Categorie archief: korte verhalen

lekke banden

Oké – de gewoonte mijn fiets te stallen in de hal van mijn flat lijkt een beetje gek, vooral als je bedenkt dat ik een berging heb, maar is geboren uit baldadigheid. Ik woon namelijk in een flat zonder lift, vierde verdieping en dat is alleen handig als je geen bezoek wenst.

Medebewoners zien me wel altijd met fiets op de schouder omhoog lopen en zeggen dat ik mijn fiets in mijn flat bewaar uit angst voor diefstal. Er wordt erg veel ingebroken in mijn buurt, ook al heeft dat er helemaal niks mee te maken.

Ik ga namelijk fietsend naar beneden. Dat is wat ik zojuist bedoelde met baldadigheid.

Er moeten natuurlijk wel eens mensen opzij springen, maar meestal kom ik lachende studentes tegen die er de lol wel van in kunnen zien. Het is een sport.

Na de eerste keer had ik enkele blauwe plekken op mijn lijf, maar al snel werd de behendigheid groter en voelde ik me een topper op dit terrein.

Afdalen is een kunst, zeker als je er enkele trappen voor moet overwinnen. Omhoog vind ik geen echte overwinning. Omlaag wel. Ik had werkelijk nooit gedacht dat dat zo’n ongelofelijke kick zou kunnen geven, een adrenalinerush zonder weerga.

Een oefening in fysieke beheersing.

Soms stond er een medebewoner op de trap die ik vervolgens heel mooi wist te ontwijken, al drukte die persoon zich tegen de trapleuning en hoorde ik een verdieping later nog zijn stem die allerlei ondenkbare scheldwoorden voortbracht.

Ik heb het vier of vijf keer gedaan voor het me begon te vervelen. Er lag geen uitdaging meer. Een trappenhuis zoals in mijn flat is natuurlijk een mooi begin. Ik wilde meer, veel meer.

Geen keurige overzichtelijke trappetjes die in een veilig patroon mensen binnenshuis brachten – of juist buiten op straat; stukje omlaag, gevolgd door een vlak gedeelte en dan  opnieuw naar beneden. Er was geen enkele diepte, ik zocht een trap die in één eindeloze lange baan voor me zou liggen, zodat mijn maag bijeen werd geknepen.

Het station in mijn woonplaats bood me die trap.

Eén lang recht stuk, brede grijze treden met witte stippen, twee leuningen die meters uit elkaar lagen.

Hier moest ik mijn fysieke mogelijkheden kunnen testen. Dit was zo’n trap waar ik niet alleen met wat blauwe plekken zou neerkomen. Deze trap was een bottenbreker.

Bovenaan de trap keek ik eerst zorgvuldig om me heen om te checken of er ergens stiekeme camera’s konden zijn, van die zwarte glanzende bolletjes die Grote Broer gebruikt om ons te controleren. Ze waren er niet of ik kan ze niet vinden.

Links lag het theater, mijn speelveld baadde in licht, ik waande me op een podium, gadeslagen door vier jongens uit New Jersey. Ik zag een uitnodigende diepte, een mooi, groot plein, een restaurant dat zijn deuren allang gesloten had, enkele verlaten trams met uitgedoofde lichten. Er hingen wat mensen rond die aan mijn aandacht wisten te ontsnappen.

Het voorwiel viel over de rand, ik speelde ietwat verkrampt met de remmen en liet mijn fiets eerst langzaam naar beneden rollen en vervolgens steeds sneller. Halverwege de trap hoorde ik een stem: “Hé mafkees!”

Ik negeerde hem en ging verder. Mijn vingers ontspanden zich. Wielen rolden botsend over treden tot ik de begane grond had bereikt.

Echt – een geweldige kick.

Ik stopte voor de ingang van het theater en keek om.

Een paar jonge kerels, voor in de twintig, verkeerden in kennelijke staat. Blijkbaar wekte mijn sport agressie op – zoals die vent in de flat die vloekend was achtergebleven.

Het maakte me niks uit dat die gasten me uitscholden voor kankerhomo. Ik liet ze achter en ging naar huis.

Het was mooi geweest en ik had geen behoefte om in elkaar getrapt te worden door een paar zuiplappen.

Dwazen. Ik heb zulk soort mensen nooit echt goed begrepen.

Twee dagen later hing er een briefje in het portiek gericht aan mij persoonlijk. Ik was vereerd, al stond er ‘beste meneer de fietsende randebiel’.

Schrijver van het briefje wilde graag dat ik een andere hobby zou nemen, dus iets anders dan fietsen in het trappenhuis, aangezien trappenhuizen daar niet voor zijn gemaakt en ‘fietsen deedt men nu eenmaal op een fietspad’.

Het briefje bulkte ook nog eens van de taalfouten.

Ik heb er dus later onder geschreven dat hij eerst zijn taal moet leren. Volgende dag was het briefje weg.

Natuurlijk bleef ik naar nieuwe uitdagingen zoeken, maar het was erg moeilijk geschikte nog langere trappen te vinden die als parcours konden dienen.

Wel ben ik dikwijls teruggekeerd naar het station, omhoog via roltrap of lift en denderend over die brede trappen omlaag en het liefst zo snel mogelijk. Het is doodsimpel als je eenmaal weet hoe je het moet doen.

Ook heb ik vaak gedacht aan bergen, een wintersportgebied, maar dan tijdens de zomermaanden, zonder al die gore sneeuw. Ver weg, heel saai, honderden kilometers voor een akelige steenpuist die uit de aarde omhoog steekt.

Een vriendin van me raadde het aan.

Risico’s genoeg, snelheid bracht immers altijd gevaar met zich mee, aangezien de menselijke zintuigen er niet voor waren ontworpen.

Misschien heeft ze wel gelijk, hoor, maar ik heb er gewoon geen zin in.

Om die ene specifieke reden heb ik een lijstje opgesteld van gebouwen met hoogteverschillen zoals bijvoorbeeld een voetbalstadion. Een collega van me werkte in een voetbalstadion en wilde me best wel een keertje binnenloodsen, zodat ik mijn stunt kon doen. Erg opwindend werd het niet, want die trappen waren nog luier dan die van het centraal station.

Voor die collega was het wel spannend. De stunt stond op film, haalde zelfs de media en bezorgde hem een langdurige schorsing.

Ik geloof niet dat hij er slapeloze nachten aan over heeft gehouden.

Hij bleef erg vrolijk reageren als we elkaar tegenkwamen op de werkvloer – en zijn vrouw noemde zich sinds kort een fan.

Een journalist vroeg me wat mijn doel nou eigenlijk was en ik begon over de ultieme kick.

Ik probeerde me het hoogste gebouw in Nederland voor te stellen, beginnend op het dak en dan fietsend naar beneden maar wel zo hard mogelijk. Niet eens de moeilijkheid van het parcours, de uitputtende lengte zorgde voor een opgewonden uitdaging.

In de tussentijd bleek een oude vriend van me ook belangstelling te tonen voor fietssnelheid. Hij heette Jules – uitgesproken op zijn Engels, dus ‘Djuuls’.

We waren geestverwanten en zochten voortdurend naar nieuwe ideeën. Hoge gebouwen, openbare gebouwen en niet alleen maar die ene hoge flat langs de Admiraal Helfrichlaan.

Fietsend naar beneden, zo snel mogelijk. Wie aarzelt, is een mietje. Een sukkel. Er kon niks gebeuren.

We kwamen overal binnen, letterlijk overal, want iedereen doet uiteindelijk open, omdat mensen te belazerd zijn om verder te informeren. Sleutels vergeten, een vriend verrassen, ja,  probeer maar eens smoes te bedenken die we niet hebben gebruikt.

Zelfs kantoorgebouwen en we ontdekten dat veel bewakers goedgelovige dwazen zijn die letterlijk elk verhaal willen geloven, zolang ze maar lekker naar hun tabletjes konden blijven gluren.

We voelden onszelf prinsen, Jules en ik.

Zo’n suffe bewaker kletsten we omver in de hoop dat hij ons toestemming gaf met fietsen op de schouder het gebouw te betreden – identificatiepasjes lagen thuis en sloten voor onze fietsen hadden we nu eenmaal niet – mijnheer.

Vooral dit laatste woordje mocht je nooit vergeten: ‘mijnheer’.

Heel belangrijk: je moet mensen belangrijk kunnen maken, belangrijker dan ze ooit zullen zijn.

Dan kom je bijna overal binnen. Ook moet je je flauwste grapjes gereedhouden. Met een beetje humor gaat bijna elke deur voor je open. Alsjeblieft geen kwetsende cynische humor!

Die jongens zijn heel erg gevoelig, moet je weten. Ik heb erg veel geleerd over mensen in die periode.

Het is de mooiste tijd van mijn leven. We wisten het heel zeker, Jules en ik, er kon ons niks gebeuren.

Maar Jules had zich een vriendinnetje gescoord, een lief onschuldig meisje met eenvoudige verlangens, een breister.

Ik vreesde direct het einde van onze alliantie, zo vergaat het namelijk de meeste bondgenootschappen. Zodra er een meisje verschijnt, groeit de behoefte aan een zekere vastigheid, rust en regelmaat, vermijden van risico’s.

Het is een natuurlijke en volkomen begrijpelijke toestand die ik haat.

Tot dan toe genoten we allebei met volle teugen van de relatieve nutteloosheid van ons dagelijks leven.

Geen verleden of toekomst, alleen een grenzeloos heden.

We maakten filmpjes van onze avonturen die op internet werden bekeken en zeiden dat we de meest onbekende beroemde personen van dat moment waren.

Natuurlijk werd het stukken moeilijker om ’s avonds gebouwen binnen te dringen. De bewakers hadden verhalen gehoord over twee fietsende mafkezen.

Ze hadden ons zelfs gezien op bewakingsbeelden.

Die kerels lieten zich moeilijker bespelen. Ze hadden gerichte instructies gekregen, ons speelterrein bleek bekend te zijn, dus besloten we een iets andere aanpak.

Jasje-dasje, manchetknopen, gouden dasspeld.

Voor het eerst kon de vriendin er hartelijk om lachen, toen we op onze fietsen stapten en wegreden.

Ons uitgangspunt luidde als volgt: een winkeldief in rafelig T-shirt en versleten spijkerbroek wordt bij de deur tegengehouden, diezelfde winkeldief, mits gekleed in keurig pak, mag gewoon weglopen met enkele hippe titels onder zijn arm.

Een oude volkswijsheid, maar geheel en al waar.

De bewaker van een groot handelscentrum zag ons bijna een half uur later binnenkomen. Eerst volgde er een geweldige lachsalvo, tranen rolden over zijn wangen en hij gaf ons vrijwel direct toestemming verder te gaan.

Hij stelde wel een voorwaarde. Géén filmpjes, want daar kreeg hij alleen maar narigheid van.

Oké man. Prima. Een week eerder had die vent ons nog weggestuurd als twee schurftige honden.

Honden van Pavlov, dat wel.

Oké, dus Jules nam de lift, ik de trap, ’parcours verkennen’.

Hij verdween met twee fietsen in de lift en ik probeerde uit te vinden of er ergens nog iets raars in het trappenhuis lag, een bottenbreker.

Die dag was ik de pineut, daarna zou het de beurt zijn aan Jules om de route te verkennen.

Ik verwachtte geen loslopende honden, hoogstens iemand die tot ’s avonds laat had doorgewerkt, hetzij gebruik maakte van zijn veel snellere zakelijke computer om gave spelletjes te kunnen spelen.

We wilden heel zeker weten dat er geen vreemde obstakels op ons parcours waren achtergebleven – neergelegd, zoals Jules een enkele keer opperde.

Ik bereikte de bovenste verdieping na een eindeloos lijkende klim.

Alle deuren zijn doorgaans makkelijk te vinden, omdat er groen oplichtende bordjes boven hangen, behalve die ene, de laatste of eerste, zo je wilt.

Ik duwde de stalen deur open en betrad het dak.

Boven mijn hoofd strekte zich een prachtige sterrenhemel uit, de maan hing lui boven het oostelijk gedeelte van Utrecht.

Onze fietsen stonden netjes tegen een muurtje.

Jules leek zich ergens schuil te houden, ik kon hem zo snel niet vinden, dus ging ik rondlopen en vond hem zittend op de rand van het dak.

Zijn voeten tikten ritmisch tegen de gevel.

Colbertjasje lag enkele meters terug, stropdas hing losjes om zijn hals. Er ontstond een verkrampt gevoel in mijn maag, want Jules oogde alsof hij een reden zocht om te springen – zich te laten vallen.

Ik wil alleen maar lol hebben – weet je wel.

Geen moeilijkheden of zware gesprekken. “Wat is er aan de hand, joh?”, vroeg ik.

Jules keek half. “Ik zit te genieten van het uitzicht – van altijd maar jakkeren en jagen krijg je last van maagzuur.”

Jezus – Wat heb ik daar een hekel aan. Als Jules zo stom begint te ouwehoeren.

“Je hebt toch geen tijd genoemd?’

“Nee – dat weet je.”

Ik ging naast hem zitten, heel voorzichtig, aarzelend, alsof ik nooit last heb gehad van hoogtevrees.

“Heb je nou nooit eens zo’n moment dat je ineens beseft dat je leven ingrijpend gaat veranderen – alles gaat voorbij. Heb jij dat nou nooit… of heb ik dat alleen maar?”

Jules had gelijk, hoor.

Het uitzicht was inderdaad voortreffelijk. Rechts stond de Domtoren, als altijd het trotse centrum van de oude stad. Een bruisende stad vol lichtjes. Een mooie zomeravond. Veel te nauwe straatjes, overvolle cafés, grote aantallen mensen, harde muziek, bier en wijn.

“Geen idee man, ik probeer daar zo min mogelijk over na te denken.”

“Mijn vriendin is een eenvoudig iemand,” zo begon hij uit te leggen. “Ze verbergt niets, de pil ligt gewoon naast mijn scheermes. Het viel op dat ze al een tijdje geen pil meer had gebruikt.” Hij keek opzij en trok een gezicht. “En man – we neuken als konijnen. Echt! Vanaf dag één!”

“Kijkt ze al naar babykleertjes?”

“Ja.”

“Kut.”

“Nou – dat valt wel mee.”

Naast me zat de toekomstige bestuurder van een leaseauto, iemand die ook permanent een mobieltje en laptop in gebruik had, onmisbare gereedschappen die horen bij modern werkvolk.

“En nu?”

“Heb je mijn fiets niet bekeken?”

“Nee. Waarom?”

Echt balen. Twee lekke banden.”


VANGRAIL

De snelweg lag er verlaten bij. Lantaarns waren er bijna niet. De maan verdween regelmatig achter bomen. Puck stuurde zijn auto naar links, het was niet eens zo vreselijk laat, maar hij had een drukke tijd achter de rug. Muziek stond hard aan. Red Hot Chili Peppers. Californication. Hij had een lang weekend voor de boeg, maandag en dinsdag ook vrij. Telefoon stond op ‘stil’, een ideale manier om rustig aan enkele vrije dagen te beginnen.

Een Ford met buitenlands kenteken reed hem voorbij, minstens 170 kilometer per uur, dus die dwaas dacht dat een prent hem nooit zou kunnen bereiken.

De vermoeidheid begon hem al een beetje in te halen. Hij trapte het gaspedaal verder omlaag en passeerde enkele vrachtwagens. Net voorbij een flauwe bocht stuurde hij weer terug en vloekte binnensmonds, omdat hij nu achter een motor reed. Hij hield er niet van, wilde er zo snel mogelijk langs, tikte de richtingaanwijzer omlaag en begon in te halen, wat die motorrijder ook meteen deed. Puck vloekte en niet binnensmonds. Hij overstemde de zanger van de Red Hot Chili Peppers en sloeg op het stuur.

Die vent op die motor begon slingerende bewegingen te maken en Puck vroeg zich af of die mafketel soms een spelletje wilde spelen. De snelweg was geen speelplaats.

Laat gaan, het kerkhof ligt vol met zulke idioten.

De motorrijder keek enkele seconden in zijn spiegel. Puck dacht tenminste dat hij dat deed. Ze loerden naar elkaar. Wat net iets te lang duurde.

Toen kwam die lul met zijn middenvinger.

Gedurende een enkele seconde, meer niet, echt, langer duurde het niet en Puck overwoog of hij die zak in de vangrail zou rijden.

Hij schrok er zelf van en liet het gaspedaal omhoog komen. Puck zette een knop verder naar links waardoor er koude lucht de auto in begon te stromen.

Terwijl hij zijn rust probeerde te hervinden, liet ook die vent zijn snelheid teruglopen.

En opnieuw die ellendige middenvinger.

Puck slaagde er niet eens in te bedenken hoe deze rotzooi was begonnen.

Niet meer dan enkele meters voor hem reed een onbekende kerel op een zware motor die zijn middenvinger naar hem op bleef steken.

Gewoon… gas geven en die lamzak raken… die kutmotor van hem… dan verloor hij zijn evenwicht… en over een uurtje of zo werd die hufter gevonden omdat een agent op zoek was gegaan naar de bestuurder van die gecrashte motor. Puck zou dan zelf allang thuis zijn en die jongens van de politie zouden nooit weten wat er die nacht was gebeurd. Geen camera’s, geen getuigen… Alleen een vent die in foetushouding naast de vangrail lag. Dat was alles.

Ondertussen begon die lul aardig in de stemming te komen. Hij liet zijn snelheid nog verder terugzakken en stuurde naar links – of rechts, als Puck een kans zag die etterstraal voorbij te rijden.

Hij had zijn schuldgevoelens allang achter zich gelaten. Een laatste restje zelfbeheersing weerhield hem ervan het gaspedaal omlaag te trappen en die vent uit de weg te ruimen.

Die hufter vroeg er tenslotte om en Puck had hem nooit iets aangedaan.

Asociale klootzak!

En die motor had ook weer niet zo’n harde klap nodig.

Alleen een tik en die vent lag er naast.

Gewoon een tik…

Dus… jochie… Jij wil spelen? Oké. Dan gaan we spelen.

Puck trapte het gaspedaal met één nijdige beweging omlaag en constateerde meteen dat de motorrijder hier niet echt op had gerekend. Die lamzak bewoog onhandig, ging normaal achter het stuur zitten en draaide de gashendel omhoog.

Net op tijd, want de bumper van Pucks auto raakte hem al bijna.

Het was immers een spelletje. Hij wilde die preut niet meteen in de vangrail hebben. Het mocht best een tijdje duren. De motorrijder creëerde een afstand van bijna tien meter en keek in de spiegel.

Puck drong niet aan. Een achtervolging zou hij verliezen. Zo’n motor was per definitie sneller. Bovendien wilde hij genieten van het spel. Zijn baan had ervoor gezorgd dat hij vanavond een voetbalwedstrijd had gemist, dus dit leek hem wel een aardig alternatief. Een heel leuk spelletje. Dood de bestuurder, heette het. Zelf bedacht.

Eén ding had die motorjongen nu wel geleerd. Geen middenvinger meer opsteken naar die man in die rode Peugeot. Vond de man in die Peugeot niet zo leuk. Het maakte verder geen verschil meer. Voor Puck stond het allang vast wat er met die kerel ging gebeuren.

Die lul zou nooit meer een middenvinger opsteken naar wie dan ook.

Lange tijd gebeurde er niets. Puck zette het volume van zijn autoradio wat zachter. Mick Jagger zong over de wurger van Boston. Er waren nu eenmaal talloze manieren om iemand vroegtijdig aan zijn eind te helpen. Wurgen was er slechts eentje, zij het een methode die enorme krachtinspanning vereiste. Zo’n motor aantikken verliep veel sneller en zonder getuigen bestond er weinig kans op een vervelende nasleep. Het was een snelweg waar iedere bestuurder veel harder reed dan toegestaan, omdat er geen camera’s waren in dit deel van het land.

De motorrijder liet zijn snelheid weer teruglopen. Kennelijk was hij zijn eerste schrik te boven gekomen.

Nu ging het klieren natuurlijk weer verder.

Ja hoor. Middenvinger. Daar is-ie weer. Godverdomme.

Puck legde beide handen op het stuur. Vroeg of laat zou die lul zijn concentratie verliezen. Een auto die passeerde, politie misschien zelfs, die beide kemphanen ogenblikkelijk op de vluchtstrook zou stilzetten. Puck zou zich gedragen als een vriendelijke bijna vijftiger die flauwe grapjes kon produceren over de ontstane toestand. Inderdaad mijnheer, helemaal mee eens, een misverstand, ja. Hopelijk zouden ze niet al te veel aandacht besteden aan zijn bloedeloze samengeperste lippen of felle blik in zijn ogen. Gelukkig was het donker.

Voor die lamstraal maakte het geen verschil. Zijn leven ging vannacht eindigen. Hier op deze snelweg. Politie was er toch niet.

Er waren twee spelers nodig voor een wedstrijd en die reden hier kort achter elkaar. Klaar voor het eindspel. Puck wachtte nog steeds op dat ene ogenblik, een moment van verwarring, concentratieverlies. Auto’s passeerden, maar de bestuurders schenen geen benul te hebben van het spel dat er gespeeld werd. Die motorrijder had geen idee wat hem boven het hoofd hing. Dat hoopte Puck tenminste.

Eén keer ging die zak naast hem rijden. Effetjes in die auto kijken. Wie zat er eigenlijk in die rode Peugeot? Het was wel een geschikt moment, bedacht hij, maar ook gevaarlijk, omdat hij zijn stuur hard naar links zou moeten gooien. In films liep dat altijd goed af, maar de werkelijkheid was stukken weerbarstiger. Dus ging het spelletje verder.

Puck speelde een glansrol als nerveuze automobilist en deed zelden mee aan wedstrijden of spelletjes, omdat hij zich altijd een slechte verliezer toonde.

De motorrijder reed weer voor hem en keek in zijn spiegel.

Puck zag een auto met grote snelheid naderen. Politie. Kut. Dus toch een scheidsrechter. Dat betekende een afkoelingsperiode. Het spel werd afgebroken.

Hij draaide het volume weer omhoog. Het geluid deed nog net geen pijn aan zijn oren. De motorrijder verhoogde zijn snelheid en ging bijna dertig meter voor de Peugeot rijden.

Zie je, agent. Er is niks aan de hand.

Een misverstand, ja.

Ruzie? Wij? Nee hoor. Ik ben moe, heb hard gewerkt en verlang naar enkele dagen thuis op de bank. Geen behoefte aan gedoe.

Sorry voor de overlast, ja.

De politieauto kwam langszij, verminderde vaart. Agent op passagiersstoel keek naar Puck die beminnelijk glimlachend zijn duim omhoog stak.

Nou, sorry jongens, mocht ik de indruk hebben gewekt dat er iets raars aan de hand was.

Puck stelde uiterst tevreden vast dat de politieauto harder begon te rijden en een tijdje naast de motorrijder bleef hangen. Raampje open. Vraag van agent. Alles oké? Man op motor stak zijn duim op. Ja hoor. Alles in orde.

Het ging precies zoals Puck het zich voorgesteld had – als er dan toch bemoeienis van agenten moest komen.

En toch is het spel afgelopen.

Om te beginnen waren die agenten natuurlijk geen kwajongens. Ze hadden het kenteken van zijn auto èn de motor genoteerd. Daar was geen twijfel over mogelijk. Natúúrlijk hadden ze die gegevens opgeschreven. Er gleed een vloek over zijn lippen. Nog altijd raasde de adrenaline door zijn lijf. Alle gegevens waren bekend.

Die agenten kwamen niet toevallig langs.

Het spel was afgelopen.

De politieauto verdween met hoge snelheid in het nachtelijke duister.

Puck begreep dat er zelfs niks met die motorjongen mocht gebeuren, omdat hij in dat geval een hoop zou moeten uitleggen. Hij dacht aan mensen die het tweetal bezig hadden gezien. Er hadden genoeg auto’s voorbij gereden terwijl ze met hun kat-en-muisspelletje aan de gang waren. De schijn zou altijd tegen hem werken. Hij was gezien en zijn kenteken genoteerd, zelfs als hij door zou rijden, zouden ze hem tenslotte thuis opzoeken. Hij zou op zijn minst het een en ander uit te leggen hebben. Puck wist het en zag dat die motorrijder het ook wist. Oké dan, een gelijk spel, je hebt geluk vandaag, kerel.

Uit de speakers galmde nog steeds harde muziek, deze keer was het iemand die beweerde een walrus te zijn. Puck concentreerde zich op de weg. Zijn vermoeidheid begon heviger op te spelen. De ruzie had veel energie gevergd. Hij liet nog koudere lucht zijn auto instromen. Kijk, dat was stukken beter. Straks mocht hij in slaap vallen. Thuis. Op de bank. Nu niet. Hij moest zichzelf thuisbrengen. De motorrijder leek zijn aandacht eveneens voor hem verloren te hebben en richtte zich op het verkeer en de snelweg.

Nog een paar kilometer te gaan. Zo meteen zag hij rechts het eerste bord dat zijn afslag aankondigde. Daarna was het nauwelijks vijf minuten rijden. Einde afrit rechts. Eerste kruising links. Thuis en eindelijk weekend. Effe kijken of de Chinees nog open was en anders bij de Marokkaan binnenwippen, die ging door tot drie uur vannacht. Een mens moest toch wat eten, nietwaar? Waarschijnlijk zou het shoarma gaan worden, weggespoeld met veel bier.

Puck miste bijna dat ene laatste gebaar, maar die motorjongen wilde het blijkbaar zeker weten. Of hij alles had gezien. Een laatste groet aan die ouwe zak in zijn rode Peugeot.

Dus Puck trapte zijn gaspedaal omlaag – tot de bodem en zijn auto schoot vooruit.

De motorrijder reageerde veel te traag of hij probeerde te snel met zijn linkerhand het stuur weer vast te pakken. Hij verloor zijn evenwicht. De motor raakte uit balans en Puck trapte op zijn rem.

Motor en zijn berijder schoven tientallen meters over het asfalt.

Puck deed direct melding van het ongeluk. Dat wel. Hij kon niet anders.

Nee, mevrouw, geen flauw idee wat er gebeurde, maar ineens ging-ie onderuit.

Hij had hem niet geraakt.

Há, hij had die zakkenwasser nooit geraakt..

Niemand kon zeggen dat hij hem geraakt had.

Het was niet zìjn schuld, want hij had hem niet geraakt.

Puck schakelde zijn alarmlichten in, stapte uit en liep langzaam naar de motorrijder.

Het was niet zijn schuld.

Straks, als hij thuis was, pakte hij een biertje op de goeie afloop.

Hij had hem niet geraakt.

 

Jos Smies © 24 september 2013

 

 

 


Kooivoetbal

 

Regels waren er niet. Alles mocht.

Het spel werd gespeeld door twee teams met drie spelers. Een duistere variant op voetbal. Normaal gesproken werd er gespeeld op goed onderhouden grasvelden. Nu waren het duistere achterafstraatjes. Flatgebouwen zonder liften en balkons vormden muren van steen, een perfecte barrière. Auto’s kwamen rond middernacht de wijk binnen, koplampen waren zoeklichten die een kooi zochten. Het adres was kort van tevoren vrijgegeven en daar moest stevig voor betaald worden. Het waren grote bedragen die tevens als inleg dienden.

Kooivoetbal was begonnen in Utrecht, een uit de hand gelopen weddenschap, waarbij er ineens gesproken werd over een paar duizend euro’s. Makkelijk verdiend geld en er waren zes kerels nodig die voetbalden tot er één team met twee punten voorstond. Er was geen scheidsrechter bij de wedstrijden. Niet nodig. Alles mocht immers.

In het begin lag de organisatie bij twee jonge broers. Jimi was de jongen met brains. Hij had het concept uitgedacht; echte kerels, geen jongetjes, maar kérels die durfden te voetballen. Jimi kwam met fluorescerende hesjes. Voetballers moesten bij slechte straatverlichting herkenbaar zijn. Broer Stevie garandeerde zakelijke hardheid, was de man die alles regelde, de uitvoerder, maar nooit iets bedacht. Het succes van de broers trok aandacht, omdat er in zekere kringen snel duidelijk werd dat er een hoop geld viel te verdienen met kooivoetbal.

Een zekere Bering kreeg meer dan gemiddelde interesse voor kooivoetbal. Nooit eerder gehad. Alleen – nu ging het om een hoop geld. Hij was een bekende onbekende in stad. Vrijwel niemand kende zijn echte naam. Waar hij verscheen, vielen gesprekken stil. Hij was hard als graniet, sluw als een duivel. Overdag bestierde Bering een autosloperij. Een ondernemer die geld wilde verdienen en het maakte hem geen reet uit wat hij moest doen om miljonair te worden. Bering zou economie hebben gestudeerd aan de universiteit.

Die avond kregen Stevie en Jimi bezoek van ‘investeerders’, zoals ze zich hadden voorgesteld. Bering bleek de woordvoerder van een drietal geïnteresseerden die de jongens kwamen vertellen dat ze zich uit het spel moesten terugtrekken. Op hetzelfde moment ging een voetballer, die vanwege zijn drugsgebruik bekend stond als Pluisje, hard onderuit en brak zijn onderbeen. Zijn stem doorbrak de relatieve stilte en echode langs verwaarloosde gevels omhoog. Medespelers besteedden geen aandacht aan hem, omdat ze met één punt verschil aan de leiding gingen. Ze konden nog winnen. Straks niet meer. Pluisje bleef liggen en gilde om hulp, maar de poort bleef gesloten zolang er werd gevoetbald. Geen genade voor spelers. De wedstrijd moest doorgaan. Geen regels. Alles mocht.

Buurtbewoners keken achter schaars verlichte ramen toe. Het spel ging verder. Binnen en buiten de kooi. Ietwat geïsoleerd van alle toeschouwers stonden vijf mannen te overleggen. In feite was er helemaal geen sprake van overleg. Stevie en Jimi kregen te horen hoe ze zich chique konden terug trekken uit de organisatie De broers mochten rechtop vertrekken. Ze mochten met gezonde vingers naar huis, hun tanden zouden ze niet uitspugen en kaken bleven ongerept. Het was een zakelijke benadering die de investeerders onder leiding van Bering erop nahielden. Hij hield niet eens van voetbal.

Inmiddels was het flink gaan regenen. Toeschouwers stonden met opgestoken paraplu’s en schreeuwden aanmoedigingen. Pluisje die op het beton lag, kreeg een bal tegen zijn hoofd. Een tegenstander genaamd Baco trapte de bal met buitenkant voet en scoorde. Geen bijdehante actie van Baco. Het was domme mazzel, al zou hij het nooit toegeven. Gelijkspel. Baco draaide zich om, trapte Pluisje hard tegen zijn hoofd en probeerde daarna de bal te vinden in het halfduister. De wedstrijd was alweer verdergegaan.

Regels waren er niet, maar de kooi ging voor aanvang van de wedstrijd op slot. Niemand erin, niemand eruit. Zolang er gevoetbald werd, zou er een speler zwaar gewond kunnen zijn, maar dat zou geen verschil maken. De kooi bleef op slot. Een zeventienjarige jongen die tweehonderd euro kon verdienen bewaakte die poort. Stevie had hem ‘Paolo’ genoemd, want zijn echte naam hoefde hij niet te weten. Spelers moesten het onderling regelen. Het ging om een hoop geld. Bij de eerste wedstrijd werd er gesproken over hooguit 2000 euro. De bedragen waren sindsdien groter geworden. Volgende wedstrijd vond waarschijnlijk plaats in een oude fabriekshal. Meer mensen, dus meer geld. Minder risico dat politie als spelbreker zou optreden. Spelers riskeerden blijvende invaliditeit als ze die kooi binnengingen. Pluisje zou in elk geval nooit meer normaal kunnen lopen. Het was niet zeker of hij met een bedrag van pakweg 7000 euro naar huis zou kunnen gaan. Voldoende om zijn schulden te betalen. Morgen en anders overmorgen zou hij op zoek naar een gewoon baantje. In het slechtste geval lag hij straks berooid in het ziekenhuis. Zijn vriendin moest maar zien hoe ze zich weer ging redden… en gelukkig regende het vannacht, zodat zijn medespelers niet konden zien dat hij huilde. Ze zouden kunnen denken dat hij een mietje was.

“Je kunt het een vijandige overname noemen,” zei Barents, de logistieke manager van Bering. Hij had tot dusverre niet gesproken. Stevie en Jimi begonnen te snappen met wat voor kerels te maken hadden. Onderhandelingen gingen verder. De broertjes wisten goed dat ze voor een verloren zaak streden en stonden met 5 – 0 achter. Zoiets. Kansloos gewoon.

Echte zakelijke investeerders werkten met telefoons en laptops, moderne communicatiemiddelen, deze kerels hoefden slechts de broertjes te intimideren. Stevie en Jimi wisten ook wel dat er tussen het publiek mannen met blaffers moesten staan. Stevie begon te begrijpen dat dit spel veel te groot begon te worden. Dreigementen waren min of meer normaal in de sport, iedereen kreeg wel eens een doodsbedreiging naar zijn hoofd. Dat hoorde erbij. Zelfs op het veld. Bering veegde regenwater van zijn gezicht en zei dat hij zijn definitieve bod zou doen. Vanaf dat moment was ervoor beide partijen geen terugweg meer mogelijk. Point of no return. Pluisje verloor heel langzaam zijn bewustzijn. Het bleef regenen en zijn bewustzijn registreerde nog een laatste uitbarsting van vreugde. Het moment voordat zijn ogen echt dichtvielen en een stevige uitdaging werd voor medisch specialisten. De wedstrijd ging verder. Er werden geen cadeautjes weggegeven.

Het spel ging verder. De twee overgebleven verdedigers, want iets anders deden ze allang niet meer, probeerden alleen het einde zolang mogelijk uit te stellen. Ze vochten met de koppigheid van soldaten die in een loopgraaf doorlopend terrein moesten prijsgeven. Bovendien wisten ze heel goed hoe het spel werkte. Stevie en Jimi vroegen spelers alleen terug als ze in ieder geval gestreden hadden. Baco probeerde zijn mannetje voorbij te gaan, maar voelde plotseling een arm tussen zijn benen doorgaan. Hij haalde uit met zijn elleboog en de verdediger viel gillend neer. Hetzelfde moment voelde Baco een voet in zijn rug, ging nu zelf neer en belandde met zijn gezicht op het beton. Er waren nu geen voetballers meer in de kooi, alleen wilde beesten die elkaar probeerden te verscheuren. Twee tegen twee. Tank, zoals de speler heette die nu met een opgezwollen jukbeen vuistslagen, stond uit te delen, stond erom bekend dat hij volledig losging mocht het binnen de lijnen niet echt lekker lopen. Hij zette zijn tanden in de nek van zijn tegenstander.

Baco probeerde op te krabbelen en deel te nemen in het straatgevecht dat was losgebroken, maar kreeg een nieuwe harde trap tegen zijn rug. Zijn spieren verslapten en deze keer bleef hij ook echt liggen.

Een scheidsrechter had een stapje achteruit gedaan en leunend tegen het hek toegekeken naar de vechtpartij die plaatsvond. Toeschouwers sloegen op het hek. Hun slagen echoden door de straat, ze schreeuwden naar de vechtende voetballers. Verderop, buiten gehoorsafstand van de joelende supporters, werd er een belangrijke deal afgesloten.

“We zouden er om kunnen voetballen,” zei Jimi niet eens echt serieus. Hij vergat dat de drie investeerders totaal geen gevoel voor humor hadden.

“Ik heb een beter idee,” zei Bering, “jullie vertrekken met het meest waardevolle bezit dat een mens in zijn leven zal hebben.” Hij keek naar de kooi – voor zover hij de spelers kon zien die uitgeput in elkaars armen hingen en soms een klap probeerde uit te delen, maar hun vuisten maaiden door de lucht zonder iemand te raken.

Paolo maakte het cijferslot los en liet twee kleerkasten binnen die gewapend waren met honkbalknuppels. Mochten de heren aan het slot nog enige behoefte hebben aan een nieuwe kloppartij dan werden ze op hun wenken bediend.

“Mijnheer Bering wil jullie spreken,” klonk het, “en opschieten graag, want hij heeft meer te doen.”

Er waren er vier overgebleven die konden staan. Baco en Pluisje lagen bewegingsloos in de kooi. Er leek eerst nog wat verwarring te bestaan over de leidinggevende. Wie was de baas? Het was de spelers volledig ontgaan dat de bakens waren verzet terwijl ze met hun spel bezig waren.

“Ik begrijp iets niet zo goed,” zei Bering. “We hebben jullie gehuurd om te voetballen – niet om te vechten. Ik ken jongens die dat beter kunnen.”

De spelers keken elkaar aan, daarna zochten ze de gestalten van Stevie en Jimi die zich afzijdig hielden. Het was duidelijk. Er waren nieuwe bazen.

“Ik begrijp het niet,” zei Boomboom die zo genoemd werd, omdat hij regelmatig met de verkeerde spelersvrouw in bed lag.

“Ja, dat snap ik,” zei Bering, “anders was je niet zo tekeer gegaan. Jullie lijken een stelletje barbaren.”

“Nou, sorry hoor,” zei Boomboom.

“Martin?”, vroeg Bering die een bekend gezicht zocht onder de toeschouwers. Een man van rond de dertig die plaatselijk bekend had gekregen als kickbokser stapte naar voren.

“Ja mijnheer?”

“Zou je de heren in de auto willen zetten?”

“Hé,” zei Boomboom, “ik heb mijn auto hier op de parkeerplaats staan. Wij allemaal trouwens.”

“Weet ik,” antwoordde Bering, “maar ik wil de wedstrijd nog evalueren. Een nabespreking hoort erbij. Toch? Daarna een hapje… een drankje.”

“Oké dan.”

“Het komt allemaal goed. Vertrouw me maar.”

“Nou… oké dan.”

De vier spelers werden naar een gitzwarte SUV gebracht, afgeplakte ruiten, keiharde rapmuziek die trommelvliezen aan stukken scheurde.

“Nog speciale wensen mijnheer?”, vroeg Martin.

“Breng ze naar… eh, Laagraven… daar is het lekker stil op dit uur… alle vier dus… en breek hun benen… misschien begrijpen ze dan iets beter wat ik precies bedoel met een voetbalwedstrijd.”

“Goed mijnheer.”

“O, Martin… Je hebt vast nog wel zo’n oude prepaid telefoon. Als je klaar bent met die gasten, bel je 112. We zijn immers geen monsters.”

“Komt in orde mijnheer… enne… Mijnheer? Wat doe ik met die kerels?”

Bering keek naar twee bewegingsloze gedaanten in de kooi, vervolgens naar de flatgebouwen en zag bewoners die zwijgend keken naar wat er allemaal gebeurde in hun straat. “Laat dat ook maar opruimen. Geeft zo’n troep op straat. Anders krijgen we nog gedoe met de mensen in die flats.”

De menigte begon zich te verzamelen bij de bookmaker of verwijderde zich druppelsgewijs. Paolo had erop gewezen dat de bal alsnog in het doel was gerold, terwijl iedereen met die vechtpartij bezig was geweest. Winst voor Baco en zijn vrienden. Of Paolo had die bal zelf een tik gegeven, omdat er toch niemand meer oplette.

Kon Baco mooi een rolstoel voor zichzelf kopen.

Jos Smies © 31 augustus 2013


TV

Mijn oom is overleden en heeft me een televisietoestel nagelaten. Hij was een man die twee maanden geleden onverwacht kwam te overlijden. Geld had hij genoeg en dat is vrijwel allemaal naar de kerk gegaan. Verder zijn er wat spullen verdeeld. Zo rijdt mijn moeder nu in zijn auto en ik heb zijn tv op tafel staan. Eerlijk gezegd heb ik nooit geweten dat hij een tv had.

Er bestaat een kans dat je dit model nooit eerder hebt gezien, zelfs in de zeventiger jaren werd dit type als volkomen ouderwets beschouwd. Het toestel was gemaakt voor een tijd waarin Nederlandse mensen slechts twee zenders hadden om uit te kiezen. Nederland 1. Nederland 2.

Zwart-witbeelden, geen afstandsbediening.

Zou het toestel nog werken?

Mijn moeder vond het wel een aardig idee om me op te schepen met dit stuk antiek. 

Het toestel schijnt bovendien de reden te zijn geweest waarom mijn oom sinds pakweg 1976 geen tv meer heeft willen kijken. Ik zit me af te vragen waarom het zo bijzonder is. Zou er een of ander duister geheim achter het beeldscherm verborgen gaan. Ik wil weten wat het is. Noem het een alledaagse menselijke nieuwsgierigheid. Ik wist dat mijn oom ergens zijn leven leidde. Vegeteerde. En vereenzaamde. Een man die ik kende als een misantroop. Kluizenaar.

Toch duurt het een tijdje voordat ik de tv heb ingeschakeld – aan heb durven zetten.

Er verschijnen onscherpe beelden. Zwart – wit – een heleboel grijs – ruis.

Na bijna tien minuten heb ik een herkenbaar beeld en in eerste instantie weigert mijn verstand te accepteren wat ik zie – wat de tv me laat zien. Wat ik zie, is volstrekt onmogelijk.

De realiteit is soms iets wat nooit ofte nimmer kàn gebeuren totdat het desondanks toch gebeurt.

‘Onmogelijk’ is dan iets wat voor je ogen in rook opgaat.

Ik zie de huiskamer van mijn bovenburen. Een maand geleden ben ik er een keer geweest, aangezien een koerier er tijdens mijn afwezigheid een pakketje had achtergelaten. Dank je wel, koerier. Oudere man en vrouw die wonen te midden van afdankertjes. Kringloopspul. Gekregen of gebietst bij familie en vrienden. Hij heeft geen werk en drinkt niet, maar zuipt.

Zijn vrouw is voor iedereen bang, ook voor mij, ze durft me niet eens aan te kijken in het trappenhuis. Ik wens haar altijd een ‘goeiendag’, maar er volgt nooit een reactie.

Het is een televisietoestel uit de jaren vijftig of zo, jaren zestig misschien nog net.

Ik zie hun huiskamer.

De vrouw (en ik ken haar naam niet eens) schuifelt lusteloos langs het beeld en ik probeer te bedenken hoe dit kan. Zulke dingen zijn onmogelijk. Toestel is ruim zestig jaar oud.

Ik wil de tv uitzetten – in de kast opbergen – verstoppen en vergeten dat ik hem heb – erover liegen tegen mijn moeder als ze er een keer vragen over stelt. ‘Ja, mam, leuke aquarium.’

In mijn hoofd heet de buurvrouw gewoon ‘Buurvrouw en de buurman is ‘Buurman’.

Dan komt de buurman onverwacht thuis en zoals altijd is hij ook nu straalbezopen. Spijtig genoeg voor de buurvrouw heeft hij energie genoeg om ruzie te maken – te schelden en te slaan. Het valt nu pas op dat ik weliswaar beelden zie, maar geen geluid hoor. Wat ik ook probeer te doen, er is geen geluid. Hoe ver ik de volumeknop omhoog draai. Er is geen geluid. Niets.

Ik geef het tenslotte op. Ik concentreer me op de ruzie er gaande is. Op tv.

Feitelijk is Buurman de enige die ruzie maakt, want zijn vrouw ondergaat het lijdzaam en ze heeft het vaker meegemaakt. Ik zie een redeloze angst in haar ogen. Zijn agressie neemt toe. Voor het eerst denk ik dat het slecht af zou kunnen lopen. Daarom grijp ik naar de telefoon. Ik moet bellen, maar dat kan ik niet doen, want die gebeurt helemaal niet. Buurman is niet thuis. Of toch?

Ik had zijn dreunende stem moeten horen. Boven mijn hoofd.

Er valt een vaas op de grond. Bloemen en water belanden op de vloer. Buurvrouw knielt neer, ze begint op te ruimen, vergeet zijn razernij en ik zie dat Buurman vaststelt dat hij haar aandacht kwijt is geraakt. Hij grijpt een stoel en begint te slaan. Niet één keer, maar zonder ophouden. Buurvrouw verweert zich niet eens, ze valt bewusteloos neer en hij blijft slaan tot de stoel in stukken op de grond ligt. Haar gezicht is onherkenbaar geworden. De tv laat me een close-up zien. Extreme close-up.

Ik stap achteruit, voel me verdoofd en in de war, het duizelt me in mijn hoofd en snap er niks van. Wat is er nou gebeurd? Is er wel iets gebeurd?

Ondertussen zie ik het beeld eerst donker worden – daarna zie ik dezelfde ongedeerde buurvrouw door het beeld lopen. Net als daarstraks. Nee, niet nog een keer, verdorie. Ik zet de tv uit.

Nadat ik bijna tien minuten naar het scherm heb zitten kijken, besluit ik te gaan kijken. Boven. Ze zijn immers mijn bovenburen. Ik loop rustig de trap op. Alles is stil. Heel even overweeg ik aan te bellen, maar ik durf het niet. Dan zie ik haar verbaasd uit het raam kijken. Niks aan de hand.

Er is niets aan de hand.

Wat heb ik dan gezien? Wat heeft het te betekenen gehad? Waar kwamen die beelden vandaan?

Ik maak een fles wijn open en pak een glas uit de kast.

Alle tijd van de wereld, ik loop niemand in de weg en woon alleen. De fles gaat leeg.

Het voordeel van een goed geheugen is dat je alles onthoudt, het is ook wel eens een nadeel. Ik probeer het beeld van mijn doodgeslagen buurvrouw uit mijn hoofd te krijgen.

Het is iets wat niet is gebeurd en ook nooit zal gebeuren, maar de tv heeft het laten zien.

De tv die ik van mijn oom heb geërfd. Wat een schitterende erfenis!

*****

Gezien de hoeveelheid lege blikjes op het aanrecht heb ik veel gedronken. Niet genoeg overigens om te vergeten wat mijn erfstuk me gistermiddag heeft laten zien. Elk afzonderlijk beeldje ligt op mijn netvlies gebrand. Ik heb hoofdpijn, voel me ellendig, maar zie nog steeds hoe Buurman die eettafelstoel op zijn weerloze vrouw laat neerkomen. Doelloos dwaal ik door het appartement, trek de jaloezieën uit elkaar en zie buiten enkele politieauto’s staan… een heuse afzetting, buurtbewoners van wie ik er enkele herken. Verontrustend allemaal. Ik denk aan Buurman en Buurvrouw, ben niet langer verbijsterd, maar ongelofelijk bang.

De voordeurbel klinkt. Wat er ook is gebeurd vannacht; ik lag straalbezopen op bed. Zou Buurman later nog een biertje hebben gepakt?

Er staan twee rechercheurs voor mijn deur. Ze hebben al eerder aangebeld. Ik hoef die jongens niet uit te leggen hoe ik mijn avond heb doorgebracht. Ik stink gigantisch uit mijn bek. Bewijsmateriaal ligt verkreukeld op het aanrecht.

‘Wat is er gebeurd dan, mijnheer?’ Er volgt een beknopte uitleg. Ik heb geen uitgebreide samenvatting nodig. Gistermiddag heb ik het al zien gebeuren. Hopelijk verwarren die rechercheurs mijn verbijstering met de mentale schok die doodslaan van je buurvrouw teweegbrengt. Natuurlijk ben ik geschokt, maar vooral vanwege het feit dat ik alles vooraf ‘live’ heb kunnen zien. Ik begin voor het eerst te begrijpen wat mijn tv-toestel doet. Het biedt een gedetailleerde blik op de meest duistere zijde van de menselijke geest.

Het flatgebouw komt geleidelijk weer tot rust, en hetzelfde geldt in mindere mate voor mijn gemoedstoestand. Een week later begin ik te geloven dat ik me alles heb verbeeld. In werkelijkheid bestaan zulke dingen helemaal niet. Daarom besluit ik het tv-toestel opnieuw aan te zetten, hoewel ik me had voorgenomen dat kreng nooit meer aan te raken. Ik moet het weten en die woorden dreunen onophoudelijk in mijn hoofd. Net als de vorige keer ontwaakt het toestel heel langzaam. Ik krijg al bijna spijt van de beslissing, maar begrijp dat er geen andere mogelijkheid is. Dit moet ik doen.

Ik heb plaatsgenomen op een wankele stoel en hoop op een bekend kinderprogramma. Gelukkig zijn de eerste beelden neutraal (was dit de vorige keer ook niet zo?). Fietsende schoolkinderen. Niets aan de hand toch? Godzijdank. Ik zie heel gewone kinderen onderweg naar huis. Af en toe zie ik er eentje rechts of links gaan. Er verschijnt een glimlach rond mijn lippen, omdat ik de weg herken. Het is erg dichtbij. Je kunt het makkelijk lopen.

Er blijft één meisje over, ze moet tegen de wind in fietsen. ‘Had ik maar al een brommer,’ denkt ze volgens mij bij elke omwenteling van haar trappers. Voor het eerst voel ik me ontspannen. Er gebeurt niets. Blijkbaar laat het toestel niet bij elke gelegenheid moord en doodslag zien. Ik overweeg de tv uit te schakelen, strek mijn rechterarm en juist tijdens die ene beweging… dus terwijl ik het toestel wil uitzetten… zie ik het busje in beeld verschijnen.

De bestuurder rijdt verder, langzaam en soms haperend, stopt onverwacht. Het is een oud Volkswagenbusje, een hippieachtig ding met vrolijke kleuren en bloemen.

Een jongeman stapt uit, maakt enkele theatrale gebaren en schopt hard tegen het busje. Het meisje twijfelt zichtbaar, en denkt dat ze die auto misschien links voorbij moet rijden.

Ze passeert helemaal niet, maar stopt en er ontstaat een kort gesprek. ‘Een goede opvoeding gehad,’ denk ik nog.

De jongeman pakt het niets vermoedende meisje bij de armen en gooit haar krachtig in zijn busje. De fiets valt kletterend om. Hij springt als een roofdier in zijn auto en trekt onmiddellijk de deur achter zich dicht. Er is op zijn hoogst een minuut voorbij gegaan. Het busje komt in beweging. Niet langzaam en soms haperend, zoals daarstraks, maar met grote snelheid. De fiets blijft achter, een stille getuige.

Ik ben verbijsterd. Wat moet ik in hemelsnaam doen? Ik kan toch moeilijk de politie opbellen en zeggen dat er straks een meisje ontvoerd zal worden door een jongeman in een hippieachtig busje? In elk geval moet ik iets doen. Ik weiger af te wachten, zodat morgen de kranten volstaan met berichten over een ontvoerd meisje. De oplossing is doodsimpel. Ik hoef er alleen maar te gaan staan. Die smeerlap zal toch niemand ontvoeren als ik ‘stom toevallig’ toekijk? Er ligt een tevreden grijns op mijn gezicht.

Inderdaad slaagt mijn opzet volledig. Ik parkeer mijn auto opzichtig, half in de berm, geopende motorkap, zodat je denkt dat mijn auto onderweg kapot is gegaan. Het meisje fietst voorbij, en wordt inderdaad voorbij gereden door die goorlap met zijn vrolijk beschilderde Volkswagenbusje.

Mijn missie is volledig geslaagd, en ik voel me euforisch.

De volgende ochtend vind ik geen berichten in de krant over een verdwenen meisje. In mijn verbeelding had ik al een treurige foto van die omgevallen fiets op de voorpagina van mijn krant gezien. Ik ben echt heel tevreden met mezelf. Dit voorval bewijst dat je de toekomst kan veranderen.

Natuurlijk loopt er nog steeds een zieke smeerlap rond.

Mijn tv-toestel laat echter geen nieuwe beelden zien van die kerel met zijn Volkswagenbusje. Hopelijk durft hij niet meer.

De volgende keer ga ik een stap verder. Die vent hoort niet op straat, maar in de gevangenis of een gesticht.

Ik had zijn kenteken moeten noteren. Dat wel.

Bijna drie dagen later zet ik mijn tv-toestel wederom aan. Met een kopje koffie in mijn rechterhand neem ik plaats. Ondertussen verschijnen de gebruikelijke wazige beelden, die ik scherp probeer te krijg door onvermoeibaar aan dat knopje te draaien. Het duurt erg lang dit keer.

Na een tijdje herken ik het plaatselijke winkelcentrum. In het begin kijk ik vertwijfeld naar de warrige beelden. Ik zie een geweldige stroom mensen voorbij komen. Allemaal naamloze gezichten. Toch denk ik heel eventjes het meisje te herkennen dat enkele dagen geleden ontvoerd had moeten worden.

Mijn moeder staat naast me, want ik heb beloofd vandaag mee te gaan. Dus hier ben ik dan. Ik had vanochtend willen opbellen… Een vervelende ziekte bedenken, zo eentje die je enkele dagen aan huis bindt. Alles is goed, zolang ik maar niet hoef te gaan winkelen. Het is erg moeilijk ‘nee’ te zeggen tegen je moeder.

Dan ontstaat er paniek.

Het lijkt een beetje op beelden die je kent uit natuurdocumentaires, waarbij een antilope ruikt of hoort dat een leeuwin nadert, want het is nooit een enkel individu dat op de vlucht slaat. Als er eentje gaat, dan gaan ze allemaal.

Een man of vrouw begint te rennen met een geweldige chaos als gevolg. Mijn moeder valt. Er groeit een grote rode vlek op haar borst. Eerst kijk ik naar mijn moeders rood wordende borst, vervolgens registreert mijn brein een jongen (een man kun je hem niet eens noemen) die een semiautomatisch wapen afvuurt op het winkelende publiek.

Zo meteen bel ik mijn moeder. Ik zeg gewoon dat we een andere keer gaan winkelen. Aanstaande zaterdag is niet zo’n best idee.

Misschien bel ik de politie. Misschien ook niet. Ik zal moeten uitleggen waarom ik denk dat er komende zaterdag een schietpartij zal plaatsvinden in het winkelcentrum. Daar heb ik geen trek in.

Ik zet de tv uit, en vervloek mijn oom, die dit alles geweten moet hebben.

Hoe stop je zo’n geschifte gozer eigenlijk?

Zaterdag ga ik alleen naar het winkelcentrum en niet om te winkelen.


KONING DER SPRINKHANEN

Elke topsporter zoekt een geheime krachtbron, zo eentje die hem desnoods het leven kost. Er is enkele jaren geleden een enquête geweest onder Olympische atleten. De vraag? Zou je een niet-traceerbaar middel gebruiken dat je levensverwachting absoluut met enkele tientallen jaren zou bekorten? Een verrassend groot aantal beantwoordde deze vraag met ‘ja’.

Ik dacht niet aan dit obscure stukje tekst uit een locale krant, toen ik hem voorbij zag rijden. Zijn ranke gestalte had ik vaak op televisie langs zien komen. Niettemin duurde het een tijdje voordat ik hem herkende. Eigenlijk waren het al die nieuwsgierige mensen langs de weg die me op hem attendeerden.

Dit was nou die superkampioen, winnaar van zo ongeveer alle wedstrijden die je zittend op een racefiets kon winnen. Al jarenlang werd er gespeculeerd over doping. Niemand heeft ooit iets kunnen aantonen.

Rond zijn tweeëndertigste jaar was hij de meest succesvolle wielrenner op aarde. Je zag het niet eens dat hij een inspanning deed. Verbijsterend gewoon.

Ik ontmoette hem op een regenachtige zaterdagmiddag. Zoals ik hierboven al heb gezegd, herkende ik hem aanvankelijk niet eens. Toch zou ik durven zweren dat hij mij gedurende enkele seconden zeer doordringend aankeek. Dit gebeurde terwijl hij langzaam omdraaide, en bijna tot stilstand kwam, zodat het eventjes leek alsof hij een volmaakt evenwicht vond.

Bijna zestig minuten later merkte een bejaarde sportcommentator droogjes op dat de superkampioen niet zijn beste prestatie ooit had afgeleverd.

Ik hoorde een zekere tevredenheid in zijn stem.

Misschien bereikte de koning der sprinkhanen, zoals zijn bijnaam luidde, eindelijk zijn winter als meedogenloos heerser in het wielerpeloton.

Ik had hem ’s middags gezien, zou eigenlijk terug moeten keren naar huis, maar bleef in het centrum rondhangen.

Nu verbeeld ik me niet een of ander mystieke cultus aan te hangen. Evenmin geloof ik in de voorzienigheid. Toekomstvoorspellingen vind ik een vorm van oplichting.

Ik had die dwingende blik in zijn ogen gezien, alsof hij me had betoverd, dus ik begreep dat mijn huis nog eventjes op zijn vaste bewoner moest wachten.

Hij dankte zijn bijnaam aan een schrijvende journalist, een man voor wie het wielerpeloton en dat uitputtende circus eromheen deed denken aan een zwerm sprinkhanen.

Naarmate dè dag dichterbij kwam, verschenen er steeds meer auto’s met buitenlandse kentekens. Plotseling werd er geen Nederlands meer gesproken. Je mocht je auto niet voor je eigen voordeur parkeren. Wegen werden afgesloten… dranghekken geplaatst… reclames opgehangen die voor een vreemde verre thuismarkt waren bestemd…

Je hoefde niet naar televisie te kijken, want helikopters markeerden de locatie van de zwerm, die zich gestaag richting finish bewoog. Een tijdelijke algehele gekte. Alsof een zwerm sprinkhanen zich hongerig op een onbekend gebied  stortte, bezit nam van alle natuurlijke bronnen en die enkele dagen later volkomen uitgeput weer achter zich liet.

Iemand moet heer en meester zijn over dit krankzinnige onvermoeibaar voortjakkerende circus.

Die persoon heette de koning der sprinkhanen. Hij was de superkampioen. Degene die afgelopen jaren alles had gewonnen… een bijna transparante gedaante op die fiets.

Zijn ogen ontmoetten de mijne. De koning der sprinkhanen had gesproken. We zouden elkaar opnieuw ontmoeten.

Toch duurde het lang voordat het tot een ontmoeting kwam. In plaats daarvan liet ik me onderdompelen in het Bossche uitgaansleven. Ik dronk een paar glazen bier, sprak in het voorbijgaan mannen en vrouwen die eveneens voor het grootste sportevenement in Europa naar de oude stad waren gekomen. Soms bleef ik langer in een café zitten, omdat er verdomd goede muziek werd gespeeld door locale bluesmuzikanten. Ik verwachtte het helemaal niet, toch moest ik eerlijk toegeven dat dit nog het leukste gedeelte van mijn dag was.

Er ontstond een broeierige atmosfeer op pleintjes en in smalle straatjes waar je nauwelijks kon lopen vanwege een ongelofelijke massa mensen. Met de nodige moeite slaagde ik erin een tafeltje te bemachtigen in een restaurant dat uitzicht bood op een riviertje dat grotendeels onder de stad stroomde. De Dieze, zo heette dat riviertje, en herinnerde me onwillekeurig aan de Styx.

Ik meende een bekende televisiepersoonlijkheid te herkennen, enkele tafeltjes verderop, maar twijfelde, en durfde ook niet te vragen of hij het misschien echt zelf was. Het leek zo’n sukkelige vraag. Als je zulke figuren in werkelijkheid ontmoet, lijken ze plotseling een onwerkelijk alledaags aura te verwerven.

Rechts van mij had een oudere man plaatsgenomen, die sprak met een onmiskenbaar zwaar Vlaams accent.

Ik was geheel verzadigd, na alle bier van die middag smaakte de Franse rode wijn geweldig. Ik vroeg de ober om een laatste kop koffie. Wellicht ging ik me nog enkele uurtjes vermaken voordat ik ongelofelijk dronken naar huis zou gaan en waarschijnlijk aangekleed in slaap viel.

Die Vlaming stelde me onverwacht een vraag. Ik luisterde niet naar hem. Zijn woorden gleden krachteloos langs me heen en verdwenen in de warme buitenlucht. Hij pakte mijn rechterhand, eiste op een onbeschofte manier de aandacht en kreeg die daarom ook. Ik beantwoordde zijn onverwachte toenadering met een grove vloek. Hij verontschuldigde zich heel uitgebreid. Ik deed heel opgelucht hetzelfde, en was allang blij dat dit geen gênante vertoning werd. Ik wilde gewoon snel weg. De onbekende man bestelde een nieuw glas wijn voor me, en ik kon gewoon geen ‘nee’ zeggen. Hij bleek een zeer innemende persoonlijkheid. Welke vraag hij me stelde? Of ik alleen was… Ja, dat was ik.

De Vlaming bleek een Australiër, die sinds vijftien jaar in België woonde en werkte voor de wielerploeg van… ja, je raadt het al… de superkampioen… koning der sprinkhanen.

Ik voelde me vereerd, vertelde Samuel dat we elkaar ’s middags toevallig hadden ontmoet, terwijl hij druk bezig was met de laatste voorbereidingen op een loodzware sportwedstrijd. Vanavond zaten Samuel en ik geheel onverwacht in hetzelfde restaurant, naast elkaar zelfs.

-Jazeker. Ik ben helemaal alleen, niemand vergezelt me tijdens mijn zwerftocht langs straten, pleintjes en duistere kroegen.

-Meneer… zojuist heb ik op onbehoorlijke wijze uw aandacht getrokken… ik wil u uitnodigen als gast van mijn werkgever… vannacht verblijft u in hetzelfde hotel… en morgenochtend geniet u van een overheerlijk gastvrij ontbijt, gezeten aan dezelfde tafel als degenen die de invasie der sprinkhanen mogelijk maken… gladiatoren van de weg… ridders op het stalen ros.

Samuel sprak bijna maniakaal zuiver Nederlands (zoals gezegd: met een sterk Vlaams accent) voor iemand die het grootste deel van zijn leven in Australië had doorgebracht.

Het getuigt van een sterk karakter.

-Nou… het spijt me… maarre… zo’n geweldig bod kan ik onmogelijk accepteren.

-U moet het zelf weten, meneer.

Samuel was ècht ontzettend aardig, een sympathieke vent… geweldige verteller. Volgens mij luisterde en lachte bijna iedereen in het restaurant met ons mee, behalve dan die zurige televisiepersoonlijkheid. Wellicht kende hij de grapjes en verhalen al, voor mij waren ze volstrekt nieuw.

Ik vertelde hem dat ik zijn uitnodiging accepteerde, en meeging naar het hotel. Om omstreeks half tien rekende hij af, en betaalde eveneens mijn rekening, ondanks de plichtmatige protesten die ik verwoordde.

We zwalkten richting uitgang, waar hij me complimenteerde met mijn opvoeding… familie… Volgens hem was ik een sociaal ingestelde wereldburger, gevolg van een goede jeugd.

-U heeft contact met uw familie?

-Nee.

Zijn gezichtsuitdrukking vertoonde een zekere mate van spijt. Hij vond het echt heel vervelend om dit te horen. Ik had niet gedacht dat het iemand zou interesseren.

Er zijn zo veel mensen die geen contact meer hebben met hun familie. 

Samuel bleef zijn vaderlijke gevoelens op me projecteren, en bestelde zijn chauffeur die binnen vijf minuten arriveerde.

Schemering nam de oude stad steeds meer in beslag, maakte spoedig plaats voor een helder nachtelijk duister en ik zag de eerste sterren verschijnen.

Ik stapte in de auto. Er volgde een korte uitwisseling van veelbetekenende blikken tussen beide mannen. Kennelijk verwachtte de chauffeur geen extra passagier en keek heel eventjes met gefronste wenkbrauwen in de binnenspiegel.

Dit was geen dagelijks ritueel, en ach… misschien toch wel.

Ik had geen idee, maar achteraf had ik moeten weten dat die vragen over mijn ontbrekende gezelschap en contact met familie een bepaalde betekenis had kunnen hebben. Terwijl de Mercedes met geblindeerde zijramen langzaam het stadslabyrint achter zich liet, vond ik mezelf nog steeds een geluksvogel.

Samuel vertelde over de inspanningen die zijn pupil moest leveren om aan alle verwachtingen te voldoen.

Ik antwoordde plichtmatig, dacht goed na over elk woordje, want de drank had mijn hoofd danig beneveld.

Je wil nu eenmaal geen flater slaan in het bijzijn van een echte hoogheid, de koning der sprinkhanen.

Had ik het kunnen weten?

Ik bedoel… Het is toch niet raar als iemand interesse toont in je familie, en vraagt of je alleen op stap bent.

Zulke vragen heb ik eerder gehoord, en beantwoord.

Voordat we het hotel bereikten waar de kampioen der kampioenen overnachtte, wilde Samuel plotseling weten of ik dacht dat je een dergelijk eenzaam hoog niveau kon bereiken als je leeft van boterhammen met pindakaas.

De Australische Vlaming beschreef zichzelf als een sjamaan, en paste toverkracht toe om zijn pupil naar een duizelingwekkende hoogte te brengen.

Ik was zozeer verbaasd dat ik de eerste ogenblikken naar adem hapte, en vervolgens een hoestbui kreeg. Samuel klopte vriendelijk op mijn schouder. Ik hervond mijn zelfbeheersing, en slaagde erin enkele woorden uit te spreken. Wat bezielde me eigenlijk? Verwachtte ik hier zomaar hèt Grote Geheim te vernemen? Onzin natuurlijk. Ik verontschuldigde me, trok mijn overhemd een beetje recht, klopte wat denkbeeldig vuil weg… en lachte vriendelijk naar de zelfbenoemde sjamaan.

De chauffeur stopte. Er stonden twee touringcars, een grote met de gebruikelijke sponsorreclame, en een andere, veel kleinere – zonder al die reclame en volledig dichtgeplakt met folie. Er waren ook volgauto’s, barstensvol reclame en getooid met fietsenrekken.

Je proefde op deze plek de aanwezigheid van sprinkhanen, klaar om toe te slaan, indien dat nodig was. Samuel keek me in gedachten verzonken aan, en deed niet langer denken aan de vriendelijke persoonlijkheid uit het restaurant. Zijn uiterlijk had bijna een metamorfose ondergaan. Ik zag een meedogenloze, vastberaden man naast me zitten met onbekende angstaanjagende bedoelingen. Je voelde echt de nabijheid van sprinkhanen.

Samuel stapte uit, en legde zijn hand op mijn schouder, alsof hij wilde voorkomen dat ik weg zou lopen.

-Kijk… Het zit namelijk zo… Elke topsporter zoekt de ultieme grenzen van zijn fysieke mogelijkheden. De vraag is altijd dezelfde. Hoever wil je gaan? Het antwoord blijft persoonlijk, vaak onuitgesproken en je ziet het resultaat van een beslissing terug in de wedstrijd. Toevallig praten we vandaag over wielrennen… wat ik overigens een oninteressante bezigheid vind… Morgen zou het turnen kunnen zijn… Overmorgen atletiek. De sporter vraagt. Ik lever. Zo is de deal. Die jongens betalen me er goed voor.

Samuel opende de kleine bus… touringcar… en duwde me verder…

Of je een smerig en stinkend slachthuis binnenkwam.

Plotseling was ik weer die kleine jongen die ’s ochtends vroeg wakker werd en een onbekende insluiper meende te herkennen in de lange overjas van zijn vader.

Ik draaide me protesterend om, maar zijn rechterhand klemde zich inmiddels om mijn nek.

-Dit is voor degenen die de Zonnegod aanbidden, en je moet vroeg of laat een offer brengen. Zo zijn de regels nu eenmaal. Dat snap je toch wel?

Lang geleden heb ik een krantenartikel gelezen dat ging over doping in de sport. Het was zo’n vreemd bericht over een (natuurlijk anonieme) enquête, gehouden onder Olympische sporters en de vraag was: ‘Welke offers zou je willen brengen om het hoogste podium te mogen betreden?’

Ik herinner me niets over een Zonnegod of zijn hogepriester.