Het was Gijs die als eerste een verandering scheen op te merken – Leon en Andrea reageerden niet zo erg. Met zijn drieën stonden ze te wachten op de betonnen vloer en het had bijna een kwartier geduurd voordat ze opnieuw bij elkaar waren. Als eerste stapte Jokke tussen de bomen vandaan, vrijwel direct gevolgd door Esmée. “Vertel eens,” zei Gijs, “je zou bijna denken dat je onze sfinx aan het praten hebt gekregen – proficiat – je bent de eerste die daarin is geslaagd.”
“Inderdaad,” zei Andrea.
“Zijn jullie al beneden geweest?’, vroeg Jokke.
“En direct weer in sfinx-modus,” zei Leon.
“Nee,” zei Andrea, “we hebben op jullie gewacht.”
Op de vluchtstrook leunden uitgestapte passagiers een beetje verveeld op de vangrail, soms met hun ruggen naar de Tuin der Geesten. In tegenstelling tot wat ze eerder zagen, leek niemand erg veel nieuwsgierigheid te tonen voor een stuk verwilderde natuur langs de snelweg. “Geen paniek,” zei Gijs, “het lijkt er niet eens op dat ze naar beneden komen.”
“Voorlopig is daar weinig kans op,” zei Leon.
“Leon en ik gaan samen naar beneden,” zei Gijs, “aangezien magische objecten een geheugen hebben, al vind ik dat als dwerg toch wel een wat raar idee.”
“Neem mijn telefoon mee – vanwege de zaklantaarn.”
“Niet nodig,” zei Gijs. “Ik kan zien in het donker.”
“O,” zei Esmée die het toestel meteen weer in haar broekzak liet verdwijnen. “Juist ja. Ik snap het.”
“Vannacht is het volle maan,” zei Leon. “Dus mijn zintuigen staan op scherp – maar alleen vandaag.”
“Juist,” zei Esmée.
“Je hoort nu ook veel meer dan normaal,” zei Jokke.
Gijs begon de trap af te dalen – in het duistere gat dat naar een erg lange gang moest leiden met links en rechts allemaal gesloten deuren, behalve eentje dan.
“Sfinx,” zei Leon die de dwerg volgde naar beneden.
“Oké. In dat geval. Ik moest het een keer uitspugen. Nou, dan net zo goed vandaag in plaats van morgen,” zei Jokke die begon uit te leggen wat het nou precies betekende als je een halfengel was die het altijd kon zien wanneer alle mensen doodgingen en waaraan.
De adamsappel van Andrea wipte eventjes op en neer.
“Jee, da’s heftig,” zei ze.
“Misschien heb je ook wel een fee nodig om een sfinx aan het praten te krijgen,” zei Jokke die in de duisternis staarde, maar het was 100% stil beneden.
“Ze kunnen de deur niet vinden,” zei Esmée.
“Denk je?”, vroeg Andrea.
“Vast.”
“Waarom?”, vroeg Jokke.
“Ach ja, jongens,” zei Esmée die erbij glimlachte.
Inmiddels leek Jokke het onderwerp minder interessant te vinden en staarde naar de snelweg – daarginds zou er eentje moeten zijn die ze bijna altijd hoorden, maar nu was het er akelig stil – door een file. Het scheen hem niet meer te interesseren wat er in de kelder gebeurde – een routineklusje, bedacht door mevrouw Madsen die een probleem zag dat er niet was. Alleen ouwe rottroep, verroeste scharnieren, deuren die vele jaren niet meer open waren geweest.
“Lukt het?’ Andrea stond voorover gebogen in een donker gat te schreeuwen – het duurde veel te lang. Zo moeilijk hoorde het niet eens te zijn om een deur te vinden die eerder door Esmée en Andrea was geopend. Nog altijd volgde er geen enkele reactie.
“Ze zijn gewoon een beetje aan het klieren daarbeneden,” zei Jokke die om zich heen bleef kijken, alsof de kwestie hem geen barst meer aanging.
“Was dit ook niet jouw kelder?’, vroeg Andrea.
“Destiny? Ja,” zei Jokke. “Dat was hier.”
“Hé – daar heb ik over gedroomd – Destiny en haar twee zussen – ze wilden zich voorstellen,” zei Esmée.
“Schikgodinnen,” zei Jokke.
“Jokke praat er niet zo graag over,” zei Andrea.
“Ik kreeg – jeuk – van die vrouwen,” zei Esmée.
“Mijn toekomstige – eh – bazinnen,” zei Jokke. “Ze beslissen over leven en dood van mensen.” Terwijl hij dit zei, keek hij naar de snelweg.
“Leon! Gijs! Opschieten, verdorie!”, riep Andrea.
“Dat krijg je – met een volle – een bloedmaan – dat heb ik tenminste gehoord – een weerwolf wordt er sowieso altijd opgefokt van – maar de dwerg – ik wist niet dat de dwergen last hadden van de maan.” Jokke leek ineens de onzichtbare snelweg minder interessant te vinden. “Misschien moet je kijken.”
“Geen zin,” zei Andrea, “ze lopen gewoon te zieken.”
“Esmée en ik moeten hier blijven,” zei Jokke.
“Verdorie,” zei Andrea. “Kunnen we niet weggaan?”
“En als er nou echt iets aan de hand is?”, vroeg Jokke.
“Mag ik je telefoon – zaklantaarn?”, vroeg Andrea.
Enkele ogenblikken later daalde Andrea de trap af – een bundel wit licht onttrok een muur en wat deuren aan de duisternis die er al sinds vele jaren heerste – Jokke en Esmée keken elkaar aan, maar zeiden niets. Wel luisterde ze aandachtig naar vreemde geluiden die vanuit de duisternis omhoog konden komen. Zelfs de lichtbundel verdween in de duistere gang die ergens vijftig meter verderop eindigde. Jokke keek naar beneden en liet weinig belangstelling zien om ook de trap af te dalen op zoek naar het onbekende.
“Er is echt niks,” zei Esmée. “Geloof me.”
“Ik weet het – ze zijn gewoon aan het klieren.”
“Noemen ze je echt ‘de Sfinx?”
“Ja. Sinds een jaar. Ongeveer.”
“Wat is er gebeurd?”
“n Bezoekje aan de stad. Zomaar. We hadden er zin in. Voor het eerst in een lange tijd. Moeder was knap boos, toen ze hoorde dat we daarginds zijn geweest. Ik had het idee dat ik in een zombiefilm terecht was gekomen – allemaal wandelende doden – echt iedereen die we tegen zijn gekomen – stuk voor stuk.”
“Zombiefilm,” zei Esmée.
“Ja, zo wereldvreemd zijn we niet eens.”
“En hier?”
“Leon? Gijs? Zijn jullie daar?”, vroeg Andrea die zich diep daarbeneden in de gang bevond.
Allebei staarden ze in het donkere gat – de kelder.
“Dwergenhumor,” zei Jokke.
“Ben je het zat?’, vroeg Esmée.
“Beetje.”
“Wacht maar – oren dicht,” zei Esmée die bij haar mond een soort trechter maakte van haar handen. “Iiiee – .” Een vlijmscherpe snerpende gil galmde door het bos – zo hard dat Jokke achteruit deinsde en zijn oren bedekte.
Daarna viel er een stilte, maar beneden hoorde ze rennende voetstappen – Leon, Gijs en Andrea die zo te horen heel hard terug renden naar de trap – ook de wild heen en weer zwiepende lichtbundel bewees dat.
Jokke nam plaats op een omgevallen boomstam, terwijl de bleke gezichten van Leon en Gijs weer wat daglicht vingen. “Wat is er dan? Waarom gil je?”
“Hebben jullie die kutdeur nog niet gevonden?”
“Jawel,” zei Leon. “Maar – .”
“Je wilde een grapje uithalen – met mij,” zei Esmée.
“Ja, we hadden een hele leuke bedacht,” zei Gijs.
“En? Hoe was het met de berging?”, vroeg Esmée.
“Niks aan de hand,” zei Gijs.
30 juli 2018
Plaats een reactie