‘I am sorry that I am unable to murder the whole damned human race’
Volgende morgen parkeerde hij op het gebruikelijke tijdstip zijn auto op het terrein van zijn school – er hingen plukjes journalisten rond die zich bij de hoofdingang hadden verzameld – zelfs cameraploegen – Marvin begreep dat zijn oude vriendschap met Brad in het openbaar was gekomen. Hij vloekte niet eens, maar accepteerde dat zijn naam, Marvin de Waal, dè oudst levende bekende van Brad was – alle anderen waren dood of verdwenen. In de ochtendkrant las hij ook al een stukje over de moeder die jaren geleden spoorloos was verdwenen. Moord werd als een aannemelijke verklaring beschouwd.
Marvin pakte zijn schooltas steviger vast en begon naar de ingang te lopen.
“Mijnheer De Waal! Dat bent u toch? Mijnheer De Waal – Wilt u commentaar geven op de affaire rond de Metal Machine Killer.” Microfoons werden onder zijn neus gehangen – hij keek rond, maar de microfoons leken gigantisch groot te zijn. “U bent toch een goede vriend van Bradley Molensteen?”
Marvin zocht naar woorden en stelde vast dat hij slechts onzinnige clichés zou kunnen uitspreken. Elke vraag lokte een nieuwe uit, zo bleef hij bezig en zou hij nooit een punt kunnen zetten achter de kwestie.
Toch wilde hij één ding zeggen. Op televisie. Een gedachte die halverwege de nacht, na enkele uren woelen en staren naar het plafond, was opgekomen.
“Of ik een vriend ben geweest van Bradley Molensteen, tja, dat zul je aan hem moeten vragen,” mannen en vrouwen, alle journalisten luisterden aandachtig, misschien hadden ze zelfs geen commentaar verwacht, “misschien was hij alleen goed in – faking it.” Zeven, misschien acht verschillende mannelijke en vrouwelijke stemmen vroegen wat hij daar precies mee bedoelde. Een nieuwslezer had een kwartier geleden nog verteld dat de forensische politie niet kon zeggen om hoeveel slachtoffers het ging – ze waren met andere woorden nog aan het tellen, want dat betekende het. “Als hij werkelijk schuldig zou blijken te zijn – hetgeen nog moet blijken – dan weet ik niet met wat voor man ik al die jaren aan de bar heb gehangen.”
“Wat gaat u tegen de politie zeggen?”, vroeg een verslaggever. Geen idee voor die de man werkte.
Marvin forceerde een glimlachje. “Mocht de politie met vragen komen – dan zal ik die stuk voor stuk en heel zorgvuldig beantwoorden.”
Ondertussen wurmde hij zich langs een cameraman en wist het gebouw binnen te komen, een geblokte conciërge wist te voorkomen dat de journalisten verder zouden kunnen lopen. Marvin slaakte een kort zuchtje. Het was goed gegaan. Hij had geen domme opmerkingen gemaakt, alleen de verwijzing naar ‘faking it’ was misschien onverstandig geweest, want ze zouden op zoek gaan de herkomst ervan.
Hij betrad de lerarenkamer en liet zich op een wankele stoel neervallen – zijn tas plofte op de vloer.
Daphne, een lerares biologie, iets ouder dan Joanne, ging naast hem zitten en vroeg: “Faking it?” Kennelijk was het live, of bijna live op televisie geweest. Een minuutje om het gebouw binnen te komen, een lange gang, jas uittrekken, tas oppakken, nou ja, alles bij elkaar misschien een minuutje of vijf. Lang genoeg om de beelden op je telefoon te volgen.
Een collega van de sectie Nederlands nam ook plaats. Ze bestudeerde hem met dezelfde vragende ogen.
“Ik kon niet slapen – vannacht – toen ben ik naar beneden gegaan en heb zitten googelen. Seriemoordenaars, hun gedrag, psychologie, zulke dingen. Want ik wilde het gewoon weten. Ik vond een site over Ted Bundy, beruchte moordenaar, dertig bekende slachtoffers. Hij was met name goed in – faking it, doen alsof je een goede vriend bent en je ook zo gedragen, terwijl het je in werkelijkheid geen ruk interesseert – of nee – hij voelt er niks bij – maar hij doet alsof en verschaft zich daarmee het alibi van een maatschappelijk leven. Doen alsof.”
“Je bedoelt dat zo’n man als het ware een persoonlijkheid uitzoekt, dus iemand die hij wil zijn, waarna hij die man ook inderdaad is geworden,” zei Daphne die zijn uitleg aandachtig had gevolgd.
“Kan dat? Bestaat zoiets echt?”, vroeg Alice, zoals de collega heette die net als Marvin Nederlands gaf.
“Kennelijk,” zei Marvin. “Daarna kon ik pas slapen. Toen lukte het. Al ben ik er echt compleet ziek van.”
“Het verbaast me een beetje dat Joanne je heeft laten gaan,” zei Daphne. “Ik had je thuis gehouden.”
“Marvin laat zich niet makkelijk tegenhouden,” zei Alice, “al heb je misschien wel een beetje gelijk.”
“Het lukt wel,” zei Marvin. “Het leidt af.”
“De leerlingen willen ook alles weten, net als wij,” zei Alice die een aangename glimlach liet zien.
“Fragmenten, meer kan ik niet vertellen. Dat is alles.” Hij zat een beetje onderuit gezakt op de stoel. “Ik wacht wel af, ook als de recherche me wil spreken. Zoveel vrienden heeft Brad nou ook weer niet, mensen die hem al zo’n lange tijd kennen. Eentje.”
“Misschien vragen ze je wel voor Pauw, of Tan,” zei Daphne. “Mag je daar alles vertellen wat je weet.”
“Beslist niet. Dat heb ik mezelf beloofd. Nee.”
“Ik zou gaan,” zei Daphne.
“We hadden gisteravond afgesproken, een paar biertjes drinken samen, het was al een tijd geleden. In het café las ik dat hij de politie hem had opgepakt.”
Er ging een bel, Marvin pakte zijn tas en kwam overeind. “Aan de slag, beste mensen. Afleiding,”
“Daar zorgen de jongelui wel voor,” zei Daphne.
Er hing een bijna plechtige stilte in de klas, alsof hij vooraf al een moeilijke vraag had gesteld. Hij liet zijn tas op de vloer vallen, tegen het bureau aan.
“Goedemorgen,” zei hij. Een reactie golfde door het klaslokaal, niet erg overtuigend, de deur stond open, zoals altijd, want zo hadden ze het afgesproken op school, geen geheimen in de klas. Hij verwachtte elk ogenblik een vingertje – van een leerling – die min of meer namens de groep dè vraag zou stellen en nu eens wel moeite leek te hebben met zijn of haar vraag. Marvin had nooit gezegd dat hij Bradley echt kende.
En – ja. Inderdaad. Een vinger. Maartje. Natuurlijk.
“Mijnheer – ik wilde iets vragen – Klopt het dat u – dat u Bradley Molensteen persoonlijk – kènt?”
“Ja,” antwoordde hij – ondertussen ging hij op de rand van zijn bureau zitten – zijn favoriete plekje. “Al heel lang zelfs. Sinds de basisschool, nou ja, vroeger noemden we dat een lagere school. Ja, ik ken hem al heel lang.” Hij moest zich nog diplomatieker uitdrukken dan normaal, veel minder uitgesproken zijn. “Ik ben misschien nog verbaasder dan jullie, omdat ik hem al zo lang geleden hebben leren kennen.” Er ging een geroezemoes door de klas die snel wegstierf. “En als jullie willen weten of ik ooit iets heb gemerkt, verdenkingen heb gehad, dan zeg ik ronduit ‘nee’.”
“En dat boek dan?”, vroeg een jongen die Freek heette. “Ze zeggen nu dat het echt gebeurd is.”
“Er zijn meer boeken over moord en doodslag, daarmee is het nog niet automatisch waar gebeurd.”
Het gesprek eindigde na bijna vijftien minuten. Hij herhaalde hoofdzakelijk wat hij eerder al had gezegd. Soms moest hij een paar woorden inslikken – leerlingen gingen aan het werk – hij besprak het huiswerk dat ze hadden moeten doen. Marvin liep rond, legde nog wat details uit en herinnerde zich plots een gesprek dat ze ooit, heel lang geleden, hadden gehad – in de klas. De onderwijzer vroeg zijn leerlingen wat voor werk ze wilden doen – als ze groot waren geworden. Marvin herinnerde zich ineens het antwoord van Bradley.
“Soldaat, mijnheer.” Links en rechts klonk er wat gegniffel van leerlingen, maar het werd spoedig stil, nadat de onderwijzer een strenge blik had opgezet.
“Waarom?”
Bijna veertig jaar later gleed er alsnog een koude rilling langs de ruggenwervels van Marvin.
“Dan kun je ongestraft mensen doodschieten.”
Categorie archief: korte verhalen
Faking it (4/5)
Faking it (3/5)
‘I believe the only way to reform people is to kill them’
Marvin stapte uit de bus, terwijl de herinnering aan Brad, voorzitter van een club voor eenzame harten, maar niet wilde verdwijnen. Zijn vrouw zou zich mogelijk verbazen wegens het vroege tijdstip, omdat hij had aangekondigd rond middernacht thuis te zijn. Zodra hij het halletje betrad, riep hij: “Ik ben er weer!” De stem van Joanne klonk in de huiskamer. Hij hing zijn jas aan de kapstok, trok zijn schoenen uit en ging verder, maar pakte geen biertje. Nog niet.
“Je bent vroeg,” zei Joanne. “Wat is er gebeurd?”
Zoon Richard zat te studeren, dochter Mandy bracht haar avond door bij een vriendin, een straat verderop.
Marvin liet zich neerploffen op de bank, net iets te hard, Joanne fronste haar wenkbrauwen, wilde er wat van zeggen, maar wachtte af. “Hij – eh – Brad is gearresteerd – eerder vanavond – als je meer wilt weten, dan moet je op internet kijken. Ik heb een berichtje gelezen over een vrouw die beweerde tegen haar wil te worden vastgehouden in zijn huis. Ze heeft een telefoon te pakken kunnen krijgen en gebeld.”
“Lieve hemel.” Joanne pakte haar iPad van tafel en begon direct te zoeken naar berichten die er inmiddels in overvloed moesten zijn. “Jee,” mompelde ze. “Hier staat dat hij mogelijk de Metal Machine Killer zelf is geworden of al die tijd geweest. Politie schijnt er stoffelijk overschotten – meervoud – te hebben aangetroffen, er is as we speak een onderzoek bezig.”
“Onbevestigde berichten,” zei Marvin.
“Politiekringen.”
“Ik ben in elk geval niet van plan om carrière te gaan maken als ‘vriend van Bradley Molensteen’,” zei hij.
“We mogen bezoek verwachten van de recherche,” zei Joanne, terwijl ze haar iPad opzij legde.
“Zeker – het lijkt me heel redelijk om te veronderstellen dat de recherche tracht te begrijpen wat voor persoonlijkheid hij in werkelijkheid is – ik ken hem erg lang – ruim veertig jaar. Een verdomde lange tijd. En dan blijk je hem nog niet te kennen.”
De deur zwaaide open en Richard kwam binnen.
“Hé, pap, ik hoor net dat Brad is gearresteerd,” zei hij en de verwondering glom op zijn jonge gezicht.
“Daar hadden we het juist over,” zei Joanne.
“Hij is dus echt de Metal Machine Killer.”
“Geen idee,” zei Marvin, “dat soort dingen laat ik graag aan de politie en het openbaar ministerie over.”
“Je kent hem toch al heel lang, pap?”, vroeg Richard.
“Sinds de basisschool, dat toen nog lagere school heette,” zei Marvin, “stil, terug getrokken ventje, geen schim van de persoonlijkheid die hij later zou worden. Je zou hem vermoedelijk niet herkennen, ik heb nog ergens een jeugdfoto liggen van Brad en mij samen.”
“En nooit iets gemerkt?”, vroeg Joanne. “Ik niet overigens, maar zo vaak heb ik hem nooit gezien.”
“Nee,” zei Marvin. “Hoewel.” Hij zuchtte diep. “Brad had een versiertrucje die hij gebruikte bij vrouwen, bijvoorbeeld als ze alleen in een café waren – ik ben er twee, misschien drie keer bij geweest – in de loop der jaren.” Marvin legde een hand op zijn buik. “Eerst verontschuldigde hij zich voor zijn brutaliteit, zo begon hij, daarna vertelde hij over zijn club voor eenzame harten – hij was voorzitter en enig lid. Hij had zich ten doel gesteld eenzaamheid te bestrijden.”
“Het zegt niets over de schuldvraag,” zei Joanne.
“Zodra je de Metal Machine Killer erbij gaat betrekken, wordt het plotseling doodeng – horror.”
“Denk je dat schuldig is – zoals er nu wordt gezegd?”, vroeg Richard die zich ineens een diplomaat toonde.
“Eén ding heeft me altijd geërgerd,” zei Marvin, “overigens – je mag dit hoogstens met je zus bespreken. Duidelijk?” Richard knikte met zijn hoofd. “Zijn moeder – die vast heeft gezeten wegens moord – is op een bedevaart gegaan, aldus Brad – het is duidelijk dat ze haar voornemen destijds heeft rondgebazuind, er waren veel mensen op de hoogte die haar zelf hebben horen vertellen dat ze weg zou gaan. Vervolgens is ze ergens in Frankrijk verdwenen. Ik heb Brad in de loop der jaren verschillende verhalen horen vertellen over zijn moeder en wat er van haar terecht is gekomen, allemaal anders en dus mag je concluderen dat ze vrijwel allemaal door hem zijn verzonnen – leugens.”
“Wat denk je dan dat er is gebeurd, pap?”
“Ik durf daar niet over te speculeren.”
“Oudere mensen die Brad van vroeger kennen, school en zo, vragen wel eens naar zijn moeder,” zei Joanne, “omdat ze op bedevaart is gegaan. Soms hoor je dat ze waarschijnlijk al jaren in een klooster moet zitten.”
“Serveerster, prostituee, non, ik heb alles gehoord in de loop der jaren, dus allemaal gelogen,” zei Marvin.
“Laten we maar gewoon afwachten,” zei Joanne.
“Precies,” zei Marvin.
“Mm, ik ga weer naar boven – studeren,” zei Richard.
“En hou je een beetje op de vlakte,” zei Joanne.
“Het kan sowieso wel eens vervelend worden,” zei Marvin.
Richard trok de deur achter zich dicht en ging naar boven – zijn voetstappen werden al snel onhoorbaar.
“Een club voor eenzame harten,” zei Joanne.
“Alsof hij het – de eerste keer – ter plekke had verzonnen,” zei Marvin, “misschien ook niet en zocht hij gewoon naar een kans. Hij liet me domweg zitten.”
’s Avonds om half twaalf lag hij op bed, maar slaagde er niet in om de slaap te vatten – Joanne las een boek. Diverse nieuwszenders, maar ook kranten, spraken al over een ‘horrorhuis’ – Bradley M. leek een veroordeling niet eens meer te kunnen ontlopen en zou nooit meer op vrije voeten komen, aldus de tendens in vrijwel alle media. Twitter ging helemaal los, Brad was een trending topic geworden. Toch verraadde het geheugen van Marvin, dat erg goed was, geen incidenten die wezen op een afwijking. Afgezien van het boek Metal Machine Killer, maar dat werd als fiction verkocht – natuurlijk. Bijna zestien jaar geleden was het verschenen en veroorzaakte het een publicitaire storm die sinds vele jaren al niet meer was voorgekomen. Minister van Cultuur moest zeggen dat hij het niet wilde verbieden – censuur was geen goed signaal. Brad beledigde niet God, maar zo ongeveer de complete mensheid en vierde zijn roem. Marvin ging op zijn rug liggen – Joanne liet haar boek zakken en keek opzij.
“Ik lig al een hele tijd te zoeken naar signalen – ik bedoel – zo dom ben ik nu ook weer niet – ooit moet je toch – op één of ander moment – iets zijn opgevallen.” Zijn stem klonk harder dan hij wilde.
“De kinderen liggen al wel te slapen,” zei ze.
“Sorry.”
“Het is verontrustend dat ook de politie zich kennelijk niet geroepen voelt om alle verdenkingen tegen te spreken – het ging om een vrouw die tegen haar wil werd vastgehouden, nu blijkt dat ze is gevlucht naar de buren, die hebben de politie gebeld. Bradley is aangehouden, er is een onderzoek begonnen in zijn huis.” Ze liet een korte pauze vallen. “Wat hebben ze in vredesnaam allemaal in zijn huis gevonden?”
“Dode mensen – lichamen.”
“En je hebt nooit iets gemerkt?”
“Nee.”
“Dat is toch vreemd?”
Wel herinnerde hij zich een gesprek dat ze ooit hebben gevoerd – Marvin en Brad – het ging over zijn boek. Het was toen al een bestseller. Ook begon het duidelijk te worden dat er geen tweede zou volgen.
“We hebben ooit gesproken over seriemoordenaars,” zei hij, “nou ja – hij sprak, ik luisterde alleen. Hij stelde een vraag. ‘Weet je hoe een seriemoordenaar zijn slachtoffer uitzoekt?’ Uiteraard moest ik het antwoord schuldig blijven. ‘Hij kijkt naar de manier waarop een vrouw beweegt, zoals ze loopt. Daar heb ik iets over gelezen. Ik moest het maar eens uitproberen. Misschien zag ik het dan.”
“En?”, vroeg Joanne.
“Nee. Geen flauw idee. Een oude vrouw die haar tas probeert te beschermen – ja – zoiets snap ik heel goed – maar dat andere – nee.”
Faking it (2/5)
‘A clown can get away with murder’
Op de basisschool wekte Brad allerminst de indruk dat hij ooit iets bijzonders van zijn leven terecht zou brengen. Stil ventje, nogal teruggetrokken, maar andere leerlingen paste ervoor op om hem te pesten. Hij reageerde soms onvoorspelbaar, was stevig gebouwd, erg groot ook. Marvin kwam hem daar voor het eerst tegen. Brad leek totaal niet op de zwierige voorzitter van een club voor eenzame harten die hij later beslist zou worden.
Het had er geen enkele schijn van dat beide jongens goed bevriend zouden kunnen raken, aangezien ze allebei totaal andere interesses hadden. Marvin ging bijvoorbeeld voetballen en meldde zich aan bij een club in de buurt – hij was geen goede speler, maar ook geen slechte. Brad vertoonde geen enkele belangstelling voor zoiets als sport. Ze raakten met elkaar in gesprek, omdat ze vanaf groep 8 dezelfde route naar school en huis volgden. Brad had geen moeder of vader die hem ophaalde – hij woonde bij zijn oma. Veel vertelde hij er niet over en Marvin stelde evenmin vragen. Het werd het begin van een vriendschap die heel lang zou duren. Na een tijdje liep Brad gewoontegetrouw met de moeder van Marvin naar huis – hij woonde in dezelfde straat en kreeg nu eens geen vervelende vragen over een oma die voor hem zorgde in plaats van een jonge moeder.
Op zekere dag vroeg Marvin aan zijn ouders hoe het zat. De vader van Marvin haalde verontschuldigend zijn schouders op en antwoordde: “Geen idee, jongen. Als je het zo graag wilt weten, dan moet je het vragen. Bedenk wel dat het ons geen bliksem aangaat.” Het klonk heel logisch, dus besloot Marvin er niet over te zwijgen, want het ging hem inderdaad niks aan. Brad zou er zelf over vertellen. Misschien deed het teveel pijn. Hij sprak nooit over zijn ouders. Alsof ze bij een verkeersongeluk om het leven waren gekomen.
Het duurde enkele jaren voordat Brad de woorden leek te hebben gevonden, of bereid was domweg te vertellen wat er – lang geleden – was gebeurd. Mannen – inmiddels – die in hun stamkroeg aan de bar hingen en al een tijdje bier aan het drinken waren.
“Je hebt me nooit gevraagd wat er met mijn ouwelui is gebeurd,” zei hij. Het was geen verwijt of zo, eerder een vaststelling. Brad had er kennelijk over nagedacht. Het verleden begon een beetje te spoken.
“Klop,” zei Marvin. “Mijn vader zei dat het ons geen bliksem aanging. Zoiets heeft hij gezegd, dacht ik.”
Jonge kerels – Brad moest zijn boek nog schrijven. Ze studeerden allebei, HBO, geen universiteit, al begon het erop te lijken dat Brad eerdaags zou afhaken. Hij had er geen zin meer in om hard te werken, zodat hij na een vierjarige studie als loonslaaf verder kon gaan, een nuttig lid van de samenleving, hij voelde zich een dandy – Marvin zag geleidelijk de persoonlijkheid ontstaan die jaren later furore maakte in de media. Dit begon hem toen al duidelijk te worden, maar de bekentenis, die Brad destijds in de kroeg deed terwijl ze samen aan de bar hingen, verbijsterde hem totaal.
“Moeder zit een gevangenisstraf uit – wegens moord,” zei hij en Marvin geloofde hem direct, want in Brads ogen herkende hij een duistere gloed – gedurende een fractie van een seconde – toen was het weer weg. “Ze heeft mijn pa vermoord – drankprobleem, weet je wel, gewelddadig, ook dat, ja. Voor de duidelijkheid. Moeder deelde de klappen uit, niet vader en ze zopen allebei als ketellappers. Zelf logeerde ik bij mijn oma, dus werd de aanklacht ‘voorbedachte rade’.”
Marvin wachtte alleen af en stelde geen vragen.
Hij forceerde een grijnslachje. “Ja, ze had het goed voorbereid – met een steakmes heeft ze toen zijn strot doorgesneden. Vriendje van moeder heeft geholpen het lijk te verstoppen in het bos, maar kreeg spijt.” Hij nam een slok bier en zette het glas neer. “Waarom vertel ik je dit? Ze komt vrij – proefverlof heet dat. Of ze bij mij – haar enige zoon – op de bank mag slapen.”
“Heftig verhaal, jongen,” antwoordde Marvin.
“Dus ik heb geantwoord: ‘Tuurlijk mam, dat kan.’ Wat moet je godverdomme anders zeggen?”
“Ook daarom heb je geen zin meer in studie.”
“Precies.”
“Maar je wilt ook geen nuttig lid van de samenleving worden,” zei Marvin die probeerde te glimlachen.
“Dat zeker niet,” zei Brad die zijn glas leegmaakte. “Wat denk je? Zou ik mijn steakmessen moeten verstoppen?” Hij grijnslachte erbij, heel uitdagend.
Toen de controverse rond het boek Metal Machine Killer haar hoogtepunt had bereikt, werd uiteraard ook de moord op Molenaar senior opgerakeld. Voor de boekverkopen betekende het goed nieuws. Brad moest vooraf hebben geweten dat het zo zou gaan.
Daarna verloren Marvin en Brad elkaar voor langere duur uit het oog, enkele jaren zelfs. Marvin concentreerde zich op zijn studie, zag een relatie mislukken, maar slaagde erin een goede baan te krijgen als leraar Nederlands in zijn oude woonplaats. Hij vroeg zich dikwijls af hoe het tussen Brad en zijn moeder ging, of ze nog altijd op zijn bank sliep en misschien had ze ergens een goedkoop flatje gekregen, een vrouw met een bijstandsuitkering. Aangezien Marvin het adres van Brad had bewaard, besloot hij een brief te sturen en kreeg ook antwoord. Moeder had haar volledige bewegingsvrijheid herwonnen na alle beperkingen die een vroegtijdige in vrijheidsstelling met zich meebracht. Hij merkte op – en Marvin bespeurde hier enige ironie – dat ze haar oude geloof had teruggevonden en aan een bedevaart was begonnen die haar in Noord-Spanje moest brengen – een extra straf wegens de moord op papa. Ongetwijfeld belandde ze tijdens haar voettocht ergens als prostituee in een vunzig kamertje – sarcasme, geen ironie. Aan het einde van zijn brief stelde Brad voor om binnenkort een biertje te drinken.
Zo gebeurde het ook en op een vrijdagavond ontmoetten ze elkaar in hun oude stamkroeg. Marvin gaf lang genoeg les om oud-leerlingen tegen te komen die kennis begonnen te maken met het nachtleven. Brad vergat te vertellen over zijn boek dat hij beslist aan het schrijven moest zijn geweest, want het zou binnen een jaar verschijnen. Voor de laatste keer zag Marvin hem alleen binnenkomen – de glazen stonden al snel op de bar – hij legde een vijfje neer. Het duurde bijna een half uur voordat Marvin vroeg of Brads moeder haar bestemming had weten te bereiken.
“Laatste berichtje kwam uit Lyon, ze had een baantje gevonden als serveerster in een restaurant.” Brad grijnsde erbij, want hij wist goed wat Marvin dacht.
“Leuk,” zei Marvin die met zijn glas speelde.
“Je dacht natuurlijk aan – ,” zei hij.
“Omdat jij dat hebt geschreven in je brief, goochem.”
Rockmuziek uit de jaren zestig en zeventig vormden muzikaal behang, volume stond niet zo vreselijk hoog, gesprekken waren mogelijk. Marvin en Brad begonnen een tikje aangeschoten te raken. Aan een tafeltje zat sinds een half uur een jonge vrouw, donkerblond, niet echt lichtblond, want ze was haar wenkbrauwen vergeten mee te verven. Wel erg knap.
Brad liet zich van zijn kruk glijden en nam tegenover haar plaats. “Als je er niet van gediend bent, moet je het zeggen – anders geef je me maar een klap in mijn gezicht.” Marvin hoorde hem zijn woorden uitspreken en had zijn rug half naar het tafeltje gedraaid.
Ze schudde haar hoofd – zwijgend – haar paardenstaart zwiepte een tikje venijnig heen en weer.
“Luister – ik ben – niet toevallig – voorzitter en tot nu toe enig lid van een club voor eenzame harten. Doel is om zoveel mogelijkheid eenzaamheid te bestrijden, een verborgen ziekte in onze moderne samenleving.”
“Wil je dat ik met je meega?”
“’t Is een voorstel,” antwoordde hij. “Jij beslist.”
“En je vriend?”
“Die heeft genoeg gehad,” zei Brad.
Marvin knikte met zijn hoofd en forceerde een boer.
“Ik zat op iemand te wachten, maar ja – .”
“Het leven is te kort om spijt te hebben,” zei Brad.
Brad en de jonge vrouw, waarvan Marvin zelfs geen naam wist, liepen gearmd de kroeg uit. De kastelein zag het stelletje weglopen – lachte er hartelijk om.
“Nu jij nog!”, riep hij.
Marvin zou zijn toekomstige echtgenote in de zomervakantie ontmoeten – Joanne heette ze, lerares Engels – want onderwijsvolk zocht mekaar vaak op.
De Buurvrouw (6/6)
De achterdeur stond nog altijd wagenwijd open en Vernon stapte behoedzaam binnen. “Buurman?”, vroeg hij. Er volgde een stilte die werd onderbroken door een vloek die als een rollende donder klonk. Vernon klopte enkele malen op het raam en besloot niet verder te gaan totdat Van Kerkrade zelf begreep dat het alleen buurman Vernon Delsing was die zijn huis wilde betreden en geen – al dan niet – ingebeelde vijand. Je wist maar nooit.
Vernon hoorde voetstappen en de deur ging open, niet erg langzaam, maar met een klap. Van Kerkrade stond in de opening en hield zich vast aan de kozijnen. Zijn haar zag er uit alsof hij net uit bed kwam, er groeide een baard van ruim een week, hij staarde, alsof hij meer bezoekers verwachtte. Zijn overhemd had hij niet dichtgeknoopt, daaronder was een vuil T-shirt zichtbaar waarop roodbruine vlekken prijkten. De gulp van zijn broek stond open. Bovendien stonk hij behoorlijk. Ook naar alcohol.
“Ik ben alleen,” zei Vernon.
“Kom binnen,” zei Van Kerkrade, “neem een biertje – of neem er meteen twee. Er is voldoende.”
“Ik hoorde je – ,” zei Vernon.
“Geen zorgen, of juist wel trouwens – ik ben alleen,” zei de buurman. “Ik stond naar een schim te schreeuwen.”
“Da’s – eh – zorgelijk,” zei Vernon die twee biertjes uit de koelkast pakte en een dopje eraf draaide.
“Beslist.”
De buurman liet zich neervallen op een stoel – Vernon ging tegenover hem zitten en nam een slok.
Van Kerkrade pakte zijn flesje op en hield het eventjes omhoog. “Alle mannen zijn varkens,” zei hij en vervolgens dronk hij het flesje, dat nog halfvol was, in één teug leeg.
Vernon wachtte enkele seconden en zei: “Gezondheid,” zei hij. Daarna nam hij pas een slok.
“Kan me nie’ verschelen,” zei hij en Van Kerkrade schoof het tweede flesje naar zich toe.
“Wanneer zijn je kinderen hier voor het laatst geweest?”, vroeg Vernon.
Van Kerkrade liet een boer. “Lidia is al net zo’n bitch als d’r moeder – Jelle een laffe hond die achter zijn grote zus aanholt,” zei hij.
“Vertel eens – en je hoeft er ook helemaal niks over te zeggen, als je dat niet wilt, hoor – maar – wat moet er gebeuren om een vrouw zover te krijgen dat ze haar parkietje de woorden – .”
Van Kerkrade draaide het dopje los. “Gewoon – een bitch. Vind je dat niet genoeg?” Hij nam een slok, waarmee het flesje direct halfleeg was. “Ja, ik hoor je wel denken – net als iedereen trouwens. Zou hij zijn wijf hebben vermoord? Ja of ja? Zou hij het echt hebben gedaan? Nou? Wat denk je?”
Vernon pakte het flesje van tafel en bracht het naar zijn mond. “Geen idee. Ik ken geen moordenaars.” Hij nam een slok waarna hij het flesje weer op tafel zette.
“Is dat niet wat iedereen wil weten?”
Vernon besloot het spel mee te spelen. De buurman vroeg er gewoon om. Hij was er dronken genoeg voor. “Ik heb de gedachte eerlijk gezegd nog niet toe willen laten,” zei hij. “Al zou je erover kunnen speculeren.” Vernon tikte met zijn wijsvinger op tafel. “Natuurlijk. Waarom stond je laatst de politieauto’s na te kijken? Misschien denk je wel dat ik erg veel weet. Maar ik heb nooit geluisterd.”
“Ik voel me schuldig.”
“Vertel.”
“’s Ochtends om vier uur maakte ze me wakker. Mijn vrouw dus. Dat snap je wel. Ik wist meteen dat het fout zat. Echt, gruwelijk fout. Ze had een hartinfarct. Ik wist het meteen. We hebben geen telefoon in onze slaapkamer. Nooit gehad ook.” Hij nam een slokje bier. “Ik was in paniek. Ze schold me uit voor zwijn. Die trut dacht dat ik het expres deed, dat ik daarom zo treuzelde. Toen ben ik naar beneden gelopen en heb de telefoon gepakt. Ik heb gewoon op de bank gezeten met de telefoon in mijn hand – . Niet gebeld, niets gedaan. Ik hoorde een bons. Ze was gevallen. Zo bleek later. Ik heb haar terug in bed gelegd.” Van Kerkrade keek naar Vernon. “Ja, ik ben schuldig. Maar – mijn God – Wat was ik blij dat de bitch dood was.”
“Was je vrouw dan ook echt zo’n secreet?” Vernon had inmiddels diverse meningen aangehoord – dus een kreng, maar ook een wereldwijf, allemaal uitgesproken door dezelfde man. Voor de kinderen was moeder gewoon een moeder geweest, meer niet.
“Het leek wel of het steeds erger werd,” zei hij.
“Dan nog.”
“Ik denk al een paar weken – sinds de crematie – Waar heb ik in hemelsnaam aan zitten denken toen ik op de bank op haar dood zat te wachten? Wat bezielde me?”
“En nu vreet het aan je,” zei Vernon. “Doodslag. Of dood door schuld. Je had 112 moeten bellen, maar hebt dat opzettelijk nagelaten, omdat je je vrouw beu was. Er is geen bewijslast. Alleen een verklaring.” Vernon nam een slokje bier en zette het flesje terug. “Slaap je roes uit, neem morgenochtend een douche, ga je fatsoenlijk scheren en kam je haren. Nadat je normaal hebt ontbeten, koop je een bos bloemen en die geef je aan je dochter.” Van Kerkrade keek naar het raam waarachter een spaarzaam verlichte straat zichtbaar was. “Ik geef het ter overweging mee, hè. Je moet het zelf weten. Het lijkt me misschien nuttig als je daarna een afspraak maakt met je huisarts – een dubbel consult.”
“En dan?”
Vernon dronk het flesje leeg en zette het op tafel. “Justitie? Ik twijfel. Er ligt geen bewijslast, alleen jouw verklaring. Meer is er niet. Ik kan hoogstens bevestigen wat je mij hebt verteld. Da’s ook geen bewijs. Ik zou je in elk geval doorsturen naar een psycholoog of zo, professionele hulp. Gezien je huidige toestand. Zodat je kunt uitleggen hoe je ertoe bent gekomen je vrouw dood te laten gaan. Ik ben geen jurist, heb geen idee wat ze zullen doen.”
Vernon schoof de stoel achteruit en stond op. “Als je bij de huisarts komt zoals je er nu uitziet, mag je niet eens naar huis, denk ik,” zei hij en lachte heel kort, maar het was een gedwongen lach.
Van Kerkrade vond het niet grappig – hij keek ondertussen naar het flesje dat alweer bijna leeg was.
Vernon ging naar huis en liet zich op de bank vallen. Het relaas van de buurman wervelde in zijn hoofd. Om half een ging hij naar bed. Terwijl hij zijn tanden stond te poetsen, bedacht Vernon dat de buurman morgenochtend alles weer kon zijn vergeten. Nee, waarschijnlijk niet – hopelijk niet.
Volgende ochtend – omstreeks tien uur – stond Vernon in de tuin. De buurman kwam buiten, gekleed in een donkergrijs pak, blauwe stropdas.
Beide mannen keken elkaar korte tijd aan.
Vernon dacht dat zijn buurman nog iets wilde zeggen, maar Van Kerkrade zei geen woord, stapte in zijn auto en reed weg.
De Buurvrouw (5/6)
De telefoon ging. Bijna een uur later.
Vernon had de boodschappen opgeruimd.
Het gesprek met Lidia, de dochter van Allan van Kerkrade, had hem verrast. Ze bleek een uiterst prettige vrouw te zijn, vergelijkbaar met zijn buurvrouw zoals die zich in het openbaar presenteerde. Zijn ergernis was begonnen toen Lidia haar auto voor het eerst op Vernons oprit had achtergelaten. Lidia was geen kenau, maar een vrouw die zich te pletter was geschrokken na een telefoontje van haar vader. Vernon pakte de hoorn op en zei: “Hallo.”
“Mijnheer Delsing?”, vroeg een mannelijke stem, niet zo heel erg jong, misschien een dertiger. Vernon herkende hem vrij laat. “U heeft mijn zus gesproken,” zei Jelle.
“Je zus – Lidia.”
“Precies.”
“Dan weet u wat er ongeveer gebeurd is.”
“Een beetje,” zei Vernon.
“Ik vroeg me af – hè – of u een poging zou willen wagen om te bemiddelen?”, vroeg Jelle.
“Waarom doe je dat zelf niet?”
“Omdat u neutraal bent,” zei Jelle.
“Ik moet voor mediator spelen,” zei Vernon.
“Precies – ja, helemaal,” zei Jelle die meteen stukken opgeluchter klonk. “Ja, een mediator – daar hebben we inderdaad behoefte aan, mijnheer Delsing.”
Het probleem was dat er zich heel veel af moest hebben gespeeld in het huis van zijn buren, veel meer dan de kinderen Van Kerkrade vermoedden. Vernon moest denken aan een slangenkuil, en er leefde op dit moment nog één slang. De buurman, dus Van Kerkrade zelf, reageerde – vreemd. Zijn dochter en zoon hadden elkaar gevonden, dankzij een avondje in het café – beide neuzen in dezelfde richting. Zou het kunnen dat de ambulancemedewerkers het verdriet van de weduwnaar verkeerd hadden geïnterpreteerd? Dus opluchting in plaats van verdriet?
‘Jezus. Omdat – ik zo blij ben dat de bitch dood is.’
Hoe vaak had de buurman zijn echtgenote die drie woorden horen zeggen? ‘Mannen zijn varkens.’
Lidia verwoordde een gedachte die een eigen leven was gaan leiden. ‘Heb je mama soms vermoord of zo?’ De buurvrouw moest maanden werk hebben gehad aan het parkietje – maanden.
“Goed – ik doe het – één keer – daarna is het jullie probleem. Afgesproken?”
“Dank u wel , mijnheer Delsing.”
“Je moet er weinig van verwachten, Jelle,” zei Vernon. “Jullie moeder is overleden – zijn vrouw – zoiets komt snoeihard binnen bij mensen – je ouders zijn erg lang bij elkaar geweest.”
“Dan wordt het een kort gesprek, mijnheer Delsing.”
“Laten we het hopen.”
Vernon legde de telefoon neer en begreep heel goed dat er meer aan de hand moest zijn. De buurman gedroeg zich inderdaad vreemd, maar er bestond nu eenmaal geen spoorboekje voor normale reacties bij een onverwacht overlijden.
’s Avonds belde hij aan, wachtte een tijdje bij de voordeur, maar Van Kerkrade deed niet open. Het was donker in huis, de ramen waren gesloten. Volgende dag belde hij ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds aan. Niemand thuis. Daarna hielden de kansen op, aangezien hij zou vertrekken naar Duitsland en er minimaal twee weken zou verblijven. Het huis was donker, Van Kerkrade was niet thuis – misschien was hij een weekendje naar het strand, om een beetje uit te waaien en hij hoefde zich niet te verantwoorden.
Zondagavond kreeg hij Jelle aan de telefoon. “Nee, jongen, ik heb je vader niet gesproken. Hij is vermoedelijk een paar daagjes naar het strand of zo.” Vernon maakte hem duidelijk dat hij minimaal twee weken in het buitenland zou zijn. Jelle liet geen teleurstelling blijken. Hij had vast op een gesprek gerekend en nu was er niets gebeurd.
Zijn werkzaamheden in Duitsland duurden langer dan gepland, namelijk tweeënhalve week, zodat hij pas woensdagavond laat thuis kwam. Vernon had zijn oudere zus gevraagd wat eten in de koelkast te leggen, zodat er in elk geval iets zou zijn.
Hij parkeerde zijn auto voor de garagedeur om elf uur ’s avonds, onderweg had hij gegeten in een wegrestaurant. De buurman was in elk geval thuis, een enkel schemerlampje moest de woonkamer verlichten. Vernon inspecteerde de koelkast – eten en drinken genoeg – hij ging verder en betrad zijn tuin. Het was een oude gewoonte. Na een afwezigheid van enkele weken en soms maanden, wilde hij eerst rustig checken of alles er goed bij stond. Aan de andere kant zou hij een berichtje hebben gekregen van zijn zus, als er iets was gebeurd. Zo ging het altijd. Vernon stond in de tuin en zag dat de buurman zijn deur open had laten staan. Het was eind oktober, een koude en vochtige herfst, zelfs voor de buurman was het ongehoord. Vernon beschouwde het half als een uitnodiging om binnen te komen. Toch aarzelde hij. Het ging hem goed beschouwd geen bliksem aan en misschien hadden de kinderen van zijn buurman alles zelf al geregeld. Aangezien Vernon het gesprek niet had kunnen voeren.
Hij liep de keuken in, weerstond zijn eerste impuls om een biertje te pakken en besloot de auto binnen te zetten. Zijn woonkamer baadde in het licht. Vernon gooide eerst de garagedeur open, stapte in zijn auto en reed naar binnen – het raampje ging een stukje naar beneden, want zo had hij het geleerd. Hij stapte weer uit de auto, deed de garagedeur omlaag en op slot – hij liep naar de keuken, pakte een biertje, waarna hij zich op de bank liet neerploffen. Al het werk was gedaan, een beloning leek gepast. Vernon nam een slok, zette het flesje op tafel.
Juist op dat moment begon de buurman te schreeuwen: “Vuile tyfushoer – slet – teringkreng!”
Hij overwoog een nieuwe slok te nemen, maar bedacht zich en herinnerde zich zijn belofte om met zijn buurman te zullen praten. Van Kerkrade was eerder niet thuis geweest. Nu wel. Overduidelijk zelfs.
“Tyfus – tyfushoer!”
Hoogste tijd voor een goed gesprek.
De Buurvrouw (4/6)
“En waar baseert ze dat op?”, vroeg Vernon. Hij betreurde het meteen dat hij erover was begonnen. Hij had gewoon op zijn fiets moeten stappen en nonchalant naar de buurman zwaaien die naar een verdwijnende politiesirene zocht – want zo was het. Misschien verwachtte Van Kerkrade dat er elk ogenblik een paar agenten op zijn stoep zouden staan om hem mee te nemen naar het bureau. Er moest veel meer aan de hand zijn dan alleen een beschuldiging. Het was al erg genoeg dat een dochter haar vader durfde te beschuldigen van moord. Vernon wilde niet eens serieus accepteren dat er sprake was geweest van moord. Wanneer haatten twee mensen elkaar voldoende om een echte moord te willen overwegen? In de verte klonk een nieuwe sirene, maar die waren er altijd, als je goed luisterde.
“Ze schijnt zoiets gezegd te hebben,” zei hij.
“Je vrouw?”
“Ja – er zou zonder enige twijfel sprake moeten zijn van moord, als ze eerder kwam te overlijden dan ik.”
“Da’s – eh – erg dun,” zei Vernon.
Van Kerkrade begon te lachen. “Het is totaal niks!” Er lag geen enkele blijdschap in zijn ogen.
“En je zoon? Wat zegt hij?”, vroeg Vernon.
“Knettergek,” antwoordde Van Kerkrade.
“Maar toch – je dochter heeft het geroepen.”
“Ja, want zo voelt ze het – intuïtie – haar hart zegt dat ik een moordenaar ben – bovendien heeft – mams – die heeft het meer dan eens – hardop – gezegd.” Van Kerkrade spreidde zijn armen en de blik in zijn ogen verraadde een onuitgesproken vraag – of Vernon het verlossende antwoord wilde geven – onschuldig natuurlijk. Er lag helemaal geen vraag die hij moest beantwoorden. “Volslagen knots. Net als haar moeder.”
Vernon stak zijn handen weg in zijn broekzakken en schopte tegen een stoeptegel – hij probeerde de juiste woorden te vinden. “Dus je hebt een vader, moeder en twee kinderen, een zoon en dochter. Moeder sterft en dochter gelooft dat er sprake moet zijn van moord. Vader en zoon denken er anders over.” Heel even gingen de mondhoeken van zijn buurman omlaag. “De crematie is allang achter de rug,” zei Vernon.
“Ja. Wat wil je daarmee zeggen?”
Vernon haalde zijn schouders omhoog. “Je stelt jezelf de verkeerde vraag, buurman. Waarom denkt je dochter dat je haar moeder hebt vermoord? Dat is het probleem.”
“Die griet is gewoon geschift. Net als haar moeder.”
Vernon gaf geen reactie meer en wilde boodschappen halen voordat er een echt meningsverschil zou groeien met zijn buurman, een ruzie die onherstelbare schade zou aanrichten. Hij draaide zich om. Zijn hoofd richtte hij naar Van Kerkrade. “Een lastig probleem, Allan.”
Niet zo heel ver weg klonk er een nieuwe sirene, zonder enige twijfel een politieauto, direct gevolgd door een tweede en zelfs een derde. De buurman zei niets meer en bleef alleen kijken naar de auto’s die snel in een andere richting verdwenen. Vernon meende een onrust in de ogen van Van Kerkrade te ontdekken, eerder onrust dan angst. Alsof de dochter een rechercheur had weten te overtuigen dat er inderdaad sprake moest zijn geweest van moord.
Hij bleef wel erg lang staren.
“Ik ga boodschappen halen,” zei Vernon. Hij pompte de achterband van zijn fiets op, terwijl Van Kerkrade zocht naar een politieauto die maar niet dichterbij scheen te komen, al zou hij het nog zo graag willen. Vernon slingerde zijn linkerbeen over de fiets en reed weg. De buurman ging zijn huis weer binnen.
Het beeld – een starende buurman – liet hem geen seconde los, zelfs niet in de buurtsuper. Van Kerkrade werd van moord beschuldigd door zijn eigen dochter, een stevige beschuldiging die niemand lichtzinnig zou mogen opvatten – het was voldoende voor een langdurige ontwrichting van de familierelaties. Als het al ooit goed zou komen. Zoon en dochter hadden ieder een andere partij gekozen. De scheidslijn liep dwars door het gezin. Vernon begreep dat de kwestie hem geen bliksem aanging ondanks het feit dat hij alle details over hun ruzies had kunnen weten – als hij de muziek niet zo hard had aangezet. Geen spijt.
Hij legde twee flessen wijn in zijn karretje – rode wijn – toen zijn naam werd genoemd. Niet eens op een harde snerpende manier, maar gewoon zachtaardig – een vrouwenstem.
“Mijnheer Delsing,” zei de jonge vrouw.
Vernon keek over zijn schouder en zag de jonge vrouw, de dochter van zijn buurman, die haar vader had beschuldigd van moord op haar moeder.
“Dag Lidia,” zei hij.
Ze had vrij lang donkerblond haar, bruine ogen.
“’t Is een beetje gênant – dit.”
“Waarom?”, vroeg hij. Vernon wilde niet meteen laten blijken volledig op de hoogte te zijn.
“Ik dacht – Heeft mijn vader niet met u gesproken?”
“Jazeker.”
“En – Wat vindt u ervan.”
“De beschuldiging?” zei Vernon.
“Ja,” zei Lidia.
“Klopt het? Heb je hem inderdaad beschuldigd – van – ?”, vroeg Vernon die een oudere man liet passeren. De gangpaden waren niet echt breed te noemen.
“Nee, dat heb ik dus niet,” zei Lidia. “Ik heb alleen gezegd dat hij om een sectie had moeten vragen. Da’s alles, mijnheer Delsing. Ziet u – als mijn moeder een erfelijke ziekte onder de leden heeft gehad, dan zou ik dat graag willen weten.”
“Ja, dat begrijp ik wel.”
“Toen is hij erg boos geworden,” zei ze.
“En – je broer?”
“Gisteravond hebben we het uitgepraat – in het café,” zei Lidia die zelfs een lachje wist te produceren. “Je krijgt wel koppijn van dat uitpraten, hoor.”
“Ik heb iets gehoord over hondjes.”
“Ja – ook zoiets – dat heeft hij dus niet eens met ons besproken. Ik zou er eentje hebben genomen, desnoods allebei, maar zeg het dan tenminste. Nu heeft hij ze gewoon weggedaan. Zo lijkt het net of hij alles aan het opruimen is wat hem aan mijn moeder herinnert. Hij haatte moeder. Daar begint het steeds meer op te lijken.”
Vernon durfde niet over het parkietje te beginnen. Of de verzuchting op de dag dat de buurvrouw overleed. ‘Jezus. Omdat – ik zo blij ben dat de bitch dood is.’
“Heeft mijn vader soms meer dingen verteld?”
“Nee.” Vernon had geen zin om de ruzie nog verder op te stoken. Geen enkel belang bij. Totaal niet.
“Gelukkig,” zei Lidia die haar handen vouwde. Een devoot gebaar.
“Maar je hebt je vader niet – keihard – beschuldigd van – ?”, vroeg Vernon.
“Nee – nou ja – ik heb geroepen – Heb je mama soms vermoord of zo? Hij reageerde zo vreemd.”
De Buurvrouw (3/6)
Er volgde een drukke periode waarbij Vernon vooral hard aan het werk was. Het betekende weinig thuis zijn. Hij kreeg de buurman nauwelijks te zien. Een enkele keer sjouwde hij met een boodschappentas en Vernon vermoedde dat Van Kerkrade veel warme maaltijden uit de magnetron haalde. Dochter en zoon vertoonden zich helemaal niet en hetzelfde gold voor de kleinkinderen, alsof het huis van opa besmet gebied was geworden.
De woorden galmden erg lang na, zoals de trillingen in het wateroppervlak zichtbaar bleven als je een steen in het water had gegooid. ‘Ik heb het kreng vergiftigd.’ Vernon begreep goed – hij had het zelfs opgezocht – dat ‘bitch’ toch echt iets anders inhield dan ‘kreng’ – volgens Google translate – het waren verschillen die alleen in detail bestonden, want de emoties kwamen uit dezelfde bron. Hij legde de situatie uit aan een collega – buurman had de hondjes van zijn overleden vrouw opgeruimd – weggedaan – nu was de dochter boos. Antwoord luidde: “Jammer dan. Die meid draait wel weer bij. Duurt een tijdje.” Een vrouwelijke collega vond het onbeschoft, tactloos. Hij had best mogen wachten, al was het een maand.
Zaterdagochtend in de buurtsupermarkt verwachtte hij roddels over buurman Van Kerkrade, maar het bleef opmerkelijk stil. Geen verhalen, geen praatjes. Mensen gingen nu eenmaal onverwacht dood. Het gebeurde regelmatig en iedereen die oud genoeg was, kende voorbeelden uit zijn directe omgeving – iedereen kende wel iemand die iemand kende…
Mocht een man – blij zijn dat de bitch dood was?
Vernon stond middenin de supermarkt na te denken over zijn boodschappen. Zoals altijd maakte hij geen lijstje, want meestal gooide hij dezelfde producten in zijn karretje. Er zat geen variatie in. Nog altijd hield hij zich bezig met de overleden buurvrouw. Een jonge vrouw duwde een winkelkarretje voor zich uit, terwijl ze ondertussen een briefje vasthield.
Het probleem was een beetje dat Vernon nooit een hekel aan de buurvrouw had gehad. Ze groette altijd netjes, vroeg ook hoe het met hem ging, zeker als hij een tijdje weg was geweest vanwege zijn werk. Dat dan weer wel, ja. Ze hield alles goed in de gaten. Er ontging haar verdomd weinig. Als de buurman het parkietje van zijn vrouw had vergiftigd, dan moest hij slim te werk zijn gegaan. De buurvrouw gaf altijd een complimentje weg als hij – bijvoorbeeld – nieuwe schoenen droeg, maar Vernon kreeg het ook te horen als ze iets lelijk vond. Ze had het hart op de tong. Ze was nooit echt diplomatiek. Alleen de knetterende ruzies die zijn buurtjes nu en dan hadden, vond hij echt vervelend. Hij hoefde niet direct te weten dat de buurvrouw haar partner een grote lul vond. Vernon begreep het wel dat zijn buurman de hondjes naar een asiel had gebracht.
Na ongeveer anderhalve maand beëindigde hij een periode waarin hij bijna uitsluitend had gewerkt. Komende week zou hij veel tijd in huis doorbrengen, heerlijk lanterfanten. Volgende ochtend kwam hij laat uit bed, zijn eerste echt rustige dag. Mobiele telefoon lag op de eettafel, zodat zijn werkgever hem altijd zou kunnen bereiken. Wel liet hij zijn telefoon altijd thuis liggen, als hij het huis uitging. Hij hield ervan om moeilijk bereikbaar te zijn als hij niet hoefde te werken.
Vernon besloot zijn fiets maar eens te pakken voor de boodschappen. De koelkast was leeg en hij haalde hooguit voor twee à drie dagen eten in huis. Hij deed de garagedeur open en zette zijn fiets buiten die een zachte achterband had. Het was koud, maar droog. Van Kerkrade stond eveneens buiten.
Vernon overwoog even de man enigszins te negeren en gewoon naar de Hoofdstraat te fietsen, omdat hij zijn boodschappen snel binnen wilde hebben, dus de achterband oppompen, zwijgen en wegrijden, maar erg vriendelijk zou het niet zijn. Daarom besloot hij eerst maar eens te vragen hoe het ging. Het was anderhalve maand geleden.
“Buurman,” zei Vernon.
Van Kerkrade reageerde helemaal niet.
“Hé, buurman.” Vernon riep iets harder, maar de man staarde onverminderd voor zich uit. Alsof hij stond te wachten. Alsof zijn vrouw elk ogenblik thuis zou kunnen komen. Misschien gebeurde er iets, viel er wat te zien aan de horizon en wist Vernon het gewoon niet.
Hij liep naar Van Kerkrade en legde een hand op diens schouder. De buurman sprong zo ongeveer omhoog, draaide zijn hoofd naar Vernon, die zijn handen verontschuldigend omhoog stak. “Ik ben het maar, hoor.”
“Jezus… man!”, riep Van Kerkrade. “Je laat me schrikken.”
“Sorry. Het was niet mijn bedoeling om je een rolberoerte te bezorgen.”
“Godverdomme, ik sta gewoon te trillen,” zei Van Kerkrade.
“Wat is er dan? Wat is er gebeurd?”
Van Kerkrade veegde enkele zweetdruppels van zijn voorhoofd, die er in werkelijkheid niet waren. Zijn handen trilden. Opnieuw zocht hij naar een punt aan de horizon en Vernon begreep ineens dat het om een politiesirene ging die Van Kerkrade had gehoord. Of een ambulance. Hoe hield je ooit al die sirenes uit elkaar? Waren ze verschillend? Was het belangrijk? Deed het er iets toe? Vernon moest het vergeten.
“Niks… helemaal niks… mijn vrouw is dood… da’s alles, buurman. Je kent het verhaal.” Van Kerkrade draaide zich half om, heel even leek hij terug naar huis te willen lopen. Toch bleef hij staan. Zijn rechter ooglid trilde een beetje, terwijl hij naar Vernon keek. “Een hoop gezeik met mijn dochter.”
“Waarom? Vanwege die hondjes?”
“Nee, daar hebben we het niet meer over.”
“Wat dan wel?”, vroeg Vernon die heel relaxt probeerde te klinken.
“Ze beschuldigt me van moord.”
Vernon dacht aan het parkietje en de hondjes die Van Kerkrade mogelijk in de tuin zou hebben kunnen begraven, als hij boos genoeg was geweest… nee, hij heeft ze afgeleverd bij een asiel en zou er nooit een verhaal over hebben opgehangen. Vernon probeerde zich te herinneren hoe het ook alweer zat. Had hij het verteld? Had de buurman gezegd wat hij met de honden had gedaan?
Er ontglipte een zenuwachtig lachje aan Vernons mond. “Sorry.”
Van Kerkrade zweeg.
“Het gaat toch niet om het parkietje?”
“Nee,” zei de buurman die een denkbeeldige steen wegschopte.
“Ik ga er niet naar raden, buurman.”
“Ze denkt dat ik haar moeder… mijn vrouw… heb vermoord… Mam was nooit ziek, mankeerde nooit iets… Je had een sectie aan moeten vragen.” Hij imiteerde de stem van zijn dochter die net zo goed zijn vrouw had kunnen zijn. “Je hebt haar gewoon vermoord, pap. Dàt heb je gedaan!”
De Buurvrouw (2/6)
Tot de crematie liet de buurman zich nauwelijks meer zien. Er viel een kaartje op de deurmat, zodat Vernon ook wist wanneer en waar de plechtigheid zou plaatsvinden. Het was een bekende plek – hij was er vaker geweest, een nadeel dat een klimmende leeftijd met zich meebracht.
De bekentenis van de buurman, want zo mocht je het toch wel noemen, bleef lange tijd hangen. Vernon dacht eraan – elke keer als hij de weduwnaar, zijn dochter of zoon, voorbij zag lopen, soms verkeerden ze in gezelschap van een kleinkind, nog vaker waren ze alleen. Hij hoefde zich niet te beklagen over gebrek aan gezelschap, er was voldoende aanloop.
De crematie verliep min of meer zoals hij had verwacht – nergens viel er een spoortje van ongepaste vreugde te bekennen – alle herinneringen getuigden van een vrouw die het hart op de juiste plek had gehad, een echtgenote, moeder en oma die gemist ging worden. Daarmee vielen de woorden van de buurman, die hij op de dag van het overlijden had uitgesproken, geweldig uit de toon.
Al was dit uiteraard te verwachten.
Ja, natuurlijk hadden ze de laatste maanden erg vaak ruzie gehad en soms dacht Vernon dat er ook servies sneuvelde – glazen en borden kapot werden gesmeten.
‘Jezus. Omdat – ik zo blij ben dat de bitch dood is.’
Vernon zag weer de wijd opengesperde ogen van zijn buurman voor zich die zijn tweede glaasje leegdronk en mompelde: “Het is tijd om te gaan. Nog bedankt voor de borreltjes.”
Ze waren naar de buitendeur gelopen en Van Kerkrade was vertrokken.
Binnenkort zou hij er nog eens over beginnen – een bekentenis of verzuchting – de woorden rechtstreeks uit zijn hart.
Het zorgde voor – onbehagen, Vernon dacht er veel te vaak aan. Tijdens de crematieplechtigheid dacht hij regelmatig aan ‘bitch’ in plaats van lieve grootmoeder of moeder.
Na afloop dronk hij een kopje koffie, luisterde naar verhalen van familieleden die uiteraard ook wilden weten wie Vernon was en hoe hij de overleden vrouw kende. De broodjes bliefde hij niet. Hij was een van de eersten die wegging. Vernon schudde zijn buurman de hand, net als de zoon en dochter. “Wie zien mekaar snel,” zei hij – daarna verliet hij het crematorium. De zon scheen volop, het waaide stevig. Vernon liep naar zijn auto, stapte in en reed weg, terwijl er een nummer van Tom Waits speelde. ‘Who are you this time?’
Bijna een week later zetten beide mannen tegelijkertijd de kliko buiten. Het was al donker, gelukkig viel er geen regen, maar het beloofde een koude herfst te worden. Vernon vroeg: “Hoe gaat het ermee, buurman?” Hij stelde zijn vraag vooral uit beleefdheid, niet eens zozeer om echt een antwoord te krijgen.
“Best… best… het is wennen,” zei Van Kerkrade.
“Dat geloof ik goed.”
“Ik heb ruzie met mijn dochter.”
“O?”
Van Kerkrade zette de kliko precies neer, zoals het hoorde, want de vuilnismannen mochten er niet teveel werk aan hebben.
“Ik heb de honden van mijn vrouw opgeruimd – kutbeesten.”
“Da’s snel.”
“Heb die beesten altijd al gehaat.”
“En nu is je dochter boos.”
“Ja, want mams was altijd helemaal gek van haar honden,” zei hij, “ze had liever met honden te maken dan mensen, want dieren laten je nooit in de steek en dat heb ik haar wel zo vaak horen zeggen – Geen idee wat ik haar heb aangedaan.” Hij balde zijn vuisten en stak zijn armen korte tijd omhoog. “En om nog eens vijf jaar met twee van die smerige kutbeesten in huis te zitten – nee, dank je. Ik ben niemand enige verantwoording schuldig. Wil ik die kuthonden eruit? Dan gaan ze eruit!”
“Wat zegt je zoon ervan?”
“Mijn zoon? ‘Groot gelijk, pap.’ Dat zegt hij.”
“De meningen zijn een tikje verdeeld.”
“Boeit me niet. Ik ben de baas in mijn eigen huis. Misschien word ik ooit nog eens seniel, maar vandaag ben ik héél helder.”
“Veel ruzie gehad?”
“Ja, buurman. Dat weet je toch?”
Vernon knikte langzaam met zijn hoofd en staarde ondertussen naar de stoeptegels. Ja, dat wist hij heel goed. Hij had nooit veel aandacht besteed aan de woorden of zinsdelen die ze naar elkaar schreeuwden. Meestal zette hij zijn muziekinstallatie harder, ging het volume omhoog, zodat hij hen niet langer hoefde te horen. Het was te gênant voor woorden, maar zo ging het vaak.
“Maar goed. Ze is de pijp uit. God hebbe haar ziel. Het verhaal is uit.”
“Toch wel een goeie tijd gehad, hoop ik.”
Van Kerkrade begon te glimlachen en hij knikte bevestigend met zijn hoofd. “Ja-a, we hebben geneukt als konijnen.” Hij lachte heel even.
“Da’s in elk geval iets,” zei Vernon.
“En verder – ,” zei Van Kerkrade die naar de voordeur van zijn huis staarde. “Ach, het zal me wel te binnen schieten – eerdaags – nu niet.”
Vernon begon terug te lopen naar huis en bleef bij de voordeur staan. Net als Van Kerkrade overigens.
“Zoek je een vriendin?”, vroeg Vernon.
“Nee,” zei hij.
Vernon betrad het halletje. Zijn buurman speelde met zijn sleutels.
“Weet je – we hadden een parkiet en mijn vrouw wilde het dier leren praten – dat vond ze leuk.”
Vernon liet een kort lachje horen.
“Wat wilde ze dat hij ging zeggen?”
“Mannen zijn varkens,” zei Van Kerkrade.
“Gelukt?”
“Nee.”
“Helemaal niet?”
“Bijna. Als je goed luisterde. Mijn vrouw had de grootste lol.”
“En toen?”
“Ik heb het kreng vergiftigd.”
“En nu ligt het parkietje – in je achtertuin – tussen de de dode cavia’s en konijnen van je dochter,” zei Vernon.
“Ja.”
“Wist je vrouw dat je dat had gedaan?”
Van Kerkrade durfde niet te lachen, alsof het idee hem direct de adem benam. “Ze zou me hebben vermoord, buurman – echt.”
“Dieren zijn immers betrouwbaarder dan mensen – ze laten je nooit in de steek,” zei Vernon – er liep een ijskoude rilling over zijn rug.
‘Ik heb het kreng vergiftigd.’
“Precies – ze zijn er ook te stom voor – dus om te bedriegen – dieren zijn simpele wezens – afgezien van sommige mensapen dan.”
Ja, als zijn buren ruzie hadden, dan zette hij altijd muziek aan – het liefst stampende rockmuziek. Alles was goed, zolang het maar herrie maakte. Het geluid van zijn buren, die elkaar voor rotte vis uitmaakten, moest overstemd worden.
“Doe rustig aan, kerel,” zei Vernon.
“Dat vind ik een goed advies.”
‘Ik heb het kreng vergiftigd.’
Ze leefden allebei alleen in een gigantisch groot huis – erg veel leegstand achter de voordeur, zoals een deskundige het laatst in de krant omschreef. Mannen die van hun privacy hielden – een heel enkele keer leek het er wel eens op dat er spoken uit het verleden tot leven kwamen – of probeerden te komen. Alle herinneringen – alsof de levens van vroegere bewoners zich hadden vastgehecht aan de muren van het huis. Zulke dingen bestonden helemaal niet. Het waren hersenspinsels.
‘Ik heb het kreng vergiftigd.’
De deur ging dicht en Vernon draaide de sleutel naar links.
Welk kreng bedoelde de buurman nou eigenlijk?
Vernon pakte een koud biertje uit de koelkast, liep naar de woonkamer en liet zich op de bank neervallen.
De Buurvrouw (1/6)
De buurvrouw stierf in de nacht van vrijdag op zaterdag. Vernon lag toen zijn roes uit te slapen. Hij was een man die regelmatig alcohol dronk, maar zich op werkdagen een limiet oplegde, twee, soms drie glazen. Hij werd zaterdagochtend wakker om negen uur. Zoals hij wel vaker deed, als hij op was gestaan, keek Vernon eerst uit het raam om te zien wat voor dag het zou gaan worden. Regenachtig dus, winderig ook. Ongeveer veertien graden. Een ambulance blokkeerde de straat, verderop stond er trouwens nog eentje, maar Vernon zag ook twee ambulancemedewerkers teruglopen. Hij boog voorover en drukte zijn neus tegen het venster.
Eerst ging hij douchen, tandenpoetsen en daarna aankleden. Zijn ontbijt bestond uit cruesli met yoghurt. Ondertussen las hij op internet enkele kranten, vooral de schreeuwerige koppen. Hij dronk een kopje thee. Een normaal begin voor de zaterdagochtend. Niks bijzonders. Alle boodschappen waren binnen. De koelkast was gevuld. Om ongeveer elf uur bestudeerde hij zijn tuin, maar bleef wel binnen. Vernon stond bij het raam en zag zijn buurman, wiens gezicht nog somberder oogde dan normaal. De buurman hield een telefoon bij zijn oor, voerde een uitgebreid gesprek en maakte er met zijn arm bewegingen bij die vertraagd overkwamen. Als de ambulance inmiddels was vertrokken, met daarin de buurvrouw, dan moest dat betekenen dat er iets tragisch en onherstelbaars was gebeurd. Alleen na een sterfgeval hoefde de partner niet mee te gaan. Dood was nu eenmaal dood.
Vernon zette een kopje koffie voor zichzelf. Hij woonde alleen. Het huis had ooit toebehoord aan zijn ouders, hij was er ook opgegroeid. Na zijn overlijden zou zijn zoon er gaan wonen. Zo bleef het huis in de familie. Hij nam plaats achter zijn computer om een paar krantenartikelen te lezen. Er werd een storm verwacht, de eerste herfststorm van het jaar. Het was stil in huis. Normaal hoorde hij zijn buren wel eens.
Omstreeks het middaguur parkeerde de dochter van de buurman op het pad. Het was vervelend. Ze deed het altijd, maar Vernon wilde zich er niet aan ergeren. Amper tien minuten later arriveerde de broer van de zus die al binnen was. Zijn gezicht verraadde dezelfde ernst waarmee de zus binnen was gekomen.
’s Middags, om half vijf, keek Vernon opnieuw en waren alle bezoekers vertrokken. Ook oudere mensen die hij nooit eerder had gezien. De deurbel ging en Vernon deed open.
“Kom binnen, buurman,” zei hij.
De buurman, Allan van Kerkrade, kwam verder, het hoofd lichtjes gebogen, maar hij keek Vernon recht in de ogen, toen hij zei: “Ze is dood, buurman.”
“Gecondoleerd.”
“Ik heb er niet eens wat van gemerkt.”
“Mankeerde niks?”
“Nee joh, ze is zelfs nooit bij de dokter geweest,” zei Van Kerkrade.
“Verdorie, een hard gelag.”
“Dat kun je wel zeggen.”
“Borreltje?”
“Dat gaat er nu wel in, ja.”
Beide mannen namen plaats aan tafel. Vernon schonk de glaasjes vol. Ze brachten een toost uit waarbij de overledene werd herdacht.
“Een wereldwijf,” zei Van Kerkrade. Hij dronk het glas in één teug leeg.
Vernon schonk de glaasjes nog eens vol.
“Nu moet ik de aardappels voortaan zelf schillen,” ging Van Kerkrade verder.
“Je kunt het simpel genoeg houden, buurman,” zei Vernon. “Diepvriesmaaltijden die je zo in je magnetron kunt schuiven. Lekker makkelijk. Doe ik ook vaak genoeg.”
“Veertig jaar, we zijn veertig jaar samen geweest,” zei Van Kerkrade, “een eeuwigheid.”
“Alles gaat voorbij. Dat is het leven.”
Van Kerkrade bracht het glaasje voorzichtig naar zijn mond, het was zonde om een druppel te verspillen. Buiten regende het weer. Zo’n plensbui die je vroeger hoogst zelden meemaakte. Hij nam een slokje en zette het glaasje terug op tafel. “Een infarct of zo, hartfalen, dacht de arts.”
“Laat je het onderzoeken?”
“Nee,” zei Van Kerkrade. “Je brengt haar toch niet terug. Het is gedaan. Basta!”
De buurman legde zijn arm op tafel en leek heel even de stortbui te bestuderen die neerviel.
“We hadden een huisje gehuurd aan zee,” zei Van Kerkrade. “Mijn dochter zou gaan bellen. ‘Ik regel het wel, hoor, pap.’ Ik heb gezegd: ‘Als je dat zou willen doen. Graag.’ Die meid is in staat om dagelijks de koelkast te komen controleren – effe kijken of paps wel gezond eet. Want je weet maar nooit. Nu moeders er niet meer is. Zo gaan die dingen.”
“Pure bezorgdheid, buurman. Ze bedoelt het goed.”
“Ja, ik weet het.”
De stortbui werd alweer minder hevig.
“Nou ja,” zei Vernon, “mocht ik nog iets voor je kunnen betekenen, dan weet je me wel te vinden.”
Van Kerkrade tikte enkele malen op tafel, maar bleef ondertussen naar buiten staren.
“Ja – uiteraard,” zei de buurman.
“Ik bedoel – we wonen al zolang naast elkaar.”
Van Kerkrade knikte heel langzaam met zijn hoofd, alsof hij maar half luisterde. “We hebben elkaar leren kennen tijdens carnaval – het is begonnen als zo’n – jee – zo’n gesprek – het ging helemaal nergens over – het is me goed beschouwd een beetje overkomen,” zei hij. “En nu is het boek dicht.”
Vernon reageerde niet – wachtte af.
Er moest nog een opmerking komen. Iets.
Hoe vaak moest je zeggen dat je het veel te goed begreep?
“Een boek dat wat mij betreft spannender is geworden dan nodig was. Je zult ons toch wel eens hebben gehoord?” Van Kerkrade keek naar zijn buurman die bevestigend knikte. Vernon had zijn buurtjes vaak genoeg gehoord, ja.
“Zeker wel.”
“Leuke dingen, maar ook een hoop ellende.”
“Da’s vrij normaal.”
“Ik voel me er bijna schuldig door.”
“Waarom?”
“Omdat,” zei Van Kerkrade die een diepe zucht binnenhield. “Jezus. Omdat – ik zo blij ben dat de bitch dood is.”
De probleemoplosser (2/2)
Het rommelde in het wereldje – ook zijn oude contactpersoon bleek weer aan de slag te zijn gegaan.
“Dat heb je goed gedaan, Joke,” zei Bressers, “en nu zou ik een broodje met oude kaas lusten.” Hij liet het kaartje in zijn portemonnee verdwijnen.
Ongeveer een half uur later verliet hij het café – besluiteloos stond hij op straat om zich heen te kijken – Bressers besloot naar huis te gaan. Voor de kruising passeerde hij een oudere man die hij in eerste instantie niet eens herkende – toch keken beide mannen elkaar gedurende korte tijd aandachtig aan.
“Hé Foley – long time no see,” zei Bressers.
“Ik wil je archief bestuderen,” zei Foley, een man die vlekkeloos Nederlands sprak, een geboren Australiër.
“Mag niet,” zei hij, “zo luidt de regel.”
“Wat klopt er van de bewering dat je je dossiers afgelopen winter hebt verbrand?”, vroeg Foley.
“Blijkbaar was ik erg overtuigend toen ik dat zei.”
“Gelukkig.”
“Zin in koffie – of iets sterkers?”, vroeg Bressers.
“Inmiddels lust ik wel een biertje, ja,” zei Foley.
Ze liepen naar Bressers’ huis dat zich direct naast een oud café bevond – Bressers opende de deur en bood Foley de gelegenheid eerst binnen te gaan. Er hing een frisse, opgeruimde atmosfeer, weinig of geen stof, goed bijgehouden, al deed Bressers het schoonmaakwerk niet eens zelf – lange tijd kwam er een oude vrouw voor, moeder van een schoolvriend, een dame die zich moest zien te redden met een karig pensioentje – sinds – ongeveer – elf maanden had hij contract met een bedrijf dat om de drie maanden een andere schoonmaakster stuurde.
Bressers zette twee koude flesjes op tafel. “Eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik afgelopen dagen relatief veel tijd heb doorgebracht in mijn archief – een buurman beweerde een moord voor te bereiden – zei natuurlijk niet wie het slachtoffer zou gaan worden – een man die ik al eerder tegen ben gekomen.”
“Waar?”
“Ik dacht aan Zuidwest-Afrika – Namibië – de man noemt zich momenteel Manfred Pastoor – wel een prachtige ironiserende naam – ik heb op internet gezocht naar aanknopingspunten – er is totaal niks.”
“Knap frustrerend, dat geef ik toe” zei Foley. “Het is ook de reden van mijn komst – het rommelt een beetje, zoals je hebt gemerkt. Ik zit hier immers ook al – niet om eens lekker na te praten over vroeger en hoe leuk het was.”
“Dacht ik ook al – je komt anders nooit.”
“Het blijkt namelijk dat niet alle – laten we zeggen – ‘old boys’ – goed voor hun pensioen hebben gezorgd – ze hebben nog wel geld, maar niet zo heel veel.”
“Slechte beleggingen?”
“Precies – en vreemd genoeg wekken je televisieoptredens ook de nodige jaloezie – kennelijk heb je het gewoon veel beter gedaan dan anderen die op een of ander moment rijker zijn geweest dan jij.”
“Mijn dochter heeft een tijdje meegelopen op de redactie van zo’n show en opgemerkt dat paps een zekere deskundigheid heeft opgedaan over kwesties die vrijwel alle westerse regeringen liever onbekend houden – mijn kinderen weten weinig van mijn werk. Ik heb ze nooit veel verteld – natuurlijk voerden we vaak genoeg discussies over – bepaalde dingen.”
“Die gewoon in de krant hebben gestaan, maar jij kunt beter dan wie ook onderlinge verbanden leggen, maar dat is ook een deel van het probleem – vrees ik.”
“Eerlijk gezegd vond ik het wel leuk om te doen – een paar keertjes in zo’n talkshow – nooit aan gedacht dat er problemen van konden komen,” zei Bressers.
“Veel van de zaken die we hebben onderzocht zijn tien jaar oud – minimaal – er zijn regimewissels geweest – betrokken personen zijn vaak al overleden. Ik neem je weinig kwalijk – bovendien heb je de vraag destijds aan me voorgelegd – geen bezwaar.”
“Alleen de grenzen van de menselijke geest,” zei Bressers, “het is moeilijk om soms te bepalen wat je wel en wat je beter niet kunt zeggen – gevolg is dat je uiteindelijk zwijgt, terwijl ze willen dat je praat.”
“Maar jij hebt echt geen vreemde dingen gezegd. Absoluut niet. Ik heb alles tweemaal bekeken. Je leest gewoon meer kranten en tijdschriften dan anderen.”
“Dacht ik ook.” Bressers pakte het flesje bier van tafel en nam een slok. “Maar goed – Heb jij enig idee voor wie Manfred Pastoor zijn werk doet? Kennelijk probeert iemand extra centjes te verdienen met mijn archief en misschien moet ik de dossiers vernietigen.”
“Nee, want dat mag niet.”
“Ik weet het.”
“Je wilt weten voor wie Manfred zijn werk doet?”
“Laat maar. Het is ook niet relevant.”
Foley knikte enkele malen met zijn hoofd. “Je leest de krant – in dat geval behoor je het allang te weten.”
“Oké. Ik begrijp het.” Er speelden namen door zijn hoofd van bedrijven, vage kennissen, die het afgelopen jaren niet best hadden gedaan op de beurs. Maar ook landen die als schurkenstaten werden weggezet in de media.
Foley stond op en streek zijn overhemd glad – hij oogde – totaal anders dan normaal – heel casual.
“Ik laat vanavond een pakketje bezorgen,” zei Foley, “je moet de normale procedure volgen – het is een zakelijke beslissing – we weten allemaal wat er gebeurt als je je niet aan de regels houdt.”
“Mijn nummer is hetzelfde. Dat weet je.”
“Ik sms straks de pincode.”
“Woont die vent trouwens alleen?”, vroeg Bressers. “Ik zie hem al maanden twee keer per dag met zijn hondje lopen – hij zit hier ergens in een appartementencomplex.”
Foley bleef in de gang staan en zei: “Laat af en toe eens weten hoe het met je gaat – dat is wel zo leuk.”
“Nuttig – jij hebt nog nooit iets alleen maar ‘leuk’ gevonden,” zei Bressers die de voordeur opendeed.
“Dat is ook waar.”
*****
Het kistje stond op tafel – de pincode bestond uit zes cijfers, niet eens zo heel moeilijk – er lag een geladen pistool in het kistje – hij werd verondersteld hooguit zestien kogels nodig te hebben voor zijn werk – het hoorde bij zijn werk als probleemoplosser en een man als John Bressers was nooit helemaal met pensioen.
Pastoor ging om vijf uur ’s middags nogmaals met het hondje lopen – het zou een goed idee zijn om de man – toevallig – tegen het lijf te lopen – nog beter was het om Pastoor te volgen naar een afgelegen plek in het plantsoen, maar Bressers zou de kans niet eens krijgen. Bressers verdrong het idee dat elke volgend probleem voortaan zou eindigen met een executie – hij had er een hartgrondige hekel aan, omdat de tegenpartij al ruim dertig jaar wist hoe het zou aflopen – als je als werknemer de regels overtrad. Het kistje betekende dat een dossier gesloten moest worden.
Bressers verliet zijn huis, terwijl het pistool in een schouderholster stak – hij droeg een oud spijkerjack, een wit overhemd en vale spijkerbroek. Einddoel heette het café te zijn, maar hij wist dat ergens halverwege Manfred Pastoor moest opduiken die mijmerde over een moord – het was een hobby – Bressers vermoedde eerder dat het een afleiding was waarmee hij een eventueel slachtoffer hoopte te kunnen verwarren. Er waren erg veel mensen op straat – de temperatuur lag hoger dan een dag eerder – het was net iets te warm voor het jack dat hij droeg, maar het kon moeilijk anders. Inderdaad wandelde Pastoor nogal lusteloos in de straat – Bressers stak zijn hand eventjes omhoog en vreesde dat het gebaar aan de aandacht was ontsnapt. Toch gingen de mondhoeken van Pastoor ineens omhoog.
“Dag buurman,” zei hij.
Bressers vroeg zich af of een van de schoonmaaksters contact zou hebben gehad met Pastoor, maar wist ook dat het volstrekt zinloos was om daarover te tobben. Die vrouwen kwamen nooit iets te weten – ze werkten nu eenmaal te kort in zijn huis om ontdekkingen te kunnen doen – zoals de kelder en het archief – .
“Je kijkt alsof je dat beest gruwelijk beu bent,” zei Bressers. “Vroeger in China werden ze opgevreten.”
Er verscheen een grijnslach op het gezicht van Pastoor. “Ik ga paddenstoelen plukken – in het journaal zeiden ze dat er dodelijke exemplaren in de natuur voorkwamen – je kunt ze zo plukken – .”
“En dan stop je ze in het eten van je hond?”
“Nee joh – mijn vriendin zou compleet gek worden.”
“Ik vond je al geen man voor een hond.”
“Jij woont alleen – Toch?”
“Ja.”
“Groot huis, schitterende ligging – in de stad.”
“Jij ook – volgens mij – ,” zei Bressers.
“Nee, alleen schulden.”
“Niet zo best – op jouw leeftijd.”
De mondhoeken van Pastoor leken omhoog te gaan, maar hij bleef – neutraal – kijken. “Waarom loop je niet een stukje mee? Goed voor de eetlust.”
Het moest een keer gebeuren. Bressers knikte langzaam met zijn hoofd en zei: “Akkoord.” Ze begonnen te wandelen – naar de Hekellaan, daarachter lag een groot natuurgebied dat voldoende ruimte bood voor een hondje om lekker te rennen.
Het bleef stil, zolang ze in de nabijheid van mensen waren – Bressers en Pastoor stonden te wachten bij een stoplicht – net als een groot deel van de fietsers.
Ze staken de weg over en gingen rechtsaf. Er lag een weggetje dat heel lichtjes afboog naar beneden – daar begon een natuurgebied, een moeras, het Bossche Broek – Bressers kwam er hoogt zelden, al genoot hij wel degelijk van het uitzicht – een oude stad die zich nog altijd achter een muur scheen te willen verbergen.
Pastoor boog voorover om de hond los te laten – het dier rende er meteen vandoor, alsof dit zijn lang verwachte vrijlating was. Pastoor draaide zich om – keek naar Bressers – de hond was allang vergeten.
“Wat ben je aan het doen, Bressers?”
“Aan het rentenieren,” antwoordde hij, “zo heette het vroeger tenminste, als je dat deed – lanterfanten.”
“Nee – jij niet,” zei Pastoor.
“En jij dan? Wat heb jij gedaan om op zo’n achterlijk keffertje te moeten passen– een kutlikkertje?”
“Begin je nou alweer over die hond?”
Het dier zat bijna vijftig meter verderop te poepen.
“Ik probeer het te begrijpen,” zei Bressers.
“Vrouwtje heeft geld.”
“Ga je paddenstoelen plukken voor je vriendin?”
“Misschien doe ik dat ook wel, maar in dat geval sta ik meteen weer op straat. Snap je wel? Ze is slim.”
“En dus ben je geïnteresseerd in het archief.”
“Ja.”
“Jammer. Alles is verbrand.”
“Ik heb ook zoiets gehoord, ja.”
“Niemand hoeft nog te vrezen.”
“Toch geloof ik je niet,” zei Pastoor.
“Weet je. Ik heb lang nagedacht,” zei Bressers.
Ze liepen verder en sloegen linksaf. De oude stad leek zelfs al te zijn vergeten, terwijl er voortdurend auto’s reden, fietsers en hij wist zeker dat er ook wandelaars waren die amper aandacht besteedden aan twee mannen en een hondje.
“Dat begrijp ik.”
“Ik ben je ooit tegengekomen.”
“Mm – ja.”
“Het duurde eventjes voordat ik me herinnerde waar dat precies is geweest – ik dacht aan Afrika.”
Pastoor liet zijn hand onder zijn jasje verdwijnen en trok een pistool – hij schroefde er een geluidsdemper op – Bressers trok zijn eigen wapen – ze bleken allebei hetzelfde idee te hebben gehad voordat ze hun schuilplaats verlieten. Pastoor richtte zijn wapen op het hondje dat langs de weg liep.
Er klonk een zachte plop waarna het dier neerviel.
“Zo – hè hè,” zei Pastoor die zijn arm liet zakken.
Ondertussen schroefde ook Bressers een geluidsdemper op zijn wapen. “Dierenbeul,” zei hij.
“Ik heb het fucking beest al vanaf dag 1 gehaat.”
“Je bent niet zo’n beste belegger.”
“Nee.” Hij schudde zijn hoofd en leek te onderzoeken of er mensen stonden te kijken – Bressers liep verder.
Niet zo heel erg ver overigens, slechts enkele meters.
“Hoe is het met je vrouw en kinderen – twee jongetjes met lichtblond haar – een tweeling. Toch?”
“Ja.”
Pastoor draaide zich heel langzaam om – zijn arm hing nog rustig langs zijn lichaam – met het pistool.
“Namibië,” zei Bressers. “De handel in uranium. Politiek gevoelig.”
“Wel lucratief.” Pastoor bestudeerde het wapen van Bressers. “Bekend modelletje.”
“Ach ja.”
“Je hebt met andere woorden volledige immuniteit.”
“Ja.”
Bressers zette zijn linkervoet verder naar buiten.
“Waarom?”
“Dat weet je.”
“Dus je hebt gelogen over je archief?”
“Natuurlijk.”
“Verdomme,” zei Pastoor.
“Je hebt een belangrijke wet geschonden,” zei Bressers, “dat wist je toen je over je moordplan begon. Ik vermoed dat het vrouwtje dood is gegaan?”
Pastoor gaf geen antwoord.
“Regel nummer één. De archivaris is immuun,” zei Bressers.
“Ik heb de Majesteit altijd geëerd.” Pastoor gooide zijn pistool in het water, er lag een brede uitloper van de Zuiderplas.
Bressers richtte zijn wapen en vuurde twee schoten kort na elkaar – hij schoot twee keer. Pastoor viel om – haalde traag adem – Bressers zette zijn voet tegen de borst van zijn slachtoffer en duwde hem verder, zodat het omlaag rolde – in één keer het water in.
Hij keek om zich heen – wilde weten of er iemand had gezien wat er was gebeurd, maar niemand scheen te hebben opgelet. John Bressers schroefde de geluidsdemper los en hervatte de wandeling, want het was een mooie dag. Hij stak het wapen in de holster – zocht naar zijn telefoon voor een reservering in het café.
Hij zou straks honger hebben.