“Mijnheer – Denkt u dat elk mens een ziel heeft?”
“Ligt eraan – denk ik – hoe je het bekijkt. Zodra je over een ‘ziel’ begint, denk ik toch vooral aan religie – een ziel is een religieus idee.”
Casper draaide zijn hoofd en keek uit het raam. We passeerden een fietser van wie het lichaam verborgen ging in regenkleding – alleen het drijfnatte, glimmende gezicht was te zien. “Als een mens geen ziel heeft – Wat dan wel?”, vroeg hij.
“Een bewustzijn – een mens heeft een bewustzijn, maar dan ben je toch vooral een atheïst, denk ik. Iemand die over een ziel begint, veronderstelt namelijk een ten-hemel-opneming -of zielsverhuizing.”
“O.”
“Waarom vraag je dat zo?”
“Vader had het er vaak over, mijnheer.”
“Ik krijg een beetje jeuk van jou,” zei ik. “Mijn naam is Johan Vermanen. Je moet me Johan noemen.”
“Oké – goed.”
De ruitenwissers zwaaiden continu heen en weer, terwijl de regen bleef neervallen. Bloedrode lichten weerspiegelden loepzuiver in het wegdek. Ik hield voldoende afstand en we waren onderweg naar het bureau – ik had een langdurige stilte verwacht. Een zwijgzame Casper die uit het raam staarde en niets zou zeggen of bijna niets. Soms moest ik door diepe plassen regenwater rijden en hoorde ik het harde kletteren tegen de onderkant van mijn auto.
“Is er echt een verschil?”, vroeg hij ineens en Casper draaide zijn lichaam half naar links – de bestuurdersplaats – dus naar mij.
“Denk het wel, ja.”
“Maar u weet het niet zeker?”
“Misschien – als de dood geleidelijk aan nadert en we schijterig beginnen te worden – daardoor zouden we wel eens in een ziel kunnen gaan geloven, omdat je je ineens bewust wordt van je christelijke identiteit – .”
“Volgens vader heb ik geen ziel,” zei hij.
Ik wachtte al erg lang voor het stoplicht groen werd – er begonnen een paar auto’s te rijden, maar ik moest weer wachten – eerst oranje, dan rood.
Casper streek zijn blauwe haren achter zijn oren en leek het stoplicht net zo zorgvuldig te bestuderen als ik. “Maar vond je vader dat hij er zelf wel een had?”
“Ja.”
“Waarom?”
Het duurde erg lang voordat het licht weer groen werd – ik had de radio uitgeschakeld – het was buiten acht graden Celsius – niet warm, niet koud.
“Ik zou zo graag eens kerstmis willen vieren,” zei hij en Casper tikte enkele malen op de ruit. “Dat lijkt me best wel leuk. Met zo’n dennenboom, een heleboel ballen, zilverkleurige slingers. En lichtjes. Natuurlijk ook beeldjes en het kindje Jezus.”
Ik trapte het gaspedaal omlaag en begon te rijden.
“Nooit gedaan?”, vroeg ik.
“Nee.”
“Weet je. Ik begrijp je steeds minder.”
“Zou de politie me in de gevangenis gooien, Johan?”
“Nee – daar moet je iets voor gedaan hebben. Dat doen ze niet zomaar.”
“Ik heb niks gedaan.”
Mijn rechtervoet kwam heel traag omhoog – verkeer begon vast te lopen in de avondspits – ik had een ongelukkige tijd uitgekozen om te gaan rijden.
“Ja, ik heb wel iets gedaan,” zei Casper die zijn benen strekte, “ik heb vader een zachte dood gegeven.”
“Je bent een belangrijke getuige – ze willen je graag spreken – je had er nooit vandoor moeten gaan.”
“Ik was bang.”
“Dat snap ik. Het is best eng als je vader ineens dood is, maar je bent erbij geweest.” Ik draaide mijn stuur naar links en trachtte een parkeerplaats te vinden. “Bovendien is er die vreemde wond op zijn arm – daar ga je beslist vragen over krijgen.”
“Zou u denken – ?”, vroeg hij. “Kijk – daar is een parkeerplaats – u moet vlug zijn.”
“Ik zou ernaar vragen,” antwoordde ik – ik draaide het stuur scherp naar links en begon te parkeren. Een fietser wist mijn auto nipt te ontwijken – een man wiens belangstelling vooral werd getrokken door het donkerblauwe haar van Casper en zijn wenkbrauwen.
“Ik denkt dat u gelijk heeft.”
Een zachte dood, zoals Casper die bedoelde, strookte mijns inziens niet met een kleine rafelige wond. Het betekende heel beslist dat er een gewelddadig moment moest zijn geweest die tot het overlijden van zijn vader heeft geleid. We stapten uit – regendruppels kletterden naar op hoofd en schouders. De regen scheen Casper totaal niet te deren. We wandelden naar het politiebureau, alsof de herfst niet was ingevallen, alsof het al niet ruim een uur onafgebroken regende. Ik wilde geen vragen stellen over ziel en bewustzijn, omdat de vader kennelijk vond dat het voor zijn zoon anders lag. Vader wel, zoon niet. Het leek me een curieus onderscheid, maar een normaal gezin waren ze nooit geweest.
We betraden het bureau – ik ging voorop en Casper volgde – ik wist niet eens zeker of hij er niet weer vandoor zou gaan. “Goedenavond,” zei ik. “Deze jongeman is de zoon van de heer Jesper Noorderligt – die gisterochtend dood werd aangetroffen op bed. Er zijn wat vragen gerezen omtrent de toedracht.”
“En – u bent – ?”
“De buurman die uit zijn bed werd gehaald.”
“Een ogenblikje. U kunt even plaatsnemen. De rechercheur komt er zo aan.”
Het duurde niet erg lang. Een rechercheur die ik eerder had gesproken, kwam met uitgestoken hand naar ons toe – rechercheur Madeleine Steenbergen, zo heette ze. Casper en de rechercheur stelden zich aan elkaar voor. “Komt u maar even mee,” zei ze. “Dan kunnen we rustig bespreken wat er is gebeurd.”
We gingen een spreekkamer binnen. Er stond een computer – Casper nam plaats aan de tafel, ik pakte de stoel naast de zijne – de rechercheur liet de stoelpoten over de vloer glijden en ging zitten. “We vonden het een beetje vreemd dat u er vandoor bent gegaan,” zei Steenbergen die Casper recht in de ogen keek. Ze knipperde een keer met haar ogen – merkte zijn vreemde, afwijkende uiterlijk op, maar liet zo min mogelijk blijken – ongetwijfeld zou ze het in haar persoonlijke verslag opschrijven.
“Ik was bang,” zei Casper, “omdat mijn vader dood was gegaan – ik wist niet wat ik moest doen. Het was fout om weg te rennen. Ik wist het niet meer.”
Natuurlijk had ik niets tegen de politie gezegd over mijn verdenking – ik dacht nog altijd dat Casper zijn vader had gedood – mijn nieuwsgierigheid naar het motief en de manier waarop hij het had gedaan was buitengewoon groot – ‘een zachte dood – hij heeft zijn vader een zachte dood gegeven. Wat betekende dat in hemelsnaam? Een zachte dood!’ Ik kon evenmin uitleggen waarom de gedachte me overviel, er was de stand van zijn hoofd – een eigenaardige flikkering in zijn ogen – maar zijn uiterlijk was sowieso al vreemd, bijna als een alien – inderdaad – ik begreep zijn klasgenoten heel goed. Ik vroeg me af of de jongen blauw bloed zou kunnen hebben, dus echt blauw, stromend bloed.
“Wanneer wist je dat je vader dood was gegaan?’
“Toen mijn – , toen Johan zei dat hij dood was – ik had nooit eerder een dood mens gezien – het was de eerste keer. Daarom vroeg ik me af – ,” zei hij, maar Casper leek zijn zin niet af te willen maken.
“Wat vroeg je je af?”, vroeg Steenbergen en haar stem klonk allervriendelijkst, alsof je je diepste geheimen probleemloos kon blootleggen.
“Het spijt me dat ik er niet bij was – ik had bij mijn vader willen zijn, toen hij stierf. Ik zou in dat geval hebben geweten of hij een ziel heeft gehad.”
“Waarom is dat zo belangrijk voor je?”
“Vader sprak er vaak over.”
“Waarom? Was hij een religieus man?”
“Vroeger niet. Laatste tijd wel.”
“En dus sprak hij regelmatig over de ziel van een mens.”
Hij knikte langzaam. “Ja.”
Casper keek me enkele ogenblikken aan – zijn wenkbrauwen had hij omlaag getrokken, hij beet op zijn onderlip. “Vertel de waarheid, jongen. Zeg wat je denkt. Je hebt niks te verbergen.”
“Wat zei je pa dan precies?’
“Volgens mijn vader heb ik geen ziel.”
“Waarom niet?”
“Ik ben geen afstammeling van Adam en Eva.”
Misschien had ik een extra rondje moeten rijden, niet zo snel naar het politiebureau behoren te gaan en de jongen veel langer uithoren. Ik keek opzij en wilde een opmerking maken, maar zweeg. De rechercheur deed hetzelfde. Er viel een stilte die door Casper zelf werd onderbroken.
“Johan heeft het in de auto hierheen uitgelegd – sommige mensen hebben een ziel, anderen een bewustzijn – ik heb een bewustzijn en geen ziel.”
“Dàt is onzin, beste jongen. Dat heb ik nooit gezegd. Niet op die manier. Beslist niet.” Kennelijk had Casper een passend antwoord op zijn vraag gevonden in mijn uitleg, maar die stemde op geen enkele manier overeen met wat ik had gezegd. “Religieuze mensen zijn eerder geneigd te spreken over een ziel, maar ik ben geen godsdienstig man, daarom heeft de omschrijving ‘bewustzijn’ voor mij persoonlijk veel meer betekenis.”
Casper zei niets, maar knikte met zijn hoofd.
“Zo heb ik het gezegd.”
“Vertel eens, Casper,” zei de rechercheur. Ze boog enigszins voorover en keek hem recht in de ogen. “Vertel eens eerlijk. Heb je iets gedaan met je vader waardoor hij nu dood is?”
“Nee,” antwoordde hij.
Casper had zijn vader een zachte dood gegeven – ik wist niet eens wat hij ermee bedoelde – een zachte dood. Het kon van alles betekenen.
“Heeft je vader je wel eens gevraagd iets te doen waardoor hij zou kunnen sterven?”
“Ja,” zei Casper die naar het tafelblad keek.
“Wat moest je doen?”
“Ik moest hem een zachte dood geven.”
“Dat snap ik niet,” zei Steenbergen.
“Geen pijn, geen lijden.”
“We hebben een wond op zijn rechteronderarm aangetroffen. Weet je hoe die is ontstaan?”
“Nee.”
“Ik vraag me af hoe je vader zijn – Hoe oud ben je?”
“Twintig, sinds een week.”
“Ik vind het onvoorstelbaar dat je vader – of welke vader dan ook – een zoon zoiets zou durven te vragen.”
“Ik heb toch al geen ziel, dus ik kom niet in de hel.”
Auteursarchief: Jos Smies
Blauw (4)
Blauw (3)
Ik durfde niet eens te lachen. Casper noemde zichzelf een monster. Hij keek om zich heen, las de boektitels die naast hem in een rek stonden. Zijn opmerking leek vanzelfsprekend, alsof niemand ooit had geantwoord dat hij uit zijn nek kletste. Buiten begon de regen tegen de ruiten te tikken – komende uren zou er regen blijven vallen. Zo was het ook gezegd. Ik ging nergens heen.
“Je haar was gisteren veel lichter van kleur,” zei ik – vooral om de stilte te doorbreken.
“Ral 5009,” zei hij.
“O dat weet je toch wel.”
“Tuurlijk.”
“Dit is mijn normale haarkleur. Zo ziet het eruit als ik helemaal in orde ben – gezond dus.”
“Ik dacht dat – .”
“Nee.”
“Hoe – ?”
“Stress, denk ik. De dood van mijn vader.”
Ik pakte de telefoon vast en speelde ermee. Hij moest naar de politie – vertellen wat er was gebeurd.
“Bij gewone mensen gebeurt dat niet, hè.”
“Ik zei het al daarnet – ik ben een monster – een freak.”
“Anders – je bent anders – da’s alles.”
“Nee, u bent anders, ik ben een freak. U heeft me altijd gewoon aangekeken in de lift of in de gang.”
“Daarom hoef je jezelf nog geen monster te noemen,” zei ik. In gedachten zag ik hem weer verdwijnen in de schaduw – onzichtbaar worden, zodat mijn zintuigen hem niet langer registreerden. Een monster is een roofdier dat aast op menselijk bloed of vlees of allebei. Ik wilde zijn talent bespreken, maar durfde het nog niet aan – nog niet.
“Ja, u bent altijd erg aardig geweest.”
“Waarom ben je hierheen gekomen?”, vroeg ik. “Je bent gevlucht, zodra het woordje ‘politie’ viel. Daarmee heb je jezelf verdacht gemaakt. Er zit een vreemde wond op de arm van je vader en de politie zoekt een verklaring die ze niet kunnen vinden.”
“Ik heb niets fout gedaan,” zei Casper – zijn stem klonk opvallend rustig. De stress had een verkleuring van zijn haar veroorzaakt – het was bleker geworden – azuurblauw in plaats van heel donkerblauw, bijna zwart, zoals vandaag.
“Daar gaat het niet om.”
Hij kwam omhoog, stond niet op, zoals gewone mensen, maar kwam in één enkele vloeiende beweging omhoog en liep naar de grote boekenkast. “Ik wou dat ik dit eerder had geweten,” zei hij, maar zijn gestalte verdween in de schaduw – ik verberg mijn kast namelijk in een eeuwigdurend schemerduister om de ruggen van mijn boeken te beschermen tegen zonlicht – ze verbleken anders. Zijn stem klonk duidelijk, ik hoorde hem praten, maar zag hem niet. Hij leek te zijn verdwenen. Heel even maakte hij een stap achterwaarts en hij werd weer zichtbaar – ik zag een deel van zijn lichaam in een strook daglicht – doorzichtig, als een geest. Er was geen zonlicht, het regende en het zou voorlopig blijven regenen.
“Ik zou alles willen lezen.”
Ik legde mijn telefoon neer.
“Vind je niet dat ik recht heb op een verklaring? Je belt aan en vraagt me naar je vader te kijken, omdat hij niet wakker wil worden en ik heb gehoor gegeven aan je wens – je vader is vermoord.”
“Nee, hij heeft een zachte dood gekregen.”
Ik gaf geen antwoord. Zijn gestalte ging verborgen in het schemerduister. Ik zag af en toe een stukje van zijn schouder en arm. Jaloezieën waren grotendeels gesloten. Ik had geen lampen aangedaan. Casper leek zich daar het prettigst te voelen – in de schaduw kon niemand hem aanstaren. Zijn hele leven lang draaiden mensen – voorbijgangers – hun hoofden als ze hem zagen passeren – een jongen met blauw haar die tevens een groen en een geel oog had. Ik moest hem recht in de ogen kijken. Alleen dan zag ik de kleuren van zijn ogen. “Waarom ben je eigenlijk gekomen?” Hij verborg zichzelf nog altijd in de schaduw. Casper draaide zich om en betrad de woonkamer – de boekenkast staat in een aparte kamer – ooit een slaapkamer voor de ouders. Hij ving het daglicht, een somber en dreigend licht dat paste bij Casper. Weifelend bleef hij staan – naast hem lonkte de deuropening – daarachter bevond zich nog veel meer duisternis waarin hij zich kon verbergen.
“U bent altijd aardig voor me geweest. Als enige.”
Regendruppels kletterden tegen de ruiten. Auto’s reden voorbij – ik hoorde banden op kletsnat asfalt.
Misschien moest ik Casper iets te drinken aanbieden. Hij bleef bij de deur staan en ik geloofde dat hij elk moment zou kunnen vertrekken, omdat hij zelf ook niet goed wist waarom hij op zijn vriendelijke buurman had staan wachten – ik ben altijd aardig voor hem geweest. “Ik begrijp je niet goed,” zei ik. Casper draaide zijn hoofd en keek naar me. “Wat bedoel je precies met een zachte dood?”
“Geen pijn, geen lijden,” zei hij.
“Hoe kwam dat zo?”
“Ik begrijp u niet.”
“Was je vader ziek?”
“Hij was erg oud aan het worden.”
“Dat is geen ziekte.”
“Nee – dat klopt.”
“Dus – ?”
“Mijn vader maakte zich zorgen over mij – .”
“Ik begrijp dat je nauwelijks contact hebt gehad met andere mensen – alleen je vader is er altijd geweest.”
“Ja – inderdaad.”
“Waren je klasgenoten bang voor je?”
“Ze noemden me – ,” zei hij.
“Dat heb je al verteld.”
“Geen idee.”
“Een jongen met authentiek blauw haar, een groen en een geel oog, die een bleke, grauwe huid heeft. Vaak draagt hij een bril met licht getinte glazen, zodat de kleuren van zijn ogen niet zullen opvallen.”
“Vandaag niet,” zei hij.
“Wat niet?”
“De bril.”
“Nee – je hebt gelijk – vandaag niet.”
“En je hebt geen idee hoe je blauwe haren zijn ontstaan – terwijl je daarmee de enige mens op aarde bent die zo’n afwijkende haarkleur heeft – van nature. Je had op de voorpagina’s van alle kranten moeten staan en ondertussen leidt je een anoniem leven in een keurig appartementengebouw.”
“Soms – als mijn vader een goede bui had – vertelde hij wel eens over vroeger – mijn geboorte – hij maakte er dan grapjes over – ‘het was een keuzemenu dat ik in moest vullen’, zei hij. Blauw haar, een groen oog en een geel oog.”
“Dat is niet alles. Er is nog iets. Dat weet je.”
Casper betrad de gang en ik zag zijn gedaante compleet verdwijnen in de duisternis – eerst was hij er nog, vervolgens scheen hij onzichtbaar te zijn – als een holografische projectie die uitgeschakeld werd. “Dit bedoelt u waarschijnlijk,” zei hij. “Het is grappig. Toen mijn vader jonger was, hebben we heel vaak verstoppertje gespeeld – en ik won altijd.” Casper stak zijn arm door de deuropening – ik zag alleen een arm zonder lichaam en al die tijd probeerde ik te doen alsof dat normaal was. Hij stond vrij onverwacht weer in de woonkamer – bij de tafel – zijn hand rustte op een stoelleuning.
“Het ligt niet aan mij, hoor. Ik heb geen speciaal talent – zoals de superhelden die overigens in uw boekenverzameling ontbreken,” zei hij. Casper liep terug naar de boekenkast die een magnetiserende aantrekkingskracht leek uit te oefenen.
“Ik heb – beetje – een hekel aan superhelden.”
“Het komt, volgens mijn vader, omdat uw ogen niet goed genoeg zijn om mij waar te nemen – ik ben er gewoon – altijd – maar u kunt me niet zien.”
“En waarom is dat dan?”
Hij liet zijn vingers langs de ruggen van mijn stripboeken glijden. “Mooi hoor – geweldig.”
Ik wachtte enkele seconden en herhaalde mijn vraag, of een deel ervan. “Waarom?”
“Dat heb ik toch al verteld.”
“Omdat je een monster zou zijn – een freak?”
“Ja.”
“Je bent anders, maar geen monster.”
Mijn nieuwsgierigheid was allang gewekt – jaren geleden al – de dood van Caspers vader had de jongen ertoe gebracht ’s ochtends vroeg bij mij aan te bellen – zijn vader wilde niet wakker worden, maar bleek al een tijdje dood te zijn. Casper had kennelijk nooit eerder in de nabijheid van de dood verkeerd. Anders had hij wel geweten dat zijn vader dood was gegaan en zou Casper hebben 112 gebeld. Nee, hij had hem vermoord – de man was niet zomaar gestorven. Er was iets voorgevallen. Ik wist het zeker. De man was een onnatuurlijke, zij het zachte dood gestorven. Ik herinnerde me de vreemde rafelige wond op de rechteronderarm.
“Ik bied je mijn hulp aan,” zei ik.
“Waarmee?”
“Daar kom je toch voor? Je hebt hulp nodig. Aangezien je vader je na al die jaren in totale onwetendheid heeft achtergelaten – je weet niets over je afkomst. Je zit met een vraag. Ben je een gewoon mens? Of ben je iets anders?”
“Een monster bijvoorbeeld?”
“Nee, jongen – ik bedoel – ‘iets anders’.”
“Oké.”
“Maar eerst moeten we naar het politiebureau.”
“Nee – dat wil ik niet.”
“Het moet. Je hebt geen keus. Om te beginnen laten we zien dat je niets te verbergen hebt.”
“Goed dan. Maar ik haat die mensen.”
Ik herinnerde me zijn gezichtsuitdrukking, toen hij gisterochtend in de lift wilde stappen – ik meende een jongen te zien die zijn eigen vader net had vermoord.
“Daarna gaan we toestemming vragen om het appartement van je vader weer te betreden.” Ik begon mijn jas aan te trekken. “Ik heb je vaders archief nodig, anders kan ik je onmogelijk helpen.”
We waren onderweg naar de lift – ik speelde met mijn huissleutels, terwijl Casper schuin voor me liep. Hij draaide zijn hoofd naar links – er lag een merkwaardige donkerblauwe glans over zijn haren die slordig langs zijn wangen bungelden. “U zegt dat ik ‘iets anders’ ben. Wat ben ik dan?”, vroeg hij.
“Daar durf ik voorlopig nog niet aan te denken.”
Blauw (2)
De volgende dag ben ik naar het politiebureau gegaan om een verklaring af te leggen – die ken je inmiddels – daar heb ik over geschreven. Onderweg naar huis bleef ik denken aan de dode man op het bed en zijn zoon die authentiek blauw haar leek te hebben, maar ook een groen en een geel oog. Een opmerkelijke speling van het lot. Casper had tevens een erg bleke huidskleur, grauw zelfs, een kleur die er bijzonder ongezond uitzag, alsof hij ziek was. Ik checkte mijn telefoon en las een bericht over de vermiste jongen – er stond niet geschreven dat hij een moordenaar was – nee, de politie beschreef hem als een belangrijke getuige die kon verklaren wat er was gebeurd. Natuurlijk was het onderzoek in volle gang – de rechercheurs gaven geen antwoord op mijn vragen – ze wisten het ook niet, maar mijn geheugen herhaalde continu hetzelfde detail – een kleine, gerafelde wond op de rechteronderarm.
Ik had mijn werkgever laten weten enkele dagen vrij te willen nemen vanwege de gebeurtenissen afgelopen nacht – een dode buurman, zijn zoon die ervandoor is gegaan, maar geen woord over het vreemde uiterlijk van Casper. Ik stuurde mijn auto rustig door het verkeer, maakte geen haast, ik had alle tijd van de wereld, hoefde nergens heen. Soms dacht ik Casper te zien lopen. Een opvallende verschijning met azuurblauwe haren, maar een meisje draaide zich lachend om – plusminus twintig jaar – ze droeg een bril met hoornen montuur – had bruine wenkbrauwen, terwijl die van Casper eveneens blauw waren geweest. Zelfs het borsthaar van Casper bleek azuurblauw te zijn. Ik weigerde de jongen een freak te noemen, want zulke opmerkingen hoorde hij zijn hele leven al – hij moest het vaak genoeg hebben gehoord – werd langdurig gepest – hij werd op school Alf genoemd – wat ‘Alien Life Form’ betekende – A.L.F., dus Alf.
O ja, mocht Casper opnieuw voor mijn deur verschijnen, dan moest ik de politie bellen. Ik had geknikt met mijn hoofd, het verzoek was duidelijk genoeg en bovendien volstrekt redelijk. Mijn auto parkeerde ik aan het eind van de straat. Ik woon net buiten het centrum. Er ligt een tramhalte dichtbij, dus een hoop mensen willen graag in mijn straat parkeren, mensen die er niet wonen, maar graag geld besparen op parkeerkosten. Ik speelde met mijn sleutels, maakte de deur open die toegang bood tot de algemene ruimte – ik checkte de brievenbus en er lag alleen een foldertje van een politieke partij dat er niet zou mogen liggen, want ik heb een sticker op de klep met het verzoek zulke troep niet in de bus te gooien. Ik gooide het in een vuilnisbak en liep verder. Die dag nam ik de trap, niet de lift, zoals ik vaker doe, omdat ik graag fit wil blijven. Mijn appartement bevindt zich op de tweede verdieping. Het was vrij donker in de gang – lampen verspreidden een zacht licht – het was er stil, alleen mijn schoenen tikten op de tegels. Ik bereikte mijn voordeur en stak de sleutel in het slot, maar aarzelde ook – de deur die toegang bood tot het appartement van mijn dode buurman was verzegeld. Ik keek naar links en herkende het silhouet van de jongeman die er gisterochtend vandoor was gegaan. Hij wist zich goed te verbergen in de schaduw, want die voordeur bevond zich in een nis. Ik zou hem normaal niet eens hebben opgemerkt. Een andere bewoner zou de jongen domweg voorbij zijn gelopen. Ik hoorde zijn ademhaling – als een zucht, volgens mij wilde hij dat ik hem zou horen.
Ik duwde mijn voordeur open. “De politie zoekt je.”
“Weet ik,” zei hij. Zijn haren oogden minder blauw dan gisterochtend en misschien zag ik het verkeerd. Begrijp me alsjeblieft goed. Hij had nog altijd blauwe haren, maar donkerder, bijna zwart, maar ze waren beslist blauw. Zijn hoofd draaide een beetje weg, zodat een schaduw hem deels aan het zicht onttrok. Hij bewoog enkele centimeters naar rechts – voor hem links – en ik meende heel even dat hij onzichtbaar werd, maar hij stond er gewoon – ik zag hem alleen minder goed. Zo donker was het niet eens. Het was vroeg in de middag. Buiten was het zwaar bewolkt en de weerberichten spraken over langdurige regenval. Ik dacht dat ik het verkeerd zag. Het lag aan mij. Ik had slecht geslapen, lette niet goed op – zag wel vaker vlekken en flitsen. Volgens mijn huisarts kwam het door de leeftijd – gevolg van een klimmende leeftijd – het werd erger. Dit was net zoiets. Een jongen die scheen te verdwijnen in een schaduw. Een illusie.
Ik wilde vragen wat hij had gedaan, maar bedwong mezelf. “Wat is er gebeurd?”
Casper bleef zich verbergen in de schaduw en gedurende een heel kort ogenblik leek het alsof hij op raadselachtige wijze was verdwijnen – of er misschien nooit was geweest. Alles gebeurde in mijn hoofd – het was niet echt. “Hij is doodgegaan.”
“Je beledigt mijn intelligentie, jongen, mensen gaan niet zomaar dood – daar is allemachtig veel ellende voor nodig. Bovendien heb ik een vreemde wond gezien. De politie hoopt dat jij kan zeggen hoe die is ontstaan.” Ik koos mijn woorden heel voorzichtig, sprak niet al te luid en hoopte vooral dat er geen buren naar buiten zouden komen die zich met ons gesprek zouden bemoeien. Casper zou direct verdwijnen. Hij was veel jonger en fitter dan ik. Casper verliet de veilige schaduw waarin hij zich tot nu toe verborgen hield. Ik had het goed gezien. Zijn haren hadden een donkerblauwe kleur gekregen – zijn ogen waren donker geworden, normaal – huidskleur was iets minder grauw – ja, hij zag er bijna normaal uit.
“Wat is er gebeurd?”, vroeg ik. Voor de tweede keer in ongeveer een minuut stelde ik die vraag, maar nu om een compleet andere reden. Hij toonde zich voor het eerst – liet zich zien – Casper droeg andere kleren, gekocht of mogelijk gestolen – geen idee. Hij droeg een donker kostuum, wit overhemd en zwarte schoenen. Casper zag er goed verzorgd uit, niet eens als een gewone jongen. Hij oogde als een kerel.
“Ik ben bang, mijnheer,” zei hij en Casper liet de jongen zien die hij in werkelijkheid was.
“Kom je binnen?”, vroeg ik.
Casper keek eerst links en rechts, alsof hij een drukke straat wilde oversteken. We waren met zijn tweeën. Er was niemand anders in de gang.
“Gaat u de politie bellen?”
“Ik zou dat wel moeten doen.”
Hij liep onder een lamp door – zijn gestalte werd voor het eerst goed zichtbaar. Voetstappen echoden door de gang. “U bent nieuwsgierig, wil graag weten hoe het zit – wie ik ben en waar ik vandaan kom, ook al heb ik al verteld dat ik niet weet waarom ik er zo uitzie.”
“Toch moet je iets geleerd hebben de afgelopen dag.”
“O – ja, ik heb zelfs heel veel geleerd,”
Hij betrad mijn appartement, een lange smalle gang, maar het was er donker – ik had geen licht aan – deuren waren allemaal gesloten en ik zag Casper domweg in het niets verdwijnen – of nee – de duisternis leek hem in te sluiten als een perfect zittende mantel. Ik verbeeldde me niets. Het gebeurde echt en hij wist het verdomd goed. Vroeger moest hij leuke spelletjes hebben gespeeld met zijn vader, de oude man die gisterochtend – .
Ik legde mijn vingers op een lichtknopje – spaarlamp ging aan en hij kwam heel langzaam tevoorschijn. De mantel, die hij hem zo goed scheen te passen, brokkelde af en verdween, als sneeuw voor de zon. Hij stond voor me – draaide zich om en keek me aan. “Ja, ik weet wat u denkt. Wat is dit voor een schepsel dat er zo menselijk uitziet, maar het niet is! Heb ik gelijk of niet?” Hij begon te lachen – hij had mooie, regelmatige witte tanden – een goed verzorgd gebit.
“Je zegt het goed,” zei ik.
De deur gleed langzaam in het slot – woonkamerdeur ging open – Casper ging verder en ik volgde hem, terwijl zijn gestalte in een regelmatige tred naar de bank bewoog – hij nam plaats en keek om zich heen – zijn ogen blonken onderzoekend, terwijl hij bekeek hoe mijn woonkamer eruit zag. Geen moderne meubels, alles is al en dagje ouder. Ik ben geen man die daar veel geld aan uit geeft. Een partner heb ik niet. Wel heb ik een grote verzameling stripboeken. Casper toonde een opgewekte grijns – de boekenkast bedekte een volle muur – vijftien meter vol strips en romans, maar ook enkele elpees. “Mooi zeg!”, zei hij en ik dacht dat hij op zou staan, omdat hij mijn verzameling van dichtbij wilde bekijken.
Ik vroeg me af of het een goed idee was geweest om de jongen binnen te halen. Zijn gedrag viel onmogelijk te voorspellen. Ik wist niet eens wat hij precies was. Een jongeman wiens gestalte verdween in een schaduw, terwijl hij wel degelijk aanwezig was – onzichtbaarheid stond immers niet gelijk aan niet-zijn – hij was er wel, maar ik zag hem niet. Gisterochtend had hij azuurblauw haar, een groen en een geel oog, een bleke, asgrauwe huid. Maar vanmiddag zag hij er – bijna – normaal uit – ja, bijna. “Er is een woord voor wat ik ben,” zei hij.
Casper legde zijn rechterarm op de leuning. Gisterochtend leek hij een kleine jongen die een gigantisch ongeluk was overkomen. Nu zat er een veel ouder iemand voor me. Een zelfverzekerde, volwassen kerel die alles heeft meegemaakt. Ik had geen idee hoe dit kon gebeuren.
“Ik weiger te raden,” zei ik.
Hij gaf het antwoord dat vanzelfsprekend leek.
“Een monster natuurlijk!”
Blauw (1)
Om drie minuten over half acht belde Casper aan. Ik lag te slapen en dacht eerst dat het een vergissing was, draaide me om, maar er werd opnieuw gebeld – twee korte, driftige geluiden. Ik stond op, trok een broek aan en deed open.
Casper oogde erg rustig, net als altijd – ik moest mijn best doen om niet, zoals altijd, te staren naar zijn azuurblauwe haren – zijn rechteroog was geel, het linker groen, zoals altijd dacht ik dat ik het verkeerd zag. Misschien droeg hij kleurlenzen. “Ik heb uw hulp nodig, mijnheer. Mijn vader ligt op bed en hij reageert niet. Hij wil niet wakker worden.” Casper had een prettige stem die me aan een nieuwslezer deed denken. Zijn arm ging traag omhoog en hij veegde zijn haren achter zijn oren.
“Nou, laten we dan maar eens zien wat er aan de hand is, jongen, “ zei ik, “ik trek een shirt aan en pak mijn telefoon. Ogenblikje.”
“Ja – ja.”
Het appartement van Casper en zijn vader bood een eenvoudige aanblik. Ik was er nooit eerder binnen geweest – hij kende me, omdat we elkaar wel eens tegenkwamen in de lift. Een jonge kerel van achttien of negentien jaar – ongetwijfeld studeerde hij aan een universiteit, maar ik had geen idee waar precies. Sinds twee jaar liet hij zijn hoofdhaar groeien. Ik kende hem als een jochie met kortgeschoren haar – sinds zijn eindexamenjaar liet hij zijn haren groeien en hij bleek blauw haar te hebben – zijn haar was altijd azuurblauw en ik zocht regelmatig naar uitgroei van bruine of blonde haren.
Hij verborg zijn ogen meestal achter een bril die licht getinte glazen had, zodat zijn eigen irissen niet zo opvielen.
Ze woonden er al net zo lang als ik. Een oudere vader en zijn zoon. Ik zag nooit familie of vrienden binnengaan. Er kwam gewoon niemand.
Muren en plafond waren krijtwit geschilderd – er hingen een paar schilderijtjes, geen foto’s – aan de kapstok hing voor elke bewoner van het huis een jas die paste bij het jaargetijde – het was herfst. Casper wees de slaapkamer van zijn vader – ik rekende op het ergste, want een man die weigerde wakker te worden kan een overleden man zijn – doodgegaan in zijn slaap. Ik bleef op de drempel staan.
De buurman lag onder zijn dekbed – hij oogde keurig verzorgd, alsof hij zich net had geschoren – onderkaak hing slap omlaag, de ogen waren gesloten. Ik liep verder en voelde zijn huid – die was erg koud. Er kon geen twijfel over bestaan. Deze man was dood – een uur, misschien twee uur al, misschien zelfs langer. Ik ben geen deskundige.
“Je vader is dood,” zei ik. “Hij zal nooit meer wakker worden.” Heel even betwijfelde ik of mijn boodschap wel doorkwam, maar hij knikt heel traag, dus hij had me begrepen. Ik tikte de cijfers van het alarmnummer en maakte verbinding. Binnen vijf seconden kreeg ik een dame aan de telefoon. In korte bewoordingen legde ik uit wat er aan de hand was. Buurjongen – een vader die niet wakker werd.
“Mevrouw – ik heb genoeg dode mensen gezien om te weten dat deze man – sorry, jongen – is overleden,” zei ik. Een reanimatie zou weinig uitmaken. De vader van Casper was beslist dood.
“Ze sturen een ambulance,” zei ik.
“Vertel eens. Heb je afgelopen nacht misschien een vreemd geluid gehoord waarvan je dacht dat het niets voorstelde?” Ik achtte de kans vrijwel nihil, maar wilde het toch proberen.
“Nee.”
“Heb je familie die je kunt bellen?”
“Ook niet.”
“Alleen je vader.”
“Ja.”
“En hoe zit het met je moeder?”, vroeg ik.
“Die heb ik nooit gekend.”
“O, ja, da’s erg vervelend.”
Zijn blauwe haren hingen langs zijn gezicht en verborgen zijn vreemde ogen – geel en groen, alsof God ineens over een geweldig gevoel voor humor bleek te beschikken – een geel en groen oog, maar ook blauwe haren. Hij droeg een bleek shirt dat half open hing, zodat zijn borsthaar zichtbaar werd. Ook blauw. Huid was erg bleek, bijna grauw, een vreemde mengeling van blauw en grijs. Alsof zijn bloed ook een afwijkende kleur moest hebben.
“Mijnheer – u staart,” zei hij.
“Sorry.”
“Ik werd vroeger op school ‘Alf’ genoemd.”
“Zoals de alien uit die Amerikaanse serie.”
“Ja.”
“Moet erg lastig zijn geweest.”
“Daarom had ik altijd stekels. Ik laat mijn haar nu gewoon groeien, al een jaartje of twee. Het is hip. Ik hoef niets meer uit te leggen. Niemand begint er over. Nou ja, bijna niemand.”
Het was geen goed gespreksonderwerp. Ik had moeten vragen wat zijn vader voor hem heeft betekend – hoe belangrijk de man in zijn leven is geweest, maar dat wist ik allemaal al. Er was niemand anders. Geen familie. Hij stond er alleen voor. “En je weet niet hoe het is ontstaan?”
“Nee.”
Ik probeerde me te bedwingen en geen nieuwe vragen te stellen, of een kruisverhoor te beginnen, zoals ik wel eens wil doen – bij een boeiende persoonlijkheid – Casper, hij leek me het gevolg van een uit de hand gelopen experiment – genetische modificatie waarbij je de haarkleur kunt beïnvloeden en zelfs de kleur van de ogen. Afgelopen twee jaar schreven de kranten er veelvuldig over. Ouders die een kind konden samenstellen, zoals je de accessoires van een auto bij elkaar zocht. Ik had spotprenten – ouders die ruzieden, omdat een albino toch niet helemaal in het gezin bleek te passen.
“Hoe oud ben je?”
“Twintig – sinds een week.”
“Meerderjarig – dus als je hulp nodig hebt,” zei ik. Mijn horloge vertelde me dat we al bijna vijf minuten stonden te wachten. Ik hoorde geen sirenes. Nog niet. “Van de gemeente krijg je het niet.”
“Ik hoef geen hulp van de gemeente.”
“En anders weet je me wel te vinden.”
“Ja.”
Hij veegde zijn haren achter zijn oren en keek naar het lichaam dat keurig onder het dekbed lag. Ik volgde zijn kijkrichting en dacht aan een geënsceneerd tableau – alsof de man daar neergelegd was door de jongen – de overleden vader lag er wel heel erg keurig bij – het was me direct opgevallen dat zijn kin er glad geschoren uitzag. Waarom zou de jongen zoiets doen? Een dood in scene zetten? Ik probeerde het idee uit mijn hoofd te zetten – er waren geen aanwijzingen voor. De jongen had afgelopen nacht niets vreemds gehoord, net als ik trouwens. Mocht er iets raars zijn gebeurd, dan zou een lijkschouwing dit kunnen aantonen. Als het al tot een sectie zou komen. Waarom ook? Waarom zou de jongen met blauw haar zijn eigen vader vermoorden? De enige persoon die hij familie mag noemen. We zeiden langere tijd niets tegen elkaar – wachtten op een sirene die moest klinken.
Er klonk inderdaad een sirene – heel dichtbij – alsof de chauffeur het kruispunt passeerde en misschien was dit inderdaad het geval. Daarna volgde een stilte die bijna een minuut duurde – bel van de intercom ging. Casper liep naar het videoscherm alsof het hem allemaal weinig interesseerde. Ik kreeg niet echt een goed beeld van hem. Hij oogde erg kalm – zeer beheerst. “Ja,” zei hij, “het is de zesde verdieping – ik zal naar de lift lopen en u opwachten.” Mogelijk had hij erg veel verdriet om het overlijden van zijn vader, maar hij liet er niets van zien.
“Nee,” zei ik, “je kunt beter bij je vader blijven. Ik ga wel naar de lift. Dat kan ik beter doen.”
“Goed,” zei Casper die me aankeek alsof de opdracht maar half tot hem door wilde dringen.
Ik verliet het appartement en liep naar de lift – deuren gingen al open – ambulancebroeders kwamen naar buiten en ik wees de richting – daarheen dus, eerste deur links.
“Is er familie bij?”, vroeg een ambulancebroeder.
“Een jongen – de zoon van de overledene – maar hij is volkomen rustig – er is geen paniek – totaal niet.”
Liftdeuren waren alweer dicht gegaan. Ambulancebroeders gingen het huis binnen, ik volgde hen op een afstandje. Feitelijk wilde ik mijn aanwezigheid niet langer opdringen. Toch betrad ik het huis en trof Casper wederom in de deuropening van zijn vaders slaapkamer, alsof hij niet verder durfde te gaan. Ik vroeg me af of de kamer van zijn vader verboden gebied is geweest. Het dekbed was omgeslagen – ik zag een man die een pyjama droeg. Tot dusverre zou ik geen argwaan hebben kunnen koesteren. Er lag een man dood op bed en hij was in zijn slaap gestorven. Ik stond naast Casper toe te kijken, terwijl een ambulancebroeder de rechteronderarm half draaide – ik had eerlijk gezegd niet naar een bloedvlek gezocht, maar die was er wel. Net als een kleine, gerafelde wond, maar er was vrijwel geen bloed te zien – . “Ik ga wel bellen – politie moet erbij komen,” zei een ambulancebroeder, man met een beginnend baardje. Het duurde enkele ogenblikken voordat de werkelijkheid keihard bij me binnen wilde komen. De vader van Casper was niet gewoon in zijn slaap overleden – er moest sprake zijn van een moord.
Ik keek opzij en zocht Casper, maar die was verdwenen – hij was weggelopen.
“Casper!”, riep ik – het kostte me slechts enkele stappen om het appartement te verlaten, zodat ik Casper de lift binnen zag gaan – de deuren sloten al.
Hij draaide zijn hoofd om – ik zag zijn ogen – de gezichtsuitdrukking en ik wist nu dat hij eindelijk begreep wat er was gebeurd. Zijn vader was vermoord en de jongen was zelf de dader…
Herfst
Afgevallen bladeren lagen in het gras, normaal zou je een geel en groen veld moeten zien, maar dat was er allang niet meer. Bomen stonden roerloos langs de weg. Het waaide niet, soms reed er een auto voorbij – hij zag een fietsster, een jonge vrouw die een sjaal rond haar hals had gewikkeld waarin haar hoofd het liefst zou willen verdwijnen. Overdag bleef het redelijk warm – een winterjas zorgde er dan voor dat transpiratievocht over zijn rug droop. ’s Avonds was het anders – na zonsondergang werd het koud en kil, als bij een echte herfst – de bomen droegen hun dunner wordende kleed met gepaste waardigheid en verkleurden steeds meer – werden geel, rood, als je tenminste geluk hebt, want rood is mooi.
Op andere dagen, of als de zon achter wolken schuilging, trok hij de ritssluiting zover mogelijk omhoog. Afgelopen vrijdag kwam hij de eerste grieppatiënt van het seizoen tegen. Een andere man liep vrijwel onophoudelijk zijn neus op te halen.
Hij had zijn klapstoeltjes op het balkon achtergelaten – sterrenbeelden draaide door het nachtelijk hemelduister – de poolster was vrijwel onzichtbaar. Er stond een zinken emmer met omgekeerde deksel tussen de stoeltjes. Daar legde hij afgelopen zomer zijn tablet neer en stond het blikje bier dat hij leegdronk, terwijl buiten de bezoekers heen en weer liepen. Soms hoorde hij, terwijl de temperatuur onder de 20 weigerde te geraken, het gerinkel van metalen ampullen – hij wist dat het ampullen waren, want overdag vond hij ze in grote aantallen terug op straat. De ampullen bevatten stikstof waarvan jongens dachten dat je er high van zou kunnen worden.
Een flatbewoonster had de tuin voor de hoofdingang van het gebouw in herfstkleuren gebracht. Ze verzuchtte dat het een hoop werk was.
Zondagavond stond hij enkele ogenblikken op het balkon – of de loggia, zoals een vriend laatst opmerkte. Als het regende, bleef hij droog, maar alleen als de regen loodrecht naar beneden kwam. De straat was verlaten – er waren geen jongens die rondhingen, zoals in de zomer – het was kouder dan hij had gedacht. De verwarming ging elke avond aan – niet te hoog, zo erg was het nou ook weer niet, maar hij trok wel geregeld een warmere trui aan. Liever een warme trui dan de hitte van de verwarming.
Mensen hebben zich achter gevels van hun woningen verborgen – om zes uur was het donker – hij stapte in zijn auto en reed naar huis. Hij zou het liefst weer om negen uur ’s avonds op het balkon plaatsnemen en genieten van een buitenlucht die weigerde af te koelen, zoals de gehele zomer door is gebeurd. Herinneringen aan een zomer die weigerde voorbij te gaan en steeds weer opnieuw bezit wist te nemen van het land, ook toen het al statistisch niet meer kon.
Gisteravond zocht hij op internet naar een mobiele airco, zodat hij volgend jaar voorbereid was op de hitte. Hij vond bittere commentaren over dure, lawaaierige machines die niet deden wat ze moesten doen. Een consumentenprogramma had dit geschreven op zijn website. Hij sloot zijn notebook af en koesterde zijn herinneringen aan een zomer die in zijn hoofd voortduurde, ook al lag de straat bezaaid met bladeren en veranderden bomen steeds meer in houten skeletten waarin hij voor het eerst sinds het vroege voorjaar nesten van vogels kon zien. Op zijn eettafel lag een oproep van zijn huisarts om een griepspuit te komen halen, maar die had hij laten verlopen – geen zin in – net als de herfst, om van de winter nog maar te zwijgen – hij had er geen zin in.
In zijn hoofd zomerde het nog steeds.
Straks pakte hij een biertje, vanavond na tien uur of zo, dan betrad hij het balkon en zou hij alsnog plaatsnemen op het stoeltje – net als in de zomer – en de vroege herfst, toen het zo warm was.
Ja – in zijn hoofd zomerde het nog een beetje – .
De partnerapp
Het was al laat, bijna middernacht, maar Henrik lag zelden of nooit vroeg op bed. Hij bestudeerde het beeldscherm van zijn telefoon, las met groeiende interesse de namen van apps die hij zou kunnen downloaden. Zijn tweede telefoon dit jaar – andere was gestolen – dit was een ander model, veel moderner, voor het eerst zou hij apps kunnen downloaden. Henrik behoorde niet echt tot de elite van trendsetters, maar volgde meestal op ruime afstand. Zelfs zijn televisie stamde uit de vorige eeuw, een onhandelbaar exemplaar dat zich bijna onmogelijk liet optillen. Rechterhand graaide naar een glas bier, terwijl het scherm een lijstje met ‘apps & games’ liet zien – het wekte zijn nieuwsgierigheid – altijd leuk – hij veegde het scherm verder naar rechts en zag een pictogram dat twee mensenhoofden voorstelde – mannen of vrouwen – echt duidelijk werd het niet, een beetje androgyn zelfs, maar het trok zijn belangstelling – bovendien kostte het geen geld. Hij kon het altijd weer verwijderen, als hij dat wilde. Natuurlijk moest hij zijn voornaam invullen, leeftijd en seksuele voorkeur, plus een naam die hij aan zijn partner zou willen geven. Dat duurde het langst. Hij overwoog een ‘X’ te typen, maar koos voor Nelleke.
Zijn glas was leeg – hij stond op – telefoon lag op de leuning – Henrik griste het lege flesje mee en liep naar de keuken. In de gang hoorde hij twee piepjes die kort na elkaar klonken – een berichtje – hij liet het lege flesje in de krat zakken en pakte een flesje uit de koelkast. Hij maakte het dopje los dat hij op tafel gooide. Terwijl hij het licht in de keuken uitdeed, hoorde hij nieuwe piepjes – weer een berichtje. Henrik liet zich in zijn stoel vallen en zette het flesje neer. Hij pakte de telefoon op – ontgrendelde het scherm – hij las het eerste berichtje. ‘Hoi, ik ben Nelleke.’ Het tweede berichtje luidde: ‘Ben je druk?’
‘Was even in de keuken. Ik heet Henrik.’
‘Klinkt een beetje Zweeds.’
‘Ben Hollands.’
Een heel normale dialoog, maar Henrik kletste momenteel met een computer – er zat een digitale identiteit aan de andere kant van de lijn, een artificiële intelligentie. ‘Zeg eens. Ben je alleen thuis?’
‘Jazeker, ik woon alleen.’
‘Heb je hobby’s?’
‘Ik werk erg veel, maak lange dagen, dus veel meer dan televisie kijken en op de bank zitten doe ik niet.’
‘Hopelijk vergeet je mij niet – ik heb er een hekel aan als je me verwaarloost, hoor.’
Henrik schonk zijn glas half vol en staarde naar het scherm waar de reactie van Nelleke verscheen. In zijn hoofd tolde een opmerking – iets over een digitale opblaaspop, maar hij besloot het netjes te houden. Bovendien wilde hij niet boos worden op een doodgewone app, want daar zat hij nu mee te chatten.
‘Doe ik niet. Maak je geen zorgen.’
‘Vind je trouwens dat het allang bedtijd is? Hoe laat ga je meestal slapen? Het is al middernacht geweest.’
‘Half een, kwart voor een.’
‘Dan zul je wel laat aan het werk gaan.’
‘Klopt. Ik begin om half tien.’
‘Wat ben je nu aan het doen. Kijk je televisie?’
‘Nee, die staat uit. Ik drink bier.’
‘Met of zonder alcohol?’
‘Met natuurlijk, anders is het limonade.’
‘Dat is slecht voor je gezondheid. Weet je dat wel?’
‘Ieder mens heeft recht op één ongezonde gewoonte. Alcohol is de mijne.’
‘Je kunt er enge ziektes van krijgen.’
Henrik nam een flinke slok bier voordat hij zijn antwoord begon te typen. ‘Begin je nou al meteen te zeuren? Voor een stukje software ben je knap lastig!’ Er volgde geen reactie. Hij legde zijn telefoon weg en zette het glas neer. Heel even verwachtte hij de bekende piepjes te horen, maar het bleef stil. Nelleke lag in bed. Hij glimlachte en begreep dat hij aan een menselijk wezen zat te denken, terwijl ze digitaal was, geen vlees en bloed, maar computerchips.
Henrik opende de instellingen van zijn telefoon en zocht naar de lijst met apps, want hij wilde de partnerapp verwijderen – hij tikte op het woordje ‘uitzetten’, maar er gebeurde helemaal niets. Ook ‘gedwongen stoppen’ weigerde dienst. Er gebeurde niets. Wel kwam er een nieuw berichtje binnen. Nelleke lag misschien op bed, maar ze sliep nog lang niet. ‘Zo makkelijk kom je niet van me af. We gaan het nog heel leuk hebben saampjes. En ik vind echt dat je teveel drinkt. Anders reageer je niet zo akelig. Benieuwd of je morgenvroeg ook weer zo doet.’
Natuurlijk gaf hij geen antwoord. Henrik zocht een manier om de fabrieksinstellingen te herstellen. Dan zou hij meteen alle troep weggooien, zoals de partnerapp – Nelleke zou op de digitale mestvaalt terechtkomen – geen gezeur aan zijn hoofd – . Hij vond prima om alleen te zijn. Hij vond een lijst met standaardinstellingen, maar de partnerapp ontbrak.
Er kwam een nieuw bericht binnen. Hij dronk zijn glas leeg en las de tekst. ‘We gaan het heel leuk hebben saampjes.’ Heel even hield hij zijn telefoon vast en leek hem te wegen. Henrik overwoog vooral om het toestel tegen de muur kapot te gooien.
Zonde van het geld. En hoe dacht hij het uit te leggen aan zijn vrienden? Een partnerapp. Ze zouden hem niet eens geloven. Verdomme. Henrik zette het toestel op ‘stil’ en ging naar bed. Het was bijna half een.
Het kostte moeite de slaap te vatten – de ongrijpbare vasthoudendheid van Nelleke, zoals hij zijn computerpartner had genoemd, stoorde hem zeer. Minuten gingen uiterst traag voorbij. Henrik bestudeerde de lijnen op het plafond, oude verf die losliet – zijn wekkerradio lichtte voorzichtig op. Af en toe passeerde er een auto op straat. Hij woonde op de tweede verdieping, zodat hij alle straatgeluiden hoorde, zelfs stemmen van mannen die een praatje maakten. Een app, elke app die je downloadde, zou gemakkelijk te verwijderen moeten zijn. Het was slechts software, geen mens die tegen hem praatte.
Hij kwam uit bed en liep naar de woonkamer. Juist op dat moment, alsof iemand of iets meekeek, verspreidde het display van zijn telefoon een spookachtig licht. Geen geluid, want hij had het toestel op ‘stil’ gezet. Er was toch weer een berichtje binnengekomen. Zijn bril lag op tafel en hij dacht de woorden wel te kunnen lezen. Henrik zette toch zijn bril op en las het zinnetje. ‘Welterusten, liefie!’
Telefoon lag in zijn handpalm – zijn hart bonkte onrustig en Henrik dacht aan alle pogingen die hij had ondernomen om zijn telefoon op te ruimen.
Nieuw berichtje. ‘Ik hoop dat je lekker zult slapen.’
Alsof er echt iemand stond toe te kijken. Zijn hoofd draaide naar rechts – daar was het grote raam – er lag een brede straat – daarnaast stond een ander appartementencomplex – er woonden huurders, maar hij zag alleen donkere woonkamers. ‘Echt waar.’ Morgen zou er allicht iemand, een collega, naar zijn nieuwe telefoon vragen – hij had enkele dagen over weinig anders gesproken – Henrik dacht aan een verhaal waarbij domme pech een grote rol speelde – in de toiletpot gevallen – ja, drijfnat geworden. Ze zouden vragen of hij misschien dronken was geweest.
Okee – , voordat hij een bedrag van tweehonderd euro zou vernietigen in een toiletpot, moest hij eerst maar eens navragen of iemand ervaring had met iets dat een ‘partnerapp’ heette. In het ergste geval zou hij horen dat het een virus was en kwam hij er niet van af. Computersoftware waarmee je de nadelen van een relatie had, maar niet de voordelen. Een hinderlijke stalker die een ellendig gevoel voor humor had.
Volgende ochtend stond hij om vijf minuten voor half tien bij de koffieautomaat – hij dronk altijd zwarte koffie. Zijn rugtas hing half langs de rechterschouder. Receptioniste groette hem heel opgewekt, alsof ze nooit in een depressie zou kunnen wegzinken.
“Hoe is het met je telefoon?”, vroeg ze.
“Slecht,” zei Henrik. “Ik snap niks van het ding.”
“Zo moeilijk is het toch niet. Zelfs ik snap hoe ze werken – ,” zei de receptioniste die begon te lachen.
“Kun je nagaan hoe ik me voel.” Hij pakte zijn plastic bekertje mee en ging verder – hij moest aan het werk.
“Werk ze.”
“Dank je.”
Tijdens de pauze bleef hij op zijn werkplek, dus achter zijn computer – het werd de hoogste tijd om uit te zoeken of er op internet iets bekend was over de partnerapp – hij kon onmogelijk de enige sukkel zijn. Zolang hoefde hij niet eens te zoeken. Er bleek een forum te bestaan over het onderwerp. Een jonge vrouw die zich ‘Wanhoopje’ noemde, vertelde zonder overdrijven zelfmoordneigingen te hebben. Een zekere ‘MJ’ sprak over een virus dat je onmogelijk kon verwijderen – het betekende afscheid nemen van je telefoon, een nieuw nummer nemen en hopen dat je alle nummers van je familie, vrienden en kennissen goed hebt opgeslagen. Henrik schrokte langzaam zijn boterhammen naar binnen, terwijl hij de ervaringen van al die mensen tot zich door liet dringen.
Hij keek naar het scherm van zijn telefoon en stelde vast dat Nelleke maar liefst 187 berichtjes had gestuurd. Antwoorden zouden er niet meer volgen.
Henrik stond op en deed zijn jas aan. “Ik ben binnen een half uurtje terug,” zei hij tegen een vrouwelijke collega die terugkwam uit de kantine – haar opgewekte gezichtsuitdrukking maakte plaats voor verbazing en ze wilde vragen wat er aan de hand was.
Beneden passeerde hij de portier, een oudere, zwaar gebouwde man die een boterham zat te eten. Henrik stak de weg over – rechts lag een kruising, een pompstation – hij zou opnieuw een telefoon kopen, een heel eenvoudig toestel waarmee je het liefst alleen maar zou kunnen bellen en meer niet. Ze waren ervoor gemaakt – om te bellen – echt, alleen maar te bellen. Naast het kantoorgebouw, lag een ondiepe moddersloot – hij pakte zijn telefoon goed vast en wierp het toestel enkele meters weg, zodat het neerkwam in het donkerbruine water. Het was toch een hoop geld voor een gratis app. Misschien kocht hij geen telefoon meer. Lekker rustig.
Het Sterrenwiel – een verhaal van de Schaduwplaneet
Er zijn zeven poorten waaruit de drie jongens kunnen kiezen, omdat er nu eenmaal zeven archetypen bestaan op de Schaduwplaneet – een maatschappelijke ordening waar geen sterveling iets aan kan veranderen. Zeven poorten en de Poort der Koningen is de grootste van allemaal. Dan volgt die der priesters – gevolgd door de drakendoders. Drie jongens van zeventien jaar, afstammelingen van boeren en ze hebben geen enkele redelijke verwachting dat er een groots meeslepend leven zou kunnen volgen. Luis, Beer en Justus kennen de verhalen over een zwaard dat door Lachmeion in de bodem is gestoken, onbewaakt achtergelaten voor een nieuwe koning en hij heeft er nooit bij verteld wie dat zou moeten zijn. Luis staart naar de tempel die er vele duizenden jaren geleden is neergezet – er golven ijskoude mistwolken over de berghelling – daarachter liggen de Wolken van Ys – enorme bergen van ijskristallen waardoor zelfs de atmosfeer bevriest.
Behalve een eenvoudige lendendoek en beenwarmers van geiten- en schapenleer, draagt hij een wollen sweater – zijn schoenen zijn gemaakt van dierenhuiden.
Veel westelijker kun je onmogelijk reizen. Er groeien geen bomen of struiken. De berghelling bestaat uit een kale bevroren vlakte. Alleen het enorme, zeer oude gebouw staat er – verder niets – er liggen grote rotsblokken op de helling.
“Welke poort neem jij?”, vraagt Beer.
“De poort van de boer,” zegt Luis. “We zijn boeren – anders komen we verdomme niet eens binnen.”
“Wat kan er gebeuren?”, vraagt Justus.
Luis geeft niet direct antwoord en bestudeert de ontelbare beeldhouwwerken die lang geleden, uit keihard gesteente zijn gehakt. Het verhaal van een continent dat bijna ten onder was gegaan, maar de tweelingbroers Archeion en Lachmeion stelden archetypen in – zeven stuks – koning, priester, drakendoder, handelsreiziger, soldaat, boer en roofridder – je werd bijvoorbeeld geboren als soldaat of boer – daarmee lag je maatschappelijke rol keihard vast. Een boer zou nooit een drakendoder of koning worden. Oeroude regels. Archeion zond zijn broer Lachmeion wel eens naar het koninkrijk om orde op zaken te stellen, voor het geval de verhoudingen uit balans waren geraakt. Archeion en Lachmeion, de onsterfelijke bewakers van de maatschappelijke orde.
Ver weg in het oosten lag er een stad die Archeion heette – je vond nergens op het continent meer priesters dan daar – het was onmogelijk om te klimmen in de hiërarchie, tenzij Archeion of zijn broer Lachmeion de sociale orde wijzigde. Zelfmoord was taboe – dan duikelde je van de ladder en keerde je terug als een roofridder – of nog erger – een Verschoppeling. Volgens de vader van Luis waren ze er wel degelijk, al had hij er zelf nooit een gezien.
De drie jongens lopen verder – Justus laat zijn ogen langs de enorme tempel glijden – net als zijn vrienden Luis en Beer die hetzelfde doen, geïmponeerd door de aanblik van een voorhistorisch bouwsel. Archeion en Lachmeion moesten als bouwmeesters hebben opgetreden – het kon moeilijk anders. Ontelbare tableaus, verhalen over heldendaden uit het verleden. Veldslagen, oorlogen, mannen die heldendaden verrichtten, al waren hun namen verloren gegaan, omdat er duizenden jaren waren verstreken. Enorme stenen die waren neergelegd door reuzen – een van de eerste drakendoders velde een monster dat enorme vleugels moest hebben gehad – draken leefden in het oosten – ten zuiden van de Drakenbergen – hier was het veel te koud – ze waren intelligente, hebzuchtige schepselen – net als de mensen hadden ze het geheim van de spraak ontdekt – Justus staart naar de Poort der Koningen en lijkt die ingang te willen nemen.
“Wat kan er gebeuren?”, vraagt hij, maar Justus lijkt helemaal geen antwoord te willen horen. Luis kijkt opzij en wacht af – Justus stapt onverstoorbaar verder.
“Dat kun je niet doen, joh. Je wordt afgewezen,” zegt Beer. Tussen geboorte en dood kan er een hoop gebeuren, maar het archetype van een mens ligt vast.
Justus luistert niet eens en gaat verder – hij blijft heel eventjes voor de Poort der Koningen staan, werpt een uitdagende blik over zijn schouder en loopt dan door. Luis en Beer kijken elkaar aan, nemen vervolgens een sprint en houden hun vriend tegen – Justus begint te trappen en te schoppen, maar Luis ziet zich gedwongen enkele klappen uit te delen. “We beginnen en eindigen met zijn drieën, denk eraan!”
Er gaapt een enorme opening – muren zijn drie meter dik – hoge, brede poort – zelfs de priesters moeten het doen met poorten van bescheidener omvang. De roofridder dient gebukt het Sterrenwiel te betreden – een diepe buiging voor de macht van het archetype.
“Oké – oké,” zegt Justus en het lijkt erop dat hij zich berust in de situatie, maar zijn ogen bewegen wild. Spieren ontspannen. “Jullie kunnen me loslaten.”
Luis en Beer staan op. Er is geen stof, alles is diep bevroren, want achter de heuvel liggen de Wolken van Ys – de westelijke grens van het koninkrijk.
“Is het dan verkeerd te verlangen – ?”
“Je moet respecteren wat je bent – juist hier,” zegt Luis die naar rechts loopt – verder naar rechts. Links van de Poort der Koningen vind je de poorten die aan de drakendoders en priesters toebehoren – rechts het gewone volk, zodat er vaak wordt gedacht dat er geen verschil bestaat tussen de overige drie archetypen. Alleen de roofridder staat het laagst in rang.
“Oké man,” zegt Justus die nu als laatste het Sterrenwiel betreedt – wat een gigantische cirkel is – alle sterrenbeelden die de kalender telt. De tempel schijnt enorme krachten te herbergen, een poort die toegang biedt tot andere werelden, net als de kathedraal van het zwarte licht in de Eeuwige Stad.
Binnen hangt er een licht dat binnendringt via raamportalen van ijs – zonlicht dat lange tijd onderweg moet zijn – kleurige lichtpatronen die zich in het centrum van de tempel samenvoegen tot een wit schijnsel – alle kleuren van de regenboog voegen zich aaneen en vormen een goddelijk eerbetoon aan de Wolken van Ys die ijskristallen omlaag laten vallen. Luis herkent de Waterman, Stier, Schorpioen, een dier dat diep donkerblauw licht schijnt af te geven, zijn angel zoekt een slachtoffer, de Boogschutter richt zijn pijl op elke poort van de oude tempel. Justus wijst naar de Weegschaal en zijn ogen glimmen een beetje. Luis staart naar de Schorpioen wiens ogen bloedrood zijn – als bloed dat oplicht in het donker.
Recht vooruit ligt een marmeren podium – achter de Waterman zijn uitlopers van de Wolken van Ys zichtbaar – mistwolken die over de vloer rollen en een uitweg zoeken. In de vloer van het podium steekt een zwaard – het is erg groot, het blinkt – de drie jongens kijken elkaar aan en weten dat het van staal gemaakt is – de kling is van het hardste staal dat er bestaat – zuiverder staal is vrijwel onmogelijk – het type staal dat je voor een koning maakt – ja, zulk soort staal.
Luis voelt een rilling langs zijn ruggenwervel lopen – ze gaan alle drie verder en zien het zwaard – een machtig wapen waarmee je koninkrijken omver moet kunnen werpen. Legende zegt dat alleen de Nieuwe Koning het zwaard uit de bodem kan trekken. Zelfs koning Octavius zou hier niet toe in staat zijn.
Naast het zwaard, dat onveranderlijk stil, trots en groots uit de bodem steekt, ligt een dode man – als een mummie – kleding die eerder bij een engel of duivel hoort dan de mens die zijn brood verdient op het land. Luis wil het podium liever niet beklimmen.
Er vallen soms engelen of duivels uit de lucht die zich bemoeien met het leven van gewone mensen. Hij heeft nooit eerder een engel of duivel gezien. Luis begrijpt ineens dat engelen en duivels niet doodgaan, zoals gewone mensen – die leven voor eeuwig.
Luis voelt zijn hart dreunen in zijn borstkas – hij heeft het zwaard gezien, dus klopt de legende – meer hoeft hij niet eens te weten – het verhaal is juist. Justus klimt op het podium en begint in zijn handen te wrijven. “Nu ben ik aan de beurt. Koning Justus!”
“Doe dat nou niet, sukkel!” roept Beer. “Je weet wat er zal gebeuren als het zwaard je afwijst.”
“Nee, joh. Ik ben de nieuwe koning. Dat wéét ik gewoon,” antwoordt Justus die in zijn handen spuugt – hij is er echt helemaal klaar voor. Zijn handen klemmen zich om het ivoren heft en hij trèkt – , maar er gebeurt niets – er verstrijken enkele seconden – het gezicht van Justus kleurt rood van inspanning. Dan lijkt het alsof een onzichtbare macht hem een klap geeft – hij krimpt ineen en valt achterover – hoofd dreunt op de stenen vloer – lichaam schuift weg van het zwaard – Luis en Beer klimmen op het podium.
Het lichaam van Justus suist als een projectiel door de ijskoude lucht van de tempel – even verdwijnt hij in de mistwolken die zich snel vermenigvuldigen. Luis begrijpt dat ze veel te laat komen – ze hadden hem gewaarschuwd en Justus heeft het zwaard toch gepakt. De wraak van Archeion is verschrikkelijk.
Luis struikelt – plaatst zijn hand op de vloer en komt weer overeind – het lichaam van Justus belandt letterlijk in de armen van de Maagd, maar de jongen is een Weegschaal – een meer dan levensgroot standbeeld van een man gekleed in een priestergewaad – al zijn er mensen die er ook een vrouw in herkennen – de Maagd heeft Justus gevangen en legt zijn/haar armen om hem heen. Luis kijkt omhoog – zijn mond is opengevallen – hun vriend verdwijnt heel langzaam – lijkt op te lossen – na enkele seconden kunnen ze dwars door hem heen kijken en binnen een halve minuut is hij echt wèg.
“Kolere,” mompelt Beer die nog altijd het lichaam van Justus schijnt te zoeken, net als Luis trouwens.
“Is dat al eens eerder gebeurd?”, vraagt Luis. “Beer – Beer – dit is toch nog nooit gebeurd? Toch? Hè?”
“Ik heb geen idee,” antwoordt Beer.
De vloer glimt van al het vocht dat er neervalt – het bevriest gelukkig niet – er rollen nieuwe mistwolken binnen – Luis draait zijn hoofd half om en staart naar het zwaard dat voor een Nieuwe Koning is achtergelaten door Lachmeion. Het hoofd van de dode man staart hen allebei aan – op zijn gezicht is een spottende grijns gebeiteld – alsof hij, terwijl hij stierf, iedereen uitlachte die hier binnen zou treden.
Luis kijkt wat beter en stelt vast dat de dode helemaal geen lippen meer heeft – die zijn allang weggerot. Ogen zijn holle gaten. Een grauwe huid zit strak om de schedel die kleiner is dan je bij een volwassene mag verwachten – engel of duivel – hij is een raadsel. Engelen of duivels – ze zijn altijd slecht nieuws.
“En nu?”, vraagt Beer. “Wat doen we nu?”
Beer stapt als eerste van het podium – Luis aarzelt nog enkele ogenblikken, maar het blijft er volledig stil. De meer dan levensgrote standbeelden, die het Sterrenwiel vormen, zijn een bevroren tableau – de Boogschutter zou elk ogenblik zijn pijl los kunnen laten, de Schorpioen dreigt met zijn angel – de Leeuw en Stier wachten geduldig tot ze een indringer zullen overvallen en aan stukken scheuren – de Waterman laat mistwolken in de koude tempel stromen – zo gaat het waarschijnlijk al enkele millennia.
“Waarom ligt die dode man daar?”, vraagt Luis.
“Ja – weet ik veel!”, roept Beer.
“Hoelang ligt hij daar al?”
Beer maakt een wegwerpgebaar – draait zich om en loopt verder, maar hij blijft na enkele stappen staan. “Je hebt het over de Opruimers,” zegt Beer wiens stem nogal hees klinkt – bovendien durft hij het woord amper uit te spreken – het is geen taboe, maar toch ook geen gespreksonderwerp dat je graag aangaat. Mythische wezens – geen echte mensen, wel mensachtigen die de spraak niet beheersen – lange magere gestalten, mannelijk noch vrouwelijk – ze verbergen hun gezichten achter maskers van vlees. Luis weet het niet zeker, maar zo is het verhaal.
“We hadden hier nooit naar toe mogen komen, verdomme,” zegt Beer. Er klinkt veel ergernis in zijn stem. Hij balt zijn vuist. Bloed trekt weg uit zijn vingers. “Ik wist het – ik heb het wel gezegd.” Terwijl hij dit zegt, schopt hij een denkbeeldige steen weg.
Luis trekt een mes uit de schede en staart ondertussen naar Beer. “Er is nog één kans,” zegt Luis. Het lemmet van zijn mes hangt boven zijn handpalm – hij maakt heel voorzichtig een inkeping – de levenslijn is heilig – die mag je nooit doorsnijden – Luis doopt zijn vinger in het bloed en tekent een vijfpuntige ster. In het hart van de pentagram schrijft hij de naam Justus.
“Godnondeju – je bent toch niet aan toveren, hè?”
Luis geeft geen antwoord – hij staat op en stapt achteruit, omdat hij de tekening niet mag besmeuren.
“Dat is-ie godverdomme wel aan het doen.”
Luis stamt uit een zeer oud geslacht van heksen en tovenaars – via moeders kant – vader is een boer, dus behoort hij tot het archetype van de boeren. Zijn moeder behoort tot een oude familie van priesters, maar dat telt in het systeem van de archetypen niet.
“En nu moeten we wachten,” zegt Luis.
“Ik ga,” zegt Beer.
“Nee, je moet wachten. We hebben je zo nodig.”
“Hoe bedoel je – ‘we’?”
“Justus en ik. Het zal me niet lukken hem alleen naar het dorp te brengen – daarom heb ik je nodig.”
“Denk je nou echt – ?”
“Ja – dat denk ik zeker.”
De Sterrenbeelden lijken niet langer op dreigende monsters die een bovennatuurlijke oorsprong hebben – Luis gelooft dat ze echt nadenken over zijn smeekbede – hij wil zijn vriend Justus terug hebben. Beer zou het verschil niet eens mogen merken. Luis houdt zijn hand tegen zijn borst gedrukt, omdat hij geen bloeddruppels op de vloer wil laten vallen – hij heeft geen idee wat er in dat geval zou gebeuren. Magie in de oudste tempel van het koninkrijk. Nu hij er over na begint te denken, was het geen goed idee.
“Hoe zit het met die dooie?”, vraagt Beer.
“De Opruimers hebben hem laten liggen,” stelt Luis vast en hij houdt zijn ogen gericht op het lichaam, “en dat moet betekenen dat er nog leven in hem zit.”
“On-mo-ge-lijk.”
“Een andere verklaring heb ik niet.”
Seconden veranderen in minuten – en Luis heeft geen besef van tijd, maar begrijpt dat zijn smeekbede misschien niet krachtig genoeg is geweest – hij had meer bloed moeten gebruiken – een grotere pentagram – naam van de voorouders vermelden. Een sterveling mag geen doden terughalen – het zou een schending betekenen van alle natuurlijke wetten. Maar Justus leefde nog steeds – mogelijk was hij zijn bewustzijn verloren – hij leefde wel degelijk.
Luis staart naar de Poort der Koningen – ze zullen er straks aan moeten denken hun eigen poort te gebruiken als uitgang – die van de boeren. Ze zijn alle drie boeren. Beer begint te schreeuwen – hij staat met zijn rug naar Luis. “Hé – kijk nou eens!” Mistwolken rollen zoals steeds naar binnen – de tempel in – alleen is er nu een gedaante zichtbaar die gedragen lijkt te worden door ijskristallen en voorzichtig neerkomt.
Luis en Beer klimmen op het podium – ze herkennen de gedaante van hun goede vriend Justus – vanaf vandaag zal hij bekend staan als de Overmoedige.
“Ben je daar weer?”, vraagt Beer, maar Justus geeft geen antwoord of lijkt niet bij bewustzijn te zijn.
Luis geeft zijn vriend enkele tikken in het gezicht die zijn ogen heel langzaam opent, maar Justus begrijpt nog lang niet wat er is voorgevallen. “Sta je op?”, vraagt Luis die een bloedvlek wegveegt – Beer kijkt toe en schudt met zijn hoofd. Justus mist het moment.
“Kom,” zegt Beer die een hand van Justus vastpakt en hem domweg omhoog begint te trekken – Justus laat zijn vrienden gewoon begaan en stelt geen vragen – zijn ogen staan erg dof – missen elke glans – alsof de jongen er totaal niet met zijn gedachten bij is.
De drie jongens verlaten de tempel – buiten schijnt een waterig zonnetje neer op een woest landschap – op de heuveltop groeit er zelfs geen grassprietje – iets verder naar beneden – ongeveer honderd meter groeit er pas een mix van gras en mos – geen struiken.
“Dat was serieuze magie, kerel,” zegt Beer.
“Weet ik,” reageert Luis.
“Heb ik – ?”, vraagt Justus die zijn stem voor het eerst sinds zijn terugkeer laat horen en hij kijkt naar Luis.
“Nee,” zegt Luis.
“Jij bent een stommeling,” zegt Beer.
“Koning Justus – me reet,” gaat Luis verder.
“Ik herinner me niks meer vanaf het moment dat ik het zwaard vastpakte – alles is weg – niks meer.”
“Des te beter,” zegt Luis.
Helemaal beneden in het dal ligt het dorpje langs een rivier – een stroompje dat zijn oorsprong vindt in de Wolken van Ys – enorme ijsbergen in het uiterste westen van het continent – bergen van ijskristallen die honderden meters hoog zijn – mensen zijn er nooit overheen gegaan – of niemand kan het navertellen.
Justus kan inmiddels zelfstandig lopen, maar oogt als een dronkenlap – hij verliest soms zijn evenwicht.
Luis ziet enkele sneeuwwitte dracons op een plateau dat zich in het centrum van het dorp bevindt. Dieren hebben hun vleugels samengevouwen. Toch weten Luis, Beer en Justus heel goed wat het inhoudt als er dracons zijn geland in het dorp, want alleen functionarissen van koning Octavius gebruiken dracons – een draconruiter werkt voor de koning.
Luis voelt een knoop in zijn buik – een akelig voorgevoel – de draconruiters zouden hier aanwezig kunnen zijn, omdat hij magie heeft toegepast. Waarom in het dorp afwachten? Daar leven de jongens. Er is geen plek ter wereld waar ze anders terecht zouden kunnen. Vluchten betekent slavernij, omdat ze zonder de bescherming van het archetype van de voorouders geen bescherming meer hebben.
Draconruiters zijn net zo’n slecht voorteken als engelen en duivels – belangstelling van de koning – nee, liever niet, maar Luis heeft erom gevraagd.
“Mannen van de koning?”, vraagt Beer.
“Ja,” beaamt Luis die goed begrijpt waarom ze juist hier zijn opgedoken – ze komen voor hèm, een zeventienjarige jongen die magie heeft toegepast in de tempel van het Sterrenwiel. Luis, de zoon van Luis, maar aan zijn moeder dankt hij een bijzonder talent.
De dracons krijsen enkele onverstaanbare klanken die herinneren aan een antieke taal – Luis telt zeven soldaten – een man gekleed in een purperen gewaad – het is de kleur van de tovenaars. Man is een tovenaar – een man die exclusief voor de koning werkt.
“Mijn naam is Spoor,” zegt de tovenaar. “Ik ben – .”
“Dat weet ik al,” zegt Luis.
“Je vrienden doen er niet toe,” zegt Spoor. “Mijn interesse betreft uitsluitend jouw persoon – ik heb je ouders ingelicht. Je gaat met ons mee.” De moeder van Luis houdt zich deels schuil achter zijn vader. Vader heeft zijn lippen op elkaar geperst – strakke gezichten – geen opgewektheid – ze raken een goede arbeidskracht kwijt – Luis heeft twee broers en een zus, maar ze hebben iedereen nodig op het land. Ook Luis die op het punt staat te vertrekken naar de Eeuwige Stad – de hoofdstad van het koninkrijk.
“En als ik weiger?”, vraagt Luis.
“Dan vermoorden we iedereen – ook je ouders, broers, zus – alle mensen en dieren in het dorp – je mag alles gadeslaan, terwijl je je straf afwacht op de brandstapel – aan het eind zal ik persoonlijk het vuur erin steken. We hebben je magie gevoeld – zo’n sterke tovenaar kunnen we onmogelijk laten lopen. Je gaat met ons mee of er zal geen dorp meer bestaan.”
“Je bent wreed.”
Spoor liet de veiligheid van zijn soldaten achter zich. “Luister, beste jongen. Ik ben de meester-tovenaar van koning Octavius – nog nooit eerder heb ik krachtiger magie gevoeld dan de jouwe – ik weet uiteraard niet wat je hebt gedaan, maar het was sterk. Je hebt indruk gemaakt. Je telt mee in de wereld, hebt nu al een grote naam – misschien schenkt Archeion, ons aller meester, je wel een ander archetype.”
“Huh – ik ben de zoon van een boer, kleinzoon van een boer, achterkleinzoon van een boer,” zegt Luis.
“Morgen zal niemand meer weten waar je vandaan komt – bovendien boeit het echt geen mens, omdat ze je macht zullen respecteren,” zegt Spoor. “Alleen jij zult je herinneren waar je vandaan komt – jij alleen.”
“Ik wil afscheid nemen van mijn ouders,” zegt Luis.
Zijn vader maakt een afwerend gebaar. “Ga alsjeblieft met die mensen mee, jongen, je hebt nu al genoeg ellende over ons en het dorp gebracht – dus ga.”
Luis draait zich om en loopt naast de meester-tovenaar, een man genaamd Spoor. Ze bevinden zich tussen de soldaten die op beginnen te stijgen. Luis krijgt een plek achter Spoor. “Hou je vast, jongen.”
Luis hoort zijn vrienden met elkaar praten, al staan ze bijna tien meter verderop. Niemand anders praat.
“Wat is er gebeurd?”, vraagt Justus.
“Geen flauw idee,” antwoordt Beer.
Alle ellende komt uit de lucht, of het nu draconruiters zijn, engelen of duivels. Er komt nooit iets goeds van.
Luis blikt omlaag en ziet het dorp langzaam onder zich verdwijnen – eerst de muren, dan de daken – een dorp dat er ineens heel nietig, onbetekenend uitziet.
Op de heuveltop ligt de oude tempel – het Sterrenwiel – dat is er dus gebeurd – hij heeft magie gebruikt.
- Het Sterrenwiel is een verhaal dat zich afspeelt op de Schaduwplaneet. In de eerste helft van dit jaar heb ik een boek geschreven dat die titel heeft.
- Het is op aanvraag beschikbaar, maar alleen als pdf-document. Als je het wilt lezen, moet je een berichtje te sturen naar jhmsmies@ziggo.nl.
- Man belandt op een onbekende wereld, de Schaduwplaneet. Natuurlijk probeert hij een manier te vinden om thuis te komen, maar gaandeweg begint hij de puinhopen van zijn privéleven te overzien en twijfelt hij of hij nog wel naar huis wil. Dan ontmoet hij de enige persoon die al zijn plannen op slag weet te wijzigen waardoor hij niet eens terug naar huis kàn.
De herfst heeft er geen zin in
Buurtbewoners zijn terug van vakantie – iedereen is terug van vakantie – afgestudeerde studenten hebben kamers achtergelaten – jongens en meisjes van net achttien jaar betrekken kamers in een flatgebouw dat eind jaren vijftig werd gebouwd. Enkele avonden geleden klonk er rond tien uur ’s avonds ineens jazzmuziek in de straat – het klonk als Coltrane – het geluid van een saxofoon dartelde langs gevels. Hij zat weer op zijn balkon – voet had hij tegen de reling geplaatst en hij luisterde. De echte zomer was alweer voorbij – verdwenen en zakte heel geleidelijke weg in een herfst die vooralsnog weigerde te beginnen – zo leek het althans. Bladeren verkleuren langzaam – worden geel – ze beginnen mistroostig te hangen – een duisternis die steeds eerder invalt. Veel blijft hetzelfde – er verandert weinig – dezelfde jongeren die hun auto’s parkeren en de straat over steken – er hangt een landerige rust. Boven zijn hoofd strekt zich een nachtelijke hemel uit – sterren die zich amper laten zien, omdat het licht van de stad te sterk is.
Er staat een groot flatgebouw schuin tegenover zijn huis – achttien verdiepingen of zo – elke avond omstreeks half elf lijkt er een wit, oplichtend puntje door de westelijke hemel te glijden – geen vliegtuig, een satelliet misschien, of het ruimtestation – hij weet het niet. Terwijl hij af en toe een slokje bier neemt, kijkt hij naar de sterrenbeelden die zich aan de nachtelijke hemel hebben geposteerd. Hij zoekt de Poolster – daar is het noorden – altijd.
Het begint ’s avonds al sneller af te koelen, maar koud is het nooit. Als hij lang genoeg wacht, ziet hij de lichten in het hoge flatgebouw uitgaan – soms één voor één – een andere keer zijn het er tien of twintig tegelijk. Hij blijft nog even zitten – meestal gaat hij rond half een naar bed. Soms nog iets later. Het theehuis sluit om twaalf uur – auto’s verdwijnen vrij plotseling – er komen geen nieuwe bezoekers – er heerst een volstrekte rust die zich nog beter laat voelen. Richting centrum torenen de gebouwen van een grote bank boven de stad uit. Daar tussenin ligt de Jaarbeurs – dichtbij – tien minuten lopen. Er zijn twee kanalen – eentje in het westen, eentje in het oosten. Opnieuw kijkt hij omhoog. Felgekleurde lichten zoeken een onzichtbaar punt hoog in de lucht – vliegtuigen die zijn opgestegen van Schiphol – of juist een landingsbaan zoeken. Het gaat altijd door, al lijkt het de laatste tijd rustiger te zijn in het luchtruim. Er zijn avonden geweest waarop hij om de twee minuten een toestel zijn geleidelijke afdaling zag inzetten.
Morgenochtend, als hij wakker wordt, is het kouder dan het een maand geleden was. De herfst heeft er nog geen zin in, maar probeert heel langzaam bezit te nemen van het continent. De muziek van Coltrane klinkt alleen nog in zijn gedachten en hij bedenkt dat dit tien jaar geleden ondenkbaar zou zijn geweest. Er was een buurman die urenlang muziek van André Hazes draaide, want de zanger was die dag overleden – urenlang en natuurlijk keihard, want muziek moest je kunnen voelen. Tegenwoordig wonen er mensen uit Oost-Europa – soms vraagt hij zich af of ze zijn vertrokken en dan zijn ze er ineens weer.
Hij staat op en verfrommelt het lege blikje dat hij weggooit in de vuilnisbak. In het grote flatgebouw zijn er enkele huiskamers verlicht – net als de zijne – het is bijna half een – gelukkig heeft de herfst er voorlopig helemaal geen zin in. Het zijn avonden die in alle rust en zonder televisie voorbij gaan. Zelfs de man, die een beamer gebruikt om zijn tv-beelden op bioscoopformaat op de muur te projecteren, heeft het nu opgegeven. Het is donker – nog altijd warm. Voor meteorologen is de herfst al begonnen – ook in zijn straat ziet hij duidelijke sporen van het nieuwe seizoen, maar hij heeft er totaal geen zin in.
Portret van een roofdier
Man beweegt zich geruisloos voort in een schemering die het zonlicht voorgoed achter zich lijkt te laten. Hij zoekt een een menselijk prooidier in de kracht van zijn leven. Man heeft honger – de zomerdag heeft hem uitgeput – geuren komen keihard binnen – hij hoort dreunende slagen van harten – voelt zenuwen die tot het uiterste zijn gespannen. Zwak licht heeft zich verspreid achter diffuse ruiten. Auto’s rijden voorbij – fietsers creëren nieuwe regels – een late hardloper begint aan zijn eerste kilometer – man voelt zijn hoektanden omlaag komen en prikken in het vlees – bloed vloeit in zijn mond, maar hij weet dat het onzichtbaar blijft voor de massa. Zijn ogen glimmen onophoudelijk, pezen en spieren staan gespannen, schoenen komen bijna onhoorbaar neer op de gortdroge straten die bovendien bloedheet zijn na de warme dag. Hij kijkt omhoog en ziet een man die hem bestudeert. Het onbekende roofdier op straat weet zeker dat hij hem nooit eerder heeft gezien.
Hun blikken ontmoeten elkaar, maar het duurt slechts zeer korte tijd. Er is geen blijvende herinnering. Man ziet zichzelf omhoog springen, zijn handen grijpen de luifel vast – maar het zou teveel aandacht trekken. Bewoner van het flatgebouw blijft kijken, maar ziet hooguit een late wandelaar passeren, geen roofdier.
Man blijft staan voor het stoplicht dat rood is – het deert hem normaal niet, maar nu blijft hij wachten. Bovendien twijfelt hij aan de richting – links of misschien toch rechts – of gewoon oversteken. Het stoplicht verandert van kleur – het is nu groen – hij beweegt nog altijd niet – drie jonge vrouwen passeren – ze trekken overvolle rolkoffers achter zich aan.
“U kunt oversteken, hoor – het is groen,” zegt er een die vriendelijk glimlacht. Meisje helemaal links zou een ideaal slachtoffer zijn. Ze geniet de bescherming van haar vriendinnen – beweegt overduidelijk anders, afwijkend bijna, want ze voelt zich niet prettig ’s avonds zo laat op straat. Hij glimlacht en besluit over te steken – stoplicht is alweer rood – een auto begint te rijden – het roofdier kijkt en dwingt de automobilist langzamer te rijden. Auto passeert, terwijl de motor onbehaaglijk gromt.
Man steekt de trambaan over en houdt zijn ogen gericht op de meisjes die in de wijk proberen te verdwijnen – alsof ze zich willen verbergen tussen flatgebouwen die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog zijn gebouwd. Man heeft een langzame, zorgvuldige tred – een jager die zijn prooi achtervolgt. Tegenwoordig woont hij in een flatwoning – het is behelpen, niet erg groot – bijna twee jaar geleden woonde hij samen met een vrouw die ongeveer zijn leeftijd scheen te hebben – ondenkbaar natuurlijk – maar ze ontdekte zijn geheim en moest sterven – erg vervelend, omdat ze een volmaakte façade vormde. Ze gingen samen op vakantie en hij keerde alleen terug. Geen familie. Buren namen genoegen met zijn uitleg – ongeluk.
Voorlopig kan hij er blijven wonen, al gaat het natuurlijk een keer fout – dan moet hij vluchten.
De meisjes fluisteren enkele waarschuwende woorden tegen elkaar, maar het roofdier heeft geen plannen om hen te overvallen – niet nu. Het is een warme, zwoele avond, bijna vierentwintig graden – veel auto’s op straat, fietsers en wandelaars. Het meisje dat daarnet nog helemaal links liep, heeft inmiddels een meer strategische positie ingenomen – ze loopt in het midden. Het roofdier glimlacht en laat de afstand een beetje toenemen – hij wil de meiden nu nog niet tot zich nemen – hun bloed drinken – vandaag of morgen loopt hij hier opnieuw – rond tien uur ’s avonds en is een van die meiden alleen.
Ze gaan een flatgebouw binnen – hij loopt verder – deur valt dicht – hij staart naar de glimmende knopjes en namen ontbreken voor een groot deel – hij steekt de straat over en laat zijn ogen langs de gevel glijden – binnen vijf minuten moet er ergens licht aangaan – daar wonen de meisjes. Man ademt heel langzaam in – dan weer uit. Hij zoekt naar een raam dat in het donker is gehuld. Zo meteen ontstaat er ergens een geel schijnsel – jawel, tweede verdieping, derde flatwoning van rechts. Mensen zijn argeloze wezens.
Misschien gaat hij er morgenochtend eventjes langs – hij hoeft alleen aan te bellen waarna er zich iemand zeer chagrijnig meldt en blaft ‘wat hij moet’. Hij zal antwoorden dat hij zijn sleutels is vergeten – in keurig Nederlands – accenten zijn verdacht, een man met een accent, dat buitenlands aandoet, staat altijd voor een gesloten deur. Het roofdier weet altijd en overal binnen te dringen – hij moet alleen het juiste moment afwachten en ’s zomers is er altijd wel ergens een raam open – complete deuren van balkons – er kan toch niemand op de derde verdieping binnendringen. Morgenochtend, als de dag aanbreekt, zijn die meisjes het diepst in slaap en kan hij ze alle drie overvallen.
Man heeft honger en zoekt een eenvoudige prooi om te – drinken – in vroegere eeuwen was het moeilijker – hoewel de stedelijke magistraten het geen probleem vonden om desnoods een onschuldige op te hangen als ze daarmee het plebs tot rust konden brengen. Het roofdier verplaatste zijn activiteiten als dit gebeurde – man is een zwerver en blijft nooit lang op dezelfde plek – hij heeft een probleem met officiële documenten – tegenwoordig ligt alles vast op computerschijven – vingerafdrukken, biometrische gegevens, zodat hij zich steeds moeilijker kan verstoppen – man heeft nog geen oplossing gevonden voor zijn probleem – hij weet zich voor te doen als een aardige man – hij is de aardige buurman die de vuilniszakken van zijn oude buurvrouw wegbrengt. Hij zegt altijd ‘goeiemorgen’ in de lift en lacht heel beleefd, maar gaat nooit een gesprek aan – . Hij is niet in staat om een onschuldig praatje te maken. Man gaat verder – kijkt nog eenmaal omhoog en zijn ogen ontmoeten die van het meisje – het is zijn meisje – tenzij ze ongelofelijk veel mazzel blijkt te hebben – het roofdier bijt zich zelden vast in één bepaalde prooi. Hij moet zijn honger zien te stillen – hoe dan ook.
Man ruikt het water – verderop ligt er een kanaal – geen rivier, maar een door mensenhanden gegraven stroom die Amsterdam als haven weer interessant moest maken – hij is erbij geweest, toen er werd gegraven. Het is nog altijd een favoriete plek van het roofdier – hij heeft er enkele fijne herinneringen liggen – er staan keurige hoge flats zonder balkons, zodat de mensen nooit goed volgen wat er op straat gebeurt.
Koud, regenachtig weer is beter voor het roofdier. Gordijnen zijn stijf gesloten, niemand let op – hij heeft zelden honger als de temperaturen zijn gedaald.
Auto’s rijden op de brug – hij kan ze horen – maar ze zullen niet kunnen zien wat er hierbeneden gebeurt. Zijn ogen glijden langs de ramen van flatwoningen – één en al verlichting – van links naar rechts – ramen die geopend zijn – zonwering is soms naar beneden gelaten – die mensen zijn waarschijnlijk niet thuis – hij is alleen – verderop ziet hij de hardloper dichterbij komen – twee fietsers passeren het roofdier en babbelen driftig over vriendinnen, maar vooral seks – hij wacht op de hardloper die al een tijdje aan het lopen is – wereld van de sporter is ineengekrompen tot het formaat van zijn parcours. Het roofdier weet het heel goed – zijn prooi ziet het gevaar niet aankomen – de flatbewoners kijken niet – nou ja – misschien eentje – zo meteen volgt er een botsing – hardloper valt neer – het roofdier buigt zich over hem heen en de flatbewoners zullen denken dat hij hulp aanbiedt – maar hij zal geen hulp bieden – hij zal zijn lange hoektanden in de nek van de man zetten en zijn honger stillen – dat gaat hij doen – een botsing forceren of die vent neerslaan – hij heeft honger.
Daarna gaat hij zich bezighouden met de meisjes.
Dat dan weer wel.
De laatste echt warme dagen van het jaar
Een enkeling noemde het een onverwacht genoegen – eind augustus en alsnog een hittegolf – temperaturen van minimaal dertig graden – de zon brandde in je nek – lichaam voelde zweterig aan – elke beweging was al teveel, maar niemand had er nog echt op gerekend. Een zomer die leek te eindigen in aanhoudende regenbuien en windvlagen – .
Hij zat elke avond om negen uur op het balkon en volgde elke automobilist die langsreed, of zijn auto parkeerde, want hij woonde schuin boven een – gelegenheid – een theehuis. Levens die zich achter een deels geblindeerde winkelruit afspeelden – maar er vond in ieder geval geen overlast plaats. Mannen kwamen, gingen, voerden enkele gesprekken op straat, stapten in auto’s en reden weg. Vroeger gebeurde er wel eens vreemde dingen – tegenwoordig was het bijna saai te noemen. Gelukkig sloot de laatste ondernemer zijn deur om twaalf uur ’s nachts. Business as usual.
Overdag werkte hij – zijn bureau stond in een portakabin, gelukkig voorzien van een airco, maar de zweetdruppels sijpelden evengoed over zijn rug.
Zomerse hitte drong diep door tot in de muren van de woningen, zodat zelfs het appartementengebouw last scheen te krijgen van de hitte. Schuin tegenover zijn woning stond een hoog flatgebouw dat tot midden augustus een welkome barrière vormde tegen een late avondzon. Eind augustus zakte diezelfde zon om kwart over acht weg achter de struiken op een plein voor zijn huis. Opnieuw werd er een tropische dag ten grave gedragen – zonder enige spijt trouwens. Vroeger had je zulke periodes natuurlijk ook – zomers en ook tropisch – hij herinnerde zich een zomer waarbij het gedurende enkele dagen helaas 36 en 37 graden was geweest – lang geleden. Het weer sloeg om – er volgde regen en onweer – een verademing na de laatste echt warme dagen van het jaar, maar ook nu zou het weinig anders zijn. Tegenwoordig mompelde er al snel wel een man of vrouw over klimaatverandering.
Lichtblauw veranderde langzaam in donkerder blauw, terwijl het naar oranje neigende zonlicht minder werd en tenslotte verdween. Straks kon hij de vliegtuigen zien passeren die van Schiphol waren opgestegen – sterren verschenen geleidelijk vanuit een eeuwig duistere wereld zonder dag of nacht, altijd badend in het licht van ontelbare sterren. Als een paradox. Dag zonder nacht; nacht zonder dag.
Een atmosfeer die steeds vroeger op de dag donker kleurde, waarbij de zon steeds sneller, bijna vermoeid na al het werk van de afgelopen zomer, achter de horizon verdween. Hij pakte het blikje bier dat naast hem stond en nam een slok. Er zou een regenachtige herfst volgen die vermoedelijk in het voorjaar, ergens eind april eindigde. Vandaag wilde hij daar niet aan te denken – vanavond niet – hij wilde nu eens genieten van de laatste echt warme dagen van de zomer, omdat de zomeravonden het heerlijkst zijn. Zomeravonden die hij zo veel mogelijk op zijn balkon zou doorbrengen – de laatste echt – – –