Auteursarchief: Jos Smies

De klusjesman (1/5)

Nee, het was geen dragende muur. Hij schudde zijn hoofd en veegde halflange donkerbruine haren weg. Er bleef een grijswitte veeg achter op zijn wang. Kinderen waren bij zijn schoonouders, omdat ze het kabaal van al het breekwerk niet zouden verdragen. Je moest er kinderen niet aan bloot willen stellen. Hij ging verder met slopen – zijn echtgenote stapte achteruit, terwijl stukken steen omlaag rolden – wolken stof dwarrelden omhoog – straks zou hij alles in één keer opruimen – maar eerst moest je slopen om daarna de troep op te ruimen.

Er viel een stilte – enkele seconden – stof sloeg neer op de betonnen vloer. Hij trok het mondkapje weg en nam een slok koud water – heerlijk koud water. “Daar heb je een dragende muur,” zei hij, “deze hoort er niet eens te zijn – ik heb geen idee waarom ze dit hebben gedaan, want ze hebben hem veel later pas gebouwd.” Michelle leunde tegen het kozijn – ze hield afstand.

Hij verwachtte een opmerking, of een vraag, maar ze keek zwijgend toe. Inmiddels had hij een groot deel van de muur gesloopt – er lagen grote brokstukken metselwerk op de vloer – zo hadden zijn vrouw en hij het ook bedacht, toen ze het huis kochten – ze zouden er enorm veel aan moeten doen – slopen, opnieuw bouwen, mooier en beter maken dan het ooit was geweest – een huis dat bij het kanaal was gebouwd.

Hij nam twee flinke slokken water voordat hij de fles wegzette – wilde de sloophamer oppakken, maar zijn aandacht werd getrokken door een – ja, wat precies? Hij boog voorover en pakte stukken steen op die in de weg lagen – gooide ze opzij.

“Wat is er?”, vroeg ze.

“Geen idee,” zei hij, maar het leek op een zwarte, leren koffer die achter het muurtje lag. Hij plantte zijn voet op de stenen die waren overgebleven en testte het gewicht van de koffer.

Het was een koffer – zo eentje die je meenam op reis, als je met het vliegtuig naar een tropisch land ging. Hij pakte de koffer en zei: “Cadeautje.” Er danste een glimlach op zijn gezicht. “Een verzameling ouwe kranten, historische gebeurtenissen. Troep.”

“Er bestaat geen troep, Jon. Alles is handel.”

“O ja. Vergeten.”

Hij legde de koffer neer in het halletje.

“Een koffer die je achter een muur verbergt,” zei Michelle die haar wenkbrauwen fronste, “dat is vreemd. Waarom doe je dat?”

“Hopelijk gaan we dat snel ontdekken.”

De koffer bleek voorzien te zijn van een cijferslot – hij probeerde enkele voor de hand liggende combinaties, maar het was lastiger dan hij had gedacht. Jon liep naar zijn gereedschapskist – er lag daar een hamer en beitel – het raadsel lag in de koffer en was niet de koffer zelf.

“Ga je hem openbreken?”

“Ja – natuurlijk.”

De sloten zagen er niet erg stevig uit – een fietsslot liet zich lastiger openbreken en dat lukte hem ook heel makkelijk.

“Wat zou er in zitten?”, vroeg Michelle.

“Ouwe kranten – jaren zestig en zeventig.”

“Denk je?”

“Wat anders?”, vroeg Jon en hij plaatste een beitel op het slot voordat hij de hamer hard liet neerkomen. Na de tweede klap brak het slot af – het tweede slot begaf het sneller – hij had er slechts één klap voor nodig.

“De kinderen zouden die machtig interessant vinden,” zei Michelle. “Eigenlijk wel jammer, hoor.”

“Had je ze erbij willen hebben?”

“Misschien.”

Jon legde de hamer en beitel opzij – er verscheen opnieuw een glimlach op zijn gezicht die al snel veranderde in een grijns – zijn vrouw hield er niet van – dat wist hij. Er volgde zo’n opmerking.

“Stel je voor dat de vorige eigenaar er – ,” zei hij.

“Ja – ja, ga nou meer verder,” zei Michelle.

Zijn rug onttrok de koffer aan het zicht van zijn partner. Jon trok het deksel open. Een schril fluitje ontsnapte aan zijn lippen. Michelle kwam naast hem staan en sloeg een hand voor haar mond. Ze gilde niet. De koffer bevatte geld – heel veel geld – talloze pakken biljetten in relatief kleine coupures, uitsluitend gebruikte biljetten die vermoedelijk – waarschijnlijk – nee, zeker niet traceerbaar zouden zijn voor –  de autoriteiten, belastingen en al degenen die belang konden hebben bij een koffer met geld. “Bloody hell,” zei hij.

“Is het echt?”, vroeg Michelle.

Jon pakte een bundel bankbiljetten op en bestudeerde een biljet van vijftig euro – hij hield het tegen het licht en alles leek op het eerste gezicht te kloppen – .

“Wil je m’n portemonnee pakken?”, vroeg hij.

“Ja – uiteraard.”

Hij haatte contant geld, meestal betaalde hij in winkels met zijn pinpas – dat was handiger. Michelle gaf hem zijn portemonnee en hij haalde het enige biljet eruit dat hij er altijd in bewaarde – een briefje van vijftig euro, omdat hij vond dat je altijd minimaal vijftig euro aan contant geld op zak moest hebben. Jon stond op en vergeleek de biljetten – of ze hetzelfde aanvoelden – hij verfrommelde ze allebei. Zijn nagels gleden over het papier en hij merkte geen verschil – het was echt, officieel bankpapier – het was echt geld – hij had een koffer met geld gevonden.

“’t Is echt – volgens mij,” zei hij.

“Mijn God.”

“Inderdaad.”

“Hoeveel?”

“Ja-a,” zei hij, “’t is heel erg veel.”

“Dat zie ik – maar hoeveel is het?”

“Een miljoen euro, misschien iets meer.”

“Wil je het – ?”, vroeg ze.

Hij stond naar de koffer vol geld te kijken – had zijn beide handen op zijn heupen geplaatst. “Het is crimineel geld – anders bewaar je dit niet in huis.”

“Shit.” Michelle klonk heel even alsof haar favoriete speelgoed zojuist was afgenomen. “Potverdorie.” Haar paardenstaart zwaaide nijdig heen en weer.

“Al hoeft dat niet te betekenen dat we al dit lekkers vrijwillig teruggeven aan de autoriteiten,” zei hij.

“Het zijn allemaal gebruikte biljetten – dat zie je zo.”

“Niet relevant, Michelle. Als je het wilt uitgeven, moet je ook uitleggen hoe je er aan bent gekomen.”

“O – ja.”

“Crimineel geld. Het kan moeilijk anders.”

“Jammer.”

“Inderdaad.”

“Dus we moeten het naar de politie brengen.”

“Eigenlijk wel,” zei Jon.

“Maar?”, vroeg Michelle.

“Hoe bedoel je?”

“Nou – je zei – ‘eigenlijk wel’.”

Hij stopte het briefje van vijftig euro terug in zijn portemonnee die hij op de vensterbank legde – het andere biljet dwarrelde omlaag en landde op het geopende deksel van de koffer.

“’t Is best fijn om een zakcentje achter te hand te hebben. Waarom zou je het meteen teruggeven?”

“Omdat het crimineel geld is – dáárom”

Jon knikte met zijn hoofd. “’t Is niet echt achtergelaten door iemand waarvan je kunt zeggen dat het leven hem overkomt – .”

Michelle draaide zich om en leek weg te lopen, maar bleef onmiddellijk staan en keek over haar schouder.

“Stevig aan het roer, kapitein van zijn eigen schip?”

“Ja – precies.”

“Het is ook wel lekker om zoveel geld te hebben,” zei Michelle die haar handen over haar hoofd liet glijden.

“Wegbrengen naar de politie kan altijd nog,” zei Jon.

“Oké.”

“We weten dat het huis lange tijd leeg heeft gestaan – we hebben het kunnen kopen, omdat het in een slechte staat verkeert – misschien is het een idee om een eigen onderzoek te doen naar de laatste eigenaren van het pand – daar moet je achter kunnen komen – ik denk aan het kadaster – om te beginnen.”

“Makelaar?”, vroeg Michelle die haar handen had gevouwen op een wijze die plechtig aandeed.

“Nee, die zal willen weten waarom we dit vragen.”

“We zeggen dat we een overzicht willen maken van alle mensen die er hebben gewoond – ik maak er een weblog van – aangezien we ongeveer – een miljoen – redenen hebben om dat te doen.”

“Dan moeten we het geld ergens verstoppen – een veilige plek – de zolder bijvoorbeeld – of we moeten een kluis kopen – .”

“Die zou je in een muur kunnen verbergen.”

“Zeker weten, ja.”

“Toch is het best spannend,” zei Michelle, “het geld is om te beginnen niet van ons – nooit geweest ook.”

Jon legde zijn armen om de schouders van zijn echtgenote – .

“Als je een miljoen euro kunt verstoppen achter een muur, dan kun je het geld best missen – geen probleem.”

“En als hij terugkomt om zijn geld te halen?”

Hij zoende Michelle op haar mond – ze had warme, vochtige lippen – haar ogen vertoonden enige angst.

“Ik zou het heel zakelijk afhandelen, denk ik.”

“Ja – vast.”

Misschien had er gedurende enkele seconden een duistere gloed in haar ogen gelegen, maar die was nu verdwenen – haar mondhoeken gingen weer omhoog.

“Eerst moeten we de koffer weggooien – het geld tellen en in plastic zakken verstoppen die we zullen verstoppen,” zei Jon.

“Ik vind het een heel avontuur, hoor,” zei Michelle.

“Alles komt goed,” zei Jon, “dat beloof ik.”

“Vast.”

“Al kan ik het geld ook aan het Leger des Heils geven – die kunnen er ook heel nuttige dingen mee doen.”

“Voorlopig niet, verdorie.”

Ongeveer een kwartier later stond hij alleen in huis – Michelle was vertrokken om boodschappen te doen en hij twijfelde er niet aan of ze zou met foldertjes van goede, maar dure kluizen terugkeren. Hij wilde doorzichtige plastic zakken gebruiken en uiteraard duct tape, zodat hij het geld in handzame kleine pakketten zou kunnen verpakken – bedragen van ongeveer honderdduizend euro – misschien de helft. Een krat bier diende als krukje. Hij legde bundels bankbiljetten in een plastic zak en probeerde in te schatten hoeveel waarde ze vertegenwoordigden. Het leek onwerkelijk, alsof hij acteerde in een film. Alleen de camera’s ontbraken en een regisseur.

Toch bleek er nog iets anders verborgen te zijn onder de bankbiljetten waarmee de koffer was volgepakt. Jon begon een volgend pakket bundels bankbiljetten bij elkaar te leggen, de bodem van de koffer werd langzamerhand zichtbaar – er lagen zeven pakketten gewikkeld in plastic en duct tape. Jon hield zijn adem in, toen hij het vuurwapen uit de koffer opviste – er waren er zelfs twee – zijn mobiele telefoon meldde een nieuw berichtje, maar hij bestudeerde twee pistolen – voorzien van kogels en extra munitie, keurig verpakt in een doosje.

Twee pistolen. Authentieke vuurwapens. Dodelijk.

Er lagen zelfs geluidsdempers in diverse afmetingen.

Jaren geleden is hij bij een schietvereniging geweest, maar voor Michelle en de kinderen was hij ermee gestopt.

Eerst nam hij een slok water, al zou hij liever iets gebruiken dat sterker was dan dat – niet eens bier. Vuurwapens behoorden tot een compleet andere categorie dan een koffer vol geld – plusminus een miljoen euro, misschien zelfs meer – hij wist het niet zeker, maar het volledige bedrag boeide hem weinig. Het was in elk geval een hoop geld en een verdomd goede reden om mensen dood te schieten. Michelle hoefde er nooit iets van te weten – de pistolen zou hij altijd in het kanaal kunnen gooien, tijdens een wandeling of fietstocht enkele kilometers verderop.

Jon nam een plastic zak en liet er beide wapens in wegglijden – ook het doosje met kogels deed hij erbij. In de tussentijd luisterde hij aandachtig of Michelle al thuiskwam – zo snel – het bleef stil. Hij begon met behulp van duct tape de inhoud aan het oog te onttrekken – gewoon een pakket met veel tape.

Het was stil in huis – hij stond op en liep naar beneden – Jon wist maar één plek in huis te komen die als bergplaats voor een paar vuurwapens kon dienen – de kruipruimte onder het huis – hij zou er niet kunnen staan, normaal gesproken was het er droog – Jon trok het luik omhoog en liet zich omlaag zakken – hij wilde het niet in het zicht leggen. Misschien zouden de vuurwapens er blijven liggen – vele tientallen jaren – ongebruikt – het maakte weinig uit – Jon kroop door de kruipruimte. Na zo’n vijf meter groef hij een ondiepe kuil en legde het pakket erin – hij veegde het zand terug – een beetje onopvallend – daarna ging hij terug – verliet de kruipruimte en legde het luik netjes terug. Er wachtte een hoop werk – boven lag een koffer met geld – die hij inmiddels half leeg had gemaakt – Jon keerde terug naar de slaapkamer en hoopte een goede beslissing te hebben genomen, maar zou Michelle niet gemakkelijk inlichten over de twee pistolen.


Zomer

De wolken leken over te drijven zonder ook maar één druppeltje regen te laten vallen – de zon verdween achter stapelwolken die je alleen ‘s zomers zult zien. Er passeerde een jongen op een knetterende scooter – een pizzabezorger gekleed in shorts en T-shirt – alsof er nooit een bui zou kunnen vallen. Jonge vrouwen reden op fietsen met dezelfde zorgeloosheid. Ach, zo ging het al weken, zelfs maanden. Dreigende wolken rolden over elkaar heen, stapelden zich op – steeds verder omhoog, maar de regen, die verfrissing moest brengen, viel steeds ergens anders.

De zomer verliep in een traag tempo, er zou nooit een einde aan komen – het was warm en droog – soms koel en verfrissend. Om een uur of zes – ’s avonds – vielen er druppeltjes die schenen te vervliegen voordat ze de grond mochten raken. Zijn linkerbeen tintelde een beetje, maar alleen de buitenkant en zijn linkervoet, die ook deels verdoofd leek aan te voelen, terwijl er een tinteling over het midden van zijn voet ging – de hele dag al.

Vele fonteintjes vormden zich op straat – grote regendruppels spatten uiteen. Auto’s reden langzaam voorbij – jongens renden naar hun auto’s die glommen onder drijfnatte bomen. Er heeft daarbeneden een Chinees restaurant gezeten – gelukkig is de eigenaar failliet gegaan – zijn uitgedoofde reclame lag achter het gebouw op een hoopje – al een paar dagen – de nieuwe eigenaren zijn hard aan het werk – er komt een Thaise orchidee. Knetterende bliksems schoten door de lucht, gevolgd door zware rollende donders – een televisieprogramma werd onderbroken – het signaal was verloren gegaan in een elektrische atmosfeer – een paar mannen die spraken over wielrenners die hun gemak ervan namen in etappes waar geen eind aan scheen te komen en zich voortsleepten over Franse wegen – sprinters die geduldig de messen slepen. Televisie om vijf uur was vroeg genoeg.

Twee weken terug, eind juni, begonnen de veldjes in de straat weer groen te kleuren – de maand juli kwam eraan – vroeger spraken mensen dan over een ‘regenmaand’. Hij zag regelmatig mannen in de straat die het gras kwamen maaien alsof het groen versneld aan de oppervlakte gebracht moest worden.

Mensen maakten zich klaar voor vakantie, grote steden begonnen leeg te lopen, net als de onweerswolken die massa’s water uitstortten. Waarom kon er nou nooit eens voldoende vallen? Al konden er nooit genoeg mensen op vakantie gaan… Het was de mooiste tijd van het jaar om in een grote stad te wonen  – al hoorde je wel mensen die Spaans, Frans, Chinees, Japans of Italiaans spraken – om dat te horen, ging hij naar het centrum. Als de toeristen weggingen, verschenen er ineens studenten, of beter gezegd: nuldejaars – het hoorde gewoon bij de zomer. Er klonken geen bliksems of donders meer – hij hoorde alleen het constante geruis van regen die eindeloos neerviel op straat.

De televisie stond uit – er klonk zachte muziek – buiten vielen er geen regendruppels door het schijnsel van de straatlantaarn – het was droog geworden – eventjes…

 


Lente

Zijn buurjongen, die ongeveer zeven jaar oud moet zijn, heeft een hobby – hij voetbalt. Helaas is het op straat veel en veel  te gevaarlijk, dus moet hij binnen blijven. De buurman heeft geen idee of de jongen bij een voetbalclub is gegaan. Sterker nog. De jongen begeeft zich zelden op straat. Zijn hobby, dus voetballen, beoefent het ventje binnenshuis en de verwarmingsradiator fungeert daarbij als zijn muurtje – de buurman zou zelf een echt muurtje hebben uitgekozen. De bal stuitert tegen de verwarming en de harde klappen galmen door het gebouw.

Buiten beginnen de bomen groen te kleuren. De natuur begint te ontwaken. Mensen kleden zich luchtiger aan, heel geleidelijk ziet de man het straatbeeld veranderen – een oude man die blootshoofds langs fietst, maar wel een winterjas draagt en handschoenen. Het is stil op straat en dat zou met een voetbalwedstrijd te maken kunnen hebben, al hopen natuurlijk veel mensen in zijn woonplaats dat het schoonmaakmiddel, zoals ze die club meestal noemen, gaat verliezen.

Ja, het is nog altijd koud en hij verlangt naar de warme avonden van augustus en september verleden jaar, toen het niet af scheen te kunnen koelen – een zomer die nooit meer op zou houden. Het is normaal geworden. Elk jaar ziet hij hetzelfde beeld. Een lang koud voorjaar en als het ineens warm is, lijkt het nooit meer te op te houden.

Auto’s zijn niet veranderd – een bestelauto, de bestuurder is een frequent bezoeker van het theehuis – niet eens vanwege de drankjes, maar sport – ze hebben er voetbal op televisie.

Normaal hoort hij zijn buurjongen zijn bal tegen de radiator schoppen, maar de leidingen zorgen ervoor dat het geluid door het hele gebouw dreunt – dus al zijn buren moeten het ook horen. Vanavond is het beneden stil. Alleen de auto’s en fietsers rijden voorbij, iets verder weg gaat een tram richting centrum.

Bomen bewegen zachtjes heen en weer, boombladeren zijn opvallend lichtgroen, zoals altijd in de lente, een onschuldig groen dat gaandeweg donkerder wordt, als een waarschuwing dat er altijd een herfst en winter zal volgen. Bij de rotonde staan bomen die donkere silhouetten vormen – de avondlucht begint te verkleuren, geel, oranje en blauwgrijs. Op het dak van een benzinepomp staan helder rood verlichte letters die langzaam achter de bomen zullen verdwijnen. Een vogel heeft zich in een boom genesteld. Hij kan het dier niet zien, maar wel goed horen. In het flatgebouw gaan deuren open en dicht, er klinken voetstappen in het trappenhuis van het gebouw.

De buurjongen mag voetballen, al duurt het meestal slechts een korte tijd – de bovenbuurman mag er zich niet aan ergeren. Het ventje komt te weinig buiten. Er is geen speelveld voor hem en zijn ouders werken erg veel – zwijgzame, vriendelijke mensen, afkomstig uit een Oost-Europees land.

Vroeg of laat zal er een lekkage ontstaan. Het moet.

Gelukkig zijn het de benedenburen.  


Ondood (3) Nosferatu

Volgende ochtend werd ik wakker en begreep ik vrijwel meteen dat er iets vreselijk fout moest zijn gegaan. Natuurlijk had ik geen idee wat er was gebeurd tijdens de nachtelijke uren en het raam bleek in perfecte staat te verkeren – er lagen geen glasscherven op de vloer – ik had alles gedroomd – maar op straat was het angstaanjagend stil – ik hoorde geen auto’s passeren – er heerste een volmaakte stilte – en toch was het woensdagochtend.

Ik herinnerde me een bloeddorstige vampier die zich via het raam toegang had weten te verschaffen tot mijn huis – hij had mijn toestemming gevraagd om binnen te komen.

Ik wilde douchen, maar er was vreemd genoeg geen water – misschien was ik nog erg versuft na een lange nachtrust, want het was al volop dag, ook de stroom bleek te zijn uitgevallen. Ik had geen licht, maar ook de wekkerradio deed niets meer. Daarom kleedde ik me aan om aan de buurman of -vrouw te vragen of ze mogelijk hetzelfde probleem hadden. Mijn winterjas hing halfopen – het was een mooie dag – vroeg in het voorjaar, maar lekker warm. Auto’s stonden geparkeerd op de normale plekken – ieder had zijn en haar eigen parkeerplaats.

Vogels zweefden laag door de atmosfeer en leken me te beschouwen als een ongenode gast. Ik keek om me heen. Geen rijdende auto’s of fietsers – geen voetgangers – helemaal niets. Langzaam ging ik naar het midden van de weg – ik hoefde geen angst te hebben voor druk verkeer – er was niemand. “Hallo?”, schreeuwde ik. Alleen een meeuw, die spottend scheen te lachen, passeerde – zijn vleugels bewogen niet – hij zeilde voorbij. Eindelijk begon een vreemd beeld aan de horizon mijn aandacht te trekken – ik fronste mijn wenkbrauwen en dacht aan een korte vakantie die ik ooit in Berlijn had doorgebracht – lang geleden – toen er officieel nog een westelijk en oostelijk deel bestond. Ik begon te lopen – verderop werd de weg geblokkeerd door enorme rollen prikkeldraad. Heel erg slordig om zoiets op de openbare weg achter te laten. Terwijl ik steeds sneller begon te lopen, hoorde ik een felle knal – stukken asfalt spatten omhoog – er volgde een tweede knal – op daken van huizen stonden scherpschutters. Ik bleef stilstaan – handen omhoog – ja, een mens doet merkwaardige dingen, als hij moet vrezen voor zijn leven.

We hebben twee waarschuwingsschoten afgevuurd – komt u niet dichterbij, anders schieten we gericht!” Man gebruikte een megafoon om zich verstaanbaar te maken – zijn stem droeg erg ver.

“Maar ik ben onschuldig!”, antwoordde ik.

“We gebruiken zilveren kogels om u te stoppen.”

Ach ja, zilveren kogels – ik heb ooit gelezen dat zilveren kogels sowieso betrouwbaarder waren dan gewone, aangezien er meer aandacht aan de productie ervan werd geschonken vanwege de kosten van het materiaal.

Ik stond op straat, de zon scheen en ik wist zeker dat ik geen vampier kòn zijn, want ik was bij daglicht op straat, maar ja – Dracula kon ook gewoon naar buiten als de zon scheen – lees het boek nog maar eens. Soms denk ik dat F. W. Murnau, regisseur van de eerste vampierfilm Nosferatu, een geschikt einde nodig had voor zijn film en daarom zijn vampier liet sterven door zonnestralen – Dracula heeft geen moeite met zonlicht – hij vliegt niet spontaan in brand of zo.

Het begon tot me door te dringen dat er veel was gebeurd – ’s nachts – bewoners waren geëvacueerd, ze hadden mij achtergelaten, omdat – omdat – ik had geen flauw idee waarom ze me hadden achtergelaten. “En mijn boodschappen dan?” Ja, lach maar – de problemen die ik had waren oneindig veel groter dan boter, kaas of eieren. Ze hadden me opgesloten en ik werd – overduidelijk – aangezien voor een wezen dat ik zeer beslist niet was.

“U krijgt van ons alles wat u nodig heeft!”

Ongetwijfeld een levend schaap, als ze me voor een vampier hielden. Of een koe.  

“Dit mag u helemaal niet doen – ik heb ook rechten – net als iedereen!”, riep ik naar de megafoon-man.

Heel even leek hij te willen reageren, maar een oudere vrouw, die naast hem stond, schudde het hoofd. Ze draaiden zich om – liepen weg – de scherpschutters richtten onverminderd hun wapens. Ik kon niets uitrichten, dus keerde ik terug naar huis. 

Daar ontdekte ik dat de batterij van mijn laptop èn iPad leeg waren geraakt, zodat ik mezelf af moest vragen hoeveel tijd er feitelijk was verstreken. Wat was er echt gebeurd? Ik was volledig geïsoleerd – verstoken van elk nieuws en ik ben een nieuwsjunk. Koelkast stond op te warmen, dus de etenswaren zouden al spoedig bederven, maar de mensen, die me opgesloten hielden, zouden me voorzien van alles wat ik nodig heb. Lunch smaakte al niet eens – ik kauwde elke hap van mijn boterham minstens tien keer. Ik had geen idee wat er was gebeurd, maar die mensen waren me minstens een goede verklaring schuldig – ze moesten vertellen waarom ik een gevangene van mijn oude huis en wijk was geworden. Bord en bestek liet ik op het aanrecht achter – ik besloot een ander deel van de wijk op te zoeken, misschien waren de mensen daar eerder geneigd om uit te leggen wat er was voorgevallen.

Opnieuw liet ik het huis achter me, ik voelde een sterke aandrang om naar het toilet te gaan – een stevige kramp in mijn maag en buik – ik keerde terug en liet me net op tijd neervallen – er lag een complete niet-verteerde lunch in de pot. Gisteren kon ik dit eten makkelijk verdragen, vandaag werd ik er ziek van. Ik wachtte enkele minuten, waarna ik opnieuw het huis verliet, net zo hongerig als voor de lunch – ik had niets hoeven te eten – het was zinloos geweest. Buiten – op straat – staarde ik naar het braakliggend terrein, hopen aarde die als een primitieve omwalling fungeerden. Dranghakken stonden half open, uitnodigend bijna, alsof de nachtelijke bezoekers niet eens hun sporen hadden willen uitwissen. Ik voelde een akelige warmte op mijn huid, een aandrang om me in de schaduw te begeven. Hoelang was ik buiten westen geweest? Waarom hadden ze mij laten liggen? Er lag een connectie met het terrein. Ik liep verder, of probeerde dat te doen, maar het vampierkerkhof, zoals het in de media was genoemd, leek aan me te trekken, zoals een alcoholverslaafde naar de fles werd getrokken… Er lagen geen antwoorden, alleen vragen. De discussie ging over vampier en ik ben geen…

Mijn wandeling eindigde sneller dan ik had gedacht, want er waren diverse huizen gesloopt – ik zag hopen gesteente, troep, maar ook resten van meubels. Ik snakte naar adem. Bouwvakkers waren een muur aan het bouwen – wel drie meter hoog, godverdomme! Betonnen platen van twee meter breed. “Kom niet dichterbij!”, waarschuwde een stem die over de puinhopen galmde. Het duurde enkele ogenblikken voordat ik stil wilde blijven staan, zodat er direct al kogels links en rechts van mij insloegen. Ik stak beide armen hoog de lucht in – hield mijn adem in. Hart bonsde luidruchtig. Heel even dacht ik camera’s te ontwaren die elke stap, die ik zette, nauwlettend volgden. Ik stapte achteruit, deed dat heel langzaam, wierp regelmatig blikken over mijn schouder.

Ik draaide me om en liep terug naar huis, of ik dacht dat ik terugkeerde, maar op straat bleef ik staan en tuurde naar het braakliggende terrein – een vampierkerkhof, de aanstichter van mijn ellende. Dode vampiers, er waren geen levende vampiers, al zou je dit natuurlijk nooit kunnen bewijzen. In Schotland zijn graven gevonden van mensen die als middeleeuwse zombies op zouden kunnen staan uit de dood. Lichamen zijn, aldus archeologen, verschrikkelijk toegetakeld. Hoofden en ledematen werden domweg afgehakt. De angst dat mensen na hun dood zouden herrijzen om het vlees van levenden te eten of hun bloed te drinken bleek een wijdverbreid middeleeuws geloof, net zo algemeen als het christendom zelfs. Ik schudde de gedachte van me af. Het was een krankzinnige droom. Zo meteen werd ik wakker en bleek alles niet te zijn gebeurd. Morgenochtend ga ik eerst al die krantenknipsels weggooien, verdorie. De zon begon al naar het zuidwesten te draaien, schaduwen begonnen te groeien. Ik stond naar het kerkhof te kijken – mijn hele leven had ik tegenover een kerkhof geleefd, de fabriek was deels gebouwd op een kerkhof en ze moesten het hebben geweten – de eigenaren wisten ervan. Er gleed een rilling over mijn rug. Ik zou het liefst naar huis willen gaan, genieten van een kopje koffie, Tegelijk drong het besef tot me door dat ik nooit meer terug naar huis zou kunnen keren…

Ik vervloekte mijn eigen lichtzinnigheid, want ik had besloten nette lage schoenen aan te trekken die ongeschikt waren voor omgewoeld terrein. Dranghekken stonden net als vannacht – of gisternacht, een week of een maand geleden – er lag ruimte genoeg om te passeren. Hier stond niet zolang geleden een oude fabriekshal. Ik zou voor het eerst met eigen gaan aanschouwen wat archeologen eerder al hadden gezien – of de Roemeense familie die op tijd was gevlucht voor de Sowjets. Blijkbaar hadden ze niets te duchten gehad van de nazi’s.

Mijn wandeling verliep erg traag – er was erg weinig rommel achtergebleven – ze waren stevig aan het schoonmaken geweest. Ik kon me nauwelijks voorstellen dat er beenderen waren gevonden in het open veld. Er had een fabriek bovenop gestaan.

Na vijf minuten – het leek een eeuwigheid – bereikte ik een afgraving – een kelder, want het was echt een verdieping lager dan het overige veld. Er was een stenen trap, ik zag delen van oude fundamenten. Niemand had ooit iets gezegd over een geheime kelder – een plek waar we als personeelsleden weg dienden te blijven. Ja, Blauwbaard vertelde zijn kersverse echtgenote over de kamer die ze nooit mocht betreden en altijd op slot was. Je moest nooit over je geheim vertellen, alleen dan zou het altijd in tact blijven. De laatste eigenaren wisten nergens van. Zo goed hadden de bouwheren hun werk gedaan. Ik daalde de trap af. Mijn verbeelding toonde de afdrukken van loodzware kisten die lichamen van vampiers bevatten – behalve een luik, dat toegang verschafte naar een lager niveau, was er niets.

Ik had aan een zaklamp moeten denken. Toch ging ik naar beneden, het was een betere trap dan ik me had voorgesteld. Geen simpele houten ladder, maar een echte trap gemaakt van hard gesteente. Daglicht leek mijn reis naar beneden te willen begeleiden. Na bijna drie meter zette ik mijn voet op een ondergrond die net zo keihard bleek te zijn als het gesteente waar de trap uit was gebeiteld. Ze hadden gewoon een stenen zuil in de bodem gestoken en daar een trap van gemaakt. Ik keek om me heen, zocht doodskisten, of lichamen die ooit gewikkeld waren in doeken en inmiddels gemummificeerd. Er waren geen kisten achtergelaten. Mijn ogen moesten wennen aan de duisternis. Dunne straaltjes licht vielen omlaag en vormden vreemde schaduwen. Ik vond stenen zuilen, als geknotte wilgen op de oever van een rivier, of beelden die herinnerden aan menselijke gedaanten – . Ik deed enkele stappen – in plaats van een stenen zuil – een standbeeld – kwam ik oog in oog te staan met een menselijke gedaante wiens ogen waren weggedraaid, zodat ik alleen twee witte vlakken zag – bovenlip had hij omhoog getrokken – ik stelde een ontzagwekkende razernij vast – hoektanden vormden langwerpige dolken die een warme, kloppende halsslagader zochten…

Mijn vingers gleden over zijn armen die hij recht vooruit had gestoken – het was geen echt levend wezen, maar een stenen demon. Misschien – zoals de Chinese keizers over een leger van terracotta soldaten konden beschikken. Heel even geloofde ik dat deze vampiers dezelfde functie moesten hebben.

Oké – wie moesten ze dan bewaken?


Ondood (2) ‘Jong bloed kan veroudering tegengaan’

Buitenlandse media schreven artikelen over het Hollandse vampierkerkhof, televisieprogramma’s besteedden er aandacht aan, religieuze leiders spraken over schepselen van de duivel en alle stoffelijke resten moesten door het vuur vernietigd worden.

De gemeente besloot onze wijk af te sluiten, onbereikbaar te maken, onbevoegden weg te houden, we hadden ineens een pasje nodig waarmee we konden bewijzen dat we er woonden, anders kwamen we er niet eens meer binnen. Ik hield vast aan mijn oude gewoonte en maakte late avondwandelingen. Toch bleven de geesten uit het verleden, nakomelingen van de laatste eigenaars, voortaan weg. Ik herlas teksten in de krant over bekende vampierkerkhoven in bijvoorbeeld Polen, Bulgarije en Italië. Elke avond legden sterke schijnwerpers bundels licht over het terrein – erg overdreven, vonden we – het was storend, omdat we moeilijker in slaap kwamen.

Toen iedereen begon te denken dat alle woorden over het vampierkerkhof waren uitgesproken, volgde er een totaal onverwachte wending. Moderne zakenmensen zijn misschien hoge snelheden gewend, maar oude families – met generaties die tot vele honderden jaren teruggaan in het verleden – hanteren hun eigen tempo. Ze zijn gewend aan contracten die tientallen jaren beslaan en soms ook meer. Papier is geduldig. Zo bleek. De gemeente had het oude fabrieksterrein gekocht van een familie die we allemaal kenden, maar geen enkel recht bleek te hebben het te verkopen aan een andere partij zonder het eerst aan de eerste of voorgaande eigenaar te koop aan te bieden. Misschien kwam het door de publiciteit – maar op een ochtend – terwijl de kwestie al zeker een maand de media beheerste – volgde er een bericht dat enkele topadvocaten de overdracht betwistten – familie had contractbreuk gepleegd. Drie dagen later vond er een kort geding plaats en de rechter kon weinig anders dan eisers gelijk geven. Een oude Roemeense familie nota bene, nou ja, ze kwamen van oorsprong uit Roemenië – ze hadden de Sovjets in 1944 niet eens afgewacht. Mensen waren allang vertrokken. Tegenwoordig woonden ze kennelijk in het zuiden van Zuid-Amerika – in Chileens Patagonië. Ik vond het een prima deal, want de irritante schijnwerpers doofden uit. Voor het eerst in enkele weken sliep ik weer erg goed. Net als alle andere buurtgenoten trouwens. De archeologen van de gemeente waren alweer vertrokken – tijdelijk, aldus de burgemeester, een brave socialistische dame die het maar moeilijk kon verkroppen dat al het werk gedurende weken, maanden en misschien zelfs jaren stil kwam te liggen. Niemand stelde er vragen over, maar ik vroeg me af hoe een Roemeense familie zulke oude eigendomsrechten had verworven in Hollandse bodem. Wat waren dit voor mensen? De familie Hangerly. De naam zei me niets. Niemand trouwens.

Ik was weer eens aan het wandelen en besefte gelukkig op tijd dat mijn pasje thuis op tafel lag. Normaal volgde ik een veel uitgebreidere route. Er was een café – erg veel klanten zaten er vanavond niet. Allemaal bekende gezichten. Een man zat te gebaren – of ik binnen wilde komen voor een pilsje – of iets anders. Ik ben geen kroegtijger. Daarom bedankte ik vriendelijk voor de eer en ging verder. Aan het begin van de straat wachtte me eerder nog een geweldige wolk van licht. Vannacht bevond er zich een heerlijke duisternis – bijna als een zwart gat – geen straatverlichting – alleen duisternis, zodat de sterren er mooier leken te glinsteren dan normaal. Ik herkende drie onbekende auto’s, merk Mercedes, dure modellen, limousines. Let wel – er bevonden zich geen straatlantaarns aan die kant van de weg – er heerste een soort halfduister die veel intenser leek, omdat de mannen en vrouwen zich buiten het bereik van de verlichting ophielden. Ik had geen idee hoe ze de beveiliging waren gepasseerd, want deze mensen had ik nooit eerder gezien. De mannen droegen mooie kostuums, zonder enige twijfel op maat gemaakt, dat zag ik meteen, bovendien hadden ze allemaal een zware mantel om de schouders hangen die ongepast warm moest zijn voor de tijd van het jaar. En dan de vrouwen! Lieve hemel… de vrouwen leken te zijn weggelopen uit een laatnegentiende-eeuws toneelspel. Lange jurken die alleen de gezichten en handen onbedekt lieten, de dames droegen klassieke kleding die als een stoffen waterval omlaag golfde, hoog opgestoken , donkerbruin, bijna zwart haar. Dit was chique. Een anachronisme.

Uiteraard vertraagde ik mijn pas. Het was onmogelijk om niet te kijken naar die mensen die dranghekken opzij schoven en het terrein betraden – schoenen zonken centimeters weg in het zand en modder. Toch gingen ze verder, alsof het om een bedevaart ging – . Heel even vroeg ik me af of er nog een andere familie zou kunnen bestaan, ouder dan deze, die het eigendomsrecht op zou kunnen eisen. Het was natuurlijk onzin. Hangerly. Zo heette deze mensen. Ze hadden een clausule in laten bouwen waardoor het terrein automatisch terug in hun bezit kwam. Waarom? In hemelsnaam – waarom? Statige gedaanten verdwenen in de duisternis – enkele dagen terug had er een tent gestaan die de complete archeologische site aan het zicht van camera’s wist te onttrekken. Nu lag het open en bloot, maar niemand, geen enkele journalist, leek te willen filmen. Was de belangstelling soms verdampt of zo?

Ik opende de deur van mijn huis en zag een laatste gestalte in de duisternis verdwijnen – het was een kleine familie, slechts zeven personen, als ze tenminste compleet waren. Drie mannen, vier vrouwen. Behalve botten in het zand, zou er niet veel meer mogen zijn. Een min of meer gangbaar beeld, zoals ik in andere artikelen over vampierkerkhoven had gelezen. Beenderen van een ongewoon mensenras met zeer lange hoektanden, dat wel, maar ze waren niet onsterfelijk of eeuwig jong. Het is een natuurlijk proces. Alles gaat voorbij. Zelfs de planeet wordt ouder en sterft tenslotte.

Omstreeks half een ging ik naar bed, er heerste een weldadige stilte op straat. Zoals gebruikelijk viel ik binnen vijf minuten in slaap, geholpen door een tweetal borreltjes die ik mezelf elke avond gunde. Het was een rustige nacht, het waaide niet, er viel geen regen, het KNMI had geen extreem weer voorspeld. Er groeiden bomen in de voor- en achtertuin die minstens zo oud waren als het huis dat ook aan mijn ouders en grootouders had toebehoord. Ik heb er altijd met plezier gewoond. Om zeven minuten over half drie werd ik wakker – als het hard waaide, sloeg er een oude boomtak bijna timide tegen het slaapkamerraam, het was erg hinderlijk, maar ik durfde de tak nooit af te zagen – de boom stond er al veel langer dan ik leefde. Tik, tik, tik, tik. Ik zag de cijfers van mijn wekkerradio – voordat ik mijn ogen weer dicht liet vallen, vroeg ik mezelf af of er onverwacht een storm was losgebarsten. Dit was niet het geval. Ik hoorde geen wind door de kieren van mijn huis blazen. Het staat er al erg lang, zie je, daarom kun je de wind horen…

Tik, tik, tik, tik. Nogmaals een geluid dat ik als vertrouwd moest ervaren, maar het was allesbehalve vertrouwd. Dit was een heel ander geluid. Ik draaide me om, trok het dekbed omhoog en probeerde het beeld uit mijn hoofd te zetten.

Tik, tik, tik, tik. Langzaam voelde ik mijn hartslag omhoog gaan, want de ‘tikken’ deden me denken aan een oudere man of vrouw die ongeduldig op het raam tikte. Het was onmogelijk, want ik sliep boven. Zo hoog kwam geen sterfelijke ziel.

Alle mediaberichten over vampiers begonnen mijn verbeelding te prikkelen – ik begon ze zelfs te horen. Ondanks mijn eigen weerzin kwam ik overeind om mezelf ervan te overtuigen dat er helemaal niets of niemand kòn zijn. Er heerste een prettige duisternis, precies zoals ik het altijd wil hebben in een slaapkamer. Achter het gordijn waren geen vreemde silhouetten te zien, er was gewoon niets. Er zou alleen een boom mogen staan en een enkele tak die de ruit van mijn slaapkamerraam raakte, als het hard waaide. Maar vannacht waaide het niet.

Tik, tik, tik, tik. Tenslotte won mijn nieuwsgierigheid het van een redeloze angst die er in mijn binnenste was gaan woeden. Ik trok de gordijnen opzij en verwachtte half een magere gedaante voor het raam, zoals je in een bepaalde films wel eens ziet. In eerste instantie was er alleen een duisternis die werd onderbroken door bomen die nog donkerder waren. Ik zag een enkele hand verschijnen – alleen een hand, niets eens een arm of zo – een hand waarvan de vergroeide knokkels op de ruit tikte, precies zoals ik al driemaal eerder had gehoord. Nog altijd dacht ik aan verbeelding. Zulke dingen gebeurden niet echt. Nooit. Alleen in fantastische verhalen. Alsof de boomtak, die al vele tientallen jaren oud was, zonder enige aankondiging de vorm van een menselijke hand had aan weten te nemen. Langzaam maar zeker begon er een arm te groeien – een echte, menselijke arm – een bijpassende schouder, nekpartij en hoofd natuurlijk – een mager gezicht, diepliggende ogen, bijna zwarte ovalen, ingevallen wangen en donkerrode vegen op een huid die bij daglicht ronduit asgrauw zou moeten zijn. Hij opende zijn mond en ik herkende hoektanden die ik al zo vaak in films en boeken had gezien, of me domweg had verbeeld bij romanpersonages, zoals Dracula… lange scherpe hoektanden en opgedroogd bloed. Hij balde zijn vuisten en ik dacht heel even dat hij de ruit kapot wilde slaan – vervolgens kwamen ze ook op de ruit neer en het glas barstte in duizenden stukken uiteen. Ik deed een paar stappen achteruit, viel achterover op bed en de donkere silhouet, die er niet eens mocht zijn, boog dreigend voorover. “Je moet zeggen dat ik binnen mag komen,” zei hij. “Je moet het zeggen.”

“Je moet een droom zijn.”

“Je weet wel beter – je hele leven is een voorbereiding op deze ene nacht – dat weet je.”

“Nee – nee – nee.”

“Toe maar – zeg het. Je moet zeggen dat ik binnen mag komen.”

 


Ondood (1)

Ik verzamel krantenartikelen over vampierkerkhoven. Daarom wist ik allang dat ze echt bestaan. Nu en dan vinden archeologen, die in dienst van een gemeente werken, ergens in Europa stoffelijke resten van mensen die er ooit van werden verdacht als vampier uit de dood op te zullen staan. In Polen werd bij verdachte dorpsbewoners het hoofd afgehakt dat vervolgens tussen de benen werd gelegd. Daarmee hoopten de burgers een wederopstanding van de overledene, als vampier, te voorkomen.

In de buurt van Venetië werden vampiers gevonden waarbij een baksteen in de mond ruimschoots voldoende moest zijn om een eventuele opstanding uit de dood te voorkomen. Tot nu toe is er geen reële discussie geweest over het bestaan van vampiers. Archeologen konden verwijzen naar bijgeloof, omdat mensen nu eenmaal niet de gewoonte hebben om op te staan uit de dood – alleen Jezus heeft dat ooit gedaan – een opvallende overeenkomst, vind ik. Doodgaan en drie dagen later levend het graf te verlaten – levend, of ondood, zoals de mythe van de vampier luidt – een groot verschil met de bijbel. Een vampier is een ondode die zich in leven houdt met levend bloed.

Ik woon tegenover een oud fabrieksterrein en als gevolg van de financiële crisis in 2008 heeft het pand vele jaren als een schandvlek in het dorp kunnen bestaan. Het was een ruïne – de ramen waren bijna allemaal gebroken. Of vampiers werkelijk zouden bestaan of ooit, heel lang geleden, hebben bestaan, behoorde tot de wereld van fantasy en horror, een onuitputtelijke bron van verhalen voor jonge mensen die geloven in een liefde die eeuwig zou mogen bestaan en alleen jonge mensen geloven daar in – het is een voorrecht. Omstreeks eind oktober is een sloopbedrijf begonnen aan de sloop van het pand, eindelijk dan toch. Ik ben niet de enige dorpsbewoner die de sloop heeft gevierd. Ik durf te bekennen dat we allemaal een extra borreltje voor onszelf hebben ingeschonken, toen de slopersbal de muren neer begon te halen. Het werk duurde enkele weken en zelfs maanden, gevolg van een onverwacht strenge winter, maar tenslotte liep het werk bijna op zijn einde en werd het terrein bouwrijp gemaakt, maar viel het werk plotsklaps stil – we hadden geen idee wat er aan de hand was, dachten zelfs aan een faillissement van de sloper, maar dat bleek een vals gerucht te zijn. Bedrijf was gezond. Er stonden ineens enkele auto’s van de gemeente, ik herkende een medewerker van de archeologische dienst die altijd mocht opdraven. Het bleef niet bij enkele auto’s van de gemeente. Op een ochtend trok ik de gordijnen van mijn huis open en stonden er busjes die ik nooit eerder had gezien.

Ik verzamel krantenartikelen over vampierkerkhoven. Daarom wist ik allang dat ze echt bestaan. De media berichtten niet eens over een spectaculaire archeologische vondst in ons dorp, maar er cirkelden wel degelijk helikopters in de lucht – binnen enkele uren was er een gigantische tent over de site geplaatst. Er stonden dorpsbewoners toe te kijken, oudere heren met honden, maar ook kinderen die het allemachtig interessant vonden wat er gaande was, ook al zou niemand in die fase met zekerheid kunnen zeggen wat die slopers nou eigenlijk hadden aangetroffen. Hoe zou je zoiets ooit in een gezelschap durven te zeggen? Ik weet heel zeker dat zelfs niemand die voor mijn huis heeft staan kijken de mogelijkheid heeft geopperd dat er een vampierkerkhof was blootgelegd.

Na enkele dagen begon het definitief tot de wereld door te dringen dat er echt iets heel bijzonders was gevonden in ons dorpje dat amper werd vermeld op de meeste kaarten – nu waren we ineens belangrijk, of het oude fabrieksterrein was dat – en de voormalige eigenaren die we al vele jaren niet hadden gezien.

Ik heb een gewoonte, misschien een heel vreemde, maar ’s avonds, voordat ik ga slapen, moet ik een stukje wandelen – vroeger deed ik dat met de hond – tegenwoordig ga ik in mijn eentje – wandelen moet. Het is zelfs makkelijker, omdat je geen hoopjes poep heeft op te scheppen en mee te nemen naar huis. Ik kan geweldig genieten van de afkoelende buitenlucht, altijd al gedaan trouwens – in mijn jonge jaren behoorde het tot een van mijn stille genoegens.

Op een avond ging ik wandelen, zoals ik altijd deed. Ik deed een jas aan, knoopte een sjaal om mijn nek. Een ijsmuts draag ik niet, ook geen pet, wel een hoed. Natuurlijk heb ik heel goede handschoenen, maar die vergeet ik dikwijls aan te doen, dus de handen verdwijnen meestal in de diepe zakken van mijn jas.

Ik verzamel krantenartikelen over vampierkerkhoven. Daarom wist ik allang dat ze echt bestaan. Zodra er voor je huisdeur een gigantisch circus begint te ontstaan, went dat ook heel snel. Ik schonk weinig aandacht meer aan alle activiteiten die me in het begin een groot deel van mijn dagen bezig hielden. Die avond keerde ik terug na een wandeling in een heerlijk koude nacht; een wolkeloze hemel, flonkerende sterren die een grote landkaart vormden. Voor mijn huis stond een auto, zoals zo vaak, maar dit was er eentje met een Duits kenteken – er stonden enkele mannen en vrouwen naar de enorme tent te staren – jonge mensen, oude mensen. Ik bleef kijken, maar graaide tegelijkertijd naar mijn huissleutels. Twee jonge mannen en vrouwen, een oude man, veel ouder dan ik ooit zou kunnen worden, althans die indruk wekte hij, want hij leunde op een wandelstok. In de duisternis herkende ik de diepe groeven op zijn gezicht – een oude man, die veel had meegemaakt.

Terwijl ik de voordeur van mijn woning wilde openen, ontmoetten onze blikken elkaar – het was slechts een kortdurend ogenblik, maar het gebeurde. Ik wilde de sleutelbos vastpakken – mijn rechterhand viel stil in een vloeiende beweging – ik herkende die oude man en wist dat hij inderdaad zeer oud was, veel ouder dan een mens  normaal zou kunnen worden. Gedurende enkele seconden zag ik een felle flikkering in zijn ogen die me erg bekend voorkwam. Vroeger had ik in zijn fabriek gewerkt, ooit was hij de eigenaar, een flamboyante man, die allang dood was.

Je moet weten dat ik krantenartikelen verzamel over vampierkerkhoven en natuurlijk begrijp ik dat ze voornamelijk handelen over bijgeloof – toch wist ik dat ze – vampiers – wel degelijk bestaan. Het is geen godsdienst, als je dat soms denkt. Het is een gewone overtuiging die ik altijd heb aangehangen.

De oude eigenaar, die flamboyante man, wiens ogen glansden in het nachtelijk duister, stak zijn hand omhoog, als een heel normale groet – hij lachte zijn tanden bloot, zoals hij vroeger vaak deed. Ik vond hem een aardige man die meedogenloos kon zijn – zo’n reputatie had hij in de fabriek, aardig, maar tegelijkertijd bikkelhard – ik werkte graag voor hem.

Ja, ik wist honderd procent zeker dat hij het was.

Probleem was dat hij al bijna twintig jaar eerder dood was gegaan – ik wist het zeker – hij was het – niemand anders zou het kunnen zijn – hij was het – beslist.

Dode mensen groetten niet – dus was hij een ondode.

Nee – nee, ik moest het me verbeelden, het was toeval – deze mannen en vrouwen leken alleen op mensen die ik ooit erg goed had gekend. Ik vond het erg prettig om over vampiers te lezen en films te bekijken, maar ze behoorden tot de klassieke mythische volkscultuur.

Ik betrad mijn huis en liet de voordeur iets te hard in het slot vallen – bijna een uur later ging ik naar bed.

’s Nachts heb ik niet gedroomd over ondoden met gezichten die me bekend voorkwamen – geen lange magere vingers die op een ruit tikten – geen traag bewegende monden waar lange hoektanden uitstaken. Alle bekende verhalen over vampiers waren verhalen en meer niet. Ik hoefde me nergens druk over te maken. Het waren maar verhalen, heel oude verhalen.

De volgende ochtend nam ik, zoals gebruikelijk, eerst een korte warme douche – daarna bereidde ik een ontbijt – knäckebröd met oude kaas en een kop thee. Het was voor mij een goed begin van de dag. Alles veranderde toen ik de chocoladeletters op de voorpagina van mijn ochtendkrant las – ‘Vampierkerkhof gevonden!’ – twee handen, die aan een vrouw konden toebehoren, hielden een schedel omhoog, anders dan de foto’s die ik kende – een menselijke schedel, als van een homo sapiens, maar dan met de archetypische lange hoektanden van  een vampier – het zou een authentieke vondst moeten zijn.

Ik maakte me geen zorgen. Het was niet het eerste vampierkerkhof dat er ooit was gevonden in Europa.

Nee, ik maakte me nog geen zorgen.      

Foto’s zijn afkomstig uit het Algemeen Dagblad


Sirene (4/4)

Om negen uur ’s ochtends verliet ik mijn huis voor een sollicitatiegesprek – een mogelijkheid om vijftien uur les te geven, NT2, dus Nederlands aan allochtonen. Ik had al ruim twintig jaar geen les meer gegeven, maar was wel in bezit van een lesbevoegdheid. Er zouden wat bijscholingscursussen nodig zijn, maar dat was geen enkel probleem. Terwijl ik in de auto wilde stappen, verliet een jonge vrouw het huis van Willard – ze riep: “Nou, ik hoop dat u het zo goed met u blijft gaan, mijnheer Maas!”

Ik gunde mezelf geen tijd om na te vragen wat er aan de hand was – dat kwam later wel, als ik er langsging. Het gesprek vond plaats in een kantoortje en bijna een uur later vertrok ik er weer met een redelijk goed gevoel.

Onderweg naar huis begon ik weer na te denken over de opgewekte woorden van de thuishulp toen ze Willards huis verliet. Voordat ik mijn wijk binnen mocht gaan, moest ik me legitimeren. Ik passeerde agenten die al het binnengaande verkeer moesten controleren, dus niemand erin, uitgezonderd de bewoners – ze hadden het kenteken van mijn auto. Uiteraard kende ik het verschijnsel van de goede en slechte dagen die mijn buurman, net als iedereen, ook zou moeten hebben – het optimistische, vrolijke gezicht van de jonge vrouw baarde me enige zorgen. Al gunde ik Willard al het beste in zijn leven, maar het ging de laatste tijd juist helemaal niet zo goed. Het was een beetje een raadsel, zoals de sirene in het bos.

Ik kleedde me eerst om, zette een kopje koffie op tafel en stuurde een berichtje naar mijn broers die graag wilden weten hoe het gesprek was verlopen. Na een half uurtje betrad ik het huis van Willard die tot mijn grote verbazing geen rollator of wandelstok gebruikte – hij ging gewoon rechtop en leek niet de minste moeite te hebben met zijn evenwicht. Mijn buurman leek ineens 10 jaar jonger te zijn, een man die ik nooit heb gekend, omdat ik er slechts een korte tijd woonde. Zijn gezicht leek veel minder doorgroefd, zijn huid stond strakker dan ik van hem gewend was en er gloeide weer een gezonde blos op zijn wangen.

Ik slaagde er niet in mijn verbazing te verbergen en hij lachte zijn vergeelde tanden bloot. “Je probeert het te snappen, hè? Net als ik trouwens. Ben je ooit wakker geworden met het idee dat God je de kans heeft gegund om een totaal verpest leven te herstellen? Nou, zo ben ik vanochtend wakker geworden. Ik heb me in 20 jaar niet zo goed gevoeld.”

“ – Eigenlijk wilde ik vooral weten of je nog wat van de supermarkt nodig hebt,” zei ik en ondertussen bestudeerde ik het uiterlijk van Willard die er ècht uitzag als een man van ongeveer zeventig jaar oud. Gisteren had zijn huid doodsbleek gezien, ondanks de tatoeages op zijn armen en ongetwijfeld borst, alsof de dood dwars door zijn huid probeerde te dringen. Ik schudde mijn hoofd en draaide me om – deze Willard Maas kon best zelf naar de buurtsuper.

“Ja, ik loop eventjes mee,” zei hij, “da’s ook wel eens leuk – ik neem een wandelstok mee, anders valt het de mensen teveel op en gaan ze daarover kletsen.”

Enkele minuten later verlieten we met zijn tweeën het huis en wandelden we in een rustig tempo naar de supermarkt. Willard wees naar alle woningen die in de jaren na zijn vertrek waren gebouwd, een halve stad – vroeger was het landelijk gebied geweest, zover je kon kijken, mensen die in onvoorstelbaar slechte woningen moesten leven en snel oud werden. Paarden die oude, verrotte karren voorttrokken, een paar rijke burgers die zich een automobiel konden veroorloven – ik begreep dat hij een deel van zijn jeugd opnieuw voor zich zag, alle ellende, maar ook de fijne herinneringen.

In de supermarkt ontmoetten we veel verbaasde gezichten – mannen en vrouwen die normaal gesproken zelden of nooit omkeken – Willard was jaren terug voor het laatst in de supermarkt geweest en misschien waren de mensen gewoon verbaasd, omdat hij nog altijd in leven bleek te zijn. Dacht ik.

“Mijnheer Maas – U bent toch de tweede zoon van Diederik Maas? Volgens de krant bent u een tijdje met het meisje gegaan – Hester – Hester Visscher.”

Willard gaf geen reactie en staarde in het oneindige, een starende blik die een onbekend moment in het verleden zocht. “Nee, ik heb haar wel gekend.”

“Dus de krant zit ernaast?”, vroeg dezelfde vrouw. “En wat vindt u eigenlijk van het raadsel – de sirene?”

Willard keek een ogenblikje naar de vloer voordat hij antwoord gaf, een ander antwoord dan ik verwachtte.

“Drie mannen komen bij elkaar om over hun geloof te praten, een christen, een jood en een moslim – ze willen vaststellen wie er gelijk heeft – twee van die mannen kunnen nooit gelijk hebben, eentje heeft er altijd zonder meer gelijk – vertel eens – Wie is dat?”

“Weet ik niet,” zei de vrouw. “Ik heb geen idee.”

“Dàt is nou een raadsel en ik begrijp het ook niet,” zei Willard, terwijl we verder gingen met onze boodschappen. De vrouw bleef verbouwereerd achter en vergat verder vragen te stellen, precies zoals Willard uiteraard bedoelde met zijn vreemde raadsel.

Onderweg naar huis droeg ik de boodschappen in twee plastic tassen – Willard had niet eens zoveel nodig gehad – ik wist niet of de spectaculaire verandering blijvend zou zijn, maar misschien hoopte hij vanaf nu elke dag boodschappen te gaan doen. We spraken weinig – zijn hoofd draaide regelmatig naar het bos, alsof ook het antwoord op zijn eigen raadsel daar ergens lag te wachten, zoals elk van de drie mannen uit zijn voorbeeld altijd gelijk moet hebben. Thuis zou ik de krant moeten lezen, iets wat ik tot nu toe had nagelaten vanwege de sollicitatie. Willard kwam blijkbaar ter sprake, een krant moest hem hebben genoemd, of in elk geval zijn vader. Ik wist dat mijn buurman het antwoord niet makkelijk weg zou willen geven. Mogelijk was zijn raadsel gewoon bedoeld om ons allemaal te ontregelen. Ik had het vermoeden dat zijn opzet was geslaagd. We hadden de supermarkt verlaten zonder verdere vragen over het raadsel van de sirene – niemand zei nog iets.

De middag vergleed heel traag in een avond die koud en onbewolkt beloofde te worden, er hing een gigantische volle maan laag boven het bos. Vroeg in de avond waren er veel buurtbewoners vertrokken. Ze stapten in auto’s en zouden bij familie of vrienden slapen, alles was beter dan een nieuwe nacht in spanning. Ik had de afwas gedaan, ben daar ouderwets in, een vaatwasmachine vind ik zonde. Gordijnen stonden wagenwijd open. Er was een voetbalwedstrijd bezig op televisie, het geluid stond heel zacht – ik ben niet echt een liefhebber, maar soms wil ik nog wel eens kijken. Mijn gedachten bleven onophoudelijk teruggaan naar de spectaculaire verandering die ik bij Willard had vastgesteld. Zoiets had ik nooit eerder meegemaakt en het bestond voor zover ik wist ook niet eens – maar hetzelfde gold natuurlijk voor de sirene die elke nacht aan het roepen was vanuit het bos, een onbekende, vrouwelijke stem – volgens de kinderen die haar hadden gehoord ging het om een treurige en dwingende stem – het was het verhaal van een verloren liefde, aldus de oudere jongens en meisjes die tot hun enkels in het water hadden gestaan. Ik las opnieuw een artikel in de krant, het ging onmiskenbaar over Willard, al weigerde hij iets te zeggen over de gebeurtenissen die hem heel, heel lang geleden weg hadden gejaagd uit Nederland.

Ik zat op de bank en was in slaap gevallen, terwijl op televisie de wedstrijd nog altijd bezig was. Het overkomt me vaker. Ook die avond. Maar de telefoon ging, het was een harde, ouderwetse bel die ik hoorde. Ik nam de hoorn op, maar bleef ook zitten, ook al kan dat in mijn woonkamer niet eens. Een metaalachtige stem, alsof er een machine aan het spreken was, zei: “Het is tijd.” Meer hoorde ik niet. Ik schrok wakker, de televisie vertoonde een praatprogramma dat ’s middags al live was uitgezonden, een herhaling.

Het duurde enkele ogenblikken voordat ik me realiseerde dat er iemand op straat naar mijn huis keek – een oudere man met gespreide benen, armen slap langs zijn lichaam – hij was niet veel jonger geworden. Ik deed mijn schoenen snel aan, griste een jas mee die veel te koud was voor de tijd van het jaar. Een slechte voorbereiding, maar het was tijd. Dezelfde volle maan, die eerder die avond al zo vreselijk groot had geleken, was nu nòg groter. Op straat voelde ik de koude wind die uit het oosten waaide – ik trok mijn capuchon omhoog en bleef naast Willard stilstaan. “Willard en Hester, zo had het moeten zijn – jullie hielden zielsveel van elkaar.”

“Ja, jongen, ik ben vijftig jaar op de vlucht geweest en dacht rustig terug te kunnen komen, omdat iedereen het verleden allang was vergeten – maar geschiedenis is weerbarstige materie en laat zich niet makkelijk in de vergetelheid dwingen. Ik heb geen familie meer, iedereen is dood, ik ben de laatste. Jij komt dichterbij een familielid dan iedereen die ik ooit ben tegengekomen.” Hij draaide zich om en begon naar het bos te lopen, daarachter lag zijn bestemming.

Ik volgde Willard en het leek heel vanzelfsprekend, er moest een getuige zijn, iemand die later kon vertellen over de laatste nacht van de sirene, want het zou de laatste keer worden – ze werd na  die nacht nooit meer gehoord. “Kon je haar stem horen?”

“Net zo duidelijk als die kinderen,” zei Willard die zijn lichaam langs struiken en boomtakken wurmde. “Zeg eens, Vince. Heb je ooit eens nagedacht over een tweede kans, als die zich zou voordoen? Mocht je onverhoopt de ergste fout in je leven ongedaan kunnen maken – Zou je dat dan ook doen? Of zijn we onze eigen slachtoffers en onherroepelijk gedoemd dezelfde fouten weer te maken?”, vroeg hij, maar Willard verwachtte geen antwoord van mij te krijgen.

Hij bewoog zich in het bos, alsof hij thuis was gekomen, heel gemakkelijk – hij leek elke kuil te weten en stapte er behendig omheen. Ik voelde een enkele keer water in mijn schoenen, maar wist een vloek binnensmonds te houden. “Een broer van Hester ontdekte dat we elkaar zagen en wilde een wit voetje halen bij zijn ouwe heer – het plan slaagde – mijn vader raakte zijn baan meteen kwijt, het betekende nog grotere armoede, want er was toen geen sociale dienst. Ik heb Hester nooit meer gezien.”

“Jij moest iets doen, voelde je schuldig, besloot naar zee te gaan – je hebt je ouders lange tijd onderhouden, waarschijnlijk tot ze van Drees gingen trekken – een echt pensioentje kregen van de staat – een inkomen. Daarmee werd de macht van de kerk ook aardig gebroken, denk ik, als is dat mogelijk een aanname.”

Willard ging verder – sterren blonken boven onze hoofden en veel duidelijker dan ooit tevoren.

“Wat is er met Hester gebeurd?”, vroeg ik.

Hij bleef staan en draaide zich om. Er lag een spookachtige glans op zijn gezicht – gevolg van maanlicht en donkere, nachtelijke schaduwen.

“Opgesloten in de kelder, al hoopte ze misschien op het klooster, maar dan zou haar vader zijn macht en controle over Hester hebben moeten opgeven.”

“Ze heeft duur betaald voor haar liefde.”

“Ja – .”

“Hoelang heeft ze in die kelder gezeten?”

“In elk geval tot 1976.”

“Wist je dat hij zijn dochter had opgesloten?”

“Nee.”

“Hoeveel mensen wisten dat hij zijn dochter gevangen hield in de kelder van zijn huis?”

“Iedereen was op de hoogte.”

“Alleen jij niet?”

“Ze durfden het mij niet te vertellen, Vince.”

“Waarom – ?”

“Ik was naar huis gekomen en zou die ouwe schooier, die souteneur en landverrader, hebben doodgeslagen met mijn eigen blote handen… ik zou hem hebben vermoord… en dat wisten ze allemaal.”

“’n Tragedie.”

Hij draaide zich weer om en begon opnieuw te lopen.
“Vince – Geloof jij in God?”

“Niet echt, al moet je ruimte laten voor twijfel.”

“Nooit gedaan – ik heb nooit in God geloofd, jongen, maar Hester aan de andere kant wel – ze geloofde heel vurig, ik werd er wel eens kriegel van, weet je.”

We bereikte de plas – het wateroppervlak lag er stil bij, zonder rimpelingen, als een reusachtige spiegel.

Willard draaide zijn hoofd een beetje naar rechts. “Je mag een tweede kans nooit verprutsen of laten lopen. Er zijn mensen doodgegaan hierdoor, jonge kinderen, als je dàt geen hoge prijs zou kunnen noemen. Misschien is het de duivel wel die een grap probeert uit te halen met een paar mensen en als je het bestaan van de duivel erkent, dan moet God er dus ook zijn.”

Hij liep het water in, ik bleef achter op de oever, half verscholen tussen bomen en struiken. Ik had geen idee wat hij zou doen – hij bleef in het midden staan en staarde langdurig naar beneden, alsof hij haar zocht. Er was helemaal niemand. Dat wist ik. Zoveel mensen hadden gezocht naar de sirene en niemand had haar gevonden. Er zou niemand mogen zijn. Op zeker moment knielde hij neer, alsof Willard eindelijk had gevonden wat hij zolang geleden was kwijtgeraakt. Er begon heel langzaam een lichaam omhoog te komen uit het water – hij tilde een vrouwelijk lichaam uit de bagger – de troep die zich op de bodem van de plas had gevormd – de modder waarin het leven van Hester Visscher was verzonken. Lange blondgrijze haren hingen omlaag, ze droeg een jurk die ooit modieus moest zijn geweest, haar lichaam droeg alle sporen van jarenlange mishandelingen. Willard droeg haar naar de oever – vuil water spatte op het platgetrapte zand. Hij weigerde haar neer te zetten, knielde neer en zijn worstachtige vingers streelden haar gezicht. “Misschien heeft zowel God als de duivel er niets mee te maken,” zei ik en Hester reageerde nauwelijks op mijn woorden. “Zien we elkaar ooit nog eens terug?”, vroeg ik. Heel even dacht ik aan een Britse schrijfster die liefde de oudste en tegelijk ook sterkste magie had genoemd.

Willard leek te vergeten dat ik toe stond te kijken en gaf geen antwoord meer – zijn aandacht was bij de vrouw die hij zolang geleden achter had moeten laten. Ik draaide me om en slikte enkele laatste stichtelijke woorden in die ik uit had willen spreken – tussen de bomen keek ik nog een laatste maal over mijn schouder – ik zag een man en een vrouw aan de rand van die plas – een enorme volle maan die het decor vormde van een toneel dat toch nog een goed einde leek te mogen beleven voor twee mensen die de tijd, anders dan bij jongeren, in dagen, weken en maanden rekenden – in plaats van jaren, maar zolang ze leefden – deden ze dat hoe dan ook in elkaars gezelschap.

Een uur later zat ik thuis op de bank – mijn intuïtie gaf een duidelijke waarschuwing af – Willard zou niet meer terugkeren en als zijn buurman, zou ik de verplichting hebben naar de politie te gaan – of het alarmnummer te bellen, omdat hij zijn voordeur niet zou willen openen. Willard zou thuis moeten zijn in gezelschap van Hester die hij na zo’n lange tijd had terug gevonden, maar ik begreep heel goed dat zijn huis leeg en donker achter zou blijven. Zo gebeurde het ook. ’s Ochtends belde de thuishulp aan – ze had voor een gesloten deur staan wachten en toonde zich bezorgd – ik besloot direct 112 te bellen en binnen een half uur stonden er politieauto’s, een ambulance en brandweer voor de deur om het huis open te breken – er was een slotenmaker nodig om de deur open te maken, terwijl ik al die tijd wist dat hij weg zou zijn. De raadselachtige verdwijning van mijn buurman Willard Maas werd voorpaginanieuws – ik vond het niet eigenaardig dat de sirene nooit meer werd gehoord. Sinds die tijd wandel ik regelmatig in het bos – einddoel is altijd de plas waar ik Willard zijn vrouw uit het water en de modder heeft gepakt – verleden week dacht ik een ouder echtpaar in de schaduw van een eikenboom te zien – ze hadden alleen oog voor elkaar – ik dacht dat ik een ouder echtpaar zag. Het duurde slechts enkele seconden – daarna waren ze weer verdwenen.

Ik zou er nooit meer aan hebben gedacht als ik gisteren in de supermarkt niet met een stelletje had gesproken dat eenzelfde soort ervaring bleek te hebben. Een ouder echtpaar in de schaduw van een boom – het duurde enkele seconden voordat ze weer verdwenen, alsof het verdwijnend zonlicht die mensen aan het zicht zou kunnen onttrekken – een wolk die voor de zon schuift – een schaduw die plots en geheel onverwacht over het landschap glijdt. Een oudere man en vrouw die er alleen zijn als de zon schijnt, nooit als het bewolkt is – altijd alleen als de zon…


Sirene (3/4)

*****

De volgende dag waren ze er weer en nu in grotere aantallen dan een dag eerder – vertegenwoordigers van de media – camerateams met een verslaggever, fotografen die hoopten op een tragisch prentje en alle andere geïnteresseerden, oftewel: ramptoeristen. Toch deed er zich een opvallend verschijnsel voor en ik volgde de berichten hierover met een opgewekte glimlach, want verreweg de meeste bewoners, die werden aangeklampt door een verslaggever, weigerden commentaar te geven, zodat er een extra dimensie aan het raadsel leek te worden toegevoegd. ’s Middags om één uur vond er in het gemeentehuis een persconferentie plaats over de sirene, zoals het inmiddels was gaan heten. Ik wilde alleen weten welke maatregelen de gemeente ging nemen om die vervloekte ramptoeristen te weren uit onze straat. Verder was ik razend benieuwd naar de verklaring die zou worden gegeven voor het raadsel, de dwingende, roepende vrouwelijke stem uit het bos, al moest je er een goed en vaak jong gehoor voor hebben. Ik had ’s ochtends al verschillende helikopters gehoord die het natuurgebied onderzochten en daarbij uiteraard heel moderne apparatuur gebruikten, maar vooral moesten vaststellen dat, zoals de burgemeester het opmerkte, er geen levend wezen meer voor scheen te komen – alle dieren hadden de streek verlaten of waren dood. Er viel geen kuchje te horen, terwijl de burgemeester haar verhaal deed en feitelijk weinig anders kon dan zeggen dat niemand er iets van snapte – een raadsel.

Een kind was overleden als gevolg van een aanrijding, twee jongens bleken uit het raam te zijn gestapt en hadden daarbij zware verwondingen opgelopen, maar leefden gelukkig nog. Een journaliste kwam met een zeer terechte vraag: “Wat gaat de gemeente doen om herhaling te voorkomen?” De burgemeester beloofde de sporthal en een kerk in te richten als opvangcentrum voor ouders die zich ongerust maakten. Het was uiteraard vrijwillig. Een andere verslaggever riep of ze niet beter oordopjes ter beschikking kon stellen – waarna de burgemeester minzaam glimlachend reageerde dat daar ook al aan was gedacht – maar, nogmaals – het was vrijwillig.

Ik behoorde niet tot de doelgroep en bleef thuis slapen, maar ’s avonds zag ik diverse families zich klaarmaken voor een nacht in de sporthal en, mocht het gezien de belangstelling nodig zijn, de kerk. Halverwege de middag waren de ronkende motoren van helikopters plots verdwenen, maar het zou me niet verbazen, als ze ’s nachts terugkeerden. De jongste kinderen viel spoedig in slaap, ondanks een vreemde omgeving waarin ze terecht waren gekomen. Een meisje van zeventien jaar, een zekere Judith Herrijgers, begon als eerste te vertellen over afgelopen nacht. Terwijl de anderen zwijgend luisterden, deed ze haar verhaal. Een dag later hoorde ik Van Tilborgh over Judith.

Judith had de stem gehoord die onmiskenbaar aan een jonge vrouw toe moest behoren – een stem die voor een deel klonk als de wind die tijdens een storm door kieren en gaten blaast, maar wel een menselijke stem. Het was een vrouw die treurde over het verlies van haar enige en grootste liefde in het leven – waarmee ze overigens niet bedoelde dat haar liefde dood was. Er volgde blikken van enkele volwassen mannen en vrouwen – ze wilden geen twijfel uitspreken, aangezien er al genoeg tragische ongelukken waren gebeurd die een direct gevolg waren van de sirene. Nee, Judith bleek zelfs woorden te hebben verstaan. Volgens Judith ging het om een meisje dat verliefd was geworden op de verkeerde jongen, omdat hij afstamde van dagloners, een armoedzaaier en het meisje was de oudste dochter van een rijke boer.

“Hoe weet je dat nou allemaal?”, vroeg Van Tilborgh.

Rens, een jongen die naast Judith in het water had gestaan, beaamde het verhaal. Hij had precies hetzelfde gehoord – Rens was de tweede die begon te spreken. Andere jongens en meisjes knikten alleen met hun hoofden als teken dat ze gelijk hadden.

Een stem, als de wind die tijdens een storm door kieren en gaten blaast, maar wel een menselijke stem. Een vrouw die treurde over het verlies van haar liefde. Ik hoorde het verhaal van Mike van Tilborgh die er een beetje verlegen bij glimlachte, omdat hij niet goed wist wat hij er mee moest doen.

“Hoe weten ze dat nou?”, vroeg ik. “Een verloren liefde, de oudste dochter van een rijke boer, de zoon van een dagloner? Heeft ze dat allemaal geroepen?”

“Ja, zoiets.”

“Waarom zeggen de jongere kinderen dat niet?”

“Die zijn vermoedelijk te jong.”

Hij draaide zich al om en wilde naar huis lopen.

“Zeg eens, Mike – Ken jij toevallig iemand die veel kennis heeft van de lokale geschiedenis – dus van onze stad – er zullen niet veel echt rijke boeren zijn geweest. Misschien kent hij het verhaal. Of zij.”

Van Tilborgh trok zijn wenkbrauwen omhoog en zijn gezicht klaarde meteen op. “Ja, mijn schoonvader is een wandelend geschiedenisboek – die ouwe heeft zijn halve leven alleen maar gelezen, geschreven en hij is in archieven aan het wroeten geweest.”

“Niet geschoten is altijd mis, Mike.”

Overigens bleek de aanvullende maatregel – gehoorbeschermers voor alle kinderen die de sirene zouden moeten horen – een doorslaand succes. Er vonden in de sporthal en kerk geen nieuwe incidenten plaats. Er volgde een relatief rustige nacht, afgezien van de bouvier van Alice Lubach die net voor zonsopgang door een ruit van de keukendeur sprong. Ze was overigens niet eens de enige onvoorzichtige eigenares van een hond of kat – een man genaamd Erik Jan de Jong ontdekte dat zijn herdershond, die Wadjan heette, zo goed als doof zou moeten zijn – het dier leek nergens last van te hebben en sliep door.

’s Avonds bracht Mike van Tilborgh een bezoekje aan zijn schoonvader die erg afgelegen woonde – de ouders van zijn echtgenote hadden in de jaren zeventig een boerderijtje gekocht en zelf opgeknapt. Zodra Van Tilborgh een voet over de drempel stapte, leek hij met een tijdmachine terug in de tijd te reizen – maar zijn schoonouders leefden allebei nog en genoten van een redelijk goede gezondheid, dus zielsgelukkig met hun huis dat in 1978 of zo voor het laatst was behangen – hij kreeg een kopje koffie en stelde zijn vraag die de oude man blijkbaar al een beetje had voorzien, want er lagen verschillende boeken op tafel die betrekking hadden op de geschiedenis van Zwaagveld in de twintigste eeuw…

“Mevrouw de burgemeester heeft ook al aan de telefoon gehangen,” zei de oude Van Roosmalen.

“Zo’n gek idee was het dus niet eens.”

“Nee – nee, helemaal niet, maar ik heb genoeg teruggevonden, zelfs een familie die enigszins aan het profiel voldoet dat het meisje, Judith Herrijgers, zo keurig heeft geprobeerd te schetsen, al zou ik meer details toch wel prettig hebben gevonden. Die mis ik. Het is natuurlijk geen verwijt, want veel informatie kan de stem die ze heeft gehoord niet hebben gegeven. Ik heb iets gevonden over een zekere Bart Visscher, een rijke boer die ook geld schijnt te hebben verdiend aan de Duitse bezetter, misschien zelf ook aan joods onderduikers, maar daarover heb ik weinig gevonden. Wel de joodse onderduikers, niet het geld dat hij eraan overgehouden schijnt te hebben. Bart Visscher stond bekend als een man die weinig cadeautjes weggaf. Het is een hardnekkig verhaal dat ik erg vaak heb gehoord, vooral na zijn dood in 1976. Al zijn kinderen zijn getrouwd en hebben kinderen gekregen, behalve eentje, de oudste dochter die Hester heette, een vrolijke opgewekte meid tot ze in maart 1950 uit beeld raakte – ze kwam nergens meer, ook niet in de kerk, terwijl ze altijd een zeer gelovig meisje was.”

“Dood?”

“Mm, geen idee, maar ik zou het niet eens zo vreemd vinden, als de burgemeester een paar rechercheurs op pad stuurt om met de overgebleven broers en zussen te gaan praten – voor zover ze nog in leven zijn.”

“Die moeten allicht iets weten.”

“Ik heb die ouwe Bart Visscher goed gekend en hij was een eerste klas misbaksel – een grote smeerlap,” zei de oude Van Roosmalen die een slok koffie nam.

“Wat zou er gebeurd kunnen zijn?”

“Ik durf het niet te zeggen of zelfs te speculeren.”

Er waren uiteraard enkele gezinnen die de derde nacht in de sporthal en kerk doorbrachten, maar het merendeel besloot gewoon thuis te blijven – veel noodbedden bleven onbeslapen en de verwachting was dat er een rustige nacht zou volgen zonder enige incidenten. Terwijl rechercheurs inderdaad op zoek gingen naar nog levende kinderen van Bart Visscher en zelfs zijn dochter Hester, nam de nacht langzaam bezit van onze stad. Er zou niets vreemds mogen gebeuren, aangezien we allemaal wisten wat we moesten doen om het gevaar buiten de deur te houden. Ik bracht een bezoek aan mijn buurman Willard – die een biertje op tafel zette, ook voor zichzelf natuurlijk en er volgde een verhaal over een vrouw die hij in Paramaribo had leren kennen en vervolgens had laten zitten, omdat het zwerversbloed voor de nodige jeuk bleef zorgen – . “Ik zal er beslist een paar met jong hebben geschopt,” zei Willard.

Ik nam een slokje bier en zette het blikje neer. “Eergisteren, de tweede nacht van de sirene, heb ik je buiten iets horen zeggen, Willard. ‘Ze is me aan het roepen’. Over wie had je het eigenlijk?”, vroeg ik.

Hij dronk het blikje in een enkele teug leeg. Zijn ogen leken de zware gordijnen van zijn woning te kunnen doorboren of hij zocht naar een onbekend punt achter de bomen. Zijn magere vingers verfrommelde het blikje, zodat ik wist dat het mijne binnen enkele minuten leeg moest zijn. Een antwoord zou er niet meer volgen. Ik dacht eventjes aan Hester Visscher, alsof ze een geliefde van Willard geweest zou kunnen zijn, lang geleden. Het zou veel te makkelijk zijn en het leven geeft zelden of nooit eenvoudige cadeautjes weg. “Willard,” zei ik. “Waren er veel dagloners hier? Ik bedoel – vroeger, dus eind jaren veertig.”

“Het wemelde ervan – iedereen was dagloner, of bijna iedereen – daarom ging ik ook weg uit de stad, al verwachtte iedereen dat ik binnen een maand uitgehongerd en berooid terug zou keren om te gaan doen wat mijn voorvaderen allemaal hebben gedaan.”

“Had je spaargeld?”, vroeg ik.

“Ja,” en hij begon heel hard te lachen. “Genoeg om Rotterdam te halen en aan te monsteren als matroos, het was in die jaren de enige manier om weg te komen. Keihard werken en ik vond het prachtig.”

Ik gooide de lege blikjes in de prullenbak die buiten stond en luisterde even naar een dwingende, droevige stem, maar ik hoorde, zoals gewoonlijk niets. Willard moest een stem hebben gehoord, anders kon hij niet eens die woorden uitspreken. Het was geen goed idee om verder vragen te stellen over die episode, lang geleden, toen hij besloot weg te gaan uit de stad.

Voordat ik de deur achter me dicht trok, hoorde ik hem enkele verontschuldigende woorden uitspreken. “Het is geen onwil, jongen, ik kan het gewoon niet.”

Mijn hand bleef seconden lang op de klink rusten met de deur op een kier, zodat de woorden me zouden bereiken, maar ik reageerde verder niet en ging weg.

Om zeven minuten over drie gooide Rens de deur van zijn ouderlijke woning achter zich dicht en begon naar het bos te lopen, nadat hij zijn gehoorbeschermers uit had gedaan – nu bleek hij niet de enige te zijn die dit had gedaan, dus de meeste speculaties waren vooral gericht op de vraag waarom de jongens en meisjes dit hebben gedaan, omdat ze wisten hoe vreselijk gevaarlijk het was. Judith vond de kneedbare gehoorbeschermers jeuken, maar dwong zichzelf die rotdingen in te houden. Een jongen, die Bernard heette, kwam met exact dezelfde verklaring – die dingen jeukten. Het zorgde ervoor dat er in totaal negen jongens en meisjes onder wie Rens opnieuw naar het bos gingen. Hun ouders achtervolgden hen, maar voor Rens was het al te laat – een vrachtwagen raakte hem, een chauffeur die uit Oost-Europa afkomstig was. Er ging een gerucht dat hij hij bier zou hebben gedronken, maar de man was geheel nuchter – hij droeg geen schuld.

Bernard had meer geluk, al leek het daar aanvankelijk nauwelijks veel van weg te hebben – hij struikelde over een boomstam – in zijn haast om bij de plas te komen – hij kwam neer, brak weliswaar zijn val, maar bleef haken met zijn voet en voelde een bot breken. Toch waagde hij een poging zich verder te slepen.

Er gebeurde in totaal vijf dodelijke ongelukken, het was een rampzalige nacht, de ergste tot nu toe, terwijl we allemaal dachten dat het makkelijker zou worden. Ik vernam het nieuws de volgende ochtend en hoorde alle verhalen, maar de media werden op afstand gehouden. Ook mensen die de wijk in wilden, moest zich legitimeren, omdat ze anders door de politie werden tegengehouden – dus geen ramptoeristen meer die ook via radio en televisie werden verzocht om alsjeblieft weg te blijven – de kwestie was zo al raadselachtig genoeg en dreigend – na zes menselijke slachtoffers, één jongetje lag in het ziekenhuis te vechten voor zijn leven, maar er was goede hoop voor hem – er waren natuurlijk ook vele honderden en misschien zelfs duizenden dieren gestorven sinds de sirene haar of misschien zijn roep had laten horen. Het werd in sommige publicaties als seksistisch ervaren dat de sirene per definitie een vrouwelijke stem moest zijn die mensen in het ongeluk stortte. De betrokken kinderen hadden geen benul van seksisme.

Helikopters vlogen systematisch over het gebied, zelfs militairen die, vanzelfsprekend voorzien van gehoorbeschermers, het bos doorzochten op een onbekende aanwezigheid van iets of iemand waarvan zelfs deskundigen niet eens wisten hoe ze eruit moest zien. Was het menselijk? Of juist niet? Moesten we eerder aan klassieke mythische afbeeldingen denken? Het idee van een zeemeermin werd door ons allemaal weggehoond, omdat het water nauwelijks dieper was dan een centimeter of tien. En hoe kwam het er? Het waren vragen die onbeantwoord bleven, hoewel de meest fantastische ideeën rondgingen – het leger zou ermee te maken kunnen hebben, er lag een landmachtbasis in de buurt, een munitiedepot. Misschien hadden de Duitse bezetters in 1945 een onbekend experiment achtergelaten… Onze weigerachtigheid om commentaar te geven leidde tot waanzinnige speculaties – maar ook de autoriteiten wisten geen sluitende verklaring te geven – in elk geval waren we voor de pers sowieso onderdeel van het raadsel geworden. Waarom weigerden we anders te praten met journalisten of in televisieprogramma’s te komen? Er heerste een absolute stilte die af en toe werd verbroken, bijvoorbeeld door een persbericht waarin werd gesproken over nakomelingen van een zekere Bart Visscher. Er bleken er twee te leven die in staat moesten worden geacht te zeggen wat er van hun zus Hester terecht was gekomen, een vrouw van wie nooit vast is komen te staan dat ze dood was gegaan. Een zoon en dochter van Bart Visscher – twee hoogbejaarden die weigerden te zeggen wat ze wisten, maar mogelijk ook waren vergeten dàt ze iets wisten. Gezien de leeftijd zou het allebei goed kunnen. In elk geval dook de media massaal op het verhaal en begonnen ze te graven naar alle berichten over Hester en natuurlijk haar tragische minnaar – die ook. Langzaam maar zeker begonnen alle details door te sijpelen naar de media, of we nu spraken of niet.


Sirene (2/4)

’s Ochtends las ik eerst enkele vreemde berichten die er rondgingen over de gebeurtenissen van afgelopen nacht en ik verbaasde me voornamelijk over de volslagen raadselachtigheid van alle gebeurtenissen, aangezien niemand in staat leek te zijn om te verklaren wat er was gebeurd. Ik begon vervolgens aan wat destijds zo’n beetje een dagtaak was, namelijk solliciteren, aangezien ik als gevolg van een reorganisatie werkeloos was geworden. Veel verhalen en filmpjes kwamen in de loop der dag via sociale media in het nieuws terecht – om vier uur ’s middags zette ik mijn televisie aan en bleken we zelfs een nieuwsitem te zijn geworden – helemaal aan het einde van de uitzending weliswaar, maar toch… De nieuwslezer beloofde dat er in een latenightshow meer aandacht aan de incidenten zou worden geschonken en ik begreep ook dat journalisten min of meer stonden te hopen op nieuwe incidenten.

Na de nieuwsuitzending ging ik de deur uit, maar eerst besloot ik mijn bejaarde buurman op te zoeken die misschien iets nodig zou kunnen hebben van de supermarkt – ik ging toch boodschappen doen. Zijn naam was Willard Maas en hij leek zich altijd met enig genoegen voor te willen stellen, omdat iedereen altijd een tweede keer moest vragen hoe hij heette. Willard was een zeer oude man, bijna 87 jaar oud, een man die het grootste deel van zijn leven buiten Nederland had doorgebracht en om geen enkele andere reden was teruggekomen dan er dood te gaan. Tot een half jaar geleden ging het goed met hem, maar op een dag moest hij zijn fiets laten staan en begon hij zienderogen in een hoopje ellende te veranderen. Ik kende hem als een man die ontzettend veel verhalen zou kunnen vertellen, als hij lang genoeg zou leven. Zijn roots lagen wel in onze streek, hij was een kind van de stad, net als ikzelf trouwens, Willard Maas, een man wiens voorouders sinds de zeventiende eeuw in de stad hadden gewoond – hij was de eerste telg uit zijn familie die bijna vijftig jaar weg was geweest. Ik ging altijd eventjes bij hem langs om te kijken of hij zijn oude dreigement niet had uitgevoerd – Willard zou zich op een goede dag doodschieten en hij leek me ook beslist zo’n man die dat ook echt zou doen.

Hij duwde zijn rollator voor zich uit, terwijl ik hem naar de woonkamer volgde, het daglicht begon heel traag te wijken en plaats te maken voor de nacht.

“Heb je nog iets nodig, ouwe?”, vroeg ik.

Willard liet zich in zijn fauteuil vallen – hij droeg een T-shirt – armen waren bedekt met tattoos – gezichten en namen van vrouwen die allang waren omgevallen.

“Ja-a, ik heb wel een paar dingetjes nodig, ja, toch wel leuk dat je het even komt vragen, Vince,” zei hij.

“Als je je boodschappen opschrijft, dan onthoud ik het ook beter – ik vergeet zo snel tegenwoordig.”

“Zo begint het voor ons allemaal, jongen,” zei Willard wiens gezicht glansde alsof hij het fijn vond om te horen dat mijn geheugen minder werd.

“Ja, ja – spot er maar mee.”

“Ik ga er niet om janken.”

Willard en ik gingen al een tijdje met elkaar om, geen hechte vriendschap – daarvoor was het verschil in leeftijd ook veel te groot. Ik hield van zijn verhalen en hij mocht van mij altijd hetzelfde verhaal twee en zelfs drie keer vertellen, als hij dat wilde. Dus ging ik graag vragen of ik iets voor hem kon doen.

Ik reed naar de supermarkt en hoorde er mensen die alleen spraken over afgelopen nacht – iedereen leek iemand te kennen die iets vreemds had meegemaakt.

Thuis ruimde ik mijn eigen spullen snel op, omdat ik wist dat Willard nog wel eens met een verhaal kwam, zodat het alsnog laat kon worden. Ik vond het geen probleem, want ik woonde sinds 7 maanden alleen.

De zon leek achter de bomen weg te willen duiken, terwijl ik Willards tas met boodschappen op het aanrecht zette. Inmiddels wist ik waar al zijn spullen moesten staan, ik hoefde hem niets meer te vragen.

Er volgde geen nieuwe verhalen. Willard leek erg ver weg met zijn gedachten en merkte mijn aanwezigheid nauwelijks op – uiteraard bedankte hij me voor de moeite die ik had gedaan, maar de woorden stroomden bijna automatisch uit zijn mond, dus ik vertrok voor wat een rustige nacht moest worden.

Ik ging om een uur naar bed, er wachtte geen werkgever op me, dus ik had alle tijd. Buiten was het rustig, er gebeurde niets. We dachten en misschien hoopten we allemaal dat alle opwinding achter ons zou liggen – ik viel al snel in slaap. Enkele uren eerder had Marjorie van Dongen haar zoon in bed gelegd. Op exact hetzelfde tijdstip als een nacht daarvoor ontwaakte het ventje, dat René heette, we weten helaas niet wat hij meende te horen, maar er bestaan vele tientallen uitsluitend jonge getuigen die vertelden over een zeer dwingende, droevige stem – . Marjorie hoorde dat haar zoontje uit bed was gekomen, als zoveel moeders sliep ze licht en werd ze makkelijk gealarmeerd door elk vreemd geluid. Zijn voetstappen hoorde ze uiteraard niet, maar wel het raam dat hij opende – René moest er een stoel voor pakken die hij over de vloer voor zich uit duwde. Daarom werd Marjorie wakker – haar zoon schoof een stoel naar het raam dat nu wagenwijd open stond.

Ze stoof de slaapkamer van haar zoon binnen, gekleed in een lang shirt dat lichtjes wapperde en Marjorie wist net op tijd te verhinderen dat haar zoontje uit het raam zou springen en vermoedelijk doodvallen. Ze klemde haar beide armen rond de middel van René die heel hard begon te gillen: “Nee, mama, néé, ik wil naar de mevrouw toe, want ze roept – ze roept.”

Haar echtgenoot sprintte naar de slaapkamer, gealarmeerd door het gegil en pakte de jongen snel over, zodat Marjorie het raam weer kon sluiten. “Ik wil naar de mevrouw toe – ik wil naar de mevrouw – ,” bleef de jongen gillen. Van Dongen nam zijn zoon naar beneden en stapte in het voorbijgaan in zijn slippers. De handen van René bleven vrijwel onophoudelijk op de schouders en in het gezicht van zijn vader neerkomen die deed alsof er niks gebeurde.

“Wat ga je doen, Sam?”, vroeg ze.

“Laten zien dat er niks is buiten,” zei hij.

Later vertelde hij ook bezorgd te zijn vanwege het aanhoudende gegil van René waardoor buren zouden kunnen denken dat hij zijn enige zoon mishandelde.

Terwijl Sam van Dongen zijn zoon stevig vasthield, betrad hij – slechts gekleed in een pyjama – de straat. Verderop stond er een auto dwars over de weg – bestuurder had flink moeten remmen en daarbij zijn stuur  naar links gedraaid – een wanhopige poging om een aanrijding te voorkomen – een meisje van acht jaar oud die zonder te kijken de straat was over gestoken en in de berm was neergevallen. Sam van Dongen begreep dat zijn vrouw en hij ongelofelijk veel mazzel hadden gehad – het was nèt goed gegaan. Voor een collega en goede vriend Jo de Meijere was het slecht afgelopen – zijn dochter was op haar sloffen het huis uit gerend en blind de weg overgestoken met fatale gevolgen – geen geopend raam voor het meisje, ze was domweg de straat overgestoken en gestorven.

Er verschenen meer ouders met gillende kinderen op straat die allemaal het bos in wilden rennen – in enkele gevallen waren het jongens en meisjes van zestien en zeventien jaar die het bos in waren gelopen, soms droegen ze een pyjama, eentje droeg alleen een onderbroek, allemaal waren ze blootsvoets. De jonge kinderen waren nog tegen te houden, het lag anders bij de ouderen die, net als het meisje dat werd aangereden, overstaken en gelukkig een aanrijding wisten te voorkomen – meer geluk dan wijsheid.

Het was de tweede nacht van de roepende vrouw, een volstrekt mysterie voor ons allemaal, want ik hoorde absoluut geen stem, maar had ook geen beste oren. Ik kleedde mezelf aan en ging de straat op om te zien wat er gaande was – een ambulance kwam naderbij. Vaders en moeders staarden ontzet naar het meisje, maar ze maakten zich net zoveel zorgen om de kinderen die het bos wèl levend hadden gehaald. Om die reden besloten we de kinderen te volgen – we wilden met eigen ogen zien waar ze heen waren gegaan, bovendien zouden ze makkelijk een longontsteking oplopen, aangezien het vier graden Celsius was. Daarom gingen we, voorzien van extra jassen, schoenen en zaklantaarns, het bos in, zoekend naar de kinderen voor wie het kennelijk geen bal had uitgehaald of ze wel of geen extra licht hadden, zodat ik rekening hield met enkele verwondingen, zoals knieën die kapot waren gevallen, of vleeswonden, een gevolg van doornige takken.

“Waar gaan we eigenlijk naar toe?”, vroeg Van den Boogaard die zijn eigen zoon ook tegen had moeten houden – er was een in allerijl opgeroepen huisarts nodig geweest om de kinderen in slaap te brengen.

“Ik zou kiezen voor de plas,” zei ik.

“Waarom daar?”, vroeg Van Tilborgh.

“Het doet me ergens aan denken, als ik al die verhalen hoor en hopelijk gebeuren er geen ergere dingen.”

Er viel een stilte, terwijl we een smal kronkelend pad volgden, soms moesten we ondiepe plassen ontwijken – ik verzwikte bijna een enkel, maar het liep goed af.

De lichtbundels van onze lantaarns zweefden door de atmosfeer – spookachtige bomen zonder bladeren, eerder zwart dan bruin onder een bewolkte hemel.

“Jij denkt aan een sirene,” zei Van Tilborgh – hij was het die na bijna een volle minuut de stilte verbrak.

“Geen zwaailicht,” ging Van den Boogaard verder.

“Nee,” zei ik. “Zeker niet.”

Een man, die schuin achter me liep en wiens naam ik later pas heb leren kennen, knikte heel langzaam. “Volgens de Odyssee zorgde de sirene ervoor dat schepen met man en muis vergingen, aangetrokken door een dwingende, roepende stem – een mythische verklaring die je geeft aan een verschijnsel, dus als er veel schepen vergaan op één en hetzelfde punt,” zei hij – Johan Martens, zo heette de man die hardop zei wat ik liep te denken.

“Dus – hoe noem je het als een mythologie ineens werkelijkheid wordt?”, vroeg Van Tilborgh.

“Een volstrekt raadsel,” zei ik.

We wilden wel rennen, maar het was te gevaarlijk – bovendien moesten we kalm blijven, zodat we de kinderen straks beter konden helpen. Zelfs als er een duivelse stem in ons achterhoofd fluisterde dat ze allemaal dood konden zijn – domweg verdronken in een plas, zo ondiep dat alleen een dronkaard er zou kunnen verdrinken – gezicht naar beneden wel te verstaan, anders overleefde hij het alsnog. Het duurde bijna een half uur voordat we de plek hadden bereikt – we herkende roerloze gedaanten, donkere gestalten die tot de enkels in het water stonden en duidelijk een stem zochten die nergens vandaan scheen te komen. Verschillende vaders en moeders begonnen sneller te lopen, maar struikelden over een tak of boomstam, of stapten in een kuil vol regenwater. De afgevallen boombladeren van verleden jaar lagen platgetrapt op de bodem. Het was nacht, bijna ochtend, maar dieren waren er sinds gisteren niet meer. We waren de enige levende wezens in het bos.

We trokken de jongens en meisjes uit het water – overhandigden hen jassen en uiteraard schoenen, maar ze bleven naar het spiegelende wateroppervlak kijken, het was vuil, smerig water, erg ondiep, zoals ik al eerder heb gezegd, er leefde niets of niemand.

“Waar is ze dan? Waar is je stem gebleven?”, vroeg Johan Martens en er speelde een vervelende glimlach rond zijn lippen, terwijl hij dit vroeg. Alle jongens en meisjes – dus ècht allemaal – ze reageerden direct – ik voelde een koude rilling langs mijn ruggenwervel glijden – alle wijsvingers wezen naar het water. Ik zag hun afwezige, donkere ogen, alsof ze waren blootgesteld aan een of andere betovering. Ze zeiden geen woord. Geen van hen had tot nu toe gesproken. Ik legde mijn hand op de schouder van een jongen, omdat ik hem voorbij wilde lopen en staarde in het water – ik wilde in elk geval laten zien dat het verhaal meer dan gemiddelde belangstelling trok. Er was op zijn minst één dode gevallen, een meisje dat de straat overstak, toen er een auto passeerde. Het was met andere woorden geen zaak waar je blind cynisme op los moest laten, zoals Johan Martens net had gedaan.

Het duurde nog eens een half uur voordat de jongens en meisjes zich mee wilden laten nemen – terug naar huis – ik meende te zien dat ze huilden, niet allemaal overigens – jongens èn meisjes – er huilden zowel jongens als meisjes, mocht iemand daaraan twijfelen. Ze hadden nog altijd geen woord gesproken, alsof ze het vermogen om te spreken waren kwijtgeraakt. Ik zei geen woord – iederéén zweeg en we dachten na over wat we zojuist hadden meegemaakt. Ook Johan Martens hield zijn mond die de afkeurende blikken van ons allemaal had meegekregen – het was een serieuze zaak, er gingen mensen dood, wat er ook aan de hand mocht blijken te zijn, het moest grondig worden onderzocht door de autoriteiten, omdat ik, net zo min als wij allemaal, begreep hoe zoiets als dit ooit zou kunnen eindigen. Misschien lag er ergens een relatie met het begin van de natuurlijke lente. Of bestond er geen enkel verband met wat dan ook en gebeurde het gewoon, zoals dat wel eens gebeurt – het zorgt er wel voor dat wij, als mensen, nijdig kunnen worden. We begrijpen graag wat ons overkomt, ook als je dat God moet noemen – of zelfs de duivel – of een sirene.

We keerden terug naar huis, volgden hetzelfde kronkelige pad, dwars door het bos om na een kwartier politieagenten tegen te komen die ons èn de kinderen kwamen zoeken. Een gezelschap van bijna dertig mannen, vrouwen, jongens en meisjes trok in een uitgerekt lint naar de bewoonde wereld – het had een lange weg geleken op de heenweg – terug was het stukken korter, zo leek het tenminste te zijn. Ik volgde enkele gesprekken tussen agenten en buurtbewoners op een afstandje, maar de kinderen die achter de stem aan waren gelopen weigerden te spreken of konden het gewoon niet meer – nog niet.

Ik hield me afzijdig en ging naar huis, of wilde dat doen, toen de oude buurman, Willard Maas, in de voortuin bleek te staan – zijn handen omklemden de rollator als een reddingsboei – grote handen. Eerst knikte ik heel vriendelijk en wilde verdergaan – ik was de slaap allang voorbij, maar wilde naar bed.

Met zijn rechterhand veegde hij zijn tranen weg, want de oude man huilde – ik draaide me direct weer om en liep naar Willard en vroeg: “Wat is er, buurman?”

“Ze is me aan het roepen,” zei hij.

“Wie?”

“Ze is me aan het roepen,” zei hij en Willard herhaalde alleen zijn eigen woorden. Een oude man zoals hij zou net zo min als ik de stem kunnen horen. “Ze heeft gezegd dat ze me zou roepen, als de tijd was gekomen,” zei hij, “en het is tijd – ja, het is tijd.”


Sirene (1/4) –

Een rustig stadje in het zuiden van het land, Brabant, Nederlandse provinciale wegen veranderen bijna ongemerkt in Belgische – stroken ondoordringbaar lijkende bossen grenzen aan provinciale wegen. Er ligt daar een stad, geen dorp, enkele kilometers van de grens. Vanuit de verte herken je de kerktoren, maar die zie je overal in Brabant. Er ligt een plein – recht tegenover de kerk vind je een café – een rustig, bijna slaperig stadje dat op werkdagen leegstroomt – mannen en vrouwen die aan het werk gaan of kinderen naar school brengen – ’s avonds gaat het andersom – dan komen ze weer thuis – een normaal leven. Twee supermarkten, een sporthal, maar geen bioscoop – voor een film moet je een stuk rijden.

Het is er nu weer rustig, maar zo is het niet altijd geweest – de verslaggevers en cameramensen zijn gelukkig verdwenen – sinds enkele dagen is het stil. In het weekend zien we nog wel eens ramptoeristen passeren die zelfs inwoners van Zwaagveld aanklampen, omdat ze het verhaal uit de eerste hand willen horen – ja, er wordt wel eens gespuugd en gevloekt – we kennen allemaal iemand die in het voorjaar iemand heeft verloren door de Sirene. Het betekent ook dat we het verhaal niet aan buitenstaanders willen vertellen – hoezeer je ook aandringt. Ik schrijf dit verhaal dan ook voor mezelf. Zodat ik mezelf over vijf jaar kan verbazen over de vreemde, schokkende gebeurtenissen die onze stad in een vreemde spookachtige ban heeft weten te houden.

*****

Het was begin maart, een rustige koude nacht, zoals de winter aldoor erg koud is geweest. Een veertigjarige man ging ’s nachts naar het toilet en hoorde geluiden in de slaapkamer van zijn zoon die hij niet zou moeten horen – de jongen hoorde in bed.

Frans van den Boogaard, zoals de man heette, bedwong zijn aandrang en opende de slaapkamerdeur die gewoonlijk op een kier stond. Zijn zoon stond bij het raam – jaloezieën had het ventje omhoog getrokken en hij stond naar buiten te staren – straatlicht drong de verduisterde slaapkamer binnen – dunner wordend geel licht – verderop lag het bos dat zich volledig in het duister had gehuld – bomen en struiken waren donkerder dan de nacht.

“Wat is er, jongen? Waarom lig je niet in bed?”

Van den Boogaard klonk heel rustig en beheerst.

“Daar is ze ergens,” en de vinger van zijn zoon wees naar een onbekend punt achter de bomen, “ik hoor een stem en die komt dáár ongeveer vandaan, papa.”

“Ik hoor niks,” zei Van den Boogaard die naast zijn zoon ging staan en eveneens naar de bomen staarde.

“Het is echt waar, hoor! Ik hoor het echt!”

“Wat voor stem hoor je dan?”

“Een droevige stem – een vrouw – alsof ze stiekem huilt – alsof ze van iemand niet mag huilen,” zei hij.

“Maar dan kan toch helemaal niet!”

“Ik hoor het echt, papa! Alsof ze naast me staat.”

“Nog steeds?”

“Ja.”

“Heb je niet gedroomd of zo?”

“Nee – echt niet – ik hoor het nog steeds!”

“Nou, het stopt vanzelf, of je valt in slaap,” zei Van den Boogaard die zijn zoon naar bed dirigeerde – hij legde een hand op de rug van de jongen die in bed stapte, maar tegelijkertijd naar het raam bleef kijken. Zijn vader liet de jaloezieën naar beneden zakken. “Hoor je die stem soms in je hoofd?”, vroeg hij.

“Nee – het is bijna alsof ze naast me staat.”

“Dus niet in je hoofd?”

“Nee.”

“En ze moet in het bos zijn?”

“Ja.”

“Vreemd verhaal.”

“Papa – Wat zou er aan de hand zijn?”

“Geen idee, jongen. Ik zal morgen eens navragen.”

“Zou er een fee – of een elfje – in het bos zijn?”, vroeg zijn zoon. “Die verdwaald is en dan moeten we hem helpen de weg naar huis terug te vinden – zoiets.”

“Mm – ik moest maar eens andere verhalen voorlezen,” zei Van den Boogaard, “als ik je zo hoor.”

Er bestaan geen eerdere verslagen van een stem die in het bos klonk – voor de familie Van den Boogaard bleef het hier bij  – de fantasie van een kleine jongen veronderstelde het bestaan van een fee of elfje die hopeloos verdwaald zou kunnen zijn. Frans van den Boogaard vreesde een ontluikende psychische afwijking – stemmen in het hoofd van zijn zoontje.

Hij ging alsnog naar het toilet, keerde terug naar bed en zijn vrouw begon direct te vragen wat er aan de hand was. Ze had het verhaal maar half gehoord. Hij bracht gedetailleerd verslag uit van het voorval en zijn vrouw trok een gezicht dat afschuw verraadde.

“Bah – hier hou ik niet van, hoor,” zei ze.

“Ik zal morgen eens navragen bij Mike.”

“Ja, graag, want dit vind ik raar.”

Na bijna tien minuten verscheen hun zoontje in de deuropening en zijn gezicht stond niet erg opgewekt.

“Hoor je die stem nog steeds?”, vroeg zijn vader.

“Ja,” was het antwoord. “Mag ik bij jullie slapen?”

“Kom maar – voor deze keer.”

Hij ging tussen zijn ouders liggen en sliep als eerste, terwijl Van den Boogaard zich afvroeg wat er aan de hand zou kunnen zijn – zijn zoon was ziek of er zou echt een stem in het bos moeten zijn, maar dat was natuurlijk onzin – zulke dingen gebeurden niet. Het bleef een onbeantwoorde vraag – de ochtend kwam – de jongen, die Paul heette, werd opgewekt wakker en de herinnering aan afgelopen nacht leek al verdwenen. Van den Boogaard, zijn vader, wilde er niet meteen over beginnen – Paul kon het beter vergeten, maar hij had zijn echtgenote beloofd met de achterburen te praten die twee kinderen hadden, twee jongens, die dezelfde leeftijd hadden als zijn zoon. Zijn blik ontmoette die van zijn vrouw – er volgde een blijk van wederzijds begrip, dus ze zouden er niet snel opnieuw over beginnen, tenzij Paul dat zelf al deed.

Het was vrijdagochtend – de kinderen gingen naar school – Van den Boogaard ging aan het werk en betwijfelde of hij het nachtelijke voorval ter sprake zou brengen, omdat de collega’s het onmogelijk zouden begrijpen – het was absurd, onbestaanbaar – een stem die uit het bos kwam en naast zijn zoon te horen was – een nachtelijke stem – een droevige stem, een vrouw, alsof ze stiekem huilde – ja, zo was het.

’s Ochtends zag Van den Boogaard auto’s van Staasbosbeheer en politie langs de provinciale weg – ook een vrouw die haar bouvier aan de lijn hield. Hij kende haar – ze woonde in dezelfde buurt. Ze heette Alice Verboom, wandelde elke ochtend en avond in het bos, maar die vrijdagochtend was alles anders – zoals de nacht ook anders was verlopen dan normaal.

Boef – en zo noemde ze elke bouvier die ze ooit had gehad – begon halverwege de nacht te janken en te blaffen – dit duurde tot zonsopkomst – daarna werd het stil – Alice ging kijken en maakte zich ernstige zorgen, omdat het soms leek alsof haar hond dwars door het raam van de schuurdeur wilde springen – het dier stond met zijn voorpoten tegen de ruit en het dier blafte en jankte naar een onbekend punt. Alice Verboom maakte zich nooit veel zorgen over indringers, die keken wel beter uit – nu maakte ze zich ernstige zorgen over haar hond die agressief reageerde. Het kostte moeite, maar ze wist Boef in de bijkeuken te krijgen – er waren geen deuren met grote ruiten erin – al ging Boef door met blaffen en janken.

Alice woonde dichterbij het bos dan Frans van den Boogaard, zodat de stem mogelijk meer effect zou moeten hebben – ze hoorde net zo min als Van den Boogaard een stem – anders dan Paul en ook Boef – . Tijdens de ochtendwandeling gedroeg de hond zich alsof er totaal niets was voorgevallen – toch moest Alice een andere route wandelen dan ze normaal zou doen. Een politieman hield haar tegen – een jonge vent die zo van de academie zou kunnen komen – een twintiger. “U moet het bos vandaag overslaan, mevrouw,” zei hij, “het is helemaal afgesloten.”

“Waarom?”, vroeg Alice die zich de nachtelijke opwinding veel te goed herinnerde en bovendien verrekte slecht had geslapen als gevolg daarvan.

“Er zijn erg veel dode dieren aangetroffen in het bos,” zei de agent. “We weten niet goed wat er is gebeurd.”

“Dode – ?”

“Ja, mevrouw.”

“Mijn hond is uren aan het janken en blaffen geweest. Ik werd er zelf compleet stapeldol van, verdorie.”

“U moet de media in de gaten houden,” zei hij.

“Ja, lekker zinvol,” zei ze, “die weten ook niks.”

“We gaan het goed onderzoeken, mevrouw.”

“Dat mag ik wel hopen, ja.”

Alice Verboom wandelde verder op het fietspad en deelde het nieuws op Facebook. Ze mocht het bos niet in vanwege de dode dieren die er waren aangetroffen.

Terwijl ze de wandeling voortzette, hield ze de bomen in de gaten – met name vogelnesten die begin maart goed zichtbaar waren, omdat er geen bladeren aan de bomen groeiden – ze was ook een vogelliefhebber. Normaal gesproken zag Alice vogels met nestmateriaal af en aan vliegen – het was een drukte van belang, maar op die vrijdag was er niets meer. De nesten, die deels in aanbouw schenen te zijn, oogden verlaten – er waren geen vogels meer, zo leek het. Een wandeling van bijna een uur en er was geen vogel te zien. “Ik wou dat je kon praten,” zei ze tegen Boef, ze krabde op zijn kop en ze gingen toen weer verder.  

Mike van Tilborgh was ‘s nachts wakker geworden, omdat zijn zoontje begon te schreeuwen. Van Tilborgh sprong uit bed en stond binnen enkele seconden in de slaapkamer van Pepijn, zoals de jongen heette, die een verhaal vertelde over een dwingende, droevige stem in het bos, niet ver weg, niet dichtbij. Erger was dat de kat des huizes de oversteek had gewaagd en door een auto was geschept. De moeder van Pepijn ontfermde zich over haar zoon, terwijl zijn vader Mike gekleed in een kamerjas en lopend op teenslippers het huis verliet om te controleren of Dorus nog leefde, al vreesde hij het ergste – het zou een verloren missie kunnen zijn. In het voorbijgaan nam hij een plastic tas mee waarin hij de stoffelijke resten van de huiskat kon bewaren.

Het verhaal dat zijn zoon had verteld, namelijk een droevige en dwingende stem in het bos, spookte door zijn hoofd – hij stond bij Dorus die overduidelijk niet meer in leven was, maar toch ging zijn aandacht naar een verontrustend vreemd verschijnsel. Vele honderden vogels wervelden in de atmosfeer, een zeer ongewone aanblik als het donker is, vogels krasten en schreeuwden onophoudelijk, niet eens oorverdovend, wel opvallend, een wolk van vogels die onophoudelijk van vorm bleef veranderen.

Hij keek naar de vogels, maar zag tegelijkertijd links en recht kleinere dieren, zoals muizen en konijnen, voorbij rennen, alsof ze op de vlucht waren voor een groot gevaar. Van Tilborgh hoorde zeker geen bijzondere geluiden, zeker geen droevige, dwingende stem die ervoor zorgde dat een kat zoals Dorus in blinde paniek de weg over zou steken – de automobilist hoefde niet eens te merken dat hij een dier had geraakt – als hij muziek aan had staan.

Mike van Tilborgh bukte en liet de dode kat in de plastic tas verdwijnen, zodat het dier een soort begrafenis zou kunnen krijgen – morgen, als alle opwinding achter de rug was. Hij draaide zich half om – het was vroeg in het voorjaar en behoorlijk koud. Een eindje verderop vielen er dieren uit de lucht – hij zag vogels omlaag vallen – een grimmige aanblik.

Een droevige, dwingende stem – zo had zijn zoon het genoemd. Het was een onbekend fenomeen. Van Tilborgh wilde het niet verklaren – gezien het tijdstip. Hij wandelde terug naar huis – er passeerde een auto en moest enkele seconden wachten – hij keek naar de enorme wolk van vogels die hij had gezien, maar nu alweer de helft minder leek te zijn geworden. Er bleven vogels omlaag vallen – bijna onophoudelijk, alsof de dieren in totale paniek bleven rondvliegen tot ze simpelweg dood uit de lucht vielen – ze vluchtten niet, maar bleven rondvliegen – in kleinere aantallen. Straks zou het weer volkomen rustig zijn. Van Tilborgh ging het huis binnen en overwoog om het alarmnummer te bellen – het was echt vreemd wat er buiten gebeurde – hij liet de dode kat op de werkbank achter en ging verder – Pepijn lag inmiddels in bed.

De jongen hoorde het verslag van zijn vader aan, terwijl tranen over zijn wangen rolden. “Waarom gebeurt dit nou, papa? Waarom roept die mevrouw?”

“Geen idee, jongen. Ik heb werkelijk geen idee.”

De jongen verwoordde heel goed het probleem dat we allemaal hadden met een droevige, dwingende stem, zoals het ook in de media spoedig heette, omdat niemand begreep wat er gebeurde en vooral waarom.

De volgende ochtend werden er vele honderden dode dieren verzameld en onderzocht door wetenschappers die weinig anders konden zeggen dan dat een onbekende stressfactor een zekere paniek had veroorzaakt. Alleen dieren en kinderen hadden de stem gehoord, mits de dieren hetzelfde vrouwelijke geluid hebben waargenomen en dat was allerminst zeker. Jonge getuigen spraken over een stem, die van een jonge vrouw, die aan het roepen was, maar dat hoefde niet te betekenen dat het ook echt zo was.

Er circuleerde al vrij snel uiteenlopende filmpjes die mensen hadden gemaakt en gedeeld via Facebook. Daarmee begon ook alle media-aandacht. Een duivenmelker had bijna 2 minuten lang gefilmd hoe zijn dieren zich doodvlogen – in het begin hoorde je kreten van ontzetting en verbijsterde commentaren, afkomstig van zowel de man als de vrouw – na bijna een minuut vielen de eerste duiven neer. Er waren veel meer van zulke filmpjes – honden, katten, konijnen; alle soorten dieren die door mensen in huis waren gehaald en ze werden echt allemaal compleet gek, terwijl de volwassenen toekeken en niets bijzonders wisten te constateren. Een talkshow wist enkele buurtbewoners naar de studio te halen, maar de meeste mensen weigerden iedere medewerking en hoopte dat het een eenmalig incident zou zijn. We hadden geen idee, het was nog maar net begonnen.