Categorie archief: korte verhalen

Oscar is telepathisch begaafd

Zijn tas leunt tegen de zijkant van zijn bureau. Collega’s zijn al aan het werk. Noah begint graag erg laat – om half tien. Hij brengt eerst zijn zoon Oscar naar school en begeeft zich dan in het drukke verkeer naar Utrecht. Noah zet zijn computer aan – neemt plaats – schuift zijn plastic bekertje met koffie opzij. Stemmen op de achtergrond bespreken een voetbalwedstrijd die het Nederlands elftal heeft verloren. Er staat een radio aan die nauwelijks te horen is. Hij legt zijn telefoon naast het toetsenbord. Met zijn muis klikt hij op een symbool dat aan de aarde doet denken. Collega vraagt: “Heb je gekeken?” Nog steeds de wedstrijd van gisteravond.

“Nee,” zegt hij, “televisie heeft lekker uitgestaan.”

“Wat heb je dan gedaan?”

“Beetje gelezen,” zegt Noah. Het is geen leugen. Al heeft hij ook klassieke rocknummers bekeken op you tube. Zinvolle besteding van je avond als iedereen op bed ligt, dus ook zijn vrouw Hannelore die meestal vroeg richting slaapkamer gaat en nog een uurtje ligt te lezen. Weinig televisie in hun huis. Oscar zorgt ervoor dat de televisie geen zinloze aankoop is. Hij kijkt heel erg veel en vindt alles mooi, zolang het maar beweegt en herrie maakt.

“Nou ja, je hebt ook niks gemist.”

“Verloren, hè?”

“Ja, alweer.”

Om drie minuten over tien gaat zijn telefoon. Hij bestudeert het nummer – het is de school van zijn zoon. Er rolt een vloek over zijn tong en Noah neemt het gesprek aan – veegt naar het groene telefoontje.

“Ja – hallo?”

“Goedemorgen mijnheer Van de Molen,” hoort hij zeggen, “u spreekt met Brechtje Huurdeman. Ik moet u vragen uw zoon Oscar op te halen. Hij is de rest van de week geschorst wegens onaangepast gedrag.” Er valt een korte stilte. “U ontvangt nog een brief over de kwestie. Het lijkt me het beste als u Oscar direct komt ophalen. Ik heb uw echtgenote al geprobeerd te bereiken, maar die neemt niet op.”

Noah rolt zijn bureaustoel achteruit en probeert te bedenken dat hij mevrouw Huurdeman iets heel anders heeft horen zeggen. Het is onzin. Zijn zoon Oscar die onaangepast gedrag zou vertonen. Onzin.

“Onzin!”, roept hij in zijn telefoon en alle collega’s onderbreken de werkzaamheden.

“Nou, daar ben ik het anders niet mee eens, hoor,” zegt mevrouw Huurdeman. “Ik moet zo meteen de klas van juffrouw Annabel overnemen – ze is in overspannen toestand naar huis gegaan en dat komt allemaal door uw zoon Oscar.”

Noah wil iets zeggen over labiele persoonlijkheden, maar bijt op zijn tanden. Het lijkt hem geen erg geschikt moment om nieuwe conflicten aan te gaan.

“Ik  – eh – ik kom eraan.”

“Dank u,” zegt ze. Hij had moeten vragen wat er is gebeurd, maar dat kan straks ook nog – op school. Zijn telefoon verdwijnt in zijn broekzak en hij schakelt zijn computer weer uit – niet veel gedaan. “Ik ga er vandoor – mijn zoon schijnt iets uitgespookt te hebben op school en is nu geschorst.”

“Waarom?”, vraagt Nadia – nieuwsgierig als altijd.

“Geen idee – dat ga ik zo meteen horen.”

Noah pakt de rugtas op en grist zijn jas van de kapstok. Terwijl hij naar de auto loopt, probeert hij Hannelore te bellen. Na de tweede keer, belt ze zelf terug. Hij heeft de motor al gestart – en schakelt de radio uit. “Oscar is geschorst,” zegt hij.

“Wát?” Slechts één woord. Meer niet. Eén lange verbaasde kreet.

Onaangepast gedrag – wat het ook moge betekenen. Ik ga nu onderweg om hem op te halen. Hij schijnt juffrouw Annabel in de ziektewet te hebben gejaagd.”

“En je werk dan?”

“Geen idee. Thuiswerken, denk ik. Er is geen andere oplossing.”

“Hou je me op de hoogte? Ik ben heel benieuwd naar zijn verhaal.”

“Anders ik wel. Ik bel je nog. Dag hoor.

Hij beëindigt het gesprek, stopt zijn telefoon weg en geeft gas. Binnen vijf minuten is hij op de snelweg en na de ochtendspits heeft hij veel minder tijd nodig voor de rit. Bovendien eindigt zijn invoegstrook aan het begin van de tunnel. Oscar is een jongen van elf jaar – heeft lichtblond haar, heldere blauwe ogen – leeftijdgenoten groeien sneller. Oscar is één van de kleinste jongens in zijn klas, maar hij beschikt over een dodelijk scherpe tong. Daarom vraagt Noah zich af wat zijn zoon deze keer heeft geroepen naar juffrouw Annabel. Ze is ziek naar huis gegaan – verdorie. Het kost hem bijna twintig minuten om de school te bereiken. Noah parkeert voor de hoofdingang – stapt uit – hij vergrendelt de portieren en gaat het gebouw binnen.

“Ah, mijnheer Van de Molen,” zegt mevrouw Huurdeman die met uitgestoken hand naar hem toe komt lopen – ze is een oudere dame met lang grijswit haar. “Fijn dat u zo snel hebt kunnen komen.”

“Ik vind het een vreemd verhaal.”

“Oscar is een zeer intelligente jongen die een heleboel dingen veel sneller door heeft dan zijn leeftijdgenoten,” zegt mevrouw Huurdeman. “Zo wisten we als collega’s allang dat juffrouw Annabel meisjes veel leuker vindt dan jongens, maar de leerlingen waren absoluut niet op de hoogte. Tot vandaag dan. Nu weet iedereen het. Nu blijkt ze als zestienjarig meisje ook nog eens verkracht te zijn door een vriend van de familie – en dat wisten we dus echt niet. Uw zoon flapt het er gewoon uit – in een volle klas – zonder blikken of blozen.”

“Maar om Oscar dan meteen te schorsen.”

“Ja, ik vind het ook heel vervelend, maar het moet – ik kan moeilijk anders – ik doe het om de rust terug te laten keren op school – want Oscar blijkt – tja, hoe moet ik dat zeggen – hij beschikt over een soort voorkennis. Hij weet gewoon dingen. Begrijpt u wel?” Mevrouw Huurdeman stopt met praten en kijkt vragend naar Noah die haar niet snapt.

“Nee.”

“Een andere juf had een slechte relatie – als collega’s wisten we nergens van – ze werd zelfs regelmatig geslagen – nu niet meer, toen nog wel – Oscar vroeg haar een keer waarom ze zich liet afranselen door die imbeciel. Ik heb het verhaal net pas voor de eerste keer gehoord. Ze schaamde zich!”

“O jee.”

Inderdaad – o jee – u moet eens met uw zoon Oscar gaan praten, want hier worden mensen erg nerveus van. En – ik bedoel – hoe komt uw zoon potverdorie aan die wijsheid? Twee voorbeelden van kennis die de juffen nooit eerder met andere mensen hadden gedeeld – het is echt ongehoord.

Noah kijkt in de gang, maar alle klassen zijn ijverig bezig – deuren zijn gesloten – en Oscar is nergens te zien. “Mijn zoon moet het ergens hebben opgevangen – het moet gewoon – één zo’n kennisfeitje zou hij van iemand gehoord kunnen hebben, twee van die dingen is geen toeval meer. Ik ga uitzoeken wat er aan de hand is.”

“Graag,” zegt mevrouw Huurdeman, “want – nog een paar van die incidenten en ik heb al mijn onderwijzers in de ziektewet zitten. Het gaat wel erg snel zo.”

“Breng me nu maar eens bij Oscar,” zegt Noah die een grijnslach moet onderdrukken. Zijn zoon is altijd al een bijdehand ventje geweest. “Eens kijken wat hij allemaal te zeggen heeft.” Toch overheerst de verbazing, omdat de directrice zijn zoon heeft geschorst. Het is een maatregel die erg ver gaat. Mevrouw Huurdeman trekt de deur van haar kantoor open en Oscar kijkt al om – de jongen reageert alsof hij thuis op de bank zit en net zijn moeder heeft horen vragen of hij misschien limonade lust.

“Ik kan er echt niks aan doen, hoor,” zegt Oscar.

Noah vraagt zich af hoe zijn zoon aan zulke kennis is gekomen. Wie heeft hem verteld over de seksuele voorkeur van zijn onderwijzers en verkrachting door een vriend van de familie? Hoe weet hij dat een andere juf regelmatig wordt geslagen? Geen kennis die normaliter de wereld van een elfjarige jongen bereikt. Noah zou erg boos moeten zijn op de school èn zijn zoon, maar de situatie verontrust hem enigszins – er klopt iets niet. Zijn zoon Oscar is geen jongen die er genoegen in schept om andere mensen het bloed onder de nagels vandaan te halen. “Gefeliciteerd, jongen,” zegt Noah. “Je hebt iets voor elkaar gekregen wat mij zelfs nog nooit is gelukt – geschorst van school.”

“Gaan we nu naar huis?”

“Ja,” zegt Noah, “en ik ga je aan het werk zetten. Ik zorg er wel voor dat je je niet verveelt.”

“Twee daagjes thuis,” zegt mevrouw Huurdeman, “een mooie afkoelingsperiode, lijkt me. Je ouders krijgen de tijd om uit te zoeken wat je in hemelsnaam heeft bezield, want ik snap het niet.”

Oscar wil er een antwoord op geven, maar bedenkt zich vrij snel – Noah staat met gespreide benen en handen op zijn heupen. Hij kijkt zwijgend neer op zijn zoon en hoeft geen lelijke woorden te roepen. Het is voor zijn zoon duidelijk dat vader Noah zich absoluut niet amuseert. “Misschien moet je van je eigen zakgeld mijn snipperdag vergoeden, ventje.”

“Maar dat mag niet!”, roept Oscar die opstaat en zijn jas begint aan te trekken. “Da’s een heleboel geld.” Hij heeft zijn jas niet eens dicht en begint naar de deur te lopen, maar Noah wijst naar de rugtas die bij het bureau is blijven staan. “O – ja,” zegt Oscar.

Oscar loopt al bij de buitendeur – mevrouw Huurdeman zegt: “Hopelijk zegt hij iets tegen u – zijn vader – want hij laat geen woord los over zijn bronnen – echt, helemaal niets – geen wóórd.”

“Ik ben het niet geweest,” zegt Noah, “daar mag je op vertrouwen. Geen idee wat voor levens die mensen hebben en het boeit me ook weinig, zolang ze hun werk maar goed doen.”

“Mijn verontschuldigingen, mijnheer Van de Molen,” zegt mevrouw Huurdeman. “Ik moet echt de rust op school weer herstellen. U moet – denk ik – vooral uitzoeken hoe Oscar aan al die wijsheden komt – wie hemt alles heeft verteld, want die persoon is echt niet goed bezig.”

“We houden contact,” zegt Noah, “want ik probeer er zelf ook iets van te begrijpen..” Hij speelt met zijn autosleutel. Langs de muur hangen jassen van leerlingen. “Misschien snapt Oscar het zelf niet eens.” Hij begint naar de uitgang te lopen. “Ik wil hem morgen alweer in de klas hebben – wat je er ook van vindt. Zodra ik heb uitgezocht wat er precies is voorgevallen – krijg je hem weer terug.”

“Ja – prima,” zegt mevrouw Huurdeman.

Hij verlaat het schoolgebouw – zijn zoon wacht al bij de auto – Noah ontgrendelt de portieren en ze stappen in. Sleutel gaat in het contact, maar hij wacht met starten van de motor. “Enig idee waarom je geschorst bent, Oscar van de Molen?”

“Ik ben brutaal geweest,” zegt Oscar die zijn autogordel vastklikt – rugtas staat tussen zijn benen.

“Dat ook, ja. Wat nog meer?”

“Omdat ik al die dingen heb gezegd – verteld.”

Noah laat zijn rechterhand rusten op de handrem. Mevrouw Huurdeman vertelde heel duidelijk dat hij dingen wist die Oscar onmogelijk kon weten, omdat de juffen zich schaamden voor wat hen was overkomen. Ook onderwijzeressen zijn gewone mensen die vreemde dingen meemaken. “Dat hebben ze je dus gewoon verteld?”

“Ja.”

“Wanneer?”

“Juf Annabel vertelde er vanmorgen iets over,” legt Oscar uit. “Ik heb alleen gezegd dat ik het helemaal niet erg vind dat ze een vriendin heeft – een vriend of een vriendin – wat maakt dat nou uit? Wat die ene man heeft gedaan – dat is wel heel erg rot.”

“En dat heeft juf Annabel allemaal in de klas verteld?”

Vreemd verhaal en het wordt steeds vreemder. Mevrouw Huurdeman heeft meer dan dertig jaar ervaring in het basisonderwijs. Niet iemand die over één nacht ijs gaat. Er moet iets vreemds zijn gebeurd. Dat moet gewoon. Maar Oscar vertelt ook de waarheid. Zijn zoon is geen leugenaar.

“Ja.”

“En de andere leerlingen dan?”

“Hoezo? Wat bedoel je?”

“Wat zeiden of deden je klasgenoten, toen juf Annabel haar verhaal vertelde?”

“Dat weet ik niet.”

Je weet het niet. Waren jullie soms met zijn tweeën op de gang?”

“Nee. In de klas. We waren allemaal in de klas.”

“Oscar – ik mis nog een stukje informatie in je verhaal. Er klopt iets niet.”

“Ik ben geen leugenaar. Dat zei je net zelf.”

Nee, dat heeft Noah helemaal niet gezegd, wel gedacht, maar hij heeft de woorden absoluut niet keihard uitgesproken. Oscar begint over een gedachte die zijn vader heeft gehad. Enkele ogenblikken terug. Nee, Noah heeft het niet gezegd.

“Nee, dat heb ik niet gezegd. Ik heb het hoogstens gedacht. Dat wel. Ik heb die woorden niet uitgesproken.”

“Net als mijn tas. Ik was bijna mijn tas vergeten en je zei dat ik hem mee moest nemen.”

“Ik heb naar je tas gewezen, Oscar. Meer niet.”

“Dus je hebt het echt niet gezegd?”

‘Nee, ventje, ik heb het echt niet hardop gezegd.’

Noah start de motor van zijn auto en trapt het gaspedaal in. Mevrouw Huurdeman staat bij het raam te kijken en lijkt hun gesprek te willen volgen. ‘Zou ze kunnen liplezen?’ Het is rustig op straat. Noah zet de autoradio aan – radio2. Oudere muziek. ‘Godverdomme.’ Hij laat het gaspedaal weer omhoog komen, want het stoplicht gloeit fel rood.

“Mevrouw Huurdeman denkt dat je alles van een iemand hebt gehoord. Dat denken ze allemaal. Het probleem is een beetje dat ze niet goed snappen hoe je aan je informatie bent gekomen. Ik ben bereid te geloven dat je de waarheid spreekt. Juf Annabel is ziek naar huis gegaan, omdat jij iets hebt gezegd. Niemand anders wist ervan. Alleen je juf en jij.”

Oscar kijkt naar zijn vader – Noah houdt het stoplicht in de gaten, maar kijkt ook vlug opzij. Stoplicht verandert in groen – Noah geeft gas – motor gromt dreigend. “Een andere juf werd mishandeld door haar vriend. Twee mensen wisten ervan. De juf en haar vriend. Jij weet het nu ook. Beide juffen beweren er nooit met iemand over te hebben gesproken. Snap je me? Ik weet dat je nooit tegen me liegt. Ik heb je nooit op een leugen betrapt.”

‘En als Oscar zelf niet eens snapt wat er gebeurt? Hij is nog erg jong. Hoe kun je dan verwachten dat Oscar alles in één keer goed begrijpt?

Oscar speelt met het koordje van zijn capuchon.

“Vind je het leuk op school?”

“Ja – natuurlijk.”

Nou ja, hij haalt hogere cijfers dan verleden jaar, toen er een onderwijzeres voor de klas stond wier bloed hij wel kon drinken. Tot vandaag ging het allemaal prima. Geen probleem. Tot nu dan. Oscar lijkt het ware verhaal niet eens uit te kunnen leggen. Of hij snapt het wel degelijk – en weigert het te zeggen. Hij draait er eindeloos omheen.

“Ik hou van muziek,” zegt Oscar. Er speelt een nummer van de Beatles op de radio. Lady Madonna. “Mag ik een muziekinstrument leren spelen, papa? Ik vind piano wel erg leuk.”

Noah geeft geen antwoord en concentreert zich op het verkeer dat drukker begint te worden. Oscar, school, twee juffen met geheimen die ze nooit aan een levende ziel hebben verteld, zeker geen jongen van elf jaar oud die het goed doet op school.

“Papa?”

“Ik hoor je wel, hoor, jongen, maar ik zit nog na te denken over je school en juf Annabel die je de ziektewet in hebt gejaagd.”

“O – ja.” Oscar kijkt uit het raam en sabbelt op het koordje van zijn capuchon. “Maar een piano zou ik erg leuk vinden,” zegt hij. Zijn stem is bijna niet te horen. “Als ik naar muziek luister, zijn de stemmen veel minder – dan hoor ik ze bijna niet meer.”

Noah kijkt een ogenblik opzij en concentreert zich dan opnieuw op het verkeer – hij stuurt zijn auto naar rechts en stopt – het is geen parkeerplaats. Gelukkig rijdt hij niet op de snelweg – nou ja – hij had op de vluchtstrook kunnen stoppen. “Welke stemmen?”, vaagt Noah die naar zijn zoon blijft kijken. Oscar vindt het muurtje van een oud huis ineens erg boeiend. “Kijk me eens aan, Oscar. Je zei net iets heel belangrijks. Welke stemmen bedoel je?”

“Ik zeg het een beetje verkeerd,” verklaart Oscar, “want dat heb ik opgezocht – verleden week al – stemmen horen is iets heel anders – ik hoor de mensen praten, terwijl ze hun lippen niet bewegen. Hun stemmen klinken ook anders. Heel vreemd is dat.

‘O my God,’

‘Oscar zorgt ervoor dat de televisie geen zinloze aankoop is. Hij kijkt heel erg veel en vindt alles mooi, zolang het maar beweegt en herrie maakt.’

“Daarom begin je ineens over een piano.”

“Ja,” begint Oscar ineens te babbelen, “een echte wel te verstaan – geen keyboard, want ik haat die dingen – ik vind keyboards in één woord vreselijk.”

“Je gaat te snel, ventje,” zegt Noah, “ik zit te denken aan stemmen die je hoort.  Wat hoor je precies?”

“Woorden – stukjes van zinnen. Soms is het heel verwarrend – soms word ik er bang van.”

“Aan wie heb je dit al verteld?”

“Niemand. Ik durf niet. Jij bent de eerste.”

“Hier gaat je moeder héél erg van opkijken,” zegt Noah.

“Zal mama boos worden?”

“Nee, absoluut niet. Daar hoef je niet bang voor te zijn.”

“O – gelukkig.”

“Kun je nu horen wat ik denk?”, vraagt Noah. Auto’s blijven langs rijden. Sommige bestuurders claxonneren langdurig, maar Noah negeert hen. Zijn zoon is belangrijker dan een ongemakje in het verkeer. Auto staat wel erg ongelukkig. Dat wel.

“Heel onduidelijk – erg ver weg – geen echte woorden – en dat komt door de muziek.”

“Ik heb die obsessie van jou voor geluid altijd erg vreemd gevonden – zowel je moeder als ik hebben dat nooit gehad. Nu begrijp ik het tenminste.” Hij schakelt de radio uit – ‘een heel bijzonder talent.’

“Is dat echt zo, papa? Een bijzonder talent?”

“Je zou misschien wel eens de enige jongen op aarde kunnen zijn die de gedachten van andere mensen leest – of hoort. Een telepaat. Zo heet dat.”

“Dus ik ben een telepaat?”

“Ja,” zegt Noah die over zijn linkerschouder kijkt – er komen geen auto’s aan – nog niet tenminste. Hij geeft gas en begint weer te rijden. “En ik vind het goed als je er met je moeder en mij over praat, maar andere mensen mogen er niets van weten – dat mag je nooit vergeten! Niet iedereen zal het begrijpen. Er zullen ook mensen zijn die misbruik van je gave willen maken. Omdat je nu eenmaal kunt wat je kunt. Snap je dat, Oscar? Er zijn ook andere mensen op de wereld met andere bedoelingen dan juffen die een hoop hebben meegemaakt en helemaal geflipt naar huis rennen als een jongen van elf hun geheim heeft ontdekt. Ik neem aan dat je het niet kunt uitschakelen – als een radio – aan en uit?”

 “Nee, dan moet je muziek aanzetten.”

“Daarom wil je een piano,” zegt Noah, “nou, ik denk dat die piano er zeer snel zal komen.”

“Gaaf,” zegt Oscar die zijn vuist erbij balt.

Noah stopt voor een nieuw stoplicht. Er staan drie auto’s voor de zijne. Een bestelbusje blindeert zo ongeveer zijn achterruit. “Je moet me twee dingen beloven.”

“Oké’,” zegt Oscar die er kort bij knikt

“Nee – niet óké, want je hebt nog niet gehoord wat ik wil gaan zeggen.” Auto’s beginnen weer te rijden. Oscar lacht heel even en kijkt naar zijn vader. “Twee regels. Eén. Je vertelt niemand over je gave – je mag er alleen met je moeder en mij over praten. Twee – je mag niemand confronteren met je kennis. Gevolgen zijn niet te overzien als dit per ongeluk uitlekt.”

“Wat gebeurt er dan?”

“Daar wil ik nu nog niet aan denken.”

“En juffrouw Brechtje?”

“Moet ik goed over nadenken. Hoe we dàt gaan uitleggen. Je moeder en ik zullen er een hele kluif aan hebben om dáár iets zinnigs van te maken zonder de waarheid weg te geven – en jij moet er je mond over houden, ventje.

Noah zet de radio weer aan. Vanaf vandaag zal er altijd muziek klinken in hun huis. Altijd. Hij gaat de wijk binnen – een onhandige doolhof van straten die een buitenstaander zonder navigatie tot wanhoop kan drijven. Noah parkeert de auto voor de garagedeur. Ze stappen uit – deur gaat al open – moeder Hannelore stapt naar buiten. “En?”, vraagt ze. Een vrouw met lichtblond geverfd haar.

“Ga jij eens naar binnen, ventje – en zet de radio aan,” zegt Noah. “Je hoeft ons niet te horen.”

“Oké,” antwoordt Oscar die meteen verder loopt.

Hannelore kijkt ietwat verbaasd naar haar zoon die zijn jas op de trap laat vallen met rugtas erbij – Oscar staat geen seconde stil.

“Wat is er aan de hand?”, vraagt ze.

Hij legt zijn hand op de schouder van Hannelore en dirigeert zijn echtgenote zachtjes naar binnen.

“Je moet bedenken dat ik heel, héél erg serieus ben – dus geen grappenmakerij. Wil je dat onthouden?”

“Ja – natuurlijk – maar wat – ?”

“Oscar is telepathisch begaafd.”

“Telepathisch wat?”, vraagt Hannelore. Haar ogen beginnen in eerste instantie te twinkelen – mondhoeken gaan omhoog, maar ook meteen weer omlaag – wenkbrauwen vormen twee strenge lijnen. Ze slaat een hand voor haar mond en lijkt zelfs achterover te vallen. Ze raakt de muur. “Dàt verklaart een heleboel! Nu begrijp ik het.”

“Hoezo?”

In de huiskamer klinkt muziek – vrij hard trouwens – muziek van de Beatles. Noah en Hannelore kijken allebei heel eventjes om, maar laten zich niet afleiden.

“Hij komt wel eens met opmerkingen – reacties op dingen die ik heb gedàcht, maar nooit gezegd. Ik heb er wel eens over na liggen denken en besloot toen dat hij gewoon erg slim is. Een heel slim ventje, zoals jij zou zeggen.”

“Hij is ook slim,” zegt Noah. “Maar ook anders.”

Man en vrouw betreden de woonkamer van hun huis. Zoon Oscar zit op te bank te wachten. Zijn handen liggen geduldig op zijn dijbenen. Zon verdwijnt achter een wolk er zeilt een schaduw door de kamer. Noah begrijpt dat er slecht weer op komst is. Wind en regen.

Hannelore neemt tegenover haar zoon plaats – Noah gaat naast zijn vrouw zitten – hij pakt de afstandsbediening en schakelt de radio uit. “Het is belangrijk dat we goed kunnen praten geen geheimpjes. Afgesproken?” Oscar knikt enkele malen met zijn hoofd.

Zou jij het weten? Als je kind een bijzondere, afwijkende gave heeft? Zou je het weten? Ja, natuurlijk. Al zou Noah het fijner hebben gevonden als zijn zoon gewoon goed had kunnen voetballen, maar Oscar is geen voetballer. Hij houdt van geluid en is telepathisch begaafd.

Noah kijkt uit het raam – heel even, slechts enkele seconden. Hannelore en Oscar volgen zijn kijkrichting. Ze zien het alle drie gebeuren. Er is slecht weer op komst.

 


de kunst van het vergeten

Roltrap brengt hem beneden. Hij hoeft zich niet te haasten, want hij heeft tijd genoeg. Nu wel. Zijn afspraak reageert niet meer. Afgelopen vijf minuten heeft hij minstens tien keer op zijn telefoon gekeken en gecontroleerd of er misschien alsnog een berichtje was binnengekomen. Marvin had het restaurant veel te laat betreden – onderweg nog berichtjes gestuurd – zich verontschuldigd, omdat hij de afspraak was vergeten. Hij had beter kunnen liegen. Hij durft wel te liegen, maar is er te lui voor. Beneden klinken metro’s die vanuit alle richtingen aankomen en vertrekken. Een straatmuzikant speelt een rockklassieker op een slechte gitaar. Marvin laat zijn telefoon wegglijden in zijn broekzak en vergeet de mislukte afspraak. Het is niet meer belangrijk.

Een afspraak met een vrouw en Marvin laat haar zitten in een druk restaurant. Onderaan de roltrap moet hij kiezen en hij besluit terug te keren naar huis. Er valt geen winst meer te behalen aan rondhangen in andere cafés – vrienden zien – vriendinnen misschien zelfs die het minder vervelend vinden als hij te laat en ontspannen ogend binnenwandelt. Er staan heel veel mannen en vrouwen te wachten op het perron. Enkele minuten slechts, je hoeft maar korte tijd te wachten. Waarom autorijden als je met de metro kunt? Parkeren duurt al langer.

Vrouw staat naast hem – lange regenjas – nauwelijks make up – zwarte coltrui – donkerbruin haar dat in een paardenstaart omlaag hangt. Er ligt een doffe gloed op haar netvlies – haar mondhoeken staan naar beneden – Marvin verwacht elk moment een rotopmerking die betrekking zou kunnen hebben op mannen in het algemeen.

“Je bent al net zo vrolijk als ik,” zegt Marvin die zichzelf vervloekt, omdat hij echt iets tegen de vrouw zegt. Geen behoefte aan contact. Niet nu. Niet vandaag. Hij is al een belangrijk iemand kwijtgeraakt en hoeft zijn laatste beetje zelfrespect niet ook nog eens te verliezen. Misschien vertoont zijn gezicht nèt de goede uitdrukking. Hij heeft geen idee. Twee ongelukkige mensen die wachten op een metro. Terwijl de muzikant zijn best doet om Mr. Tambourine Man te verkrachten. Het lukt aardig.

Ze geeft geen antwoord. Er begint een luid mechanisch lawaai aan te zwellen die de muzikant definitief naar de vergetelheid wegdrukt. De metro komt het station binnen en stopt – deuren gaan open en mensen verdringen elkaar om een goede plek.

Toeval bestaat niet en als de metro begint te rijden, kijken ze elkaar recht in de ogen.

“Je hebt dit toch niet gepland, hè?”, vraagt ze. Haar gezicht verraadt een vermoeide lach – het kost de nodige moeite.

“Nee,” zegt Marvin.

“Wat is jouw excuus?”

“Ik heb een vriendin te lang laten zitten.”

“Dat is slecht,” zegt ze.

“Andersom mag natuurlijk wel.”

“Inderdaad.”

Een vervelende bocht schudt de metro heen en weer. Marvin moet de nodige moeite doen om niet tegen de vrouw aan te vallen en het lukt maar nèt. “Het is niet eens een excuus. Ik verschuil me achter geen enkele domme reden. Ben het gewoon vergeten.”

“En nu?”, vraagt ze.

“Ik probeer het vanavond nog eens,” zegt Marvin, “belletje – berichtje.” Hij probeert een glimlach die halverwege roemloos ten onder gaat. “Nu jij.”

“Direct leidinggevende heeft mijn rapport afgemaakt,” zegt ze, “de grond in geboord – dus.”

“Veel werk geweest?”

“Ik heb er heel lang aan gewerkt en het verdient beslist een beter lot,” zei ze.

De metro begint langzamer te rijden en komt tenslotte tot stilstand. “Heb je haast?”, vraagt hij.

“Nee. Hoezo?”

“Ik weet een café in de buurt – vijf minuten lopen.”

“Oké,” zegt ze. “Ik heb tijd genoeg. Nu wel.”

Ze stappen uit de metro en laten zich in de menigte meevoeren naar de uitgang. Marvin zegt niets en vraagt zich af hoe de naam van de vrouw is. Roltrap brengt hen naar boven. Hij voelt een koude luchtstroom. “Daarheen,” zegt hij. “Ik heet Marvin.”

“Linda,” zegt ze.

In het café klinkt bluesmuziek – het is er donker – er staan wat tafeltjes met stoelen – Linda neemt plaats – Marvin vraagt: “Wat wil je drinken?”

“Thee – al klinkt het hier erg lullig,” zegt ze.

“Maakt niet uit – ik neem koffie.”

Ogenblikken later zitten Marvin en Linda tegenover elkaar aan tafel. “Zou je direct leidinggevende je rapport kunnen stelen voor eigen gewin?” Lang donkerbruin haar hangt voor haar borst – het theezakje gaat langzaam op en neer in bloedheet water. Haar tas heeft ze naast zich op tafel gezet. Telefoon ligt met het displayscherm naar beneden.

“Mogelijk – ja – maar ik heb een monster van het medicijn meegenomen. Dat heeft hij niet.”

“Slim,” zegt hij, “maar wat doet het precies?”

Linda laat het theezakje in een bakje vallen. “Ik zeg het nu heel simpel. Het medicijn herstelt verbindingen in je geheugen, zodat je weer toegang krijgt tot informatie in je hersenen. Mensen die lijden aan alzheimer – om maar eens een voorbeeld te noemen – blijken weliswaar hun ervaringen te onthouden, maar kunnen die delen van hun hersenen niet langer bereiken. Dit medicijn herstelt die verbroken communicatielijnen in je hoofd. Het is hartstikke belangrijk.”

“Ik begrijp niet goed wat je direct leidinggevende voor bezwaar kan hebben toch je bevindingen.”

“Hij zou me laten arresteren als hij wist dat ik een monster heb meegenomen,” zegt ze.

“Zo’n belangrijk onderzoek en toch is de afwikkeling ervan ongelofelijk knullig.”

“Ik ben alleen bang dat ik dat ene monster kwijtraak.”

“Begrijpelijk. Het is je levenswerk.”

“Strikt genomen eigendom van mijn werkgever.”

“Omdat ze voor de ontwikkeling ervan hebben betaald?”

“Ja.”

“Ik treurde om mijn vriendin, maar jouw probleem is echt oneindig veel groter.”

“En ik vertel alles aan iemand die ik zojuist in de metro heb leren kennen.”

“Omdat ik een eerlijk gezicht heb.” Aan de overkant begint een onbekende zijn auto in te parkeren. Hij ziet het gebeuren, maar zijn brein registreert het half. Het is oninteressant. Marvin laat een korte stilte vallen. “Het gebeurt me wel vaker.”

Linda begint te lachen. “Zo meteen ga ik je mijn hele levensverhaal vertellen. Bedoel je dat soms?” Haar gezichtsuitdrukking verandert, terwijl ze naar buiten kijkt – wenkbrauwen veranderen in een ernstige frons. “O hemel. Ik heb echt een probleem.”

Twee mannen stappen uit – stevige kerels – zien eruit als militairen – kortgeschoren koppen, hoekige kaken. Op hun jasjes prijkt een badge – symbool van een groot bedrijf, al is het niet goed te zien. Marvin draait zijn hoofd verder naar links en ontdekt een man die naar het café wijst. Hij moet Linda hebben gevolgd. Het moet gewoon.

“Vertel nou eens wat je precies hebt gedaan.”

“Ik heb een nieuw en revolutionair middel ontwikkeld waarmee we alzheimer kunnen genezen.”

“En je direct leidinggevende heeft je werk niet zo dramatisch afgemaakt als je me daarnet wilde laten geloven.”

“Precies, maar ik wil wel de credits voor het werk en dat dreig ik mis te lopen. Je hebt al een maandsalaris. Nou, ze kunnen me wat!”

Mannen beginnen de weg over te steken  en Linda zet haar tas op de stoel naast de hare. “Hier – pak aan,” sist ze en haar stem klinkt bijna onhoorbaar. Marvin pakt een langwerpig, plastic doosje aan en stopt het direct weg in zijn binnenzak. “Denk eraan – ze mogen je niet fouilleren – je bent een burger.”

Linda legt haar onderarmen op tafel en volgt de kerels die het café binnenkomen. Ze negeren de kastelein en blijven stilstaan bij het tafeltje. Ze zegt geen woord, maar plaatst haar tasje op tafel en schuift het naar de rand. Een van de mannen – Marvin kent hun namen helemaal niet – begint te zoeken.

“Zeg maar – als ze het terug willen hebben, dan moeten ze er dik voor betalen. Ik wil geld zien. Heel veel geld.”

“Of heeft u het soms op zak?”, vraagt de bewaker.

“Wat?” Marvin reageert meteen.

“Ik heb het achtergelaten in een kluisje.”

Mannen kijken naar de derde man – die half in de deuropening van het café staat en zijn schouders ophaalt. “Misschien. Het zou kunnen.”

“U hebt een groot probleem, maar dat wist u al.”

“Jullie hebben ook een probleem, als mij iets overkomt.”

“U hoort nog van ons, mevrouw. En u ook, mijnheer.”

Ze lopen weg – deur valt dicht – man trekt het open en wacht tot zijn collega buiten staat – deur valt opnieuw dicht. Linda laat zich achterover zakken en volgt de mannen die de weg oversteken, maar ondertussen een telefoongesprek voeren.

“Ik heb je in gevaar gebracht,” zei ze. “Je moet me je adres geven, zodat ik vanavond langs kan komen. Of vanmiddag. Dan haal ik het pakje weer op. Het is echt heel erg dat ik je hierin heb betrokken.”

Marvin legt een biljet van tien euro op tafel en staat op. “Ik ga er vandoor. Misschien moet jij nog even blijven zitten. Het ventje kan ons niet allebei volgen en dat is zijn taak, geloof ik..” Linda pakt haar telefoon en kijkt afwachtend omhoog. “O ja,” zegt hij en Marvin noemt zijn postcode en huisnummer.

“Dank je.”

Hij verlaat het café en bedenkt dat hij ineens een kostbaar experimenteel medicijn in zijn binnenzak bewaart. Vreemd idee. Mannen bij de auto volgen hem met hun ogen – en ze schudden allebei met hun hoofd – het is een berichtje voor de man die heeft doorgegeven dat ze hier zaten. Hij hoeft Marvin niet te volgen, maar Linda en die zit nog binnen. Roltrap brengt hem weer beneden – hij houdt zijn kaart voor de lezer en gaat verder. Het lawaai vanuit de catacomben van de stad golft hem tegemoet. Tijdens de rit vergeet hij het pakketje in zijn binnenzak – heel even – tot hij zijn halte heeft bereikt en de metro verlaat. Knappe vrouw – Linda – er had iets meer in gezeten, als de omstandigheden beter waren geweest. Misschien gebeurt er nog iets. Vanmiddag of vanavond als ze haar pakketje komt ophalen. Bovendien zijn ze hem niet eens gevolgd en hoe kunnen ze hem dan in hemelsnaam terugvinden? Thuis hangt hij zijn jas aan de kapstok – laat het pakketje in zijn binnenzak achter. Straks staat Linda voor zijn deur en dan – ja – dan geeft hij het gewoon terug en ziet hij haar nooit meer terug.

Hij zet een kop koffie en neemt plaats achter zijn laptop – krantenberichten lezen – nationaal nieuws, internationaal natuurlijk ook, maar hij verliest zijn interesse als hij na bijna een half uur lezen een berichtje binnenkrijgt van vrienden die vastzitten in de metro. Er is zojuist een vrouw voor de metro gesprongen – zelfmoord – hij begint berichten te zoeken en vindt ook tweets van mensen die over moord schrijven – vrouw is geduwd. Dader zou zijn ontkomen in de chaos die na de moord ontstond.

Koffie staat koud te worden. Hij staart naar het scherm en er komen nieuwe berichten. Reguliere kranten pikken het nieuws pas na een uur op. Er zweeft een naam in zijn hoofd – de naam van een vrouw die eer wilde hebben van haar werk en weigerde verder te gaan als naamloze medewerkster van een heel grote firma. Het is al bijna zes uur wanneer hij een foto ziet van Linda – ze is het dus echt. Linda is de vrouw die voor een aanstormende metro is geduwd. Dader zou de man moeten zijn die hen heeft gevolgd naar het café. Marvin pakt de telefoon en tikt de cijfers van het alarmnummer. Zijn vinger blijft boven het telefoontje hangen. Hij vergrendelt de telefoon en legt hem naast zich neer. Waarom zou Marvin het middel aan die mensen teruggeven – aan die moordenaars? Ze verdienen het absoluut niet. Misschien moet hij het maar gewoon verkopen aan de hoogst biedende. Marvin heeft alleen geen idee hoe je zoiets aanpakt.

Om zeven uur begint hij zijn avondeten klaar te maken – aardappels staan op het vuur, als de telefoon gaat. Marvin neemt het gesprek aan – het is zijn vriendin – of – ex-vriendin. “Hoi,” zegt hij. Vanavond maakt hij boerenkool klaar – met spek – voor twee dagen, want dat is makkelijk.

Zijn stem klinkt neutraal, maar zijn vriendin lijkt zo ongeveer panisch. “Je bent op tv,” roept ze. “Weet je dat wel? Politie is naar je op zoek. Je hebt iets aangepakt van een vrouw die een experimenteel medicijn heeft gestolen van haar werkgever en nu dood is.” Ze kent verdomme het hele verhaal. Hoe is het in godsnaam mogelijk na krap drie uur?

“Hoe kunnen ze dat nou weten?” Linda heeft verteld dat ze het pakketje in een kluisje had achtergelaten.

“Bewakingsbeelden van het café. Je neemt iets aan van de vrouw. Het schijnt erg gevaarlijk te zijn als je het gebruikt. Je moet er voorzichtig mee zijn.”

Marvin hoort zijn vriendin die met een heel hoge stem praat. Ondertussen gooit hij de boerenkool in een pan – diep bevroren deelblokjes komen kletterend neer. Misschien moet hij zeggen dat het pakketje niet langer in zijn bezit is. Er is een vrouw voor vermoord. “Het maakt weinig meer uit. Ik heb het in de vuilnisbak gegooid. Onderweg hierheen. Ze zullen dat ook wel op een bewakingsvideo hebben.”

“O, wat ben je weer laconiek,” zegt ze. “Ik ga zelf de politie wel bellen. Waar heb je – ? Laat maar.”

Zijn vriendin kent zijn vaste wandelroutes van en naar het station heel goed. Marvin en Adèle hebben er regelmatig gelopen. Politie heeft een huiszoekingsbevel nodig. Hij weigert het middel zomaar weg te geven. Binnen een half uur verwacht hij politie aan de deur en dan wil hij gewoon met het bord op schoot voor de televisie zitten. Terwijl de aardappels koken en boerenkool langzaam ontdooit, plakt hij het pakketje met duct-tape vast in zijn kledingkast. Ze hoeven het niet snel te vinden, zelfs al zouden ze met een huiszoekingsbevel binnenkomen. Dat doen ze niet. Waarom ook?

Zijn eten is klaar. Hij schept een deel van de gestampte boerenkool op zijn bord – legt het spek ernaast. Restant gaat in de koelkast. Dat is voor morgen. Nog steeds wacht hij op politie. Zo lang kan het immers niet duren? Hij neemt plaats op de bank. Televisie laat een aflevering zien die al voor de derde keer wordt herhaald. Marvin heeft zijn bord half leeg – als eindelijk de bel gaat. Het dienblad blijft op tafel staan. Hij loopt naar de deur en doet open. – politie. Hè hè.

“Bent u Marvin Rijkens?”

Hij knikt – zijn hand rust op de deurklink.

Agent legt in enkele keurige zinnen uit waarvoor zijn collega en hijzelf aan de deur komen – stel je voor dat Marvin het nieuws volledig gemist zou hebben.

“Ik heb het niet meer. Dat weet mijn vriendin ook wel. Weggegooid. Als je het per se wilt hebben, dan moet je die ondergrondse containers buiten liften.”

“Uw vriendin zei – ,” begint de agent.

“We hebben ruzie gehad.”

“Oké,” zegt de agent. “Kunt u ons vertellen in welke container u uw afval heeft gegooid?”

“De eerste die je tegenkomt – vooraan – helemaal links.” Hij verzint het ter plekke. Het is waarschijnlijk strafbaar wat hij aan het doen is, maar het boeit hem weinig. De politie hoort voor de rechten van een vermoorde vrouw op te komen, niet die van een grote firma.

“Het middel is een hoop geld waard.”

“Niet voor mij en er is een dode gevallen. Waarom zou ik die mensen dat plezier willen doen? Ze beginnen maar opnieuw met het werk. Linda wilde de credits voor haar inspanning – een beloning.”

“Een onjuiste verklaring kan u een hoop ellende opleveren, mijnheer Rijkens.”

“Ik spreek de waarheid, zoals altijd,” zegt Marvin. “Mijn probleem is dat ik nogal impulsief ben. Soms denk ik niet goed na. Vraag het maar aan mijn vrienden. Die zullen het wel beamen.”

“Kunt u morgenochtend om – laten we zeggen – tien uur op het bureau langskomen,” zegt de agent. “Dan leggen we uw verklaring vast. Zoals u al zegt. Er is een dode gevallen.”

“Goed,” zegt Marvin. “Mijn eten staat koud te worden.”

“Smakelijk eten,” zegt de agent.

Marvin knikt nog eenmaal en sluit vervolgens de deur. Hij gaat op de bank zitten. Op televisie is reclame bezig. Hij plaatst het bord op schoot en begrijpt ineens dat hij zich laat meeslepen in een gevaarlijk spel dat over miljoenen euro’s gaat. Linda is dood en waarom zouden ze hem niet willen vermoorden? Metrostations zijn gevaarlijke plekken en voordat je het weet heb je een stevige duw te pakken. Je ligt sneller voor een trein dan je denkt.

Om half een gaat hij naar bed. Marvin heeft zijn tanden gepoetst. Licht is uit. Buiten rijden er auto’s voorbij. Sinds negen uur heeft hij geen nieuws meer gevolgd. Zijn telefoon ligt op tafel. Om half tien is de container gelicht waarin hij het pakketje gegooid zou hebben – vuilniszak en pakketje erin. Gezien de tijd die er verstreken is, zou het bovenop moeten liggen. Als hij de waarheid heeft gesproken, maar dat is niet het geval. Marvin heeft gelogen. Zijn plan, om het middel op internet te koop aan te bieden, gaat niet meer lukken. Er is teveel publiciteit en waarschijnlijk krijgt hij een undercoveragent als potentiële koper. Een kostbaar en onverkoopbaar artikel. Linda zou er iets aan hebben gehad. Hij niet. Dus toch maar gewoon teruggeven aan het bedrijf?

Hij ligt naar het plafond te staren – het is vijf over een. Geen spoor van vermoeidheid. Marvin is klaarwakker. Seconden en minuten lijken veel langer te duren dan normaal. De muren van zijn huis vormen alles behalve een onneembare vesting. Politie kan zich toegang verschaffen tot zijn woning en daarmee het pakketje in beslag nemen. Agenten hebben al gezegd dat hij een boel narigheid aan deze affaire kan overhouden. Nou ja – het is al zover. Normaal valt hij direct in slaap – binnen vijf minuten – nu ligt hij aan een vrouw te denken die het belangrijkste resultaat van een onderzoek heeft gestolen. Marvin doet altijd een stapje achteruit als er een metro nadert – het is een reflex. Linda moet zich kwetsbaar hebben gevoeld onderweg naar huis. Zou die vent een aanloopje hebben genomen om Linda voor die aanstormende metro te duwen?

Het beeld blijft plakken op zijn netvlies en Marvin begrijpt dat hij komende uren beslist wakker zal blijven. Om drie minuten over half twee gooit hij zijn dekbed opzij en staat hij op – Marvin loopt naar de woonkamer – het laminaat onder zijn voeten voelt erg koud aan. Straatlantaarns werpen licht in zijn woonkamer. Hij woont aan een drukke weg. ’s Nachts is het weliswaar rustiger, maar het blijft lawaaierig – en auto’s rijden er altijd wel. Hij gaat zitten op de salontafel en wekt zijn iPad tot leven – hij veegt enkele malen over het scherm en tikt tenslotte een lokaal nieuwsblad aan. Zijn vriendin moet zwaar hebben overdreven. ‘Je bent op tv’.

Toch heeft ze de waarheid gesproken. Hij is inderdaad onderwerp van het nieuws geworden. Er zijn tientallen berichten binnengekomen van vrienden die willen weten wat hij aan het uitspoken is geweest. Marvin zal nergens op reageren. Geen zin in. Drie kranten tonen een print screen van de bewakingsbeelden uit het café – hij leest een bericht waarin het belang van de uitvinding nogmaals wordt toegelicht. Het nieuws is veel groter dan hijzelf had durven dromen. Vannacht zal hij zeker niet meer slapen. Marvin gooit de iPad op de bank en ziet het blauwwitte scherm als een kaarslicht uitdoven. Hij had het pakketje aan de agenten moeten geven. In dat geval zou er mogelijk een journalist aan zijn deur zijn gekomen die het verhaal wilde weten en hij zou iets hebben verteld. Het idee is net zo dood als de vrouw die onder de wielen van een metrostel werd verpletterd. Linda zal vrij snel in de vergetelheid raken en haar uitvinding verandert in het werk van een team en ze heeft slechts een bescheiden bijdrage geleverd. Iemand anders – haar direct leidinggevende – zal de prijs in ontvangst nemen. Want iemand zal er een belangrijke prijs voor krijgen. Een Nobelprijs. Om maar eens een voorbeeld te noemen. Niet Linda, iemand anders. Hij ziet haar gezicht voor zich – net zo duidelijk – alsof ze ook recht tegenover hem zit.

Ze gebruikt nauwelijks make up, een paardenstaart hangt slap omlaag en er ligt een doffe gloed op haar netvlies. Hij weet zeker dat ze zich binnen een half uur in een verblindende schoonheid kan veranderen en het maakt niet hoe moe of teleurgesteld ze is. Hij had haar nooit alleen mogen laten. Waarom was ze niet gewoon meegegaan naar zijn huis? Er is voldoende eten in huis en desnoods had hij iets laten bezorgen. Geen probleem. Nu gaat er een ander met de buit vandoor. Een man zonder ideeën, maar wel voldoende kennis en opleiding om het verhaal goed uit te leggen tijdens een persconferentie. Natuurlijk hebben ze daar het monster voor nodig.

‘Dat laat je toch niet echt gebeuren, hè?’

Heel even lijkt het alsof Linda de woorden in zijn oor fluistert – alsof ze naast hem staat. Echt iets voor hem om verliefd te worden op een vrouw die in de problemen is geraakt. Hij schuift wat spullen opzij die op de bank liggen, twee afstandsbedieningen, de iPad en wat tijdschriften. Ze is bestolen door haar eigen werkgever. Stel je nou eens voor dat je iets geniaals bedenkt – want het is je taak om zulke dingen te bedenken. Moet je dan genoegen nemen met je maandsalaris? Heb je daar wel voor getekend? Ging het om geld of toch iets compleet anders? Een gruwelijk idee – een medicijn uitvinden waarmee je een gitzwarte vergetelheid uitbant, maar tegelijkertijd zak je zelf weg in een ondenkbare anonimiteit – een niets – zelfs minder dan een nobody. Hij begrijpt het steeds beter.

Een beslissing ligt er niet, maar Marvin staat op en loopt naar de kast – hij trekt de deur open en begint heel voorzichtig de duct-tape los te maken waarmee hij het pakketje heeft vastgemaakt. Wat zou er gebeuren als je het middel van Linda toedient aan een volkomen gezond iemand? Zou je er iets van merken? Hij kent geen familielid die vergeetachtig is. Niemand anders dan alleen hijzelf, want Marvin vergeet zelfs dat zijn vriendin op hem zit te wachten. Marvin vergeet altijd van alles. Zelf zegt hij dat het niets met vergeten te maken heeft – hij denkt er gewoon niet aan en legt zijn prioriteiten verkeerd. Het zou toch mooi zijn als hem dat nooit meer zou overkomen? Hij neemt plaats aan tafel en maakt het pakketje open – de verpakking oogt teleurstellend. Plastic bakje. Alsof je eten moet bewaren. Hij houdt een injectienaald vast en een ampul. Er zit een volledig transparante vloeistof in. Het is helemaal teleurstellend. Het ziet eruit als water. Hij kan zich moeilijk voorstellen dat hier zoveel mensen naar zoeken. En hij houdt het gewoon vast.

Marvin legt de ampul en injectienaald neer – een doodgewone injectienaald die je zo bij de apotheek kunt halen. Probleem is dat hij zichzelf nooit eerder een spuit heeft gegeven. Hoe doe je zoiets? Hij staat op en pakt zijn iPad – begint te zoeken naar sites die informatie verstrekken over injecties. Gewoon proberen! Als je nooit eens iets probeert, dan kom je helemaal nergens in het leven. Linda zou het normaal hebben gevonden. Ze zou het hebben toegejuicht! Hij leest iets over musculair spuiten – gewoon die naald in je dijbeen steken en injecteren – heel klein beetje lucht is toegestaan, maar teveel mag niet. Is het effect van het medicijn sterker als hij in een ader spuit? Zou hij er ooit iets van merken? Marvin maakt de verpakking van de naald los en vult het reservoir van de injectienaald met een vloeistof waar half Nederland naar op zoek is. Hij legt de naald neer en begrijpt dat zijn hartslag absurd hoog is – zijn hand trilt een beetje. Nog even en er is geen terugkeer mogelijk. Hij hoeft het alleen maar te doen – prikken en de vloeistof in zijn lijf brengen – tussen de spieren spuiten, net als een griepspuit – een prikje – meer niet.

Zijn onderarmen rusten op tafel. Tussen zijn handen wacht de injectienaald op een beslissing van Marvin. Waarom zou hij zichzelf injecteren met een medicijn dat zijn geheugen beter maakt dan het is? De ontmoeting met Linda was anders – waarheid bracht ze druppelsgewijs – niet alles ineen – nee, want ze bleek op de vlucht voor een paar bloedhonden die exclusief in dienst zijn van een multinational. Het zijn altijd grote bedrijven die dit soort dingen doen. Een vernieuwend medicijn op de markt brengen – om heel, heel erg veel geld binnen te harken – meer nog dan de mensheid te dienen. Alles draait om geld.

Hij pakt de naald en denkt aan de laatste ogenblikken van Linda, toen ze begreep dat ze dood zou gaan. Of zou ze het nooit hebben beseft? Ze was onderweg naar een man die best wilde luisteren en zelf ook een enorme behoefte had zijn verhaal kwijt te raken. Marvin laat enkele druppels van het medicijn langs de naald sijpelen, zodat hij zeker weet dat alle lucht eruit is. Ja, net als in het ziekenhuis. Daar doen ze dat ook. Hij plaatst de naald tegen de huid van zijn dijbeen en duwt hard – er volgt een korte venijnige steek – hij ziet de naald in zijn been verdwijnen en laat de vloeistof gaan – wegstromen in zijn lichaam. Als het reservoir leeg is, trekt hij de naald langzaam terug. Er vormt zich een druppel bloed op zijn been en Marvin staart naar de plek. Het blijft bij een enkele druppel. Zijn vinger glijdt over de huid – het bloed – en hij likt zijn vinger af. Er is geen verschil te merken met vijf minuten geleden. Hij voelt zich hetzelfde – alsof er nooit iets zal veranderen.

Injectienaald en ampul gooit hij in de vuilnisbak – nu wel – het is rommel – o ja – politie verwacht hem morgenochtend om tien uur op het bureau, maar het is bijna twee uur en de stoplichten zijn buiten werking gesteld. Dat gebeurt elke nacht om precies half twee, maar daarstraks viel het niet eens op. Hij moet zijn vriendin bellen. Als hij bij de politie is geweest, zal hij zijn spullen ophalen. Marvin kan nooit meer terug naar Adèle, want zijn gedachten zijn vrijwel continu bij Linda – die onder de metro werd geduwd. Moeder zal het vervelend vinden, want ze mocht Adèle heel graag; vader haalt er gewoon zijn schouders bij op en gaat verder met het leven. Er zullen beslist meer vriendinnen volgen. Marvin voelt zich wegzakken in een diepe slaap. Hè hè – eindelijk.

’s Ochtends om zes minuten voor acht doet hij zijn ogen weer open en Marvin kijkt eerst op zijn wekker. Het is vroeg. Misschien is de politie afgelopen nacht op zoek geweest naar het afval van Marvin. In dat geval moeten ze inmiddels weten van zijn bedrog. Misschien zijn het medewerkers van de multinational geweest die hun dromen van een eervolle vermelding langzaam hebben zien verdampen. Geen injectienaald – geen ampul met een transparante vloeistof – helemaal niets – dus mijnheer Rijkens heeft gelogen.

Waarom heeft mijnheer Rijkens eigenlijk gelogen? Heel simpel. Vanwege zijn liefde voor een vrouw die haar leven roemloos beëindigde onder de wielen van een metrostel. Hij stapt onder de douche en poetst zijn tanden – wast uitgebreid zijn haren en lichaam – shampoo verdwijnt in het afvoerputje. ‘Je hebt dit toch niet gepland, hè?’ Hij hoort haar stem. Gezichten verschijnen in zijn geheugen. Warm water blijft langs zijn lijf stromen. Hij ziet jonge en oude mensen die de rijkdom van een zitplaats kennen of moeten blijven staan, zoals Marvin en Linda. Hoe zou hij dit nou in hemelsnaam gepland kunnen hebben? Tussen de reizigers herkent hij het gezicht van de man die korte tijd later ook bij het café opdook, maar toen als verklikker – hij was er ook in het metrostel, maar gisteren herinnerde Marvin zich het allemaal niet.

‘Je hebt dit toch niet gepland, hè?’ Warm water blijft langs zijn lichaam stromen. Al een kwartier. Normaal doucht hij slechts korte tijd. Woorden van Linda galmen in zijn hoofd, terwijl hij haar ogen bijna steels naar rechts ziet gaan – naar de verklikker – spion die zijn werkgever heeft geïnformeerd. Gisteren niet opgemerkt. Nu denkt hij eraan. Linda moet hebben geweten dat ze werd gevolgd. Het moet. ‘Je hebt dit toch niet gepland, hè?’ Nee, Marvin heeft het absoluut niet gepland, maar Linda beslist wel.

Hij draait de kraan dicht en vervloekt zijn eigen onnozelheid – zijn hand graait naar de handdoek en hij begint zich droog te wrijven. In de woonkamer begint hij zich aan te kleden – half gesloten jaloezieën onttrekken de straat goeddeels aan het zicht. Marvin ziet de ogen van Linda weer naar rechts bewegen – heel even maar en hij vraagt zich af waarom het hem gisteren niet eens is opgevallen. De film herhaalt zich eindeloos – als een eeuwigdurende loop. Steeds ziet hij Linda naar de verklikker kijken – naar de spion.

Zijn ontbijt begint met een kop thee – yoghurt met cruesli – elke dag hetzelfde. Hij checkt e-mailberichten. Zijn vrienden proberen hem nog steeds te bereiken, maar hij antwoord niet. ‘Je hebt dit toch niet gepland, hè?’ Hij had om precies te zijn helemaal niets gepland. Marvin probeert te bedenken wat het kan betekenen – Linda keek naar de spion. Ze moet hebben geweten dat ze werd achtervolgd. Zou ze daarom met Marvin mee zijn gegaan naar het café?

Na zijn ontbijt spoelt hij de yoghurtbeker af – thee blijft nog eventjes op tafel staan. Buiten op straat zijn veel auto’s geparkeerd – het is altijd erg moeilijk om hier een parkeerplek te vinden. Hij herkent de  auto die gisteren tegenover het café heeft gestaan. Zelfde mannen zitten voorin, maar is er nu een derde bij gekomen – man die gisteren als chauffeur optrad, is nu bijrijder – het is moeilijk om achter het verduisterde raam de passagier te zien.

Marvin overweegt of het mogelijk is om een dubbelganger voor de metro te laten duwen. Ja, het zou kunnen. Je hoeft alleen maar de identiteitskaart om te wisselen en beveiligingscamera’s zijn vaak niet zo erg goed. Afstand schept twijfel – camera van achterzijde. Onderzoeken moeten nog uitwijzen dat het slachtoffer inderdaad Linda heette, want de stoffelijke resten liggen over een afstand van kilometers. Metro zou niet eens zijn gestopt. Volle snelheid. Hij kan de pijn haast voelen. Zou je de klap echt kunnen – ?

Inzittenden van de auto zijn aan het wachten en hij heeft geen idee waarom ze het zolang laten duren. Misschien moet hij zijn vrienden maar eens uitleggen wat er is gebeurd sinds gistermiddag. Nee, ze geloven hem sowieso niet – het verhaal is veel te fantastisch. Hoe hebben de beveiligers hem eigenlijk gevonden? Politie geeft geen adressen aan particulieren. Linda had zijn postcode en huisnummer en dus het adres. Maar Linda is onder de metro terechtgekomen. Hij heeft nergens aanwijzingen achtergelaten dat hij in dit gebouw woont – nergens, niet op sociale media. Ze kunnen hem onmogelijk zo snel hebben gevonden – alleen als er iemand anders van het perron is – .

Hij zoekt een aanwijzing in zijn geheugen – een gebaar of oogopslag van Linda – woorden die verraden wat ze werkelijk van plan is geweest. Zoiets doe je toch niet volkomen onvoorbereid? Hij zou persoonlijk elke stap vooraf plannen – zorgvuldig handelen, aangezien je wetten aan het overtreden bent. Linda moet dat ook hebben gedaan.

Hij staart naar het beeldscherm van zijn computer en stelt vast dat het nieuws naar de achtergrond is verdwenen – er gebeuren meer en veel ergere zaken. Nergens staat er iets over een persoonsverwisseling. Hoe zouden de beveiligers hem anders zo snel hebben gevonden? Zulke informatie krijg je niet van de politie. Of een agent moet corrupt zijn en er bestaan helaas corrupte agenten in deze wereld. Marvin krijgt zin in koffie en loopt naar de keuken – drukt het knopje in van de Senseo – zijn moeder spreekt altijd over ‘de kromme koffiepot’. Terwijl het water op temperatuur komt, beslist hij dat een agent de adresgegevens van Marvin heeft doorverkocht.

Linda is dood. Punt uit. Ze is voor een metro geduwd. Hij neemt zijn kop koffie mee naar de woonkamer – neemt een slok – en de bel gaat. Marvin zet zijn koffie neer en loopt naar de voordeur – draait de sleutels naar links – hij trekt de deur open en ziet – .

Linda staat voor hem – ze ziet er mooi en uitgerust uit. Lange regenjas, nauwelijks make up – rode trui met V-hals – donkerbruin haar dat los op haar rug en borst hangt. Er ligt een heldere glans op haar netvlies. Er zijn ook drie mannen – de beveiligers en een oudere man die ongeveer zestig jaar oud moet zijn. 

“Ik heb gelezen dat je voor een metro bent geduwd.”

“Ja, het was erg vreemd om dat over mezelf te lezen,” zegt ze. Zou ze in het echt nou ook Linda heten? “Ik vond het best wel een beetje sneu voor het meisje.”

“En nu ga je de politie vertellen dat je niet snapt hoe je identiteitskaart in haar jaszak terecht is gekomen,” zegt Marvin. “Zelfde postuur en haardracht, zelfde soort gezicht en dan ben je het ook echt. Tot de eerste onderzoeksresultaten binnenkomen.”

“Ik vind het echt heel erg voor dat meisje, hoor,” zegt ze.

Man zegt: “Je hebt het gebruikt – ik zie het in je ogen. Ik kan je verzekeren: het wordt steeds leuker – alsof je voor het eerst de zon ziet opkomen.”

Man legt zijn hand op een schouder van Linda – nou ja – misschien is dat werkelijk haar naam. “Edward – ik heb alleen zijn hersenen nodig – de rest is afval.”

Hij hoort de woorden – man en vrouw lopen weg, maar de beveiligers duwen Marvin het huis weer in.

“Wist je dat de meeste ongelukken thuis gebeuren?”, merkt beveiliger op die Edward heet, maar zijn collega zou net zo goed dezelfde naam kunnen hebben.  

Alleen zijn hersenen. De rest is afval.

Als hij nou alleen maar op tijd bij zijn vriendin was geweest, zou dit allemaal niet zijn gebeurd. Kut.

Alleen de hersenen.

© Jos Smies, 26 maart 2016


‘Het is zo fijn als je iemand kunt helpen!’

Donderdagmiddag in een patatzaak. Er zaten enkele mannen en een vrouw te eten. Het verhaal zou inmiddels bekend genoeg moeten zijn, omdat het ook in de krant heeft gestaan. Twee schilders, die niet ver daar vandaan aan het werk waren en pauze hadden, zaten een ongelooflijk vette hap naar binnen te werken. Blikje cola onder handbereik. Geen broodje gezond. Absoluut niet. Namen van de schilders waren Kasper en Ralph. Een onbekende vrouw zat aan een tafeltje en at een broodje fricandeau – kopje thee stond ernaast. Naam was onbekend – niemand had haar eerder gezien. Ze speelde een hoofdrol in een drietal incidenten die de burgerij lange tijd heeft beziggehouden.

Onbekende vrouw stond op, terwijl de schilders nog altijd een middaghap zaten weg te werken. Ze had geld op tafel laten liggen. Eigenaar telde het bedrag twee keer na en knikte heel tevreden. “Jij heet toch Kasper?”, vroeg ze en haar hand rustte op zijn schouder. “Kasper van de Linge?”

“Ja – Heb je behoefte aan een date?” Kasper deed zijn stinkende best om een keurige uitspraak te hebben. Dat was duidelijk. De schilders begonnen te lachen.

“Jij moet na het eten onmiddellijk naar huis – het is beter als je straks niet meer aan het werk gaat – voor je eigen bestwil – neem een vrije middag,” zei ze. “Dat moet je echt doen, hoor – anders loopt het slecht met je af,” en ze tikte enkele malen met haar hand op zijn schouder. Daarna begon ze weg te lopen. “Het is zo fijn als je iemand kunt helpen.” Niet alle aanwezigen hebben haar deze laatste woorden horen uitspreken, maar Ralph hield later voet bij stuk. Hij had dit zeker weten gehoord. Deur ging open – warme buitenlucht kwam binnen – vrouw ging weg. Eerste instantie viel er een stilte, alleen onderbroken door de radio. Na ruim vijf seconden barstte de schilders in lachen uit. Dolkomisch dit.

“Me wijf ziet me al aankomen en de baas scheldt me compleet verrot,” zei Kasper. Hij veegde de tranen in zijn ogen af en begon weer patat naar binnen te proppen die droop van de mayonaise.

Kasper en Ralph waren het voorval allang weer vergeten. Tot Ralph een uur later een ijselijke schreeuw hoorde die lange tijd bleef aanhouden. Hij dacht dat zijn maatje stond mee te zingen met de radio, maar dat bleek niet het geval. Hij ging kijken, vooral om te vragen of Kasper alsjeblieft zijn klep dicht wilde houden. Toen hij in de deuropening verscheen, werd het al stil. Maar Kasper bleek van de ladder te zijn gevallen. Ralph graaide met trillende handen naar zijn telefoon en belde 112.

Nadat de ambulance met zijn maatje Kasper was verdwenen, vertelde hij aan twee agenten wat er was gebeurd – voor zover hij het had gezien. Tot slot noemde hij de vrouw in de snackbar die hem al had gewaarschuwd – Kasper had naar huis moeten gaan. Veel aandacht kreeg dit onderdeel van zijn verklaring niet eens. Op dat ogenblik nog niet. Later wel. Ralph ging naar het ziekenhuis, waar hij de vrouw van zijn maatje zou ontmoeten.

Zaterdagochtend op het strand – niet aan zee, maar het binnenland – een voormalig zandwinningsgebied. Er zaten kinderen, maar ook volwassenen. Het was in mei, de eerste warme dag van het jaar. Hier en daar klonken schrille kreten van kinderen die zich voor het eerst in het water waagden. Ouderen stapten behoedzaam verder en probeerde langzaam te wennen aan het koude water. Er liep een jonge vrouw op de boulevard – lang lichtblond haar – ze droeg een suède jack, donkere pantalon – bruine laarzen. Ze droeg een zonnebril. Het was overduidelijk dat ze iemand zocht. Regelmatig bleef ze staan en bestudeerde gezichten van mensen die met drijfnatte lichamen uit het water stapten. Toch bleef ze nooit lang genoeg staan om argwaan te wekken of om geïrriteerde reacties op te roepen. Bovendien was ze een knappe jonge vrouw, geen lelijke ouwe kerel. De onbekende vrouw werd een verschijning waarvan iedereen later heel zeker wist dat ze er was geweest – ze had daar gelopen – een enkeling meende zelfs een foto van de vrouw te hebben genomen, maar wist slechts een mislukte, bewogen foto te tonen. Je zag een menselijke gestalte. Dat wel. Niets herkenbaars.

Onbekende vrouw vond tenslotte een man die in gezelschap van zijn familie genoot van het mooie weer – vrouw, kinderen en kleinkinderen. Ze liet de boulevard achter zich en ging over het zand – er groeide bomen – een paar struiken. Gesprekken vielen stil, omdat ze werd beschouwd als een indringer. “Mijnheer Maas? Mijnheer Fred Maas?” De man, die ongeveer zestig jaar oud was, draaide zich om – dankzij zijn bermudashorts viel zijn buik niet eens zo erg op. “Dat bent u toch? Fred Maas?”

“Waarom wil je dat weten, liefie?”

“Waarom bent u gisteren niet naar de dokter gegaan – zoals u van plan was?”, vroeg ze.

“Hoe weet jij nou dat ik – ?”, vroeg hij. Zijn hand gleed langs zijn arm. Niet één keer. Hij bleef wrijven.

“U had naar uw vrouw moeten luisteren, mijnheer Maas,” zei ze, “maar u bent erg eigenwijs. Ik raad u aan vanmiddag nog naar het ziekenhuis te gaan.”

“Hoe ken je nou weten dat hij – ?”, vroeg mevrouw Maas, maar ze viel halverwege haar vraag stil.

“Wees verstandig – en laat u naar het ziekenhuis brengen, anders is het te laat. Anders is dit uw laatste dag,” zei de onbekende vrouw die zich omdraaide en wegliep. Ze waren erg verbaasd en niemand durfde te spreken. “Het is zo fijn als je iemand kunt helpen,” zei de vrouw voordat ze buiten gehoorsafstand raakte. Ze hebben het allemaal gehoord. Dat zei ze echt.

De zoon van Fred Maas heeft zijn vader naar het ziekenhuis gebracht – zwaar onder protest – de zestiger droeg alleen een bloemetjeshemd – zijn bermudashorts en teenslippers. Zowel vader als zoon verwachtte binnen een kwartier op de parkeerplaats te staan, maar het liep anders. Onderzoek wees uit dat Fred op het punt stond een zeer zware hartinfarct te krijgen. Hij mocht niet naar huis en werd opgenomen in het ziekenhuis. Het dagje aan de plas was voorbij. Nadat de familieleden begonnen binnen te druppelen, werd het verhaal van de onbekende vrouw bekend. Fred Maas had niet geluisterd, zijn zoon wel. Daarom leefde hij nog. Ondanks zijn tegenwerpingen was hij toch meegegaan naar het ziekenhuis. In de veronderstelling dat hij door een verpleegster weg zou worden gestuurd. Het bericht haalde de krant. Specialist merkte zuinigjes op dat Fred erg veel geluk heeft gehad – echt, heel erg veel geluk. “Uit uw beschrijving van de onbekende meen ik op te mogen maken dat u hulp heeft gehad van een engel,” zei de specialist, “iets anders kan ik het niet noemen.” Via Facebook haalde het verhaal de plaatselijke krant, inclusief oproep aan de onbekende dame zich te melden, zodat de familie haar beter zou kunnen bedanken. Ze wisten nu hoeveel geluk ze hadden.

Een zeker Ralph die, na de dood van zijn maatje, geestelijk steen kapot zat en zich ziek had gemeld, merkte zurig op dat Kasper had moeten luisteren en beschreef in het kort hoe – waarschijnlijk – dezelfde dame Kasper had gewaarschuwd. Beschrijving van de vrouw kwam overeen. Zelfs haar laatste woorden waren identiek. Zelfde dame, zelfde woorden.

Zondagmiddag was het verhaal over de redding van Fred Maas als een lopend vuurtje rondgegaan – een stadsmythe in wording – maar niet iedereen geloofde het verhaal. Waarom zou je ook? Waarom zou een engel het leven van Fred Maas willen sparen – terwijl zovele andere levens hopeloos verloren gingen? Mensen die vuriger in God geloofden dan hij. Waarom werd hij wel gered en iemand anders niet? Misschien hield God wel degelijk van dobbelen en was er sprake van willekeur. Het personeel van het verzorgingstehuis in het westelijk deel van de stad dacht er niet echt aan, toen er een onbekende vrouw binnenkwam en vroeg naar Thijs de Waal – een man van vierentachtig jaar die zelden bezoek kreeg.

Marianne  was een ervaren verpleegster die volhield dat ze ook een echte naam heeft gehoord – de onbekende vrouw noemde zich Averna, een ongewone naam en daarom dacht Marianne dat ze het verkeerd had gehoord. Ze noteerde de naam op een kladbriefje en stelde vervolgens de oude Thijs voor aan Averna die hem omhelsde en ‘oom’ noemde. Het stelde Marianne gerust, want Thijs noemde de jonge vrouw direct bij haar voornaam – Averna.

Het wekte geen wantrouwen bij Marianne. Ze draaide zich om en hoorde Averna zeggen: “Het is zo fijn als je iemand kunt helpen.” Woorden die een onbekende vrouw ook had uitgesproken – donderdag en zaterdag. Twee mannen, twee incidenten. De oude Thijs leek erg gelukkig met de belangstelling die hij onverwacht had gekregen. Maar ja, hij kreeg nooit bezoek. Wel familie, geen bezoek.

Een half uur later kreeg Marianne de tijd om te zitten, telefoon te controleren op berichten en eventueel antwoorden te versturen. Ze zag haar eigen notitie – een slordig geschreven naam. Averna. Later wilde ze het eens opzoeken – kijken wat het betekende – als het tenminste iets betekende – je wist maar nooit. Ze nam een slokje thee en zag Thijs en Averna voorbijkomen – Thijs in rolstoel – Averna erachter. Hij droeg een jas – een sjaal, maar niet overdreven warm, gezien het weertype. Averna scheen er goed over nagedacht te hebben. “We gaan van het mooie weer genieten, hoor,” zei ze en Averna zwaaide.

Nog koesterde Marianne geen wantrouwen. Waarom ook? Oude Thijs oogde zielsgelukkig en staarde naar een onbekend punt in de verte. Dunne armen rustten op de leuning van zijn rolstoel, een magere nek stak uit de sjaal die losjes om zijn hals was gedrapeerd.

Waarom zou je feitelijk wantrouwig moeten zijn? Oude Thijs de Waal had een heel grote familie – Marianne had zijn kinderen ooit eens ontmoet – voor de rest scheen Thijs nog enkele kleinkinderen te hebben die allemaal de leeftijd van Averna moesten hebben. Dus – waarom wantrouwig zijn? Ze nam een slokje thee – terwijl ze dit deed, zag ze een zoon van Thijs voorbijkomen – Marianne stond op en voelde zich ineens stukken opgewekter. De familie had kennelijk besloten meer aandacht aan hun bejaarde familielid te schenken. Het werd tijd, potverdorie.

“Mijnheer De Waal!”, riep ze en haar stem droeg verder dan ze had gehoopt, want iedereen keek.

Mijnheer De Waal – ze zocht naar zijn voornaam, maar slaagde er niet in zich die te herinneren – hij draaide zich om en glimlachte vriendelijk. “Ik kom mijn vader ophalen – mooi weer – hij weet ervan.”

“O jee,” zei Marianne en ze wreef over haar achterhoofd, “dan zijn we dat vergeten, want een nichtje van u heeft hem meegenomen naar buiten – om van het mooie weer te genieten.”

“Een nichtje van mij? Hoe heet ze?”

“Averna.”

“Ik heb helemaal geen nicht die Averna heet.”

Marianne aarzelde geen seconde en verliet ogenblikkelijk het gebouw – gevolgd door de zoon van Thijs – de zoon heette Ronald – ze wist het weer. Het verzorgingstehuis lag aan een park – een groot woord voor een grasveld waarop enkele bomen groeiden – er stonden wel bankjes onder die bomen.

De rolstoel met Thijs stond in de schaduw van een oude eikenboom – lichtgroene bladeren wuifden zachtjes in een warme bries. Averna stond ernaast. Marianne begon te rennen, omdat het hoofd van de bejaarde man slap opzij hing. Averna stond erbij en deed totaal niets – ze had hulp moeten halen.

Toch was er nog iets anders – een vreemd verschijnsel zorgde ervoor dat Marianne en Ronald na enkele passen als aan de grond genageld stil bleven staan – het was een warme dag – nog warmer dan zaterdag – onbewolkt – lucht was strak blauw – behalve een merkwaardig gevormde wolk die erg laag boven het park leek te hangen – Marianne moest denken aan een engel – die het lichaam van een oude man in zijn armen droeg. De wolk was enkele seconden zichtbaar. Marianne keek naar Ronald wiens mond opengevallen was. Daarna keek Marianne naar Averna – lichtblond haar hing over haar borst – ze liep naar de vrouw die toch geen familie kòn zijn.

Ogen van Averna waren zichtbaar – nu wel – zonnebril had ze naar het puntje van de neus geschoven en haar hoofd hing iets voorover. Geen blauwe of bruine ogen, groene desnoods, maar gitzwarte kolen die dwars door Marianne heen keken. Ze legde haar hand op de schouder van Thijs, hield ondertussen de vrouw in de gaten en bedacht dat ze niet eens zeker wist of ze wel Averna heette.

“Hij is dood,” zei de onbekende vrouw. Marianne schrok vooral van de zware raspende stem die ze nu hoorde. “Hij zou alleen zijn gestorven – nu was ik er tenminste bij.” Nog steeds die akelige stem – gadverdamme – Hoe deed ze dit toch? Ronald knielde bij zijn vader. “Gelukkig maar,” zei de onbekende. Was ze nou de enige die die smerige stem hoorde – die haar steenkoolzwarte ogen zag? Blijkbaar. “Tot ziens,” zei de onbekende. “Het is zo fijn als je iemand kunt helpen!” Averna, of de degene die zich zo noemde, schoof de zonnebril terug en liep weg.

Marianne hield haar niet tegen.

Voordat ze haar telefoon pakte om hulp in te roepen, begreep ze dat ze Averna nog wel vaker tegen zou komen – liever niet – maar het hoorde erbij.

“Wat – wie was dat?”, vroeg Ronald.

Marianne wist het – of had het een sterk vermoeden, maar zou het nooit hardop tegen iemand zeggen. Nooit.

“Geen flauw idee.”

© Jos Smies, 3 en 4 maart 2016

 


de win-winmethode

 

Je moest eens weten hoe makkelijk het voor mij is om jouw huis binnen te komen. Het is echt doodsimpel. Ik doe dit werk toch al een hele tijd en er zijn nog altijd huizen die zo slecht zijn beveiligd dat mensen soms denken dat ik er zelf woon.

Ik begin met de schroef – er moet een schroef in de cilinder – normaal gaat jouw huissleutel daarin – nu is het mijn schroef, omdat ik de schroef, waarmee de cilinder is vastgezet, in tweeën wil breken. Het slot van je voordeur zit namelijk vast op één schroef. Daarna trek ik de cilinder met mijn schroef eruit – ik gebruik er een klauwhamer voor. In minder dan twee minuten sta ik bij jou in de gang. Je bent niet thuis, dus vanaf dat moment is het mijn plekkie en ik neem alles mee dat ik kan gebruiken. Ik ruim je huis gewoon een beetje op, neem je troep mee en word er ook zelf beter van. Ik noem het de win-winmethode.

Het cliché schrijft voor dat ik ’s nachts aan het werk moet zijn, maar net als gewone mensen lig ik dan ook liever in bed. Mensen werken overdag, kinderen gaan naar school, zodat werkelozen en bejaarden in hun huizen achterblijven. Zo ga ik meestal aan de slag – ik begin met observeren – donkere huizen – licht uit – weinig beweging – soms aanbellen – doet er iemand open? Natuurlijk moet je ook niet te lang en opvallend observeren – rondhangen. Ik doe soms alsof ik een appartement wil kopen. Mensen willen je vaak heel erg veel vertellen. Sociale dieren, hoor, die mensen. Succes draait om snelheid. Hoe snel krijg je een deur open? Dat is de truc.

Ik heb een huis gevonden waarvan ik vermoed dat er een hoop te halen valt. Oude voordeur en een cilinder die ik makkelijk los kan krijgen. Oud herenhuis, dus ik sta meteen binnen. Grote appartementengebouwen zijn anders. Je komt wel makkelijk in het gebouw zelf, hoor. Er is altijd iemand die open wil doen als je een goed verhaal hebt. O, misschien moet je vooraf eens opzoeken welke postcode bij het adres hoort. Sommige mensen horen die postcode graag. Vooral in grote steden waar veel mensen bij elkaar wonen, ben je gewoon een gezicht in de massa – een onbekende. Doe normaal en niemand zal je gezicht onthouden. Zo werkt het echt. Gebruik een versleten rugzak, liefst van een merk waar je half Nederland mee ziet lopen. Op woensdag of vrijdag moet je nooit overdag een huis binnengaan, omdat mensen dan graag vrij nemen van hun werk. Bedenk liever op welke dagen de meeste files staan in ons land. Maar er zijn uitzonderingen. Je moet je goed voorbereiden en de mensen moeten tevens zo welwillend zijn dat ze hun huizen minder goed beveiligen dan ze eigenlijk zouden moeten doen. Zo heb ik werk.

Vandaag ga ik een herenhuis binnen – het staat in een winkelstraat. Daarom begin ik donderdagavond om half tien. Zoals ik hierboven al heb verteld, is het een fluitje van een cent om zo’n woning binnen te komen. Heel gemakkelijk en ik ga het niet opnieuw vertellen. Het is onnodig. Binnen anderhalve minuut sta ik in een donkere hal. Het huis is altijd donker. Tot hiertoe verloopt alles naar wens. Er zou niemand thuis mogen zijn, ik heb mijn werk gedaan. En anders ben ik heel snel weg. Ik kan hard lopen als het moet. Bovendien zijn mensen totaal overrompeld – verbijsterd wanneer er een onbekende hun huis binnenkomt. Geloof me, je hebt tijd genoeg om weg te komen. Ik wil naar de woonkamer – die is rechts – deze mensen hebben geen dieren, alles is stil.

Er gaat een deur open – ik zie een oudere man wiens gebalde vuist razendsnel naar mijn gezicht komt en ik verlies het bewustzijn. Onbekende tijd later doe ik mijn ogen weer open. Bewoner, zoals ik hem noem, want ik ken zijn naam niet, heeft me op een stoel gezet – armen en benen zijn vastgebonden. Hij heeft er tiewraps voor gebruikt. Ik kan geen kant op.

Nou ja, hij zal de politie bellen, of heeft dat al gedaan, zoals elke keurige burger doet als hem zoiets is overkomen. Maar het is wel de eerste keer dat ik ben neergeslagen door een bewoner. Hij zal de politie wel bellen. Ja toch? Waarom zou hij dat niet doen? Hij gaat de politie bellen, maar voorlopig zit hij voor me – hij zit op een gewone stoel en staart naar me. De man heeft blauwe ogen – twee ijskoude blauwe ogen die naar me blijven staren.

“Je bent toch wel de grootste stommeling van het westelijk halfrond, hè?” De bewoner heeft een prettige stem, hypnotisch bijna, zoals hij praat, rustgevend. Hoe doet hij dat? Bewoner noemt me een stommeling en het interesseert me totaal niet.

“Bel de politie,” zeg ik en ik probeer dreigend te klinken, maar het mislukt. Mijn woorden klinken als een smeekbede. Als een kleine jongen die zijn moeder om een ijsje vraagt. “Ik heb mijn rechten.”

“Je rechten heb je bij de voordeur achtergelaten die je zo fraai open hebt gebroken – ik moet je er voor complimenteren – deze methode kende ik nog niet.”

“Je moet de politie bellen, want – .” Ik krijg niet eens de tijd om uit te spreken. Bewoner staat op en geeft me een harde klap in mijn gezicht. Volgens mij ben ik eventjes buiten westen geweest. Eventjes maar. Denk ik.

Hij begint weer te spreken, anders dan daarnet. Bewoner is een keiharde vent. Niet zomaar iemand die hier woont. Wie is deze kerel? Waarom ken ik hem niet? Hij moet een gangster zijn – of zo. “Om te beginnen wil ik dat je ‘mijnheer’ en ‘u’ tegen me zegt. We zijn geen vrienden en zullen dat ook nooit worden. Begrijp je dat?”

“Ja – mijnheer.” Ik wil het helemaal niet zeggen, maar het moet. Zoals de man naar me kijkt, dwingt hij me ertoe. Het moet. Ik moet.

“Mooi, da’s een begin,” zegt hij, “weet je – eigenlijk moet ik je dankbaar zijn. Want mijn kleinzoon komt hier wonen en de jongen is net als ik. Snap je wel?” Nee, ik begrijp er eerlijk gezegd helemaal niets van. Ik wil alleen maar dat de man begint te bellen – de politie – hij moet godverdomme de politie bellen. Alleen – ik durf het niet te zeggen. Zijn ijskoude ogen die me aan blijven staren – hij heeft me vastgebonden. Ik zou me niet eens durven te bewegen – of weg te lopen. Het gaat gewoon niet.

“De jongen heet Bastiaan,” zegt de bewoner die op kalme toon verder blijft praten. “Een fijn joch, het is erg vervelend wat zijn ouders is overkomen, maar ja, je kunt niet alles hebben. Soms raak je mensen kwijt. Zulke dingen gebeuren nu eenmaal.”

“Mijnheer – alsjeblieft – mijnheer – Wilt u de politie voor me bellen?”

“Nee, ik peins er niet over. Je komt hier niet meer weg – nooit meer. Je bent mijn huis binnengedrongen en nu ben je van mij. Het is een beroepsrisico. Zo moet je het maar zien. Een overvaller kan doodgeschoten worden – Jij blijft hier – in mijn huis.”

“Wat – wat g-gaat u met me doen?”

“Ik geef je de tijd om na te denken over je zonden – Zeg eens – Geloof je in God?”

“N-nee.”

“Dat zou ik dan toch maar eens serieus overwegen. Misschien biedt het enige troost. Ik heb er zelf niet zo veel mee. Het zijn van die burgerlijke cultuuruitingen waar ik totaal niks mee heb.”

Ik begin echt bang te worden voor deze man die toch gewoon een ouwe kerel zou moeten zijn. Waarom ben ik dit huis binnengegaan? Waarom wilde ik per se dit huis in? Het lijkt onbewoond – het is donker – gordijnen zijn altijd gesloten. Er is gewoon niemand! Nu blijkt er toch iemand te leven en hij is een gemene, oude motherfucker. Ik kijk naar rechts en probeer zijn ogen te ontwijken, al is het maar voor heel even. Boven een bank zie ik een zeer oud schilderij – ik ben geen kunstkenner – het lijkt heel oud. Vierhonderd jaar. Minstens. Rembrandt of één van zijn tijdgenoten? Het zou zomaar kunnen. Het is een portret van de bewoner – de man die me hier gevangen houdt. Hij lijkt op zijn voorvader – of nee – hij ìs die voorouder, maar het is onmogelijk. Mensen worden niet zo oud. Wie is deze vent? Hij staat op en legt zijn hand in mijn nek – koude vingers. Leeft die vent eigenlijk wel? Waarom ben ik goddomme dit huis binnengegaan? Vroeg of laat zit je zonder geluk. Ik heb het wel eens iemand horen zeggen, maar nooit geloofd. Hij legt zijn hand in mijn nek en ik voel een prik – alsof hij een naald in mijn nek heeft gestoken. Had hij een injectienaald bij zich of heb ik niet opgelet? Ik moet hebben zitten suffen.

Geen idee wat er gebeurt, maar ik hang als een slappe theedoek over zijn schouder. Ik kan me niet bewegen. Mijn lijf brandt – ik wil me bewegen, maar kan het niet. We lopen – hij loopt een trap af en we komen in een oude kelder – zo’n kelder die je in heel oude gebouwen hebt – heel gotisch, zeer oud. Wie is deze kerel? Wat gaat hij met me doen? Ik ben bang – zo bang – ik wou dat ik vanochtend in bed was blijven liggen. Mensen letten slecht op – je kunt meestal gewoon je gang gaan en je staat in een mum van tijd in huis. Het is gelukt vandaag – ik ben binnen geraakt, maar het had nooit gemogen. De bewoner heeft me opgewacht – hij heeft zich schuil gehouden in het donker tot ik binnen was en me daarna knock-out geslagen. Hij heeft me opgewacht – gewoon opgewacht.

Hij gooit me op de vloer – een harde stenen vloer en ik hoor iets breken – er breekt iets in mijn knie – ik hoor het knappen – echt waar. De bewoner trekt me omhoog, alsof hij met een lappenpop aan het werk is, alsof ik helemaal niks weeg en ik ben bijna negentig kilo. Voordat ik het begin te begrijpen, klikt hij boeien vast en laat hij me los. Zoals in de middeleeuwen mensen werden vastgeklonken in een kerker, zo hang ik nu aan een paar roestige kettingen. Mijn knie begint pijn te doen – mijn polsen en ook enkels. Hij vouwt een metalen kraag om mijn nek – doet een stap achteruit. “Een vriend van me merkte laatst eens op dat er tegenwoordig geen mensen meer worden ingemetseld. Vroeger gebeurde dat best veel. Niet alleen noodgedwongen, vaak ook vrijwillig. Meisjes van zestien die een roeping bleken te hebben en zich lieten inmetselen – er bleef wel een gleuf vrij, zodat er eten door kon worden aangegeven. Een harde manier om aan een gedwongen huwelijk te ontsnappen. Trouwen of een leven in afzondering.”

“J-je g-g-gaat me toch niet inmetselen, hè?”

“Erg snugger ben je niet,” zegt de bewoner, “ik dacht dat je wat slimmer zou zijn.”

“J-ja d-d-dus.”

“Voor jou is het misschien een beetje rottig, maar ik bewijs mezelf en de maatschappij een geweldige dienst. Bovendien heb je me op tijd duidelijk gemaakt dat ik mijn huis beter moet beveiligen tegen criminele types zoals jij. Het is een soort win-winsituatie. We worden er allemaal beter van. Ik wil je mede namens mijn kleinzoon heel erg bedanken.” Hij begint metselspecie aan te maken en ik kijk gewoon toe, terwijl hij het muurtje begint te metselen. Hij zegt: “Ik heb er wel eens over gelezen – de hongerdood. In het begin is het erg pijnlijk – vooral de eerste weken – daarna wordt het makkelijker – aan het eind raak je in een soort euforie – dus je sterft als een heel blije klootzak.” Hij blijft stenen opstapelen – licht verandert in een schemering en duisternis. Ik probeer omhoog te kijken, maar de kraag beperkt mijn bewegingen en ik doe mezelf alleen maar meer pijn. “Het kan ruim twee maanden duren voordat je dood bent – ik ken een verhaal over een man die er 66 dagen over deed. Misschien dronk hij wel en at hij niet – zoiets. Ik weet het niet zeker.” Het is alleen nog maar een stem die spreekt – mijn beul legt een laatste steen op zijn plek.

Het is stil nu. Ik vraag me af wat er fout is gegaan en het lukt me gewoon niet om een antwoord te bedenken. Zoals ik al vele malen eerder heb gedaan, ben ik een huis binnen gedrongen. Ik heb mijn eigen methode gebruikt – eentje die ik zelf heb bedacht. Niemand heeft me ooit geholpen of iets geleerd. Ik heb alles zelf gedaan. Echt, alles zelf gedaan.

Zoveel huizen en ik kies uitgerekend dit ene huis uit.

“Help! Help!” Ik schreeuw zo hard als ik kan, maar niemand kan me horen. Ik blijf schreeuwen tot mijn keel er pijn van doet.

Niemand kan me horen. Niemand kan me horen.

Niemand —-

Kut, ik heb honger. Nu al.

“Help!” Zinloos, joh. Niemand kan je horen. Het is voorbij. Afgelopen.     

Duisternis. Waarom moest ik nou zo nodig dit huis binnengaan? Bewoner heeft zijn huis opzettelijk slecht beveiligd. Ik heb honger.

“Help!”

Het is zinloos. Afgelopen. Einde.

Hoelang zou het duren voordat ik dood ben? Hij had het over 66 dagen. Godverdomme.

Zinloos. Einde.

Shit – alles is volgens plan verlopen en toch ging het compleet fout.

Shit – Shit – shit – sh —

 


de hand van de kunstenaar

Natuurlijk kan ik vertellen wie ik ben, wat voor werk ik doe en dat ik een relatie heb. Het doet er allemaal niet zo toe, want als je me echt een beetje zou kennen, dan weet je dat er voor mij maar één passie bestaat en dat is kunst.

Als jongen moest ik me zien te redden met zakgeld. Veel behoefte aan een eigen krantenwijkje had ik niet, dus je zou kunnen zeggen dat het om die reden mijn eigen schuld was dat ik altijd krap bij kas zat. Wel probeerde ik zoveel mogelijk boeken te lenen en te stelen. Ze gingen allemaal over één enkel onderwerp en dat is kunst.

Na mijn schooltijd ging ik geld verdienen. Salaris viel in het begin een beetje tegen. Ik moest de huur betalen en zo, boodschappen doen,  nieuwe kleren kopen, maar het meeste geld besteedde ik aan het enige dat echt belangrijk is in mijn leven en dat is kunst.

Ik begon te verzamelen en dat kostte niet alleen veel geld, maar ook tijd. Schilderijtjes, beeldjes, alles. Het maakte me niet zoveel uit. Als ik het mooi vond, dan wilde ik het hebben. Ik begon een mooi huis te krijgen, een mooie verzameling – mìjn verzameling. Niemand mocht eraan twijfelen dat ik ongelofelijk veel van kunst hou. 

Op een dag gebeurde er iets dat ik nooit voor mogelijk had gehouden. Nooit gedacht dat ik om een vrouw zou kunnen geven. Ik werd verliefd. Al vrij snel groeide er een probleem. Je begrijpt het al. Ik gaf te veel geld uit aan mijn verzameling. Dus stelde ze me voor de keuze. Het was een vreselijk dilemma. Want ik hou van mijn vriendin, dat doe ik echt, maar ik hou ook van kunst.

Ik heb een manier gevonden om mijn relatie te redden. Voor het eerst in mijn leven begin ik te begrijpen waar het in de kunst werkelijk om draait. Niet het kunstwerk. Dat is het niet. Alles begint en eindigt met de hand van de kunstenaar. Die is bepalend. Ik heb besloten om de hand van de kunstenaar te verzamelen, heb er nu al drie en ik ga ermee verder, want ik hou nu eenmaal van kunst.

(c) Jos Smies, 1985, 2015

 


Arthur, oftewel: niet alles gaat altijd geheel volgens de verwachting

Arthur balanceerde op de rand van de dakgoot.

Dat deed hij altijd wanneer hij kwaad was geworden, omdat hij zijn zin niet kreeg.

Natuurlijk was zijn moeder hem, zoals altijd, achterna gelopen. De deur had hij voor haar neus  dicht gesmeten en zoals altijd had ze gesmeekt hem weer open te doen.

Het was al zo vaak gebeurd dat hij precies wist wie wat aan het doen was, wanneer hij zijn vlucht naar het dak had ondernomen.

Hij wist heel zeker dat zijn vader de krant zat te lezen. De actualiteiten had hij onder zijn fauteuil geschoven, want alleen de sport mocht zich in zijn belangstelling verheugen. Moeder zou nu snel naar beneden lopen. Hij kon haar natuurlijk niet horen lopen, maar dat hoefde ook niet. Hij wist het gewoon. Zijn broertje zat huiswerk te maken. Broertje kon zich eindelijk concentreren. Na alle ruzies was de stilte een verademing. Moeder zou, eenmaal beneden, proberen haar echtgenoot tot actie aan te zetten. Spoedig zou ze tot het besef komen dat het vergeefse moeite was. Ze zou naar buiten gaan en zich bij de toeschouwers voegen op straat en roepen of hij alsjeblieft naar binnen wilde gaan om het uit te praten.

Hij lachte.

Het gebeurde altijd zo.

En zoals altijd was het einde van het liedje elke keer hetzelfde. Hij kreeg gewoon zijn zin. Zoals altijd.

Ineens begon de dakgoot te kraken. Hij verloor zijn evenwicht en viel.

Tijdens zijn val voelde hij alleen een snijdende wind – alsof duizenden duiveltjes met evenzovele messen in zijn lijf sneden.

Vandaag kreeg hij zijn zin dus niet.

(c) Jos Smies, 1983

 


‘het is het lot’

Nog steeds lopen er rillingen over mijn rug als ik iemand over een loterij hoor praten. Blije gezichten, vrolijke stemmen, ze hebben geld gewonnen. Wauw, wat een geluk! Een buitenkansje, maar ik wil er niets van weten. Echt, helemaal niets. Soms belt er zo’n meisje en dan verbreek ik zonder commentaar de verbinding. Die hoofdprijs heb ik ooit in handen gehad. Ik weet hoe het voelt. Ik weet hoe het is om ‘m te overleven.

Twintig jaar geleden studeerde ik in Tilburg en woonde in Den Bosch. Ik zou leraar Nederlands gaan worden. Genoeg verwachtingen, al leefden ze niet allemaal sterk genoeg in mijn bewustzijn. Natuurlijk kampte ik met een chronisch gebrek aan geld, wat ook weer de charme is van een studententijd. Mijn rekening stond altijd rood.

Met huisgenoot Jeroen stond ik op een nacht in een patattent die uitgerust was met een paar gokkasten. We betaalden toen met guldens, niet met euro’s. Ik was blut. Hij had nog een muntstuk van vijf gulden die hij balorig in die gokkast gooide. Nog steeds begrijp ik geen ruk van die dingen, maar er kletterden vrijwel direct enkele rijksdaalders in de verzamelbak. Hij wilde ze weer in die gokkast gooien, maar ik hield ze bij me. Ik had een heel andere bestemming voor die rijksdaalders.

“Wat doen we met al dat geld?”, vroeg Jeroen wiens gezicht een opgewekte grijns vertoonde. We kwamen toch al rechtstreeks uit de kroeg en hadden weer geld. Vijfentwintig gulden maar liefst… Aangezien we allebei nog studeerden, waren dat bijna 16 glazen bier. Studentenprijzen, jazeker. Onze eindbestemming voor dat moment lag bijna honderd meter verderop, een café, de naam Hatsjikidee was ontleend aan een kinderprogramma. We kwamen er altijd binnen, ongeacht hoe druk het was, want de eigenaar was een jeugdvriend geweest van een studiemakker. Die nacht nestelden we onszelf aan de bar, bestelden twee glazen bier en spraken over het geluk dat ons zoëven ten deel was gevallen.

“Dit is me nooit eerder overkomen,” zei hij. “Normaal verlies ik alleen maar.”

“Geniet ervan, joh.”

Jeroen grijnsde wild. “Een man heeft maar twee dingen nodig. Bier en vrouwen.” Hij hield zijn glas omhoog.

“En geluk natuurlijk,” zei ik, “zonder geluk vaart niemand wel.”

“Oké dan,” zijn gezichtsuitdrukking veranderde, werd ronduit smerig, uitdagend, “dit is voor al het geluk van de wereld,” Jeroen bewoog zijn glas in mijn richting, ik aarzelde te lang, “voor één dag al het geluk van de wereld.” Zijn hand mèt glas zwaaide doelloos door de lucht en het gebaar verkreeg zo iets doms.

Ik had veel gedronken die avond, maar niet zoveel.

“Oké. Wàt zou je dan allemaal doen?”

“Een lot kopen, denk ik, een staatslot of zo, boel geld winnen, rijk worden, nooit meer werken.”

“Bedenk wel, je hebt maar 24 uur.”

“Niet slapen, veel seks en bier als toetje. Als je wil neuken, moet je niet zuipen.”

“Regel nummer 1.”

“Exact.”

“Goed,” zei ik, terwijl ik me van de kruk liet glijden, “ik ga pissen en als ik terugkom heb jij nieuwe verse biertjes voor ons geregeld. Oké?”

Hij knikte, maar zijn aandacht werd getrokken door twee studentes die binnenkwamen. “Misschien vier,” zei hij. Zijn stem ging deels verloren in het lawaai. Ik zag zijn lippen bewegen.

Vierentwintig uur lang al het geluk van de wereld. Hoeveel tijd heeft een vent nodig om een meid te versieren? Laat staan twee. Jeroen zou een hoop geluk nodig hebben als hij ze alle twee mee wilde krijgen. Ons huis, hun huis. Veel maakte het niet uit. Om seks te hebben, is niet altijd een bed nodig.

Ik kwam terug en trof een lege kruk waar Jeroen had moeten zitten. Geweldige vriend. Die studentes waren ook weer weg. Wel stonden er vier glazen bier klaar, onaangeroerd. Ik nam plaats aan de bar.

De kastelein toonde een rij glanzend witte tanden. “Ze zijn betaald. Ik moest je de groeten doen van de gelukkigste pik van het westelijk halfrond.” Hij draaide zich om en zette de muziek wat zachter.

Ik begon mijn vier glazen leeg te maken.

Volgende ochtend werd ik rond tien uur wakker. Medewerkster van een plaatselijke krant belde op en vroeg of ik toestemming wilde geven voor de publicatie van een kort verhaal. Ja, dat wilde ik wel.

Jeroen was er niet. Zijn bed bleek onbeslapen. Mijn huisgenoot moest een prima nacht hebben gehad. Ik probeerde het woordje ‘geluk’ te vergeten en verlegde mijn aandacht naar een vakantie van tien dagen. Vertrek volgende dag, eindbestemming was Frankrijk, de Provence. Allemaal studenten die net een pittige eindejaarsstage achter de rug hadden en toe waren aan tien dagen ontspanning, al zouden er ook heel wat oudheden worden bezocht. Ik studeerde behalve Nederlands ook geschiedenis. Vandaar de focus op oudheden. Ik verliet om half zes ’s ochtends het huis en had Jeroen nog altijd niet teruggezien. Veel zorgen maakte ik me niet, want hij was een volwassen vent die goed voor zichzelf kon zorgen. Eerlijk gezegd dacht ik al niet eens meer aan hem. Jeroen bleef wel eens vaker enkele dagen weg. Het was wel de eerste keer dat hij me in de kroeg had achtergelaten voor een paar meiden. Dat zou toch iedereen gedaan hebben? Als je twee grieten tegelijkertijd een beurt kon geven. Welke vent zou dat nou niet doen?

*****

De Provence was mooier dan ik me voor had kunnen stellen.

Tijd ging snel voorbij. We dronken veel te veel. Na een dag of zes begon de reeks monumenten ons te vervelen. Onze belangstelling werd minder.

Ik keerde met tegenzin terug naar huis, al betekende dat niet zo erg veel, want ik ging altijd met tegenzin terug naar huis.

In Frankrijk was het warm en zonnig, wat het in Nederland ook bleek te zijn. Ik wist dat er nog veel werk wachtte, want ik was van plan af te studeren in september dat jaar. Grootste probleem was mijn motivatie die volledig ontbrak. Ik ging een paar maanden met heel veel hard werken tegemoet.

Om half zeven ‘s avonds kwam ik thuis. Brievenbus leek twee weken niet meer te zijn geleegd. Behalve reclame trof ik rekeningen aan, giroafschriften en mijn eigen kaart die ik vanuit Zuid-Frankrijk had verstuurd. Ik wist niet goed wat ik hiervan moest denken. Zelfs voor Jeroen was dit vreemd. Mijn vakantiegevoel raakte op de achtergrond. Ik begon me af te vragen of Jeroen wel thuis was geweest afgelopen tien dagen – en zo niet, waar hij nu uit zou kunnen hangen. Twee weken post klemde onder mijn arm. Ondertussen probeerde ik de goede sleutel te pakken en sleepte mijn koffer langs een galerij met gesloten deuren, neergelaten jaloezieën en gordijnen die ooit een andere kleur hebben gehad.

Ik opende de voordeur en op datzelfde moment werd er een schaduw over het appartementencomplex heen gelegd. Het was de eerste keer in tien dagen dat ik de zon achter een wolkendek zag verdwijnen. Deur ging open, post kletterde op de vloer en ik geloofde nog steeds dat het allemaal wel meeviel. Ik moest wennen aan de duisternis, maar de huistelefoon lag op het tafeltje. Buiten was het warm, zeker dertig graden. Transpiratievocht droop langs mijn rug. Uit het huis stroomde een kou die me vreselijk bang maakte. Hierbinnen zou het verschrikkelijk benauwd moeten zijn, onuitstaanbaar benauwd zelfs, zoals altijd op dit soort dagen. We hadden geen airco. En los daarvan – ik had nog nooit een kou als deze gevoeld. Nog nooit.

“Hallo?” Ik voelde me een stomme idioot… Om godverdomme in de deuropening van mijn eigen huis ‘hallo’ te gaan roepen! Ik raapte de post op en bleef ondertussen naar binnen staren, omdat de kou minimaal suggereerde dat er iets aan de hand moest zijn. De post kwakte ik naast de telefoon op het tafeltje. Mijn vingertoppen duwden de deur weg. Ik ging verder en vond een vreselijke ravage. Kijk – echte schoonmaakjongens zijn we nooit geweest, maar dit was nog erger dan de Franse revolutie. Alle boeken waren van de planken getrokken, tafel lag ondersteboven, een tafelpoot stak uit de beeldbuis, kussens van onze bank waren opengesneden. Het was verschrikkelijk. Ik vergat de kou die mijn vingers liet verstijven. Ik dacht aan inbrekers en vroeg me af waar Jeroen was gebleven. Was het mogelijk dat iemand kon overleven in deze kou? Ik kende het telefoonnummer van zijn ouders niet. Zijn slaapkamer bood dezelfde aanblik als onze woonkamer. Alles wat kapot gemaakt had kunnen worden, bleek ook inderdaad aan stukken te zijn gesneden. Wat kon er gebeurd zijn? Waar kwam die vervloekte kou vandaan?

Ik stapte naar buiten, struikelde bijna over mijn eigen tas en leunde een tijdje tegen de balustrade.

De buitenlucht voelde benauwder aan dan daarstraks. Ik voelde vochtdruppels langs mijn rug glijden. Dit was een goed moment voor bezorgde buren om buiten te komen en eens te vragen of het wel goed ging met mijnheer de student. Destijds waren er geen mobiele telefoons waarmee je contact kon leggen met afwezige vrienden. Ik had een aardig geheugen voor telefoonnummers van personen die ik regelmatig nodig had. Ouders. Broer. Zus. Jeroen, mijn huisgenoot. Tegenwoordig hoef je zulke dingen niet meer te onthouden, toen nog wel. Ik sloot de voordeur. Daarna belde ik aan bij de buren, oude mensen, die moesten thuis zijn, ze waren altijd thuis. Nu dus niet. Niet vandaag. Andere buren dan maar. Man, vrouw, kind van bijna twee jaar oud. Niet thuis. Een deur verderop, man alleen, ook niet. Ik heb ze allemaal geprobeerd, geloof me, maar er was niemand thuis. Hoe groot is, statistisch gezien, de kans dat je zoiets overkomt? Ik heb zelfs de verdieping daarboven geprobeerd. Overal hetzelfde. Niemand thuis. Op de vierde verdieping besloot ik op te houden met aanbellen. Mensen waren niet thuis, of weigerden open te doen, maar ik zag ook nergens beweging achter ramen, geen gordijnen die eventjes opzij werden gedaan, jaloezieën die nog eventjes naslingerden. Mijn handen rustten op de balustrade. Ik keek omlaag en de straat leek niet meer zo diep, niet meer ver weg, zoals normaal. Er reden auto’s heen en weer, maar bestuurders probeerden afstand te houden wanneer ze het gebouw passeerden. Ik dacht tenminste dat ze dat deden. Een oudere vrouw liep met een hond. Er waren fietsers. Soms dacht ik dat ze het flatgebouw in de gaten hielden, alsof het een slapend monster was dat na zonsondergang zou kunnen ontwaken.

Ik moest iemand te spreken krijgen, een telefoon vinden, een telefooncel, al had ik weinig contant geld overgehouden na de vakantie. Met mijn geluk zou ik een telefooncel vinden waar je een kaart voor nodig had – die waren vrij populair toentertijd. Geen cash geld, maar een heel modern kunststof kaartje en ik had natuurlijk geen telefoonkaart.

Die telefooncel had ik snel genoeg gevonden, maar ik had zo’n kutkaart nodig. Voordat ik stapelmesjoche werd, moest ik iemand te spreken krijgen die me kon vertellen wat er aan de hand was. Ik was een normale student geweest tot ik dat vervloekte huis binnenging. Niet lang daarna stond ik op die vierde verdieping omlaag te staren en bedacht dat de afstand best wel mee viel. Ik had over die reling heen kunnen stappen. In de gang van ons huis had ik mijn tas laten staan boordevol getuigen van een heerlijke vakantie. Ik had zo terug gewild. Op dit moment wilde ik alleen maar zo ver mogelijk uit de buurt van dit klotegebouw zien te geraken. Echt, zo ver mogelijk.

Ik wachtte bij een zebrapad om over te steken, maar alle auto’s bleven doorrijden. Drie fietsende jonge mannen, gekleed in goed passende kostuums, stopten en begonnen zichzelf voor te stellen. In feite luisterde ik maar half, want ik irriteerde me mateloos aan die gasten. Spraken over de heiligen der laatste dagen. Allemaal gelul. Een van die gasten begon over de bijbel. Over God. Nou, dan weet je het wel. Het einde van de wereld kwam eraan. Alwéér dus.

“Heeft één van jullie niet toevallig een telefoonkaart die ik mag gebruiken?”, vroeg ik.

Ze keken elkaar korte tijd aan en de man die meteen links van mij stond tastte in zijn jasje en gaf me een kaart, maar niet voordat hij er een telefoonnummer op had geschreven. “Alsjeblieft – Je ziet eruit alsof je wel wat hulp kunt gebruiken.”

“Dank je.”

“Graag gedaan… enne… bel ons nou maar… Je moet weten dat we je echt kunnen helpen.”

“Dat gaat niet, man, ik ben al katholiek.”

“Voel je vrij om ons te bellen.”

Het beltegoed bleek ruim voldoende. Ik tikte het nummer en hoopte dat er in ieder geval iemand thuis zou zijn, zoals mijn moeder, die me kon vertellen dat ik idiote dingen had bedacht. Hopelijk ging ze vragen hoeveel ik daarginds in Zuid-Frankrijk had gezopen. Ik staarde omhoog en verwachtte Jeroen met een ijskoud flesje bier op het balkon, mogelijk in gezelschap van een dame met lang lichtblond haar. Onzin. Ik hoorde ineens de stem van mijn moeder, een schrille hoge klank, zoals altijd. “Hallo?”

“Ik ben het, mam.”

“Hé – Ben je alweer thuis?”

“Ja – net.” Godzijdank reageerde moeder volkomen normaal. Sommige dingen veranderden nooit. Ik draaide me om, gezicht naar de flat, zag een vrouw op de derde verdieping en ik wist heel zeker dat ik voor haar deur had staan wachten. De trut. Ze had toch zeker wel open kunnen doen, godverdomme! “’t Is een chaos, mam, alsof er een bom is ontploft.” Waarom bel ik in hemelsnaam mijn moeder? Ik had de politie moeten bellen! “’t Hele huis is overhoop gehaald.”

“Ja-a,” zei ze aarzelend. “Zijn moeder heeft me vanmorgen gebeld… die van je vriend dus… Jeroen.” Ik vond het altijd vervelend als ze op die manier over ons tweeën praatte. Alsof we inderdaad zulk soort vrienden waren. “Ze huilde…. Ik ben er behoorlijk van geschrokken. Hij schijnt er… ja… hij schijnt er dus echt helemaal van af te zijn… compleet in de war. Die jongen bazelt steeds dezelfde woorden… Niemand snapt wat hij ermee bedoelt… ‘Het lot – het is het lot’.”

“Vierentwintig uur lang al het geluk van de wereld.” Ik slikte de helft van mijn woorden in. In mijn hoofd hoorde ik Jeroen praten. ‘Een lot kopen, denk ik, een staatslot of zo, ’n boel geld winnen, rijk worden, nooit meer werken.’ Ik zag zijn gelaatsuitdrukking voor me, hoorde hem die woorden weer uitspreken en ondertussen moest mijn moeder haar vraag enkele keren herhalen voordat ik eindelijk begreep wat ze vroeg.

“Wat zeg je nou?”, vroeg mijn moeder.

“Da’s pech hebben, mam. Beltegoed is bijna op,” zei ik. Er stond nog 7 gulden 50 in het schermpje. “Tot straks. Hopelijk heb je wat eten bewaard. Moet eerst even wat spullen halen boven.” Ik legde de telefoon neer en liet mijn hand een tijdje op het toestel rusten. Bewoner van een hoekappartement op de tweede verdieping begon  zijn was op te hangen. Ik zag mannen en vrouwen achter ramen. Ze waren allemaal thuis, de meesten althans, ze hadden gewoon open kunnen doen, de klootzakken.

Vierentwintig uur lang al het geluk van de wereld.Er begon zich een beeld te vormen van een jonge vent die zich één dag lang van het ene geluksmoment naar het andere voortsleepte. We hadden die leeftijd nu eenmaal, dus alles draaide om bier en vrouwen. Veel meer kon een mens onmogelijk nodig hebben. Ik propte de telefoonkaart in mijn broekzak en keerde terug naar huis. Het moest. Eigenlijk wilde ik helemaal niet, maar het moest. Ik kon de politie toch moeilijk opbellen met een verhaal over een monster dat zich in het duister ophield en wachtte op een onschuldig slachtoffer. Met wie kon ik dit eigenlijk bespreken? Alleen Jeroen – en die liep met molentjes. Zijn geluk moest iets gecreëerd hebben dat was doorgedrongen tot de spouwmuren van ons huis. Wat zou er gebeurd zijn – toen zijn  dag eenmaal voorbij was? Ik moest een antwoord zien te vinden op die vraag.

In het gebouw nam ik de trap. Halverwege kwam ik een bewoner tegen, een man die ongeveer zestig jaar oud moest zijn. Ik wilde vragen naar gebeurtenissen die zich afgelopen dagen hadden voorgedaan. Hij liep verder, ik ook, kans ging voorbij.

Waarom had goddomme niemand opengedaan? Het was toch wel het minste dat die mensen hadden kunnen doen. Elektrische bel, misschien een stroomstorinkje, misschien deden de apparaten in ons huis het nu ook gewoon weer.

Ja, zou kunnen, maar dan nog had het er nooit zo vreselijk koud mogen zijn daarbinnen. Het had stikbenauwd moeten zijn.

Ik heb het altijd een prettig huis gevonden. We hadden altijd visite vaak tot groot ongenoegen van de buren die graag klaagden over herrie. Ik wist wat me te wachten stond, legde een hand op de voordeur en voelde opnieuw die intense kou. Deur ging open, ik wachtte enkele ogenblikken, alsof er een sfinx me zou opwachten die een vraag ging stellen waarop een gewone sterveling geen antwoord kon bedenken. Er was niemand, het was er alleen maar stervenskoud. Geen monster, geen sfinx.

Ik wilde de keukendeur dichttrekken, maar aarzelde. Ik dacht iets te zien. Een beest… een insect of zo… een schaduw die voorbij flitste. Onzin natuurlijk, er leefde hierbinnen helemaal niets. Veel te koud. In dit huis zou niets of niemand kunnen overleven.

Alles ging hier dood, maar Jeroen heeft levend het huis mogen verlaten. Hij moest het bekopen met een substantieel verlies aan gezond verstand. Ik bleef stilstaan in de gang. Rechts de wc en douche, links onze gezamenlijke kamer.

Het was veel kouder in huis dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Geen kwestie van vorst of gevoelstemperatuur, het ging veel dieper. Ik meende dat de hel zijn poorten had geopend. We zijn nog steeds dieren die op de vlucht willen slaan als we gevaar ruiken.

Ik ging rechts, naar de wc en douche. Bij de slaapkamer van Jeroen bleef ik staan, als verstijfd, want hij lag daar gewoon op bed. Niet alleen natuurlijk, er lag een meisje naast hem, regelmatige gelaatstrekken, lang donkerblond haar, dus een knappe griet. Hij opende zijn ogen. Er lag geen verrassing op zijn gezicht. Blijkbaar vond hij het normaal dat ik daar stond. Zijn lippen bewogen, maar hij zei geen woord. Het meisje opende eveneens haar ogen en keek naar hem. Ze trok het dekbed een beetje preuts kijkend omhoog en fluisterde enkele woorden in zijn oor. Hij schudde zijn hoofd. Zei iets. Nog steeds geen geluid.

Ik wilde een vraag stellen. Jeroen legde een vinger op zijn lippen. Het meisje draaide zich om. Ik zag een achterhoofd met lang uitwaaierend donkerblond haar.

“Het lot – het is het lot,” zei hij en voor het eerst kon ik hem verstaan. “Mijn lot. Jouw lot. Alles is van ons samen. Zoals we ooit hebben afgesproken.”

“Ik bedank voor die waanzin,” zei ik.

“Denk erom… het is het lot.”

Ik draaide mijn hoofd weg, heel eventjes maar, om daarna weer in die slaapkamer te kijken. Jeroen was er niet meer. Het meisje was er niet meer. Ik slaakte een zucht van verlichting.

Mijn fantasie begon spelletjes te spelen. Geesten – of een sterke herinnering aan iemand die hier is geweest.

Zou Jeroen nog leven? En dat meisje? Ik dacht steeds aan de naam Helma en veronderstelde dat dat haar voornaam moest zijn.

‘Het is het lot.’ Zijn waanzin vatte zich samen in die paar woorden.

Ik legde mijn vingers om de deurklink. Het kostte erg veel moeite om ze te bewegen en die deur open te trekken. Scharnieren knarsten luidruchtig. We hadden van ons toilet een bijzondere plek gemaakt. Herinneringen, souvenirs, trofeeën, ze werden dáár bewaard, zodat we op de rustigste en fijnste plek in huis om ons heen konden kijken. Bezoekers kwamen geïmponeerd terug. 

Het was nergens zo koud als juist op die plek. Ik voelde het direct en wilde al terugstappen. Er hing een groen visnet boven mijn hoofd met een verzameling slipjes en bh’s. Onze trofeeën. Er was veel meer. Uitgescheurde krantenartikelen met rare opvallende berichten. Ik wist pas wat ik zocht, toen ik het zag.

Het moest hier zijn. Als er ergens nog iets was, dan hier in onze trofeeënkamer.

Jeroen had het goed gezegd. Het was inderdaad het lot.

Hij had een staatslot aan de muur vastgepind met een punaise. Geheel volgens de huisregels had hij er een half afgescheurde krantenpagina bij gedaan met een vette zwarte cirkel rond het winnende lotnummer.

Het was hèt lot.

(c) Jos Smies / jhmsmies.com / juni, juli 2014

 

 

 

 

 

 

 

 


picknick

Geloof me. Ik had werkelijk geen idee.

De buren woonden ruim vijftig jaar samen. Twee mensen die elkaar door en door hadden leren kennen. Hij was langer gepensioneerd dan hij had gewerkt. Ze woonden tegenover me. Ik ben een keer bij die mensen in huis geweest en het zag er uit alsof de tijd stil was blijven staan. Elvis Presley moest zijn eerste plaatje nog opnemen.

Hij vroeg me eens een kistje sigaren mee te nemen. Zijn dochter wilde niet dat hij nog rookte, maar zijn vrouw vond die geur zo lekker en ‘je moest toch ergens dood aan gaan’. Buurman lachte enkele bruine tanden bloot en ik lachte een beetje schaapachtig mee, alsof hij een geweldige mop had verteld.

Het kostte moeite om zijn sigaren te vinden. In winkel nummer vier vond ik het merk dat hij opgegeven had. Ik zweeg over alle moeite die ik had moeten doen om die sigaren te vinden en overhandigde hem het kistje. Hij glimlachte tevreden en zei: “Ik mag je danken namens mijn vrouw.” Volgende avond, toen ik thuis kwam, bleef ik in het halletje staan en rook de onmiskenbare geur van zijn sigaar.

Zelf rook ik niet, maar ik kan me heel goed voorstellen dat de buurvrouw zich liet wegvoeren naar de jaren vijftig. Het leven leek zoveel eenvoudiger. Afstand creëert gaten in het geheugen. Mooie herinneringen worden mooier, slechte herinneringen hebben nooit bestaan. Als je oud genoeg bent, is het leven een liedje van Annie M.G. Schmidt.

Enkele dagen later stond de buurman ineens naast me in de lift. Hij had boodschappen gedaan. Er schommelde een glimlach op zijn gezicht, maar ik zag de vermoeidheid in zijn ogen. “Het is weer bijna tijd voor onze picknick. Doen we elk jaar. Eerste keer was onze trouwdag. Oorlog was voorbij, de mof verjaagd. We hadden allebei een hoop verloren, maar niet alles. Ik had wat kaas geregeld, echt vèrs brood en een fles rode wijn.”

De lift stopte, deuren gleden open. Gedurende een seconde zag ik hem een deken neerleggen op een vochtig grasveld, terwijl de zon scheen. Het was een helder beeld. “De zon zal niet altijd hebben geschenen, buurman,” zei ik.

“Dat klopt helemaal, jongen,” zei hij, “’t regent wel eens, maar dat weet je van te voren. Je weet dat het kan regenen. Als man moet je je daarop voorbereiden. Dat is je taak.”

Hij trok zijn boodschappenkarretje achter zich aan, ik liep naast hem en probeerde me niet te storen aan het wieltje dat akelig piepte. Deur van zijn appartement stond al half open. Ik zou onmogelijk zoveel vertrouwen hebben in mijn medemensen en oude mensen waren in de regel doodsbenauwd voor indringers. Niet deze mensen. Niet mijn buren.

Hij ging zijn appartement binnen, riep de naam van zijn vrouw… Eline… en ze antwoordde direct. Ik hoorde een lieve breekbare stem. 

Nauwelijks vijf minuten later werd er gebeld. Ik deed open en de buurman stond voor me. “Joh, als je vanavond nou eens bij ons komt eten, niks moeilijks, gewoon lekker simpel.”

Ik kon onmogelijk weigeren.

“Hoe laat zal ik aanbellen?”

“Zes uur, we eten altijd om zes uur.”

“Goed. Ik zal er zijn.”

Om vijf voor zes belde ik aan. Ik droeg een lichtblauwe spijkerbroek, wit overhemd, had geen dichte schoenen aan, maar teenslippers.

De buurman had zijn beste pak aangetrokken, zo bleek. Ik voelde me een beetje opgelaten, maar hij wuifde mijn verontschuldigingen weg. “Allemaal onzin,” zei hij. “’t Is maar goed dat jullie zoveel losser met die dingen om kunnen gaan.” Zijn vrouw droeg een groene sweater met een V-hals en een lange plooirok. Ze was brildragend. Eline zag er modern uit, net als haar echtgenoot, want voor het overige bleek hun appartement een tijdcapsule. Die donkere meubelen was ik wel gewend, die had ik vaker gezien. Ze hadden een schitterende oude tv, zwart-wit, zonder afstandsbediening. Op het dressoir stond een buizenradio. Ze hadden een boekenkast met schrijvers van naam die de laatste zestig jaar hadden gepubliceerd, Nederlandse wel te verstaan. Ze hadden bloemetjesbehang, vloerbedekking, glasgordijnen en overgordijnen. Het zag er allemaal heel solide uit. Sterk genoeg om eeuwen te doorstaan. Net als de bewoners trouwens.

Ik vertelde over mijn werk. Hij vertelde over zìjn werk, leraar Nederlands, maar dat was heel lang geleden en de buurvrouw leek nooit buitenshuis te hebben gewerkt. 

We aten gekookte aardappelen, snijbonen en een karbonaadje.

Ik hielp met afruimen, ondanks nadrukkelijke protesten, buurman vertelde dat ze de kinderen vaker wilden zien. Ze begrepen het natuurlijk wel. Zoon en dochter waren goed terechtgekomen, hadden een drukke baan èn gezin, geen tijd voor hun ouders. Ze kwamen nooit langs.

Ik vroeg of ze soms geëmigreerd waren.

Nee, dat waren ze niet.

Ze kwamen gewoon nooit op visite.

“Dan kun je ook makkelijk een extra sigaartje opsteken, buurman, als je dochter toch nooit langskomt om te controleren of je rookt,” zei ik en ze lachten allebei hartelijk om mijn grap.

Ik nam de verhalen mee naar huis, maakte enkele notities, omdat ik zo veel mogelijk wilde onthouden. Twee oude mensen die nooit meer verder keken dan de dag van vandaag. Als je zo oud bent, heb je natuurlijk groot gelijk.

Mijn buurman ging verder met de voorbereidingen op de picknick die hij samen met zijn vrouw ging houden. Vanuit de keuken had ik zicht op onze tuin, dus van alle bewoners in onze flat; een rechthoekig grasveld, enkele schaduwrijke bomen, wat verdwaalde struiken.

Ik probeerde me iets te herinneren van die voorgaande edities. Mijn geheugen bleef blanco. Geen picknick, geen oude mensen die er gedurende een uurtje of twee genoten van eten, drinken en een ondergaande zon. Uiteraard zaten er wel eens bewoners die er een feestje hadden, een familie die in een heel losse sfeer voetbalde. Nog nooit had ik er twee bejaarden gezien die in de schaduw van een oude boom picknickten.

*****

Het was al laat, ’s middags, of eigenlijk al avond, maar in de lente begint dat verschil altijd een beetje te vervagen. Ik gooide mijn rugtas opzij en wilde de koelkast opentrekken voor een biertje. Het uitzicht liet me het biertje meteen vergeten. De buurman was erin geslaagd een tafeltje en twee stoeltjes in de schaduw van die boom neer te zetten. Takken hingen roerloos omlaag. Er stond een rollator, een beetje verweesd, bijna achteloos opzij geduwd. Hij had een fles wijn opengetrokken. Zo te zien lag er behalve stokbrood, ook kaas, vlees en boter. De buurvrouw knabbelde rustig op een stukje brood. Picknickmand stond in het gras.

Ik pakte mijn telefoon en nam een foto.

Ik probeerde me voor te stellen dat ze spraken over lang geleden. Hoe ze elkaar hadden leren kennen. Vandaag vormde geen interessant onderwerp. Die mensen deelden een leven en dat was veel mooier dan de dag van vandaag. Vandaag was mooi, omdat ze lang geleden ‘ja’ hadden gezegd.

Ik zag de foto terug, terwijl de picknick in volle gang was. Ze waren met zijn tweeën, maar toch ook weer niet. Achter tientallen ramen stonden bewoners te kijken naar deze mensen, tachtigers, die al meer dan vijftig jaar picknickten op die ene dag.

Daarom zeg ik nog maar eens… Ik had werkelijk geen idee. Niemand trouwens. We hebben het allemaal gezien. We hebben die mensen allemaal zien picknicken. Ik heb zelfs een foto gemaakt. Ik ben bij die mensen in huis geweest, gekookte aardappelen gegeten met snijbonen en een karbonade.

Ik gunde mijn buren hun picknick en dankte het Opperwezen voor het mooie weer dat Hij geregeld had. Vervolgens pakte ik alsnog een blikje bier uit de koelkast en liet me neerploffen op de bank. Een kwartier later stond ik opnieuw in de keuken voor een tweede biertje. Natuurlijk keek ik uit het raam, om te zien, of te controleren, dat ze nog altijd volop met hun picknick bezig waren.

Het veld was verlaten. Geen tafeltje. Geen stoeltjes. Geen rollator die opzij was gezet. Niets. Totaal niets.

Het hek was gesloten, daarstraks nog open. Ik vroeg me af of er soms iets akeligs was voorgevallen, maar haalde mijn schouders op en bedacht dat ik misschien veel langer dan vijftien minuten had zitten suffen op de bank. Ik keek op mijn horloge. Nee, het was echt maar een kwartiertje geweest.

Mijn tweede biertje smaakte een stuk minder dan de eerste en ik overwoog aan te bellen bij de buren om te vragen of alles wel in orde was. Misschien hadden ze hulp nodig. Aan de andere kant vond ik het erg knap dat die ouwe man zijn spullen zo snel op had geruimd.  Misschien had hij een garage om de hoek. Hij leek me zo’n man die een eigen garage had. Op dit moment stonden ze natuurlijk dat tafeltje en die stoeltjes weg te zetten, terwijl het eten in een mandje was opgeborgen, zodat ze er morgenochtend nog wat aan hadden. Je mocht niets verspillen. Deze mensen hadden de hongerwinter meegemaakt. Ik was tevreden met mijn verklaring en gooide het lege blikje weg.

Daarna ging ik douchen. Zo rond acht uur ’s avonds begon ik, zoals altijd, eten klaar te maken. Iedereen heeft zijn of haar vaste programma. Dit is het mijne. Nog steeds trouwens.

Diezelfde avond, een paar minuten voor half tien, ben ik de deur uitgelopen en heb aangebeld, omdat het me toch dwars bleef zitten dat ze zo plotseling weg waren. Het was donker in hun appartement. Normaal zag ik altijd wel het schijnsel van een schemerlamp. Nu zag ik niets.

Er liep een studente voorbij. “Zijn ze er niet?”,  vroeg ze en haar stem klonk oprecht verbaasd. “Daar wonen toch die ouwe mensen?”

“Ze waren zomaar ineens weg.” Ik veronderstelde dat ze direct begreep wat ik bedoelde.

“Inderdaad, nu je het zegt, ik heb ze ook niet weg zien gaan.”

Ik had haar naam en huisnummer moeten vragen. Dat was mijn enige fout op dat moment. Heb ik niet gedaan. Stom. Erg stom.

Ze stapte in de lift. Ik ging mijn appartement weer binnen. Het zinde me totaal niet, maar ik kon niets uitrichten. Ik heb de tv uitgezet. Er was een vervelende voetbalwedstrijd bezig die eeuwig leek voort te duren. Daarna heb ik nog tot middernacht muziek geluisterd. Ik maakte me geen zorgen. Ik kwam de buurman regelmatig tegen, zo was het de afgelopen periode steeds gegaan, dan zou ik wel vragen naar de picknick. ‘Hoe is het geweest, buurman?’ In mijn verbeelding begonnen zijn ogen te twinkelen en hij zou het verhaal vertellen over de zoveelste geslaagde picknick. Misschien zou ik hem adviseren, voordat hij zijn appartement binnenstapte, dat hij volgend jaar eens zijn kinderen erbij moest vragen.

Volgende morgen ging ik weer aan het werk. Het was een drukke dag, ik kwam vermoeid thuis, maar heb de buurman niet gezien. Deur bleef gesloten, licht was uit, ik hoorde zelfs geen tv die hard en een schel geluid produceerde. Het leek wel alsof ze er niet waren.

Oké, misschien waren ze een paar daagjes weg, lekker aan het strand, hadden ze een huisje gehuurd of zo.

Er ging een week voorbij. Ik controleerde regelmatig of ze toch weer thuis waren, belde aan, wachtte te lang voor die gesloten deur en voelde me een onnozele opdringerige buurman die zich ten onrechte zorgen maakte over twee oude mensen.

Met een collega besprak ik mijn zorgen. Hij antwoordde dat ik hulpgeroep gehoord zou moeten hebben, als er een ongeluk was gebeurd. Natuurlijk. Idioot die ik ben. Dat is ook zo. Aan de andere kant, voegde diezelfde collega eraan toe, indien ik me werkelijk zorgen maakte, dan kon ik beter de politie bellen. Die zou een afweging kunnen maken of agenten het appartement moesten binnengaan.

Ik vond mezelf nog steeds iemand die zich druk maakte om niets.

Toch belde ik de politie, het algemene nummer, dat ene dat je moet gebruiken als er geen haast was. Ik legde het probleem uit, vertelde over twee oude mensen die ik sinds een picknick bijna anderhalve week geleden niet meer had gezien. Met heel veel omwegen legde ik uit dat het toch een moeilijke kwestie was. Vandaar mijn belletje. Naar de politie. Wat moest ik nou doen? Ze vroeg het adres en huisnummer. Mensen waren meer dan vijftig jaar getrouwd, hadden twee kinderen. Ik wist niets over kleinkinderen of zelfs achterkleinkinderen. Daar sprak de buurman nooit over. Na een tijdje zei ze dat ze het uit gingen zoeken.

De vrouw noteerde mijn naam en adresgegevens. 

Ik had gedaan wat ik kon, mijn zorgen geuit tegenover de politie en verder restte er weinig meer dan nietsdoen.

Later die middag werd er aangebeld. Ik deed open en stond oog in oog met twee agenten. “Goedemiddag. Wij zijn van de politie. Ik ben Arjan Wolfs… mijn collega Bert Pennings… Bent u de heer Leo Strasser?”

“Jazeker, ik heb vanochtend gebeld.”

“Er zijn wat onduidelijkheden gerezen rond uw verhaal. Kunt u ons iets vertellen over uw buurman?”

“Alleen wat hij me heeft verteld. Uiteraard. Hij is getrouwd, al meer dan vijftig jaar. Vrouw heet Eline. Ze hebben twee kinderen die een drukke baan hebben en geen tijd om een keertje langs te komen.”

“Da’s erg vreemd,” reageerde Wolfs, zijn collega Pennings luisterde alleen en knikte soms bevestigend. “Volgens onze gegevens is zijn vrouw in 1986 overleden aan de gevolgen van kanker. U moet iemand anders gezien hebben.”

Totale verbijstering, zoals je zult begrijpen. Ik was compleet uit het veld geslagen. Eerst wilde ik zeggen dat ik bij die mensen in huis was geweest en had meegegeten. We hadden gekookte aardappelen gegeten met snijbonen en een karbonade. Ik herinnerde me mijn foto van de buren die samen aan het picknicken waren.

“Een ogenblikje, ik heb nog een foto gemaakt.” 

Ik draaide me om en ging de telefoon halen. Wolfs en Pennings volgden me naar de woonkamer. Ik liet de foto zien. Twee mensen die vredig picknickten onder een boom. Heel herkenbaar, buurman en buurvrouw, een picknickmand, tafeltje, stoeltjes, rollator die een eindje verderop was achtergelaten.

“Ik zou hun kinderen even vragen of ze die vrouw kennen,” zei ik, “als ze daar tenminste tijd voor hebben.”

“Dat gaat helaas ook al niet,” zei Pennings, “zoon en dochter zijn om het leven gekomen bij een bomaanslag in Madrid, 11 maart 2004.”

“Heeft hij niks over gezegd,” zei ik. Alles wat ik zeker dacht te weten over de buren, ontplofte zo ongeveer in mijn gezicht.

“Ik ga iemand bellen die het huis voor ons kan openmaken, ‘k wil nu wel eens weten hoe het zit.”

Pennings ging naar buiten, Wolfs bleef peinzend naar het scherm van mijn telefoon staren en mompelde dat het niet echt een duidelijke foto was. “Alle oude mensen zien er zo uit,” zei hij.

Drie kwartier later waren de agenten binnen, een slotenmaker had de deur snel open gekregen. Nog geen twee minuten later vroeg Wolfs of ik mee wilde komen. Ik mocht niets aanraken.

Buurman lag op bed… dood… alleen… en hij was al lang geleden gestorven. Volgens die agenten zeker enkele maanden.

Ik hoorde Pennings wederom een telefoongesprek voeren. ‘Oude man is overleden op bed, geen tekenen die duiden op een geweldmisdrijf.’

Mijn verhaal bleef natuurlijk erg vreemd. Wolfs trok een la open, vond een paspoort met zwarte omslag. Hij opende het en noemde de volledige naam van mijn buurvrouw. Eline van Dijk – Posthuma. De agent liet me de pasfoto zien. Ze was veel jonger, maar ze wàs het wel. Mijn buurvrouw. Zìjn echtgenote.

“Dan heeft u een geest gezien.”

“Ik niet alleen, heel veel mensen in deze flat hebben gezien hoe  twee oude mensen aan het picknicken waren.”

Pennings keerde enkele minuten later terug.

“Ik weet niet goed wat we met uw verhaal kunnen doen, mijnheer Strasser,” zei Pennings.

“Ik ook niet. Eerlijk gezegd.”

“Wilt u dat we het in ons rapport vermelden?”

“Nee, laat maar. Het doet er ook nauwelijks toe,” zei ik en begon de slaapkamer achter me te laten.

Voor mij was de kwestie afgesloten. Ik zou er met niemand meer over praten. Ik zette muziek aan, gooide de volumeknop omhoog en probeerde het doodsgezicht van mijn buurman te vergeten.

Om half zes werd er gebeld. Ik dacht dat die agenten voor mijn deur stonden, om toch nog iets na te vragen, net als in de film. Met veel tegenzin maakte ik mijn deur open, vervloekte zelfs het moment dat ik de politie had gebeld, maar er stond helemaal geen politie. Het was de buurman. Je weet wel, de buurman wiens lichaam in een lijkwagen was weggebracht. Die buurman.

Zijn ogen stonden erg dof, er schommelde een vriendelijke glimlach op zijn gezicht. “Joh, als je vanavond nou eens bij ons komt eten, niks moeilijks, we doen iets simpels.”

“Jee, ik weet het niet, hoor,” zei ik na een lange bijna voelbare stilte. Ik zag een glimlach die verwachtingsvol leek te zijn vastgevroren op zijn gezicht.

 “Kom nou maar gewoon. Dan kunnen we je bedanken voor alles. De kinderen zijn er ook!”

 

 


 

 

 


OGEN

Aan de kleur van je ogen kan ik zien of je doodgaat. Het is geen echt uniek talent en met paranormale begaafdheid heeft het niets te maken. Er zijn wel meer mensen die dat kunnen, vaak zijn ze wat ouder en hebben ze het een en ander meegemaakt. Ik ontdekte het in een fitnesscentrum, enkele jaren geleden. Een man klaagde over zijn gezondheid, een veertiger die heel wat specialisten had versleten. In geen enkel ziekenhuis konden ze hem vertellen wat hem nou precies mankeerde. Natuurlijk deed ik of ik niet luisterde. Volgens mij deden alle aanwezigen alsof ze niet luisterden. Hij vestigde zijn hoop op een groep Belgische specialisten. In Luik. Een kwartier later keek ik hem toevallig recht in de ogen en constateerde geschokt dat hij zwarte ogen had – of vissenogen. Op dat moment had ik hem kunnen vertellen wat die specialisten niet hardop hadden gezegd. Hij was inderdaad erg ziek en ging dood.

Ik zag die man in het fitnesscentrum en begreep voor het eerst wat mijn moeder me had proberen uit te leggen. Een jaar eerder was ze er onverwacht over begonnen. Ze keek tv en zag een bekende Nederlandse politica met opvallende donkere ogen. Ik kwam juist binnen en bleef naast mijn moeders stoel staan. Er was iets aan die ogen waardoor ze over haar pas overleden echtgenoot begon te vertellen – mijn vader. “Hij zou meteen hebben gezegd dat ze zwarte ogen had. Die is binnen een jaar dood. Hij kreeg altijd gelijk.” Nou ja, niet iedereen is uitgerust met die gave. Mijn moeder zag het bijvoorbeeld echt niet.

Lang geleden gingen we een keer op bezoek bij een oma die op sterven lag. Toen we naar huis gingen vroeg ik of mijn vader dacht dat ze snel zou overlijden. Hij schudde zijn hoofd. “Nee, haar ogen staan nog veel te helder.” Die oma leefde nog enkele jaren.

Zo rond mijn achttiende verjaardag kreeg ik belangstelling voor handlijnkunde. Ik leende elk boek dat de bibliotheek had staan over het onderwerp en leerde alles wat erover te leren viel.

Mijn geheugen verleent me zekere privileges, weet je, ik onthoud vrijwel alles. Na de theorie werd het tijd om de praktijk te beproeven. Ik heb een broertje, hij is zes jaar jonger dan ik en verstandelijk gehandicapt. Op zekere dag pakte ik diens linkerhand en begon uitgebreid de lijnen op zijn handpalm te bestuderen. Het was ’s avonds laat. Mijn broertje leende me probleemloos zijn hand. Ik keek en besefte dat hij voor zijn veertigste verjaardag zou sterven. Ouder kon hij niet worden. Ergens tussen zijn vijfendertigste en veertigste jaar zou hij doodgaan. Zeker.

Ik ben me te pletter geschrokken. Hij snapte totaal niets van mijn reactie – zoals hij nog nooit ergens iets van heeft begrepen. Wel besloot ik me vanaf die avond verre te houden van toekomstvoorspellingen en alles wat met de dood te maken had.

Het is een jeugdig voorrecht. Ik weet het.

Leven is alles en dood heel ver weg. Misschien leef je inderdaad maar één keer, maar dat ene leven duurt dan wel eeuwig voort. Misschien keert je ziel weer terug. Vandaag een man, morgen vrouw; vandaag miljonair, morgen zwerver. Je wordt datgene wat je het meest haat. Misschien bedoelen ze dat met de hel. Vandaag levend, morgen dood.

Gelukkig ben ik heel goed in onthouden èn vergeten. Dus ik vergat de onderbroken levenslijn van mijn broertje, verdreef de ogen van mijn oma naar het meest onherbergzame domein van de menselijke geest.

Tot die ene dag in het fitnesscentrum de schellen voorgoed van mijn ogen vielen.

Ik weet niet of je zoiets lotsbestemming moet noemen. Gedoemd te zien wat ik helemaal niet wil zien. Hoelang kun je jezelf wijsmaken dat alles hetzelfde blijft en er nooit iets zal veranderen? Ik ben gescheiden, mijn vader werd ziek en stierf aan de gevolgen van kanker, ook al bleef hijzelf tot het einde roepen dat er niks aan de hand was. Anderhalf jaar lang probeerde mijn moeder de brokstukken van haar leven bijeen te rapen, vol goede moed op weg naar enkele mooie jaren. Ik heb nooit haar zwarte ogen gezien. Wel de blauwe plekken op haar armen, stille getuigen van ziekenhuisopnames en prednison. Ze aanvaardde het einde, beëindigde jarenlange vetes en sloot haar ogen.

Maar mijn kleine broertje leefde in het gelukkigste universum, namelijk volmaakte onwetendheid. Ze zeiden dat hij wist wat er was gebeurd met vader en moeder. Hij wist nergens van. Mijn vader ging elke woensdagavond met hem wandelen, dan reed hij in zijn auto naar de Groote Cingels en ging een stukje lopen met zijn jongste zoon. Mijn broertje heeft na de dood van zijn vader nog maandenlang op het bankje voor zijn huis zitten wachten. Elke woensdagavond. Maandenlang. Wachtend op iemand die nooit meer zou komen. Daarna begon hij te vergeten en vergeten is nu eenmaal een zwaar onder gewaardeerde eigenschap.

Ik vergat bijvoorbeeld dat hij makkelijk ziek werd en mijn broertje kreeg de griep die gaandeweg veranderde in een ellendige longontsteking. In het ziekenhuis staarde hij ons aan met de helderste ogen die ik ooit had gezien. Deze man kon niet doodgaan en toch gebeurde het. Ondanks die akelig heldere lichtblauwe ogen van hem. Ze staarden me aan, heel geruststellend, alsof hij wilde zeggen dat er niks aan de hand was. ‘Alles komt goed,’ zeiden ze.

Natuurlijk kwam het niet meer goed. Hij begreep net zoveel van zijn eigen dood als al het andere in zijn leven – helemaal niets.

Die ervaring in het fitnesscentrum veranderde voor mij wel het een ander. Vanaf die dag kon ik het zien.

Enkele dagen later liep ik naar de Oude Gracht in Utrecht. Ik kwam via een landerige roltrap op het centraal station terecht. Iets verderop lag er links een oude drankenhandel, rechts keken gezonde jongens en meisjes vanaf kleurrijke billboards naar tientallen en misschien wel honderden passanten.

Niet zo lang geleden zei ik tegen een Marokkaanse collega dat een mens maar één keer leeft. Hij schudde ontkennend zijn hoofd, ik hoopte nog dat hij er een flauw grapje in zou zien, maar hij bleef ernstig. “Nee, dat is niet waar. Je leeft twee keer. De eerste keer op aarde, daarna voor eeuwig in de hemel.” Een bewonderenswaardige zekerheid. Ik vind het heel mooi als je dat kunt geloven, echt waar.

Die middag op het centraal station zag ik continu mensen met zwarte ogen. ‘s Avonds op tv zag ik een bekende oudere componist wiens ogen wel matzwarte ovalen leken. Ik begreep ineens hoe die personages in horrorfilms zijn ontstaan die met exact dezelfde zwarte ogen hongerig naar knappe jonge vrouwen loeren. Misschien vermijd ik sindsdien wel drukke plaatsen, wil ik geen mensen meer recht in de ogen kijken, omdat ik alleen maar stervende mensen zie lopen. Winkelende mensen, lachende gezichten, ogen die allang dood zijn. Ik hoef er geen lijnen op handpalmen meer voor te zien.

Toch blijven die heldere blauwe ogen van mijn broertje me bezighouden. Ze hadden toch zwart moeten zijn? Elke dag zijn we er geweest – mijn oudste broer en ik. We zagen ons jongste broertje heel geleidelijk afglijden naar de eeuwigheid, misschien naar zijn komende tweede leven. Nooit waren diens ogen gitzwart – altijd helderblauw – onschuldig blauw. Het is vreemd. Ik had me nooit gerealiseerd dat zijn ogen zo lichtblauw waren tot het te laat was. Blijkbaar had ik hem nooit eerder goed genoeg aangekeken. Ik gun hem een herkansing, zodat hij toch nog eens alle dingen kan doen die hij sowieso nooit heeft kunnen dromen. Mijn broertje als lid van een beruchte motorclub. Een ander leven, maar dan hier op aarde, omdat er geen hemel bestaat waar hij heen kan gaan. Of waar ik heen kan gaan. Of waar wie dan ook heen kan gaan. We blijven waar we al zijn. Hier – op aarde. Een eeuwigdurende cyclus van leven, doodgaan en opnieuw geboren worden. Een andere definitie van het begrip ‘hemel’; net zo lang terugkeren op aarde tot een mens volmaakt gelukkig doodgaat.

Ik kan aan de kleur van je ogen zien of je doodgaat. Heel vaak zijn dat zwarte ogen – die getuigen van een onvervuld verlangen. Er wacht een herkansing. Nieuwe onbekende werelden en uitgestrekte zeeën die helderblauw oplichten onder een stralende warme zon, sierlijke grijze lichamen die onbekommerd door het water glijden.

Ik kan aan de kleur van je ogen zien of je doodgaat. Een heel enkele keer zijn dat lichtblauwe ogen – ogen die getuigen van een voltooide cyclus. Einde.


manuscript, gevonden op een memorystick

De snelweg lag er verlaten bij. Lantaarns waren uitgeschakeld. Een dun maantje verdween geregeld achter bomen en geluidschermen. Iets voor tien uur, nog niet eens zo vreselijk laat, maar hij had een drukke dag achter zich, stuurde hij zijn rode Suzuki naar links. Muziek stond zoals altijd vrij hard aan. Red Hot Chili Peppers. Californication. Hij had een lang weekend voor de boeg, maandag en dinsdag ook vrij. Telefoon stond  op ‘stil’, een ideale manier om kalmpjes aan enkele vrije dagen te beginnen.

Puck was niet zijn echte naam. Zijn moeder had hem ooit eens zo genoemd en die bijnaam was blijven hangen.

Een Ford ging hem voorbij, die gek reed minstens 150 kilometer per uur, buitenlands kenteken, dus die dacht dat een prent hem nooit zou kunnen bereiken. De vermoeidheid begon hem al een beetje in te halen. Hij trapte het gaspedaal verder omlaag en passeerde enkele vrachtwagens. Net voorbij een flauwe bocht stuurde hij weer terug en vloekte binnensmonds, omdat hij nu achter een motor reed. Hij hield er niet van, wilde er direct langs, tikte de richtingaanwijzer omlaag en begon in te halen, wat die motorist ook meteen deed. Puck vloekte. Nu niet binnensmonds. Hij overstemde de zanger van de Red Hot Chili Peppers en sloeg op het stuur. De motorrijder maakte enkele slingerende bewegingen. Puck vroeg zich af of die malloot een spelletje wilde spelen. Normaal was hij de eerste om toe te geven dat een snelweg geen speelterrein was. De bestuurder van de Kawasaki keek enkele seconden in zijn spiegel. Puck dacht tenminste dat hij dat deed en zocht nadrukkelijk oogcontact.

Toen kwam die lul met zijn middenvinger. 

Gedurende een enkele seconde… meer niet… echt, langer duurde het niet… overwoog Puck of hij die motorist in de vangrail zou rijden. 

Hij schrok er zelf behoorlijk van en liet het gaspedaal omhoog komen. De vermoeidheid begon toe te slaan. Puck zette een knop helemaal naar links waardoor er koude lucht de auto in begon te stromen. Het interesseerde hem totaal geen barst wat mensen in auto’s  uitspookten: neus pulken, krant lezen, nog even snel oogschaduw aanbrengen, slalommen op de motor bij een snelheid van bijna honderd kilometer per uur of een wheelie demonstreren. Terwijl hij zijn rust probeerde te hervinden, liet ook die motorist zijn snelheid teruglopen.

En opnieuw die ellendige middenvinger.

Puck slaagde er niet eens meer in te bedenken hoe deze ellende was begonnen.

Niet meer dan enkele meters voor hem reed een onbekende man op een zware Kawasaki die continu zijn middenvinger naar hem opstak.

 

Gewoon… plotseling gas geven en die lamzak zo hard mogelijk raken… die kutmotor van hem… dan verloor hij zijn evenwicht… en over een uurtje of zo werd die hufter wel gevonden omdat een agent op zoek was gegaan naar de bestuurder van die gecrashte motor. Puck zou dan zelf allang thuis zijn en die jongens van de politie zouden nooit weten wat er die nacht was gebeurd. Geen camera’s, geen getuigen… Alleen een vent die in foetushouding naast de vangrail lag. Dat was alles.

 

En ondertussen begon die lul aardig in de stemming te komen. Hij liet zijn snelheid nog verder terugzakken en stuurde meteen naar links…  of rechts, als Puck een kans zag die etterstraal voorbij te rijden.

Hij had zijn schuldgevoelens allang achter zich gelaten. Een laatste restje zelfbeheersing weerhield hem ervan het gaspedaal omlaag te trappen en die vent uit de weg te ruimen.

Die hufter vroeg er tenslotte ook om en Puck had hem nooit iets aangedaan.

Een onbegrijpelijke asociale klootzak!

 

En die motor had ook weer niet zo’n harde klap nodig.

Alleen een tik en die vent lag er naast.

Gewoon een tik…

 

Dus… jochie… Jij wil spelen? Oké. Dan gaan we spelen.

 

Puck trapte het gaspedaal met één nijdige beweging omlaag, constateerde dat de motorrijder hier niet echt op had gerekend. Die lamzak bewoog ietwat onhandig, ging recht achter het stuur zitten en draaide de gashendel omhoog.

Net op tijd, want de bumper van Pucks auto raakte hem al bijna. Het was immers een spelletje. Hij wilde die preut niet meteen in de vangrail hebben. Dat mocht best een tijdje duren. De motorist creëerde een afstand van bijna tien meter. Keek in de spiegel.

Puck drong niet aan. Een achtervolging zou hij zeker verliezen. Zo’n motor was per definitie sneller. Bovendien wilde hij uitgebreid genieten van het spel. Zijn drukke werkzaamheden hadden ervoor gezorgd dat hij vanavond op tv een voetbalwedstrijd had gemist, dus dit leek hem een aardig alternatief. Een heel leuk spelletje. Dood de bestuurder, heette het. Zelf bedacht.

Eén ding had die motorjongen nu wel geleerd. Geen middenvinger meer opsteken naar die man in de rode Suzuki. Vond de man in die Suzuki niet zo leuk. Het maakte verder weinig verschil meer. Voor Puck stond het allang vast wat er met die kerel ging gebeuren. Die lul zou nooit meer een middenvinger opsteken naar wie dan ook.

Een tijdlang gebeurde er niets. Puck zette het volume van zijn autoradio wat zachter, terwijl Mick Jagger zong over de wurger van Boston. Er waren nu eenmaal oneindig veel verschillende manieren om iemand van kant te maken. Wurgen was er slechts eentje van en een methode die een enorme krachtsinspanning vereiste. Een motor aantikken verliep veel sneller en zonder getuigen bestond er weinig kans op een vervelende nasleep. Tenzij er camerabeelden waren, al dan niet toevallig, maar er hingen hier geen camera’s boven de weg. Het was zo’n snelweg waar iedere bestuurder altijd veel harder reed dan officieel toegestaan. Sinds kort mocht hij hier maar liefst 130 kilometer per uur rijden, maar iedereen reed hier rond de 160 of zo. Er was hier helemaal niets. Geen verlichting. Alleen wat boerderijen die verdwaald leken te zijn in een uitgestrekt vlak landschap. De motorist liet zijn snelheid weer teruglopen. Kennelijk was hij zijn eerste schrik te boven gekomen.

Nu ging het klieren natuurlijk weer verder.

Ja hoor. Middenvinger. Daar is-ie weer. Goddomme.

Puck legde zijn beide handen bovenop het stuur. Vroeg of laat zou hij zijn concentratie verliezen, noodgedwongen op wat anders moeten letten, een passerende auto, politie misschien zelfs, die ogenblikkelijk beide kemphanen langs de weg zou stilzetten. Hij zou zich gedragen als een vriendelijke bijna vijftiger die flauwe grapjes kon produceren over de ontstane toestand. Inderdaad mijnheer, helemaal mee eens, een misverstand, ja. Hopelijk letten ze niet op zijn bloedeloze samen geperste lippen of de felle blik in zijn ogen. Het was donker.

Voor die lamstraal maakte het geen verschil. Zijn leven ging vannacht eindigen – hier op deze snelweg.

Politie was er niet – of nooit.

Er waren twee spelers nodig voor een wedstrijd en die reden hier kort achter elkaar. Klaar voor een eindspel. Puck wachtte nog steeds op dat ene ogenblik, een moment van verwarring, concentratieverlies. Auto’s passeerden, maar de bestuurders schenen geen benul te hebben van het moorddadige spel dat er gaande was. Die motorrijder had evenmin enig idee wat hem boven het hoofd hing. Puck hoopte hier tenminste op. Eén keer ging die lul naast hem rijden. Heel even om eens goed in zijn auto te kijken. Wie zat er eigenlijk in die rode Suzuki? Het was een goed moment geweest, bedacht hij, maar ook heel gevaarlijk, omdat hij zelf een groot risico liep de macht over het stuur te verliezen. Hij durfde zijn stuur niet hard naar links te gooien. Vermoedelijk liep dat alleen in films altijd goed af voor de bestuurder.  Dus ging hij verder met zijn spelletje. Puck speelde met verve zijn rol als  nerveuze automobilist en deed zelden mee aan wedstrijden of spelletjes, omdat hij zich doorgaans een slechte verliezer toonde.

De motorrijder keek in zijn spiegel.

Puck zag in zijn binnenspiegel een auto met grote snelheid naderen. Politie. Kut. Dus toch een scheidsrechter. Dat betekende een afkoelingsperiode. Het spel werd voortijdig afgebroken.

Hij draaide het volume weer omhoog, het geluid deed nog net geen pijn aan zijn oren. De motorist verhoogde zijn snelheid en ging bijna dertig meter voor de Suzuki rijden.

Zie je, agent. Er is niks aan de hand.

Een misverstand, ja.

Ruzie? Wij? Nee hoor. Ik ben moe, heb hard gewerkt deze week en verlang naar enkele dagen thuis op de bank. Geen behoefte aan gedoe.

Sorry voor de overlast, ja.

De politieauto kwam langszij, verminderde vaart, agent op passagiersstoel keek naar Puck, die beminnelijk glimlachend zijn duim omhoog stak.

Nou, sorry jongens, voor het geval ik de indruk heb gewekt dat er iets raars aan de hand was.

Puck stelde uiterst tevreden vast dat de politieauto harder begon te rijden en een tijdje naast de motorrijder bleef hangen. Raampje open. Vraag van agent. Alles oké? Man op motor stak zijn duim op. Ja hoor. Alles in orde. Het ging precies zoals Puck het zich voorgesteld had – als er dan toch bemoeienis van agenten moest komen.

En toch is het spel afgelopen…

Om te beginnen waren die agenten geen kwajongens. Ze hadden het kenteken van zijn auto èn de motor genoteerd. Daar was geen twijfel meer over mogelijk. Natúúrlijk hadden ze die gegevens opgeschreven. Er gleed een vloek over zijn lippen. Nog altijd raasde de adrenaline door zijn lijf. De motorrijder was een dier dat voor het vizier van een jager verscheen die wachtte op het meest geschikte moment om te schieten. Alle gegevens waren bekend. Die agenten kwamen niet toevallig langs. Ze waren duidelijk gewaarschuwd.

Het spel was afgelopen.

De politieauto verdween met hoge snelheid in het nachtelijke duister. Puck begreep dat er op dit moment zelfs niks met die motorjongen mocht gebeuren, omdat hij in dat geval een hoop zou moeten uitleggen. Hij dacht aan getuigenverklaringen van mensen die het tweetal met hun spel bezig hadden gezien. Er hadden genoeg auto’s voorbij gereden terwijl ze met hun kat-en-muisspelletje aan de gang waren. De schijn zou altijd tegen hem werken. Hij was gezien en zijn kenteken genoteerd, zelfs als hij door zou rijden, zouden ze hem ’s nachts domweg van zijn bed lichten. Hij zou op zijn minst het een en ander uit te leggen hebben. Puck wist het en zag dat die motorrijder het ook verdomd goed wist. Oké dan, een gelijk spel, je hebt geluk vandaag, kerel.

Uit de speakers galmde nog steeds harde muziek, deze keer een man die beweerde een walrus te zijn. Puck concentreerde zich op de weg. Zijn vermoeidheid begon opnieuw en heviger op te spelen. De ruzie had veel energie gevergd. Hij schoof een knop naar links en voelde koudere lucht zijn auto in stromen. Kijk, dat was stukken beter. Straks mocht hij in slaap vallen. Thuis. Op de bank. Nu niet. Hij moest zichzelf thuisbrengen. De motorrijder leek zijn aandacht eveneens voor hem verloren te hebben en richtte zich op het verkeer en de snelweg.

Nog een paar kilometer te gaan. Zo meteen zag hij rechts het eerste bord dat zijn afslag aankondigde. Daarna was het nauwelijks vijf minuten rijden. Einde afrit rechts. Eerste kruising links. Thuis! Eindelijk weekend. Effe kijken of de Chinees nog open was en anders bij de Marokkaan binnenwippen, die ging door tot drie vannacht.  Een mens moest toch wat eten, nietwaar? Waarschijnlijk zou het shoarma gaan worden, weggespoeld met heel veel bier.

Puck mist bijna dat ene laatste gebaar, maar die motorjongen wilde het blijkbaar zeker weten. Of hij alles had gezien. Een laatste groet aan die ouwe zak in zijn rode Suzuki. Dus Puck trapte zijn gaspedaal direct omlaag – tot de bodem en zijn auto schoot vooruit. De motorrijder reageerde veel te traag of hij probeerde te snel met zijn linkerhand het stuur vast te pakken. Hij verloor zijn evenwicht, de motor raakte uit balans en Puck trapte op zijn rem.

Motor en berijder schoven tientallen meters over het asfalt.

Puck deed direct melding van het motorongeluk.

Nee, mevrouw, geen flauw idee wat er gebeurde, maar ineens ging-ie onderuit.

Hij had hem niet geraakt.

Há, hij had die zakkenwasser nooit geraakt..

Niemand kon zeggen dat hij hem geraakt  had.

Het was niet zìjn schuld, want hij had hem niet geraakt.

Puck schakelde zijn alarmlichten in, stapte uit en liep  langzaam naar de motorrijder.

Niet zijn schuld.

Straks, als hij thuis was, pakte hij een biertje op de goeie afloop.

Hij had hem niet geraakt.