Voor het ontbijt ging John Bressers een paar kranten kopen – dit deed hij bij een boekenhandel die altijd enkele exemplaren weglegde – achter de toonbank.
Een kopje thee en een stuk of wat crackers met jam waren zijn eerste maaltijd van de dag, terwijl een opkomende zon zijn woonkamer probeerde binnen te dringen. Hij woonde alleen, was al een tijdje gescheiden, geen nieuwe partner, wel had hij twee kinderen – een jongen en een meisje die elk studeerden aan een universiteit – zodoende kwam een oude bijnaam weer in zijn e-mailbox terecht – ‘de archivaris’.
‘Niet langer relevant,’ zo luidde zijn commentaar en Bressers hoopte het onderwerp verder te kunnen laten rusten. ‘Nou ja – ik bewaarde altijd kranten en tijdschriften.’ Helemaal gelogen was het niet eens. Hij heeft dat inderdaad altijd gedaan. Weggooien deed Bressers nauwelijks iets. Voorlopig leek zijn dochter genoegen te nemen met zijn uitleg.
Op straat liep hij een oudere man tegen het lijf die, elke ochtend, om negen uur, het huis verliet in gezelschap van zijn hondje – een onduidelijk ras. Beide mannen knikten beleefd naar elkaar.
Zo kon het gebeuren dat de buurman, ditmaal zonder hondje, ’s middags in een restaurant koffie dronk en met zijn hand begon te zwaaien, terwijl Bressers passeerde.
“Hé – hé – buurman. Kom – ik trakteer.”
Bressers nam plaats en noemde zijn naam.
“Manfred Pastoor,” zei de ander met een glimlach, aangezien mensen kennelijk altijd moesten lachen als ze die naam hoorden.
“Alleen koffie,” zei Bressers tegen de serveerster.
“Je kunt gerust meer bestellen – goed eten, hoor.”
“Dank je, het is voldoende. Ik kom niets te kort.”
Manfred Pastoor begon direct te lachen. “Weet je – ik moest eventjes nadenken voordat ik wist waar ik je al eens eerder heb gezien – John Bressers – jij hebt vroeger gewerkt als – eh – probleemoplosser.”
“Dat klopt,” zei Bressers, “ik ben met pensioen.”
“Zo oud ben je niet eens.”
“Nee, ik ben 59.”
“Schaapjes op het droge – uiteraard.”
“Ik heb het aardig gedaan, ja.”
De serveerster zette het kopje neer en Bressers knikte heel beleefd naar de vrouw die erg jong moest zijn.
“Was je laatst niet in een talkshow?”
“Klopt – ik ben een tijdje in West-Afrika geweest. Daarom hebben ze me gevraagd.”
Pastoor knikte. “Dus je leest elke ochtend je kranten en soms geef je je mening weg in een televisieshow.”
“Als ik er zin in heb,” zei hij.
Op deze manier verliep hun eerste ontmoeting. De mannen woonden in dezelfde straat – dure woningen die gelegen waren middenin het oude stadscentrum. Na bijna tien minuten excuseerde Bressers zich en ging hij verder – zijn einddoel vormde een van de boekhandels die de oude stad nog altijd rijk was. Onderweg naar huis, dus bijna een uur later, liep hij Manfred Pastoor wederom tegen het lijf, alsof de man letterlijk op Bressers had zitten wachten en dat was uiteraard ook zo – Pastoor had een bizarre vraag voor Bressers die het boek, dat hij had gekocht, vasthield.
Er speelde een glimlachje rond de lippen van Pastoor. “Net als jij heb ik enorm veel meegemaakt,” zei hij, “en nu verveel ik me. Sinds enkele dagen denk ik na over het plegen van een moord,” Pastoor wachtte hier even, zodat de woorden konden doordringen tot het bewustzijn van zijn gesprekspartner. “Ja, een moord.”
“Onverstandig,” zei Bressers, “en bovendien verboden. Je krijgt een hoop gelazer met justitie.”
Ze stonden op straat – mensen liepen links en rechts voorbij – niemand besteedde enige aandacht aan twee mannen die een uiterst curieus gesprek voerden.
“Je moet ook geen pistool of zo gebruiken.”
“Waarom vind je overigens dat ik dit moet weten?”
“Boeit het je niet zo?”
“Ik ben met pensioen,” zei Bressers, “tegenwoordig leid ik een rustig leven en soms hang ik een schilderij of een kapstok op als mijn kinderen daarom vragen. Een misdaad voorbereiden is niet strafbaar, maar je kunt er beter geen mensen mee lastig vallen.” Manfred Pastoor wachtte af. “Neem een normale hobby – ga liever vissen – er zijn mensen die dat ook als moord zouden willen omschrijven.” Hij stak zijn hand groetend omhoog en draaide zich om.
Uiteraard bleef het vreemde verhaal hangen – Bressers legde het boek thuis op tafel, liet zich in zijn stoel vallen en dacht na over de man die zich Manfred Pastoor noemde – Bressers wist dat hij hem al eerder had gezien – hij was vergeten waar precies. Een man die beweerde een moord te willen plegen of zich in elk geval bezig hield met de voorbereiding ervan. Terwijl de koffie op het tafeltje koud werd, probeerde hij zich een locatie en naam voor de geest te halen – .
Na bijna drie kwartier stond hij op en liep Bressers naar beneden – daar was de kelder – zijn archief – alle dossiers die hij ooit had verzameld – belastende gegevens over mensen en bedrijven – het was een slecht teken als je naam in zijn archief voorkwam. Het betekende dat je ooit de wet had overtreden en niet een heel klein beetje, maar heel erg veel – zijn werk als probleemoplosser bestond eruit om mensen en bedrijven uit te schakelen die een bedreiging vormden voor de continuïteit van zakelijke activiteiten – zo werd het veelvuldig genoemd – als ordinaire hebzucht een probleem werd, sociale en economische structuren dreigden te ontsporen – dan werd Bressers gebeld – ‘n probleemoplosser, tevens scheidsrechter.
In de praktijk verzamelde hij zoveel belastende informatie dat zijn archief een legendarisch begrip werd – daarom konden zijn kinderen er beter niets van weten, om die reden moest het archief geheim blijven. John Bressers begreep goed dat zijn leven en gezondheid afhing van zijn betrouwbaarheid. Er mocht niets uitlekken, alles diende geheim te blijven. Als een zaak was afgesloten, dan bewaarde hij de documenten, omdat er soms een mijnheer verhaal kwam halen, dan moest Bressers bewijzen hebben. Uiteraard lag zijn gehele archief in een kluis – achter stevige muren en een elektronisch beveiligde deur.
Daarom noemden ze hem ook wel ‘de archivaris’, al vroeg hij zich eveneens af welke kennis van vroeger zijn kinderen lastig viel met een versleten bijnaam.
O ja – uiteraard mocht hij in talkshows verschijnen, zolang het maar niet ging over een van die oude zaken. Veel zaken hadden de media in West-Europa nooit gehaald. Er kwam meer niet in de krant dan wel. De selectiecriteria van westerse media speelden in zijn voordeel, maar het was potentieel explosief. Genoeg voor een kabinetscrisis. Dat was heel zeker.
Bressers trok een ladekast open – de letter ‘p’, want hij hanteerde een ouderwets systeem, dus geen computers die makkelijk gehackt konden worden – toch vond hij geen dossier onder de naam Pastoor. Hij schoof de la weer dicht en ging zitten. Zijn telefoon lag boven op tafel – beneden was er geen bereik – het was een bunker die zelfs een brand moesten kunnen doorstaan – zo was hij gebouwd.
*****
Volgende ochtend knikte Bressers vriendelijk naar Manfred Pastoor die zijn hondje uitliet – het vreemde verhaal van de buurman ijlde nog een beetje na. De voorbereiding van een terroristische aanslag was strafbaar – moord behoorde tot een andere categorie. Bovendien wilde Bressers er geen kwestie van maken, al had zijn nieuwsgierigheid hem ertoe gedreven maar liefst anderhalf uur door te brengen in zijn archief – hij had beslist gezocht naar informatie. Zijn werk had hem naar alle uithoeken van de aardbol gebracht – er waren beslist doden gevallen als gevolg van het werk dat hij had gedaan en soms werd hij ook wel eens gedwongen zichzelf te verdedigen – dat was ook zijn baan – en daarom leefde hij nog steeds. Ook was er nooit een dossier uitgelekt, terwijl dat volstrekt onmogelijk moest zijn – alles bleef waar het was. Een kwestie van vertrouwen – er lag voor een kapitaal aan belastend materiaal in zijn archief. Zo simpel was het.
Pastoor stiefelde naar het plantsoen met zijn hondje – Bressers ging naar de boekhandel voor de kranten.
“Heel vreemd, mijnheer Bressers,” zei de verkoopster, “we hebben een envelop gekregen die voor u is bestemd – een verzegelde envelop zelfs.”
“Toe maar – erg chique,” zei hij. Bressers wilde niet zeggen dat vroegere contacten langs deze weg begonnen – het betekende meestal een hoop werk gedurende enkele maanden die soms eindigde in een bloedbad en vaak is een bedrijf ook maar een façade.
“Alstublieft,” zei ze en Bressers nam zijn kranten mee – een enkele keer vulde hij een dossier aan. Dat ook. Misschien was het een formeel verzoek om een dossier te vernietigen – betrokken hoofdpersoon was overleden – Bressers voelde geen enkele behoefte om dat dan te negeren.
Eenmaal thuis liet hij de kranten op tafel vallen en opende hij eerst de enveloppe die een enkel A4’tje bevatte – meer niet – meestal trouwens. Het was een handgeschreven brief – schrijver was een man die een regelmatig, bijna ouderwets krullend handschrift had. Er is belangstelling voor je archief, oude vriend. Wees op je hoede! Sinds kort gaat je naam rond. Er stond geen naam onder, maar dat hoefde ook niet. Bressers begreep heel goed wie de schrijver was. Ze hadden elkaar in vroeger jaren veelvuldig gesproken.
Hij pakte zijn telefoon en tikte een sms’je voor zijn dochter die kort geleden wist te melden dat er iemand naar de archivaris had gevraagd of probleemoplosser – hij wilde weten wie er naar de archivaris had gevraagd – John Bressers was de man die werd bedoeld en hij had de vraag domweg afgewimpeld, omdat hij zijn relatieve rust niet wilde verstoren met spoken uit een ver en duister verleden – hij was een man met een verleden, net zo goed als Manfred Pastoor trouwens.
Een half uur later volgde het antwoord met een naam.
‘Ik wil die dame ontmoeten.’
‘Okee. Ik ga het zeggen. Waar en wanneer?’
‘In café ’t Vuistje. Prik maar een dag en tijd.’
‘Goed. Da’s bij jou om de hoek.’
Na het ontbijt verbrandde hij de brief en envelop.
******
De kluisdeur stond wagenwijd open – zijn telefoon lag op de traptrede, zodat hij bereikbaar bleef – nu wel – ondertussen zocht hij in het archief naar een man genaamd Manfred Pastoor – het verhaal liet hem niet los – vanmiddag zou hij een stukje gaan wandelen in de stad, een kopje koffie drinken, café ’t Vuistje natuurlijk, aangezien hij daar veel vaker zat – meestal geen alcoholische dranken, wel koffie en een lunch.
De buurman die een moord wilde plegen gebruikte waarschijnlijk een alias – nee, zeker, of hij had in een ver verleden een schuilnaam gebruikt waardoor het nu moeilijker was geworden om hem terug te vinden.
Bressers was bijna negen jaar geleden met pensioen gegaan – sindsdien leidde hij een teruggetrokken bestaan en kwam hij nooit in het buitenland. Geen behoefte aan, want hij was er vaak genoeg geweest, zelfs als zijn kinderen erom vroegen –misschien leefde er een zekere angst voor de demonen die hij tijdens zijn carrière had gecreëerd.
Hij haatte verrassingen en Manfred Pastoor was nou precies zo’n onverwachte wending, een rimpeling in een bestaan dat verder geen opwinding nodig had.
Bressers vermoedde dat hijzelf een doelwit kon zijn.
Het betekende dat Pastoor heel goed wist dat er een archief verborgen ging in – vermoedelijk – een kelder – bovendien zou Bressers veel tijd steken in een zoektocht – zijn brein was trager geworden – hij noemde het een gebrek aan oefening – zijn leven als welgestelde pensionado had hem erg lui gemaakt.
Zijn telefoon begon te trillen – hij pakte het toestel en keek – het was een berichtje van zijn dochter. Nu al.
‘Pap. De professor wil je vanmiddag al zien.’
‘Goed. Hoe laat?’
‘Vier uur.’
‘Prima. Ik zal er zijn.’
Voordat hij zijn telefoon neerlegde, tikte hij de naam Manfred Pastoor – ja, natuurlijk had Bressers dit meteen al moeten doen, maar hij had zichzelf aangeleerd de moderne sociale media te negeren.
Er volgden enkele jonge en oude mannen die zo heetten – hij vond een Twitteraccount van Pastoor – de profielfoto was niet zo heel erg duidelijk en Bressers besliste spoedig dat het de man niet was. Zelf had hij nooit activiteiten op internet ontplooid, een natuurlijke reactie voor een man die niet gevonden wilde worden – een geest in de moderne maatschappij – als je iets te verbergen hebt, moet je van het internet wegblijven. John Bressers behoorde tot de categorie die anoniem wilde zijn. Net als buurman Manfred Pastoor trouwens, die was ook zo.
Hij sloot de kluisdeur en keerde terug naar de woonkamer – het was half bewolkt, soms scheen er een waterig zonnetje – het was krap zeventien graden.
Een afspraak in een café, het liefst druk bezocht, maar dat hoefde niet eens – ze zouden elkaar in het openbaar ontmoeten – Russen maakten wel eens gebruik van zwaar giftig radioactief materiaal om mensen uit te schakelen – nee, hij zou een professor ontmoeten, niet een moordenaar, zoals Manfred Pastoor best wel eens zou kunnen zijn – de professor had netjes gevraagd naar ‘de archivaris’. Maar een professor kon ook bijklussen als moordenaar.
Misschien maakte hij zich veel te druk – paranoïde.
Om vijf minuten voor vier verliet hij zijn huis – hij droeg een dun regenjack – behalve zijn telefoon had hij ook gedacht aan een stiletto, want je wist het niet. Instincten, die sinds vele jaren hadden geslapen, kwamen zoetjesaan tot leven en mogelijk allemaal voor niets en was er weinig aan de hand.
In het café zat een goed verzorgde vrouw met halflang bruin haar aan een tafeltje – op een stoel naast de hare had ze een leren schooltas neergelegd die al een behoorlijke tijd in gebruik was – misschien sinds de middelbare school – hij glimlachte en stak zijn hand uit. “U zou mijn afspraak van vier uur moeten zijn.”
“Mijnheer Bressers,” zei ze en de vrouw stond op. “Ik ben Claudia van Weijlands. Het is een hele eer dat ik u hier zo snel mag ontmoeten – had ik niet gedacht.”
“Ja, soms moet je over de schutting kijken,” zei hij.
Ze namen allebei plaats.
“U bent niet zo van de sociale media,” zei ze.
“Ik vind het vreselijk.”
De serveerster zette een kopje koffie neer en Bressers beduidde dat hij later een broodje zou bestellen.
“U wordt ‘de archivaris’ genoemd,” zei Claudia, “ik zal met de deur in huis vallen, want ik doe onderzoek naar neokolonialisme – ik probeer die wereld in kaart te brengen en u blijkt er gewoon veel van te weten.”
“Je – Mag ik tutoyeren? – Je komt te laat,” zei hij, terwijl ze enkele malen bevestigend met haar hoofd knikte. “Ik heb alles verbrand – afgelopen winter.”
“Verdorie,” zei ze en Claudia liet haar hoofd zakken.
“En dat breng me op het volgende punt,” zei hij.
Ze lachte heel kort. “Ik voel ‘m al aankomen.”
“Dus – vertel – Wie heeft je geïnformeerd?”
“Ik moet mijn bron in bescherming nemen.”
“Da’s heel vervelend.”
“Weet je – ik had al een beetje het idee dat ik me in een soort wespennest aan het begeven was,” zei ze.
“Kwam je echt voor het archief?”
“’t Is een legende,” zei Claudia, “ik heb mannen en vrouwen geïnterviewd die op een of ander moment met jou te maken hebben gehad – zaken die nooit het nieuws hebben gehaald – modern kolonialisme – nu sturen ze geen soldaten en priesters – ze breken de markten gewoon open, al willen die landen vaak de producten niet eens hebben. Zoals tabak.”
“Ja, daar heb ik over gelezen – het is knap vervelend wat de tabaksindustrie in die landen doet – hier mogen die jongens het niet meer – daar evenmin, maar de landen kunnen hen amper tegenhouden. Ze worden juridisch en financieel platgewalst,” zei hij.
“Ik dacht eerst dat je het over olie wilde hebben.”
“Kan ook. Wil je dat?”, vroeg Bressers.
“Nee, want ik zit mijn tijd te verdoen.”
“Jammer,” zei Bressers die steeds beter begon te begrijpen dat hij komende jaren vaker over zijn schouder zou moeten kijken en letten op volgers.
“Waarom wilde je me eigenlijk ontmoeten?”
“Gisteren sprak ik een man die beweerde een moord voor te bereiden – bespottelijk natuurlijk – maar ik moest weer denken aan een vraag van mijn kinderen – een prof had naar ‘de archivaris’ gevraagd – naar mij dus. Ik wilde die persoon leren kennen.”
“Heb ik een probleem?”, vroeg ze.
“Nee, natuurlijk niet. Je praat oprecht gepassioneerd over de kwesties die je inderdaad bezighouden – je zat je beslist boos te maken over de tabaksindustrie.”
“Weten ze het?”, vroeg Claudia die vervolgens een slokje thee nam en het kopje voorzichtig terugzette.
“Wie?”
“O – ja – sorry – je kinderen uiteraard.”
“Ik ben zo’n man die thuis nooit praat over zijn werk. Daarom ben ik ook gescheiden. Te vaak weg geweest. Al spreken we elkaar regelmatig. Goed contact.”
“Dacht ik al. En als een van je kinderen je archief wil gebruiken voor onderzoek. Zou je dat goedkeuren?”
“Verbrand – afgelopen winter. Weet je nog?”
Claudia begon te lachen en nam een nieuw slokje thee. “Ik hoopte je te kunnen foppen,” zei ze, zodra ze het kopje weer terugzette op tafel. “Tevergeefs.”
“Je beticht me van leugens.”
“Nee – nou ja – ach, je weet maar nooit.”
“Hopelijk laat je niet na rond te bazuinen dat ik mijn archief heb vernietigd. Er is helemaal niets meer.”
“Doe ik. Vanmiddag heb ik de collega’s verteld dat ik jou ging ontmoeten – ze waren jaloers – zeiden ze.”
“Nu ga je hen vertellen dat je je tijd hebt verspild.”
“Inderdaad.”
Claudia stond op en wilde geld neerleggen, maar Bressers beduidde dat ze dat niet hoefde te doen.
“Wie weet tot ziens,” zei hij.
“Vast wel – als je kinderen afstuderen bijvoorbeeld.”
“Dat duurt nog een tijdje.”
Ze pakte haar schooltas mee en verliet het café.
“Mijnheer Bressers,” zei de serveerster, “ik moest dit kaartje aan u geven.” Hij pakte een kaartje aan dat een bekende naam bevatte – Robert Foley. “Maar dat mocht ik pas doen als de mevrouw was vertrokken.”
Categorie archief: korte verhalen
De probleemoplosser (1/2)
De Klusjesman (3/5)
“Jon – ik maak me zorgen,” zei Michelle.
Eind mei, terwijl de kinderen op school waren en Michelle aan het werk, had hij een snipperdag genomen, zodat hij in alle rust twee extra kluizen kon verbergen in huis – zijn vrouw bewaarde sinds die dag een briefje waarop heel gedetailleerd stond beschreven waar hij ze had verborgen – in plaats van het gehele bedrag in één enkele kluis te verbergen, leek het hem beter om het te verspreiden – als het nodig mocht zijn, kon hij de verborgen geldkluizen weer bloot leggen. Voorlopig lag er een goede stuclaag overheen, een bedrag van bijna zevenhonderdduizend euro verdeeld over twee kleinere kluizen – veel kleiner dan die andere waarvoor je slechts een litho moest weghalen.
“Dat begrijp ik,” zei Jon.
Ze waren onderweg naar huis – om half een ’s nachts – de verjaardag van een vriendin van Michelle was een gezellige boel geweest, maar Jon zou water drinken, of cola, of sinas, alles behalve bier. Michelle had een paar glazen wijn gedronken – de kinderen waren thuis – een nichtje van Jon fungeerde er als oppasser.
“En het kom niet door de wijn,” zei ze.
“Zorgen over geld – heel veel geld…”
“Ja.”
“Denk je er zo vaak aan?”, vroeg Jon.
“Elke dag.”
“Ben je bang?”
“Nee, dan zou ik dat hebben gezegd.”
“Oké.”
“Leg nog eens uit waarom je die twee andere kluizen wilde installeren,” zei Michelle die naar Jon keek, maar hij hield zijn ogen op de weg – het was een smalle dijk, want de vriendin woonde achteraf – prachtige boerderij, heel mooi opgeknapt – gemoderniseerd.
“Risico verspreiden – ik denk dat ze naar het geld hebben gezocht, maar nooit gevonden en je mag niet uitsluiten dat ze het nog eens zullen proberen, als we tijdens de zomervakantie in Frankrijk zullen zijn – .”
“En dat vind ik een beetje eng – dat je zo denkt.”
“Je moet vooruit denken – mensen zijn voorspelbaar, erg vaak tenminste – ik heb een hekel aan gedrag dat doet denken aan psychiatrische stoornissen,” zei hij.
“Om die reden heb je veel aandacht besteed aan beveiliging – mijn ouders vonden je paranoïde.”
“Je ouders zijn erg aardige, maar naïeve mensen.”
“Maar je hebt geen alarmsysteem aangelegd.”
“Nee, want een hond is effectiever.”
“Geen poedel, denk ik.”
“Ik denk aan een herdershond.”
“Da’s dan voor het eerst.”
“We hebben vroeger honden gehad.”
“Ik heb je er nooit over gehoord.”
“De kinderen konden beter wat groter zijn,” zei hij.
“Zullen we het eerst in de groep gooien?”
“Mm, om vervolgens te horen dat Floortje een chihuahua schattig zou vinden en dan moet je er ook iets mee doen – ik begin over een herdershond met een reden – zo’n dier beschermt het huis – zijn thuis – ons thuis.”
“Wat ben jij héérlijk democratisch, Jon.”
Hij begon te lachen – zijn voet liet het gaspedaal los en Jon stuurde naar links – richting Den Bosch, daar lag de oprit voor de snelweg – ze woonden in Utrecht.
“Een hond en een kat.”
“Gaat dat samen?”, vroeg Michelle.
“Jawel hoor – tuurlijk.”
“Huisje, boompje, beestje,” zei Michelle. “En dan zou er nooit iets raars kunnen gebeuren, denk je?”
“Je hebt in elk geval wat risico’s uitgesloten.”
“Ze kunnen hoogstens geld stelen – een deel ervan.”
“Of desnoods alles, maar we zijn zelf veilig, tenzij we zouden afspreken dat we het geld op de stoep van het Leger des Heils achterlaten – of de politie.”
“Ik haat het, Jon, ik haat het.”
“Dat begrijp ik, maar je moet je voorstellen wat ze zouden doen als het geld er niet eens meer is,” zei hij.
“Niks, denk ik.”
“Dàt hangt helemaal af van de psychische gestoordheid van de – klusjesman – die ze sturen.”
“Het is toch een hoop geld.”
“Precies – en stel je nou eens voor dat er nooit iemand aanbelt om zijn of haar geld op te halen,” zei hij.
“Dan ben je al die tijd bang geweest voor niets.”
“Inderdaad.”
“Je moet me één ding beloven,” zei hij, “mocht ik je ooit eens op een apart tijdstip vragen in de auto te stappen en met de kinderen naar je ouders te gaan, dan moet je dat ook meteen doen – dus zonder vragen.”
“Oké.”
“Dank je.”
“Wat ga je dan doen?”
“Alles regelen natuurlijk.”
Michelle sloeg haar handen even voor het gezicht, maar ze huilde niet – Jon keek eventjes opzij en meende dat met name de kilte van zijn reactie nogal hard was binnengekomen – hij legde een hand op haar knie, maar ze schoof hem onmiddellijk weer weg.
*****
Drie dagen later en het was een zonnige, warme dag. De kinderen waren op straat aan het spelen, het was een fietsstraat, auto’s reden er zelden, er passeerden regelmatig hardlopers, wandelaars natuurlijk, mannen en vrouwen met honden. Michelle ruimde de was op – Jon zat achter de computer te zoeken naar mogelijkheden om zwart geld wit te wassen, een tijdrovende bezigheid, zowel het uitzoeken als de feitelijke uitvoering, maar kennelijk een populaire bezigheid – er bleek enorm veel informatie beschikbaar te zijn op internet – alleen moest Jon er een café voor beheren – op papier in elk geval – hij las een verhaal waarbij er goed bier in het riool werd gestort, zodat de omzet op papier verhoogd kon worden – .
Jon kende zijn plicht als echtgenoot en vader – elimineren van alle risico’s – toch hadden ze er allebei voor gekozen het geld te bewaren, omdat het nu eenmaal erg veel was – een miljoen euro – ongeveer.
Hij voelde de prettige lichaamswarmte van zijn vrouw – ze stond rechts achter hem – Michelle zoende hem in zijn nek – haar haren vielen over zijn gezicht. “Hoi liefie,” zei hij en Jon schoof de muis weg.
“Wat ben je aan het doen?”, vroeg ze.
“Mogelijkheden zoeken om geld wit te wassen,” zei hij, “erg lastig, tenzij je een corrupte bankmedewerker weet te vinden – hem of haar vijfduizend euro geeft voor het studiefonds van de kinderen die dan aan de universiteit van Sofia kunnen studeren – je zult mensen moeten vertrouwen die je nooit eerder hebt gezien – risico’s lopen,” zei hij.
“Andere manieren? Zijn die er ook?”
“Je kunt het mokkelen naar Dubai – zo’n soort land – waar ze een echt ouderwets bankgeheim hebben.”
“Lijkt me lastig.”
“Inderdaad – de situatie is erg lastig.”
“Jon,” zei Michelle, “als er iemand voor komt – Zou je het geld dan gewoon teruggeven aan – zo’n man?”
“Ik zou er geen mensenlevens voor op het spel zetten,” zei hij, “dat is het niet waard – niet voor mij en dat zou het werkelijk voor niemand mogen zijn.”
“Ik dacht – in de auto – dat je iets anders wilde doen,” zei Michelle. “Hoever zou je kunnen gaan?” Ze trok een stoel onder de tafel vandaan en nam plaats.
“Verkeerde vraag – Hoever zou ik willen gaan?”
“Ik durfde het niet te zeggen,” zei Michelle.
“In elk geval zou ik het risico nooit opzoeken.”
“Alles doen – en alleen maar – om je gezin te beschermen,” zei Michelle, “je bent een heel harde man – veel harder dan ik ooit had durven denken – al ben je ook ontzettend lief en zorgzaam – gelukkig.”
“Zo hard vind ik mezelf niet eens.”
“In de auto – dacht ik heel even – dat je zo’n kerel – die klusjesman – om zou kunnen leggen – vermoorden,” zei Michelle, “zaken doen, zoals ze dat in die enge films noemen – ik vind het echt heel eng.”
Hij schudde zijn hoofd en sloot het venster af dat hij open had staan, terwijl Floortje binnenkwam. “Nee, ik zou de risico’s willen uitsluiten – voordat de politie op bezoek moet komen om de lijken op te ruimen.”
“Ik heb honger,” zei Floortje.
“Trek – je hebt trek – geen honger.”
“Ja-a, trek.” Floortje trok er een gezicht bij.
“Als je gewoon je boterham op had gegeten – dan zou je nu geen – trek – hebben gehad,” zei Michelle.
“Pa-hap – Mam doet het weer!”, riep Floortje.
“En terecht,” zei Jon.
“Maar ik heb nog steeds h – trek.”
“Er is nog liga – dat mag je hebben en niks anders.”
“Goed mam,” zei Floortje die naar de keuken begon te lopen – Jon wachtte af tot zijn dochter weg was.
“Je had het over lijken opruimen,” zei Michelle.
“Ja, je hebt weinig aan die lui – de politie dus.”
“Kunnen we het geld nog inleveren?”
“We hebben wel erg lang gewacht, hè.”
“Bovendien wil ik het voor onszelf houden,” zei ze.
“Misschien komt er nooit iemand voor.”
“En als dat wel gebeurt?”
“Dan zal ik zaken moeten doen met die vent – al heb je er nog zo’n hekel aan – net als ik trouwens.”
Floortje verscheen in de deuropening met haar liga – ze had er een stukje van afgebeten en stond met een vrolijke grijns op haar gezicht te kauwen. “Lekker.”
“Er zitten mussen op het dak,” zei Jon.
“Inderdaad,” zei Michelle.
“Huh?”, vroeg Floortje. “Hoe weet je dat nou?”
“We zien en horen àlles,” zei Michelle die opstond en deed alsof ze een stukje liga wilde opeten, maar Floortje rende snel de tuin in en gilde er vrolijk bij.
*****
De jongens – Meindert en Allert – waren aan het voetballen, nu eens niet op straat, maar op een echt veld – de buurman speelde voor chauffeur, aangezien zijn zoon in hetzelfde team speelde. Floortje had nieuwe schoenen nodig, dus zochten moeder en dochter uren naar een geschikt paar, altijd een moeilijke operatie. Ondertussen ruimde Jon in de garage zijn gereedschap op – twee stalen kasten die voldoende ruimte moesten bieden om alles goed op te bergen.
Er stonden een paar fietsen, uiteraard ook de zijne, vanavond zou Michelle er de auto willen parkeren. Op de werkbank stond een oude radio en er klonk muziek uit de jaren tachtig – Depeche Mode – de oprijlaan bestond uit grind en elke stap zou hij kunnen horen – ook een fiets die dichterbij kwam of een auto.
“Fijne muziek,” zei een stem, maar hij luisterde net niet aandachtig genoeg om te kunnen bepalen waar de spreker vandaan zou kunnen komen – Jon pakte een beitel vast en deed alsof hij stevig na stond te denken.
Hij draaide zijn hoofd en zag een man die ongeveer veertig jaar oud zou moeten zijn – iets ouder misschien zelfs – de onbekende bezoeker droeg een kostuum – wit overhemd, maar geen stropdas – er groeide een stoppelbaardje op zijn kin – geen bril, een lange magere gestalte, hoge jukbeenderen – kort haar.
“Je moet er voor in de stemming zijn,” zei Jon.
“Is dat niet altijd zo?”, vroeg de man die keurig buiten bleef staan – het grind knarste onder zijn schoenen.
Jon gaf geen antwoord en speelde nog steeds met de beitel – het was onduidelijk waar de onbekende man voor kwam – eerlijk gezegd dacht Jon niet aan geld – hèt geld – misschien een evangelist, een priester of zo.
“Denk het,” zei Jon.
“Leuk wonen,” zei de man die om zich heen begon te kijken en deed alsof de omgeving hem nu pas opviel.
“Ja – geweldig – inderdaad.”
Jon leunde bijna ongeïnteresseerd tegen de werkbank, maar hield nog steeds de beitel vast. Hij startte een onhandige poging om zijn nagels schoon te maken.
“Ik – eh – heb een broer gehad die – eh – een tijdje terug in dit huis heeft gewoond,” zei de man.
“O,” reageerde Jon.
“We komen uit Ieper.”
“Stad met een verleden.”
“Maar we wonen al dertig jaar in Holland.”
“Als kind geëmigreerd,” stelde Jon vast.
“Mag ik verder komen?”, vroeg de onbekende.
“Tuurlijk.”
“Ziet u – mijn broer is vermoord – misschien kent u het verhaal – een vergismoord – zei de politie.”
“Ja, een trieste geschiedenis,” zei Jon.
“Het was moeilijk, maar ik moest het aanvaarden – zulke dingen gebeuren nu eenmaal in de wereld.”
“’t Is een idiote wereld,” zei Jon.
Toch prettig dat deze van oorsprong Belgische mijnheer heeft gewacht tot Jon Dekker alleen was. Het had anders gekund – in dat geval zou Michelle de kinderen direct in hun Volvo hebben gefrommeld. Ze zouden met hun viertjes zijn vertrokken – heel zeker.
“Ik heb me altijd afgevraagd of mijn broer iets zou hebben achtergelaten – een boodschap – we zijn de laatste tien jaren niet echt close geweest – Ziet u?”
“Ja.”
Jon strekte zijn arm en schakelde de radio uit – nu geen muziek met veel synthesizers, maar volstrekte rust, als je de plonzende roeispanen niet meerekende.
“Zo – eindelijk heb ik uw volledige aandacht.”
Nog steeds hield hij de beitel vast. Hij speelde er mee.
“Alsof je die nodig hebt,” zei Jon.
“Ik ken een miljoen redenen om uw aandacht te vragen, mijnheer Dekker – uw gezin niet meegeteld.”
“Een miljoen – da’s een heleboel.”
De man liet zijn rechterhand over zijn korte, stekelige haar glijden – het colbertjasje viel verder open en in de oksel bleek zich een enorme transpiratievlek te hebben gevormd – man liet zijn arm direct zakken.
Jon meende een nerveuze bibber te herkennen en een paar vochtdruppels op het voorhoofd te zien.
“Mijnheer Dekker – ik ben ook maar gestuurd.”
De klusjesman (2/5)
Jon en Michelle lagen in bed – het was ’s avonds laat – boven hun hoofd hing een litho van Dali, een kunstenaar die ze normaal veel te duur zouden zouden vinden, maar door een gelukkig toeval konden ze het betalen. Het raam stond op een kier, iets meer dan dat zelfs. Koude buitenlucht drong binnen, maar zo hadden ze het graag. Ze genoten van elkaars lichaamswarmte. Kinderen lagen al enkele uren te slapen – alle drie – Meindert, Allert en Floortje. Er moest nog veel gebeuren in huis, maar ze konden er in elk geval wonen en dat deden ze sinds een maand.
“Ik heb een artikel gelezen over de laatste bewoner die langer dan een jaar in dit huis heeft gewoond,” zei Michelle die het karwei had opgepakt om de geschiedenis van het huis uit te pluizen, omdat ze dacht te ontdekken wie er een groot geldbedrag zou kunnen hebben verstopt achter een zelf gemetselde muur. Ze sprak haar woorden op een plechtige toon. Vervolgens viel het ineens en schijnbaar zonder aanwijsbare reden stil – Jon keek opzij en wachtte af. De schaduwen van hun slaapkamer waren donker genoeg om vreemde, bijna grillige vormen te creëren.
“Er is best veel over bekend, ik heb alleen een tijdje moeten zoeken,” zei Michelle. “Man is vermoord.”
Jon luisterde naar voetstappen van hun kinderen op de overloop, zodat ze konden horen wat moeder en vader tegen elkaar zeiden. Er was niets.
“Is er een motief bekend – een dader misschien?”
“Man stond bekend als een einzelgänger, gedroeg zich erg netjes in het openbaar, een kluizenaar dus eigenlijk, hij bemoeide zich nergens mee, ze wisten in de buurt niet eens dat hij uit België kwam.”
Op de overloop kraakte er een plank, een van de kinderen zou aan het wandelen kunnen zijn – .
Ze wachtte enkele seconden die in een minuut veranderden – het moest echt volkomen stil zijn.
“Politie dacht aan een vergismoord.”
“Er waren met andere woorden geen concrete aanwijzingen die het slachtoffer verbonden met de onderwereld – georganiseerde misdaad,” zei Jon.
“Zoiets – ja – daar dacht ik ook aan.”
“Blijkbaar beschikt de recherche over een smoelenboek waarin alle bekende leden van de plaatselijke maffia worden beschreven, het liefst met een foto erbij, al dan niet gemaakt na een arrestatie.”
“Een criminele database. Je zou het wel denken.”
“Politiewerk is vooral informatie verzamelen.”
“Ja – en dus?”, vroeg Michelle.
“Een crimineel mag geen aanwijzingen achterlaten.”
“Dus de man, die hier jaren geleden heeft gewoond, kan een onderwereldbankier zijn geweest – iemand die een groot geldbedrag bewaarde voor de maffia.”
“Louter speculaties,” zei Jon.
“Waarom zouden ze het geld hebben laten liggen?”
“Ze wisten niet waar hij het had verstopt – dus konden ze moeilijk gaan zoeken – het zou aandacht trekken.”
“Is het zo simpel?”, vroeg Michelle.
Jon wilde eraan toevoegen dat vroeg of laat een stelletje met een paar kinderen het huis zou willen kopen en er driftig ging verbouwen – slopen en herstellen, zodat er een ander pand zou verrijzen. Ondanks het late uur besloot hij zijn mond te houden. Sommige woorden moesten verdwijnen in het nachtelijke duister, terwijl een gordijntje langzaam heen en weer zwaaide – het begon ineens te waaien.
“Natuurlijk zouden we een deel van het bedrag aan de politie kunnen geven,” zei Jon, “ze kunnen er niks van zeggen – het valt niet te bewijzen.”
“De eigenaren van het geld zouden weten dat we het hebben gevonden, dus hebben we geen rust meer.”
“Dat ook, ja. Daar heb ik ook aan gedacht.”
“Kunnen we dat rotgeld niet gewoon verbranden?”
“Dan moeten we bewijzen dat we dàt hebben gedaan – namelijk dat vervloekte geld van hun verbranden.”
“Verdomme.”
“Inderdaad.”
Op straat knetterde een brommer voorbij. Nou ja, in hun oude huis rammelden de glazen in de vitrinekast, als er een oude dieselbus op volle snelheid passeerde.
Michelle draaide zich op haar linkerzij en hij meende dat ze snel wegzakte in een rusteloze slaap – Jon bestudeerde nog enkele minuten het plafond, ontdekte enkele oneffenheden die hij had laten zitten. Zou hij de consequenties durven te aanvaarden van alle beslissingen die ze samen hadden genomen? Ze hadden het geld gevonden èn verstopt – een voordeel, maar het was ook een geweldig beangstigend probleem.
Bovendien lagen er twee pistolen en munitie in de kruipruimte van hun huis – voor het geval dat het ooit eens nodig mocht zijn en anders zou hij ze vernietigen en de onderdelen in het kanaal gooien – als hij eens alleen in huis zou zijn – hij zou een slijptol gebruiken. Zelfs al had hij zich lang geleden – voordat hij Michelle leerde kennen – langdurig bekwaamd in het gebruik van vuurwapens – een getalenteerde schutter.
Er danste nog een vraag in zijn hoofd, want vroeg of laat zou hij zijn gezin moeten beschermen – een gangster, een of andere patser, een man kwam namens een organisatie het geld opeisen. Misschien hadden ze hem alleen verteld dat er geld moest zijn – je wist maar nooit. Echt zeker was het uiteraard niet – misschien kwam er nooit een man aan de deur om een koffer op te halen.
En toch – er waren ruim een miljoen redenen om iemand langs te sturen voor een goed gesprek – zodra hij klaar was met zijn huis, steeg de kans dat er iemand langs zou komen – bijvoorbeeld een klusjesman.
Zeker weten – ja, ze zouden een klusjesman sturen.
*****
Zaterdagmiddag – de zon scheen, lucht was vrijwel onbewolkt, er dreven alleen een paar sluiers hoog in de atmosfeer – het begon al lekker warm te worden. Meindert en Allert waren aan het voetballen – Floortje zat een computerspelletje te spelen. Michelle had voor het eerst de parasol tevoorschijn gehaald – ze zaten aan het tafeltje – Jon las de krant, een papieren editie wel te verstaan, geen iPad. Er stond thee op tafel en drie glazen limonade die warm stonden te worden, omdat de kinderen te druk waren.
Hij legde de krant op tafel – er fietste een jongeman voorbij die aanwijzingen riep naar een stel roeiers. Jons linkerhand gleed over een ongeschoren kin. Michelle staarde opzij en liet haar boek zakken.
“Een beetje ongedurig, mijnheer Dekker?”
“Ik ben aan het spijbelen,” zei hij.
“Je hebt met andere woorden last van afkickverschijnselen,” zei Michelle die het boek neerlegde op tafel – er stak een 3FM-bladwijzer uit.
“Is papa verslaafd?”, vroeg Floortje die zich geen tijd gunde om op te kijken van haar spel.
“Aan klussen, hè – verbouwen.”
“Inderdaad – je zou bijna opnieuw willen beginnen.”
“Als je dat maar laat,” zei Michelle.
“Ik zou het ook niet doen. Niet echt.”
“O – op die manier – saai,” zei Floortje.
Michelle pakte het boek van de tafel en zette in een vloeiende beweging haar zonnebril weer op.
“Ga effe ga kijken hoe onze voetballertjes het maken – ze zijn al een tijdje uit beeld.” Jon stond op en dacht vrijwel direct aan de klusjesman – een idee dat verleden week, ’s avonds, net voordat hij ging slapen, in zijn gedachten verscheen. Hij dacht niet echt dat er gevaar dreigde, want ook een klusjesman zou eerst zijn verzoek bij hem neerleggen – dus eerst praten, dan volgden er harde maatregelen.
Aan zijn linkerhand lag het kanaal – de woonboten lagen er onveranderd kalm bij, zoals altijd – rechts begon een relatief smalle straat met parkeergarages. Meindert en Allert stonden bijna honderd meter van elkaar – ze speelde geen partijtje, maar schopte de bal eindeloos over en weer – het was een training. Op het kanaal passeerde er een kano – acht roeiers met een stuurvrouw die aanwijzingen lag te schreeuwen. Meindert liet de bal verder rollen – expres of per ongeluk, maar Jon tikte de bal met een boogje terug.
“Hé pap, ik wist niet dat je dat ook kon – .”
“Lang, heel lang geleden.”
“Welke positie?”
“Links back.”
“Was je goed?”, vroeg Meindert.
“Schiet nou o-op!”, schreeuwde Allert, maar Meindert gebaarde dat hij even rustig aan moest doen.
“’n Bottenbreker,” zei Jon die er hard genoeg bij probeerde te lachen om zijn zoon het idee te geven dat het maar een dom grapje was – het was geen grap.
“Huh, dat is helemaal niet waar,” zei Meindert.
“Daar heb je beslist gelijk in, jongen.”
Jon wandelde terug en begreep dat een klusjesman – mocht die ooit van plan zijn om langs te komen – niet eens misschien, maar heel zeker – dan zou dit mogelijk in de vakantie gebeuren – met het gezin in Frankrijk en tegen de tijd dat ze terug wilden keren – nee, eerder al, want zijn broer gaf de planten water – volgde er een verlossend telefoontje – er is ingebroken en de kluis, die hij zo netjes had verborgen achter een litho van Dali, was leeg.
Hij stak de weg over en staarde naar het kalme water. Zijn slippers verdwenen in het gras. Zou het hem spijten als ze tijdens hun vakantie de kluis leeg kwamen halen? Dus alleen de kluis? Al het andere lieten ze natuurlijk netjes achter – ze maakten geen puinhoop van het huis – mogelijk lag er een briefje met een enkele zinnen, een bedankje voor de goede zorgen – omdat het bedrag in tact was – nou ja, bijna.
De vorige bewoner, dus de man die volgens de recherche per ongeluk was geliquideerd, had in vrijwel dezelfde positie gezeten als Jon Dekker. Geen crimineel verleden, maar toevallige eigenaar van ruim een miljoen gitzwarte euro’s, anders lagen ze niet achter een muurtje – mèt twee geladen pistolen. Er moest naar het geld zijn gezocht en hij had alle aanwijzingen over het hoofd gezien – gemist. Is het dan zo onvoorstelbaar dat een man doodleuk een nepmuur bouwde in zijn huis om geld te verstoppen?
In het andere geval zou hij het geld naar een bank moeten brengen, dus zwart geld witwassen – niet in Nederland, want daar was het immers te veel voor – het zou in Zwitserland kunnen – daar hadden ze nog een soort bankgeheim – tenzij de overheid vermoedde dat je een hoop geld verstopte op een bankrekening was je volstrekt veilig.
Foto’s – Michelle had foto’s gemaakt van de verbouwing – vanaf de eerste dag, toen ze er binnen waren gegaan – vader, moeder en drie kinderen die een bouwval bestudeerden, veel werk, dankbaar werk en een gigantische verrassing achter een muur die er om te beginnen al nooit had mogen staan – Jon moest de foto’s bestuderen van de verbouwing – ergens zou hij aanwijzingen moeten vinden – er moest te zien zijn dat er mensen aan het zoeken waren geweest.
Hij draaide zich om en liep terug naar huis.
*****
’s Avonds, terwijl de kinderen al in bed lagen, bladerde hij het fotoalbum door – Michelle had alle foto’s geprint, zodat ze ook echt bewaard zouden blijven – een digitaal archief is tijdelijk. Jon zat op de bank en Michelle was boven aan het rommelen – ze ging elk moment naar bed – ging eerst tanden poetsen en zo – het zou een onschuldig tijdverdrijf moeten zijn – foto’s van de verbouwing bekijken, maar hij voelde zich een rechercheur die aanwijzingen zocht, al dan niet opzettelijk achtergelaten door een paar kerels die over een te geringe bouwkundige kennis beschikten – anders zouden ze een nepmuur hebben herkend, een muur die geen enkele redelijke functie vervulde in huis.
“Wat ben je aan het – ?”, vroeg Michelle. “O – leuk, de foto’s – je bent mijn foto’s aan het bekijken.”
“Ik had ze nog niet gezien.”
Ze keek naar de opgeslagen bladzijde, droeg geen bril of contactlenzen, dus ze zag alleen omtrekken.
“Blijf je nog lang op?”
“Nee – ik denk het niet.”
“Ik ga slapen.”
“Welterusten.”
Hij bleef alleen achter en bestudeerde elke foto die Michelle de eerste dagen van het huis had genomen – muren waarop oud, grotendeels afgescheurd behang zichtbaar was – gaten die in de muur waren geslagen – losse vloerplanken – een muur die er niet eens had mogen zijn – ja, het was heel redelijk om te denken dat een paar gangsters het huis hadden doorzocht, misschien wekenlang zonder te vinden wat ze zochten – hij glimlachte – .
Jon wist vrijwel zeker dat ze op zoek waren geweest naar het geld – anders was de liquidatie van de Belgische man inderdaad een zinloze daad geweest – .
Ja, volgens de makelaar hadden er krakers gewoond, die overigens maar korte tijd zijn gebleven. Ze hadden er een chaos achtergelaten en Jon begreep wat ze er hadden gedaan – gezocht.
Geld. Geen krakers, maar klusjesmannen die geld zochten.
De partnerapp
Het was al laat, bijna middernacht, maar Henrik lag zelden of nooit vroeg op bed. Hij bestudeerde het beeldscherm van zijn telefoon, las met groeiende interesse de namen van apps die hij zou kunnen downloaden. Zijn tweede telefoon dit jaar – andere was gestolen – dit was een ander model, veel moderner, voor het eerst zou hij apps kunnen downloaden. Henrik behoorde niet echt tot de elite van trendsetters, maar volgde meestal op ruime afstand. Zelfs zijn televisie stamde uit de vorige eeuw, een onhandelbaar exemplaar dat zich bijna onmogelijk liet optillen. Rechterhand graaide naar een glas bier, terwijl het scherm een lijstje met ‘apps & games’ liet zien – het wekte zijn nieuwsgierigheid – altijd leuk – hij veegde het scherm verder naar rechts en zag een pictogram dat twee mensenhoofden voorstelde – mannen of vrouwen – echt duidelijk werd het niet, een beetje androgyn zelfs, maar het trok zijn belangstelling – bovendien kostte het geen geld. Hij kon het altijd weer verwijderen, als hij dat wilde. Natuurlijk moest hij zijn voornaam invullen, leeftijd en seksuele voorkeur, plus een naam die hij aan zijn partner zou willen geven. Dat duurde het langst. Hij overwoog een ‘X’ te typen, maar koos voor Nelleke.
Zijn glas was leeg – hij stond op – telefoon lag op de leuning – Henrik griste het lege flesje mee en liep naar de keuken. In de gang hoorde hij twee piepjes die kort na elkaar klonken – een berichtje – hij liet het lege flesje in de krat zakken en pakte een flesje uit de koelkast. Hij maakte het dopje los dat hij op tafel gooide. Terwijl hij het licht in de keuken uitdeed, hoorde hij nieuwe piepjes – weer een berichtje. Henrik liet zich in zijn stoel vallen en zette het flesje neer. Hij pakte de telefoon op – ontgrendelde het scherm – hij las het eerste berichtje. ‘Hoi, ik ben Nelleke.’ Het tweede berichtje luidde: ‘Ben je druk?’
‘Was even in de keuken. Ik heet Henrik.’
‘Klinkt een beetje Zweeds.’
‘Ben Hollands.’
Een heel normale dialoog, maar Henrik kletste momenteel met een computer – er zat een digitale identiteit aan de andere kant van de lijn, een artificiële intelligentie. ‘Zeg eens. Ben je alleen thuis?’
‘Jazeker, ik woon alleen.’
‘Heb je hobby’s?’
‘Ik werk erg veel, maak lange dagen, dus veel meer dan televisie kijken en op de bank zitten doe ik niet.’
‘Hopelijk vergeet je mij niet – ik heb er een hekel aan als je me verwaarloost, hoor.’
Henrik schonk zijn glas half vol en staarde naar het scherm waar de reactie van Nelleke verscheen. In zijn hoofd tolde een opmerking – iets over een digitale opblaaspop, maar hij besloot het netjes te houden. Bovendien wilde hij niet boos worden op een doodgewone app, want daar zat hij nu mee te chatten.
‘Doe ik niet. Maak je geen zorgen.’
‘Vind je trouwens dat het allang bedtijd is? Hoe laat ga je meestal slapen? Het is al middernacht geweest.’
‘Half een, kwart voor een.’
‘Dan zul je wel laat aan het werk gaan.’
‘Klopt. Ik begin om half tien.’
‘Wat ben je nu aan het doen. Kijk je televisie?’
‘Nee, die staat uit. Ik drink bier.’
‘Met of zonder alcohol?’
‘Met natuurlijk, anders is het limonade.’
‘Dat is slecht voor je gezondheid. Weet je dat wel?’
‘Ieder mens heeft recht op één ongezonde gewoonte. Alcohol is de mijne.’
‘Je kunt er enge ziektes van krijgen.’
Henrik nam een flinke slok bier voordat hij zijn antwoord begon te typen. ‘Begin je nou al meteen te zeuren? Voor een stukje software ben je knap lastig!’ Er volgde geen reactie. Hij legde zijn telefoon weg en zette het glas neer. Heel even verwachtte hij de bekende piepjes te horen, maar het bleef stil. Nelleke lag in bed. Hij glimlachte en begreep dat hij aan een menselijk wezen zat te denken, terwijl ze digitaal was, geen vlees en bloed, maar computerchips.
Henrik opende de instellingen van zijn telefoon en zocht naar de lijst met apps, want hij wilde de partnerapp verwijderen – hij tikte op het woordje ‘uitzetten’, maar er gebeurde helemaal niets. Ook ‘gedwongen stoppen’ weigerde dienst. Er gebeurde niets. Wel kwam er een nieuw berichtje binnen. Nelleke lag misschien op bed, maar ze sliep nog lang niet. ‘Zo makkelijk kom je niet van me af. We gaan het nog heel leuk hebben saampjes. En ik vind echt dat je teveel drinkt. Anders reageer je niet zo akelig. Benieuwd of je morgenvroeg ook weer zo doet.’
Natuurlijk gaf hij geen antwoord. Henrik zocht een manier om de fabrieksinstellingen te herstellen. Dan zou hij meteen alle troep weggooien, zoals de partnerapp – Nelleke zou op de digitale mestvaalt terechtkomen – geen gezeur aan zijn hoofd – . Hij vond prima om alleen te zijn. Hij vond een lijst met standaardinstellingen, maar de partnerapp ontbrak.
Er kwam een nieuw bericht binnen. Hij dronk zijn glas leeg en las de tekst. ‘We gaan het heel leuk hebben saampjes.’ Heel even hield hij zijn telefoon vast en leek hem te wegen. Henrik overwoog vooral om het toestel tegen de muur kapot te gooien.
Zonde van het geld. En hoe dacht hij het uit te leggen aan zijn vrienden? Een partnerapp. Ze zouden hem niet eens geloven. Verdomme. Henrik zette het toestel op ‘stil’ en ging naar bed. Het was bijna half een.
Het kostte moeite de slaap te vatten – de ongrijpbare vasthoudendheid van Nelleke, zoals hij zijn computerpartner had genoemd, stoorde hem zeer. Minuten gingen uiterst traag voorbij. Henrik bestudeerde de lijnen op het plafond, oude verf die losliet – zijn wekkerradio lichtte voorzichtig op. Af en toe passeerde er een auto op straat. Hij woonde op de tweede verdieping, zodat hij alle straatgeluiden hoorde, zelfs stemmen van mannen die een praatje maakten. Een app, elke app die je downloadde, zou gemakkelijk te verwijderen moeten zijn. Het was slechts software, geen mens die tegen hem praatte.
Hij kwam uit bed en liep naar de woonkamer. Juist op dat moment, alsof iemand of iets meekeek, verspreidde het display van zijn telefoon een spookachtig licht. Geen geluid, want hij had het toestel op ‘stil’ gezet. Er was toch weer een berichtje binnengekomen. Zijn bril lag op tafel en hij dacht de woorden wel te kunnen lezen. Henrik zette toch zijn bril op en las het zinnetje. ‘Welterusten, liefie!’
Telefoon lag in zijn handpalm – zijn hart bonkte onrustig en Henrik dacht aan alle pogingen die hij had ondernomen om zijn telefoon op te ruimen.
Nieuw berichtje. ‘Ik hoop dat je lekker zult slapen.’
Alsof er echt iemand stond toe te kijken. Zijn hoofd draaide naar rechts – daar was het grote raam – er lag een brede straat – daarnaast stond een ander appartementencomplex – er woonden huurders, maar hij zag alleen donkere woonkamers. ‘Echt waar.’ Morgen zou er allicht iemand, een collega, naar zijn nieuwe telefoon vragen – hij had enkele dagen over weinig anders gesproken – Henrik dacht aan een verhaal waarbij domme pech een grote rol speelde – in de toiletpot gevallen – ja, drijfnat geworden. Ze zouden vragen of hij misschien dronken was geweest.
Okee – , voordat hij een bedrag van tweehonderd euro zou vernietigen in een toiletpot, moest hij eerst maar eens navragen of iemand ervaring had met iets dat een ‘partnerapp’ heette. In het ergste geval zou hij horen dat het een virus was en kwam hij er niet van af. Computersoftware waarmee je de nadelen van een relatie had, maar niet de voordelen. Een hinderlijke stalker die een ellendig gevoel voor humor had.
Volgende ochtend stond hij om vijf minuten voor half tien bij de koffieautomaat – hij dronk altijd zwarte koffie. Zijn rugtas hing half langs de rechterschouder. Receptioniste groette hem heel opgewekt, alsof ze nooit in een depressie zou kunnen wegzinken.
“Hoe is het met je telefoon?”, vroeg ze.
“Slecht,” zei Henrik. “Ik snap niks van het ding.”
“Zo moeilijk is het toch niet. Zelfs ik snap hoe ze werken – ,” zei de receptioniste die begon te lachen.
“Kun je nagaan hoe ik me voel.” Hij pakte zijn plastic bekertje mee en ging verder – hij moest aan het werk.
“Werk ze.”
“Dank je.”
Tijdens de pauze bleef hij op zijn werkplek, dus achter zijn computer – het werd de hoogste tijd om uit te zoeken of er op internet iets bekend was over de partnerapp – hij kon onmogelijk de enige sukkel zijn. Zolang hoefde hij niet eens te zoeken. Er bleek een forum te bestaan over het onderwerp. Een jonge vrouw die zich ‘Wanhoopje’ noemde, vertelde zonder overdrijven zelfmoordneigingen te hebben. Een zekere ‘MJ’ sprak over een virus dat je onmogelijk kon verwijderen – het betekende afscheid nemen van je telefoon, een nieuw nummer nemen en hopen dat je alle nummers van je familie, vrienden en kennissen goed hebt opgeslagen. Henrik schrokte langzaam zijn boterhammen naar binnen, terwijl hij de ervaringen van al die mensen tot zich door liet dringen.
Hij keek naar het scherm van zijn telefoon en stelde vast dat Nelleke maar liefst 187 berichtjes had gestuurd. Antwoorden zouden er niet meer volgen.
Henrik stond op en deed zijn jas aan. “Ik ben binnen een half uurtje terug,” zei hij tegen een vrouwelijke collega die terugkwam uit de kantine – haar opgewekte gezichtsuitdrukking maakte plaats voor verbazing en ze wilde vragen wat er aan de hand was.
Beneden passeerde hij de portier, een oudere, zwaar gebouwde man die een boterham zat te eten. Henrik stak de weg over – rechts lag een kruising, een pompstation – hij zou opnieuw een telefoon kopen, een heel eenvoudig toestel waarmee je het liefst alleen maar zou kunnen bellen en meer niet. Ze waren ervoor gemaakt – om te bellen – echt, alleen maar te bellen. Naast het kantoorgebouw, lag een ondiepe moddersloot – hij pakte zijn telefoon goed vast en wierp het toestel enkele meters weg, zodat het neerkwam in het donkerbruine water. Het was toch een hoop geld voor een gratis app. Misschien kocht hij geen telefoon meer. Lekker rustig.
Portret van een roofdier
Man beweegt zich geruisloos voort in een schemering die het zonlicht voorgoed achter zich lijkt te laten. Hij zoekt een een menselijk prooidier in de kracht van zijn leven. Man heeft honger – de zomerdag heeft hem uitgeput – geuren komen keihard binnen – hij hoort dreunende slagen van harten – voelt zenuwen die tot het uiterste zijn gespannen. Zwak licht heeft zich verspreid achter diffuse ruiten. Auto’s rijden voorbij – fietsers creëren nieuwe regels – een late hardloper begint aan zijn eerste kilometer – man voelt zijn hoektanden omlaag komen en prikken in het vlees – bloed vloeit in zijn mond, maar hij weet dat het onzichtbaar blijft voor de massa. Zijn ogen glimmen onophoudelijk, pezen en spieren staan gespannen, schoenen komen bijna onhoorbaar neer op de gortdroge straten die bovendien bloedheet zijn na de warme dag. Hij kijkt omhoog en ziet een man die hem bestudeert. Het onbekende roofdier op straat weet zeker dat hij hem nooit eerder heeft gezien.
Hun blikken ontmoeten elkaar, maar het duurt slechts zeer korte tijd. Er is geen blijvende herinnering. Man ziet zichzelf omhoog springen, zijn handen grijpen de luifel vast – maar het zou teveel aandacht trekken. Bewoner van het flatgebouw blijft kijken, maar ziet hooguit een late wandelaar passeren, geen roofdier.
Man blijft staan voor het stoplicht dat rood is – het deert hem normaal niet, maar nu blijft hij wachten. Bovendien twijfelt hij aan de richting – links of misschien toch rechts – of gewoon oversteken. Het stoplicht verandert van kleur – het is nu groen – hij beweegt nog altijd niet – drie jonge vrouwen passeren – ze trekken overvolle rolkoffers achter zich aan.
“U kunt oversteken, hoor – het is groen,” zegt er een die vriendelijk glimlacht. Meisje helemaal links zou een ideaal slachtoffer zijn. Ze geniet de bescherming van haar vriendinnen – beweegt overduidelijk anders, afwijkend bijna, want ze voelt zich niet prettig ’s avonds zo laat op straat. Hij glimlacht en besluit over te steken – stoplicht is alweer rood – een auto begint te rijden – het roofdier kijkt en dwingt de automobilist langzamer te rijden. Auto passeert, terwijl de motor onbehaaglijk gromt.
Man steekt de trambaan over en houdt zijn ogen gericht op de meisjes die in de wijk proberen te verdwijnen – alsof ze zich willen verbergen tussen flatgebouwen die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog zijn gebouwd. Man heeft een langzame, zorgvuldige tred – een jager die zijn prooi achtervolgt. Tegenwoordig woont hij in een flatwoning – het is behelpen, niet erg groot – bijna twee jaar geleden woonde hij samen met een vrouw die ongeveer zijn leeftijd scheen te hebben – ondenkbaar natuurlijk – maar ze ontdekte zijn geheim en moest sterven – erg vervelend, omdat ze een volmaakte façade vormde. Ze gingen samen op vakantie en hij keerde alleen terug. Geen familie. Buren namen genoegen met zijn uitleg – ongeluk.
Voorlopig kan hij er blijven wonen, al gaat het natuurlijk een keer fout – dan moet hij vluchten.
De meisjes fluisteren enkele waarschuwende woorden tegen elkaar, maar het roofdier heeft geen plannen om hen te overvallen – niet nu. Het is een warme, zwoele avond, bijna vierentwintig graden – veel auto’s op straat, fietsers en wandelaars. Het meisje dat daarnet nog helemaal links liep, heeft inmiddels een meer strategische positie ingenomen – ze loopt in het midden. Het roofdier glimlacht en laat de afstand een beetje toenemen – hij wil de meiden nu nog niet tot zich nemen – hun bloed drinken – vandaag of morgen loopt hij hier opnieuw – rond tien uur ’s avonds en is een van die meiden alleen.
Ze gaan een flatgebouw binnen – hij loopt verder – deur valt dicht – hij staart naar de glimmende knopjes en namen ontbreken voor een groot deel – hij steekt de straat over en laat zijn ogen langs de gevel glijden – binnen vijf minuten moet er ergens licht aangaan – daar wonen de meisjes. Man ademt heel langzaam in – dan weer uit. Hij zoekt naar een raam dat in het donker is gehuld. Zo meteen ontstaat er ergens een geel schijnsel – jawel, tweede verdieping, derde flatwoning van rechts. Mensen zijn argeloze wezens.
Misschien gaat hij er morgenochtend eventjes langs – hij hoeft alleen aan te bellen waarna er zich iemand zeer chagrijnig meldt en blaft ‘wat hij moet’. Hij zal antwoorden dat hij zijn sleutels is vergeten – in keurig Nederlands – accenten zijn verdacht, een man met een accent, dat buitenlands aandoet, staat altijd voor een gesloten deur. Het roofdier weet altijd en overal binnen te dringen – hij moet alleen het juiste moment afwachten en ’s zomers is er altijd wel ergens een raam open – complete deuren van balkons – er kan toch niemand op de derde verdieping binnendringen. Morgenochtend, als de dag aanbreekt, zijn die meisjes het diepst in slaap en kan hij ze alle drie overvallen.
Man heeft honger en zoekt een eenvoudige prooi om te – drinken – in vroegere eeuwen was het moeilijker – hoewel de stedelijke magistraten het geen probleem vonden om desnoods een onschuldige op te hangen als ze daarmee het plebs tot rust konden brengen. Het roofdier verplaatste zijn activiteiten als dit gebeurde – man is een zwerver en blijft nooit lang op dezelfde plek – hij heeft een probleem met officiële documenten – tegenwoordig ligt alles vast op computerschijven – vingerafdrukken, biometrische gegevens, zodat hij zich steeds moeilijker kan verstoppen – man heeft nog geen oplossing gevonden voor zijn probleem – hij weet zich voor te doen als een aardige man – hij is de aardige buurman die de vuilniszakken van zijn oude buurvrouw wegbrengt. Hij zegt altijd ‘goeiemorgen’ in de lift en lacht heel beleefd, maar gaat nooit een gesprek aan – . Hij is niet in staat om een onschuldig praatje te maken. Man gaat verder – kijkt nog eenmaal omhoog en zijn ogen ontmoeten die van het meisje – het is zijn meisje – tenzij ze ongelofelijk veel mazzel blijkt te hebben – het roofdier bijt zich zelden vast in één bepaalde prooi. Hij moet zijn honger zien te stillen – hoe dan ook.
Man ruikt het water – verderop ligt er een kanaal – geen rivier, maar een door mensenhanden gegraven stroom die Amsterdam als haven weer interessant moest maken – hij is erbij geweest, toen er werd gegraven. Het is nog altijd een favoriete plek van het roofdier – hij heeft er enkele fijne herinneringen liggen – er staan keurige hoge flats zonder balkons, zodat de mensen nooit goed volgen wat er op straat gebeurt.
Koud, regenachtig weer is beter voor het roofdier. Gordijnen zijn stijf gesloten, niemand let op – hij heeft zelden honger als de temperaturen zijn gedaald.
Auto’s rijden op de brug – hij kan ze horen – maar ze zullen niet kunnen zien wat er hierbeneden gebeurt. Zijn ogen glijden langs de ramen van flatwoningen – één en al verlichting – van links naar rechts – ramen die geopend zijn – zonwering is soms naar beneden gelaten – die mensen zijn waarschijnlijk niet thuis – hij is alleen – verderop ziet hij de hardloper dichterbij komen – twee fietsers passeren het roofdier en babbelen driftig over vriendinnen, maar vooral seks – hij wacht op de hardloper die al een tijdje aan het lopen is – wereld van de sporter is ineengekrompen tot het formaat van zijn parcours. Het roofdier weet het heel goed – zijn prooi ziet het gevaar niet aankomen – de flatbewoners kijken niet – nou ja – misschien eentje – zo meteen volgt er een botsing – hardloper valt neer – het roofdier buigt zich over hem heen en de flatbewoners zullen denken dat hij hulp aanbiedt – maar hij zal geen hulp bieden – hij zal zijn lange hoektanden in de nek van de man zetten en zijn honger stillen – dat gaat hij doen – een botsing forceren of die vent neerslaan – hij heeft honger.
Daarna gaat hij zich bezighouden met de meisjes.
Dat dan weer wel.
’n Olympische finale
Er lag genoeg ruimte voor misschien honderden auto’s. Hij parkeerde er de zijne en stapte uit – strikte de veters van zijn schoenen wat beter dan hij thuis had gedaan. Zijn vinger drukte het knopje in waarmee hij alle portieren van zijn auto vergrendelde. Drie keer per week ging hij hardlopen – nooit in de stad, zoals sommige mensen uit zijn wijk vaak deden – hij zocht altijd de rust van een natuurgebied – zoals de IJzeren Man – een perfect gebied om twee rondjes te lopen – bijna tien kilometer. Vroeger begon hij altijd met oefeningen – rekken en strekken – voorbijgangers kwamen onveranderlijk met dezelfde grappen. Hij negeerde ze allemaal en ging zijn gang.
Tegenwoordig begon hij rustig te lopen – spieren geleidelijk warm te laten worden – het had gelukkig net geregend – luchttemperatuur was vrijwel perfect – het was twaalf graden – er stond geen wind. Hij besloot het fietspad te volgen – rechtsaf – dus met de klok mee – zijn benen voelden lekker aan – er waren geen pijntjes die hinderlijk opdoken. Het was een geschikt moment om te gaan hardlopen – . Hij zoog zijn longen vol zuurstof en ademde traag uit – heel ritmisch – zijn ademhaling volgde het tempo van zijn benen. Horloge tikte de seconden weg. Aan het einde van de weg hoorde hij een fietsbel – het gebeurde vaker – man of vrouw, die ruimte genoeg zou moeten hebben, wilde snel passeren – hij keek over zijn schouder en zocht een fietser die naderde, maar er was helemaal niemand. Auto’s reden voorbij, maar geen fietser.
Hij schudde zijn hoofd en besloot zijn tocht te vervolgen. Hij ging naar rechts – het was de boulevard – ontoegankelijk voor auto’s – hij had hier al heel wat zweetdruppels achtergelaten – vele kilometers hardgelopen. Hij ging enkele wandelaars voorbij – een oudere vrouw die haar hond uitliet – een man van middelbare leeftijd liep vrij langzaam en scheen vooral na te denken. De hardloper wist dat zijn zintuigen altijd zeer goed functioneerden als hij aan het sporten was – zijn lichaam waardeerde de inspanning altijd heel goed – vond het lekker. Ook nu weer. Hij zag meer details dan normaal – hoorde veel meer. Er scheen een waterig zonnetje – een schaduw bewoog zich naast hem – de schaduw van een hardloper, maar hij was het niet zelf. Hij begon langzamer te rennen en keek naar links – zocht de man of vrouw die hem gezelschap scheen te willen houden, maar er was helemaal niemand. Hij was alleen.
Allemaal verbeelding. Hij probeerde de schaduw, die hem nog altijd volgde, gewoon te negeren – hij hoorde stemmen van jongens – één in het bijzonder – jongen sprak nogal opgewonden: “Zullen we stenen gooien naar de treinen?” Nu bleef hij staan en zocht groepen schimmen die heel langzaam vanuit het niets tevoorschijn begonnen te komen – een atmosfeer die onzeker trilde, alsof er een subtropische hitte boven het asfalt hing. Achter de bomen stonden verschillende auto’s geparkeerd die zonder meer in een museum thuishoorden. Vroeger waren de auto’s veel smaller dan tegenwoordig. Eén buitenspiegel. De hardloper stond allang stil en keek niet, maar stáárde – schimmen bewogen zich sierlijk als turnsters in een Olympische finale over de weg. Groepjes mensen hadden strategische posities ingenomen op het strand – kalm water rolde over het zand en boomwortels – loodzware wolken dreven als luchtkastelen voorbij – een andere wereld, een andere tijd. Hij stapte opzij, want een auto wilde passeren. De hardloper stond op het midden van de weg, zag een wereld opdoemen uit de mistwolken van de tijd. Hij geloofde zijn eigen ogen niet. Klam zweet kleefde op zijn rug en transpireren deed hij nooit zoveel. De aandrang, om verder te rennen, was verdwenen. Zijn ademhaling was regelmatig – benen voelden sterk aan – hij keek om zich heen – drie jongens verdwenen tussen de bomen – eentje deed hem aan zichzelf denken, zoals hij vele jaren geleden was – toen hadden ze wel eens zoiets gedaan, ja.
Oudere vrouw met kort stekelig haar bleef dichtbij zijn gezicht staan – versperde zijn gezichtsveld – ze toonde een uiterst bezorgde blik en vroeg: “Wat is er? Voelt u zich misschien niet goed?”
De hardloper legde zijn hand op haar schouder en duwde de vrouw voorzichtig opzij en ze liet zich heel gewillig terzijde schuiven – dat ook. Jongens die hem herinnerden aan een tijdperk van heel lang geleden, meer dan dertig jaar terug, waren alweer verdwenen – niet eens in de struiken – onderweg naar het spoor, omdat er regelmatig een intercity passeerde – natuurlijk op volle snelheid en die stenen ketsten lekker tegen de ruiten. Er reden hier al heel lang geen auto’s meer. Nog steeds vond je er groepjes mensen op het strand, maar niet vandaag, want het was erg koud en tegenwoordig improviseerde families zelfs complete barbecues. Het gebeurde wel eens. Als het warm was.
“Nee,” zei hij, “ik dacht dat ik – .”
“Je stond zó te kijken – ik werd er helemaal naar van.”
“Geen idee.” De hardloper bleef zoeken naar de beelden die zijn verbeelding zojuist had getoond – want het moest verbeelding zijn geweest.
“Ik hoorde stemmen van mensen,” zei hij.
“Wat voor stemmen?”
Hij wilde antwoorden dat hij aan schimmen dacht. Herinneringen uit het verleden die zich hier ineens aan hem vertoonden – alsof het normaal was.
“Niks aan de hand,” zei hij. “Ik was eigenlijk lekker aan het hardlopen – da’s alles.”
Stemmen horen en schimmen zien – een vergankelijk heden had zich laten zien, zodat de hardloper eventjes dacht dat het nooit veel anders zou zijn. Fraaie beelden uit een gouden geschiedenis. Beelden zonder enige waarde.
“Niks aan de hand,” herhaalde hij. “Ik ben aan het hardlopen.”
“Ik dacht toch echt dat ik – .”
“Dank je wel,” zei de hardloper die zich weer probeerde te concentreren op zijn training – hij begon te rennen – het kostte hem behoorlijk wat moeite zijn ademhaling onder controle te krijgen – hij leek zijn voeten elke keer verkeerd neer te zetten – anders dan in het begin – er dreigde een zeurderige pijn in zijn zij – maar hij rende en bleef rennen. De hardloper keek omlaag – asfalt verdween achter zijn hakken – rechts van hem lag het water – stil als altijd – levenloos als altijd – heel even dacht hij een machine te zien – door stoom aangedreven, maar dat was natuurlijk verbeelding, want het was erg lang geleden.
(Slot) Formules en Rituelen van de Magische Wereld – ‘of hoe de duivel alsnog een lange neus kreeg’
Seconden, minuten, misschien vele uren later ontwaakte hij weer, liggend op de vloer – een venijnige pijn doorsneed zijn hoofd – hij voelde elke slag van de zilveren knop die op zijn hoofd was neergekomen. Hij draaide zich op zijn rug en staarde naar het plafond. Was het allemaal echt gebeurd of had de reeks bizarre gebeurtenissen uitsluitend in zijn eigen verbeelding plaatsgevonden? Er moest een boek in de kast staan waarin formules en rituelen van de magische wereld waren beschreven. Zijn bevende vingers raakten zijn hoofd aan en hij voelde opgedroogd bloed.
Hij was in elk geval hard neergekomen. Gordijnen waren gesloten. Maximiliaan vertoonde zich nu eens niet, maar Ted voelde zich een slaaf van de negentiende-eeuwse schim. Had iemand hem wel eens gevraagd of hij dit wel wilde? Een man die belangstelling had voor een boek, geschreven in een niet-bestaande taal, moest haast een geschikte kandidaat zijn. Ted probeerde op te staan – de kamer begon ietwat te draaien, dus hij wachtte nog even. Straks zou hij gaan douchen – alle ellende van zich afspoelen. Goed – nu eens even alles samenvatten. Er stond een toverboek in de kast, een echt toverboek waarin je kon teruglezen hoe je mensen zou kunnen genezen van – bijvoorbeeld – enge ziektes. Hij wist het niet eens zeker, aangezien het boek was geschreven in een taal die Maximiliaan had bedacht. Waarom eigenlijk? Zouden er in de negentiende eeuw mensen hebben bestaan die oprecht geloofden in magie? Achterliggende eeuwen blonken vooral uit in jacht op mensen die zich met tovenarij en hekserij hadden verbonden. Ted liet zijn vingers over zijn gezicht glijden en voelde wederom de bloedkorsten die zich heel voorzichtig begonnen te vormen op zijn hoofd – klonters bloed in zijn haar. Hij zou het boek vernietigen en de kennis om dit te doen zou hij niet in het boek vinden, dus moest hij zich als een ijverige student voordoen. Komende weken en misschien zelfs maanden zou hij Maximiliaan zo goed mogelijk willen bedriegen. Ondertussen zou hij naar een manier zoeken om alle ellendige demonische figuren voor eens en voor altijd uit zijn leven te bannen.
Hij begreep niet waarom Maximiliaan hem zo vreselijk moest mishandelen. Zo erg zelfs dat Ted het bewustzijn was verloren. Er klonken voetstappen, iemand die snel dichterbij kwam, een man – of misschien een vrouw – nee, toch een man die in het trappenhuis naar boven of beneden liep. Schimmen hoorde je niet, die waren er ineens.
Na bijna tien minuten kwam hij overeind. Hij hield zich vast aan de deur die open was blijven staan, alsof de laatste bezoeker in grote haast was vertrokken. Ja, hij zou het boek vernietigen. Opnieuw klonken er voetstappen in het trappenhuis en hij vervloekte zijn eigen schrikachtigheid. Het was een domme reactie. Ted liet zijn kleding op de vloer van zijn badkamer vallen en boog een stuk voorover, draaide zijn hoofd naar links, zodat hij de verwondingen beter kon bekijken. Dit viel onmogelijk uit te leggen. Niemand, zijn familie en vrienden, zou begrijpen wat er was gebeurd. Niemand geloofde dat hij gewoon was gestruikeld en gevallen – of erger – dat hij geen idee had wat hem was overkomen. Ted achtte het een beter idee om te gaan zitten, een plastic krukje, dat er altijd stond, diende als waarborg tegen een nieuwe val. Warm water stroomde langs zijn lichaam – hij zag de douchebak enigszins rood kleuren, maar niet zo erg als hij had verwacht. Hij gebruikte geen shampoo, poetste lusteloos zijn tanden en veegde bijna tien minuten later de spiegel schoon, zodat hij de plekken opnieuw kon bestuderen, maar die nu waren schoongespoeld. Ja, het viel ontzettend mee. Zijn natte haren onttrokken de wonden heel mooi aan het zicht, behalve natuurlijk de vlek die Moonbeam had aangebracht op zijn hoofd. Die was heel goed te zien.
Om kwart voor negen zat hij te eten. Alles bij elkaar was hij bijna drie uur buiten westen geweest en Ted moest eten. Halverwege zijn maaltijd ontwaarde hij een stille schim die zich in de schaduw van een ondergaande zon bevond, maar niet verroerde. Ted herkende hem. Het was Maximiliaan die zich deze keer niet op wenste te dringen.
“Ga weg!”, beet Ted hem toe.
“De oude didactische methoden werken vaak het best,” zei Maximiliaan, “maar ik heb misschien een beetje overdreven.”
“Ik wil je niet meer zien – nooit meer.”
“Misschien ben je er nog niet klaar – ,” zei Maximiliaan, maar Ted stond erg abrupt op en stapte naar het raam – hij trok de jaloezieën wild omhoog, zodat de schim razendsnel in het licht verdween.
Hij dacht aan licht en ook aan vuur – een mooi, zuiverend vuur – toch wilde hij het zeker weten. Ted liet zijn dromen van een mooi, uitzonderlijk lang magisch leven voor wat ze waren – dromen. Hij weigerde een speelbal te zijn van onbekende machten die hun eigen gevaarlijke duistere belangen nastreefden. Ted zou zich nooit meer laten slaan – een schim liet zich heel gemakkelijk verdrijven – je had er alleen licht voor nodig – zonlicht – elektrisch licht – licht is licht. Er speelde een gedachte in zijn hoofd. Mogelijk waren de schimmen die hij had gezien alle tovenaars en heksen, alle opvolgers van Maximiliaan, uitgedoofde zielen die waren gestraft door een boze wrekende God die geen onnatuurlijke duivelse machten op aarde duldde. Ted nam een slok water, normaal een biertje, maar alcohol durfde hij nog niet aan – hij had te veel klappen gekregen.
Terwijl de ondergaande zon zich langzaam achter een flatgebouw begon te verschuilen, zag hij donkere schaduwen verschijnen die zich traag door het huis verplaatsten. Normaal gebruikte hij slechts een drietal schemerlampjes om zijn woning te verlichten – nu gingen alle lampen aan – de keuken, gang, beide slaapkamers en woonkamer – nooit eerder had hij zoveel licht aangedaan. Toch zag hij flitsen van schaduwen om zich heen – schimmen die heel kort uit het licht traden en voldoende duisternis hadden gevonden om zichtbaar te zijn. Iets na middernacht ging hij naar bed. Het werd een onrustige nacht waarbij Ted regelmatig ontwaakte, een lamp boven zijn hoofd gloeide fel genoeg om de schimmen uit zijn buurt te houden. ’s Ochtends, toen het licht van de opkomende zon zijn slaapkamer binnendrong, gleed hij weg in een diepe slaap. Ted werd pas om half een ’s middags wakker.
Goed – het was maandagmiddag en hij had allang aan het werk moeten zijn. Vijf telefoontjes en een app die bijna drie uur geleden was verstuurd – zijn werkgever had enkele hardnekkige pogingen ondernomen om contact met hem op te nemen. ‘Net wakker. Ik leef nog. Ben ziek. Sorry voor het late bericht.’ Daarna schakelde hij zijn telefoon meteen uit, want het laatste wat hij wilde was een gesprek met zijn direct leidinggevende die hem de volgende ochtend aan het werk hoopte te hebben. Een overheerlijk zonlicht kwam via alle richtingen zijn huis binnen – hij woonde in een hoekappartement – er zaten overal ramen. De schimmen, die zich gisteravond na zonsondergang massaal aan hem opdrongen, waren verdwenen – nee, ze waren nog – ze verborgen zich alleen in het licht en hielden hem evengoed in de gaten. Zouden het de schimmen zijn geweest die het boek telkens terug brachten en netjes op de plank zetten?
Hij nam plaats achter zijn computer en opende het forum – er waren geen nieuwe opmerkingen geplaatst. ‘Vraagje aan Gandalf. Waarom denk je dat het bloed van een maagd moet kunnen helpen?’ Gandalf merkte immers op dat het bloed van een maagd moest kunnen helpen om de betovering te breken. Het leek Ted erg vergezocht, want de formules en rituelen stonden op zichzelf – tot dusverre had hij geen seconde overwogen dat het boek een middel zou zijn om dode geesten aan de aarde te binden. Misschien was dat wel het doel van het boek? Hij voelde zich direct beter, want zijn hoofdpijn nam een beetje af. Om half drie verdween de zon achter een wolk – schimmen gleden over het plafond en langs muren – menselijke gestalten die tevoorschijn kwamen uit het licht dat hen eerder nog verborgen hield – vervagende herinneringen aan mensen die ooit hadden geleefd en lief gehad.
Zijn ogen bleven naar het beeldscherm van zijn laptop staren en zochten een definitieve oplossing voor zijn problemen, maar Gandalf antwoordde niet en mogelijk veel later pas. Waarschijnlijk was bloed geen passend middel om een toverboek te vernietigen. Waarom zou je magie gebruiken om diezelfde magie te stoppen? Buiten begon de lucht dicht te trekken – donkere onweerswolken stroomden door de atmosfeer – er hing een beangstigende windstilte die elk ogenblik doorbroken zou kunnen worden. Hij wachtte op een bliksemflits die zich knetterend een weg naar de aarde zocht. Schimmen kregen een vastere vorm, al slaagde hij er nauwelijks in om echte gezichten te ontwaren. De schimmen kregen een grauwe vale kleur, als echte mensen die uit een dichte mist tevoorschijn kwamen. Ze spraken niet, maar maakten dankbaar gebruik van de duisternis die de stad begon te overvallen. Op straat zochten voetgangers een veilig heenkomen – ze gingen flats binnen en prijsden zichzelf of God gelukkig, omdat ze net op tijd waren. Toch duurde het lange tijd voordat het onweer losbarstte. Zijn hordeur had hij dicht getrokken, balkondeur was geopend. Hij liep naar het raam en zag de onmiskenbare gedaante van Maximiliaan Brouwmeester wiens duim triomfantelijk omhoog was gestoken. Er lag een tevreden grijns op zijn gezicht bevroren. Een zwakke stem, die enigszins deed denken aan een zucht, sprak vlakbij zijn rechteroor. ‘Vuur zuivert, beter nog dan water, alle zonden van de mens.’ Hij draaide zich om en overzag zijn woonkamer die nooit eerder zo vol was geweest met geesten die niets anders deden dan afwachten. Er volgde een verblindende flits – als een blikseminslag die plaatsvond in zijn huis – de schimmen deinsden achteruit, Maximiliaan verscheen vanuit het niets naast de kast – het duurde slechts enkele seconden voordat ze met zijn tweeën waren overgebleven. “Je enige kans op een groots en meeslepend leven – om echt iemand te zijn die boven de grijze massa uitstijgt – een witte raaf tussen miljoenen zwarte raven.” Hij hief zijn armen verontschuldigend omhoog. “Ik zal je niets meer aandoen,” zei hij.
Op hetzelfde moment hulde een bliksemflits zijn huiskamer in een helder licht. De gestalte van Maximiliaan Brouwmeester, die zeer menselijk leek te zijn, kreeg gedurende een enkele seconden de aanblik van een duivel, zoals Ted zich er een zou voorstellen – een donkerrode huidskleur en vlammende ogen – twee priemende hoorns die op zijn voorhoofd staken – donkere, rood naar zwart neigende haren – . Het duurde maar zeer korte tijd. Een rollende donder walste door de atmosfeer. Maximiliaan herkreeg zijn menselijke gedaante, maar Ted zou het nooit vergeten en vroeg zich alleen af wat er in het leven van Moonbeam fout was gegaan – een hippie, symbool van vrede en liefde, die zich had verkocht aan een duivel. De verleiding was er geweest, maar Ted voelde de vernederende klappen van Brouwmeester nog altijd op zijn hoofd.
“Ik geef toe – het is heel aanlokkelijk,” zei Ted.
Buiten begon het hard te regenen – een zomerse wolkbreuk – een gordijn van water dat hard neerviel. Ted en Maximiliaan bestudeerden elkaar. Er volgde een nieuwe bliksemflits die ratelend en knetterend horizontaal door de atmosfeer schoot. De duivelse gedaante van Maximiliaan werd opnieuw zichtbaar – zijn hoorns prikten nijdig voorwaarts. Zijn ogen leken te branden – als gloeiende steenkolen. “Nu moet ik zeggen dat ik een makkelijke prooi in je dacht te hebben – maar je bent een veel gecompliceerder mens dan ik ooit had kunnen denken.”
“Verdwijn uit mijn leven en ik wil je nooit – echt, nooit meer terugzien – neem je boek mee, anders verbrand ik het,” zei Ted die een aansteker uit de la pakte. Hij brandde regelmatig wierookstokjes. Daarvoor bewaarde hij een aansteker.
“Groots – meeslepend,” zei de duivel die een heel gewone, menselijke naam had gebruikt.
“Soms denk ik wel eens dat God een soort gigantische immateriële bewustzijn is – jij en ik maken er deel van uit – Zijn bewustzijn moet je je net zo groot voorstellen als het universum. Wie zal het zeggen? Ik vermoed dat er ergens in dat onmetelijke bewustzijn een herinnering rondzweeft aan het bestaan van een mensensoort op aarde – ik geloof er niets van dat Hij ooit heeft bedacht dat mensen belangrijker zijn dan de nietigste bacteriën in het heelal – misschien herinnert Hij zich het bestaan van de mens niet eens – zo belangrijk zijn we nou eenmaal ook weer niet. Ik was het vergeten – ik wist niet meer dat ik dat een tijd geleden heb gedacht. Je hebt me geholpen – door jou ben ik een gelukkiger mens geworden. Ja, misschien ga ik zondag weer naar de kerk.”
“Barst,” zei de duivel en hij draaide zich om en verdween.
Ted voelde een heerlijk koele lucht zijn huiskamer binnenkomen – buiten regende het nog steeds heel hard – het bliksemde en donderde nog altijd, maar verder weg dan daarnet. Hij overwoog om eens naar de boekenkast te gaan – gewoon om te controleren of het toverboek er nog stond. Hij hoefde er niet naar te kijken. Dat wist hij heel zeker.
(2) Formules en Rituelen van de Magische Wereld
Het flatgebouw vormde een reusachtige letter ‘L’, langste zijde stond parallel aan de snelweg, maar Ted hoorde geen lawaai van voorbijrazende auto’s. Bomen groeiden als eenzame plukjes groen op het parkeerterrein dat ruimte gaf aan zowel nieuwe als oude auto’s. Hij liep naar de hoofdingang, zocht het juiste huisnummer dat zich op de dertiende verdieping bevond. Ted vond het heel toepasselijk. Zijn vinger drukte de bel in. Er klonk geen geluid, geen zoemertje, het bleef stil. Wel klikte de deur na ongeveer twintig seconden open. Hij ging verder en overwoog de lift te nemen – liftdeur was rijkelijk voorzien van graffiti – telefoonnummers van onbekenden die seks wilden hebben, maar het mogelijk zelf niet wisten. De liftkooi deed hem denken aan een grootmodel kliko, dus hij nam de trap.
Inderdaad wist hij waar de oudere vrouw woonde die hem ’s nachts had bezocht en een telefoonnummer op zijn muur had achtergelaten. Het gesprek met de jongeman speelde in zijn herinnering, maar ook het abrupte einde. Er zouden geen vreemde relikwieën in het appartement aanwezig mogen zijn, omdat er agenten zijn geweest die alle bijzonderheden zouden hebben meegenomen voor onderzoek. Er was gewoon niets, maar de macht van de oudere vrouw, wier achternaam Ted nog altijd niet kende, was veel groter dan hij had gedacht. Ze moest het boek van Maximiliaan Brouwmeester uit het hoofd hebben geleerd – alle formules en rituelen.
Op de dertiende verdieping passeerde hij hoofdzakelijk keukens en slaapkamers die huishoudens verraadden waarbij de diepe armoede nooit ver weg leek te zijn. Het appartement van de oude vrouw kenmerkte zich door zwaar ogende gordijnen die gesloten waren. Ted belde aan en gedurende een halve minuut gebeurde er niets. Deur ging langzaam open, een mannelijke gedaante verschool zich half in de schemering. In zijn ogen viel de ontzetting te zien die aan het eind van hun gesprek was verschenen. “Kom alsjeblieft binnen,” zei hij.
Ted wachtte niet langer en ging verder. “Waar is de badkamer?”, vroeg hij.
“Laatste deur rechts.”
Hij liep in een lange smalle gang – er waren deuren zonder drempels – heel geschikt voor mensen die afhankelijk waren van rolstoelen. Ted opende de badkamerdeur en probeerde zich geen voorstelling te maken van wat hij daarachter zou aantreffen. Zijn rechterhand zocht naar een lichtschakelaar. “Geen licht, mijnheer, als je het licht aandoet, zie je helemaal niets.” Hij gaf geen antwoord, maar duwde de deur weg. Zijn verbeelding toonde hem een kat die was opgehangen aan een lijn die slap omlaag boog. Zoiets was er helemaal niet. Hij ontwaarde verstilde, onbeweeglijke gedaanten die zelfs donkerder waren dan de donkerste nacht. Ook in het bad lag een man in een donker gekleurde, borrelende vloeistof, alsof het kookte. Gezicht stak boven het oppervlak uit dat een bloedhete, klamme hitte weggaf – Ted zag een gezicht dat ondenkbare kwellingen verraadde – een pijn waar je onmogelijk aan zou kunnen wennen.
“Wie zijn die mensen?”
“Ik zou het niet weten, mijnheer.”
De schimmen kwamen langzaam en met uitgestoken armen in zijn richting – hij dacht dat ze hem wilden vastgrijpen, zodat hij voortaan hun gezelschap kon delen. Ted deinsde achteruit en trok de badkamerdeur dicht. Een doffe klap. Geen echo.
“Er ligt een man in bad – het is geen water, maar iets heel anders en het lijkt te koken. Wat is het?”
“Dat heb ik niet gezien – sorry.”
“Ik wil de boekenkast zien.”
“Er is geen boekenkast.”
Ted opende wederom de badkamerdeur, maar zocht ogenblikkelijk de lichtknop – een gloeilamp verspreidde helder lichtgeel licht. Badkamer was leeg. Er waren geen schimmen die geduldig wachtten op een naïeve bewoner. Wat zou er gebeuren als er tijdens het douchen ineens de stroom uitviel? Hij onderdrukte een grijnslach. “Wat is de naam van je tante?” Hij hoorde zichzelf de vraag stellen en herinnerde zich weer dat ze Theodora heette.
“Mijn tante was – is een hippie. Ze noemde zich Moonbeam. Haar echte naam was – .” Hij glimlachte een beetje verlegen, terwijl hij dit zei.
“Theodora – ze heeft het gezegd – ik heb er niet aan gedacht,” zei Ted.
“O – oké,” zei hij. “Theodora Molenaar.”
“Ik ben benieuwd wat ik moet doen om niet te eindigen als een soort van spook die zijn eeuwen slijt in een badkamer,” zei Ted. Hoe kon hij weten dat de geesten, die zich in de badkamer verborgen, voorgangers van Moonbeam en hemzelf moesten zijn? Hij beschouwde zich als een erfgenaam. Welke misdaad moest je begaan om te eindigen in een bad vol kokende – ja – wat was het eigenlijk? Er lag geen aanwijzing die hem de zekerheid gaf dat hij gelijk had en toch geloofde hij het. Daarom kende hij het adres van de mevrouw die zich Moonbeam noemde en om dezelfde reden stond hij hier. Er daagde een nieuwe gedachte. Ted zou binnenkort optreden als bewaker van dit ondode gezelschap dat zich in de licht verborg. “Je probleem is tijdelijk,” zei hij, “ze zullen verdwijnen, zodra je tante komt te overlijden.”
“En dan?”
“ – Is het mijn probleem.”
“Het idee, dat je constant bespiedt wordt, lijkt me erg vervelend,” zei hij. Ted bedacht dat hij de naam van zijn gastheer niet wist en hij miste er weinig aan. Binnen enkele ogenblikken ging hij weg en zou hij het boek thuis bestuderen, omdat hij de vloek, die op zijn schouders neer dreigde te komen, wilde stoppen.
“Ik weet voldoende,” zei Ted.
“Dus ze gaan allemaal weg?”, vroeg hij.
“Je zult het weten als je tante is overleden.”
“Maar dat kan nog heel lang duren.”
“Ik hoop het.”
“Mijn ouders willen de huur nog niet opzeggen, maar wat moet ik doen als ze dat wel het plan doorzetten?”
Ted overwoog een antwoord. Het was zijn probleem niet eens. Hij had heel andere problemen.
“Laat ze gewoon aan je ouders zien en overtuig ze ervan dat de huisgasten vanzelf verdwijnen, als je tante eenmaal dood is. Het is een tijdelijk probleem. Bovendien is het jouw probleem niet eens.” Het was een harde constatering, maar wel waar. “Je kunt immers altijd zeggen dat ze er niet waren. Geloof me – ik zal er geen woord over zeggen.”
Ted liet de badkamer achter, een zorgvuldig gesloten deur – er hing een schemerduister in het huis dat permanent leek te zijn – een beetje vreemd, aangezien de geesten zich alleen in het donker vertoonden aan mensen. Ze hadden heel duidelijk menselijke contouren – graaiende handen en armen die ze vooruit hadden gestoken alsof ze hem wilden grijpen. Zombies die hun stoffelijke lichaam waren verloren. Bij de voordeur bleef hij staan en draaide zijn hoofd half om – jongeman stond middenin de gang en staarde hem met twee grote waterige ogen aan.
“Ik merk het vanzelf als je tante dood is.”
“Hoe moet ik dit nou uitleggen aan mijn ouders?”
Hij vond niet dat het zijn probleem was, maar wilde nu best reageren op de vraag van jongeman. “Duistere magie – zo noem je dit – ik vermoed dat je in de badkamer geesten van dode tovenaars en heksen bij elkaar ziet. Ik weet alleen niet wat ze daar doen.”
“En de man in het bad? Ik denk dat het bloed is.”
“Dat zou kunnen, ja. Weet je wat hij heeft misdaan?”
“Nee, ik heb geen idee.”
Ted verliet het appartement. Deur viel achter hem in het slot en hij wandelde op de galerij – terug naar het trappenhuis – hij negeerde opnieuw de lift en liep naar beneden, zodat hij kon nadenken. Twee schokkende ontdekkingen in zeer korte tijd. Magie bestond echt en het was eerder een duister bedrijf dan iets waar je ontzettend blij van werd. Bovendien waren er doden die de voorkeur leken te geven aan een langer verblijf op aarde in plaats van een definitief verblijf in het hiernamaals. Hij schudde met zijn hoofd, alsof hij zijn eigen gedachten niet wilde geloven. Het lag anders. Deze mensen, zowel mannen als vrouwen, waren gebonden aan aarde en vooral duisternis, want helder licht, elk licht, slaagde erin deze wezens te verdrijven.
Beneden in de hal zag hij de weerspiegeling van zijn eigen, ietwat slungelige gedaante in de ruit – een man van ongeveer veertig jaar oud – bruin haar dat iets over zijn oren viel en stoppelbaard. Theodorus, of Ted zoals zijn ouders hem noemden, bleek te zijn uitverkoren als magiër – en magie vormde de oudste van alle wetenschappen die de mensheid kende – nog gevaarlijker dan de atoombom – een schending van de natuurlijke wetten die hij kende. Hij verliet het flatgebouw en stelde meteen vast dat een jonge vrouw op de motorkap van zijn auto was gaan zitten – natuurlijk in kleermakerszit en ze zat heel ijverig te breien. Terwijl ze dit deed, keek ze af en toe om zich heen. Hij vloekte binnensmonds, maar de jonge vrouw bleef gewoon zitten – hij kwam snel dichterbij – ze strekte haar benen en liet zich keurig van de motorkap glijden. “Hoi,” zei ze. Ted bedacht dat hij haar al eens eerder had gezien, of een familielid die vanuit de duisternis zijn woning was binnengedrongen. “Ik ben Moonbeam,” zei ze.
“Dus toch.”
“Je hebt mijn neefje gesproken.”
“Klopt.”
“Nu moet je een hoop vragen hebben.”
“Die had ik al, hoor.”
Moonbeam vouwde het breiwerkje op en liet het in een schoudertas glijden. “De geesten zijn er niet altijd – hopelijk is dat een geruststelling voor je – want ik werd doodsbang, toen ik ze in huis kreeg.”
“Wat doen ze? Wie zijn ze?”
“Ze zijn voorgangers van ons die het niet zo goed hebben gedaan – misdadigers en machtswellustelingen – er zitten enkele bekende Nederlanders tussen – nee, ik noem geen namen.”
“Jij komt er niet terecht, denk ik.”
“Nee, gelukkig niet,” zei Moonbeam. “Ik ga dood en hopelijk laten ze me zo kort mogelijk tussen de werelden zweven, want ik heb zin in het Walhalla.”
“En de man in het bad?”
“Het lot van de moordenaar,” zei Moonbeam. “Waar menig zondaar tot de keel moest koken in bloed! Ik vind sommige van die oude zeden en gewoonten toch wel goed. Het is heel fijn om van tevoren te weten wat je lotsbestemming zal zijn als je iets verkeerd doet.”
“Ik las op internet dat het bloed van een maagd mij van het boek zou kunnen verlossen.”
“Beste Ted – je ontkomt niet aan je lot – heel je leven zul je net zo eenzaam zijn, als ik altijd ben geweest, maar de kracht die het boek je verleent, zal minder duister zijn dan jezelf al vreesde – anders gezegd – je kunt zelf een hele hoop invloed uitoefenen – hoe je leven, maar ook je dood tenslotte zal zijn.”
“Ik moet het boek eerst leren lezen.”
Ted ontgrendelde zijn auto en trok het portier open. Terwijl hij instapte in de veronderstelling dat Moonbeam hem zou volgen, verdween de vrouw, of geest, in een oogwenk. Hij zat achter het stuur en keek nog eens of hij het verkeerd had gezien. Moonbeam, zoals ze zich echt noemde, was verdwenen – misschien was ze er in werkelijkheid nooit geweest.
Hij reed langzaam achteruit, draaide naar rechts en verliet het parkeerterrein en wist dat hij hier nooit meer zou terugkeren. Magie, duister als de donkerste nacht, blootgesteld aan de ergste hebzucht van een mens, of licht als een sprankelende lentedag, symbool van vrede en voorspoed. Het zou allebei kunnen, maar duistere magie werd genadeloos afgestraft – duistere magiërs bleven op aarde rondzwerven, misschien wel tot het einde der tijden en zelfs langer, als God hun bestaan allang was vergeten. Rechts van de weg, voordat hij de snelweg op zou draaien, stond een man wiens leeftijd zich moeilijk liet schatten – hij hield een kartonnen bordje vast waarop slechts één woord stond. Valhalla. Er lag een donkere gloed over zijn ogen. Ted draaide het stuur van zijn auto naar rechts en stopte – hij gooide het portier open.
“Daar ga ik echt niet naar toe, kerel.”
De onbekende drukte het bordje tegen zijn been en nam plaats. “Dank je.”
“Ik ben alleen maar gestopt.”
“Het is erg belangrijk dat je dat hebt gedaan, want ik denk dat Moonbeam inmiddels allerlei onzin in je hoofd heeft gepropt,” zei de man wiens uiterlijk en kleding deden denken aan een personage van Dickens. Hij legde het kartonnen bordje op het dashboard, maar leek dat vooral te doen – er was helemaal geen kartonnen bordje. Het was een illusie. “Je moet onthouden dat er geen hemel bestaat en ook geen hel – behalve de hel van het dagelijks leven.”
“Als ik het goed begrijp, wil je dat ik mijn eigen genoegens moet nastreven – je spreekt over egoïsme, onbegrensd narcisme en maatschappelijk verantwoorde zelfbevlekking, een duivels carnaval, zoals de televisie ons bijna dagelijks laat zien.”
“O, ik ben te laat.”
“Dat ben je al ruim veertig jaar.”
“Ik zal je nooit meer lastig vallen.”
“Dank je.”
Man stapte uit en verdween ook direct weer, alsof hij er nooit was geweest. Ted liet het verschijnsel maar voor een deel tot zich doordringen en trapte het gaspedaal omlaag. Een man die veranderde in een verblindende lichtflits, omdat de zon door de bewolking heen brak. Zoiets moest het zijn geweest.
Hij probeerde zich de rest van zijn leven als magiër voor te stellen, een man die slechts een spreuk hoefde uit te spreken om een gedachte werkelijkheid te laten worden. Natuurlijk zou hij er goede en slechte dingen mee kunnen doen. In zijn gedachten speelde de herinnering aan de duistere schimmen die in de badkamer opgesloten leken te zitten, maar volgens Moonbeam zaten ze er niet altijd. Als de oude magiër weg leek te zullen glippen uit het leven en de beoogde opvolger moest wennen aan zijn nieuwe rol, dan drongen de geesten uit het verleden zich hinderlijk op. Hij stuurde zijn auto zonder veel moeite door het drukke verkeer, passeerde vrachtauto’s – er speelde zachte klassieke muziek, al wilde hij vaak genoeg naar klassieke rockmuziek luisteren. Wat zou een magiër kunnen betekenen voor de samenleving? Natuurlijk mocht niemand er ooit achter komen. Het moest altijd een geheim blijven. Onderzoek naar genezing van kankerpatiënten kwam abrupt tot stilstand, want Ted kon moeiteloos alle zieken genezen. Er groeide een tevreden glimlach op zijn gezicht – hij staarde een ogenblik naar links en keek de vrouwelijke passagier van een oudere man in het gezicht. Ze begon ook direct te lachen, maar Ted wist dat hij zijn idee onmogelijk zou kunnen uitvoeren. Chronisch zieken genezen en kankerpatiënten in het algemeen, omdat zijn vader aan kanker was overleden, armoede bestrijden door iedere burger voldoende eten en drinken te schenken, want armoede begon in je maag. Uiteraard zorgde hij ervoor dat hijzelf keurig oud zou worden en nooit te veel last kon krijgen van enge ziekten, of in het ziekenhuis zou komen te liggen vanwege een hersenbloeding. Zijn glimlach veranderde in een hikkende lach – hij negeerde zijn overige weggebruikers, want er daagde een verrukkelijk leven aan de horizon. Alleen moest hij het boek zien te begrijpen, de tekst leren lezen, de sleutel vinden die hem zou helpen de geheimen van Maximiliaan Brouwmeester te ontsluieren.
Het kostte hem thuis enige moeite zijn auto te parkeren. Omdat hij dichtbij een tramhalte woonde, was het er altijd druk – gratis parkeren en dan binnen tien minuten in het centrum. Misschien kon hij daar ook eens wat aan veranderen – altijd een vrij parkeerplekje voor de deur, maar hij zou hier sowieso niet erg lang blijven wonen. Een magiër behoorde een oud huis te bewonen, liefst erg achteraf, dat schuilging achter een rij dichtbegroeide bomen die zomer en winter groen bleven. Ted sloot het portier van zijn auto en wandelde naar huis. Er lag geen post, zelfs geen reclamefolder die ondanks het stickertje toch in de bus was gegooid. Hij draaide de sleutel van zijn voordeur naar rechts en rook direct een uiterst kwalijke, walgelijke lucht, als van een lijk dat al langere tijd lag te stinken. Veel meer dan een uur of twee was er niet eens verstreken. Hij zocht naar de lichtknop, maar aarzelde bij de aanblik van een roerloze gedaante die in het schemerduister zichtbaar werd. Lang grijzend haar, matzwarte ogen die in het niets leken te kijken, een vrolijk gekleurde jurk die bizar contrasteerde met de aanblik van een dode.
“Moonbeam?”, vroeg hij en zijn woorden sloegen dof neer. Haar lippen bewogen heel traag, alsof ze iets wilde zeggen en de vrouw ondernam verschillende zinloze pogingen tot hij een drietal woorden herkende die ze telkens weer herhaalde: ‘Ik ben dood.’ Betekende dit nou dat dode magiërs geen toegang hadden tot het Walhalla? Ze bleef bewegingsloos staan. Hij meende zich er langs te moeten wurmen, de aanwezigheid van een ongewenste bezoeker negerend, alsof het een hinderlijk insect betrof. Ze probeerde haar arm op te tillen, een beweging die moeite kostte, want er bestond een echte herinnering aan de aandoening die haar het leven had gekost. Zijn hand tikte op de lichtknop – een zacht geel schijnsel trok heel langzaam de aanwezigheid van Moonbeam naar een onzichtbare wereld – ze was verdwenen.
Nog steeds hing er een ellendige stank – als van rottend vlees. Ted ging verder en klemde zijn autosleutels stevig vast, terwijl hij de woonkamer betrad. Hij had de gordijnen opengelaten, maar ze bleken nu te zijn gesloten. Ted zocht de gedaante van een man die zich, zoals Moonbeam eerder had gedaan, toegang had verschaft tot zijn huis. In de woonkamer vond hij niemand, maar een verrassend tengere, kleine man had zich toegang verschaft tot zijn boekenkamer en bestudeerde alle titels die er op de planken waren neergezet. “Ik wou dat ik nog leefde, dan zou ik alles willen lezen – uw verzameling zou ik willen lezen.” Een vinger tikte op het boek van Brouwmeester. “Maar dit kennen we natuurlijk wel.”
Ted wilde vragen hoe de man heette, maar hij begreep wie deze figuur moest zijn die zich nog niet had voorgesteld. Maximiliaan Brouwmeester. Hij gebruikte een wandelstok die, net als hijzelf, bestond uit pure energie. Maximiliaan was een geest – een schim – een man die lang geleden was doodgegaan.
“U zou uiteraard een hoofdstuk kunnen voorlezen.”
De wandelstok had een zilveren handgreep en Ted herkende er een perfect gevormde wolvenkop in.
“Is dit nu mijn lot?”, vroeg Ted. “Altijd weer mensen in huis aantreffen die tientallen jaren geleden dood zijn gegaan en zich bemoeien met mijn dagelijks leven. Kun je me niet eens met rust laten?” Hij was zijn dromen van een lang magisch leven al weer vergeten. Bovendien greep er een hinderlijke smerige lucht in de kamer en Maximiliaan vormde de bron.
“Ondankbare hond!”, schreeuwde Maximiliaan die zijn rechterarm bijna vuistdiep in de borstkas van Ted liet verdwenen die onmiddellijk een felle hartpijn voelde. “Je krijgt een unieke kans om iets van je leven te maken.” Maximiliaan trok zijn hand uit de borstkas van Ted. “Er is altijd maar één levende magiër.” Maximiliaan begon met de knop van zijn wandelstok op het hoofd van Ted te slaan die zich trachtte te verweren, maar het sorteerde geen enkel effect. De wandelstok, of pure energie, drong door zijn armen heen en raakte daadwerkelijk, keer op keer, zijn hoofd. Maximiliaan hield zijn wandelstok met twee handen vast en het leek alsof hij hout stond te hakken.
Ted liet zich vallen, zijn knie raakte de vloer en hij dreigde om te vallen – heel even was hij bang het bewustzijn te verliezen. Er stroomde een kleverige vloeistof langs zijn gezicht. Zijn vingers gleden er doorheen en oogden erg rood – hij likte – proefde – het was erg warm en lekker. De ijskoude vingers van Maximiliaan rustten op zijn hoofd en leken de wonden te zullen genezen die waren ontstaan.
“Ik weet zeker dat je een blije, ijverige student zult zijn – misschien wel de beste die ik ooit heb gehad.”
Ted dwong zichzelf omhoog te kijken en zag twee brandende, bloedrode ogen van Maximiliaan, maar dat was ook het laatste wat hij zich herinnerde.
Citaat uit ‘Divina Commedia’ van Dante:
115 Wat verder is de paardmens blijven staan,
Waar menig zondaar tot de keel moest koken
In bloed, en wees ons een der schimmen aan
(1) Formules en Rituelen van de Magische Wereld
Normaal kocht hij niets meer op rommelmarkten, maar dit boek was een uitzonderlijk mooi exemplaar – een harde kaft en stofomslag, rijkelijk voorzien van bladgoud. Hij verzamelde oude boeken en dit was een buitenkansje vanwege de geringe prijs. Hij betaalde er tien euro voor en voelde zich een een mazzelaar. De verkoper liet hem stilzwijgend begaan, alsof hij de zoveelste belangstellende was die het boek stond te bekijken. Onbekende auteur en titel – de taal leek erg Nederlands of Duits, maar week in elk opzicht af. Hij herkende er zelfs geen enkele moderne Europese taal in, terwijl de grammatica en spelling wel degelijk duidelijke Nederlandse kenmerken vertoonden. Misschien wilde hij het daarom wel kopen.
Thuis zocht hij op internet of er iets bekend was over de schrijver en titel, maar hij slaagde er niet in om relevante informatie te vinden. Hij verdrong een gevoel van teleurstelling – wel leerde zijn ervaring hem dat ontbrekende info eveneens kon betekenen dat er geen verkopers waren, omdat vrijwel niemand het in de kast had staan. Misschien bestond er wereldwijd slechts één enkel exemplaar, al rekende hij nergens op. Het was een prachtige gedachte. Dat wel. Hij beëindigde zijn zoektocht en zette het boek in de kast.
Enkele avonden later, toen hij zich danig verveelde, typte hij achter zijn laptop de naam van de auteur. Maximiliaan Brouwmeester, gevolgd door een jaartal dat hij in het boek had gevonden. Natuurlijk vond hij helemaal niets. Om die reden plaatste hij een vraag op een forum waarbij er gedurende enkele dagen niemand, maar dan ook werkelijk niemand reageerde. Ted, zoals hij heette, begon zijn belangstelling voor het boek te verliezen, gooide het zelfs in de vuilnisbak en de volgende avond stond het toch weer op de boekenplank. Dat was erg vreemd, Ted dronk ’s avonds regelmatig een glas bier, maar nooit te veel. Hij wist honderd procent zeker dat hij het boek had weggegooid en herhaalde dezelfde handeling opnieuw. Hij gooide het boek weg en de volgende ochtend, voordat hij naar zijn werk ging, controleerde hij zijn boekenkast – en daar stond het boek opnieuw op de inmiddels vertrouwde plek. Hij had geen filmpje gemaakt om zijn eigen herinnering te controleren – bovendien zouden zijn vrienden hem niet eens geloven. Het was onzin en toch wist het boek op één of andere manier terug op de plank te komen. Ted was zijn vraag op internet vergeten. Het boek nam hem volledig in beslag en, om zeker te zijn dat hij niet slaapwandelend het balkon betrad en het boek uit de vuilnisbak viste, deponeerde hij de complete vuilniszak in een ondergrondse container – ongeveer honderd meter van zijn voordeur – voor altijd verloren. Hij wist heel zeker dat het nooit meer terugkwam. Het was onmogelijk. Een boek dat hij had gekocht vanwege de omslag, uitvoering, een tekst die hij niet eens kon lezen, maar een auteur met een zeer Hollandse naam. Maximiliaan Brouwmeester. Hij feliciteerde zichzelf, terwijl hij terug naar huis slofte – het was zeer warm buiten, ondanks het late uur – hij droeg teenslippers, een korte broek en een ruimvallend bloemetjeshemd. Ted gooide de voordeur in het slot en wist zich te bedwingen – hij wilde niet controleren of het boek er weer stond. Het was te absurd voor woorden. In plaats daarvan nam hij plaats achter zijn laptop – er was een voetbalkampioenschap bezig waarbij Nederland toch niet meedeed, dus keek hij nog minder televisie dan normaal.
Wel ging hij naar het forum, want het werd tijd om eens te kijken of iemand onverhoopt kennis droeg van het bestaan van een zekere Maximiliaan Brouwmeester die een boek had volgeschreven in een onbekende taal. Een man of vrouw die zichzelf de schilderachtige naam ‘Gandalf’ had gegeven, wist te vertellen dat hij een heus toverboek had gekocht en dat het een geweldig grote verzamelwaarde had – hij moest denken aan vele duizenden euro’s.
Uiteraard keek hij langdurig naar het woordje ‘toverboek’. Er danste een grijnslach op zijn gezicht, al duurde dat maar eventjes. Zijn herinnering aan de mysterieuze gebeurtenissen van de afgelopen dagen zorgde ervoor dat hij niet eens een sarcastische reactie durfde te schrijven. Ted schoof zijn stoel achteruit en liep naar de kamer om alsnog te checken of het boek er weer stond. Het hoorde in een afvalcontainer te liggen, bijna honderd meter verderop, maar het stond god-godverdomme gewoon weer in de kast.
Oké – Zou het kwaad kunnen om een toverboek in je kast te hebben? Hij had het drie keer weggegooid en het was drie keer teruggekomen. Hij had nog niet geslapen, dus ook niet geslaapwandeld en het boek stond weer in de kast. Zijn hart liet zich iets luider horen dan normaal – hij voelde een akelige knoop in zijn maag. Toverboeken behoorden tot een categorie verschijnselen die hij nooit tot zijn wereld wilde rekenen. Hij nam plaats achter zijn laptop. Er stond een nieuwe reactie, net getypt, nog geen minuut geleden. Het was toeval, het gebeurde vrijwel tegelijkertijd. ‘Een toverboek of een betoverd boek?’, vroeg een zekere Marilyn.
Ted vond beide ideeën absurd. Gedurende enkele minuten dacht hij na over zijn antwoord, maar besloot af te wachten. Misschien kwamen er meer reacties. Het leek hem zo’n soort avond. Opnieuw stelde de man die zich Gandalf noemde een vraag: ‘In welke taal is het boek geschreven?’ Nu zag hij zich genoodzaakt te reageren. ‘Geen bekende Europese taal, al zijn er overeenkomsten met Duits, Nederlands en Engels. Ik kan het niet lezen.’ Zijn persoonlijke ervaringen met het boek – hij had het drie keer weggegooid en het keerde alle drie de keren terug naar zijn boekenplank – liet hij achterwege. Hij geneerde zich ervoor, alsof hij niet durfde te vertellen wat er was voorgevallen. Een arts zou mogelijk zeggen dat hij aan een vorm van geheugenverlies leed – hij dacht dat hij het had weggegooid. Er waren ongetwijfeld neutrale flatbewoners die hadden gezien dat hij met het boek in zijn hand terug was gelopen naar huis, maar Ted wist het zeker – hij had het boek weggegooid en dat had hij drie keer gedaan. Opnieuw Gandalf: ‘Volgens mij heb je ‘Formules en Rituelen van de Magische Wereld’ gekocht – een heel zeldzaam boek – er zijn mensen die er een hoop geld voor willen betalen, maar het is ook een gevaarlijk boek. Marilyn zei het al een beetje. Het is een toverboek, maar ook een betoverd boek. Je kunt er gevaarlijke dingen mee uitrichten.’
‘Hoe kom ik er van af?’
‘Je moet het dopen in het bloed van een maagd.’
Hij weigerde antwoord te geven op de laatste vraag. Ted wilde niet meer reageren op het advies van Gandalf. Man – of vrouw – Ted dacht steeds aan een man – had gereageerd en blijk gegeven van kennis van zaken.
Ted stond bij de boekenkast en bestudeerde de rug van het boek en inderdaad, als hij lang genoeg keek, herkende hij de titel van het boek. Zou die Maximiliaan Brouwmeester een variant op een moderne westerse taal hebben bedacht? Boeken waren bedoeld om te lezen. Dit boek week beduidend af. Het was geschreven om niet te lezen. Je moest het heel graag willen lezen. Een negentiende-eeuws boek dat was geschreven in een onbekende en waarschijnlijk bedachte taal.
Om half een lag hij op bed en hij viel vrijwel meteen in slaap. Het kostte hem nooit veel moeite de slaap te vatten en deze nacht vormde geen uitzondering. Hij woonde alleen, had een appartement op de derde verdieping en er waren geen huisdieren. Een heel enkele keer speelde er iemand laat op de avond nog muziek, soms ging er op straat een gesprek tussen late restaurantbezoekers een tijdje verder, of hoorde hij dat zijn buren het toilet doorspoelden – het waren allemaal bekende geluiden. Hij viel in slaap en werd meestal om vijf uur wakker – dan ging hij naar het toilet. Hij gebruikte geen verlichting – hij deed alles in het donker. Na toiletbezoek liet hij zich op bed vallen en trok hij zijn donsdeken over zich heen.
Nu werd hij ’s nachts om half drie wakker, veel eerder dan normaal. Hij hoorde een auto rijden en bedacht dat het erg hard moest regenen. Wielen die door flinke plassen regenwater reden. Ted weerstond zijn eerste idee om naar het toilet te gaan, maar bedacht dat dat veel te vroeg was en draaide zich op zijn linkerzij. Hij bleef luisteren naar de repeterende tikken op het asfalt, trottoir en de metalen rand die enkele jaren terug over zijn balkonrand heen was geplaatst. Terwijl hij langzaam maar zeker weg begon te zakken in een diepe slaap, hoorde hij een deur dichtgaan – een deur die erg dichtbij was. Het waren de bovenburen.
Hij woonde alleen en er was niemand. Zijn voordeur was voorzien van een slot die het inbrekers onmogelijk maakte binnen te komen – zelfs de brandweer zou de deur er volledig uit moeten breken. Hij woonde alleen. Ted liet zich op zijn rug rollen en bestudeerde het plafond van zijn slaapkamer. Deur stond op een kiertje. Langs de jaloezieën golfden gebroken lichtstralen naar binnen, omdat het buiten nog harder ging regenen dan het al deed. Voetstappen kwamen dichterbij en hij draaide zijn hoofd naar rechts.
Hij was niet bang uitgevallen, toch lag er een hamer onder zijn bed, klaar om vast te pakken, indien er toch een indringer binnen zou komen. Maanden geleden had iemand geprobeerd in te breken. Daarom lag die hamer onder zijn bed en had hij een inbraakveilig slot laten installeren. Maar hij hoorde voetstappen. Ted ging op de rand van zijn bed zitten en graaide naar de hamer. Ja, hij oogde volslagen belachelijk als de indringer een vuurwapen bij zich had en bereid was die ook te gebruiken. Ted trok de deur van zijn slaapkamer open en stond meteen oog in oog met een vrouw – of nee, het was geen normale vrouw, want hij kon er gewoon doorheen kijken, alsof er sprake was van een geestverschijning. Hij liet de hamer één enkele keer omlaag suizen – doel was het hoofd van de vrouw, maar zijn hamer zeilde naar beneden zonder ook maar iets te raken. Zijn andere hand tastte naar een lichtknop die daar ergens moest zitten. Hij wilde weten hoe de indringer er werkelijk uitzag. Het was een oudere vrouw, ongeveer zestig jaar oud, lang grijzend haar, regelmatige trekken, diepliggende ogen. Ze droeg een nachtjapon die er bijna als een cliché uitzag en tot haar voeten reikte. Er klonk een doffe klap – de steel van zijn hamer tikte zijn voet aan. Seconden gingen voorbij – of uren – hij had geen flauw idee. Ze keken elkaar aan en Ted vroeg zich af of ze elkaar al eens eerder hadden gezien. Met zijn voet schoof hij de hamer opzij. De geest lachte haar tanden bloot – donkere, bijna zwarte tanden – er droop een donkerrode vloeistof langs haar onderkin die haar nachtjapon langzaam rood kleurde. Haar arm ging omhoog – een vinger gleed over het bloed dat haar kin geheel had bedekt – daarna drukte ze haar vinger op zijn rechterslaap. Het zou onmogelijk moeten zijn, maar de vingerafdruk brandde – hij sloeg de hand weg – als een hinderlijke vlieg – hij maaide domweg door de lucht.
Ze draaide zich om, deed enkele stappen – de geestverschijning bleef bij een muur staan, een wit geschilderde muur en ze bewoog haar arm en hand – zeer regelmatig, zodat het erop leek dat ze aan het schrijven was. De lamp verspreidde een helder licht in de gang. Omtrekken van de geest begonnen geleidelijk te verdwijnen – Ted zag haar weglopen en ze liep dwars door de deur.
Hij zag wat ze had geschreven op de muur. Het was een reeks getallen, een reeks cijfers die niets leek te betekenen. Zijn verstand overtuigde hem direct van de volstrekte willekeur van de cijfers op de muur. Ted staarde half naar de deur, want de geest was er zomaar doorheen gezeild, zo leek het tenminste. Nou ja, morgenochtend zou hij nog wel eens een keer kijken. De cijfers zouden zijn verdwenen. Hij zou alles hebben gedroomd. Er was niets aan de hand. Zijn vingers tikten de lichtknop aan en hij keerde terug naar bed. Terwijl hij zijn hoofd op het kussen liet vallen, bedacht hij dat de plek pijn deed – waar de geest hem had aangeraakt – zijn hoofd – het deed verrekte veel pijn. Hoe kon een geest hem nou verdomme pijn doen? Hij had toch alles gedroomd? Bovendien bestond een geest uit de energie van een overledene en kon dus niet bloeden uit een mond of zelfs cijfers schrijven op een muur. Ted vond het een zeer acceptabele verklaring die hem vrij spoedig in slaap bracht.
Volgende ochtend ontwaakte hij erg vroeg. Hij opende zijn ogen veel eerder dan normaal en hij herinnerde zich het nachtelijke incident. Zijn verstand vertelde hem dat hij zich alles verbeeld moest hebben, maar de pijn in zijn hoofd verraadde een andere waarheid. Hij zocht naar een merkwaardig voorval, dat afgelopen nacht plaats had gevonden en waarbij hij zijn hoofd had gestoten. Wekkerradio vertelde hem dat het drie minuten over zeven was. Ted stond op en betrad de gang. Voorbij de drempel bleef hij staan. Er stond een reeks getallen op de muur. Donkerrode druipers trokken smerige sporen over het smetteloze wit. Hij dacht aan bedorven bloed en er hing ook een smerige rottende lucht. Er moest afgelopen nacht een lijk hebben rondgelopen in zijn huis. Hij probeerde de gedachte te verdringen, maar de realiteit hield hem bij de les. Tien getallen die weinig met willekeur te maken hadden en alles met een telefoonnummer. Straks zou hij ernaar kijken – een boodschap uit het hiernamaals – verdomme. Drie stappen waren er nodig om Ted in de badkamer te krijgen. Hij deed het licht aan en bestudeerde uitgebreid de plek op zijn rechterslaap. Heel langzaam begreep hij dat er een kale plek was ontstaan – een brandmerk, daar leek het op, een brandmerk in de vorm van een vingerafdruk. Hij boog voorover en meende zelfs de lijnen te ontwaren die een mens als dader van een misdrijf kunnen aanwijzen. ‘Godverdomme,’ vloekte hij. Zijn vingers gleden zachtjes over de brandplek die er zeer echt uitzag – de geest had hem domweg gebrandmerkt.
Ted liet zich op de bank vallen – een mok thee stond op het tafeltje – erg veel trek in een ontbijt had hij niet en hij vroeg zich af hoe hij aan familie, vrienden, collega’s ging uitleggen wat er was gebeurd. Er zat een vingerafdrukvormig brandmerk op zijn hoofd en hij zou uiteraard een pet kunnen dragen of zelfs een ijsmuts. Vroeg of laat stelde iemand er een hinderlijke vraag over en moest hij met een plausibel antwoord komen. Zijn telefoon lag op het kladbriefje dat hij had gebruikt om het telefoonnummer op te schrijven. Nog zoiets, ja. Een telefoonnummer dat op zijn muur was geschreven door een geest. Hij zat op de bank en verzamelde voldoende moed om een onbekend persoon te spreken die hem iets ging vertellen wat zo belangrijk was dat een geest er voor wilde terugkeren naar de realiteit van de levenden. Alle ellende was begonnen met het boek dat hij had gekocht op de rommelmarkt – vanaf dat moment gebeurde er allemaal vreemde dingen in zijn leven dat tot nu toe zeer overzichtelijk was geweest. Hij toetste het nummer in en wachtte voordat hij zijn duim op de groene rechthoek legde, alsof hij nog altijd niet had beslist dat hij inderdaad contact wilde hebben met iemand wiens telefoonnummer door een geest op zijn muur was geschreven. Feitelijk kon het onmogelijk vreemder worden dan het al was – een toverboek of betoverd boek, onleesbare tekst, want het was geschreven in een niet-bestaande taal, een geestverschijning die een geur van verrotting had achtergelaten in zijn huis. Oké – hij liet zijn duim neerkomen op het diagonale witte telefoontje en wachtte op een reactie. Hij hoefde niet eens lang te wachten, slechts enkele seconden, alsof de mijnheer of mevrouw de telefoon al vasthield. ‘Hè, hè. Dat heeft lang geduurd, zeg. Ik begon me al zorgen te maken. Durfde je soms niet te bellen?’ Ted hoorde prettige en geruststellende klanken, een vrouwelijke stem, geen agressie of sarcasme.
‘Met wie spreek ik?’
‘Ik heb het boek aan jou verkocht.’
‘De verkoper was een man, als ik het me goed herinner.’
‘Je zag alleen maar wat ik wilde dat je zou zien.’
Ted gaf geen reactie, zocht naar woorden, maar wist niets te zeggen en dat gebeurde hoogst zelden. De deur van zijn woonkamer gleed open – er klonk een piepje van een scharnier – hij draaide zijn hoofd naar links en er stond daadwerkelijk een man – middelbare leeftijd, donker, ietwat grijzend haar, stoppelbaardje van enkele dagen, heldere groene ogen – hij stak zijn arm groetend omhoog, draaide zich ogenblikkelijk weer om en verdween in de gang. Ted sprong omhoog en ging kijken – hij had de voordeur op slot gedraaid, er kon niemand binnenkomen – sleutels hingen in de deur – zoals altijd. De onbekende man verdween, net zoals de geest afgelopen nacht had gedaan, door de voordeur.
Het telefoonnummer, dat op de muur was geschreven, bleek te zijn verdwenen – het was er nooit geweest.
‘Het is een kleine demonstratie van mijn macht,’ zei de vrouw. ‘Wat wij doen, hoort helemaal niet te bestaan.’
Ted zweeg nog altijd.
‘Ben je er nog?’
‘Ja – ik ben er nog.’
‘Ik heb je afgelopen nacht gemarkeerd, omdat ik dacht dat je een waardige opvolger zou zijn. Je bent erg verbaasd, maar kunt goed logisch nadenken, maar je hecht veel waarde aan een macht die boven de gewone natuur van een mens staat – anders had je het boek niet eens gekocht.’ Er viel een korte stilte. ‘Ik moet opschieten – mijn tijd is op. Als je einde is gekomen, moet je je herinneren dat je een vrouwelijke opvolger moet vinden – het boek mag hierna onder geen voorwaarde opnieuw bij een man terechtkomen – er hoort evenwicht in het universum te zijn.’
‘We moeten praten. Waar woon je?’
‘Dat weet je allang, Theodorus.’
‘Da’s mijn doopnaam.’
‘Zo heten we allebei. Jij bent Theodorus – ik heet Theodora.’
Er viel een langdurige stilte. Ted keek naar het display van zijn telefoon en stelde vast dat de verbinding was verbroken. Hij probeerde opnieuw contact te krijgen met de mysterieuze vrouw, maar er gebeurde niets. Zijn telefoon lag op het tafeltje – hij ging naar de keuken om brood klaar te maken – hij had er honger van gekregen. Bijna drie uur later, terwijl hij aan het schoonmaken was, begon het toestel nerveus te trillen. Ted herkende het nummer dat op zijn muur had gestaan – ’s nachts, ’s ochtends, maar nu werd hij zelf gebeld. ‘Hallo?’ Hij hoorde een heldere, jonge mannelijke stem die erg zelfverzekerd klonk.
‘Ted,’ zei hij.
‘Dit is het – eh – toestel van mijn tante. Ik ben erg benieuwd of u kunt vertellen wat er is gebeurd – u bent mogelijk de enige die dat kan.’
‘Kan je tante je dat niet beter vertellen?’
‘Nee – nee,’ zei de man wiens stem iets luider klonk, ‘volgens de ambulancebroeders heeft ze een hersenbloeding gehad en kan ze niets meer – nooit meer waarschijnlijk – ze ligt in het ziekenhuis. Ik heb haar pincodes gevonden en zo – ben ook een beetje aan het opruimen – het is vreselijk – een chaos – ik weet amper waar ik moet beginnen – daarom heb ik een tijd gezocht naar de code waarmee ik haar telefoon kan ontgrendelen.’
Er speelde een idee in zijn hoofd – het bloed op zijn muur – het was er echt geweest – misschien was het geen hersenspinsel – er had bovendien een vreemde stank gehangen in de gang – nog steeds trouwens. ‘Ruikt het soms vreemd in het huis van je tante?’
‘Ja – ja, maar – Hoe weet u dat nou?’
‘Vertel eens – Was je tante zo’n lieve oude vrouw die altijd een zwarte kat in huis had rondlopen? Waar is het dier nu? Of heb ik het mis en is er niks aan de hand?’
‘Nee – integendeel zelfs – .’
‘Ben je al in de badkamer geweest?’
‘Nee – ik – .’
De stilte werd alleen onderbroken door de man die flink hijgde, terwijl hij naar de badkamer liep in een huis dat niet zo heel erg groot kon zijn.
‘O mijn God.’
‘Wat is er? Heb je de kat gevonden? Is hij dood?’
‘O mijn God – Wat erg!’
‘Wat is er nou? Wat heb je gezien?’
Hij hoorde een klap – daarna was de verbinding verbroken.
De mensendief
In de zomermaanden ben ik vaak en langdurig op straat te zien. Winter heeft alles behalve mijn voorkeur, want het is er koud en nat, mensen dragen dikke isolerende kleding – sjaals en handschoenen. Toch zijn er gisteren incidenten voorgevallen waardoor je me komende weken niet op straat zult zien – ja, ik ben dol op de drukte – mensen die in winkels en cafés samendrommen – terrasjes stromen vol – mannen en vrouwen drinken koffie, thee, mineraalwater, bier en wijn, maar ik ben nog altijd geschokt – mijn belevenissen hebben een gewone man van me gemaakt. Ik was het vergeten. Ik was echt vergeten dat het zo ging. Het was alweer zo lang geleden. De mensen die ik dood heb zien neervallen. Het was een vreselijke ervaring. De kranten hebben er niet eens over geschreven. Heel vreemd. Ik dacht rechercheurs aan de deur te krijgen, omdat ze me wilden spreken. Het was bizar. Afgelopen nacht heb ik niet eens geslapen – ik dacht dat ze me zouden komen halen.
Ik moet het complete verhaal vertellen, dus vanaf het begin. Zoals gebruikelijk loop ik op de zaken vooruit. Eerste mooie dag van het jaar. Dat was gisteren. Media geven er tegenwoordig prachtige namen aan. Ik keek naar de buitenthermometer. Het was twintig graden. Warm genoeg om de jas thuis te laten. Ik voelde me zo goed dat mijn wandelstok ongebruikt in de hoek bleef staan. Nu denk je misschien dat ik een heel oude man ben, maar dat is niet zo. Het valt allemaal best mee. Ik begaf me voor het eerst in maanden op de galerij van mijn flat. Normaal gesproken laat ik de boodschappen thuis bezorgen. Ik ben dol op internet. Wat een prachtige uitvinding is dat toch! Een mens hoeft niet eens zijn appartement te verlaten. Het is alleen jammer dat die jongens binnenkomen, spullen neerzetten en meteen weer moeten gaan.
Ik droeg een hoed als bescherming tegen de zon. Mijn appartement bevindt zich op de derde verdieping. Er is een lift, anders zou ik het niet eens hebben gekocht. Geen denken aan! Ik heb heel even gewacht tot de liftdeuren opengingen – er waren meisjes van een jaar of vijftien die niet durfden te giechelen en toch maar liever de trap gebruikten. Het duurde een halve minuut voordat de lift op mijn verdieping stopte – ik hoorde een zucht die me aan een stervend mens deed denken – deuren gingen open. Ik was de enige. Mijn vinger drukte het knopje ‘0’ in.
Niet veel later begaf ik me in de volle zon – ik voelde de weldadige warmte van het vroege voorjaar. Een brede straat – er waren auto’s geparkeerd, maar tegenwoordig mag je het eerder vreemd vinden als er teveel parkeerplaatsen ongebruikt blijven. Ik wilde richting centrum, omdat daar de meeste mensen zijn. Aan het einde van de straat ligt het station – treinen passeren er de hele dag – geel-blauwe vlekken die binnenkomen en snel vertrekken. Ik liep op het trottoir en zag een stelletje in mijn richting komen. Jongen en meisje. Ze waren rond de twintig, studenten nog maar, mijn favoriete mensen, want die zijn barstensvol energie.
“Pardon jongelui,” zei ik en de jongen deed zijn best om dapper te blijven, terwijl zijn meisje een stapje achterbleef. “Het centrum is toch dáárheen?”
Jongen wees naar de passerelle – roltrap. “Ja, mijnheer – omhoog – en andere kant weer omlaag – dan bent u er eigenlijk al.” Tegenwoordig zijn de jonge mensen weer beleefd, anders dan vroeger. Ik stak mijn hand uit om hem te bedanken en hij aarzelde eerst even, maar accepteerde toch. Sinds wanneer ga je dood aan een handdruk?
“Dank je wel – ik hoop dat jullie tweeën veel kinderen op de wereld zullen zetten,” zei ik, “het zullen mooie kinderen zijn – dat weet ik zeker.”
Ze waagden het niet te gniffelen en ik liep verder. Ik voelde de warmte van zijn handdruk – een broeierige hitte die ik een tijd geleden voor het laatst had gevoeld. Ik was al bijna twintig meter verder gelopen, toen ik het meisje hoorde gillen. Ondanks mijn eerste aandrang, dus om te blijven staan en te kijken, ben ik toch doorgelopen. Ze bleef gillen. Eerlijk gezegd dacht ik dat mijn hoed me zou verraden. Man met hoed. Zoveel mannen zijn er nooit die een hoed dragen. Ik moest mijn uiterste best doen om een grijnslach te onderdrukken. Zo begint het altijd. In het begin ben ik meedogenloos. Iedere kans grijp ik aan. Ze gaan er allemaal voor – iedere jongen en elk meisje. Zo beleefd, zo voorkomend.
Roltrap bracht me naar boven. Ik ben dol op roltrappen – ze zijn erg comfortabel. Eenmaal boven voelde ik een vulkaan van menselijke energie. Er stond een jongen die gitaar speelde – hij was niet eens zo heel erg goed – in feite vond ik hem zelfs erg slecht. Ik bleef een tijdje staan en keek naar zijn verrichtingen – de sukkel dacht dat ik hem stond te bewonderen. Tussen mijn vingers knisperde een briefje van 50 euro. Als je dat lang genoeg volhoudt, denkt hij vanzelf dat ik hem dat ook echt wil geven. Hij zong en speelde een oude blues klassieker – ja, ik kende het nummer heel goed. In mijn herinnering klonk het toch anders – veel beter – meer gevoel. Muzikant stopte met spelen. Gitaar zakte omlaag en raakte achter zijn rug, een beetje zoals Johnny Cash. “Vond u het erg goed, mijnheer?” Er lag een zeker afgrijzen in zijn ogen. Hij vond me een afstotelijk wezen – dat was duidelijk te zien, maar hij wilde het briefje van 50 euro dat ik vasthield.
Ik stak mijn hand naar hem uit en wachtte tot hij zich gedwongen voelde het gebaar te belonen. Het zit in het gedrag van de menselijke soort. Zo zijn jullie gewoon.
“Zelden zo’n uitvoering gehoord,” zei ik, “voortreffelijk.” Ik voelde zijn levensenergie vonken in mijn hand en arm – zijn ogen draaiden weg – ik zag nog slechts zijn oogwit en hij begon te wankelen op zijn benen. Ik stopte het bankbiljet weg en liep verder. Het was een mooie dag. Lekker warm. Ik bekeek mijn reflectie in een winkelruit – of probeerde dat te doen, maar ontwaarde een geest – iets dat daar op leek tenminste. Er bestaan geen geesten. De muzikant graaide ondertussen naar zijn gitaar die op de vlucht leek te zijn. Ik keek over mijn schouder, tikte mijn hoed omhoog en grijnsde tevreden, omdat het wederom gelukt was.
Er klonk een doffe klap – een brekend instrument, hetgeen natuurlijk heel jammer was, maar aan de muzikant ging helemaal niets verloren. Een knoeier. Gillende mensen, vooral vrouwen. Tientallen meters verderop betrad ik de roltrap die me naar het plein zou brengen, een heel mooie plek. Ik passeerde een verkoper van Straatnieuws en overwoog een exemplaar van zijn krantje te nemen, zocht zelfs euromuntjes in mijn broekzak, maar vond hem er toch veel te oud en verlept uitzien – een smal perkamentachtig gezicht, doffe zwarte ogen – totaal geen levensenergie, alsof de man nog slechts enkele weken te leven had. Ik rook de bedorven lucht die hij uitademde – mensen wurmden zich achter me langs, maar ze waagden het niet hun handen op mijn rug te leggen. Verkoper van Straatnieuws keek me aan alsof hij me daadwerkelijk herkende. Ik heb geen vrienden en je komt me maar één keer in je leven tegen. Ik dacht aan een opmerking, zoals: ‘Je hebt niet lang meer.’ Mijn rechterhand ging omhoog, ik schoof mijn hoed voorover, zodat de schaduw over mijn ogen zou vallen, maar de verkoper dacht dat ik hem iets aan wilde doen. Hij deinsde terug – zijn hoofd draaide weg – en ik vreesde een benepen schreeuw om hulp te zullen horen, maar het bleef stil – voor zover je van stilte kunt spreken op een druk stationsplein.
Ik hervatte de wandeling die ik was begonnen. Zon verwarmde de kille botten in mijn lijf. Bij mensen zie je een duidelijke schaduw die over het trottoir meebeweegt, maar ik heb er nooit een gehad. Ik hoop altijd dat ze dat niet zien en gelukkig letten mensen doorgaans heel slecht op. Er volgde een gedeelte van bijna honderd meter waarbij ik in de volle zon liep – daarna werd het simpeler. Negentiende-eeuwse herenhuizen wierpen een schaduw over het trottoir. Ik ben geen man die een zonneallergie heeft, maar ik hou evenmin van het felle licht. Daarom draag ik altijd een hoed als de zon schijnt. Bij de brug stond alweer een straatmuzikant – een zigeuner die accordeon speelde – hij speelde een vrolijke melodie, maar leek te bevriezen, zodra hij mij in het oog kreeg. Hij brak het liedje af dat afkomstig was uit de moderne cultuur en begon ineens enkele maten Mozart te spelen. De ‘Requiem’ van Mozart. Ik stak de rivier over en bevond me tussen tientallen mensen die genoten van een vrije dag – het mooie weer – een heerlijke zon die scheen.
Wederom begaf ik me in de schaduw van een fijn modern gebouw waarbij de architect zelfs aan een galerij heeft gedacht. Het was een straat die herinnerde aan de vissers van weleer. Aan het eind stond een jonge man, rond de twintig jaar, die blaakte van het zelfvertrouwen en een allemachtig harde stem had. Hij sprak over Jezus, de zoon van een god, alsof hij hoogstpersoonlijk bij hem op school had gezeten. “Jezus vergeeft al uw zonden!”, riep hij. Mensen passeerden hem en staarden koppig recht vooruit, alsof hij er niet was. Ik zag de prediker staan en hoorde duidelijk zijn woorden. Opnieuw zijn bekende mantra: “Jezus vergeeft al uw zonden!” Ik bleef stilstaan en hij wilde dezelfde woorden nog eens uitspreken. Ik stak mijn hand uit – en dat is een verschrikkelijk koude hand – hij aarzelde heel even. Een oprechte gelovige die aarzelde – jazeker. “Hoe weet jij nou dat hij daartoe bereid is?”, vroeg ik.
“Ik weet het zeker,” zei hij en zijn stem klonk hees.
Ik was benieuwd of hij me de hand zou durven te schudden. De zigeuner zou het nooit hebben gedaan, nee, absoluut niet. De prediker wel, want er stonden inmiddels talloze mensen te kijken. Zou het geloof overwinnen? De warmte en kracht van zijn prille leven belandde in mijn hand en arm. Zijn ogen draaiden omhoog – ik zag alleen nog het oogwit – zijn spieren verstijfden – schuim borrelde uit zijn mond en ik moest mijn hand bijna loswringen. Ik deed een stap achteruit. Ik hoefde hem niet te troosten, want Jezus zou hem immers redden. Hij hoefde geen angst te hebben.
Ik nam mijn hoed af – mensen dachten dat ik dit uit eerbied deed, maar de warmte werd me even teveel – transpiratievocht droop langs mijn gezicht. Er had erg veel energie in de jonge man gezeten. Mensen filmden wat er gebeurde – ze hielden allemaal hun mobieltjes gespannen voor zich. Ik werd ook gefilmd. Voor het eerst voelde ik een angst die ik ook weer wist te verdringen. De doodstrijd van de jongeman duurde langer dan ik had gedacht. Toeschouwers vergaten mijn aanwezigheid, dus ik haastte me de zijstraat in – ik ging naar de Vismarkt, al heb je daarmee slechts de halve naam.
In de winkelruiten zag ik mijn gestalte en voor het eerst herkende ik een gewoon mens. Ik zou zelfs plaats kunnen nemen op een terrasje en een koud drankje bestellen. Drie levens in amper een half uur. Voorlopig had ik er voldoende genomen. Gulzig ben ik nooit geweest. Ik weet wanneer ik er genoeg heb gehad. Teveel levens maken me menselijk en dat probeer ik te voorkomen. Aan het einde van de straat – alweer een kruising – ja, de oude stad is er vol van – voelde ik ineens een zachte hand op mijn schouder. Ik bleef staan en het was mijn menselijke geschokte zelf die omkeek – ik stond oog in oog met een jonge vrouw. Lichtblond haar dat ze in een staartje droeg – ze had het geverfd, want de wenkbrauwen waren donker.
De vierde kun je beter niet nemen – het is me eerder gebeurd, lang geleden en gisteren gebeurde het opnieuw. “Die jongen valt zomaar dood neer en u gaat er vandoor?” Ze sprak de woorden in één langgerekte verbazing uit, alsof ze nooit eerder zoiets brutaals had waargenomen.
“Het spijt me,” zei ik – mijn hand stak bijna automatisch recht vooruit alsof ik mijn excuses wilde aanbieden, omdat ik zoiets ongerijmds had gedaan. Ik vervloekte mezelf direct al, omdat ik goed wist wat de gevolgen zouden zijn.
Haar arm ging omhoog en haar vingers raakten de mijne aan – ik voelde haar energie in mijn lichaam terechtkomen – alle kracht die een jonge vrouw nodig zou hebben om kinderen te baren. Ik wist wat er zou gebeuren en het gebeurde ook. Haar spieren verkrampten – ogen draaiden weg, zoals de anderen ook was overkomen. Er stonden mensen te kijken, maar ze hadden niet alles gezien. Terrasgasten dronken bier en wijn – ze hadden geen idee. Vrouw zakte door haar benen – handen raakten de kasseien alsof ze zich wilde tegenhouden. Ik keek om me heen en begon weg te lopen. Het ging me niet aan.
Ik liep in een steegje tussen twee statige huizen. Een overheerlijke, koele schaduw viel over me heen. Achter me schreeuwden en gilden mensen die natuurlijk niets snapten van wat er was gebeurd. Mijn hoed rustte onopvallend tegen mijn dijbeen, zodat ik minder herkenbaar zou zijn. Opnieuw bereikte ik een kruispunt en ik besloot links te gaan, omdat ik het spoor van lijken wilde vermijden. Ja, de vierde gebeurde gewoon en ik wist heel goed wat er gebeurde, als ik een vierde zou nemen. Auto’s reden voorbij, net als fietsers, ik was een heel gewone wandelaar onderweg naar huis. Ik zette de hoed terug op mijn hoofd. Een onopvallende man. Ik was een mens geworden. De vierde had me menselijk gemaakt – ik voelde het leven van een gewoon mens en ik haat het om zo menselijk te zijn. Vorige keer heb ik dagenlang op politie zitten te wachten – wist zeker dat ze me zouden komen halen. Net als nu, net als vandaag. Sirenes klonken in de oude stad. Ze hadden vier ambulances nodig – nee, acht, twee ambulances voor elke hartstilstand die werd gemeld bij 112. Terwijl ik terug naar huis liep, dacht ik aan de families die zouden horen dat hun geliefden waren gestorven. Zo plotseling gestorven, terwijl ze een man spraken die een hoed droeg, maar er uitzag als de dood zelf.
Ik heb drie levens nodig om te blijven bestaan – een vierde maakt me menselijker dan ik wil zijn, maar het effect duurt slechts enkele dagen. Het gezicht van de vierde – de jonge vrouw – brandt op mijn netvlies – ik zag de ontzetting in haar ogen, want ze wist dat haar leven zou eindigen. Haar verloren leven zit nu in me – het duurt een dag of drie, misschien vier en dan is het gelukkig verdwenen – ja, ik ga door een storm van menselijke emoties voordat ik weer mezelf ben. Drie, of misschien vier dagen. Mogelijk draag ik de volgende keer wel een pet – of ga ik ’s nachts en blootshoofds – maar één ding kan ik je beloven – je zult weten dat ik het ben, als we elkaar de hand schudden – de duivel die ik altijd al ben geweest.