Drie dagen later – drie volle dagen.
Vader Kuijpers loopt ’s middags langs de geopende slaapkamerdeur van Luuk en stelt vast dat alle tekeningen verscheurd in de prullenbak liggen. Of het een positief teken moet zijn weet hij helemaal niet, al is het wel zo dat zijn zoon weer praat, zoals hij feitelijk altijd heeft gedaan. Daarnaast heeft Tiemens geen enkele moeite gedaan om bij zijn advocaat te klagen over de beschuldigingen van een dertienjarige jongen waarvan niemand goed begrijpt hoe hij aan zijn kennis is gekomen over de moord. En de dader.
Vreemd genoeg zegt niemand hardop dat het volstrekt onmogelijk zou kunnen zijn, toch blijkt Tiemens een goede verdachte voor moord en verkrachting. Beneden in het halletje klinkt de stem van zijn zoon.
“Pa-hap?”
“Ja, wacht even, ik kom er zo aan.”
“D’r is niks, ik hoef niks, er is buiten een ambulance – voor de deur van die viezerik, je weel wel. Dinges.”
Rustig gaat hij naar beneden en loopt direct de deur uit, er zijn buurtbewoners die zich eveneens buiten op straat hebben verzameld – er zijn drie politieauto’s – twee ambulances. Luuk kijkt met een tevreden blik toe. Agenten die nieuwsgierige buren weg proberen te houden. Er worden linten gespannen – rood en wit.
Er staat een Volvo half op het trottoir geparkeerd.
“Haal die grijns van je gezicht, jongen, je hoeft geen lol te beleven aan andermans ellende, ook nu niet.”
“Sorry, pap.”
“Als hij het is. Je maar nooit. Het kan een ander zijn.”
Buurman Van Dijk komt erbij. “Jawel,” zegt hij, “ik ben effe brutaal geweest en heb het gevraagd.”
“Wat is er gebeurd?”, vraagt Kuijpers.
Er volgt een korte snijdende beweging over zijn pols.
Het gebeurt zo snel dat Luuk het domweg mist en daar heeft hij een hekel aan, dat zijn vader en de buurman snel belangrijke informatie hebben uitgewisseld. “Nou, verdorie, pap, ik ben al dertien, hoor. Dertien.”
“En nog steeds minderjarig,” zegt zijn vader.
“Zo is het maar net, jochie,” zegt de buurman.
“Twee ambulances – voor Jété,” zegt Luuk.
“Noemen ze hem zo?”, vraagt Van Dijk.
“Ja.”
“Twee! Eentje was natuurlijk niet genoeg.”
“Je moet altijd proberen iemand zijn leven te redden, al gaat het dan om een ellendig varken. Vat je hem?”
“De buurman bedoelt dat we beter moeten zijn dan dat. Je hoeft niet af te dalen naar het niveau van zo’n kerel,” zegt Kuijpers. “Kijk me eens aan, jongen.”
“Dat weet ik toch wel, pap,” zegt Luuk.
Vrijwel tegelijkertijd verlaten twee verpleegkundigen het huis – tussen hen in de brancard – Kuijpers herkent een stukje hoofd dat Joost Tiemens hoort te zijn. Niet geheel bedekt door een laken, hij leeft nog.
Een jonge geblokte vent kijkt zoekend om zich heen, staart naar het groepje bewoners en komt bedachtzaam omlaag kijkend dichterbij. “Die heeft volgens mij een lastige boodschap,” zegt Van Dijk.
“Mijnheer Kuijpers – als u een momentje hebt,” zegt de rechercheur die ergens halverwege stil blijft staan.
Jan Beerschot, zo heet de rechercheur. Vijf jaar geleden heeft Kuijpers hem enkele malen gesproken.
“Alleen u, alstublieft. Ik vind het zo al lastig genoeg.”
Andere bewoners blijven zoveel mogelijk buiten gehoorsafstand – Kuijpers voelt de nieuwsgierige blikken van zijn buren – ambulances rijden weg.
“Drie dagen geleden is het begonnen – overlast met snoeiharde muziek – AC/DC en zo – zijn buurtjes hebben gedreigd de politie te zullen bellen, als hij zo’n ongelofelijk rotherrie bleef maken. Daarna werd het stil, behalve in het hoofd van Tiemens.”
“Dat moet je uitleggen.”
“Een lied, gezongen door een vrouw, dat heeft drie dagen lang vrij hard in zijn hoofd geklonken, totdat hij bereid was een verklaring op te schrijven – in zijn eigen warrige handschrift, maar wel echt het zijne.”
Kuijpers zegt geen woord, doet een stap achteruit.
“Joost Tiemens heeft de volledige verantwoordelijkheid voor de dood van uw vrouw opgeëist. Hij kwam met details die we nooit bekend hadden gemaakt. Zodra de verpleegkundigen hem enigszins hadden gestabiliseerd, want hij heeft een hartstilstand gehad. ”
“Enkele dagen terug stond hij op straat en riep iets over een —– trut die erg hard zou zingen. Zijn woorden, dat begrijp je wel, niet de mijne. Ik deed het af als domme onzin, loos gebral van een zuiplap.”
“Mysterie. Hij claimde dat hij drie dagen lang een hard zingende vrouw heeft gehoord – onafgebroken – zijn stereo heeft hij onklaar gemaakt, het is een puinhoop daar binnen – alsof er een tornado heeft huisgehouden – het ergste is dat hij ons niet kan uitleggen welk liedje het moet zijn – desondanks lijdt Tiemens aan een vorm van stress die het gevolg is van geluid.”
“Dus – hij is formeel aangehouden?”
“Ja, we mogen DNA afnemen. Nu wel. Eindelijk.”
“Gevangenisstraf?”
“Mm, onduidelijk, Tiemens is afgedaald naar de hel, het zou me niet eens verbazen als het een inrichting wordt – we hebben een vrouwelijke verpleegkundige weg moeten sturen, hij draaide helemaal door.”
In feite zou hij een vreugdesprong moeten maken, maar Jacques Kuijpers lijkt het vreemde verhaal tot zich door te moeten laten dringen, er zit plots beweging in de zaak, er gloort een veroordeling, maar er volgt zeker een psychiatrisch onderzoek.
Niettemin zal hij de deur van zijn oude huis kunnen afsluiten. Eindelijk. Na vijf jaar.
“Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen.”
“Je zoon is aan de deur geweest – bij Tiemens – drie dagen geleden – je was schijnbaar nog aan het werk.” Kuijpers knikt bevestigend met zijn hoofd. “Luuk heeft hem beschuldigd van moord, het zou er niks mee te maken mogen hebben, maar vreemd genoeg is de inzinking van Tiemens direct erna begonnen. Zo mag ik het volgens mij toch wel omschrijven.”
“Kinderen kunnen je soms tot het uiterste drijven, maar zoiets lijkt me toch onmogelijk, Jan.”
“Praat je er wel eens over? Of misschien zelfs erg vaak? Een verdenking tegen Tiemens? Zoiets zou als een trigger kunnen werken. Zo’n jongen gaat verhaal halen en eist gerechtigheid voor zijn moeder. Zoiets.”
“Nee, het spijt me, ik ben er nog mee bezig. Tot dusverre weigert hij ronduit te vertellen hoe hij aan zijn wijsheid is gekomen. Ik ben heel benieuwd. Vooral omdat hij gelijk blijkt te hebben gehad.” Kuijpers kijkt om zich heen en probeert een glimlach te onderdrukken. “Hopelijk vertelt hij het nu wèl, want de stoom is van de ketel.”
“Het waren overigens de buren die over je zoon hebben verteld.”
“Hijzelf dus niet?”, vraagt Kuijpers.
“Nee.”
“Ik hoorde iets over een zelfmoordpoging.”
“Dat was een overhaaste conclusie, later hebben we geconstateerd dat er iets anders aan de hand moest zijn. Tiemens belde een oude maat op, hoofdzakelijk uit wanhoop, de drank begon, geloof ik, op te raken, of hij kratten bier wilden komen brengen, want hij had dorst. De vriend kwam binnen en heeft 112 gebeld, toen de verpleegkundigen binnen waren, kreeg Tiemens een hartinfarct. Later probeerde hij een aanvullende verklaring af te leggen. Met horten en stoten. We waren er erg blij mee. We hebben hem, zoals je zult begrijpen, ook niet echt tegengehouden.”
“Hij is nog niet veroordeeld.”
“Nee, maar hij zal nooit meer vrijkomen – dat baseer ik op mijn ervaring en wat ik daarbinnen heb gezien.”
Beide mannen schudden elkaar de hand – daarna loopt Kuijpers met gebogen hoofd terug – denkend – peinzend – over het vreemde en tegelijkertijd ook opwindende verhaal – een onverwachte wending. Er ligt een lach op zijn gezicht en dat is de eerste keer sinds vijf jaar.
De pijn van het verlies zit er nog en zal nooit verdwijnen, maar is in elk geval minder geworden, nu de dader aan zijn straf krijgt.
De verkrachter en moordenaar van Lauren heeft een bekentenis opgeschreven, nadat hij zeker drie dagen lang onophoudelijk werd geteisterd door schuld – demonen die hem kwam kwellen. Het slaat nergens op. Toch lijkt het erop dat er precies dàt is gebeurd.
Onverwacht.
Maar wie zou ooit hebben gedacht dat Luuk bij de crimineel Tiemens zou aanbellen, omdat hij hem wilde beschuldigen van moord?
“Wat mochten we niet horen, buurman?”, vraagt Van Dijk. “Ik zie je nou voor de eerste keer met een lach.”
“Hij heeft een bekentenis afgelegd.”
“Wie?”
“Jété.”
“Goed nieuws, da’s wel een feestje waard.”
“Ja, buurman, als hij veroordeeld is.”
Vader en zoon kijken elkaar aan, maar Luuk draait zijn hoofd al snel weg – hij houdt het niet lang vol. Er blijft een onbeantwoorde vraag liggen. Hoe komt hij aan zijn kennis? Het is net zo’n raadsel als de rest.
Een geharde crimineel die normaal gesproken exact weet waar zijn grenzen liggen draait compleet door, omdat hij drie dagen lang een liedje van een onbekende zangeres heeft gehoord dat blijkbaar alleen in zijn hoofd werd afgespeeld – hard genoeg om voor stress te zorgen. Nee, geen onbekende zangeres, het probleem is dat ze geen idee hebben wie het kan zijn.
Als er al ooit een zangeres is geweest.
Misschien berust alles op verbeelding.
Ongeveer een half uur later betreden vader en zoon Kuijpers het stille huis – Luuk probeert zich direct achter een spelletje te verstoppen, maar zijn vader dirigeert de jongen naar boven. “Krijg ik alsnog straf?”, vraagt Luuk, maar zijn vader zwijgt alleen.
“Ik zit met een vraag, je bent me een antwoord schuldig,” zegt Kuijpers en zijn zoon klimt vrij handig naar boven – de vlizotrap op en stapt ongemakkelijk kijkend op de zoldervloer – zijn vader volgt zwijgend – Luuk doet het licht aan en hij staart gedurende enkele seconden naar de gloeilamp, alsof het een klein wonder zou moeten zijn dat hij werkt.
Voordat hij een vraag stelt, draait Kuijpers zijn hoofd – er is iets dat zijn aandacht heeft getrokken – het karton – dat stond beslist anders – er is een afwijkende volgorde – nu valt er een vieze roodbruine gedeeltelijke handafdruk te zien op een doos die hij jarenlang heeft bewaard – feitelijk om geen reden in het bijzonder, Kuijpers heeft alle herinneringen aan Lauren willen bewaren.
Het is misschien een klusje voor rechercheur Beerschot die vijf jaar geleden iets kan hebben gemist, of de forensische politie zou het moeten zijn ontgaan dat Tiemens op zolder is geweest – in het andere huis wel te verstaan – er is hier niks gebeurd.
Geen moeilijke vragen. Niks nieuws. Niet vandaag.
Jacques Kuijpers weet waar en hoe hij destijds alles heeft neergezet – tot de centimeter nauwkeurig – bijna plechtig knielt hij neer bij een doos die vol is gestopt met oude lp’s – allemaal platen van Lauren – zelf luistert hij al jaren geen muziek meer – zonder een enkele aarzeling haalt hij er een verzamelelpee uit – op de cover staat de foto van een folkzangeres. “Je moeder was hier dol op, geweldige muziek, ik heb er jaren niet naar kunnen luisteren. As je wilt, zal ik in je kamer de platenspeler neerzetten en speakers.”
“Hoe spreek je die naam uit?”
“Joan Ba-èz.”
“Ze lijkt zelfs een beetje op mama.”
“Ik weet het,” zegt Kuijpers. “Er zijn rare dingen gebeurd – die normaal onmogelijk zijn – een geharde crimineel is volkomen doorgedraaid, jij hebt wekenlang stijf je mond gehouden, omdat je iets vreemds hebt gezien. Ik vind het heel erg dat je niks durft te zeggen.”
“Pap, ik heb het zien gebeuren.”
“Wat?”
“Nou – gewoon – !”
“Dat begrijp ik niet.”
“Ik bedoel – dáár!”, roept hij.
Luuk wijst naar het gat in de vloer.
“Het licht ging ineens uit – en toen – !”
6 september 2020
Plaats een reactie