk gemaakt. De heerlijkheid Westrivier had slechts korte tijd bestaan, er moest een reden voor bestaan waarom ze plotseling uit de geschiedenis was verdwenen. Komende nacht zou de afronding volgen van dat verhaal en ze hoopte niet al teveel van Nosferatus’ rooftochten te hoeven zien in de komende maanden.

Een leraar Engels merkte op dat ze minder goed oplette dan gewoonlijk. “Ik heb niet zo’n goede nacht gehad. Slecht geslapen. Da’s alles.” Daarmee hield ze het onderwerp voor gesloten, want eerlijk zeggen wat ze ’s nachts allemaal te zien kreeg deed ze niet meer.

Ze waren onderweg naar huis, toen Dionne vroeg: “Ik wou dat je gewoon zou vertellen wat je dwars zit.”

“Dromen – daar heb ik momenteel last van.”

Blijkbaar vond Dionne de reactie van Cayenne een grote openbaring, want ze stopte met fietsen en zette zomaar een voet aan de grond – een oudere man die veel haast leek te hebben begon hard te vloeken – de meiden negeerden hem. “Heb je dat nog steeds?”

“Ja.”

“Wat droom je dan?”

“Nou – gewoon – iemand die 1000 jaar geleden heeft geleefd en afgelopen nacht is vermoord door ridders en volgens mij kreeg ze een zwaard in haar rug.”

“Maar da’s hartstikke eng! Wat zei je moeder?”

“Die vindt ik misschien naar een psycholoog moet.”

“Ik snap dat wel een beetje – dat ze dat zegt.”

Heel geleidelijk en licht slingerend begonnen ze weer te fietsen, het leidde ertoe dat nog een andere man begon te schelden. “Het wordt nu allemaal beter. Hoop ik.”

Toch weigerde Cayenne te vertellen dat ze in het reservaat was geweest, ze vertrouwde Dionne volledig, maar wist niet helemaal zeker of ze haar mond zou kunnen houden over mevrouw Madsen en Andrea, Nosferatus in zijn donkere kelder. Dionne was een aardige meid, een goede vriendin, maar ook een geweldige kletskous die beslist een artikel zou willen schrijven als ze daarmee het krantje kon halen.

“Vast wel,” zei Dionne die een rood stoplicht negeerde, terwijl Cayenne bleef wachten. “Kom nou! Ze rijden je echt niet ondersteboven, hoor.” In haar brein flitste het idee dat ze in werkelijkheid eveneens om het leven zou kunnen komen, als ze niet oppaste.

Dus trok ze een nijdig gezicht en wachtte op groen.

“Dank je wel, ik ben plan heel oud te worden.”

“Soms kan ik je niet volgen, dan doe je iets wat je nooit eerder hebt gedaan, zoals wachten voor rood.”

Zo gingen ze verder – het gesprek dat ze voerden veranderde van toon en tenslotte namen ze afscheid.

“Tot morgen!”, riep Dionne.

’s Avonds keek ze lange tijd naar een serie op Netflix, verveelde zich ergens halverwege ook een beetje. Het werd saai en voorspelbaar, zodat ze iets na elf uur naar bed ging. Moeder riep: “Niet meer dromen!” Het was een minder geslaagd grapje, want ze was het net vergeten. Nadat ze haar tanden had gepoetst, liet ze zich op haar bed vallen. Een deel van haar hoofd stak nog boven het dekbed uit, ze draaide zich naar links.

Een groot stenen gebouw met lange brede gangen, het was er donker en toch slaagde ze erin om details waar te nemen. Er lagen mannen bewegingsloos op de vloer – in plassen bloed – het was meer dan de man nodig scheen te hebben – zijn honger was gestild. Het moest Nosferatus zijn die na zonsondergang het klooster was binnengedrongen en het een goed idee had gevonden om alle monniken te vermoorden en hun bloed te drinken, maar hij raakte snel verzadigd. Als een geest zwierf hij door de gangen, omdat hij zeker wilde zijn dat niemand had weten te overleven. Een man zonder hartslag en ademhaling. Vampier.

Wat ze te zien kreeg, was niet eens een echt verhaal, maar rauwe flitsen, als herinneringen die de eeuwen hadden overleefd in het brein van een ondode. Zoals de geest van Carlijn eeuwenlang had rondgezworven voordat ze een geschikte gastvrouw had gevonden.

Omstreeks twee uur werd ze even wakker, ze ging naar de keuken om een glaasje melk te drinken. Anders dan gisteren was ze niet eens van streek. Ze had het verwacht, het lag in de lijn der verwachtingen.

Moeder verscheen in de deuropening. “En?”

“Hij is wraak aan het nemen.”

“Op wie?”

“Iedereen die hem in de weg staat.”

“Je klinkt erg rustig.”

“Ach, ik had het een beetje verwacht.”

“Tja, dan nog.”

“Het is zo vermoeiend, mam, ik zit er echt niet op te wachten, het zijn de verhalen van iemand anders.”

“Misschien moest je eens met je oma praten, want ze herkent er vast een heleboel van, al heeft ze andere dingen gezien en meegemaakt, vroeger waren mensen niet zo begripvol als je met zulke dingen kwam. Het werd gesust – met de mantel der liefde toegedekt – haar ouders hoopten maar dat het vanzelf over zou gaan.”

“En? Gebeurde het?”

“Ja – tuurlijk.”

Zo simpel was het niet. “Oma sprak er niet over.”

“Precies. Voor je het wist zat je in een gesticht.”

“Dionne weet dat ik droom, niet waarover.”

“Een leuke meid, Dionne. Maar ook een kletskous.”

“Weet ik.”

Cayenne zette het lege glas op het aanrecht. “Ik ga naar bed, anders ben ik morgen opnieuw te laat.”

Korte tijd later lag ze in bed, draaide zich op haar linkerzij en sloot haar ogen – of zakte al spoedig weg in wat een nieuwe droom beloofde te worden. In de verte herkende ze een kasteel, maar Nosferatus had niet zijn menselijke gedaante aangenomen – hij vloog – een tikje onhandig misschien, maar hij was aan het vliegen en het kasteel was zijn einddoel – daar woonden de moordenaars van zijn vrouw – kind – dorpsgenoten – vooral de dood van Carlijn zorgde voor een storm die een begin had, maar geen einde.


Het andere leven van Cayenne (6)

De dagen erna ging ze gewoon naar school en er was in het weekend niks bijzonders gebeurd, geen opwindende zaken die ze met Dionne wilde bespreken, omdat ze dan naar het reservaat wilde gaan, aangezien Cayenne er de mensen kende.

Voor de ontmoeting met Nosferatus had ze zich nooit zo druk gemaakt over haar dromen, vanaf zondagavond betrapte Cayenne er zich op dat ze toch een beetje liep te piekeren over wat er ging volgen. ’s Avonds ging ze haar tanden poetsen, naar bed en lag vervolgens opnieuw enige tijd naar het plafond te staren – naar de duistere schaduwen die er nu waren.

Toch was het geen angst, al leek het alsof er zich onbekende bloed drinkende wezens in het donker schuilhielden, sinds ze in de kelder van Nosferatus was geweest. Na een slordige drie kwartier viel ze in slaap en belandde Cayenne in de andere wereld – die van Adam en Carlijn, maar dan wel voordat het noodlot toesloeg. Dat zou echt gebeuren. Kennelijk was het een fijne warme dag geweest en ze braadde een varken aan het spit, ze hadden een goede oogst binnengehaald en iedereen was vrolijk, aangezien ze de winter eenvoudig zouden doorstaan.

In haar slaap probeerde ze zoveel mogelijk onder haar dekbed weg te kruipen, hoewel er geen echt gevaar dreigde en ook mevrouw Madsen had niets gezegd dat ze ergens bang voor hoefde te zijn.

Onbekende wezens in de schaduwen van haar kamer, misschien hielden ze zich onder haar bed verborgen.

Cayenne trachtte te onthouden dat er feest werd gevierd in het dorp – een gedachte die zich postvatte in haar onderbewustzijn – maar het dorp en zijn bewoners raakten heel geleidelijk op de achtergrond – in plaats daarvan kwam ze op een onbekende plek terecht in het bos – waar het licht amper wist door te dringen. Nu eens een jonge vrouw, dan weer een heel oude – het was verwarrend, maar Cayenne slaagde er niet in om een goed beeld te krijgen van haar nieuwe gastvrouw. Soms moest ze onder een omgevallen boom doorkruipen en dat ging heel eenvoudig, korte tijd later kostte het erg veel moeite om zelfs te bukken.

Slechts eenmaal stapte ze in een ondiepe plas water. Er werd een vrouw zichtbaar met een tijdloos gezicht. In eerste instantie vroeg Cayenne zich af of ze haar al eens eerder had gezien en stelde toen vast dat ze het toch echt zelf was – ze begon te lachen – in de droom, een wereld die al zeker 1000 jaar niet meer bestond – ze lachte haar tanden bloot waarbij ze twee lange hoektanden zag die ze met een vampier associeerde. Heel even dacht ze bloed te zien dat via de onderkin op een jurk droop die kort geleden nog sneeuwwit was geweest.

Het was al bijna vijf uur toen ze wakker schrok – ze wierp een blik op de wekker en liet haar hoofd terugvallen op haar kussen. In het appartement bleef het stil. Ook moeder bleef gewoon slapen en Cayenne bedacht dat mevrouw Madsen gelijk had gekregen – ze opperde al eens dat ze ook de levens van andere personen kon waarnemen – iets wat Cayenne nog nooit had meegemaakt – misschien kwam het door Nosferatus en had ze een herinnering gekregen die stilletjes was weggeslopen uit zijn onderbewustzijn.

Nu duurde het bijna een kwartier voordat ze erin slaagde de slaap te vatten en bijna ongemerkt zakte ze weg en belandde in wat het einde bleek te zijn van het dorpsfeest waarbij een aantal mannen dronken waren geworden – haar echtgenoot Adam oogde nuchter. Vrouwen hadden elkaars gezelschap opgezocht, net als de kinderen die weg dienden te blijven uit het bos. Niemand had dit met zoveel woorden uitgesproken, maar het begon donker te worden er waren nu eenmaal taboes in de andere wereld, die van Carlijn.

Na zonsondergang behoorde het bos toe aan de duivel en zijn trawanten. Voor het eerst in haar leven wist ze zulke dingen. Het moest Nosferatus zijn geweest. Zou het nu voortaan altijd zo blijven gaan? Om herinneringen op te vangen, als een radio-ontvanger?

Goed beschouwd vond ze de terugkeer van Carlijn een verademing, het zorgde ervoor dat ze veel opgewekter aan de ontbijttafel zat dan een dag eerder. Ondanks het feit dat het maandagochtend was, er lag een lange saaie schoolweek voor de boeg en haar nachten beloofden erg kort, maar boeiend te worden.

Zoals ze al verwachtte vroeg Dionne hoe haar weekend was geweest en Cayenne had besloten dat ze alles mocht vertellen behalve de waarheid. “Erg saai,” antwoordde ze, “ik heb echt helemaal niets gedaan.” Natuurlijk waren ze goede vriendinnen, maar de wereld van mevrouw Madsen en haar flatbewoners vormden een plek die Cayenne het liefst voor zichzelf wilde houden, hoewel het erg vervelend zou worden als Dionne er ooit achter zou komen dat ze er vaak kwam.

Uiteraard verliep de dag in eenzelfde vertrouwde sleur, goed opletten en meedoen, nooit indutten, zorgvuldig aankruisen wat de belangrijke onderwerpen zouden zijn met het oog op het examen.

“Ik vind je erg afwezig,” zei Dionne, “je zegt weinig.”

Zo dom was Dionne nou ook weer niet, het was haar dus toch wel opgevallen dat er iets aan de hand was.

“Voel me niet lekker,” zei ze.

“Daarom heb je dit weekend dus ook niks gedaan.”

“Denk het.”

“Moet je naar een dokter, denk je?”

“Nee, het gaat vanzelf wel over.”

Vroeger dan normaal lag ze in bed en het duurde net als de dagen ervoor erg lang voordat ze de slaap wist te vatten. Net als Carlijn. Heel even wist Cayenne zeker in welk hoofd ze terecht was gekomen, verleden week was het nooit zo’n probleem, sinds haar ontmoeting met Nosferatus wel. Net als Carlijn draaide ze onrustig in haar slaap. Alles leek normaal. Ze opende haar ogen en zocht Adam, maar die was opgestaan – hij was verdwenen. Normaal stond hij nooit zo vroeg op, aangezien het buiten schemerde – de dag moest nog beginnen – gisteravond hadden ze feest gehad, dus iedereen zou later opstaan. Iemand begon te schreeuwen. “Ridders!” Het was vreemd, want ze zouden hen juist moeten beschermen. Het was wel degelijk een overval. In haar nachtjapon ging ze kijken, ze voelde een vieze hinderlijke rook – als van een brand. Diverse huizen stonden inmiddels in brand en de meeste mensen hadden zelfs de kans niet eens gezien om weg te komen. Ze waren levend aan het verbranden. “Naar het bos! Breng jezelf in veiligheid!” In de tussentijd stond ze half verdwaasd naar Adam te zoeken – haar sterke betrouwbare partner.

Door het dorp galoppeerden ridders, mannen die bebloede zwaarden vasthielden en nieuwe slachtoffers schenen te zoeken, het was tijd om niet langer na te denken en inderdaad de afzondering van het bos te zoeken – weg te rennen – niet nadenken. Natuurlijk bleef ze veel te lang staan, maar tenslotte wist ze de controle over haar voeten terug te krijgen en begon ze op haar blote voeten naar het bos te rennen – ze dacht aan Adam – en haar ongeboren baby.

Niet helemaal onverwacht – of toch wel een beetje – voelde ze een scherpe pijn – een hard scherp voorwerp drong in haar rug en Carlijn viel voorover.

In de eenentwintigste eeuw kwam Cayenne happend naar adem overeind – ze schreeuwde heel hard en het was geen woord, maar een woeste brul, omdat Carlijn 1000 jaar geleden als een beest was afgeslacht en ze wist niet eens waarom de ridders naar het dorp waren gekomen, terwijl praktisch iedereen nog lag te slapen.

“O – mam – help – ze hebben iedereen vermoord!”

Het was een kwestie van seconden – zoveel tijd had haar moeder nodig om in de slaapkamer van Cayenne te komen – ze liet zich op bed vallen – en ondertussen hapte Cayenne nog steeds een beetje naar adem – mevrouw Madsen en Nosferatus hadden haar hiervoor willen waarschuwen – het zou gebeuren en het was ook inderdaad gebeurd. Zoveel jaar geleden.

“Het was maar een nachtmerrie, lieverd,” zei moeder.

“Vreselijk – de ridders kwamen in het dorp en hebben gewoon alle bewoners afgeslacht – echt, iedereen die er was – ze lieten mensen in hun huizen verbranden.”

“Het was maar een droom.”

“Mam – ik wist dat het slecht zou aflopen.”

“Hoe? Omdat je daarginds bent geweest?”

Nog steeds waarschuwde haar intuïtie om een deel te verzwijgen, aangezien ze onmogelijk zou kunnen verklappen dat ze een echte vampier had gesproken.

Of het monster van Frankenstein.

Twee heksen.

“Ja.”

“Wat heb je allemaal gezien – of gedaan?”

“Niks eigenlijk – thee gedronken.”

“Nou – misschien is het nu dan afgelopen en heb je je ellendige dromen niet langer – het heeft lang genoeg geduurd en anders vind ik dat je alsnog echte professionele hulp moet zoeken – een psycholoog. Om maar eens een voorbeeld te noemen.” Het gezicht van Cayenne draaide korte tijd naar rechts – de wekkerradio en het bleek pas half drie te zijn, ze had nog enkele uren te gaan voordat het ochtend werd.

“Nee, dank je, ik hoef niet zo nodig.”

“In dat geval moet je jezelf aanleren wakker te worden zonder hard te schreeuwen dat iedereen wordt vermoord. Nog even en je bent achttien, ik ben niet meer van plan om je alles voor te kauwen alsof  je een klein kind bent – die tijd heb je nu achter je liggen.”

“Je hebt gelijk,” zei Cayenne.

“Misschien moet je het licht nog even aanlaten.”

“Of eerst een kopje thee – of glas melk.”

“Ga vooral je gang. Probeer niet te gaan snaaien.”

Niet veel later keerde haar moeder terug naar bed, zelf ging Cayenne in de keuken een glas melk inschenken. In haar hoofd tolden alle beelden rond die ze net had gezien en waar ze zo wreed uit wakker was geworden, aangezien de ridders inderdaad iedereen probeerden te vermoorden en Cayenne snapte werkelijk niet waarom ze dat nou ineens deden, tevens probeerde ze te snappen waar Adam was gebleven – die toen in een vampier werd veranderd en vandaag bekend stond als Nosferatus – die zich verborgen hield in een donkere koude kelder, zoals ze verwachtte van een vampier.

Na een tweede glas melk keerde ze terug naar haar slaapkamer om hopelijk in de resterende uren van de nacht uit te vinden wat er met Adam was gebeurd.


HET ANDERE LEVEN VAN CAYENNE (1)

Eerlijk gezegd wist ze nooit of ze wel echt droomde, behalve als ze haar ogen weer opendeed en soms stond moeder zwijgend tegen het kozijn te leunen. Ze woonden in een klein appartement op de derde verdieping. Met zijn tweeën. Geen huisdieren, geen broer of zus en ook geen vader, want die was lang geleden ’s avonds de deur uitgelopen om sigaretten te kopen en nooit meer teruggekomen. Bijna alle dromen die ze had speelden zich af in een middeleeuws aandoend dorpje en de details die ze zich wist te herinneren klopten allemaal redelijk goed. Een verzameling eenvoudige houten huisjes, een kerk die ook volledig was gebouwd van hout. Modderige straatjes, een paar akkers die nauwelijks voldoende eten opleverden, maar ze moesten het ermee doen. Erg groot waren de mensen niet, zelf was ze de langste van allemaal, vrouwen gingen regelmatig dood tijdens de geboorte van een kind, mannen werkten tot ze er dood bij neervielen. Het was geen leven waar ze erg blij van werd, maar ze droomde er altijd over.

En het duurde ontzettend lang voordat ze haar moeder erover durfde te vertellen. Dus niet zomaar dromen, nee, ze zag vrijwel elke nacht een leven aan zich voorbij trekken, ze was de vrouw van een man die Adam werd genoemd, een lange magere vent met donkere, ja, bijna zwarte haren. Ze waren eenvoudige boeren. In haar droom wist ze dat ze twee sets kleding had. Eentje voor de zomer, eentje voor de winter. Ze wasten zich vrijwel nooit, ze spoelde haar gezicht wel af, maar een bad hadden ze helemaal niet. In de zomer gingen ze zwemmen. Ja, dat deden ze dan wel eens.

Cayenne droomde steeds over dezelfde mensen, zoals ze altijd weer naast Adam wakker werd en op een dag snapte ze na een nieuwe droom dat ze zwanger was, ofschoon ze zelf toen net zeventien was geworden. Niet alleen in werkelijkheid. Haar dubbelganger in de droom was net zo oud, dat wist Cayenne honderd procent zeker. Het kwam erop neer dat ze een dubbel leven aan het leiden was, want ze groeiden samen op. Al gebeurde er geen enge dingen, het was een gewoon dagelijks leven van een groepje mensen in een afgelegen dorp in een uitgestrekt bos. Voor zover ze wist waren er vrijwel geen andere mensen. Adam beweerde dat er kilometers verderop een echt kasteel stond en hij wist van een klooster, omdat de monniken er land aan het ontginnen waren.

Natuurlijk had Adam gelijk, maar zelf was ze er nog nooit geweest, dus ze kon zich er nauwelijks iets bij voorstellen. Stenen gebouwen, zoals het kasteel en klooster, die ver boven de bomen uitstaken. Dromen. Als een verhaal, nee, meer nog dan een gewoon verhaal, het was het leven dat ze zag gebeuren, zoals het hare zich overdag afspeelde. Al had ze soms een vriendje en meestal niet, bovendien wist ze verdraaid goed hoe het was om seksueel opgewonden te raken, dankzij Adam gebeurde dat met enige regelmaat. Nou ja, tot ze zwanger raakte. Toen was dat afgelopen.

Zoals zo vaak douchte ze ’s ochtends eerst en ging vervolgens snel wat eten, omdat ze naar school moest.

“Je was weer erg onrustig vannacht,” zei moeder.

“Geen idee,” antwoordde Cayenne. Alle beelden en gesprekken bleven in haar actieve geheugen achter.

“Nu vind ik het nog niet eens zo’n probleem, maar over een paar jaartjes heb je een vriend… of… in elk geval slaap je met een ander in hetzelfde bed en zul je het moeten uitleggen… alles wat je mij hebt verteld.”

“Misschien ga ik in mijn droom wel dood en is het voor altijd afgelopen,” zei ze, terwijl ze een grijns nog net op tijd wist te onderdrukken, want de ogen van haar moeder verraadden een snel naderend onweer.

“Misschien ook wel niet.”

“In de droom ben ik nu zwanger.”

“O God.”

“Niet echt, hoor,” zei Cayenne. Stoelpoten schoven achteruit, ze pakte haar telefoon van de tafel en liet hem in haar rugtas vallen, nadat ze snel de berichten had gecheckt. Straks – op de fiets zou ze antwoorden.

Buiten regende het al enige tijd en Cayenne dacht aan de eindeloze buien die ze in haar dromen had meegemaakt, het duurde erg lang voordat ze last kregen van het water, maar vroeg of laat kwam het altijd binnen. Regen was veel erger dan kou, aangezien ze een vuur konden maken waarmee ze zich warmden. Of ze kropen dichter tegen elkaar aan.

“Denk je soms dat ik echt hulp moet zoeken?”, vroeg Cayenne, het was een onderwerp dat vaker ter sprake was gekomen en nooit echt goed doorgesproken.

“Ja – misschien – of – ik denk het wel.”

“Mam! Er is niks aan de hand. Het zijn maar dromen. Alleen het feit dat ik een echt leven voorbij zie komen is hartstikke weird. En ik ben getrouwd met Adam.”

“Zo meteen kom je hem nog in het echt tegen.”

“Nou, echt niet, hoor.”

Korte tijd later verliet ze het huis, trok al direct haar capuchon over het hoofd en begon sneller te fietsen. Het andere leven dat ze leidde verschoof naar de achtergrond en normaal dacht ze er overdag nooit aan.

Anders dan vroeger sliep ze normaal, als zevenjarig meisje was ze doodsbenauwd om te gaan slapen tot ze merkte dat er niks bijzonders gebeurde. Geen enge monsters. Het was een doodnormaal leven van iemand die misschien duizend jaar geleden geleefd zou kunnen hebben. Net als de andere mensen. Een krakkemikkig houten huis, mensen die aan reuma leden, omdat ze altijd met kou en vocht te maken hadden. Behalve in de zomer als er geoogst moest worden, dan werkte iedere man en vrouw die kon staan en lopen op het land om het werk voor mekaar te krijgen. Daarna was het feest, aangezien ze wisten dat ze een strenge winter makkelijk zouden doorstaan.

Onderweg kwamen er diverse berichtjes binnen van vriendinnen, terwijl ze haar antwoorden tikte, bedacht Cayenne dat ze afgelopen nacht voor het eerst echte klokken had horen luiden. Ze waren in het dorp niet langer alleen. Er waren nog andere mensen. Een kasteel en een klooster die vrij ver uit elkaar stonden. Ze waren geen buren. Wat was beter? Een klooster of een kasteel? En misschien maakte het geen barst uit.

School verliep in een bekende prettige cadans, uur na uur, leraren wisselden elkaar af, er kwam een jongen binnen die erg laat zijn bed uit was getuimeld. Normale dingen. Vandaag lukte het bar slecht om haar andere leven te vergeten, ze bleef nadenken over een wereld die zich steeds sneller begon te ontvouwen, eerst heel klein en tenslotte steeds groter, omdat ze zich nu ook het bestaan van de anderen bewust werd.

Na het laatste lesuur stelde haar vriendin Dionne voor om naar het reservaat te gaan dat in het oosten van de stad lag en jaren geleden min of meer toevallig in handen van een groepje mensen terecht was gekomen en vandaag gold als een beschermd natuurgebied. Ooit stond er een woonwijk, vandaag groeide er bomen, struiken, leefden er mensen die de voorkeur gaven aan een groene manier van leven en projectontwikkelaars konden er niets aan veranderen, al zouden ze dat nog zo graag willen. Er was een flat blijven staan die in 1960 was gebouwd en jaren terug gesloopt zou worden, maar dat was nooit gebeurd.

Voor Cayenne leek het alsof haar alter-ego besloot op bezoek te gaan bij de bewoners van het kasteel, als ze al binnen werd gelaten, iets wat ze in het klooster als vrouw mocht vergeten, daar leefden alleen mannen.

“Nou? Wat denk je ervan?”, vroeg Dionne.

“Goed, ik ga mee,” antwoordde Cayenne.

Tot nu toe had ze met niemand gesproken over haar dromen – als ze al echte dromen waren – toch durfde ze Dionne als haar beste vriendin te beschrijven.

Alleen moeder wist er uiteraard van. Dat was alles.

Het was verdraaid lastig om in het reservaat te komen, aangezien er niet eens stadsbussen in de buurt kwamen, er lag welgeteld één brug die ontoegankelijk was voor auto’s – verder mocht er geen enkel voertuig komen dat voorzien was van een verbrandingsmotor.

Na een half uur op de fiets hadden ze de grens bereikt.

“Hebben die mensen nou nooit een ambulance nodig?”, vroeg Dionne. Nergens anders had je een beter uitzicht dan op de brug die hoger lag dan de wijk die er vroeger achter had gelegen, vandaag was het een groene wereld, bomen die nog drijfnat waren na alle regen, hier en daar zag Cayenne de contouren van voormalige flatgebouwen, omdat de fundamenten en kelders waren blijven liggen, een moeilijk begaanbaar gebied, gevaarlijk ook.

“Heb je afgesproken met iemand of zo?”, vroeg Cayenne die het antwoord allang vermoedde, want haar vriendin was veel meer het type van de spontane ideetjes die vaak genoeg moeilijk uitvoerbaar waren.

“Nee. Onaangekondigd. Da’s beter. Overvaltactiek.” Terwijl ze haar woorden uitsprak, balde ze een vuist.

Onder haar voeten lag gebroken asfalt, gras, planten en zelfs boompjes waren er aan het groeien, terwijl Cayenne dacht dat dat onmogelijk zou moeten zijn. Ze verwachtte een solide hek, maar er was alleen een fietspoortje. Het raadsel groeide, voor zover ze wist bestond er geen enkele andere manier om er te komen. Een reservaat. Of stadseiland. Heel geleidelijk boog de weg naar beneden, links en rechts van hen had de natuur allang zijn oeroude rechten weer hernomen. Opnieuw viel het Cayenne op dat er nog fundamenten lagen, diepe gaten met spiegelend water erin, konijnen schoten het struikgewas in, vogels verlieten hun schuilplaatsen in de bomen, het werd er onoverzichtelijk nu ze onderaan de weg waren. Een natuurlijk bos. Als een verwilderd park. Staatsbosbeheer had er geen enkele zeggenschap. Dionne liep langs een omgevallen boom die nog altijd voldoende voedsel leek te krijgen, gezien de bladeren. Cayenne passeerde braamstruiken en wist zich te beheersen om niet te gaan staan snaaien. Ook herkende ze appel- en perenbomen, zelfs perziken, bijna klaar voor de pluk.

“Net een paradijs,” zei Dionne. “Prachtig.”

Net voorbij een bocht, want ze volgden nu een kronkelend pad dat in de loop der jaren was ontstaan, werden ze opgewacht door drie jongens – twee hadden er een normale lengte, een was veel kleiner en droeg bovendien ondanks zijn leeftijd een stevige baard. “Indringers,” zei een jongen die opvallende lichtgrijze ogen had, “het is gevaarlijk voor burgers.”

“Pardon?’, vroeg Dionne die hard begon te lachen.

“’t Is een bof dat jullie nog leven,’ zei de dwerg.


John Bressers en de affaire Blauwbaard (9/11)

John Bressers forceerde een vriendelijke glimlach.

“Ik neem het je niet kwalijk, hoor,” zei Bressers, “ook collega’s met meer dan dertig dienstjaren achter hun naam blijken er moeite mee te hebben.”

“Ik bedoel… mijn vader is een moordenaar.”

“Het is niet helemaal toevallig dat – vermoedelijk – een kameraad van Andy kort geleden over hetzelfde begon – vrijspraak voor de dader – die een lintje verdiende – want de schuld van Daniël Mansveld zal voor altijd aan zijn directe familie blijven kleven – als een erfzonde – dus – ja – ik snap het natuurlijk wel.”

“Net als – ,” zei Andy.

“Hou je er alsjeblieft even buiten, Andreas,” zei Ulrike, “nu niet. Zou je me dat plezier willen doen?”

Andy keek alleen naar de vloer.

“Ons strafrecht kent zeker uitzonderingen – zoals de jongens die jaren terug besloten een juwelier te overvallen – de eigenaar van de winkel waarschuwde hen herhaaldelijk om weg te gaan, maar de jongens bleven geweld toepassen – de vrouw van de eigenaar schoot een paar van de jongens dood. Er kwam geen vervolging, ondanks pogingen die familieleden van de dode jongens hebben ondernomen. Het is zoals het is. Als je een winkel overvalt, kun je doodgeschoten worden. Dat noem ik een beroepsrisico. Jouw vader werd ’s nachts geliquideerd. Ondanks de schande die je moeder, broer, zus en jijzelf voelen, bestaan er geen omstandigheden waardoor het openbaar ministerie af zou kunnen zien van vervolging. Ik heb gevraagd om de zaak uit de media te houden. De nachtelijke insluiper heeft niet bepaald op de politie gewacht.”

“We moeten de gifbeker leegdrinken,” zei Ulrike.

“Ja, tot de laatste druppel,” zei Bressers.

“Verdomme,” zei Ulrike die haar vuist balde.

“Is er een uitweg?”, vroeg Andy.

Er viel een korte stilte waarbij Bressers zijn schouders heel even omhoog trok. “Wie zal het zeggen? Geen idee. Weten jullie wie de dader is?”

“Nee,” zei Ulrike, maar er ging een korte aarzeling aan vooraf.

“Je zus Krista is het kantoor van jullie vader binnengegaan. Wist je dat ze dat heeft gedaan? Of was je er misschien bij? Dat werd me niet duidelijk.”

“Mijn vaders Batcave,” zei ze. “Verboden toegang.”

“Nou?”

“Een weekje of zo later vertelde ze er ineens over – ons pap was vergeten de deur op slot te doen – ze moest en zou er binnen gaan en vond iets vreemds. Ja, natuurlijk deed ze dat. Waarom zou je zo’n kamer anders dertig jaar lang trouw op slot houden en je echtgenote en kinderen verbieden er binnen te gaan. Krista had een bundeltje gevonden met lange blonde en zwarte haren. Het klonk behoorlijk eng.”

“Lag er nog iets anders?”

“Zoals?”

“Gewoon. Gebruiksvoorwerpen.”

“Nee, daar heeft ze niets over gezegd.”

“Wanneer begon je voor het eerst te denken dat je vader een moordenaar moest zijn?’, vroeg Bressers.

“Hij was al dood – moeder vertelde het, dacht ik.”

“En – de haren die je zus heeft gevonden?”

“Ik dacht aan een obsessie – een fetisj of zo.”

“Ja, dat is ook nog een mogelijkheid.”

“Wie heeft mijn vader vermoord? Weet u het?”

“Een eenzame insluiper. Wie anders?”

Het was een herhaling van de woorden die hij eerder had gebruikt in het bijzijn van Vera en Krista. In elk geval leek Andy hem een toevallige omstander die een belangrijke rol probeerde te spelen, omdat hij vond dat de moordenaar van uitbuiter en kapitalist Daniël Mansveld niet bestraft hoefde te worden. Zijn vriendin Ulrike had hem gewoon laten begaan, al deelde ze zijn opvattingen. Mogelijk hadden ze niet eens een serieuze relatie, maar waren ze door een toeval aan elkaar gekoppeld – het groepje van Claudia van Weijlands – dochter van Crazy Freddie.

“Geloof je in God?”, vroeg Bressers.

“Dat weet u best, mijnheer Bressers. U weet alles.”

“Het is een beetje flauw om het zo te vragen.”

 “’t Is tijd om te gaan,” zei Ulrike die opstond en omlaag keek – Andy bleef net iets te lang zitten. “Of wil je liever blijven?”, vroeg ze en er lag een spottende klank in haar stem die Bressers nog niet eerder had gehoord.

Als eerste bereikte Andy het halletje, Ulrike volgde ietwat aarzelend en keek nog een paar keer over haar schouder – Andy opende de voordeur en wachtte af.

“Nog één laatste vraag,” zei Bressers.

“Ja?”

“Je hebt erg emotioneel gereageerd, toen je hoorde dat je vader was vermoord – Is dat juist?”, vroeg hij.

“Ik was gewoon opgelucht – omdat hij dood was.”

“Waarom? Hij was er nooit.”

“Je went aan alles – elke situatie – maar ik heb me sowieso nooit gelukkig gevoeld als vader thuis was.”

“Door zijn alcoholprobleem?”

“Ook.”

Voor de familie kwam de moord als een regelrecht geschenk – een afwezige vader, een situatie die permanent was geworden, omdat iemand twee kogels had afgevuurd. Inderdaad zouden ze de schande nog lang blijven voelen, want vroeg of laat kwam het verhaal op straat te liggen – het moest.

Vier kogels – ook de hond was doodgeschoten.

“Wiens idee was het trouwens om een hond in huis te nemen?”, vroeg Bressers, terwijl Ulrike al op straat stond – zijn hand rustte op de deurklink – Andy scheen vooral enorme haast te hebben – hij wachtte enkele meters verderop. Ulrike bleef staan.

“Mijn vader – want je wist maar nooit – hij was vaak weg – moeder zou het best fijn vinden – een hond is immers betrouwbaarder dan een alarmsysteem.” Haar stem verraadde direct dat er nauwelijks enige discussie over het onderwerp moest zijn geweest. Misschien liep het dier al in de tuin, toen Vera voor het eerst hoorde dat hij een waakhond wilde hebben.

“Wie liep er het meest mee, als je vader weg was?”

“Michael.”

“Maar je broer woont in Nijmegen. Net als jij.”

“Moeder heeft een hondenuitlaatservice ingehuurd, want ze weigerde met dat vervloekte beest te lopen.”

Meestal zou het dier buiten in een hok hebben gelegen, aangezien Vera haar bodyguard niet in huis wenste te hebben en het niet eens wilde uitlaten. Bressers was zeer benieuwd naar Michael – de enige broer – die was gaan zuipen nadat hij had vernomen dat zijn vader was doodgeschoten – volgens Krista.

“Wil je je broer vragen of hij bij me langskomt?”

“Vanwege de Majesteit en zo.”

“Ja – inderdaad.”

Bijna onhoorbaar viel de voordeur in het slot. Opvallend genoeg had Andy nauwelijks gereageerd op Bressers’ verwijzing naar een kameraad, Marten, die ruwweg dezelfde archaïsche communistische woorden gebruikte als Andy en uit dezelfde groep rond Claudia zou moeten komen. Geen strijdmakkers. Uiteraard moesten ze elkaar kennen. Er waren teveel overeenkomsten. Meer dan toeval.

Zelfs de rol van Claudia leek amper relevant te zijn, hoewel ze vrijwel continu op de achtergrond een rol speelde. Alweer. Het was bij Reijnders ook het geval. Geen directe betrokkenheid, ze was er wel bij.

Ondanks alle aandacht voor de familie Mansveld die best wel eens verder zou kunnen gaan onder een andere naam – Wiedemann – anders dan die van de vader niet besmet, want Bressers verwachtte eerdaags een krantenartikel dat als onthullend werd gebrandmerkt.

Rond middernacht had hij wederom de afzondering van zijn dakterras opgezocht – er stond een biertje op tafel – erg warm was het niet meer, maar hij hield van het uitzicht, al bleef het jammer dat de sterren schenen te verdwenen achter al het stedelijke licht.

Aanvullende gegevens over de moord op Mansveld. Een grote bruine envelop in zijn brievenbus. Niet helemaal volgens afspraak, maar het was er. Geleidelijk begon er een groter plaatje te groeien. Echt grote steden zoals Bangkok of Mexico-Stad telden vele miljoenen inwoners. Mannen en vrouwen zouden zich bijna letterlijk in de massa kunnen verbergen – verdwijnen. Een man of vrouw die plots wegbleef, werd vrijwel direct vervangen en misschien was er familie die nog een tijdje op zoek ging naar hun verwant, maar vroeg of laat stopte dat. Ook moordslachtoffers bleven nog wel eens onopgemerkt. Waarom zou je veel moeite doen voor een dakloze? Of een hoer? Bressers dacht aan Samuel Little die negentig moorden had bekend – in de VS – een man die een gewelddadig leven had geleid in een verborgen wereld op straat. Als je de juiste keuze maakte, zorgden de vooroordelen van politiemannen ervoor dat je ermee wegkwam.

Het leek erop dat Mansveld eveneens zo te werk was gegaan – de jacht op kwetsbare eenlingen, zoals hij in een documentaire op tv had gezien – zelfs in een moderne gedigitaliseerde samenleving werkte het zo. Zonder een account op de sociale media bestond je niet. Dan kon je zonder een spoor verdwijnen.

Gelukkig had de oudere mijnheer Nueng zijn werk zorgvuldig gedaan. Zijn werk zag er goed gedocumenteerd uit. Alle bewijslast zou door een Nederlandse rechter worden geaccepteerd. Des te vervelender voor zijn vrouw en kinderen. Daniël Mansveld was een seriemoordenaar. Acht slachtoffers. Het waren er meer, maar dankzij het laconieke werk van andere politiemensen zouden het er nooit meer worden, want de vrouwen waren dood verklaard. Een natuurlijke oorzaak. Geen nader onderzoek. Geen lijkschouwing. De verborgen onderkant van de samenleving. Alleen in Mexico-Stad bleek er een affaire te zijn geweest waarbij Mansveld zijdelings betrokken was. Hij had een huis onderverhuurd aan een vader van drie kinderen – in de kelder bleken zes dode vrouwen te liggen – niet Mansveld, maar de vader van drie werd gearresteerd. Natuurlijk zegde Mansveld daarna de huur op. Hoe zou je ooit in zo’n huis kunnen wonen?

Werkwijze deed sterk denken aan de acht uit Bangkok. Er lag geen enkel bewijs dat het dezelfde dader zou zijn. Helemaal niets. Maar de vader van drie kreeg een levenslange gevangenisstraf. Er groeide een zekere walging jegens Mansveld die zo’n keurige nette man had geleken, tien jaar geleden. John Bressers probeerde zijn indruk altijd te vergeten. Of hij luisterde naar zijn onderbuik die hem vertelde dat zo’n man teveel zijn best deed.

Het was de rotzooi van andere mannen en vrouw die ervoor had gezorgd dat Bressers met pensioen wilde gaan zonder ooit echt van een welverdiende rust te zullen kennen. Hij nam een slok bier en probeerde te bedenken door wie Mansveld was doodgeschoten. Voor een ongeoefende amateur was de aanslag te zorgvuldig uitgevoerd – slechts twee schoten – in hoofd en borst. Hij zou het exact zo hebben gedaan.

De volgende dag iets na tien uur ging zijn telefoon – het was Giselle Brahms en Bressers stond op het punt om boodschappen te gaan halen. “Ja – hallo?”

“Ik heb – eh – Arne Fröling gesproken,” zei Brahms die geen tijd wilde verliezen aan nodeloze beleefdheden. “Hij wil je spreken op neutraal terrein. Dat is – eh – afrit 14, de A16 richting Antwerpen – hij wacht op je voor de ingang van de McDonald’s.”

“Erg smaakvol,” zei Bressers.

“Tot 1 uur vanmiddag wacht hij op je.”

“Goed werk van Arjan.”

“Ik denk dat hij hem bedreigd heeft.”

“Soms is angst een goede raadgever.”

“Dus – Ga je?”

“Al verwacht ik nog wel Michael Mansveld,” zei Bressers, “die zal opnieuw de trein moeten nemen.”

“Dat regel ik wel,” zei Brahms.

Op neutraal terrein had Fröling gezegd tegen Arjan van Elzakker, maar het betekende vooral dat Bressers een reis van in totaal enkele uren moest afleggen – heen en terug – terwijl de ontmoeting zelf hooguit vijf minuten zou duren. Toch had Fröling er een nog langere trip achter de rug – eerst met het vliegtuig naar Brussel, dan de auto om vervolgens om te draaien, zodat hij een prima uitgangspunt zou hebben als hij snel weer het land wilde verlaten. Een slecht geweten. Dat betekende het. Niettemin geloofde Bressers geen moment dat Fröling betrokken was bij de dood van Cindy Hoefnagels of Krista Guderian. Hij reed op de A59 richting Waalwijk, terwijl de bijna terloopse grappig bedoelde opmerking door zijn hoofd schalde. ‘Ik geloof dat Daniël zijn kippetje vannacht heeft opgegeten.’ Dit had hij in de ontbijtzaal uitgesproken.

De watertoren van Raamsdonkveer vormde een markant punt in het landschap – het betekende dat Bressers linksaf moest slaan – via de A26 verder naar het zuiden – tot slot kwam hij op de A16 terecht – normaal deed hij dit om naar Antwerpen te rijden. Nu stond er een gepensioneerde muziekproducent te wachten – iemand wiens DNA op het lichaam van een moordslachtoffer was aangetroffen. Bressers had het volume van zijn radio hoger gezet – klassieke rockmuziek, al was het een beetje een allegaartje. Langs de snelweg begonnen de borden te verschijnen waardoor weggebruikers werden gewaarschuwd voor de naderende Belgische grens.

Op het terrein van het fastfoodrestaurant negeerde hij de mogelijkheid om zittend in zijn auto een hamburger te bestellen – vandaag geen zin in, nooit eigenlijk – het zou nooit zijn idee zijn geweest om hierheen te komen – er waren prima gelegenheden in het oude stadscentrum van Den Bosch. Er stonden verschillende auto’s geparkeerd met een Belgisch kenteken – Fröling zou voor de ingang wachten – hij was er ook wel – Bressers meende dat een zwarte SUV voldeed aan de voorkeur van Arne Fröling. Er stonden een paar mannen en een vrouw geïnteresseerd te kijken, terwijl Bressers uitstapte. Verhitte discussies. Een politiesirene die snel dichterbij kwam. Bressers liep verder – langs het geopende portierraampje. Zo op het eerste gezicht leek het alsof Fröling sliep – met zijn hoofd weggezakt naar links – het was zijn bekende ouder geworden gezicht van een man die flink was afgevallen de afgelopen jaren – toch herkende Bressers hem direct. Geen twijfel mogelijk. Er was een goede kans dat de auto al geruime tijd op het parkeerterrein had gestaan en niemand zou iets in de gaten hebben gehad. Wanneer ga je uit van het ergste? Geen schoten gehoord. Hooguit twee dof klinkende ‘plops’. Man of vrouw stapte uit de auto en liep onopvallend weg.

Na een korte aarzeling ging hij het restaurant binnen – net voorbij de schuifdeuren bleef Bressers staan. Zijn telefoon begon te trillen. Hij pakte het toestel.

Het was Van Rijn.

“Zeg – John… Heb jij Fröling koud gemaakt?”

“We hadden een afspraak. Dat wel.”

“Da’s geen antwoord.”

“Nee. Hij wilde me spreken.”

“Verdomme – dit kan er ook wel bij.”

“Hoe komt het dat jij dit al weet?”, vroeg Bressers.

“Er zijn mensen aan het twitteren – sinds een kwartier – met foto’s van een dode Arne Fröling.”

“Toen was ik nog onderweg,” zei Bressers. “Al draag ik sinds ik weer aan het werk ben gegaan wel een pistool – maar ik heb een vergunning,” zei hij.

“Wat ga je doen?”, vroeg Van Rijn.

“Ik wacht wel op de recherche.”

“Oké.”

“Het is geen nieuwe zaak. Er bestaat een relatie met Bangkok, nieuwjaarsnacht tien jaar geleden. Krista.”

“Ik heb er wat over gelezen, maar niet veel.”

“Cindy moet terug zijn gegaan naar Hans Albrecht. Krista werd vermoord, Arne Fröling gearresteerd en Daniël en ik zaten in hetzelfde vliegtuig naar huis.”


John Bressers en de affaire Blauwbaard (8/11)

Enkele uren later zat hij op zijn dakterras, terwijl een oranje zon achter de gebouwen weg begon te zakken. Er stond koffie op het tafeltje, boven zijn hoofd vlogen een stuk of wat duiven rond. Voor de tijd van het jaar was het erg warm, bijna twintig graden. Bressers dacht aan het gesprek dat hij had gehad met de weduwe van Mansveld – een medewerker van de firma had de trofeeën opgehaald – daarmee kreeg Bressers enige tijd om nog eens na te denken over alle verwikkelingen. Bewijzen! Om te beginnen leek Mansveld met name schuldig te zijn aan de moord op enkele tientallen vrouwen. Bressers had het aantal namen nog niet eens geteld – een groepje investigators zou proberen te achterhalen wat er precies van de vrouwen terecht was gekomen.

Geen enkele duidelijkheid over degene door wie Mansveld in zijn minimalistisch ingerichte bungalow was overvallen en doodgeschoten. Het behoorde een uitzondering te zijn om hem niet gewoon thuis aan te treffen, maar ook nog – alleen.

Het begon inmiddels donker te worden in de stad.

Zijn telefoon begon te trillen – in het display was de naam van de commissaris verschenen – Van Rijn. Het was alweer een tijd geleden dat ze elkaar voor het laatst hadden gesproken – Hij wist niet wie Mansveld had doodgeschoten, maar Bressers begon zich af te vragen of hij de dader wel wilde vinden.  

“John, ik sta voor je deur en je hoort thuis te zijn.”

“Ogenblikje – ik kom naar beneden – minuutje.”

“Goed,” zei Van Rijn.

Beneden onthulde de straatverlichting een slanke gedaante die geduldig voor de deur stond te wachten. Bressers deed open, Van Rijn kwam verder. “Wil je koffie? Dan schenk ik een kopje in.”

“Nee, dank je. Daar kom ik niet voor. Eerlijk gezegd had ik gehoopt dat je me op de hoogte zou houden, John. In plaats daarvan hoor ik totaal niets meer.”

“Een complexe zaak, ik wilde je net bellen.”

“Juist, ik wil een volledige update.”

“Ga je mee naar boven? Ik zat op het dak.”

Beide mannen hadden plaatsgenomen op een klapstoeltje, er stonden twee kopjes koffie op tafel. Op rustige toon begon Bressers uit te leggen wat hij wist. “Daniël Mansveld is schuldig aan – vermoedelijk – de dood van enkele tientallen vrouwen – moorden die hij in de loop van twintig tot dertig jaar moet hebben gepleegd – in Azië, Afrika, volgens mij heb ik ook Spaanse en Portugese namen gezien – ik heb alles aan het kantoor gegeven die zoeken uit – as we speak – of mijn vermoeden juist is. Mansveld is in elk geval schuldig aan de moord op acht vrouwen – een politiechef uit Bangkok was bereid om zijn informatie met ons te delen – DNA van Mansveld bleek overeen te stemmen met de dader. We hebben drie blanke vrouwen, vijf Thaise – commissaris Nueng, heeft ook het DNA van Arne Fröling op Krista Guderian aangetroffen, maar die zou haar niet hebben vermoord – ze hebben seks gehad, voordat Mansveld zijn kans kreeg en nam.”

“Tientallen?”, vroeg Van Rijn. “Zei je dat nou?”

“Ja.”

“Mijn God.”

“Hij heeft details bijgehouden – lichaamslengte – kleur van de ogen – moeder en dochter weten er nu  wel van – Krista had al eens de verboden kamer van haar vader betreden en haren gevonden die hij had afgeknipt van zijn slachtoffers – verder gaf ze geen details – over de andere trofeeën zei ze totaal niets.”

“Ik ben blij dat we nog geen persconferentie hebben gegeven, de media zouden ons nu op de nek zitten,” zei Van Rijn. “De dader hoort een lintje te krijgen.”

“Onze mediavrienden zullen nagenoeg dezelfde mening verkondigen, als ze er lucht van krijgen.”

“Heb je al verdachten?”

“Dochter Ulrike studeert in Nijmegen en schijnt een vriendje te hebben die naar de naam Andy luistert – Andreas Sommers – draagt een legerjack met een rode ster op een van de mouwen – hij heeft mijn persoonlijke belangstelling sinds ik een dreigbrief heb ontvangen eergisteren – hem ik ga opzoeken.”

“Nog meer?”

“Weet jij toevallig waar Vera Wiedemann verbleef toen haar man werd vermoord?”, vroeg Bressers.

“Ja – een huisje aan zee – met een vriendin.”

“Waar?”

“Zeeland.”

“Het is te doen in één nacht,” zei Bressers.

“Maar Vera heeft een – soort van – alibi.”

“Ze is een verdachte, net als haar kinderen, zeker ook Andy Sommers, mijn intuïtie zegt me dat ze met zijn vijven hebben samengespannen tegen Daniël.”

Er lag weinig vreugde op het gezicht van Van Rijn.

“Eerlijk gezegd hebben ze mijn sympathie wel een beetje, als ik volgens de regels van de Majesteit mocht handelen, dan zou ik Vera en kids een paar geboden en verboden geven en de zaak laten rusten.”

“Je hebt toch wel meegekregen dat ons land in 1848 een heel liberale grondwet heeft gekregen,” zei hij.

“O – ik heb altijd gedacht dat dat een gerucht was.” Bressers keek opzij, boog voorover, want hij wilde het kopje pakken – er lag een grijns op zijn gezicht.

“Nee – bepaald niet.”

“Dus – Gaan we een munt opgooien. Tossen?”

“Wat is de inzet?”

“Wat is leidend in deze affaire? De Grondwet of de Majesteit? Jij mag het wat mij betreft zeggen.”

“Ik weet het niet, John.”

“Iets anders. Heb je de vriendinnen van Mansveld al geïnventariseerd? Voor zover ze nog in leven zijn.”

“Eh – we hebben – een Diana van Bennekom op het politiebureau gehad – een vriendin van Mansveld.”

“Mooi – dus hij was geen bigamist.”

“Nee – dat niet.”

“Wat had Diana te vertellen? Als ze naar het bureau kwam, moet ze een goede reden hebben gehad.”

“Ze wist wie Daniël had vermoord,” zei Van Rijn.

“Wie dan wel?”

“Vera Wiedemann heeft haar man vermoord – ze zouden scheiden en dat wilde ze niet.”

“Dat hoor ik dan toch voor het eerst,” zei Bressers.

“Volgens Vera waren er geen plannen. We hebben Mansvelds advocaat gesproken en die heeft formeel verklaard dat er beslist sprake was van een slechte relatie. Toch wensten mijnheer en mevrouw het huwelijk in tact te laten. Ieder ging zijn eigen gang.”

“Er ligt een dijk van een motief en zelfs achteraf zou je mogen concluderen dat een eigen richting beslist te verdedigen is geweest, ik zie argumenten voor de Majesteit, al is dat op het grondgebied van het koninkrijk ongebruikelijk.”

“Vera is Duits – Duitsland is een republiek.”

“Ja, maar ze is ook Nederlands, door haar huwelijk.”

“En als ze gescheiden zou zijn geweest?”

“Dan geldt de Majesteit sowieso niet.”

“Wat spreken we nu af?” vroeg Van Rijn.

“Gezien mijn betrokkenheid, geldt de Majesteit.”

“Ik zal dit met de officier van justitie bespreken.”

“Goed,” zei Bressers.

“Oké.”

“Dan heb ik nog een andere zaak klaarliggen.”

“Welke?”

“Cindy Hoefnagels – ze is verdwenen in Bangkok, ik heb van mijnheer Nueng gehoord dat Albrecht haar tien jaar geleden moet hebben vermoord – nu weet hij wel niet dat Albrecht dat is geweest, maar ik durf op grond van de beschikbare aanwijzingen te zeggen dat hij zijn assistente heeft koud gemaakt.”

“Juist – ja, Cindy Hoefnagels – Hans Albrecht.”

“Ja.”

“O – we hebben het over de hoer van Hans – volgens zijn voormalige vrienden wel te verstaan.”

“Alles behalve – ze was een slimme dame die Albrecht financieel heeft uitgemolken en daardoor zijn ondergang bewerkstelligd en die van haarzelf.”

“Geen connectie met Mansveld?”

“Nee, het is toeval dat ze destijds in de bar van het hotel rondhing, toen ik daar binnenkwam,” zei hij.

“Is ze wel dood?”, vroeg Van Rijn.

“Eén van onze mensen onderzoekt momenteel de zaak in Bangkok – hij loopt het bewijsmateriaal nog eens na, als er een lichaam is, wordt het opgegraven. Er bestaat een kans dat ze als een goede boeddhist is gecremeerd – in dat geval hebben we niks meer.”

“Heeft ze zich daar soms bekeerd?”

“Misschien.”

Heel rustig kwam Van Rijn omhoog, zijn stoel schoof hij een stukje achteruit en hij keek om zich heen. “Vergeet vooral niet je dossiers door te sturen naar het bureau, ik stuur iemand om het op te halen.”

“Komt in orde.”

“Goed.”

“Moet ik meelopen naar beneden?”, vroeg Bressers.

“Nee, ik ken de weg.”

“Er schiet me nog iets te binnen.”

Van Rijn bleef staan – mondhoeken staken omhoog.

“Beveiligingscamera’s in het huis van Mansveld.”

“Al maanden geleden buiten werking gesteld.”

*****

Volgende ochtend, terwijl Bressers de Volkskrant zat te lezen, werd er iets na elf uur aangebeld en hij stelde vast dat er twee verschillende silhouetten voor de deur stonden, een mannelijke en een vrouwelijke.

Hij deed de deur open voor twee twintigers – iemand die net niet meer als een jongen oogde en inderdaad een legerjack droeg met een rode ster op de mouw, terwijl de vrouw sprekend op haar moeder leek, maar dan veel jonger. “Jij bent Andreas – jij Ulrike.”

“Klopt,” zei Ulrike. “Helemaal juist, mijnheer.”

“Oké. Wat kan ik voor jullie doen?”

“Moeder heeft ons gestuurd,” zei ze en er lag iets vanzelfsprekends in haar woorden, alsof ze nooit iets anders had gedaan dan haar moeder gehoorzamen.

“En jij bent haar vriend – Andy, de communist.”

“Zo zou ik het zelf niet willen noemen, maar – ja.”

“Kom binnen,” zei Bressers, “ik heb vermoedelijk een appeltje te schillen met jou, dus Andy.” Hij ging opzij staan en bood ze allebei de ruimte om verder te komen. Er viel een stilte die bijna pijnlijk aanvoelde. In de woonkamer stonden ze een beetje om zich heen te kijken. “Ga maar aan tafel zitten, jongelui.”

Stoelpoten schraapten over de vloer, eerst nam Ulrike plaats, daarna Andy die leek te bedenken hoe het ook alweer hoorde. Bressers onderdrukte een glimlach en probeerde de glasharde blauwe ogen te laten zien die zijn ex-vrouw enorm haatte – mondhoeken staken chagrijnig omlaag. Hij liet nog wat extra seconden passeren. “Andy. Ik ga je een gesloten vraag stellen en het antwoord is ja of nee.”  

“Eh – ja.”

“Heb jij een dreigbrief in mijn brievenbus gegooid?”

“Ja, mijnheer Bressers. Dat heb ik gedaan.”

Zwijgend nam Bressers tegenover Andy plaats. “Je boft dat ik je briefje nooit serieus heb genomen, beste jongen. Toch raad ik je aan om nooit meer zulke rare dingen op te schrijven en bij iemand zoals ik in de bus te gooien. Je hebt jezelf betrokken bij een gevaarlijk spel waarvan je de regels niet eens kent, er sterven daardoor geregeld mensen. Je hebt je onverantwoord en volstrekt roekeloos gedragen. Ik veronderstel dat je hierheen bent gekomen, omdat de moeder van Ulrike en ik elkaar hebben gesproken.”

“Klopt,” zei Ulrike.

“Het probleem is nu ook dat jij nu verdacht wordt van de moord op Daniël Mansveld, door het briefje.” Bressers’ stem kreeg nu een sterk dreigende klank.

“Da’s niet waar! Da’s gelogen! Ik heb niks gedaan!”

“Andy – ik ben bereid je te geloven als je zegt dat je Daniël Mansveld niet hebt vermoord. Dat wil ik best wel. Geloof me, al lijk je me een man die overal een mening over heeft en graag wil uitdragen – een politicus.” In de tussentijd knikte Andy nauwelijks zichtbaar, alsof hij het er mee eens was. “Wèl het briefje, niet de moord. Daar zijn we het over eens.”

“Ja,” zei Andy die een opgeluchte blik vertoonde.

“Tenzij er bewijsmateriaal opduikt dat het tegendeel aantoont,” zei Bressers. “Eén ding viel me op – het briefje dat je hebt geschreven – je vermeldde dat ik een vakantiewoning heb in Kootwijk – zelfs mijn werkgever heeft dat onlangs moeten uitzoeken.” Brahms knikte bevestigend en onderdrukte een glimlach. “Ik wil weten van wie je dat hebt gehoord, want je slaagde er zelfs in te vermelden wat voor werk ik ongeveer gedaan heb in het verleden over de ruggen van jouw niet-westerse broeders-arbeiders.”

“Zeg het maar gewoon, hoor,” zei Ulrike.

“Claudia van Weijlands. Van de universiteit. Ze heeft zich druk gemaakt over neokoloniale tendensen in Afrika en Azië. China maakt er zich net zo goed schuldig aan, een communistische regering notabene, maar ook de EU pompt miljoenen in corrupte regimes die migranten tegen moeten houden, omdat ze in Europa hun geluk willen beproeven. Ik vind het in één woord misdadig.”

“Claudia,” zei Bressers die zich de uitleg van Millar herinnerde over de enige dochter van Crazy Freddie.

“U kent haar,” zei Andy.

“Ja, we hebben elkaar wel eens ontmoet.”

In eerste instantie wilde Claudia alleen de archieven van Bressers bestuderen, omdat ze geïnteresseerd leek te zijn in neokolonialisme – daarvoor hoefde ze hooguit de krant te lezen – die stonden er vol van.

Verleden jaar, toen Roosmarijn haar receptie hield ter gelegenheid van de expositie, had hij Claudia voor het laatst gesproken – het was hem toen pas opgevallen dat ze zoveel op haar vader Fred leek.

Daar moest ze het een en ander over het huisje van Bressers op de Veluwe hebben gehoord, de rest had ze veel eerder al gehoord. Het was geen geheim.

“Wat je politieke opvattingen betreft, daar heb ik geen bliksem mee te maken – ik hou me bezig met de moord op jouw vader – Ulrike, dat is wat telt.”

“U weet toch wel dat mijn vader een moordenaar is?”, vroeg Ulrike die nu met een zelfverzekerde houding begon te spreken – ze klonk zelfs arrogant.

“Ja. En wat heeft dat ermee te maken?”

“Daarom hebben we de brief geschreven – nou ja – ik heb dat gedaan, omdat de dader wat ons betreft niet gestraft hoeft te worden. Er was niemand die de dood meer verdiende dan Daniël. Honderd procent.”

De rechterhand van Bressers kwam met een harde klap neer op tafel. “We leven in een democratische rechtstaat, dus het laatste woord is aan de rechter.”

“U heeft mijn moeder gesproken over de Majesteit,” zei Ulrike, “dat vind ik nou een echt vaag begrip.”


John Bressers en de affaire Blauwbaard (7/11)

Bressers bestudeerde de gezichten van moeder en dochter – er hing een vraag in de lucht die ze zouden willen stellen, maar voorlopig nog achterwege bleef.

“Hoe wist u ervan?”, vroeg Bressers. Iemand moest vroeg of laat het geheim hebben ontsluierd, zekerheid gekregen over de moorddadige driften van een liefhebbende vader en echtgenoot. “Ik bedoel.”

Een echt grote verrassing bleek het niet eens te zijn.

Krista stak haar hand op. “Zijn werkkamer stond op een dag open – dus niet op slot, zoals gewoonlijk. Feest natuurlijk.” Er verscheen een trieste glimlach. “Tot ik in een bureaula een bosje afgeknipt haar vond – afkomstig van verschillende personen – Er lagen trouwens nog wat andere spullen bij – we mochten er nooit komen en nu hij zelf de deur een keer had opengelaten ben ik er gewoon in gegaan.”

Het was een soort wetmatigheid – als er een keer iets fout zou kunnen gaan, dan ging ook een keer fout.

Net als Blauwbaard in het sprookje die de sleutelbos aan zijn echtgenote gaf en ze betrad natuurlijk de kamer waarvan hij had gezegd dat die verboden was.

Een opvallend kenmerk van meer seriemoordenaars. Hun geheime kamers – trofeeën. Verboden toegang.

“Ligt het bosje haar er nog?”, vroeg Bressers.

“Geen idee,” zei Vera, “ik ben er niet meer geweest. Het is onzin – ik weet het – maar ik ben zo vreselijk bang voor die ellendige smerige geheimen – nee.”

“En jij?”, vroeg Bressers.

Krista slaakte een diepe zucht voordat ze antwoord gaf. “Moeder heeft de sleutel, nu is het beeld dat ik van mijn vader heb gehad allang lang geleden aan diggelen gegaan, maar we moeten het als gezin doen. Dus moeder – broer, zus en ik. Wij allemaal.”

“Als een soort groepstherapie,” zei Bressers.

“Ja – precies.”

“Hoe reageerde je broer en zus?”

“Michael is gaan zuipen, Ulrike heeft enorm gehuild – zegt ze – ze reageert anders nooit zo emotioneel.”

Er bestond een risico dat zowel moeder als dochter dicht zouden klappen en toch wilde Bressers de vraag stellen. “Zijn er vrienden en vriendinnen die dichtbij de familie staan? Het geheim zelfs kennen?”

Moeder en dochter keken elkaar langere tijd aan, het was Vera Wiedemann die vroeg: “Waarom precies?”

“Ik werk niet voor de politie,” zei Bressers, “misschien heeft uw man, net als ik, eerst een dreigbrief gekregen en die waarschijnlijk versnipperd. Ik heb het exemplaar dat op mijn adres werd afgeleverd gescand en doorgestuurd naar de firma – ik ben dus uit puur egoïsme verdergegaan met mijn betrokkenheid bij het onderzoek, ondanks de waarschuwing die de schrijver afleverde. Ik reageer altijd bijzonder geërgerd op dreigbrieven.”

“Wat bent u van plan met de dader te doen?”

“Dat hangt er van af – wie de dader blijkt te zijn.”

“Wat is uw functie nou precies?”, vroeg Krista.

“Nou, ik heb altijd gewerkt als incident manager, dat is een onafhankelijke functionaris die moet bemiddelen als er in het buitenland conflicten zijn ontstaan tussen twee of meer partijen – mijn laatste dossier vermeldt de naam van uw echtgenoot – er zijn geen raakvlakken met zijn overlijden, dus feitelijk zou ik de opdracht terug mogen geven, maar dankzij een dreigbrief ga ik door tot ik die vent heb.”

“Goed,” zei Vera, “ik snap het. Mijn dochter heeft een vriend die zich Andy noemt – hij is één keer hier geweest – droeg een soort legerjack met een rode ster op zijn linkerarm – ik vond dat erg opvallend.”

“Andy is erg links, Ulrike trouwens ook,” zei Krista.

“Maar ze leeft wel royaal van onze portemonnee.”

“Ik wil weten waar ik hem kan vinden.”

“Een studentenhuis in Nijmegen, ik zal het adres opzoeken – ben er maar één keer geweest – ranzig,” zei Krista die haar telefoon van het tafeltje oppakte.

Bressers noteerde een adres in het zuidwesten van de stad en liet zijn mobiel geruisloos wegglijden in zijn broekzak. “Ik wil erg graag de studeerkamer zien.”

Er volgde geen antwoord, moeder en dochter keken eerst enkele seconden naar beneden, toen naar elkaar. “Tot nu toe is er weinig publiciteit geweest over de moord op uw man, ik durf niet te beloven dat dat ook zo zal blijven, maar we zullen de media niet per se opzoeken en als het een beetje meezit, krijgen we de kans om de zaak af te doen als een brute roofmoord – het is nu eenmaal een feit dat ik persoonlijk een hekel heb aan teveel losse eindjes.”

“Nou, mijnheer Bressers,” zei Vera die opstond, “het wordt de hoogste tijd dat we een punt achter deze kwestie zetten – u werkt niet voor de politie, daarom heb ik naar u gevraagd, Daniël had me uw nummer gegeven, voor het geval er iets raars zou gebeuren.”

Het kantoor van Daniël Mansveld bevond zich in een ruimte die ooit als garage bedoeld was geweest.

Bressers pakte de sleutel aan en opende de deur, heel even dacht hij opnieuw het archief van Gregory Teunissen te betreden, waarbij de echtgenote in de deuropening achterbleef en vervolgens verdween. Maar Vera Wiedemann, de weduwe van Daniël, bleek uit ander hout te zijn gesneden dan Deborah.

Het was Krista die bleef staan, Vera nam plaats in een fauteuil – misschien voor het eerst – Bressers rolde de stoel van Daniël achteruit en ging zitten. Hij bestudeerde uitvoerig de ruimte die voorzien was van souvenirs – al dan niet origineel – uit Afrika.

Een behoedzame man, zoals Mansveld ongetwijfeld moest zijn geweest, zou weinig aan het toeval hebben overgelaten. Zodra hij zijn vergissing had ontdekt, kon hij moeilijk anders dan maatregelen nemen – alle sporen opruimen, zijn trofeeën weggooien, desnoods ergens anders bewaren. “Heb je je vader ooit verteld dat je binnen bent geweest?”

“Nee,” zei Krista. “Dat snapt u toch wel, denk ik.”

“Was je vader een prettige man?”

“Soms wel,” zei Krista.

“Wanneer niet?”

“Als hij bezopen was,” zei Vera.

“Misschien vindt u het erg flauw, mijnheer Bressers,” zei Krista, “maar ik durfde nergens over te beginnen – zelfs vroeger ging ik altijd naar moeder – mijn vader was erg vaak in het buitenland – de zeldzame keren dat hij thuis was, deed hij nogal afstandelijk of ronduit opgefokt – vrolijk – amicaal. En hij had een slechte dronk. Ik heb nooit een echte vader gehad – moeder heeft alles alleen moeten doen. Soms sneed hij het vlees. Snapt u wel?” Er viel een stilte. Bressers keek naar de jonge vrouw en trok een willekeurige la open die leeg bleek te zijn.

“Ja,” zei Bressers. “Was u bang voor uw vader?”

“Denk het wel.”

“Waren je broer en zus ook bang? Of juist niet?”

“Dat moet je hun vragen.”

“Oké – juist.”

“Heb je aan Ulrike of Michael verteld dat je in de werkkamer van jullie vader was geweest en iets had gevonden waarvan je vond dat dat erg vreemd was?”

Langzaam vormde er zich een beeld van een gezin dat gedurende misschien wel dertig jaar in het huis van een volstrekte vreemdeling had gewoond. Een zuiplap met een kwaaie dronk. Daniël werd gemeden als een pestlijder, als hij thuis was. Door zijn gedrag. Mensen zouden voor minder een scheiding aanvragen. “Mevrouw – Heeft u er ooit aan gedacht een scheiding aan te vragen?” Hij trok een tweede la open die net zo leeg was als de eerste.

Vera haalde haar schouders op. “Hij was er nooit.”

“Nou,” zei hij en de derde la bood enige weerstand, “mijn vrouw Roosmarijn dacht er heel anders over.”

Tenslotte slaagde hij erin om de la open te trekken.

“Die had geen vrede met mijn absenteïsme.”

Er lagen diverse voorwerpen in die er sowieso volstrekt willekeurig uitzagen. Verschillende lange plukken afgeknipt haar, zoals Krista eerder al had gezegd, een dameshorloge – een zilveren ketting met kruis – drie gouden ringen – vuurrode lippenstift, een polaroidfoto van Mansveld en Krista Guderian en een klein formaat opschrijfboekje dat tientallen namen bleek te bevatten van uiteenlopende vrouwen uit een twintigtal landen in Azië en Afrika, Zuid-Amerika. Krista Guderian werd ook vermeld. Net als haar lichaamslengte, geschat gewicht, kleur ogen…

“Ach, we zijn allemaal verschillend,” zei Vera.

“Wat heeft u daar?”, vroeg Krista.

“Wil je het echt weten?”

“Ja.”

“Het is een overzicht, een lijst die hij mogelijk heeft bijgehouden van al zijn slachtoffers,” zei Bressers.

“Veel?”

“Enkele tientallen – zo te zien.”

Krista liep weg en leek haar hoofd te hebben begraven in haar handen – Vera ging haar achterna.

In Bressers’ hoofd groeide er het beeld van een man die jarenlang ongehinderd zijn lusten had weten bot te vieren op vrouwen die niets vermoedden. Niemand had hem tegengehouden, omdat Mansveld zijn activiteiten geheim had weten te houden of vanwege het feit dat het niemand wat interesseerde.

Bijna vijftien minuten later stond hij in de woonkamer, de trofeeën pasten zonder moeite in het jack dat hij droeg – grote open zakken, onopvallend.

Op de bank zat Krista die nog maar net tot bedaren scheen te zijn gekomen. Vera had ernaast plaats genomen en een hand op haar dochters arm gelegd.

“Mijn vader was een monster!”, riep Krista.

“Ja,” zei Bressers, “daar lijkt het wel op.”

“En nu?”, vroeg Vera. “Wat gaat u doen?”

“Het begint erg groot te worden – tientallen slachtoffers – de moordenaar werd zelf vermoord – zo’n onderzoek heeft een eigen dynamiek, ik kan het niet eens tegenhouden, zelfs al zou ik het willen.”

“Ik snap het,” zei Vera.

“Zojuist nog heeft u gezegd dat uw man alcoholist was,” zei Bressers. “Maar hij was heel zelden thuis.”

“Ik herken een alcoholist op tien meter afstand,” zei ze, “mijn vader was echt altijd bezopen, al deed hij alsof hij nooit dronk. Daniël was precies hetzelfde.”

“Nog meer vragen?”, vroeg Krista. “Opmerkingen?”

“Ja,” zei Bressers. “Zijn de kinderen thuiswonend?”

“Nee, u begrijpt dat toch wel,” zei Vera, “ze hadden weinig zin in een alcoholische chagrijnige vader. De kinderen zijn vertrokken, zodra ze de kans kregen.”

“Wie wisten er dat uw man alleen thuis zou zijn?”

“U doet alsof u de moord op een keurige nette man probeert op te lossen, terwijl mijn vader een seriemoordenaar was – een smeerlap!”, riep Krista. Haar gezicht liep rood aan, ze boog ver voorover, alsof ze haar woorden meer kracht wilde bijzetten.

“Ik probeer het plaatje compleet te krijgen,” zei Bressers. “Hoe wist u zo zeker dat uw vader een moordenaar was? Of vermoedde u het, omdat u ineens de kans had zijn kamer binnen te gaan?”

“Het is wijsheid achteraf, daar heeft u gelijk in.”

“Nogmaals – ik ben geen politieman, mijn loyaliteit ligt bij wat de oudere collega’s en ikzelf altijd als de Majesteit hebben omschreven, het gaat om een set ongeschreven regels die beschrijven hoe je je dient te gedragen als je in het buitenland aan een klus werkt. Omdat ik het dossier beheer, ben ik ook degene die beslist welke sanctie er wordt uitgedeeld en aan wie. U heeft mijn hulp ingeroepen, mevrouw Wiedemann, dat betekent dat u vertrouwt op mijn oordeel, net als uw dochter Krista, die er ook bij is. De beslissing die ik neem, is definitief en bindend – er volgt geen hoger beroep – meestal of feitelijk altijd ben je vrij om te gaan en staan waar je wilt, maar bepaalde ambten zullen buiten je bereik blijven – soms leggen we beperkingen op ten aanzien van het passief kiesrecht, dus het recht om gekozen te worden, omdat we je niet langer vertrouwen. Ik heb ooit iemand uitgelegd dat hij geen premier mocht worden. Zulke dingen doen we een enkele keer,” zei hij. “Want u heeft ons gebeld.”

Moeder en dochter keken elkaar korte tijd aan.

“Wie heeft mijn man vermoord? Weet u het?”

“Een onbekende insluiper,” zei Bressers. “Toch?”

Een vreemde gang van zaken, want het was normaal dat er een onderzoek plaatsvond naar de moord op een man die in pakweg zestien jaar sowieso acht vrouwen had vermoord en misschien wel veel meer.

“Wie anders?”, vroeg Krista.

“Inderdaad – wie anders,” zei Bressers.

“We gaan mekaar vast nog wel zien,” zei Vera.

“Gelden de regels van de Majesteit eveneens voor mijn broer en zus? Of heeft u het over ons tweeën?”

“’t Is goed dat je dat vraagt. Voor jullie alle vier.”

Heel even leek het alsof Krista een vloek wilde uitspreken, omdat ze de vraag had durven stellen. Soms was het beter om te zwijgen, maar Bressers was er hoe dan ook een keer op terug gekomen. “Ik groet jullie – wens je veel sterkte op de begrafenis. Het zal moeilijk genoeg worden om je afkeer te verbergen – jullie hebben besloten om je geheim voor de samenleving op te eten en door te slikken.”

“Wat moet je anders?”, vroeg Vera.

“Inderdaad – een goede vraag – Wat moet je dan?”

John Bressers draaide zich rustig om en liep weg – naar buiten – zijn auto stond half in de schaduw geparkeerd – de voordeur gleed zachtjes in het slot.

Zijn eigen ex-vrouw, Roosmarijn, zou een andere oplossing hebben gekozen – in principe had ze dat ook al eens gedaan – door een schilderij te maken – nog steeds lag het in het huis van Lydia Weimans op een kast stof te vergaren. Bressers reed zachtjes achteruit – het hek ging open – hij begon het stuur van zijn auto naar rechts te draaien. Roosmarijn had haar frustraties afgereageerd in een portret van haar echtgenoot John Bressers – hij werd voorgesteld als een regelrechte sociopaat, crimineel.

Zelf had hij er zijn schouders over opgehaald.

Terwijl hij richting Cromvoirt begon te rijden, hoopte Bressers dat zijn betoog over de Majesteit als een zware steen had gewerkt die de ogenschijnlijke rust in de familievijver drastisch had verstoord. Zijn intuïtie zei hem dat het zeker nodig was geweest, aangezien ze voldoende redenen hadden gehad om hun vader dood te schieten en als je hem maar voldoende haatte, lukte dat goed met twee schoten.


John Bressers en de affaire Blauwbaard (6/11)

Bijna twee uur later zaten beide mannen op het dakterras van Bressers’ woning – geen al te grote oppervlakte, maar wel een uitzicht vol daken, muren en helder verlichte ramen. Er stonden twee blikjes bier op tafel. “Je hebt het goed gedaan, John,” zei Millar die een slokje bier pakte.

“Ik heb het nog altijd veel te druk,” zei Bressers, “mijn tweede woning in Kootwijk staat te koop – nou ja, niet officieel, maar tegen elk redelijk bod.”

“Heb je gedoe met onderhoud?”

“Op zich valt dat mee. Ik wil iets anders. Aan zee.”

“Geef het aan een makelaar.”

“Komt nog.”

“O, juist.”

“De opvolger van Foley kwam me opzoeken.”

“Brahms.”

“Ja.”

“Dat zou Foley nooit hebben gedaan.”

“Nee, hij niet.”

“Ik heb iets anders, de aanleiding voor onze ontmoeting vandaag, de dochter van Crazy Freddy.”

“Claudia van Weijlands.”

“Die – inderdaad.”

“Wat is ermee?”

“Ze schijnt aan een clubje te bouwen die moet strijden tegen groeiende neokoloniale tendensen in onze moderne samenleving, alsof de geschiedenis onvoldoende lessen heeft opgeleverd, we leiden als maatschappij massaal aan een vorm van dementie.”

“China – Europa. Iedereen is bezig. Of alweer.”

“Inderdaad – we zijn onze eigen al dan niet gemeenschappelijke markten aan het beschermen en geven miljoenen euro’s aan Noord-Afrikaanse regeringen die de migranten moeten tegenhouden.”

“Zie je toevallig communistische sympathieën in de groep van Claudia?”, vroeg Bressers, terwijl hij half geboeid de tekst op het bierblikje leek te bestuderen.

“Bevrijdingstheologie speelt wel een rol, ja.”

“Da’s nog erger, dat zijn christenen die marxistische beginselen hanteren, tegen het grootkapitaal zijn en voor het volk dat hardvochtig wordt onderdrukt.”

“Net als je denkt dat je alle rommel hebt opgeruimd,” zei Millar die een flinke slok bier nam.

“Ja.”

“Waarom koop je eigenlijk blikjes?”

“Als je ze leeg hebt, mag je ze weggooien. Flessen moet je terugbrengen naar de winkel – statiegeld.”

“Dan is dit wel erg makkelijk, ja.”

Bressers zette het blikje terug op tafel.

“Hebben de leden van het clubje ook echte namen? Ik kan me niet voorstellen dat je ze niet kunt geven.”

“Eentje valt op – Ulrike Mansveld.”

“Há – een dochter van Daniël.”

“Op zich een heel normale meid,” zei Millar, “ze schijnt zich onlangs uit te hebben laten schrijven als katholiek en gaat nu als vrijzinnig protestant door het leven – ik heb haar laatst een keer gesproken.”

“En verder?”, vroeg Bressers die met het blikje zat te spelen. Millar was een zeer goede informant.

 “Ulrike heeft een vriend, Andy Sommers.”

“Het gaat dus feitelijk om het vriendje.”

“Ja.”

“Waarom?”

“Die is gek – of, nou ja – een idealist.”

“Gek genoeg voor een moord?”

“Geen idee, het is een wat bleek ongezond type.”

“Meer iemand voor in de bibliotheek.”

“Ja.”

“Ik heb meer nodig, Peter. Er is een moord gepleegd. Op zich boeit het slachtoffer me niet echt, maar we hebben er een hekel aan als iemand voor eigen rechter gaat spelen, dat is namelijk verboden.”

“Dacht ik al, steeds maar weer de regels.”

“Andy en Ulrike.”

“Yep.”

“Het doet me denken aan Andreas.”

“Ja-a.”

“Ik dacht aan Andreas Baader.”

“En – dus – ook aan Ulrike Meinhof,” zei Millar.

“Een marxistische Bonny en Clyde.”

“Daar zal niet iedereen het mee eens zijn.”

“Goed. We hebben Andy en Ulrike. En verder?”

“Niet zo heel erg veel.”

“Het probleem zit hem in Daniël Mansveld – hij is de reden waarom hier we nu zitten – een echte smeerpijp. Iemand heeft voor eigen rechter gespeeld. Persoonlijk had ik Daniël ook willen doodschieten.”

“Dat mag niet.”

“Weet ik. Ik had het wèl willen doen.”

“Je bent net zo erg.”

“Heb je enig idee waar ik Andy kan vinden?”

“Woont op kamers in Nijmegen. Vraag het Ilse.”

“Goed.”

“Je had toch wel gelijk, denk ik – over de blikjes.”

“Tuurlijk.”

Voor het eerst lag er de naam van een verdachte – twee zelfs – al scheen Andy nauwelijks in aanmerking te kunnen komen als moordenaar. Hij scheen een bleek ongezond type te zijn – door zijn vriendin kwam hij in beeld als een potentiële dader. Ulrike. Een dochter van Daniël die alleen thuis was.

“Wat weet je van Ulrike?”

“Ze roeit, heel verdienstelijk zelfs, goed niveau.”

“Dus – een paardenstaart en gezond uiterlijk?”

“Ja.”

“En ze zijn bevriend – een echt stelletje?”

“Dat heb ik gehoord, ja.”

“Oké, ik ga het meisje morgen condoleren.”

“Doe je voorzichtig?”

“Alleen condoleren.”

“Ja – ja. Vast.”

In elk geval wist Ulrike dat haar vader thuis was. Correctie. Ze zou zeker op de hoogte kunnen zijn.

Natuurlijk vormde het geen enkel bewijs van haar eventuele betrokkenheid bij de zaak of die van Andy. Iets na elf uur verliet Millar het huis. Bressers sloot de voordeur en draaide de sleutel naar rechts.

Er waren namen van oude bekenden gevallen – Crazy Freddy, zoals Nieuwenhuizen ook wel werd genoemd – zijn dochter Claudia die het middelpunt heette te zijn van een vreemd groepje waarbij christendom en marxisme een rol bleken te spelen. Om nog te zwijgen van een toevallige overeenkomst – de namen Andreas en Ulrike – twee belangrijke spelers in een terreurorganisatie in de jaren 60 en 70.

Iemand moest hebben verklapt dat Daniël Mansveld een reeks moorden had gepleegd in Thailand die er zestien jaar over had gedaan. Maar Cindy Hoefnagels bleef een buitenbeentje in het gezelschap van slachtoffers, want ze werd vermoord door haar eigen zakenpartner die ongetwijfeld had ontdekt dat ze zijn zakcentjes had weggewerkt – gedoneerd aan goede doelen, maar ook voor eigen gebruik elders. Ze had een nieuw leven willen beginnen. Dat zeker. Feitelijk viel het amper te rijmen met haar plannen, het was vreemd, ze leek absoluut niet voornemens te zijn om terug te keren naar Albrechts villa en toch had ze dat kennelijk gedaan. Bressers pakte nog een biertje uit de koelkast en ging op de bank zitten, ondanks de verklaring van de Thaise politiechef, bleef Bressers het idee houden dat er iets anders moest zijn voorgevallen. Al waren de foto’s nog zo overtuigend geweest en leek Simone ook te aanvaarden dat Cindy door Albrecht was vermoord.

Het was een vreemde zaak voor John Bressers die normaal gesproken zelden als rechercheur op hoefde te treden. De situatie dwong hem er simpelweg toe.

*****

De volgende ochtend kleedde hij zich om negen uur aan. Het bezoekje van Arjan van Elzakker aan Arne Fröling deed er absoluut niet meer toe, er zouden geen andere feiten meer aan het licht komen. Dacht hij. Wel zou het geïmproviseerde onderzoek in Bangkok nieuwe zaken kunnen opleveren. Tijdens zijn ontbijt checkte hij zijn e-mail en wist verdraaid goed dat het momenteel te vroeg zou zijn om de geldstromen die Cindy had laten ontstaan in beeld te hebben. Er zou meer tijd nodig zijn, hij diende rustig af te wachten en zo meteen ging hij de partner van Mansveld met een beleefd bezoekje vereren. Brahms had een app gestuurd waarin werd vermeld dat de weduwe hem inmiddels verwachtte en hopelijk liet hij niet lang op zich wachten, want ze had het nog erg druk.

Terwijl hij zijn schoenveters zat te knopen, probeerde hij zich te herinneren wanneer ze een gesprek hadden gevoerd over een ontmoeting met de weduwe.

Op het randje van zijn bed hing hij ietwat onhandig een schouderholster om – een geladen pistool lag naast hem en hij vermoedde dat hij geen van de 17 patronen nodig zou hebben, al zou elk gelost schot veel ellende opleveren, er lag wel een bedreiging.

Hij trok de deur achter zich dicht en bestudeerde het appje nog eens, het leek erop alsof de weduwe zèlf om een afspraak had gevraagd. Nog beter. De korte nachten van Brahms begonnen geleidelijk hun tol te eisen, maar hij wilde er geen spelletje van maken. Het had sowieso veel te lang geduurd, ze zouden elkaar eerder toch al eens ontmoeten vanwege alle verhalen die er na de dood van Daniël los waren gekomen. Bressers twijfelde er niet eens aan dat ze volop hadden gespeculeerd over de woorden die na de moord op Daniël op de muur was achtergebleven.

Nog voordat hij de straat wist te verlaten, klonk er een stem die toebehoorde aan een jongeman en hij dacht eerst aan Andy – het vriendje van Ulrike, maar Bressers snapte dat het weinig uithaalde. Tot nog toe had hij alleen namen gehoord. meer niet. “Hé – .”

Bijna automatisch greep zijn hand naar het pistool, maar een man, die zeker niet ouder dan dertig kon zijn, stak zijn armen omhoog en het bloed trok weg uit het gezicht, alsof hij begreep wat er ging volgen.

“Je bent aan het sluipen,” zei Bressers.

“Mag ik dichterbij komen?”

“Hoe heet je?”

“Marten.”

“Wat moet je, Marten?”

“Kunt u me eens uitleggen, mijnheer Bressers – Waarom zoekt u de moordenaar van de kapitalistische uitbuiter en seriemoordenaar Mansveld? We moeten de dader een lintje geven.”

Terwijl Marten zijn statement maakte, haalde Bressers bijna terloops zijn telefoon tevoorschijn, tikte de pincode in en activeerde de camera. Zonder enig commentaar maakte hij een foto van Marten. “Je zult vast wel actief zijn op sociale media. Onze investigators zullen vaststellen hoe je echt heet.”

“U maakt gewoon een foto van mij! Hoe durft u!”

Hij blokkeerde de telefoon en liet hem wegglijden in  zijn broekzak – in een vloeiende beweging toonde hij het wapen dat onberoerd in de holster stak – een wapen dat ook gebruikt werd door de politie. “Je speelt een spel waarvan je de regels amper beheerst. Ik zou jullie willen adviseren het rustig aan te doen.”

Marten stak zijn handen omhoog, alsof hij zich heel nadrukkelijk over wilde geven. “Oké, ik snap het.” Met een onhandige beweging waarbij het leek alsof hij struikelde, draaide hij zich om en liep snel weg – naar de Verwerstraat. Bressers keek hem alleen na.

Boven zijn hoofd hoorde hij een bekende stem – de buurman die grinnikend vroeg: “Heb je problemen?”

“Nee,” zei Bressers die omhoog keek.

“Was hij nou een communist? Hoorde ik dat goed?”

“Ja. Soort van. Het lijkt er sterk op.”

“Ik dacht dat ze allang kapitalist waren geworden.”

“Een splintergroepering,” zei Bressers.

“Dat zal het zijn.”

“Goed – ik moet gaan. We zien mekaar nog.”

“Houdoe.”

*****

Links en rechts van de weg groeiden er bomen die voor een groen dak zorgden dat sporadisch werd onderbroken, zodat er bundels zonlicht te zien waren. Half verborgen achter een rijtje bomen bevond zich de bungalow van de familie Mansveld.

Hij stapte uit de auto en belde aan, een lange tijd bleef het stil, waarna een relatief jonge vrouwelijke stem vroeg: “Wie bent u? Wat doet u hier?”

“John Bressers,” zei hij, “ik word verwacht.”

Heel langzaam schoof het hek open, hij stapte in de auto en reed verder – er zwiepte een gordijn heen en weer – de voordeur ging voorzichtig open, er verscheen een jonge vrouw die Krista of Ulrike moest heten. Hij had geen flauw idee welke van de twee op hem stond te wachten, ze leek wat jonger.

“Hi, ik ben Krista.”

In zijn herinnering verscheen de verleidelijke gedaante van een jonge gelukszoeker die haar belangstelling voor Daniël met de dood moest bekopen. Bressers vroeg zich af of Mansveld last had gehad van wroeging. Waarschijnlijk had hij zich destijds laten meeslepen door zijn lustgevoelens. Er zat een patroon in – aldus de gangbare literatuur – verlangen, ontlading, schaamte. Zou hij hebben geweten dat zijn jongste dochter naar dezelfde naam luisterde? Of had hij er geen gevoelens bij gehad?

“John,” zei hij. Ondertussen begon zijn telefoon te trillen – hij checkte het scherm en zag een bericht afkomstig van Giselle Brahms die meldde dat het DNA van de dader, zoals het door de Thaise politie was aangeleverd, toebehoorde aan Daniël Mansveld.

“Kom verder,” zei Krista. “Moeder wacht al op u.”

Hij bleek zich in een hal te bevinden die sober was ingericht, er hing een schilderij van Monet en het zou hem beslist verbazen als het origineel was.

De woonkamer verraadde een smaak die bijna viel te omschrijven als minimalistisch, maar er hing een schilderij – ook hier – van een onbekende kunstenaar. Hij keek er enkele seconden naar en boog een tikje voorover om Vera Mansveld – Wiedemann te condoleren. Ze knikte een enkele keer met haar hoofd, maar zei geen woord, alsof het niets betekende.

“U heeft om een ontmoeting gevraagd,” zei hij.

“Ja.”

Hij nam plaats in een donkere fauteuil.

“De bekentenis van mijn echtgenoot – .” Er viel een stilte die ongemakkelijk opliep tot een halve minuut.

“U hoopt van mij uitsluitsel te krijgen, denk ik.”

“Ik heb er recht op. Net als mijn kinderen.”

“Nu dwingt u me een beetje in de rol van een rechter die de beschikking heeft over dun bewijsmateriaal. In de rechtbank houdt de bekentenis al geen stand, aangezien uw echtgenoot met de dood werd bedreigd. Voor een rechter heeft het geen betekenis. Tijdens een rechtszaak heb je een robuust dossier nodig, anders is de officier van justitie kansloos. Als hij de zogeheten bekentenis al zelf heeft geschreven. Het zou ons naar de feitelijke dader kunnen leiden.”

Het zou veel makkelijker zijn geweest als hij direct had gezegd dat Mansveld een seriemoordenaar was.

Toch deed hij dat niet. Nog niet.

“Mijnheer Jongejans heeft me verzekerd dat u voor duidelijkheid kon zorgen, u bent op de hoogte.”

“Ik heb Daniël gezien èn gesproken – oudejaarsnacht, tien jaar geleden, hij is naar zijn hotelkamer gegaan in gezelschap van een dame – .”

“Zijn ontrouw. Ja, ik wist ervan, mijnheer Bressers.”

“Het DNA van uw man is op acht verschillende vermoorde vrouwen aangetroffen,” zei Bressers, “er liggen beslist aanwijzingen die in de richting van uw echtgenoot wijzen – als dader – seriemoordenaar.”

“Mijnheer Bressers,” zei Krista. “Wat gaat u nu doen?” Bijna geruisloos was ze dichterbij gekomen.

“De moordenaar van uw vader zoeken.”

“Van mij hoeft dat niet. Ik schaam me kapot.”

“Onze rechtstaat werkt toch echt op die manier.”

“Ja, ik weet het,” zei Vera.


John Bressers en de affaire Blauwbaard (5/11)

’s Middags omstreeks twee uur parkeerde Bressers zijn auto voor het huis dat aan Simone Hoefnagels toebehoorde. Eengezinswoning, er viel weinig te beleven op straat, ’s avonds en in het weekend zouden er veel meer auto’s moeten staan. Hij zag een glasgordijn terugvallen en vermoedde dat het om zijn afspraak ging die al sinds vanochtend negen uur had zitten wachten. Aan de andere kant wachtte Simone al bijna tien jaar. Hij drukte op de bel en het duurde minder dan vijf seconden voordat er iemand opendeed. Er stond een vrouw die hem zeker deed denken aan Cindy. “Mijn naam is John Bressers,” zei hij, “ik werk niet voor de politie, maar daar bent u al over geïnformeerd door mijn collega.” Haar hand voelde slap en vochtig aan, ze oogde bloednerveus. “Als u het goed vindt, kom ik verder.”

“Vanzelf,” zei ze.

Hij veegde zijn voeten en liep verder, ietwat aarzelend bleef Simone een stukje verder in de gang wachten. Ondertussen sloot hij de deur achter zich.

“Ik begreep uw achtergrond niet zo goed, de mevrouw bleef daar erg vaag over,” zei Hoefnagels.

“Mijn werkgever bemiddelt al meer dan tweehonderd jaar bij grote zakelijke conflicten tussen bedrijven en overheden buiten Europa, soms word ik te hulp geroepen als een soort mediator.”

“Dat snap ik al wat beter.”

“Zo heb ik uw zus Cindy Hoefnagels tien jaar geleden over kunnen halen in te stemmen met een terugkeer naar Nederland – daarna verdween ze en ik was enorm boos, toen ik daar gisteren voor het eerst van hoorde.”

“Ja, ze had zelfs een vluchtnummer opgegeven.”

“Bent u alleen?”, vroeg Bressers.

“Ja, nu wel. Mijn man was vanochtend thuis.”

“Neemt u plaats,” zei hij, “ik heb wat voor u.”

“O God.”

Simone nam plaats in een fauteuil. “Wat – ik – ?”

“Hoe werd u door uw zus doorgaans genoemd?”

“Eh – Simone natuurlijk.” Ze sloeg haar handen voor haar mond en riep: “Nee! Dat is niet waar! Ze had het over Simon. Ik had een keer mijn haren veel te kort laten knippen en toen zei Cindy dat ik op een jongen leek, daarna werd Simon een koosnaampje.”

Om haar rechterpols had Simone Hoefnagels een kettinkje dat identiek was aan dat van Cindy.

“Heeft u een naam op het plaatje laten graveren?”

“Ja,” zei ze. Vervolgens toonde ze een sierlijk gegraveerde naam. Cin. Het klopte echt helemaal. Bressers ontgrendelde zijn telefoon en tikte op de app die de foto’s bevatte. “Komt u dit bekend voor?” Hij draaide het toestel om en lette bijzonder op de gezichtsuitdrukking van Simone die haar beide handen voor het gezicht sloeg, haar lichaam schokte.

“Ja,” zei ze. “Ja.”

“Ik blijf u nog even lastigvallen met foto’s,” zei Bressers, “nog eentje.” Hij wilde de ring laten zien.

“Ja, die had ze een keer in Antwerpen gekocht,” zei Simone, “ik was erbij – vond hem schandalig duur.”

Bressers staarde eventjes naar de vloer. “Thaise politie heeft uw zus gevonden in een villa die eigendom was van een Nederlandse gangster. Misschien kent u hem. Hij heette Hans Albrecht.”

“Leeft hij – nog?”

“Nee. Hij is doodgeschoten door een concurrent.”

Haar gezicht leek een uitdrukkingsloos masker van vlees te zijn geworden. “Ik vind het zo onwerkelijk, kan niet eens huilen.”

“Mijn excuses, het onderzoek raakte in een stroomversnelling, anders was ik vanochtend om tien uur hier geweest. Uw man zou er bij zijn.”

“Heeft u nog meer foto’s?”

“Ik wil voorstellen dat u uw man opbelt, zodat hij hierheen kan komen – dan bespreken we dat verder.”

“Goed, want ik weet het even niet meer.”

*****

Bijna driekwartier later reed hij de straat uit. Er was vermoedelijk één moordzaak opgelost die overigens niets met de affaire Mansveld te maken had. Cindy werd naar alle waarschijnlijkheid vermoord door Hans Albrecht, omdat ze hem in de steek wilde laten. Er moest nog forensisch bewijs worden aangeleverd, maar de aanname die hij een uur geleden had uitgesproken bij Simone was zeker niet vergezocht. De bedreiging stond op tape.

Zodra Bressers de provinciale weg had bereikt, ging zijn telefoon – een onbekend buitenlands nummer. Hij hoorde een oudere stem spreken, een man die vaker Engels sprak en hij deed het echt heel behoorlijk.

Hello sir?”

“This is John Bressers.”

“Finally.”

Het was de commissaris – Nueng die in zijn bureaula de dossiers bewaarde van drie blanke vrouwen – moordslachtoffers. Bressers bedacht dat er Thaise slachtoffers zouden kunnen zijn gevallen – wat de buldogachtige vasthoudend verklaarde. One thing kept me busy – it’s the villa.” Nog zo’n vreemd detail. Kennelijk was het verlaten.

“Yes?”

“Can you tell me if the villa has been sold to a new owner?”, vroeg Bressers die in de tussentijd allerhande scenario’s overwoog – familiebelangen, die van Nueng wel te verstaan.

“Why don’t you ask this to the family, sir? It’s full property, there’s no mortgage. I met a man who’s appointed as some kind of caretaker, a repairman.”

“Is there a market for such villa’s?”

“O yes, definitely.”

“So why haven’t they sold it already?”

“Very typical. White people are always thinking of two things. Money. And more money. I don’t know.”

“Value?”

“Half a million dollars. Maybe more, maybe less.”

“Something more important. The three victims.”

“No, no, much more. Three white dead women.”

“I was already afraid of that.”

“I tried to catch your attention and I succeeded.”

“Same killer DNA?”

“Yes. Except de German woman. There was another guy involved – she had sex with two different men.”

“How many casualties?”

“Eight.”

“In what period?”

“Sixteen years. I’ve been collecting these cases for a very long time now and find it very frustrating, but this is really the first time that anybody starts asking questions about the disappearance and death of some of these women. Nobody really gives a damn.”

“We’ll help.”

“Thanks. Now, do you have something else for me?”

“Could you find the name of the owner for me?”

“I know that. It’s the dead woman. Cindy.”

“How is that possible?”

“She invested money in local hospitals, schools. It’s possible to buy real estate for foreigners in our country, although we try to make it more difficult. We’re no longer prepared to give shelter to your gangsters who want to have a nice cheap life here.”

“You’re absolutely right, if you ask me.”

“She’s done some good things with that money.”

“Even though it was drugs money.”

“My brother would say: ‘It’s a business.’.”

“Smart man.”

“He’s a monk.”

“Alright – What about the German woman?”

“She was murdered by the same guy as the other girls, all of them quite young, none of them came from a decent family, they were loners, prostitutes.”

“Have you sent a detailed summary to the office?”

“Yes – I did.”

“Good, thank you. We’ll see what we can do.”

“Thank you very much.”

Hij verbrak de verbinding en dacht aan Cindy die het geld van Albrecht had uitgegeven aan ziekenhuizen en scholen, vermoedelijk ook een boeddhistisch klooster. Er speelde een glimlach op de lippen van John Bressers die snel weer verdween, omdat Albrecht op een of ander moment moest hebben ontdekt waar zijn zuurverdiende centjes waren gebleven en dat deed hij pas toen ze echt weg waren.

Zolang Albrecht zijn geld had, waren zijn vrienden bereid hem te helpen. Bressers snapte als geen ander dat het zo werkte, want het ging altijd om geld. Een vermogende Albrecht zou zijn einde nog een flinke tijd uit hebben kunnen stellen. Ook de firma zou daar weinig verandering in hebben kunnen brengen.

Korte tijd na de verdwijning van Cindy werd Albrecht geliquideerd, als een diplomatieke vriendendienst, dus om een probleem uit de wereld te helpen. Geen geld, geen vrienden. Tien jaar geleden werd de kwestie Hoefnagels ruwweg onder het tapijt geschoven, alsof het er totaal niet meer toe deed. De beslissing was al genomen. Cindy verloor haar leven, maar had een solide pakket donaties gedaan in ziekenhuizen en scholen – hij wild er het woord ‘investering’ niet voor gebruiken.

Er behoorde een reden voor te bestaan, zoals ze bijna naïef terug was gekeerd naar de villa die op haar naam stond, terwijl ze een substantieel deel van Albrechts vermogen had gestoken in de Thaise economie. Bovendien had niemand vervolgens ooit de moeite genomen om de villa te verkopen, of zelfs te onteigenen en dat had zonder problemen gekund.

Dat was vreemd. Naast de provinciale weg stond een blauw bord met witte letters die hem naar Den Bosch leidde. Bressers tikte op zijn telefoon, zocht een nummer, ondertussen zakte de snelheid van de auto een tikje omlaag, maar hij legde verbinding met Ilse. Opnieuw had hij haar nodig voor wat research.

“Hallo,” zei ze.

“Hé – ik ben het. Wil je iets voor me uitzoeken?”

“Tuurlijk.”

“Probeer eens uit te zoeken welke speciale binding Cindy Hoefnagels gehad kan hebben met Thailand,” zei Bressers, “ik heb bijna het gevoel dat ze destijds iets voor me verborgen heeft weten te houden, want de villa van Hans Albrecht blijkt in werkelijkheid die van Cindy te zijn en is verdorie haar eigendom.”

“Een erfgenaam bedoel je?”

“Zoiets. En ik mocht nergens van weten.”

“Waarom?”

“Ook moet je eens uit laten pluizen hoe de geldstromen hebben gelopen, want ik begin het idee te krijgen dat ze een geheime agenda heeft gehad.”

“Zoals verdwijnen.”

“Bijvoorbeeld. Ik dacht ook nog aan een kind. Al zou hij elders onder moeten zijn gebracht. Er moet iets zijn. Cindy heeft iedereen voor de gek gehouden, ook haar eigen zus Simone. Ze was een goeie leugenaar, want ik ben er eveneens ingetrapt.”

Links van hem lag de Zuidwillemsvaart, hij reed een kalme tachtig kilometer per uur. “Ik laat een van onze ervaren krachten erin duiken, want hiervoor hebben we de archieven nodig,” zei Ilse. “Een mogelijk kind, een ander nieuw leven, het betekent dat er ergens geld is blijven liggen, een heleboel zelfs en als er nog altijd bedragen worden opgenomen, zal ik voorstellen dat er iemand ter plaatse poolshoogte gaat nemen, ja, het is vreemd.”

“Ook in Bangkok,” zei hij. “Voor een oude man sprak hij erg goed Engels, dat ben ik niet gewend.”

“Waar denk je aan?”

“Ik wilde weten of de villa alweer was doorverkocht, want eerlijk gezegd kreeg ik de indruk dat dat niet zo was. Hij ontweek mijn vraag vrij handig en antwoordde dat ik dit aan de familie moest vragen.”

“Oké.”

“Nu boeit de villa me erg weinig, maar ik denk wèl dat hij met de acht moordzaken in zijn maag zit.”

“Acht!”

“Jawel, er zijn in zestien jaar tijd acht vrouwen vermoord door één en dezelfde man, gezien het DNA dat hij heeft verzameld, hij hoopte dat we sneller in actie zouden komen als hij zou beginnen over drie blanke slachtoffers. Hij beticht ons van racistische motieven, Thaise vrouwen niet boeiend.”

“In elk geval geen zaak die ons moet bezighouden.”

“Wil je met mijnheer Jongejans overleggen of er toevallig een collega van ons in Bangkok verblijft? Zo ja, laat hem dan goed uitleggen dat de villa ons totaal niet interesseert. Het gaat ons om Mansveld.”

“Je zou het haast vergeten.”

“Precies. Het leidt allemaal alleen maar af.”

O, het briefje, daar zijn we mee bezig, je hebt een dreigbrief doorgestuurd, het is erg interessant, omdat het juist een paar boeiende details over jou bevat. We denken aan iemand uit de inner circle van je familie of desnoods een van de zogeheten ol’ boys.”

“Daar zijn er maar weinig van overgebleven,” zei Bressers die het een bordje zag staan dat beduidde dat hij de stadsgrens had bereikt, hij moest linksaf.

Ook Cindy Hoefnagels had haar eigen spel gespeeld binnen het mysterie rond Daniël Mansveld, als hij echt schuldig mocht blijken te zijn aan de dood van maar liefst acht vrouwen. Een klassieke blauwbaard.

Het werd tijd om morgen eens de chique bungalow van Mansveld op te zoeken, omdat hij mogelijk net als zijn illustere voorganger uit het sprookje een geheime kamer zou kunnen hebben waar hij zonder medeweten van de weduwe zijn trofeeën bewaarde.

Bressers reed vrij rustig door de Hinthamerstraat, hij ging er altijd min of meer stapvoets, omdat voetgangers wel eens onverwacht wilde oversteken. De schrijver van het dreigbriefje en Bressers zouden elkaar gezien kunnen hebben in het vakantiepark. Het was een andere connectie dan Ilse net noemde.

Zijn auto parkeerde hij op de normale plek, dichtbij de ingang, erg druk was het niet eens, zoals zo vaak lukte het om er een leeg vak te vinden. In gedachten probeerde hij eventuele verdachten te vinden die hij in het verleden al eens had kunnen betrappen op opvattingen die eventueel communistisch konden zijn.

Er speelde een grijnslach op zijn gezicht, omdat het een ideologie betrof die dood en begraven moest zijn. Niemand zou nog geassocieerd willen worden met ideeën waarvan de meeste geleerden dachten dat ze voorgoed tot de geschiedenis behoorden en toch leek het erop dat het een motief kon zijn voor de moord op Daniël Mansveld – zelf een moordenaar – zoals hij mogelijk op de muur van een kamer had geschreven, hij was ook een kapitalistische uitbuiter.

John Bressers liet zijn auto achter en wandelde rustig naar zijn huis, langs een serie kroegen, een oude statige kathedraal en ook een snackbar, hoewel hij zich niet eens hoefde te bedwingen om er gewoon langs te lopen. Vandaag at hij geen patat.

Het briefje bewees in elk geval dat de schrijver een tomeloze behoefte leek te hebben om te communiceren met zijn slachtoffers zoals Mansveld. Toch had het politiedossier geen melding gemaakt van een briefje. Misschien wist de weduwe ervan.

Ook bestond er een kans dat de van oorsprong Duitse mevrouw Mansveld totaal nergens van wist.

Daniël had drie kinderen. Ulrike, Michael en Krista.

De schrijver van het dreigbriefje had in Kootwijk werkzaam kunnen zijn, Zijn geheugen weigerde het gezicht prijs te geven van een jonge vent wiens uiterlijk onaangepast genoeg was om de geest van een revolutionaire filosoof te verraden, voor zover Bressers wist waren zulke jongens of meisjes niet in het vakantiepark aanwezig. Zelfs baarden waren alweer hip.

Bovendien was het onmogelijk om afwijkende denkers te herkennen aan hun uiterlijk.

Hij sloeg rechtsaf, een eindje verderop stond zijn huis en schuin ertegenover stond een oudere man geduldig wachtend om zich heen te kijken, hij droeg een antracietkleurig kostuum en Bressers herkende een opgeluchte zucht, zodra Peter Millar hem in de gaten kreeg. “Hè hè, dat werd ook tijd, zeg.” Er glansde een opgewekte glimlach op Millars gezicht.


John Bressers en de affaire Blauwbaard (4/11)

“Hopelijk geeft het DNA-monster snel uitsluitsel, Giselle, want ik denk dat we een seksueel roofdier zoeken en Mansveld voldoet enigszins aan het profiel van een klassieke vrouwenverslinder,” zei Bressers.

“Niet per se een moordenaar.”

“Iemand moet hebben gedacht van wel.” Ondertussen begon hij met zijn voordeursleutels te spelen, want hij had net zijn straat betreden. Nog een metertje of vijftig en hij was weer thuis, zo meteen zou hij een glas wijn inschenken en dan naar bed.

“Het is een vervelende affaire, ik krijg er jeuk van.”

Hij dacht aan een broer van Cindy – of zus.

“Heb je een adres van Cindy’s naaste familie voor me?”

“Ja, ik zal hem zo mailen,” zei ze. “Een oudere zus.”

“Weet ze dat ik kom?”

“Simone – heeft een compleet dossier over Cindy.”

“De verdwijning van haar zus is een open zenuw.”

“Eh – beslist. Ze vindt het erg fijn dat er na bijna tien jaar eindelijk iemand over Cindy komt praten.”

“Ik bied geen garantie dat er een oplossing komt.”

Ze beëindigden het gesprek, terwijl Bressers zijn voordeur opende. Zoals een beetje de gewoonte was, legde hij het toestel op tafel en hij liep door naar de keuken om nog een laatste glas wijn in te schenken.

Even later had hij plaatsgenomen op een stoel, Bressers gooide zijn schoenen opzij en probeerde orde te scheppen in de chaos die was ontstaan. Daniël Mansveld was vermoord, zoals tien jaar geleden de Duitse Krista Guderian eveneens op een gewelddadige manier om het leven was gekomen. Een andere vrouw die vrolijk had staan aftellen in afwachting van een bevrijdend nieuwjaar heette Cindy Hoefnagels en die verdween in pakweg dezelfde periode spoorloos en werd nooit meer teruggezien. Volgens een Thaise politieman waren er in dezelfde periode nog eens twee vrouwen vermoord. Normaal gesproken zouden de kranten er vol mee hebben gestaan, maar nu volgde er een merkwaardige en zeer hardnekkige radiostilte die pas werd onderbroken door de moord op Mansveld.

In elk geval zou snel duidelijkheid moeten ontstaan over de dader, of degenen die hun DNA hadden achtergelaten op het lichaam van de drie vrouwen. Gelukkig had er iemand destijds gedacht aan een grondig forensisch onderzoek. Er lag DNA om te onderzoeken. Zo vanzelfsprekend was dat toen niet.

‘Waren slachtoffers Bangkok toevallig allemaal werkzaam in het seksbedrijf?’ Hij verstuurde het berichtje zonder enige hoop te hebben op een snel antwoord. Toch kwam het er. ‘Nee, er bestond destijds een levendige Hollandse scene, zoals je weet. Er waren erg veel boeiende mannen met geld.’

Eerst nam hij een slokje wijn en betreurde het direct dat Jelle vanavond een heel andere soort had gebruikt. Ook Hans Albrecht was een verdachte. Hij stierf later pas, dus nadat er drie vrouwen waren vermoord in Bangkok – op vrijwel identieke wijze. ‘Heeft je Thaise vriend al in de villa of tuin van Albrecht gezocht? Misschien vindt hij Cindy daar wel. Ik zou daar zijn begonnen met zoeken.’ Het nadeel van veel informatie in een korte tijd was toch wel dat Bressers nauwelijks de kans kreeg om de feiten onderling te verbinden. Het lag niet echt voor de hand dat de politie in Bangkok bekend was met de feitelijke positie van Cindy binnen de organisatie van gangster Hans Albrecht. Ze leek een moderne vrouw op zoek naar meer dan een beetje mazzel, zoals een man als Daniël Mansveld mogelijk kon bieden. Hij was een rijke zakenman met een paar maîtresses – of neukertjes, zoals dat ook wel heette.

Maar Guderian ging met Mansveld mee, Cindy bleef achter in de bar, net als John Bressers en Arne Fröling die op nieuwjaarsochtend in de ontbijtzaal iets bijdehands zei over kippetjes. Bovendien zat Mansveld in hetzelfde vliegtuig als Bressers, alsof ze het zo hadden gepland. Hij schoof zijn telefoon weg en nam een nieuwe slok wijn. Het smaakte erg goed, tot dusverre was het leven vriendelijk geweest voor hem en zijn gezin, ook al was zijn huwelijk geëindigd in een scheiding.

Ja – normaal gesproken zou het lichaam van Cindy in of rond de voormalige villa van Albrecht zijn verstopt.

Met de verdwijning van de belangrijkste getuige stierf het onderzoek een zachte dood, alsof het er gewoon niet meer toe deed.

Onbegrijpelijk.

Zijn wijsvinger gleed over de rand van het glas en hij begreep tegelijkertijd het argument van Jongejans die betoogd zou hebben dat het feitelijk een Thais probleem was geweest – een Nederlandse gangster in een Aziatisch land – de firma had besloten een sanctie uit te voeren, een leuke klus voor Michel Grijs, waarmee de Thaise autoriteiten een grote dienst werd bewezen.

Zo loste je nare problemen op.

Er volgde een rustige nacht, omstreeks vijf uur werd hij wakker, ging naar het toilet en constateerde tevens dat de lucht buiten geheel opgeklaard was. Enkele uren later ontwaakte hij opnieuw, nu om negen uur. Nadat hij had gedoucht, besloot hij maar eens eieren te bakken, want die waren er nog. Zijn telefoon vermeldde diverse berichten, waarvan er eentje afkomstig van Giselle Brahms die een korte nacht moest hebben gehad. Hij las een app over een ijverige commissaris die de leegstaande villa van Albrecht binnen was gegaan, want er woonde al jaren niemand meer. Bressers vermoedde dat hij de zus van Cindy moest voorbereiden op een forensisch onderzoeker die een DNA-monster wilde hebben. Dankzij de feitenkennis die een gepensioneerde incident manager had en verder niemand anders, omdat het probleem, dat Albrecht heette, door de particuliere sectie van het ministerie was afgehandeld, zoals Jelle geformuleerd zou kunnen hebben. Hij pakte zijn telefoon en tikte op het nummer van Brahms die meteen reageerde. “Ja?”

“Heb je al iets voor me?”, vroeg Bressers.

“Nog niet.”

“Heb je een tijdstip genoemd dat ik langskom?”

“Vandaag. Simone zit gewoon op je te wachten.”

“Dan wacht ik op de politiechef van Bangkok.”

Zijn telefoon had hij op een traptrede laten liggen, ondertussen stond de deur open en zocht Bressers het dossier Hoefnagels dat verschillende audiotapes bevatte. Ook Cindy zou kopieën hebben bewaard, zo luidde althans de afspraak die ze hadden gemaakt. Tien jaar geleden had Bressers de gesprekken een keer afgeluisterd, erg veel indruk hadden ze niet eens gemaakt, want Bressers interesseerde zich nauwelijks voor de deals die zulke mensen sloten.

Zou Simone Hoefnagels weten wat voor werk haar zus had gedaan? Zeer waarschijnlijk bleef het verhaal beperkt tot een leuke rijke man die plotseling minder geld bleek te hebben dan ze dacht.

Er lag een cassettespeler in een bureaula, een model dat incourante formaten zou kunnen afspelen en met nieuwe batterijen nog altijd prima functioneerde. Bressers koesterde met name belangstelling voor het allerlaatste gesprek, toen Cindy had verteld terug te willen keren naar Nederland. Bressers spoelde de tape terug naar het begin, een doodgewoon gesprek.

“Ik heb mijn zus gisteravond gesproken,” zei Cindy, “ze is in verwachting van haar tweede kind. Nu al.”

“Ja – En? Beginnen je eierstokken te rammelen?”

“Beetje.” Ze lachte eventjes, maar het was duidelijk dat Cindy iets heel anders wilde bespreken. Zonder al te veel moeite herkende Bressers het uitdagende smoelwerk van Hans Albrecht die elk ogenblik een smerige opmerking kon gaan maken.

“Een nestje bouwen. Nou wil ze ineens een nestje bouwen. Het is verdomme ook altijd hetzelfde.” Hij sprak zijn woorden uit alsof er iemand anders in de buurt was. Toch verklaarde Cindy later dat er niemand anders bij was, ze waren met zijn tweeën.

Gedurende bijna tien minuten spraken ze over kinderen – Cindy en een man die erom bekend stond dat hij geen geweten had. Een echte psychopaat.

“Ik zal het anders zeggen, Hans, open en eerlijk,” zei Cindy die haar voorzichtigheid plotseling liet varen, “het is de hoogste tijd om terug te keren naar Nederland. We zitten hier nu al bijna zes jaar, je hebt zelf al gezegd dat ze ons lijken te zijn vergeten. Er komt geen geld meer naar onze rekening. Op dit moment zijn we aan het potverteren en dat houdt een keer op.” Bressers hoorde driftige voetstappen op een harde ondergrond – tegels waarschijnlijk, maar Albrecht bleef stilstaan – zo klonk het tenminste – en Bressers probeerde zich voor te stellen dat hij met zijn lange magere vinger naar Cindy stond te wijzen.

Het was beter geweest als Jongejans hem destijds had verteld over de verdwijning van Cindy. In dat geval zou Bressers toch anders hebben geluisterd.

“Als je weg durft te gaan, vuile vieze stinkhoer, dan snij ik je de strot af en bewaar ik je lijk in de tuin, zodat ik elke ochtend, als ik op ben gestaan, fijn op je lijk kan pissen – je zal er spijt van krijgen, trut!”

John Bressers stopte de opname, pakte zijn telefoon en het duurde erg lang voordat Brahms antwoordde.

“Hallo?”, vroeg ze.

“Ik heb een geluidsopname beluisterd,” zei Bressers die zijn naam niet eens noemde, “met een niet mis te verstane bedreiging van Albrecht die Hoefnagels belooft haar strot af te snijden als ze weg durft te gaan. Het lichaam zou in de tuin moeten liggen.”

“Mijn God. Wat heb je daar destijds mee gedaan?”

“Niets. Er was geen zaak. We zijn nu eenmaal geen justitiële onderzoekers. Tot de moord op Mansveld was de verdwijning van Hoefnagels geen prioriteit.”

“Woorden van mijnheer Jongejans.”

“Ja, ik wist niet eens dat Cindy was verdwenen.”

“Ik ga meteen bellen.”

Hij legde zijn telefoon neer en besloot het dossier weer op te bergen. Voorlopig zou niemand er nog om vragen, al kwam er eerdaags vast een verzoek van justitie om het materiaal formeel over te dragen.

Met een zachte droge klik viel de deur in het slot, Bressers liep naar boven en zette het koffieapparaat aan. Gezien het tijdsverschil zou de Thaise politie grote vorderingen moeten hebben gemaakt, met het kopje koffie in zijn linkerhand liep hij naar de woonkamer, telefoon in zijn broekzak en ging zitten.

Er bestond een tijdsverschil van zes uur, zodat de mannen al vroeg in de Hollandse ochtend waren gestart met hun werkzaamheden. Het werkte in hun voordeel en waren net zo goed volgens vaste procedures aan het werk, net als elke politiedienst.

Hij stond op en controleerde de brievenbus die hoofdzakelijk reclamefolders bevatte, maar ook een brief met een geplakte sticker en zijn naam –  natuurlijk geprint door een algemene laserprinter.

Geen postzegel of een stempel, dus een onbekende had de envelop in zijn brievenbus gedeponeerd. John Bressers scheurde hem open en haalde er een brief uit – een A4-formaat en exact dezelfde printer.

‘Dit is een serieuze waarschuwing, mijnheer Bressers. U mag zich niet met het onderzoek naar de eliminatie van uitbuiter Daniël Mansveld bemoeien. Zijn dood is een gevolg van het vonnis dat ‘Rode Dageraad’ onlangs heeft uitgesproken. U heeft eveneens bloed aan uw handen, want u bent een trouwe lakei van kapitalistische profiteurs. Wees verstandig, ga dus lekker terug naar uw huisje in Kootwijk, ook al heeft u uw centen verdiend over de ruggen van onze niet-westerse broeders-arbeiders.’

Het was niet de eerste dreigbrief die hij tot dusverre in zijn leven had ontvangen, wel de meest opmerkelijke, want het bevatte details over zijn privéleven die alleen een insider kon weten. Hij legde het A-4’tje op de scanner en stuurde een kopie zonder enig commentaar naar de firma. Rode Dageraad. De uitbuiter Daniël Mansveld. Kapitalistische profiteurs. Broeders-arbeiders. Kennelijk moesten ze zoeken naar een groepje mensen dat zich bediende van een archaïsch aandoend communistisch vocabulaire.

Er lag een glimlach rond zijn lippen, zijn ogen twinkelden een beetje. Het was ontzettend lang geleden dat hij zoiets had gelezen.

Al werd zittende premier Rutte in een gerenommeerde krant onlangs weggezet als een knecht van het grootkapitaal. Echt heel bijzonder.

Na bijna tien minuten volgde er een antwoord en het was geen reactie op zijn eigen mail, maar een e-mail van Giselle Brahms waar ze twee foto’s aan toe had gevoegd – een vrouwelijke hand met een ring die een bloedrode ovale steen bevatte, maar ook een zilveren polsketting plus naamplaatje en ook naam.

Er stond Simon. Geen Simone.

Bressers probeerde zich details te herinneren, maar slaagde er niet in een ring of een ketting voor de geest te halen. Zijn aandacht was niet naar de sieraden gegaan die ze toen had gedragen.

Hij was een incident manager, geen politieman.

Er schoot hem een compleet andere vraag te binnen.

Hoe wist de briefschrijver nu eigenlijk dat Bressers een vakantiewoning had in het Veluwse Kootwijk?

Voordat hij in zijn auto stapte, volgde er nog een paar mailtjes – foto’s van het slachtoffer en zelfs na tien jaar herkende hij de gelaatstrekken van Cindy.