Ik durfde niet eens te lachen. Casper noemde zichzelf een monster. Hij keek om zich heen, las de boektitels die naast hem in een rek stonden. Zijn opmerking leek vanzelfsprekend, alsof niemand ooit had geantwoord dat hij uit zijn nek kletste. Buiten begon de regen tegen de ruiten te tikken – komende uren zou er regen blijven vallen. Zo was het ook gezegd. Ik ging nergens heen.
“Je haar was gisteren veel lichter van kleur,” zei ik – vooral om de stilte te doorbreken.
“Ral 5009,” zei hij.
“O dat weet je toch wel.”
“Tuurlijk.”
“Dit is mijn normale haarkleur. Zo ziet het eruit als ik helemaal in orde ben – gezond dus.”
“Ik dacht dat – .”
“Nee.”
“Hoe – ?”
“Stress, denk ik. De dood van mijn vader.”
Ik pakte de telefoon vast en speelde ermee. Hij moest naar de politie – vertellen wat er was gebeurd.
“Bij gewone mensen gebeurt dat niet, hè.”
“Ik zei het al daarnet – ik ben een monster – een freak.”
“Anders – je bent anders – da’s alles.”
“Nee, u bent anders, ik ben een freak. U heeft me altijd gewoon aangekeken in de lift of in de gang.”
“Daarom hoef je jezelf nog geen monster te noemen,” zei ik. In gedachten zag ik hem weer verdwijnen in de schaduw – onzichtbaar worden, zodat mijn zintuigen hem niet langer registreerden. Een monster is een roofdier dat aast op menselijk bloed of vlees of allebei. Ik wilde zijn talent bespreken, maar durfde het nog niet aan – nog niet.
“Ja, u bent altijd erg aardig geweest.”
“Waarom ben je hierheen gekomen?”, vroeg ik. “Je bent gevlucht, zodra het woordje ‘politie’ viel. Daarmee heb je jezelf verdacht gemaakt. Er zit een vreemde wond op de arm van je vader en de politie zoekt een verklaring die ze niet kunnen vinden.”
“Ik heb niets fout gedaan,” zei Casper – zijn stem klonk opvallend rustig. De stress had een verkleuring van zijn haar veroorzaakt – het was bleker geworden – azuurblauw in plaats van heel donkerblauw, bijna zwart, zoals vandaag.
“Daar gaat het niet om.”
Hij kwam omhoog, stond niet op, zoals gewone mensen, maar kwam in één enkele vloeiende beweging omhoog en liep naar de grote boekenkast. “Ik wou dat ik dit eerder had geweten,” zei hij, maar zijn gestalte verdween in de schaduw – ik verberg mijn kast namelijk in een eeuwigdurend schemerduister om de ruggen van mijn boeken te beschermen tegen zonlicht – ze verbleken anders. Zijn stem klonk duidelijk, ik hoorde hem praten, maar zag hem niet. Hij leek te zijn verdwenen. Heel even maakte hij een stap achterwaarts en hij werd weer zichtbaar – ik zag een deel van zijn lichaam in een strook daglicht – doorzichtig, als een geest. Er was geen zonlicht, het regende en het zou voorlopig blijven regenen.
“Ik zou alles willen lezen.”
Ik legde mijn telefoon neer.
“Vind je niet dat ik recht heb op een verklaring? Je belt aan en vraagt me naar je vader te kijken, omdat hij niet wakker wil worden en ik heb gehoor gegeven aan je wens – je vader is vermoord.”
“Nee, hij heeft een zachte dood gekregen.”
Ik gaf geen antwoord. Zijn gestalte ging verborgen in het schemerduister. Ik zag af en toe een stukje van zijn schouder en arm. Jaloezieën waren grotendeels gesloten. Ik had geen lampen aangedaan. Casper leek zich daar het prettigst te voelen – in de schaduw kon niemand hem aanstaren. Zijn hele leven lang draaiden mensen – voorbijgangers – hun hoofden als ze hem zagen passeren – een jongen met blauw haar die tevens een groen en een geel oog had. Ik moest hem recht in de ogen kijken. Alleen dan zag ik de kleuren van zijn ogen. “Waarom ben je eigenlijk gekomen?” Hij verborg zichzelf nog altijd in de schaduw. Casper draaide zich om en betrad de woonkamer – de boekenkast staat in een aparte kamer – ooit een slaapkamer voor de ouders. Hij ving het daglicht, een somber en dreigend licht dat paste bij Casper. Weifelend bleef hij staan – naast hem lonkte de deuropening – daarachter bevond zich nog veel meer duisternis waarin hij zich kon verbergen.
“U bent altijd aardig voor me geweest. Als enige.”
Regendruppels kletterden tegen de ruiten. Auto’s reden voorbij – ik hoorde banden op kletsnat asfalt.
Misschien moest ik Casper iets te drinken aanbieden. Hij bleef bij de deur staan en ik geloofde dat hij elk moment zou kunnen vertrekken, omdat hij zelf ook niet goed wist waarom hij op zijn vriendelijke buurman had staan wachten – ik ben altijd aardig voor hem geweest. “Ik begrijp je niet goed,” zei ik. Casper draaide zijn hoofd en keek naar me. “Wat bedoel je precies met een zachte dood?”
“Geen pijn, geen lijden,” zei hij.
“Hoe kwam dat zo?”
“Ik begrijp u niet.”
“Was je vader ziek?”
“Hij was erg oud aan het worden.”
“Dat is geen ziekte.”
“Nee – dat klopt.”
“Dus – ?”
“Mijn vader maakte zich zorgen over mij – .”
“Ik begrijp dat je nauwelijks contact hebt gehad met andere mensen – alleen je vader is er altijd geweest.”
“Ja – inderdaad.”
“Waren je klasgenoten bang voor je?”
“Ze noemden me – ,” zei hij.
“Dat heb je al verteld.”
“Geen idee.”
“Een jongen met authentiek blauw haar, een groen en een geel oog, die een bleke, grauwe huid heeft. Vaak draagt hij een bril met licht getinte glazen, zodat de kleuren van zijn ogen niet zullen opvallen.”
“Vandaag niet,” zei hij.
“Wat niet?”
“De bril.”
“Nee – je hebt gelijk – vandaag niet.”
“En je hebt geen idee hoe je blauwe haren zijn ontstaan – terwijl je daarmee de enige mens op aarde bent die zo’n afwijkende haarkleur heeft – van nature. Je had op de voorpagina’s van alle kranten moeten staan en ondertussen leidt je een anoniem leven in een keurig appartementengebouw.”
“Soms – als mijn vader een goede bui had – vertelde hij wel eens over vroeger – mijn geboorte – hij maakte er dan grapjes over – ‘het was een keuzemenu dat ik in moest vullen’, zei hij. Blauw haar, een groen oog en een geel oog.”
“Dat is niet alles. Er is nog iets. Dat weet je.”
Casper betrad de gang en ik zag zijn gedaante compleet verdwijnen in de duisternis – eerst was hij er nog, vervolgens scheen hij onzichtbaar te zijn – als een holografische projectie die uitgeschakeld werd. “Dit bedoelt u waarschijnlijk,” zei hij. “Het is grappig. Toen mijn vader jonger was, hebben we heel vaak verstoppertje gespeeld – en ik won altijd.” Casper stak zijn arm door de deuropening – ik zag alleen een arm zonder lichaam en al die tijd probeerde ik te doen alsof dat normaal was. Hij stond vrij onverwacht weer in de woonkamer – bij de tafel – zijn hand rustte op een stoelleuning.
“Het ligt niet aan mij, hoor. Ik heb geen speciaal talent – zoals de superhelden die overigens in uw boekenverzameling ontbreken,” zei hij. Casper liep terug naar de boekenkast die een magnetiserende aantrekkingskracht leek uit te oefenen.
“Ik heb – beetje – een hekel aan superhelden.”
“Het komt, volgens mijn vader, omdat uw ogen niet goed genoeg zijn om mij waar te nemen – ik ben er gewoon – altijd – maar u kunt me niet zien.”
“En waarom is dat dan?”
Hij liet zijn vingers langs de ruggen van mijn stripboeken glijden. “Mooi hoor – geweldig.”
Ik wachtte enkele seconden en herhaalde mijn vraag, of een deel ervan. “Waarom?”
“Dat heb ik toch al verteld.”
“Omdat je een monster zou zijn – een freak?”
“Ja.”
“Je bent anders, maar geen monster.”
Mijn nieuwsgierigheid was allang gewekt – jaren geleden al – de dood van Caspers vader had de jongen ertoe gebracht ’s ochtends vroeg bij mij aan te bellen – zijn vader wilde niet wakker worden, maar bleek al een tijdje dood te zijn. Casper had kennelijk nooit eerder in de nabijheid van de dood verkeerd. Anders had hij wel geweten dat zijn vader dood was gegaan en zou Casper hebben 112 gebeld. Nee, hij had hem vermoord – de man was niet zomaar gestorven. Er was iets voorgevallen. Ik wist het zeker. De man was een onnatuurlijke, zij het zachte dood gestorven. Ik herinnerde me de vreemde rafelige wond op de rechteronderarm.
“Ik bied je mijn hulp aan,” zei ik.
“Waarmee?”
“Daar kom je toch voor? Je hebt hulp nodig. Aangezien je vader je na al die jaren in totale onwetendheid heeft achtergelaten – je weet niets over je afkomst. Je zit met een vraag. Ben je een gewoon mens? Of ben je iets anders?”
“Een monster bijvoorbeeld?”
“Nee, jongen – ik bedoel – ‘iets anders’.”
“Oké.”
“Maar eerst moeten we naar het politiebureau.”
“Nee – dat wil ik niet.”
“Het moet. Je hebt geen keus. Om te beginnen laten we zien dat je niets te verbergen hebt.”
“Goed dan. Maar ik haat die mensen.”
Ik herinnerde me zijn gezichtsuitdrukking, toen hij gisterochtend in de lift wilde stappen – ik meende een jongen te zien die zijn eigen vader net had vermoord.
“Daarna gaan we toestemming vragen om het appartement van je vader weer te betreden.” Ik begon mijn jas aan te trekken. “Ik heb je vaders archief nodig, anders kan ik je onmogelijk helpen.”
We waren onderweg naar de lift – ik speelde met mijn huissleutels, terwijl Casper schuin voor me liep. Hij draaide zijn hoofd naar links – er lag een merkwaardige donkerblauwe glans over zijn haren die slordig langs zijn wangen bungelden. “U zegt dat ik ‘iets anders’ ben. Wat ben ik dan?”, vroeg hij.
“Daar durf ik voorlopig nog niet aan te denken.”
Tagarchief: feuilleton
Blauw (3)
De dag van het moordende onkruid
Ik schrijf dit verhaal zonder enige hoop dat iemand het ooit zal kunnen lezen. De wereld die ik altijd heb gekend en waarin ik bijna vijftig jaar heb geleefd is verdwenen – bijna letterlijk verdwenen. Zolang ik mezelf kan blijven redden, doe ik verslag van de belangrijkste gebeurtenissen op mijn notebook – er is geen internet meer, maar ik kan opschrijven wat ik mee heb gemaakt en de batterij is nu nog vol genoeg. We hebben ons verschanst in het park. Het is de enige plek die het moordende onkruid, zoals het is gaan heten, heeft overgeslagen. Shane zou zeggen dat het te maken heeft met de natuurlijkheid van de omgeving. Maar nu loop ik op de feiten vooruit. Laat ik beginnen bij het begin, zoals het hoort en niet meteen over het einde van de beschaving vertellen. Er bestaat een grote kans dat je geen idee hebt wat niet alleen mij, maar ook andere mensen is overkomen.
Ik lag in mijn eigen bed en was vroeg wakker. Ik ben trouwens altijd vroeg wakker. Er stond een wekkerradio op mijn nachtkastje die ’s nachts uit bleek te zijn gegaan. Geen cijfers die me konden vertellen dat het pas kwart over vijf was. Of zoiets. Ook geen knipperende cijfers. Display was donker. Ik probeerde de verlichting en vloekte, want het betekende dat er een stroomstoring gaande was – ik moest kijken naar de aardlekschakelaar. Het zou kunnen, nietwaar? Je denkt niet meteen aan het einde van de beschaving. Geloof me – het einde komt als een sluipmoordenaar. Er was niets aan de hand met de apparatuur. Ik heb de koelkast gecheckt, maar het voelde koud genoeg aan – en in het ergste geval zou ik nieuwe boodschappen moeten gaan doen. Voordat ik opnieuw naar bed ging, ben ik naar de wc geweest.
Onbekende tijd later werd ik weer wakker. Buiten was het al dag. Ik herinnerde me de stroomstoring, maar mijn wekkerradio vertoonde nog altijd hetzelfde donkere display. Voor de duidelijkheid: ik behoor tot de groep mensen die van mening zijn dat een mobiele telefoon, of welke telefoon dan ook, niets op het nachtkastje van zijn slaapkamer heeft te zoeken. In de woonkamer stond een weerstation. Ik zou moeten kunnen zien hoe laat het is, maar ik zag alleen de plaatselijke meetgegevens, temperatuur, vochtigheid. Rest was volstrekt blanco. Niets te zien. Telefoon vertelde me dat er ‘geen service’ was. Ook geen internet trouwens. Niets deed het meer. Totaal niets.
Deurbel ging – gelukkig heb ik een mechanische bel. Ik had inmiddels een spijkerbroek en shirt aangetrokken, maar nog geen sokken. Ik deed de voordeur open – het was mijn overbuurvrouw.
“Heb je wel stroom?”, vroeg ze.
“Nee, geen stroom, geen internet, helemaal niets.”
“Nou ja. Ik hoop dat ze het probleem snel hebben opgelost. Want dit heb ik nog nooit meegemaakt.”
“Volgens mij heb ik nog ergens een transistorradio liggen, een heel ouwe, het ding is van mijn ouders geweest. Als ik iets weet, hoor je het meteen.”
Er lagen spullen van mijn ouders in een kast – als je de woonkamer binnenkwam – direct links – de onderste la. Een transistorradio die ik al eens eerder had getest, maar het lukte niet. Ik moest een nieuwe poging wagen. Het was een radio die voor het laatst in 1996 of zo aan had gestaan. Misschien zou de stroom in de tussentijd hersteld worden. Ik hoefde niet eens aan het werk te gaan. Tegenwoordig doe je niets meer zonder stroom. Echt, helemaal niets. In een andere la vond ik batterijen die pasten. Radio bleef dood. Ik probeerde nieuwe batterijen en vrijwel direct hoorde ik de stem van een nieuwslezer die een zeer verontrustend bericht voor begon te lezen. “ —- Vanuit noordwestelijke richting is het zogeheten ‘moordende onkruid’ in ons land met een niet te stuiten opmars bezig. Het lijkt op heel gewoon onkruid, maar heeft een vooralsnog onbekende samenstelling. Het ‘moordende onkruid’ hecht zich aan gebouwen en auto’s, glasvezelkabels, vernietigt met name alle structuren die door mensen zijn gemaakt – de autoriteiten roepen burgers op zoveel mogelijk weg te blijven bij het onkruid, omdat het een gevaarlijke, bijtende stof afscheidt dat ook gebouwen heeft doen instorten. U kunt het best een plek opzoeken met veel bomen en struiken, zoals een park of bos. Economische schade loopt inmiddels in de miljarden. Blijft u vooral niet thuis, want dat is gevaarlijk. Zorgt u voor voldoende medicijnen en voedsel om het enkele dagen vol te houden. Er begint inmiddels een reddingsactie op gang te komen, maar het zal beslist – .” Ik dacht niet meer aan mijn buurvrouw. Terwijl de stem van de nieuwslezer in een donkere betekenisloze dreun veranderde, probeerde ik het nieuws tot me door te laten dringen. Een onkruid dat een sterk bijtende stof afscheidt en structuren weg vreet die door mensen zijn gebouwd.
Nadat ik bijna vijf minuten naar het radiootje had zitten staren, stond ik weer op en verliet het huis. Ik drukte op de deurbel. Buurvrouw deed open en ze moest aan mijn gezichtsuitdrukking hebben gezien dat het helemaal fout zat. “Is het zo erg?”, vroeg ze.
Ik liet het nieuwsbericht horen dat voortdurend werd herhaald. Steeds dezelfde man die net zo goed het weerbericht had kunnen voorlezen.
“Ik begrijp het niet,” zei Mariëlle. “Onkruid?”
“Nee, het ziet er alleen zo uit, maar het is iets heel anders – een of andere materie dat alles kapot lijkt te maken dat door mensenhanden is gebouwd.”
“Mijn hemel – ik moet naar mijn ouders – ze maken zich vreselijk ongerust,” zei ze.
“Ik ga familie opzoeken – in Brabant – dan zie we daarna wel verder,” zei ik.
We moesten een veilige plek opzoeken – in een park – veel groen, maar mijn eerste gedachte was vanzelfsprekend de buurvrouw gelijk te geven. Snel weg hier en misschien zou het onkruid de rivieren niet eens over kunnen steken. Het was een natuurlijke structuur, nietwaar? Ik had niet gerekend op bruggen. We hadden er helemaal niet op gerekend. Niemand. Er kwamen mensen uit hun appartementen die wilden weten wat er aan de hand was. Ik hoorde opgewonden kreten van mannen en vrouwen. Ik pakte de grootste rugzak die ik had liggen en propte er medicijnen in – genoeg voor enkele dagen had de nieuwslezer gezegd – het zou voldoende moeten zijn, maar ik rekende op een maand. Ik ben altijd al erg voorzichtig geweest in die dingen. Miljarden euro’s schade. Dat herstel je niet zomaar en mijn transistorradio was een kostbaar bezit geworden. Nou ja, sommige mensen hadden het nieuws al in de auto gehoord. Daar zit ook een radio. Ik moest een student wegduwen die mijn radio wilde afpakken. Mijn buurman duwde hem ook weg.
Het is erg vreemd om te vluchten voor iets dat je nooit hebt gezien – een gevaar dat er kennelijk is ontstaan in de nachtelijke uren – geen bommen die uit vliegtuigen werden gegooid, zoals in een oorlog. Geen artillerievuur. Het was volkomen stil. Nou ja, ik hoorde mensen boven en onder ruzie maken. Hoezo een park opzoeken? Mens is een kuddedier. We slaan op de vlucht. Dat is wat we doen en we gaan allemaal. Ik ben op zoek geweest naar een stofmasker. Beelden uit 2001 stonden me helder voor de geest. De twin towers in New York die instortten en stofwolken verspreidden. Nee, ik verbeeldde me niets. Niemand trouwens, want ik hoorde auto’s met slippende banden wegrijden van parkeerplaatsen.
“Waar ga jij heen, buurman?”
Ik heb een buurman die dezelfde interesses leek te hebben als ik. Hij had een weekendtas ingepakt – ongetwijfeld toiletspullen. Tja, ik gebruik medicijnen sinds mijn veertiende jaar – wegens astma.
“Brabant – met een beetje mazzel,” antwoordde ik. Voordeur draaide ik keurig op slot. Vanzelfsprekend verwachtte ik weer thuis te kunnen komen. Alleen wist niemand zeker of zijn huis er dan nog zou staan. Moordend onkruid en ik had niets gezien.
“Ben heel benieuwd of het je gaat lukken,” zei hij en de man liet een allervriendelijkste glimlach zien. Hij liep de trap af. Mijn rugzak bungelde half langs mijn schouder en rug. Ik speelde met mijn sleutels en zou in de auto eerst nieuwe berichten willen horen.
Ik stapte in de auto en constateerde dat de benzinetank voor de helft gevuld was. Tweehonderdvijftig kilometer – genoeg om in Brabant te komen – en terug naar Utrecht, als het kon. Ik drukte op het knopje om de radio te horen, er was niets – alleen ruis – dat was alles. Tien minuten heb ik golflengtes geprobeerd, FM en AM – alles wat ik wist te bedenken. Het was erg stil geworden. Buiten klonken er sirenes van politie en brandweer. Auto’s reden niet meer – iedereen stond stil – auto’s blokkeerden wegen – fietspaden – trottoirs. Iedereen probeerde weg te komen uit wat een rampgebied heette te zijn, maar niemand had het moordende onkruid gezien – niemand had een gebouw horen instorten of stofwolken aan de horizon gezien die razendsnel als vulkanische aswolken door de straten denderden. Auto’s draaiden om – steeds meer bestuurders deden dat – en probeerde een alternatieve richting – overal heen – waar je maar heen kon gaan – je moest iets proberen – ietsdoen was altijd beter dan nietsdoen.
Ik probeerde een plan te bedenken om weg te komen, maar besefte goed dat mijn woonwijk tussen twee kanalen lag ingeklemd. Het dodelijke onkruid naderde vanuit noordwestelijke richting, dus moest ik zien te ontkomen via een weg die tijdens een normale avondspits al barstensvol met auto’s stond. Kansloos dus. Daarom besloot ik mijn auto achter te laten en te gaan lopen – eerst naar het park, want de nieuwslezer had het zo gezegd. Nadat alle andere opties waren uitgesloten, bleef dat als enige over.
Was het een geluk dat het op een zondag gebeurde? De ramp zou sneller in bredere kring bekend zijn geraakt, als de snelwegen heel vroeg in de ochtend vol waren gelopen met werkende mensen. Ik wandelde op het trottoir – passeerde verlaten straten – al stonden er enkele auto’s. Gordijnen waren veelal gesloten. Deuren dicht. Achter me klonk een helikopter – eerst was het er slechts eentje – niet veel later keek ik weer om en zag er tien – legerhelikopters wel te verstaan – groot, donker en dreigend. Persoonlijk ging ik me er niet echt veiliger door voelen. Een gordijn schoof open – enkele seconden – gezicht van een slaperige man – haar in de war – gezicht ongeschoren. Man had geen idee van de ramp die aan de gang was. Ik bleef staan – vergat de man die in huis was verdwenen. Half omgedraaid staarde ik naar het westen – daarginds lag de snelweg – het industrieterrein en de nieuwe stad en voor het eerst kreeg ik een demonstratie van het dodelijke onkruid.
Iets onbekends raakte een helikopter – ik kon het niet goed zien, want ik was uiteraard te laat – een bal van vuur vulde de atmosfeer – ik zag een helikopter neerstorten. Het onkruid was in brand gevlogen. Vuur sloeg over naar andere helikopters die allemaal begonnen te branden en één voor één explodeerden – tongen van vuur. Vuur doofde snel uit, maar ik zag grauwe aswolken omhoog komen, wolken stof, afkomstig van gebouwen die niet langer bestonden. We waren een frontlinie geworden. ‘Moordend onkruid’ bleek een vreemde omschrijving van het fenomeen. Ik zag een felrode wolk omhoog komen – een gigantische amoebe die een helikopter vastgreep en gewoon omlaag trok. Ik was niet langer alleen op straat. Auto’s kwamen in mijn richting – mannen reden als krankzinnigen – strakke, gespannen gezichten. Waar wilden die mensen heen? Het was een stadseiland – daar bevond ik me – links en rechts van mij stroomden kanalen – daarom heette het ook Kanaleneiland. Met een auto kwam je nergens meer.
Ik begon een oud T-shirt voor mijn neus en mond te knopen – alsof ik een bank ging overvallen en de man die net nog in huis was verdwenen deed zijn voordeur open. Ik trok mijn gezichtsbedekking weer omlaag.
“Wat is er aan de – ?”, vroeg hij – of hij wilde het vragen, maar hij zag het slinkende vuur aan de horizon en de stofwolken die over drukke wegen rolden. “Kom binnen, joh, je moet schuilen,” zei hij.
“Nee, het is niet veilig – je moet vluchten,” antwoordde ik en de man staarde naar het westen. “Er is een radio-uitzending geweest. We moeten vertrekken. Het is niet langer veilig. Je moet gaan.”
“Maar mijn vriendin is naar – ,” zei hij en zijn ogen bleven onophoudelijk in westelijke richting staren.
“Als ze daar ergens is, kun je het wel schudden,” en ik negeerde de man verder, want het duurde te lang. Er zijn maatregelen genomen in mijn straat om verkeer te weren uit de wijk, maar automobilisten reden zich te pletter op paaltjes. Ik liep verder en keek een enkele keer over mijn schouder. De man was in huis verdwenen en probeerde contact te leggen met zijn vriendin. Ja, maar het had geen nut meer. Als ze in westelijke richting was gegaan, zou ze dood zijn.
Ik bereikte het park – een hele fraaie naam voor een paar bomen – vijvers en vooral veel gras, maar ik kon nergens anders meer heen gaan. Het was al te laat. Er was een kinderboerderij – een restaurant – maar vooral een hoop ruimte. Er waren andere mensen. Gezinnen natuurlijk. Het was een wijk met veel burgers die hun roots hadden in andere culturen. Groepjes mensen die samenklitten – oude shirts voor monden gebonden, een beetje zoals ik had gedaan. Al hing mijn shirt enigszins als een sjaal om mijn nek. Het zou ons iets van bescherming moeten bieden, maar ik herinnerde me ook de beelden uit 2001. De twin towers. Nou ja, ik had zojuist de tongen van vuur gezien die ontstonden nadat de bloedrode amoebe helikopters uit de lucht had geplukt. Waarom noemde ze dat spul eigenlijk ‘moordend onkruid’? Het leek verdomme niet eens op iets plantaardigs – eerder als levensvorm zoals je die op een verre planeet mocht verwachten. Ik dacht aan een invasie van buitenaardse wezens en was zeker niet de enige.
Een beetje ongemakkelijk bleef ik om me heen kijken – we hoorden stemmen van mannen, vrouwen en kinderen – panisch gegil – een ander woord kan ik niet bedenken – doodsangst – mensen die hun auto’s wilden achterlaten, maar dit te laat deden. Ik zocht een plek in de buurt met wat bomen – ver van iets dat door mensenhanden was gemaakt. Stemmen van mensen die gilden in doodsangst – ze kwamen gestaag dichterbij – er waren mensen die in oostelijke richting begonnen te lopen, alsof je ooit snel genoeg zou kunnen gaan. Ik zei er niets over. Er waren mensen die een discussie wilden beginnen. Maar ze oogden allemaal vreselijk bang. Man en vrouw gingen naast me zitten – in het gras dat warm en droog was. Als onze wereld dan toch ten onder moest gaan, dan graag op een dag die in de media als rokjesdag zou zijn aangemerkt. Er begonnen mensen in de richting van de het onkruid te lopen – de amoebe die zich momenteel op het kruispunt bevond. Nog even en mijn eigen appartement zou niet meer bestaan. Ik liet mijn rugzak omlaag zakken en zocht de radio, maar ontdekte te veel loerende blikken van mensen die wilde weten wat ik nou precies ging doen.
We zagen het gebeuren – er verschenen nieuwe helikopters boven het oprukkende onkruid – de gigantische amoebe die onze kant op kwam. Ik hoorde sirenes van politieauto’s – brandweerauto’s. Waar zouden ze in hemelsnaam moeten beginnen? Ze hadden geen idee. Niemand trouwens. Er bestonden geen plannen voor rampen van zo’n grote omvang.
Helikopters bleven op grotere hoogte vliegen. Ik zag bloedrode tongen omhoog schieten die op korte afstand van de toestellen eindigden. Mensen sloegen op de vlucht. Ook degenen die de veiligheid van het park hadden gezocht. Ik voelde me evenmin veilig, maar er waren geen andere kansen overgebleven. Enorme aswolken rolden naar het park. Natuurlijk was ik bang – alleen stommeriken voelen geen angst. Sirenes bleven klinken, maar ik dacht dat het er veel minder waren geworden. We begonnen met enkele honderden mensen in het park – het werden er duizenden, maar hun aantallen namen ook meteen af. Er groeide een stroom vluchtelingen in oostelijke richting, maar ik vroeg me af hoe je ooit snel genoeg over het kanaal zou moeten komen – we zaten als ratten in de val – ik zat als een rat in de val – vanaf het moment dat ik vanochtend wakker was geworden. Daarom trok ik het shirt voor mijn mond en neus. Buren deden hetzelfde. “Wat gaan we doen?”, vroeg mijn buurman. “Blijven of de meute volgen?”
“Het dichtst begroeide stuk van het park opzoeken,” zei ik. Buurman knikte zijn hoofd en hij hielp zijn vrouw met opstaan. “Weg van alle kunstmatige structuren, want dat hebben ze op de radio gezegd.”
Hij stak zijn hand uit, terwijl we het open veld begonnen te verlaten. Alle mensen waren ineens onderweg. Ik keek een laatste keer naar het westen – daarginds lag niet zo lang geleden een trambaan. Bloedrode tongen overspoelden flatgebouwen, zoals de mijne, ik ben een verzamelaar van strips. Alles was weg. Aswolken werden tientallen meters omhoog gestuwd. Ik hoorde de aarde rommelen – beven als bij een echte aardbeving – flatgebouwen die in elkaar stortten – omvielen en in het moordende onkruid verdwenen – juist nu begreep ik totaal niet meer waarom een onbekende debiel de naam ‘moordend onkruid’ had bedacht. We zagen een gigantische, steeds maar groter wordende amoebe naderen die zich dwars door – ja – dwars door alles en iedereen heen vrat. Ik struikelde en viel half voorover, terwijl mijn bondgenoten, want zo begon ik die mensen echt te zien, bleven staan – wachtten tot ik weer verder kon. We zagen mannen, vrouwen en kinderen die in paniek waren – mensen die over de top van hun stemmen schreeuwden. Afzonderlijke geluiden vervormden zich in mijn hoofd tot een orkaan van geluid. Ik dacht dat ik zou gaan stikken, maar vocht tegen mijn impuls om het shirt omlaag te trekken.
We bereikten de top van de heuvel, maar we moesten verder zien te raken – onszelf verbergen tussen bomen en struiken – onze enige bescherming tegen het gevaar dat ons nu heel dicht genaderd was. Anderen volgden ons voorbeeld – ik voelde een hand die zich erg vervelend vast begon te grijpen aan mijn been en ik trapte achteruit – er klonk een schreeuw – of misschien klonk er een schreeuw, maar er was ook zoveel lawaai en ellende. Takken zwiepten langs me heen – ik volgde mijn bondgenoten – lucht begon grijs te worden – zwaarder zelfs – eerste stofdeeltjes bereikten ons toevluchtsoord – het bos dat onze redding moest zijn. Ik liet me vallen – eerder uit wanhoop dan berekening, maar ik zag mijn bondgenoten ook neergaan. Mijn gezicht begroef ik in kille aarde. Dag maakte plaats voor duisternis – aswolken vulden de atmosfeer – tastbare resten van een beschaving die vandaag ten einde zou komen.
Iemand struikelde en viel – een jongen of meisje – ik hoorde een gil – schreeuw – kreet die verdween in het kabaal – ik tastte naar het hoofd van de onbekende en drukte zijn gezicht in de aarde die ons moest beschermen. Af en toe kwam ik omhoog en poogde adem te halen. Ik ga dood – ik ga dood – ik ga dood – ik ga dood. De woorden klonken als bijlslagen in mijn hoofd. Volgens mij verloor ik op zeker moment het bewustzijn. Jawel, ik verloor het bewustzijn. Zeker.
Hoeveel tijd er voorbij ging – dat weet ik niet. Eerste gedachte – há, ik ben er nog. Ik trachtte op te staan en voelde as – stof – heel fijn stof omlaag glijden. De bodem was ermee bedekt. Bomen, struiken, de mensen die weer begonnen te bewegen, er lag een grijze sluier van heel fijn stof. Ik trok het shirt weg dat mijn gezicht volledig had bedekt. Mijn rugzak bleef haken achter een tak, maar ik had nog steeds een rugzak met mijn eigen spullen. En ik leefde.
Er begon een blauwe lucht zichtbaar te worden boven een grijsgrauwe wereld. Ik knielde neer en legde twee vingers op een halsslagader die ik snel gevonden had. Een jongen van plusminus veertien jaar was bovenop me gevallen. Ik draaide hem om – probeerde iets dat op een stabiele zijligging leek. Hij moest vrij adem kunnen halen, zolang hij daar lag. Terwijl ik dit deed, begonnen de man en vrouw, die ik tot mijn bondgenoten had bestempeld, weer te bewegen.
Voor de eerste keer sinds ik thuis in mijn eigen bed wakker was geworden – vanochtend – was het volkomen stil. Er klonk geen geluid. Niets meer. Ik concentreerde me en zocht naar mensen die aan het praten waren – of zelfs de helikopters – maar er was helemaal niets meer – alles was volkomen stil. Ik veegde mijn mond af en betreurde meteen dat ik dat had gedaan, want ik proefde een hoop rommel in mijn mond. Allemaal troep – stof dat tot in de poriën van mijn huid was doorgedrongen. Ik probeerde een relatief schoon stukje van het shirt te vinden en poogde mijn gezicht af te vegen – nog meer stof en ellende. Hoe hoog zouden de concentraties gevaarlijke stoffen zijn geweest? Net als toen in 2001? Hoelang zou het duren voordat je kanker kreeg van die rommel? Zou ik lang genoeg leven om er ziek van te kunnen worden? Of viel het allemaal wel mee?
Ik legde mijn hand op de schouder van mijn buurman en zei: “Mijn naam is Logan.”
“Shane – mijn vriendin Olivia.”
“Wie is de jongen?”, vroeg Olivia.
“Geen idee – hij viel bovenop me. Ik heb geprobeerd hem te beschermen – en hij leeft nog.”
“En nu?”, vroeg Shane.
“Terug naar het open veld,” zei ik, “kijken of het weer veilig is en onderzoeken hoe groot en algemeen de verwoesting is. Misschien zijn we de enige overlevenden in het park.”
Ze knikten allebei. “En hij?”, vroeg Olivia.
“Zullen we wachten tot hij bij kennis komt?”, vroeg Shane, “Dan kunnen we eerst eten en drinken.”
We aten een paar boterhammen – plakjes kaas erbij – we deelden onze vleeswaren, terwijl we afwachtten tussen de bomen – bederfelijke waren gebruikten we als eersten – ik had niet goed nagedacht over de houdbaarheid van mijn eten – Shane en Olivia evenmin. Er kwamen andere overlevenden overeind die weggingen – ze oogden als slaapwandelaars die geen idee hadden. Na een kwartier of zo kwam de jongen bij kennis. Ik zag zijn ogen opengaan – knipperende oogleden – stof, allemaal stof – het zat bij hem ook echt overal. Langzaam kwam hij overeind – ging zitten en bleef een tijdje zitten. “Wie heb m’n kop in die bagger gedauwd?”, vroeg hij.
“Ik.”
“Dacht echt dat ik de pijp uit zou gaan,” zei hij.
“Mijn naam is Logan.”
‘Ik heet Fender,” zei hij en de jongen verwachtte een opmerking over zijn naam, maar we reageerden niet.
“Je hebt de lunch gemist,” zei Shane, “straks krijg je weer een nieuwe kans om te eten.”
“Ik heb al gegeten,” zei Fender. “Gaan we doen?”
“Naar het veld,” zei ik, “we gaan kijken of er meer overlevenden zijn buiten ons vieren – of de zombies die we zojuist weg hebben zien lopen.”
We begonnen heel behoedzaam terug te lopen naar het grasveld – festivalterrein. Ik stapte over een omgevallen boom, er lag nog iets op de bodem en ik begreep te laat dat het een menselijk lichaam was. Shane ging voorop – ik controleerde of de man die bij de boomstam terecht was gekomen leefde – geen ademhaling, helemaal niets. Wanneer hadden we gerend voor ons leven – een uur geleden – een halve dag of zelfs een week – misschien een maand?
Onze eerste voetafdrukken lagen in een dikke laag grauw stof – afkomstig van onze eigen huizen, maar we konden nu kilometers ver kijken. Het veld had vaalgroen moeten zijn, zo kort na de winter, maar oogde eerder als een grauwgrijs geverfd voetbalveld.
Daarachter lag de bron van onze verwondering. Waar niet zo heel lang geleden asfaltwegen waren geweest en flatgebouwen hadden gestaan, groeide kniehoog, geelgroen onkruid – het was echt het eerste waar ik aan dacht. Ik moest aan varens denken. Maar het was iets dat niemand ooit eerder had aanschouwd. Geen bloemen, alleen onkruid, nutteloze schadelijke planten die een halve meter hoog groeiden. Ik bedacht dat je normaal gesproken weken of maanden nodig zou moeten hebben voordat een plant een dergelijke hoogte zou kunnen bereiken. Dit had slechts enkele uren gekost. Het was laat in de middag. We waren erg lang volledig out geweest – dat was wel duidelijk.
In normale omstandigheden zou ik de stad kunnen beschrijven, maar we bevonden ons op een vlakte – een grijs eiland en we werden omringd door iets dat nog het meest op een geelgroene savanne leek. Ik geloofde mijn eigen ogen niet eens. De zon hing lui boven de horizon – het was laat in de middag. Puinbergen verhinderden een vrij zicht, anders had ik tot ver voorbij de horizon kunnen kijken. Ik zocht naar andere overlevenden. Voordat de amoebe ons veld had bereikt, waren we met vele duizenden mensen. Nu telde ik er ongeveer dertig. Ik zag een man weglopen – hij stapte in het moordende onkruid – eerst gebeurde er niets. Spoedig veranderde het onkruid – we herkenden allemaal de vormeloze moordenaar die complete helikopters uit de lucht had geplukt – geelgroen veranderde razendsnel in bloedrood en het lichaam van de man kromp ineen en verdween – hij gilde het uit en zijn stemgeluid moest kilometers ver te horen zijn geweest – een volwassen vent wiens lichaam werd opgeslokt door een gigantisch organisme – als een amoebe. Het ellendige monster veranderde weer in het onkruid dat lichtjes wuifde, terwijl er een wind begon op te steken vanuit het zuidwesten. We waren te zeer overweldigd door wat er van onze wereld was overgebleven om wie dan ook tegen te houden – ik stond verbijsterd om me heen te kijken naar niets in het bijzonder.
Nog vier mensen – mannen en vrouwen – stapten in het onkruid en ik kreeg het idee dat ze verdomd goed wisten wat ze aan het doen waren. Er was niets meer. Ze hadden niemand meer! Ik kon mezelf wijs maken dat mijn familie in het zuiden woonde en op tijd had kunnen vluchten – een betere en grotere kans dan ikzelf zou krijgen om te ontsnappen aan dit eiland. We keken elkaar langdurig aan – staarden zwijgend naar geelgroene puinbergen die de aarde over een oppervlakte van vele kilometers bedekten. Nergens een helikopter te zien – of een ander vliegtuig – geen teken dat er hulp naderde, zoals je hulp mocht verwachten van een overheid die voorbereid was.
“En nu?”, vroeg een onbekende man. Ik kende nog pas enkele namen. Shane en Olivia, Fender. Verder had niemand een naam genoemd. “Wat doen we nu?”
“Wachten tot iemand ons komt ophalen,” zei ik, “laten we hopen dat er een reddingsactie volgt.”
“Dan moet er wel iets over zijn gebleven van de overheid – het leger – eh – het buitenland, de NAVO,” sprak Shane. “Maar stel je nu eens voor dat alles is weggevaagd. Zolang houden we het hier niet vol.”
“Dan ben je aan het speculeren,” zei ik.
“Je kèn altijd nog in die teringzooi stappen,” zei Fender en hij wees het veld aan – zacht wuivend onkruid – onschuldig ogend – lieflijk uitnodigend. “Binnen een minuutje ben je overal van af.”
“Een hele geruststelling, ja,” zei ik. Het werd tijd om uit te zoeken of mijn radio nog functioneerde na de verwoestende stofwolken die er over me heen waren gerold. Ik knielde neer, liet mijn rugzak omlaag zakken en constateerde meteen dat de schade meeviel. Er was nauwelijks stof doorgedrongen. Ik was blij met de plastic tasjes die ik had gebruikt om mijn spullen weg te stoppen. Tasjes kon je altijd hergebruiken of weggooien. “Tijd om de nieuwsberichten te beluisteren,” zei ik. Een beetje onhandig balancerend op één knie trok ik de antenne uit en dankte mijn ouders dat ze ooit een wereldontvanger hadden gekocht. Wie had er nou nog een transistorradio in de la liggen? Ja, ik! Andere overlevenden begonnen in onze richting te komen. Het woordje ‘radio’ ging echoënd rond. Eerst kwam er alleen ruis uit de speaker. Ik draaide het volume omhoog en begon nieuwe zenders te zoeken. Shane merkte al op dat ik een andere golflengte moest proberen. Er waren er wel meer op dit toestel. Na een minuut – ik wilde hem al uitschakelen – begon de stem te spreken die ik vanochtend ook al had gehoord.
“In het getroffen gebied zijn eenheden van het leger op zoek naar overlevenden – voor zover het dodelijke onkruid dit mogelijk maakt – het gevaar is gigantisch groot – voorzichtigheid is geboden – dus voor al degenen die de ramp hebben overleefd blijft hoop op redding bestaan. Wanhoop is onze allergrootste vijand. Blijft u vooral kalm. Redding is onderweg!” Veel meer hoefde ik niet eens te weten. Ik zette het toestel uit en hoorde wel enkele personen protesteren, maar we hadden voldoende gehoord. Er bestond nog een organisatie die zocht naar overlevenden.
Shane begon de overlevenden toe te spreken. “Laten we niet allemaal onze mobiele telefoons aan laten – voor zover ze het nog doen – dus ééntje moet er zijn telefoon aan houden, andere toestellen gaan uit, want we moeten onze batterijen volledig benutten – één voor één uitputten en niet allemaal tegelijk. We moeten verstandig handelen. Ik zal mijn toestel aan laten.” Mensen begonnen hun toestellen te checken, veegden stof weg, al hoorde ik erg veel mensen opmerken dat hun telefoons dood waren. Zeven telefoons bleken nog te werken. We hadden een groep van drieëntwintig mensen overgehouden.
Ik zocht een plekje om te zitten en begon te controleren of mijn notebook wilde opstarten – natuurlijk in een plastic tas – al had ik eerder aan vocht gedacht – en ik voelde me een geluksvogel, toen ik ontdekte dat mijn notebook nog steeds werkte. Er vroeg zelfs iemand heel serieus of mijn internet het deed. Middag vergleed langzaam in de avond en ik begon aan dit verhaal te werken – veel haast had ik niet – misschien doe ik het hoofdzakelijk uit tijdverdrijf. Ik hoorde mensen praten over de ramp. Normale gesprekken, zoals Shane en Olivia voerden – Fender die regelmatig met een gevatte opmerking kwam. Had er een ongeluk plaatsgevonden in een laboratorium? Nam de natuur zelf wraak omdat de mens vele duizenden jaren roofbouw had gepleegd op de aarde? Of was er sprake van een invasie en hadden de aliens ons eindelijk gevonden – de mens als nietige aardworm.
Een voorzichtige rekensom leerde dat we het pakweg tien dagen vol zouden houden met onze voorraden. Daarna begon er toch wel een serieus probleem te dagen. Als we eenmaal per dag zouden eten, dan hielden we het zes dagen vol. Het leek simpel. Gisteren leefden we in overvloed – vandaag moesten we beslissen of het niet beter was om slechts één keer per dag te eten, omdat we anders te snel door onze voorraden heen zouden zijn.
Nadat we een beslissing hadden genomen en feitelijk vond er zelfs geen discussie plaats, begonnen we collectief naar de horizon te staren. Daar – uit welke windrichting dan ook – zou onze hulp moeten komen – helikopters die voldoende ruimte boden voor onze groep – één of meer helikopters. Met zijn allen weg. Niemand zou achter mogen blijven – een vrachthelikopter – zo probeerde ik me voor te stellen – groot genoeg om een half dorp te evacueren. Als de luchtmacht nog over zulke toestellen beschikte.
Fender wees me de volgende ochtend op een vreemd fenomeen. Ik had, net zo min als de meeste overlevenden, geen seconde geslapen. Hij stond te kijken naar het dodelijke onkruid – licht wuivende plantjes die als gecamoufleerd wachtten op een prooi – en ons eiland leek groter te zijn geworden. Tussen de bomen had hij lege bierblikjes gevonden die hij weggooide – naar het onkruid dat meteen reageerde – hongerig bijna – we zagen de amoebe ontstaan die de blikjes vastgreep en opslorpte. Het was echt een monster dat wachtte op een slachtoffer. Ik zag het onkruid ogenblikkelijk dichterbij komen – een meter – halve meter – vervolgens stopte het weer.
“Een buitenaards organisme, denk ik,” zei hij, “zoiets als dit kennen we op aarde niet – als je het met rust laat, dan trekt het zich langzaam maar zeker terug.”
Shane kwam naast ons staan. “Natuur versus cultuur,” zei hij. “Ik heb ook nog niemand over het opperwezen horen praten, maar dat zullen ze wel gaan doen.”
“Vast en zeker,” beaamde ik. In het begin overheerste de schok. Discussies verstomden al snel, er volgde een loom soort gelatenheid in afwachting van onze redders. We bleven naar de horizon staren en durfden de afzondering van het bos niet eens op te zoeken, omdat we bang waren de helikopter te missen. Het was een zekerheid in onze gedachten. Er zou redding komen. Ik luisterde regelmatig naar de radio – we luisterden allemaal en hoorden steeds dezelfde mededeling – Redding is onderweg!
Op de derde dag begon het te regenen – het was heel vroeg in de morgen en ik had al langere tijd naar de bewolkte lucht gestaard in de hoop dat er werkelijk regen zou gaan vallen. We hadden het nodig.
“Het gaat regenen,” zei Shane die naast me stond.
“Dat denk ik ook wel, ja.”
“Binnen een half uurtje.”
Ik knikte bevestigend, maar het duurde bijna een uur voordat de eerste druppels begonnen te vallen. Warme regen spoelde mijn gezicht schoon. Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk water op te vangen – hoofd achterover om druppels met mijn hoofd op te vangen. We durfden nog altijd niet te schuilen, misschien hadden onze redders op de regen gewacht. Fender kleedde zich uit en stond in de regen te dansen, alsof hij zo wilde afdwingen dat er nog meer regen zou vallen. Aarde spoelde schoon. Ik vroeg me af of ik mijn notebook goed had opgeborgen – twee plastic tassen om een kostbaar stukje elektronica te beschermen – het moest genoeg zijn – ik hoopte het.
Het bleef erg lang regenen – vroeg in de middag brak de zon door – we waren allang klaar met de regen – ik had enkele plastic tasjes neergezet om water op te vangen, zodat we onze dorst konden lessen – we zouden water hebben. Gelukkig, want het eten begint op te raken. Er moet snel iets gebeuren – redding – de helikopters die we al vanaf de eerste dag verwachten. Eten voor drie dagen hadden ze geroepen. We zitten als ratten in de val – ons eiland is inderdaad groter geworden, zoals de jonge Fender al heeft opgemerkt, maar we kunnen nog steeds nergens heen. De vijand ligt onveranderlijk op de loer en is zeer geduldig.
Alles is kapot – vernietigd – er is niets meer over. Ik ben nog lang niet klaar met mijn verhaal – ben nauwelijks begonnen, maar er is weinig tijd overgebleven – afgelopen uur ben ik aan het testen geweest – ik wilde weten hoe ik een e-mail kan klaarmaken, dan op ‘verzenden’ klikken, al is er geen internet, maar het bericht zal verzonden worden, zodra er een netwerk wordt opgepikt. Anders is het werk alsnog voor niets geweest, nietwaar? Ik wil er alles aan hebben gedaan. De batterij van mijn notebook gaf enkele ogenblikken terug een alarm – nog maar 6 procent. Ik moet opschieten. Er zijn veel meer verhalen te vertellen, maar ik heb geen tijd.
Binnen nu en een half uur gaat het beeldscherm op zwart. Ik hoop dat ze ons snel zullen vinden. Er zijn er al die zich in het onkruid willen werpen, omdat ze dan overal vanaf zijn – er zijn verhalen die ik nog wil vertellen, maar ik heb heel gewoon geen tijd meer.
Ik leef op een grijsgroen eiland – de regen van vanochtend heeft veel stof weggespoeld. Maar we kunnen geen honderd meter lopen – het monster wacht op ons en niemand kan met zekerheid zeggen of de redding ook echt komt. We kunnen het radiobericht inmiddels dromen. Sinds de eerste dag is dat hetzelfde – ze hebben niets veranderd, geen woord. Ik krijg een nieuwe melding op mijn beeldscherm – 4 procent – ik moet mijn bestand opslaan en e-mail versturen, zodat het ooit ergens – iemand moet het toch een keer kunnen ontvangen? Stel je nou eens voor dat alles verloren is gegaan –
Stel je dat nou gewoon eens voor –
(6) En de vierde is een gewone jongen
De vrienden van Jokke blijven bij de vrouw en haar kinderen – echtgenoot begint te bellen – met politie – hij is ternauwernood aan de dood ontsnapt – net als zijn vrouw en kinderen – dankzij een meisje dat stond te schreeuwen, omdat ze een gave heeft.
Een onbekende gestalte staat ineens naast Jokke – een man die er enkele seconden geleden niet was, maar nu wel en hij zegt: “Jee, wat een ravage.” Man kijkt naar vrachtauto en er verschijnt een frons op zijn gezicht. Het is een oudere man. “Lijkt me eigen auto wel.” Er volgt direct een schreeuw. “Krijg nou de kolere, het is me eigen auto!” Hij rent naar de cabine en staart naar binnen. “Hoe kèn dat nou?” Man draait zich half en vragend om.
Jokke negeert de chauffeur die in de auto ligt, maar er vreemd genoeg ook naast staat. Hij doet het allebei. Wat gebeurt er allemaal? Jokke begint met zijn armen te zwaaien en schreeuwt: “Help!”
“Wat is er aan de hand, jochie – Ben ik dood?”
“Nog niet,” zegt Jokke. “maar je hebt hulp nodig. Ik denk dat ze moeten reanimeren – ja, dat denk ik.”
“Heb ik een soort van infarct gehad?”
“Denk het.”
Mannen komen aangehold – auto’s staan op de vluchtstrook – ze laten zich langs de helling omlaag glijden – stofwolken dwarrelen omhoog – ze klimmen in de cabine en Jokke hoort glassplinters knarsen. “Mijnheer? Mijnheer?”, begint er een man te roepen. “Hoort u mij? Geeft u eens antwoord?”
“Hoe heet je?”, vraagt Jokke.
“Nelis.”
Jokke bestudeert de gestalte die naast hem staat – oudere man in ruitjesoverhemd en spijkerbroek, dun grijs haar en stoppelbaard, hoornen bril.
“Zijn naam is Nelis.”
“Weet je het zeker?”, vraagt een man die zijn hoofd boven het dashboard uitsteekt. “Nelis?”
“Ja. Nelis.”
“Nelis – hopelijk kun je me horen, maar ik ga je reanimeren,” zegt dezelfde man die zojuist twee keer ‘mijnheer’ heeft geroepen. “En jij belt 112.”
“Doe ik al,” zegt de ander.
Andrea komt naast hem staan en vraagt: “Jokke – tegen wie ben je nou steeds aan het praten?”
“De chauffeur,” zegt hij. “Hij is hier.”
“Is hij dan niet – ?”, vraagt Andrea.
“Je snapt het niet,” zegt Jokke, “hij is niet alleen in zijn auto, maar ook hier – naast me – als een geest.”
“Zeg eens, jongen. Ga ik dood?”, vraagt Nelis.
“O,” reageert Andrea.
“Geen idee,” zegt Jokke.
Chauffeur loopt naar zijn auto en gaat op zijn tenen staan, omdat hij beter wil zien wat er gebeurt.
“Je moeder zei het toch al – ?”, vraagt Andrea.
“Inderdaad – de tuin der geesten,” antwoordt Jokke die zijn hoofd draait en de heuvel zoekt die onzichtbaar is geworden in de warme zomernacht. Trommels klinken nog altijd – twee dreunen per seconden. “Heeft je moeder niet verteld wat ze aan het doen zijn – die moet het weten, verdorie. Zelfs Nosferatus hield ons daar weg. Bah, ik haat hun geheimen.” Zijn stem klinkt erg luid, maar Nelis, de vrachtwagenchauffeur, begint langzaam doorzichtig te worden – transparant – ze horen sirenes dichterbij komen – het zijn er twee – zo meteen komen de verplegers naar beneden. Ze kunnen er op geen enkele andere manier komen. Het bos dat er omheen is gegroeid is gewoon te dik. Vanaf de grond kan Jokke de flat niet eens zien. Andrea kijkt naar de chauffeur en haar ogen beginnen ineens groter te worden, alsof ze toch een glimp van Nelis lijkt op te vangen. Jokke kijkt omhoog en ziet een blauw zwaailicht naderen. Nelis lost domweg op – zijn gedaante verdwijnt gewoon.
“Hij is weg,” zegt Andrea en ze wijst de plek aan waar enkele ogenblikken Nelis heeft gestaan.
“Klopt, ja, misschien hebben ze hem gered,” zegt Jokke, “en leeft hij weer.”
Gijs en Leon beginnen ongeduldig te gebaren – nachtelijke schaduwen van bomen hangen over hen heen. Met name Gijs gebaart erg ongeduldig en Jokke snapt hem – want de politie komt ook – agenten gaan onderzoek doen en willen weten wat er is gebeurd – ze moeten verklaringen afleggen. Jokke en Andrea beginnen weg te lopen. Man en vrouw zijn erg met hun kinderen bezig – ze zijn geschrokken – ze zijn allemaal erg geschrokken.
Jokke probeert de geest uit zijn gedachten te verdrijven – een chauffeur die in zijn cabine lag en er ook naast stond – het was een geest – hij heeft een geest gezien. Het is duidelijk. Voordat ze in het bos verdwijnen, hoort hij iemand roepen dat ze moeten blijven, maar Jokke en zijn vrienden gaan verder. Jokke stapt over een omgevallen boomstam – er is een greppel – Andrea wijst naar een oude kelder. Het is een gevaarlijke plek, met name ’s nachts, als je de overgebleven ruïnes niet goed kan zien. Ze zullen hen niet volgen, want het is te gevaarlijk. Misschien komen ze morgen naar de flat. Het zou kunnen. Jokke kijkt naar het gapende gat in de bodem – een betonnen trap – je kunt je er goed verbergen, maar ze komen er nooit. Een middag op de heuvel is fijner dan zo’n akelig gat in deze uithoek. De kinderen van Nosferatus, nou ja, als hij kinderen zou hebben, zouden er zich geweldig voelen. Donker, droog en stil, net een graftombe. Jokke volgt Andrea – die op haar beurt Leon en Gijs geen seconde uit het oog verliest. Leon zou het goed moeten kunnen zien, als het tenminste bijna volle maan zou zijn geweest.
Ze gaan verder – een wandeling in het bos – het is nacht – er klinken meer sirenes – het is de politie die een verhaal zal aanhoren over vier kinderen die in het bos zijn verdwenen. Jokke hoort klapperende vleugels boven zijn hoofd – het is Nosferatus die als vleermuis de vier vrienden nauwgezet volgt.
Hij blijft staan, terwijl Andrea nog enkele stappen doet, Gijs en Leon hebben erg laat in de gaten dat Jokke is achtergebleven. “Wat is er?”, vraagt Andrea – haar stem draagt erg ver in het donker.
Jokke staart in het donkere gat – één van de tientallen kelders die je in dit gedeelte van het bos terugvindt. Er is een trap – natuurlijk van beton – net als daarstraks – maar beneden gloeit er een helder licht, misschien wel het helderste dat hij ooit in zijn leven heeft gezien – veel sterker dan een lamp.
Andrea komt terug, omdat Jokke achterblijft. Ze legt een hand op zijn schouder en ziet, net als hijzelf, het licht dat als een prachtige wolk uit een donker, onderaards hol komt. Het is een boodschap. Het kan bijna niet anders. Andrea veegt een pluk vuurrood haar achter haar oor. Jokke en Andrea kijken elkaar langere tijd aan. Gijs en Leon wachten alleen – doen niets, zeggen niets. Ze beseffen goed dat er iets vreemds gebeurt.
Voor het eerst in bijna een uur is het stil. Er klinken geen trommels, er zijn geen heksen die zingen.
“Het is een uitnodiging,” zegt Jokke.
“Ik ga met je mee. Je weet maar nooit.”
“Zulk helder licht kan alleen maar goed zijn, al komt het uit een gat in de grond. ‘Tot straks.’ ‘Ik hoop het.’ Hij hoort de stem van zijn moeder. Andrea kijkt hem aan, maar ze biedt niet opnieuw aan om mee naar beneden te lopen. “Oké – met zijn tweeën sta je sterker,” zegt Jokke. Andrea kijkt naar de jongens die over afgebroken takken heen beginnen te stappen – ze naderen erg snel. Ze willen dezelfde trap afdalen als Jokke en Andrea. Er is heel weinig kans dat ze dit met zijn tweetjes zullen doen.
Jokke staart omlaag – elke stap die hij op een traptrede zet – trappen van misschien vijftig jaar ouder – hij weet het niet. Hij grijpt een trapleuning vast – hand van Andrea rust continu op zijn rug, omdat ze niets kan zien. Licht is te fel geworden. Jokke loopt langzaam, zodat Andrea hem niet kwijt kan raken. Beneden ligt er een gang – erg lang, smal ook, maar niet erg hoog – hij heeft de neiging om te bukken. Er hangen tl-lampen aan het plafond die het niet doen. Maar het licht heeft een andere oorsprong, al kan hij niet zien waar het vandaan komt – het lijkt overal vandaan te komen. Jokke ontwaart een vrouw met donker haar. Ze draagt een jurk die haar vrouwelijke vormen niet alleen laat zien, maar ze ook weet te verbergen.
“Hallo, Jokke,” zegt ze.
“Hoi,” antwoordt hij en Andrea staat schuin naast hem en haar hand rust nog altijd op zijn rug.
“Ik zie dat je je vrienden hebt meegenomen.”
“Tuurlijk.”
Andrea knijpt zachtjes in zijn arm. Zou ze bang zijn? Gijs en Leon komen heel langzaam de trap af. Jokke hoort hun voetstappen dichterbij komen. De onbekende vrouw houdt haar hoofd een beetje schuin, zodat ze voorbij Jokke en Andrea kan kijken.
“Je zult het vast fijn vinden dat er zoveel mensen om je geven – de heksen die ons hebben geroepen vanavond,” zegt ze, “je moeder was er niet – en Anne Madsen ontbrak ook. Heel opvallend. Twee zeer bepalende vrouwen in jullie gemeenschap – zoveel kracht en het is onvoldoende.”
Jokke durft geen botte opmerkingen te maken. Bovendien weet hij niet zeker of zijn vrienden de onbekende vrouw-verschijning eveneens kunnen horen – misschien wel zien, maar niet horen. Zou het logisch zijn? Misschien is het alleen voor hem. Misschien zien ze de onbekende vrouw niet eens. Het kan best zo zijn dat ze hem alleen horen praten.
“En die brave heksen hebben ons veel en véél te vroeg opgeroepen,” zegt ze. “Je bent er nog lang niet klaar voor. Ik ben te vroeg. Er komt een dag en dan zul je begrijpen wat je taak zal zijn in dit leven, maar vandaag is dat nog niet. Te vroeg. Ja, ik ben veel te vroeg. Je moeder zal wel blij zijn, denk ik. We zullen hen wel duidelijk maken dat er slechts één enkele persoon de bezweringen moet uitvoeren.” Andrea houdt haar hand voor haar mond. Ze kan de vrouw horen. Nu wel. Het is heel duidelijk. “Je roodharige vriendin zal de bezweringen moeten doen, een prachtige dochter van haar moeder. Iemand moet Edith vertellen dat ze zich voortaan nergens meer mee moet bemoeien, anders doen wij het.”
De vrouw begint heel langzaam te lopen – beweegt naar Jokke en Andrea, maar ze los ineens op – . Ze verdwijnt en daarmee dooft het licht dat hen allemaal zo intens heeft verblind compleet.
“Wat was dat?”, vraagt Leon.
“Een verschijning – of een geest – of misschien een schikgodin,” verklaart Andrea. “Ze zou Jokke op hebben moeten halen, maar dat gebeurt niet. Je hebt een grote taak voor de boeg.” Ze slaat met haar vuist op zijn bovenarm, maar hij voelt de klap niet eens. “Je wordt belangrijk.”
“Dat wil ik helemaal niet.”
“Misschien wel. Dat ligt aan de taak,” zegt Andrea.
“Nou ja, zeg,” reageert Jokke.
De vrienden lopen de trap weer op – sneller dan daarnet – Jokke blijft eventjes staan en kijkt omlaag, terwijl hij dit doet exploderen alle tl-lampen. Er volgt een klap. Rookpluimen ontstaan in de smalle gang en hij denkt mensachtige figuurtjes te kunnen zien, maar hij vermoedt dat hij zich iets verbeeldt.
“En nu?”, vraagt Gijs.
“We gaan Edith vertellen dat ze op moet oppassen voordat een van de schikgodinnen haar ezelsoren geeft, omdat ze weigert te luisteren,” zegt Andrea.
“Jij bent ook belangrijk gemaakt,” zegt Jokke.
“En wij dan?”, vraagt Leon.
“We zijn allemaal belangrijk, omdat we vrienden zijn,” legt Jokke uit. ”Dat heeft ze gezegd.”
Hij weet het heel zeker. In zijn eentje was hij de pineut geweest. Dan had hij beslist mee gemoeten.
Boven hun hoofden fladdert de vleermuis – heel onrustig – alsof Nosferatus alles heeft kunnen zien – in elk geval het heldere licht dat in de kelder heeft gehangen – vampiers zijn allergisch voor alle vormen van licht. Jokke sluit de rij van vrienden die zich kronkelig een weg baant door het bos. Jokke ziet de flat boven de bomen uittorenen en de vleermuis verandert in een zwarte mistwolk die omlaag valt en een menselijke gedaante aanneemt. De flatbewoners verzamelen zich bij de ingang van het gebouw en Jokke kijkt eerst omhoog – zijn moeder staat bij het raam – ze oogt heel opgelucht als hij het bos weer achter zich laat. Edith staat er – net als twee vriendinnen die ook allebei een trommel meezeulen. Mevrouw Madsen verlaat het gebouw en lijkt vooral opgelucht dat iedereen er nog is. Edith staat uit te leggen waarom het fout is gegaan.
Andrea onderbreekt de heks die ouder is dan zijzelf. “Het klopt niet, hoor.”
Edith stopt met praten en staart naar het meisje. Nou ja, inmiddels staart iedereen naar Andrea en de moeder van Jokke staat op het balkon van haar flat.
“Eén van de schikgodinnen is verschenen – maar alleen voor Jokke en mij – volgens mij was het Destiny, omdat ze sprak over de lotsbestemming van Jokke. Gijs en Leon waren er ook. Ze heeft Jokke achtergelaten, omdat het te vroeg is – veel te vroeg.”
“Ik denk – ,” begint Edith te zeggen.
“Laat het meisje uitpraten!”, roept de huismeester. Hij ziet er erg boos uit. Zijn ogen fonkelen erg fel.
“Ik moest erbij zeggen,” en Andrea slikt een keer en gaat dan verder, “dat Edith zich niet meer mag bemoeien met Jokke. Als Edith weigert te luisteren, grijpen de schikgodinnen zelf in.”
Nosferatus steekt zijn hand uit naar Jokke en zegt: “Je begrijpt nu toch wel waarom ik – .”
“Dank je wel,” zegt Jokke.
“En ik wilde alleen maar helpen,” zegt Edith.
“Help jezelf in het vervolg, dan verbeter je meteen de wereld,” zegt mevrouw Madsen.
Jokke ziet zijn moeder de woning binnengaan. Er is geen vergadering van alle bewoners, dus hij gaat zelf ook. Hij zwaait naar zijn vrienden – die hem meteen volgen. Iedereen gaat naar huis.
Nog een uurtje op balkon zitten en dan naar bed. Al is het nog erg warm.
(1) octagon
Ik ontwaakte zonder herinnering aan de avond of nacht daarvoor en voelde me ronduit ellendig. Elke beweging van mijn lichaam verliep moeizaam. Lange tijd staarde ik omhoog en stelde vast dat er gaten zichtbaar waren in het plafond. Ik zag een blauwe hemel. Tevens drong het tot me door dat er een metalen constructie was gebouwd, eentje die het gammele gebouwtje overeind hield. Langzaam draaide ik mijn hoofd naar rechts, vervolgens links en probeerde mijn nekspieren wat soepeler te krijgen. Ik lag op een onbekend bed. De ruimte waarin ik mij bevond leek op een garage. Je kon er met gemak een auto parkeren, hoewel je daarmee ook de volledige oppervlakte benut had. Mijn mond voelde erg droog aan, dorst of nadorst, ik had werkelijk geen idee. Terwijl ik op dat vieze stinkende matras lag, probeerde ik me voor de geest te halen wat er ’s nachts of minimaal gistermiddag was voorgevallen. Wanneer je ’s ochtends op een volmaakt onbekende plek je ogen opent, wil je immers graag weten hoe je er aanbeland bent. Toch?
Ik had geen idee of het ochtend of middag was. Na een tijdje kwam ik overeind, hoewel dit zeer veel moeite kostte. Mijn rug protesteerde ernstig tegen elke beweging die ik maakte. Het moest toch wel een erg wild feestje zijn geweest… dat ik op een volkomen onbekende plek en totaal verrot wakker werd.
Minuten gleden voorbij.
Ik verzamelde alle moed om op te staan, en hoopte buiten van een willekeurige voorbijganger te vernemen waar ik me bevond. Misschien vond ik een oud dametje met zo’n smerig kefferig poedeltje dat onophoudelijk naar mijn enkels hapte.
Het was niet mijn eerste keer. Omdat ik altijd een stevige drinker ben geweest, ontwaakte ik wel vaker op curieuze locaties.
Ik ging staan. Enkele ogenblikken lang staarde ik glazig naar beneden en realiseerde me dat mijn schoenen verdwenen waren. Mijn suède jasje en witte overhemd hadden mysterieus plaatsgemaakt voor een rafelig blauw shirt. Ik was mijn portemonnee kwijt, pasjes, rijbewijs… verdomme… Ik veegde lange plukken haar achter mijn oren. Vingers gleden over een baard van bijna een volle week. Gisteren had ik me nog goed geschoren. Voor het eerst sinds ik wakker werd, probeerde ik me mijn naam te herinneren.
Er gaapte een diep gat in mijn geheugen. Opnieuw onderwierp ik de garage aan een uitgebreide studie. Er stond een grote klok, een monsterachtig apparaat, gebouwd volgens ideeën die in de negentiende eeuw modern moesten zijn geweest. Deze bijzondere machine werd bijeengehouden door koperen buizen, glanzend zilverachtig plaatwerk, en een eikenhouten kast. Moderne computertechnologie, bijvoorbeeld microprocessoren ontbraken op het eerste gezicht. Het vertoonde geen traditionele wijzerplaat met twaalf uren. Ik telde er tien. Dat was vreemd. Langzaam stapte ik naar de vreemde klok.
Onder mijn blote voeten strekte zich een asfaltvloer uit die alle kenmerken vertoonde van een langdurige verwaarlozing. Ik liep verder. Licht trillende vingers gleden over prachtig versierde, barokachtige wijzers. Buiten blafte een hond, ogenblikkelijk gevolgd door andere honden. Er gleed een schaduw over de klok. Ik keek omhoog en staarde naar een wolkeloze blauwe lucht. De blaffende honden riepen me naar buiten. Dat was het beslissende signaal. Ik draaide mijn stramme lichaam en zocht een uitweg.
De stalen roldeur was compleet vastgeroest tussen twee geleidingen.
Er waren voldoende openingen in de muren, doorgangen die een ontsnapping boden uit deze ellendige gevangenis. Ik hoopte dat mijn lichaam slank genoeg was om tussen die brokstukken gemetselde bakstenen door te wurmen. Het rafelige shirt schraapte langs de scherpe randen en ik vergat heel eventjes, gedurende enkele seconden, de spierpijn waarmee ik was opgestaan.
Voor het eerst besefte ik dat mijn laatste maaltijd erg lang geleden moest hebben plaatsgevonden.
Het mysterie werd niet echt kleiner.
Terwijl ik mezelf door die smalle opening wurmde, gebeurde er iets vreemds. Ik keek naar buiten, mijn ogen waren verblind als gevolg van het felle zonlicht. Een gigantische mensachtige gedaante zweefde door de lucht en ik besliste direct dat dit een verlate reactie moest zijn op alle drank die ik afgelopen nacht binnen moest hebben gekregen. Ingeklemd tussen twee stukken afgebrokkelde muur zag ik het wezen voorbij komen… veel groter dan een normaal mens… en met vleugels… een spanwijdte van zeker tien meter.
Natuurlijk vroeg ik mezelf af of ik wel echt wakker was geworden. Misschien sliep ik nog altijd. Ik was echter klaar wakker. De spierpijn die ik had verzekerde me dat er geen enkele andere mogelijkheid bestond. Ik was wakker.
Mijn ogen raakten gewend aan de wereld die zich buiten tentoonspreidde. Er lag een strook oud asfalt… er was een uitgestrekt patroon van fijne scheuren en diepe barsten ontstaan.
Het grootste deel van het oude complex was vervallen, ingestort, geheel verdwenen onder een gestaag oprukkende jungle. Er groeiden bomen en struiken op vermoeid in elkaar gezakte gebouwtjes. Het was groen geworden. Alleen de garagebox waarin ik wakker was geworden stond overeind, en dat was het gevolg van de metalen constructie die iemand lang geleden moest hebben gebouwd. Het deed me denken aan een anachronisme, een misplaatst souvenir uit een vergeten era. Verderop speelden jonge honden in het hoge gras, omdat ik enkele buitelende bruine lichaampjes herkende.
De immense kooiconstructie viel me nog niet eens op, want ik keek om me heen en zag bomen, struiken… Ooit stonden hier keurig onderhouden woonhuizen, toen glanzende auto’s de status van hard werkende burgers benadrukten. Er waren ruïnes overgebleven. De natuur had zijn oeroude rechten teruggeëist en dit terrein veranderd in een territorium voor wilde honden.
Inmiddels drong tot me door dat er een kooiconstructie was. Boven mijn hoofd bevond zich een verfijnd rasterwerk van roestvrijstalen balken en zelfs die stoeiende pups zouden er nooit in slagen weg te komen uit dit bouwwerk. Godsonmogelijk om hieruit weg te komen, aangezien de balken verdwenen in een betonnen fundament dat twee meter hoog moest zijn. Eerst vond ik het indrukwekkend en reageerde als toerist. Vervolgens besefte ik dat er een uitzonderlijk goede reden moest zijn geweest om zo’n kostbare constructie over een bestaand bewoond gebied heen te planten.
Die onschuldige pups draafden nog altijd onvermoeibaar door het grasveld. Ik dacht aan de dreiging voor een bestaande maatschappij, een gevaar, zo vreselijk groot dat je een dergelijk krankzinnig bouwwerk over een oude dicht bevolkte woonwijk heen wilde plaatsen.
Dit ding… deze kooiconstructie kende ik helemaal niet… en ik kon me evenmin herinneren dat er ooit zoiets waar ook op aarde was gebouwd. Ik voelde me reddeloos verloren, verdwaald tussen onbekende dimensies, een speelbal van mystieke krachten.
Die vervloekte honden sleurden me terug naar een grimmige werkelijkheid. Nerveuze teefjes haalden hun pups snel weg uit de frontlinie. Ik stond volstrekt hulpeloos tussen verkruimelde restanten van een verdwenen beschaving. Drie uit de kluiten gewassen reuen liepen in mijn richting. Mijn angst verstijfde me dermate, dat ik niet eens in staat was te bedenken tot welk hondenras deze mannetjes behoorden. Ik zocht herkenbare gecultiveerde kenmerken en stelde iets heel anders vast. Er stond namelijk een soort tegenover me die ontstaan was nadat de mens als controlerende manipulerende fokker wegviel. Ik herkende hier en daar specifieke kenmerken van bekende rassen. Voorzichtig plaatste ik mijn voeten op afgebrokkeld metselwerk, gelukkig groeide er overmatig veel mos en gras overheen, zodat er geen vrees voor verwondingen hoefde te bestaan. Verder ging alle aandacht naar die drie oprukkende honden.
Ik zocht naar een redelijke uitweg. Dit nagenoeg onbegroeide gebied strekte zich over een oppervlakte van enkele tientallen meters uit. Hier en daar vond je bomen, een teken dat ook de natuur dit terrein wilde innemen, maar verder had je vrij zicht. Dat gold uiteraard ook voor die honden. Bijna zestig meter in noordelijke richting lag een ondoordringbaar ogend struikgewas, een groene nauwelijks bewegende muur. Dat was een goede schuilplaats. In elk geval zouden die vervloekte honden me niet kunnen volgen, of tenminste stukken moeilijker.
De honden kwamen langzaam dichterbij. Ik liep naar dat struikgewas en leek geen centimeter dichterbij te komen.
Tussen brokstukken beton en afgebroken metselwerk lag een tafelpoot met enkele roestige spijkers. Voor het eerst lachte de voorzienigheid me toe. Ik raapte de tafelpoot op en speelde enkele ogenblikken met het evenwicht, zodat het duidelijk werd hoe ik dit stuk hout moest vasthouden. Goed. Vanaf nu was ik gewapend.
Het maakte die honden trouwens geen barst uit of ik gewapend was. Ze bleven me achtervolgen.
Boven mijn hoofd zweefde opnieuw dezelfde gigantische mensachtige gedaante die ik daarstraks had gezien. Dit was niet het product van een levendige verbeelding, maar bittere realiteit. Het mythische wezen verborg gedurende enkele ogenblikken de zon achter zijn ontzagwekkende gedaante. Hij deed me denken aan een vliegende demon… compleet met die armen en benen, vleugels natuurlijk, donkerblauw gekleurd, blikkerende gele tanden waarmee hij elke willekeurige prooi gemakkelijk zou kunnen verscheuren. Ik zou geen schijn van kans maken als hij aanviel.
Zelfs de honden keken eventjes omhoog, maar toonden weinig angst of ontzag voor dit onbekende wezen.
Bijna liet ik de tafelpoot uit mijn handen vallen, terwijl het roofwezen enkele malen rondcirkelde. Eerlijk gezegd vroeg ik me af waarom het niets deed, maar observerend door de lucht zweefde. Er was sprake van een eigenaardig status-quo, een niet-aanvalsverdrag tussen totaal verschillende roofzuchtige wezens. Ik achtte mezelf de zwakste van die drie. Eénmaal viel het onbekende wezen met geweldige vaart omlaag. Ik dacht dat hij me dan toch eindelijk ging aanvallen, maar het was een schijnbeweging. Misschien wilde hij me van dichtbij bekijken. Geen idee. Daarna verdween het wezen in zuidelijke richting en ik staarde het gebiologeerd na tot er niets meer zichtbaar was.
Ik dwong mezelf weer terug naar een alledaagsere werkelijkheid, drie agressieve en vechtlustige honden.
De dieren waren blijkbaar van mening dat ik hun territorium was binnengedrongen, hetgeen objectief bezien helemaal klopte. Je kreeg niet elke dag een lekker hapje aangeboden en ik moest toch een hulpeloze indruk hebben gemaakt.
Langzaam kwam ik vooruit over die afgeplatte puinhopen, een geïsoleerd stukje menselijk woongebied dat was onttrokken aan de werkelijkheid van alledag. De honden maakten een omsingelende beweging die je bijna menselijk mocht noemen.
Ik vroeg me af wat me was overkomen. Vage herinneringen aan een ruige stapavond buitelden door mijn hoofd. Misschien had iemand een rare grap uitgehaald en bevond mijn bewustzijn zich in een andere dimensie. Ik moest alleen nog ontwaken uit die eigenaardige droom… nachtmerrie… gevoed en aangejaagd door verdovende middelen. Straks ontwaakte ik ècht, en lag in bed… hopelijk lag ik in bed.
Plotseling bewoog het struikgewas. Ik zag heel duidelijk enkele menselijke gezichten, ook al gebeurde dit slechts enkele seconden. Mijn zintuigen waren inmiddels tot het uiterste gescherpt anders zou ik dit ogenblik hebben gemist. Ik twijfelde niet aan mijn waarnemingsvermogen. Het gebeurde heel even en zeer duidelijk. Twee gezichten van starende mannen. Er rolde een vloek over mijn tong. Die ellendelingen hadden me wel eens kunnen helpen in plaats van starend afwachten tot die rottige honden me compleet zouden verscheuren.
Mijn instinct verzekerde me hard weg te lopen… rennen… vluchten naar dat veilige struikgewas, omdat die honden me daar veel moeilijker of zelfs helemaal niet volgden. De afstand was te groot. Ik werd binnen enkele meters achterhaald door die kutbeesten. Bovendien leek de bodem opzettelijk bezaaid met allerhande puin, steen en glasscherven, vlechtijzer. Ik zou mezelf ernstig kunnen verwonden en er was natuurlijk geen dokter of zelfs goed uitgeruste apotheker in de nabijheid.
De tafelpoot klemde stevig in mijn handen. Ik was doodsbang. De honden kwamen steeds naderbij en volgden een overduidelijke tactiek. Ze wilden me omsingelen. De tafelpoot met zijn roestige spijkers had ik naar hun leider gedraaid.
Er was altijd een leider. Elke groep had een leider.
Dit vormde mijn enige voordeel… degene uitschakelen die de lijnen uitzette. Ik bestudeerde de aanvallers, elk afzonderlijk, en koos de middelste uit als speerpunt van mijn aanval.
Zo moest het verlopen, vond ik. Eerst die middelste, dan de andere twee.
Achteraf klinkt het veel eenvoudiger dan tijdens zo’n crisis.
Op dat ogenblik voelde ik me verre van slim.
Recht tegenover me stond de leider, roodgeel gekleurd kwijl droop langs zijn onderkaak.
Bij een eventuele aanval moest ik snel zijn. Alleen in films wachtten aanvallers keurig netjes totdat ze aan de beurt waren. In werkelijkheid kwamen ze allemaal tegelijk.
De leider van het stel ontblootte zijn gele tanden en gromde. Ik rook zijn rottende adem.
Ik hield de tafelpoot als een honkbalknuppel boven mijn schouder, klaar voor de verdediging. In gedachten had ik al een paar flinke dreunen uitgedeeld.
Uiteindelijk zette de leider zijn aanval in. Meteen zwaaide ik met alle kracht de tafelpoot omlaag. De andere twee honden naderden eveneens en zeer snel. Spijkers drongen onder luid gekraak door tot diep in de schedel van hun leider. Vrijwel meteen overviel me een geweldige paniek, omdat ik het slaghout niet loskreeg. Daarom zwaaide ik het slapper wordende dier naar links, zodat nummer twee terugdeinsde, en vervolgens rechts. Nummer drie wachtte af. Er volgde een patstelling. Je moest niet verdergaan als het risico te groot werd. Opnieuw zwaaide ik het logge zo goed als levenloze lichaam naar links, zodat het losraakte en nummer twee enkele meters terugdeinsde. Er bestond geen aanval meer. Ik keek lange tijd toe, en volgde de twee overgebleven dieren die hun dode leider achterlieten tussen het puin.
De zon brandde volop, het moest rond twee uur zijn. Voor het eerst speelden er herinneringen door mijn hoofd aan de vorige avond. Vrienden hadden me uitgenodigd voor een gezellig avondje centrum, drukke cafés, heel veel muziek en mensen om je tijd mee te verdoen. Ja, zo was het begonnen. Er wachtte een warme, broeierige avond. Heel erg weinig mensen gingen vroeg naar huis. Je merkte nauwelijks dat je dronken werd, omdat er zo verschrikkelijk veel mensen in het centrum bleven rondhangen. Daar ergens… in die krioelende massa lag het begin van dit vreemde avontuur.
Ik naderde de groene muur van struikgewas en bomen, en vroeg me af waarom die verdomde mensen me niet hadden geholpen, zoals mensen mekaar moesten helpen. Nu had ik al het belangrijke werk alleen gedaan, en stom toevallig de juiste beslissingen genomen. Met een beetje pech was het anders verlopen, en had mijn warme dode lichaam op die puinhopen gelegen, terwijl die honden zich te goed deden aan het vlees. Ik was zo opgefokt dat elke stomme opmerking van één van die gasten zou worden afgestraft. Voedsel voor honden zo gezegd.
Er ontstond een opening in de groene muur, twee kerels hielden takken opzij en staarden ondertussen angstig omhoog, naar de lucht, alsof daar het echte gevaar vandaan moest komen.
Eerlijk gezegd was ik die gevleugelde demon allang weer vergeten. Toch haastte ik me niet, liet de spijkers in het slaghout krassend over de stoffige bodem glijden. Ik moest die jongens toch nog iets duidelijk maken.
“Kom dan!”, schreeuwde de eerste en gebaarde heftig dat ik op moest schieten.
“Zo meteen komen ze terug,” en zijn kameraad sprak beduidend zachter, alsof dat vliegende secreet hem zou kunnen horen.
Het liefst gaf ik die jongens een ongelofelijke dreun, omdat ze hadden geweigerd mij te helpen tijdens mijn gevecht tegen die honden.
Mijn instinct weerhield me ervan. Ik bevond me in een onbekende wereld, die enige overeenkomsten vertoonde met en vooral sporen droeg van een overgereguleerde maatschappij waar ik gisteravond nog deel van uitmaakte. Er bestonden hier volkomen afwijkende regels. Mocht dit een blijvende toestand zijn, dus voor het geval ik niet uit een drugsdroom ontwaakte, moest ik toch die nieuwe regels leren kennen.
“Het liefst sla ik alle tanden uit je smoel! Wat zijn dat godverdomme voor manieren om een man alleen zo te laten knokken tegen die tyfushonden!”
Er lag iets in de houding van degene die zojuist als eerste gesproken had, een onuitgesproken boodschap, dat ik mocht zeggen wat ik wilde. Hij liet me uitrazen, wachtte keurig netjes tot mijn innerlijke rust terugkeerde. Ik gebruikte nog wat beledigingen, maar de man trok zijn wenkbrauwen niet eens omhoog. Tenslotte liet ik me tegen een ruwe boomstam vallen en zakte door mijn knieën. Een geweldige vermoeidheid overviel me, dezelfde waarmee ik wakker was geworden en die me feitelijk nooit had verlaten. “Man, ik zit echt helemaal kapot. Je moest eens weten wat voor ochtend ik achter de rug heb.”
“Kerel… ik begrijp je helemaal. We hebben het allemaal een keer meegemaakt. Iedereen komt op dezelfde manier hier terecht. Mijn oprechte excuses voor die vertoning van daarnet, maar ja… we proberen zo uit te vinden of je een echte man bent.”
Ik keek verbaasd omhoog, want dit laatste snapte ik niet helemaal.
Hij vertoonde een vriendschappelijke grijns. “Heel simpel. We willen weten of je een lulhannes bent… of een echte knokker.”
Mijn vingers omklemde het slaghout, bloed trok weg uit mijn knokkels, maar ik beheerste me. “Een inwijdingsritueel. Het is een fucking inwijdingsritueel.” Ik legde het hout naast me neer, maar hield het onophoudelijk in de gaten. Je wist maar nooit.
“Een noodzakelijk kwaad zou je kunnen zeggen. Sommigen spreken van ‘ontgroening’. In het verleden hebben we duur betaald voor ongeschikte nieuwkomers. Je hebt de puzzel op de juiste manier opgelost. Pak de leider en je hebt ze in principe alle drie bij hun kloten.”
Hij strekte uitnodigend zijn arm. Ik mocht hem wel, ondanks het voorafgaande. We zouden vrienden kunnen zijn.
“Oké dan,” en ik accepteerde zijn uitnodiging.
“Mijn naam is Balsam,” zei hij, “de meeste leden van onze nederzetting gebruiken hun burgerlijke namen niet meer, omdat ze die veelal zijn vergeten. Je vergeet kennelijk nogal veel tijdens je overtocht naar deze plek… onze wereld… Octagon. Misschien worstel je met de nodige twijfels en vraag je jezelf zonder ophouden af waarom je je zo verdomd weinig kunt herinneren. Nou… Je staat niet alleen.”
Inderdaad staarde ik glazig naar Balsam en trachtte mijn naam voor de geest te halen. Zoals zoveel vormde ook dat een diep gapend zwart gat in mijn geheugen.
“Jij heet vanaf nu Spijker,” zei de ander, die tot dusverre had gezwegen “Ik ben Stratego.”
“Goed. Nu we alle beleefdheden hebben afgehandeld, mag je uitleggen wat dit voor een vervloekte apenkooi is.”
“Eerst gaan we eten, beste Spijker. Je zult wel wat lusten, lijkt me.”
Het was een vreemde gewaarwording. Ik sprak met twee kerels, gekleed in vodden, die weinig of geen herinneringen koesterden aan een lang vervlogen wereld. Ze wisten dat er vroeger iets anders had bestaan, omdat deze merkwaardige plek alle sporen droeg van die oude verdwenen wereld. Er had zich hier een ramp voorgedaan… lang geleden… en geleerde bestuurders van de omringende stad hadden op één of ander moment het besluit genomen dit terrein volledig te isoleren. De kooiconstructie die tijdens onze wandeling nu en dan zichtbaar werd tussen hoog opschietende bomen en dicht struikgewas getuigde hiervan. Erg groot kon het nooit zijn, je zag naar alle windrichtingen solide ogende stalen verbindingen omlaag duiken.
Deze mensen moesten een moeilijk bestaan leiden. Een andere mogelijkheid kon er nauwelijks zijn. Bovendien leefden ze dagelijks met de dreiging van uitgehongerde honden en vliegende demonen die wel of niet voornemens waren aan te vallen. Mij hadden ze met rust gelaten en ik wist eigenlijk niet in hoeverre ik daar blij mee moest zijn.
We volgden een slingerend pad dwars door het bos. Er hadden huizen gestaan, lang geleden, oude muren waren klemgezet tussen bomen waarvan ik nooit de moeite had genomen hun namen te leren. Alle tekenen van beschaving werd teruggedrongen door het gestage geweld van opdringende natuur. Voor wetenschappers was dit een geweldig gebied.
Alleen waren er betrekkelijk weinig dieren, nauwelijks vogels, of gronddieren. Ik stelde me voor dat alle eetbare beesten allang waren opgegeten, wilde graag weten hoe deze mensen zich tegenwoordig in leven hielden. Nu en dan verdween er een opstandig krassende kauw tussen de somber neerhangende boomtakken. Regen viel er kennelijk ook heel weinig. De bodem oogde erg droog en stoffig. Mijn voeten waren inmiddels donkergrijs geworden. Gelukkig was het warm.
Vermoedelijk was het hier altijd warm en droog.
Onverwacht stonden we aan de rand van een nederzetting, dorpje, hoewel dit laatste woord wel erg ruim is voor die paar haveloze gebouwtjes. Min of meer geïmproviseerd rond een soort pleintje stonden huizen. Deze mensen gebruikten ze als huizen, maar in de oude samenleving waar we allemaal vandaan kwamen, zouden ze als onbewoonbaar zijn bestempeld. Deels waren die schuren opgetrokken uit steen. Ik veronderstelde dat ze gebruik hadden gemaakt van resten die er waren overgebleven. Daar hadden ze deze nederzetting overheen geplaatst. In het midden speelden kinderen, zwart van het stof en vuil. Volwassenen waren zonder uitzondering bezig, maar onderbraken hun bezigheden, zodra we met zijn drieën in zicht kwamen.
Er ontstond een bijna sacrale stilte. En eigenlijk was het meer ‘ongemakkelijk’.
Balsam nam het woord. “Vrienden en vriendinnen. De maanklok heeft ons een nieuwe metgezel geschonken. Hij heeft zijn waarde bewezen en zijn naam is Spijker.”
We liepen langzaam verder. Mannen en vrouwen begroetten me, gaven een goedmoedig knikje of zeiden ‘welkom’. Ik verwachtte ook niet zo heel veel anders. Balsam ging voor me uit, Stratego verdween in een gammel ogend huisje, maar feitelijk was alles hier even gammel en stond op het punt van instorten.
“Kom, hier eten we,” hij bleef in de deuropening staan, maar ik staarde verbijsterd naar de straatnaambordjes die boven de deur waren vastgenageld.
Oude Vlijmenseweg. Oeterselaan. Baksvelstraat.
“Goeie hemel,” zei ik en de verbijstering moest van mijn gezicht af te lezen zijn.
“Ja,” zei Balsam, “je bent thuis… in Den Bosch met andere woorden…. Mocht je willen weten wanneer… of beter gezegd… welk jaar dit is… Ik heb geen flauw idee. Niemand van ons weet het. En we zijn allemaal op dezelfde manier gearriveerd… Via de maanklok.”
Het was een schokkende ontdekking. Ik scheurde mezelf los van die dreigende straatnaambordjes en begaf me in het halfduister van de woning. Kennelijk bevond ik me gewoon op dezelfde grond waar ik dertig jaar geleden geboren werd. Dit besef maakte het mysterie nog groter. Ik wilde weten wat er was gebeurd, verleden jaar, of desnoods honderd jaar geleden. Er groeide een puberale opstandigheid in me, of drang om alle bestaande zekerheden waarmee Balsam zijn nederzetting had omgeven omver te gooien. Ik haalde diep adem en volgde hem naar binnen.
Er brandde een viertal toortsen. Het interieur bestond uit enkele stoelen, die vermoedelijk tijdens strooptochten bijeen waren gezocht. In deze curieuze wereld stond alles in het teken van functionaliteit. Een geschikte stoel, was een ding waarop je je achterwerk probleemloos neerzette, zodat je niet op een stoffige bodem hoefde plaats te nemen.
“Neem plaats,” zei Balsam. “De kooi en sommige leden van onze gemeenschap spreken over ‘stolp’, heeft de vorm van een achthoek. Vandaar dat we deze plek Octagon hebben gedoopt. Er bestaat een klimaatbeheersing, zoals je wellicht vastgesteld hebt. Misschien zijn je indrukken al te vers, of zo overweldigend, dat je niet goed weet waar je allemaal moet kijken. We kennen slechts één seizoen, het is meestal zonnig en droog. Onze groep telt bijna dertig zielen.”
“Hoe groot is die kooi?”
“Vermoedelijke diameter is een slordige twee kilometer, en begint bij de Stationstunnel, eindigt net voorbij het oude winkelcentrum aan de Oude Vlijmenseweg. We zijn volledig afgesloten van de buitenwereld. Gelukkig krijgen we met enige regelmaat, dus eenmaal per maand, voedselvoorraden via een zwaar bewaakte verbinding met ‘buiten’… dus via de Stationstunnel. Daar is onze toegang.”
“Die voedselvoorraden… een t.h.t.-datum?”
“Nee, worden speciaal voor ons geprepareerd, lang houdbaar en zo. Ze weten dat er een gemeenschap bestaat hierbinnen.”
“Ik begrijp eerlijk gezegd steeds minder van deze plek.”
“Dat neem ik je niet kwalijk.”
Stratego betrad op dit moment de ruimte met etenswaren, een vrouw volgde hem en droeg enkele grote flessen water. Zonder die geregelde leveringen van buitenaf waren deze mensen en ikzelf volkomen hulpeloos. Het was een merkwaardige constructie waarbij je gevangenen van Octagon regelmatig van voedsel voorzag. Ik snapte niet waarom je geen moeite zou doen om diezelfde mensen te repatriëren, evacueren, of wat verantwoordelijke bestuurders gewoonlijk deden in zulke omstandigheden.
“Voordat ik hier terechtkwam,” zei Balsam, “was ik een zware drinker en roker. Dus dat betekende een stevige cold turkey. Na verloop van tijd wen je eraan. Echt. Je zou het nooit denken. Ik zou die eerste dag een moord hebben gepleegd voor een pakje sigaretten of krat bier.”
Ver weg, voorbij de horizon, gloorde er een toekomst voor mij als jager en verzamelaar, net als de stumpers die hier al eerder waren terechtgekomen. Je kwam hier terecht en dat was een enkeltje, geen retour. Daarna moest je maar zien hoe je je redde in dit vervloekte oord.
“Die maanklok brengt je hier,” zo begon ik, “dat is wat je zei. Toch?”
Stratego legde de geplastificeerde verpakkingen neer, potsierlijke herinneringen aan werelden die aan onze waarneming werd onttrokken door een gigantische kooiconstructie. Brood, vleeswaren, kaas, allemaal langdurig houdbaar, zoals de schreeuwerige tekst vermeldde. Misschien zelfs speciaal voor ons gemaakt. Normaal gesproken verliet geen enkele verpakking zonder t.h.t.-datum de fabriek.
“Niemand weet hoe die maanklok functioneert. Hij brengt mensen hierheen. Dat denken we tenminste. Er is geen andere redelijke verklaring.”
De vrouw plaatste heel zorgvuldig alle flessen water, één voor één, in het grijze stof. Vervolgens verontschuldigde ze zich en liet me alleen met Balsam en Stratego.
“Tot voor kort hadden we een grotere groep,” zo begon Balsam zijn verhaal, “maar die gevleugelde demonen zorgden ervoor dat we onze organisatie moesten veranderen.” Er volgde een cynische grom. “Die ellendelingen pikten ons vreten… voordat we het in veiligheid konden brengen… Volgens Stratego wilden ze ons laten sterven van de honger. Dat is bijna gelukt. Daarna heeft een kleine groep zich afgescheiden van de hoofdmacht en verblijft nu in de omgeving Stationstunnel. Ze reguleren alle voedsel en drank die via de poort binnenkomt.” Balsam scheurde ongeduldig een half brood open, en keek ondertussen veelbetekenend in mijn richting. “Ga je gang. Eet. Je moet honger hebben. Kan bijna niet anders.”
Hij nam twee boterhammen en pakte een pakje boterhamworst.
Ik probeerde me voor te stellen welke chemicaliën er toe moesten zijn gevoegd, zodat dit spul in deze klimatologische omstandigheden eetbaar bleef. Of er was hier ergens een soort koelkast, een kelder waar veel lagere temperaturen heerste dan buiten.
“Wat zei je vriend Stratego van die opsplitsing?”
“Ik was er niet echt blij mee, omdat je zo twee apart functionerende groepen creëert. Straks moet je ‘alsjeblieft’ zeggen als je mee wilt eten.”
Langzaam knikte ik, terwijl mijn vingers een beetje onhandig twee sneetjes brood uit de verpakking opviste. Dat klonk allemaal heel logisch en redelijk. Toch liet je daarmee willens en wetens een bijzondere situatie ontstaan.
“Je moet begrijpen dat deze wereld… Octagon… zoals je misschien al wel zult vermoeden… niet gecontroleerd wordt door mensen. Die vliegende demonen… en je hebt al kennis gemaakt met één van hun vertegenwoordigers… beheersen het hele gebied. Dichte begroeiing maakt het gecompliceerder, omdat ze moeilijk voorbij bomen en struiken kunnen komen. In het Tunnelgebied hebben die jongens vrij spel. Geen bomen. Geen struiken. Er zijn nog wat laatste restanten van flatgebouwen en zo, maar dat is ook alles. Verleden maand telde de Tunnelgroep acht zielen, nu zijn het er nog maar vijf. Ze krijgen het beslist niet cadeau.”
“De laatste tijd hoor je een nieuwe naam voor die wezens rondzingen,” zei Stratego, “venator… of venators… Latijns voor ‘jager’. Ze spelen graag met hun slachtoffers. Wanneer je alle zieke eigenschappen van een sociopaat in één akelig roofdier zou stoppen, krijg je een venator. Erger dan mensen. Ze moorden vanwege de kick. Niet eens voor het eten. Volgens mij zijn de venators de reden geweest waarom de overheid die kooiconstructie heeft gebouwd. Ze zijn onkwetsbaar. Een simpele kras is voldoende om een slachtoffer serieus te besmetten.”
Mijn boterham bleef halverwege hangen. “Wat gebeurt er dan?”
“Je verandert in een venator. Dat is de periode die je moet gebruiken om het slachtoffer te doden, want als je het daarna nog moet doen, is het onmogelijk.”
“Je verandert, net als zombies.”
“Net als zombies inderdaad, maar dan intelligent… snel… georganiseerd en onkwetsbaar.”
“Vertel eens… Waar komen die smeerlappen vandaan?”
“Niet bekend… helaas… ook al gaan er enkele vage verhalen en die hoor je vast wel een keertje, maar ik ga nu geen tijd en energie verspillen aan speculaties. Je moet om te beginnen de feiten weten. Een gedeelte hebben we je inmiddels verteld. Waar die rotkrengen vandaan komen is niet eens relevant, hoewel ik begrijp dat de vraag je interesse heeft.”
Ik snapte zijn bedoeling. “Hoelang duurt het voordat ze een weg naar buiten hebben gevonden? Weg uit Octagon.”
“Precies. Weg uit Octagon. Hallo Aarde.”
“Een horrorscenario.”
Balsam greep onverwacht mijn hand vast. “Weet je. Misschien vormt dat wel de enige reden waarom we hier zijn samengebracht. Om de venators te stoppen. Verdelgen. Vernietigen.”
Er flitste een herinnering door mijn hoofd. “Doe me een lol, zeg. Ik bedenk verhalen en schrijf die dingen op. Er is zelfs nog nooit iets van me uitgebracht.” Dit laatste was overigens niet helemaal waar. Een uitgever had net een boek van me geaccepteerd.
“Een onconventionele fantasie kan helpen,” zei Stratego, “misschien leven we hier al veel te lang. Er is al van alles geprobeerd.”
Balsam boog bedachtzaam achterover en bekeek mijn gezicht langdurig. “Joh, nu herken ik je. Jij bent die vent van dat boek… ‘Verlaten Aarde’… Spoorloos verdwenen tijdens een avondje stappen. Iedereen dacht dat je was verzopen of zo in de Dieze, opgevreten door eeuwenoud slib. Met je zatte harses in het water geflikkerd. Kijk, de voorzienigheid heeft geen medelijden met bekende figuren.”
“Mijn boek is nog niet uitgegeven. Er is alleen een intentieverklaring.”
Ik antwoordde niet. Ondanks alles bestonden er veel meer herinneringen dan Balsam en Stratego me wilde doen geloven. De leider van dit volkje herkende een schrijver, een man die zijn eerste boek nog moest uitgeven. Misschien was dit wel de meeste schokkende mededeling tot nu toe. We waren niet allemaal afkomstig uit hetzelfde tijdperk. Misschien moest Balsam nog geboren worden, toen ik mijn boek schreef. In dat geval kon hij veel meer weten van die kooiconstructie.
“Je bent niet alles vergeten, herinnert je wel degelijk bepaalde details.”
Balsam knikte bevestigend, evenals Stratego, die een fles water opende.
“Nee… inderdaad… er zijn flarden achtergebleven, onbelangrijke details, irrelevante feitjes… van die bezopen kennisfeitjes waar je geen donder aan hebt.” Hij formuleerde zijn zinnen met een zekere wrok, die ik heel goed begreep. Je wilde immers begrijpen hoe je in zo’n merkwaardige, vervallen postapocalyptische omgeving was terechtgekomen. “Ik dacht je meteen al te herkennen, dus toen je met die vervloekte honden bezig was.” Stratego overhandigde hem de waterfles en Balsam nam enkele stevige slokken.
“Hoeveel jaar na mijn verdwijning?”, vroeg ik, want hij moest het gewoon weten. Balsam zou nauwkeurig antwoord kunnen geven op mijn vraag. Dat hoorde bij de herkenning. Ik was immers een bekende Nederlander.
“Jaartje of tien, denk ik. Weet het niet zo goed… Kan ook veel langer zijn. Lijkt een beetje alsof het grootste gedeelte van mijn geheugen thuis is gebleven. Mensen komen beschadigd in Octagon. Vergeet dat nooit. Er zijn burgers hier die helemaal niets meer weten… alles kwijt zijn.”
Dankbaar accepteerde ik de inmiddels halflege fles en bedacht dat die twee kerels mij onderaan hun zelfgeschapen sociale ladder plaatsten. Als nieuweling zouden ze me die fles eerst moeten hebben aangeboden, gewoon uit beleefdheid. Kennelijk bestonden dergelijke conventies niet meer in deze gemeenschap. Een paar kinderen waagden zich binnen, die ogenblikkelijk weg werden gejaagd door de vrouwen.
Ook zo’n verandering, bedacht ik, er lag hier een duidelijke taakverdeling. Het zou me weinig verbazen als de mannen zich uitsluitend met verdedigen van deze nederzetting bezighielden. Er leek sprake van een traditionele rolverdeling. Misschien was het toevallig zo ontstaan afgelopen jaren. Ik dacht dat vrouwen een te kostbaar bezit waren voor een primitieve samenleving zoals deze om actief mee te vechten. Vrouwen werden zwanger en brachten negen maanden later gezonde kinderen ter wereld.
Terwijl het koele water in mijn mondholte kolkte, vroeg ik me af wat deze mensen zouden doen met gehandicapte kinderen. Primitieve gemeenschappen stonden niet echt bekend vanwege hun sociale houding. Nutteloze nakomelingen werden in oude culturen altijd geofferd aan de wilde dieren.
Ik had hier sinds mijn aankomst alleen gezonde mannen, vrouwen en kinderen gezien, hoewel ze zich zo te zien niet dagelijks wasten. Er was geen water voor spilzieke culturele afspraken, zoals jezelf reinigen.
“Die dingen… Kom… Hoe noemde je ze daarstraks ook alweer?”
“Venators.”
“Zijn die smeerlappen vleeseters?”
“Yep… vlees en bloed… een feestmaaltijd,” zei Balsam zonder een spoortje ironie in zijn stem.
“Inderdaad, en ze spelen met hun eten, echt… een akelige gewoonte.”
Ik maakte me geen enkele illusies over de hoogstaande culturele normen en waarden van deze groep mensen die fanatiek vochten voor hun bestaan. Ze kregen eten via het Tunnelvolk, dat alles in ontvangst nam en bewaakte, beschermde tegen destructieve venators.
“Kom… ik moet je nog iets laten zien,” zei Balsam, en zijn stem klonk nu erg rustig. Hij kwam langzaam overeind. “Je zit boordevol vragen over Octagon. Ik kan je talloze verhalen vertellen over deze wereld en het blijft toch allemaal een beetje abstract. Zo gaan die dingen nu eenmaal. Met een simpel voorbeeld verhelder ik het grootste deel toch wel aardig.”
Stratego glimlachte, ik vond die glimlach in eerste instantie nogal cynisch, maar vermoedelijk bedoelde hij het wel oké.
Eenmaal buiten wees hij de richting die we gingen volgen. Balsam zag mijn verbazing, omdat het de bedoeling was dat we teruggingen waar we eerder vandaan kwamen. Kinderen speelden weer onverstoorbaar, zonder enig rumoer. Ik wilde hier geen negatieve ideeën bij denken, maar zou dat makkelijk hebben gekund.
Stratego bleef achter in het dorpje, zijn rol was voor dit ogenblik uitgespeeld.
Binnen enkele meters omsloten hoog opgeschoten bomen en struiken ons opnieuw, terwijl Balsam geroutineerd het smalle kronkelende pad volgde. Hij sprak erg weinig tijdens deze wandeling… Of nou ja… ‘wandeling’… vermoedelijk was dit een net iets te gewone uitdrukking voor het dagelijks leven in Octagon. Opnieuw zag ik die regelmatige, bijna ziekelijke tic… dat hoofd ging heel eventjes achterover en hij tuurde naar de blauwe lucht die tussen boomtakken zichtbaar werd.
Natuurlijk herkende ik nog helemaal niets. Op het allerlaatste moment herkende ik de plek waar Balsam en Stratego zich hadden verscholen voor de venator en die honden. Ik wilde direct verder lopen, maar Balsam hield me tegen.
“Wacht even. De reden waarom ik je heb terug gebracht naar deze plek… is niet zo makkelijk onder woorden te brengen.” Balsam bleef halverwege zijn zin eventjes steken. Tijdens dat ene moment hoorde ik een eindje verderop het hese keffen van enkele pups. Misschien was hij afgeleid. “Je hebt een specifiek beeld van de werkelijkheid.” Er danste voor het eerst een grijns rond zijn lippen. “Moet je vergeten. Niet alles wat je ziet is namelijk echt. Vroeger was dat uiteraard wel zo… vroeger… toen je nog met je vrienden lekker op kroegentocht was… in Den Bosch.”
Balsam trok enkele takken opzij, liet me staren naar datzelfde tableau als daarstraks, toen drie honden me wilden klaarmaken voor de lunch. Ik zag diezelfde pups weer spelen op de puinhopen van vroegere woonhuizen, volwassen honden waren in hun nabijheid en hielden aandachtig in de gaten wat er gebeurde. Eerlijk gezegd begreep ik geen moer van Balsams opwinding. Hij was echter niet van plan voor te zeggen wat ik overduidelijk en meteen had moeten zien. Het duurde in mijn geval alleen een tijdje.
“Die ene hond… hun leider… ik heb het beest gedood,” er lag een onvoorstelbare verbijstering in mijn stem.
“Juist.”
Het duurde bijna een volle minuut of zo.
De hond die ik had gedood met die tafelpoot en roestige spijkers, het dier had daar op een heuvel moeten liggen, bovenop die slordig bij elkaar geveegde stukken steen, beton en bouwmaterialen afkomstig uit een vervlogen tijdperk. Hij was weg. Compleet verdwenen.
“Die beesten ruimen hun doden toch niet op? Of worden ze opgevreten? Dat zijn toch geen aaseters?”
Onder normale omstandigheden was mijn verbijstering uiterst amusant geweest.
“Je moet beter kijken, Spijker. Je bent schrijver, hebt een boek geschreven, je moet kunnen observeren. Dus…. Observeer!”
Het duurde erg lang voordat mijn hersenen registreerden wat Balsam in feite bedoelde. Natuurlijk ontbrak er een nog warm lijk, het dier dat ik daarstraks gedood had.
Tevens koesterde ik me geen illusies over kannibalisme onder honden, met name als een roedel voortdurend op de rand van hongersnood balanceerde. Zelfs mensen waren vroeg of laat bereid het vlees van hun overledenen te eten mits de nood hoog genoeg was.
Er zouden stoffelijke resten moeten zijn overgebleven, afgekloven botten, rood gekleurd gras of steen.
Op zeker moment richtte een reu zich vermoeid op, enkele pups kwamen stoeiend dichterbij, maar hij veegde ze achteloos terzijde. Nog steeds weigerde mijn brein te geloven wat ik zag.
Dat dier leek sterk op de leider die ik bijna een uur geleden dood geslagen had. Ik zocht tevergeefs naar de juiste woorden, schudde het hoofd en keek naar Balsam. Hij veranderde zijn neutrale gezichtsuitdrukking in een valse grijns. “Niet alles wat je ziet is echt.”
Opnieuw staarde ik naar de ongenaakbare en onkwetsbare leider. Er groeide twijfel. Ik vroeg me af hoe ik me zo sterk kon vergissen.
Het grote dier inspecteerde arrogant zijn territorium.
“Zie je… die honden… zijn helemaal geen echte honden. O, vergis je niet… Zijn ongelofelijke gemene krengen, hoor. Ze bijten je strot af als de kans zich voordoet. Bovendien komen ze altijd weer terug.” Hier pauzeerde Balsam eventjes. “Die honden zijn in werkelijkheid elektronische projecties, holografische illusies, een wonder van moderne techniek. Ergens, en niet zo heel ver hier vandaan, manipuleert iemand deze dingetjes die sprekend op herdershonden lijken.” Gedurende een enkel ogenblik liet hij de takken terugvallen, zodat de visuele connectie tussen ons tweeën en die honden werd verbroken. “Iemand vindt het weinig of geen probleem onnoemelijk veel energie te spenderen aan deze circusattractie. Er is slechts één verklaring die ik kan bedenken. Voorkomen dat iemand van buitenaf ons gebied binnendringt, of hier vandaan ontsnapt. Begrijp je me? Die dingen moeten ervoor zorgen dat we blijven waar we zijn.” Opnieuw trok hij de takken naar beneden. Er waren slechts enkele seconden voorbij gegaan, maar het tafereel had zich hersteld, of eigenlijk gereset. Die honden reageerden op onverwachte gebeurtenissen.
“Holografische projecties,” ik sprak opzettelijk elke lettergreep heel langzaam uit, zodat mijn ongeloof verduidelijkt werd.
“Jazeker,” zei Balsam.
Ik vond het erg vermoeiend allemaal. Zoals je een dergelijk avontuur alleen maar kon betreuren wanneer je er buiten je schuld om middenin zat. Er ontstond een nieuwe onweerstaanbare drang naar huis, heimwee dus eigenlijk. Ik staarde hoofdschuddend opzij. Balsam reageerde niet of nauwelijks en verontschuldigde zich amper voor de situatie.
Holografische projecties, agressieve dieren, moordlustige beesten, die een specifieke opdracht hadden meegekregen van hun onbekende opdrachtgevers en bedenkers. Ik geloofde opnieuw dat mijn alcoholdroom nog altijd voortging. Dit was helemaal niet echt.
In mijn ogen mocht je dit nooit anders dan een apenkooi noemen, speeltuin voor volwassenen die getroffen waren door een curieus noodlot. Iets, of iemand had ons allemaal losgelaten in deze onbekende vijandige wereld. Elektronische monsters, holografisch geprojecteerde honden, onwerkelijk en tegelijkertijd dodelijk echt, bevolkten dit universum. Balsam wekte de valse indruk dat er zoiets als controle bestond. Ik vond dat een verkeerd idee, omdat je nooit zeker wist wat je voorbij de volgende bocht te wachten stond. Als toerist was ik altijd een hele slechte, omdat ik niet zo best met onverwachte gebeurtenissen kon omgaan… tijdens vakantie. Het liefst reed ik ’s ochtends eerst langs de garage voor een extra check voordat de lange opwindende tocht naar het zuiden aanving. Ik gaf als eerste toe een perfectionist te zijn, een handige eigenschap voor schrijvers.
Balsam liet me meer zien dan enkele stoeiende pups en oplettende volwassen honden. Hij toonde dat deze wereld, Octagon geheten, een onvoorspelbare plek was. De veiligheid van mijn oude wereld lag achter me. Hier golden andere regels. Vrouwen vormden een belangrijke verzekering, zorgden voor nageslacht. Moesten baby’s zogen, kinderen groot brengen, terwijl mannen hun leven waagden om gezinnen te beschermen. Die antieke rolverdeling zou vijandige reacties oproepen indien journalisten achter veilige beeldschermen een vergelijkbare opinie moesten neerschrijven. Antieke beschavingen waren nooit feministisch en dat was zuiver uit lijfsbehoud. Zodra je je vrouwen liet meevechten, verminderde de kans op herstel van je macht na een vernietigend slecht verlopen oorlog. Uiteraard wist ik dat helemaal niet zeker, maar het leek me een redelijke veronderstelling.
“Vechten jullie vrouwen mee tegen de venators?
Balsam schudde ontkennend zijn hoofd. “Jij begrijpt dat toch wel, denk ik?”
“Het zal je weinig helpen, Balsam, als je nederzetting dreigt te bezwijken onder een aanval van venators.”
“Da’s ook waar.”
Balsam ging voorop, maar in plaats van de snelste weg terug naar het dorp te nemen, koos hij een nog smaller en kronkeliger pad, een paadje eigenlijk, dat tussen dreigend overhangende bomen leek te verdwijnen. Zonlicht ging schuil achter dicht bladerdek. Er heerste een volmaakte stilte. Geen vogels. Geen geritsel van gronddieren. Geen zacht ruisende boombladeren. Alleen onze eigen voetstappen die nu en dan takjes doormidden braken.
Soms leek het alsof Balsam opzettelijk zijn voet op zo’n takje zette. Ik keek links en rechts zag brokstukken steen en beton gevangen tussen bomen die er sinds vele tientallen jaren ongehinderd konden groeien. De natuur had weinig respect getoond voor de huizen die mensen ooit een veilig heenkomen hadden geboden.
Balsam wees een auto aan, rechts van ons een rode Suzuki, links stond een blauwe Opel.
“De grens van wat wij als ons territorium beschouwen. Daarachter ligt het domein van de kalkhuiden.”
Hij sprak op gedempte toon alsof die geheimzinnige kalkhuiden meeluisterden. Mijn gezichtsuitdrukking moest zowel verbazing als afschuw hebben verraden. “Voor het geval dat je bent gaan denken dat al het gevaar uit de lucht komt. Of dat elektronische honden ons grootste gevaar zijn. Behalve venators zijn er nog andere wezens meegekomen uit die andere wereld.”
Balsam legde zijn hand vaderlijk op mijn schouder en beduidde me mee te komen. De autowrakken markeerden een duidelijke grens die we niet mochten overschrijden.
Ik bleef een halve stap achter Balsam stilstaan en staarde in het eeuwige schemerduister – waarschijnlijk zocht hij naar een of twee van die kalkhuiden die zich hier verborgen. Ik had geen idee waar ik nou eigenlijk bang voor moest zijn, maar uit de houding van Balsam sprak veel angst die mij inmiddels ook te pakken had gekregen. Zijn ogen gleden zoekend langs bomen en struiken, zijn oren probeerden het minste geluid van hun aanwezigheid op te vangen.
Voorlopig gebeurde er helemaal niets. Ik voelde me een toerist die van een jager op groot wild een uitgebreide rondleiding kreeg, de naïeve toerist aan wie de gevaren van de jungle werd uitgelegd. Voorlopig zag ik helemaal niets.
Balsam stak twee vingers op en wees aan waar ze stonden.
Nu zag ik ze ook… mensachtigen… veel anders kon ik ze echt niet noemen… mensachtig… met relatief grote kale koppen en gitzwarte ogen en uitgerekte spitse oren… Hun huidskleur leek eerder grijs dan wit… lippen vormden brede op elkaar geperste blauwe strepen en een enkele keer ontblootten ze dreigend hun vlijmscherpe gele tanden… en misschien vulde mijn al te levendige fantasie dit laatste detail alleen maar in.
“Ze zijn de vampiers die volgens ons eigen volksgeloof nooit hebben bestaan,” zei Balsam, “fanatieke knechten van de venators… schaakstukken die door hun meesters in beweging worden gezet… ze doen niks uit zichzelf.”
Hun aantal bleef niet beperkt tot de twee afwachtende gestalten van daarnet. Overal verschenen er kalkhuiden, maar ze bleven aan hun kant van de grens. Het was erg bedreigend, vervulde me van angst, omdat ze zich als een virus leken te vermenigvuldigen. Tenslotte stonden ze over de volle breedte van hun territorium.
“Dienaren van de nacht… ze zijn talrijk… als mieren in een mierenhoop… bijen in een bijenkorf… goed georganiseerde meedogenloze moordenaars… door hun massaliteit levensgevaarlijk… een onoverwinnelijk leger als je hun macht combineert met de koele berekening van de venators.”
“Mijn God.”
“God zal je niet helpen als die wezens besluiten ons aan te vallen. God en zelfs de duivel moeten de mensheid te hulp komen als die krengen ten aanval overgaan en door de barrière van de kooi heenbreken.”