Een fee in spijkerbroek (8)

Later in de middag verliet Esmée de flat – het vervelende gevoelde kwelde haar nog steeds, werd niet eens minder, zoals ze had gehoopt. Papa zou slechts een paar daagjes wegblijven. Straks lagen de jongens natuurlijk weer lekker lui op de heuvel, maar Esmée had andere plannen. De Tuin der Geesten bood een prachtig labyrint – een wereld die ontdekt wilde worden. Er waren onweersbuien aangekondigd en inderdaad hingen er in de lucht mooie stapelwolken – bergen die steeds van vorm veranderden. Haar handen gleden langs gortdroge boombladeren – bloesem was uitgevallen, een maand geleden al. maar Esmée herkende een mooi kronkelend pad dat een echt einddoel moest hebben.

Ja, het was leuk om vrienden te hebben met wie je lui op een heuveltop kon gaan liggen.

Vandaag ging ze er liever alleen vandoor, omdat papa haar vanochtend achter had gelaten. Het was te riskant, zoals mevrouw Madsen had uitgelegd – veel les had ze niet eens gegeven – ze hadden zitten praten over wie ze was – een fee in spijkerbroek – ja, leuk. Betekende het nu ook dat ze haar hele leven op dit eiland zou moeten doorbrengen – afgescheiden van andere mensen die altijd een bedreiging voor Esmée waren? Het was uiteraard onmogelijk om door muren te lopen, maar ze kon er makkelijk voor zorgen dat ze omvielen. 

Grotere, steviger bomen groeiden er overal – struiken probeerden uit alle macht de bodem te bedekken, zodat de grijsgroen gekleurde vloeren onzichtbaar leken te worden. Na een kwartiertje lopen stond ze bovenaan een trap – een leuning ontbrak – bovendien leek het zo te zijn dat de trap in een diepdonkere duisternis verdween – er moest water zijn beneden – vrij logisch, want het water zakte altijd naar het diepste punt en hier waren er nu eenmaal kelders zat.

Eerst keek ze zoekend om zich heen – ze wilde zeker zijn dat niemand klaarstond om gillend de struiken uit te rennen, omdat ze een kelder wilde verkennen.

‘Soms moest een mens risico’s nemen’, zei papa wel eens. Zoals naar de stad gaan, terwijl dat fout was. Zonder risico’s kwam je nergens. Dus ging ze langzaam omlaag – voorzichtig, omdat teveel risico net zo min erg goed kon zijn. Na enkele traptreden bleef Esmée stilstaan en vervloekte ze zichzelf – erg dom – ze had een mobiele telefoon op zak en daarmee nam ze een uitzonderingspositie in, want ze was de enige – de andere kinderen hadden er geen.

Ze tikte op het scherm – wilde de schijnwerper gebruiken – best makkelijk in het donker – in plaats van een kelder vol water ontdekte ze een lege en zelfs droge gang vol gesloten deuren – een volstrekt droge vloer – dus ging ze verder – naar beneden, want dit was toch iets wat al op een avontuur ging lijken.

Uiteraard probeerde ze de deuren open te duwen, maar ze leken allemaal op slot te zijn. Of het was een oude verrotte bende – verroeste scharnieren en zo.

Volgens de verhalen die ze had gehoord zou ze minstens tot haar heupen in het water moeten staan. Best vreemd. Zo te zien had er hier al sinds lange tijd geen druppeltje water meer op de vloer gelegen.

“Esmée?”

Boven haar hoofd riep Andrea haar naam.

“Hierbeneden,” zei ze.

Het kon ook moeilijk anders – de enige kelder met een lichtbundel die steeds zoekend heen en weer ging. 

“Mama maakte zich zorgen,” zei Andrea. “We krijgen slecht weer.” Voorzichtig kwam Andrea naar beneden – haar voetstappen echoden droog door de gang.

Uit alle macht probeerde ze een deur open te duwen – ze drukte de klink omlaag en voelde inderdaad wat beweging, al verliep het erg moeizaam – ook Andrea hielp mee – de deur ging open, maar heel langzaam.

“Gewoon een berging, net als thuis,” zei Andrea.

“Waarschijnlijk wel,” zei Esmée die naar binnenging en een niet al te grote berging verwachtte – misschien met een paar dozen die bewoners hadden achtergelaten tijdens de verhuizing – of vergeten waren. In plaats daarvan kwam ze in een nieuwe gang terecht – als een brandgang, zoals ze thuis hadden en exact dezelfde.

“Hè?”, vroeg Esmée.

“Wat is dit nou?”

Van links naar rechts – zover als ze konden zien, waren er gesloten schuurdeuren – groen geschilderd, maar dat was wel lang geleden gebeurd – de verf was al aan het bladderen en soms voelde het hout zacht aan – Esmée kon er bijna een deukje in drukken.

“Ik denk – ,” zei Esmée die haar zin niet eens afmaakte, want ze rende naar de volgende deur.

“Wat?”

“Kijk,” zei ze, “hier wonen we – of – hebben we gewoond.” In een en dezelfde beweging zette Esmée haar vlakke handen tegen de deur op twee handpalmen die in het hout leken te zijn gebrand.

“Ja, wacht eens even,” zei Andrea die de linkerpols van haar vriendin vastpakte en heel voorzichtig wegtrok. “Jij weet vast meer van deze brandmerken.”

Er volgde een kort knikje – Esmée kleurde een beetje rood en zette haar beide handen weer op de deur.

“Eerlijk gezegd dacht ik er niet eens zo vaak aan,” zei Esmée.

“Dus je wist het – dat je anders was,” zei Andrea.

“Hè hè, natuurlijk,” reageerde Esmée. “Vanzelf.”

“Veel eerder dan – toen je het glas hebt laten ontploffen – elektronica – gewoon – doorbranden.”

“Ja, zoals ik al zei, ik had er niet meer aan gedacht.”

“Het zijn altijd andere kinderen of volwassenen die hardop zeggen dat je anders bent dan anderen,” zei Andrea, “je hoeft er zelf nooit zo vaak aan te denken.”

“Het was al zolang geleden – ik wist het allemaal wel, maar het is net als de dood van mijn moeder, snap je, ik denk er niet elke dag aan en soms, als alles anders loopt dan normaal en het zit tegen, dan is het er weer.”

“Het is goed dat je bij ons bent komen wonen.”

“Ja,” zei Esmée. “Ben je er klaar voor?” Vervolgens liet ze een lach zien die er veel te opgewekt uitzag.

“Ja – ja.”

“Dan gaan we naar binnen.”

Esmée maakte de schuurdeur open. Met zijn tweeën gingen ze verder – liepen door de veel te volle schuur, dan de tuin, een bekende plek, de sinaasappelboom die papa speciaal voor mama had geplant – hier hadden ze gewoond.

Ook de oude buurman was druk bezig – gras aan het maaien.

“Hé – hallo – Esmée. Ook weer in het land?”

“Heel eventjes maar, hoor,” zei Esmée.

“De monteurs zijn druk bezig.”

“Hé. Jouw moeder heb ik al eerder gezien,” zei hij.

“Dat kan. Ik ben Andrea.”

“Met dat rooie haar – moeilijk om te missen, hè.” In de lucht klonk er een rollende donder – ver weg en dichtbij – niet zo vreemd – het was boven het eiland. “Da’s bij jullie – jullie krijgen de volle laag, denk ik.”

“We moeten terug. Moeder maakt zich zorgen,” zei Andrea die terugliep naar de deur. “Opschieten, joh.”

“Ja. We gaan weer.”

“Moet je je pa niet eventjes goeiendag zeggen?”

“Eh – dat ligt een beetje moeilijk,” zei Andrea.

“O, ik snap hem al – hij denkt dat je daarginds bent.”

“Precies.”

“Juist, ja.”

“Niks verklappen, hoor. Dat we hier zijn geweest.”

“Mm, ik ben erg slecht in geheimen.”

“Het mag echt niet.”

“Vooruit dan maar – al vind ik het vreemd.”

Terwijl ze zich omdraaide, zag ze haar vader bij het raam – Esmée stuurde hem een kushandje en haalde haar schouders op, alsof ze wilde laten weten dat ze het ook allemaal niet goed snapte hoe dit nou kon. Voordat ze de deur dichttrok, zag ze papa met een waarschuwend vingertje. Ze moest voorzichtiger zijn.

Ze renden door de brandgang en Esmée wist verdraaid goed dat de buurman hen zou volgen, omdat hij op een of andere manier moest hebben geraden dat hij middenin een mysterie zat.

Gelukkig stond de deur nog altijd half open, precies zoals ze hem achter hadden gelaten – Andrea ging eerst binnen, daarna Esmée. “We zijn terug,” zei ze, want ze stonden in dezelfde gang die ook het begin van hun avontuur was geweest. Ze waren weer thuis.

“Hé meiden – Waar zijn jullie gebleven?”

Het was de buurman die in de brandgang stond en nog snel voor het losbarsten van een stevige onweersbui het gras van zijn achtertuin had willen maaien.

“Kom – de deur moet snel dicht,” zei Esmée.

Met zijn tweeën trokken ze deur dicht die ze met zoveel moeite open hadden gekregen, maar het leek wel alsof het nu zwaarder ging dan daarstraks. In elk geval wilde Esmée een klik horen – van het slot.

Die kwam er – eindelijk. Verdorie zeg.

“Oeps,” zei Esmée die begon te lachen.

“Nou!”, riep Andrea – ze lachte ook heel hard.

“Hé, Leon. Ze zijn er wel,” zei Gijs die op de trap stond en omhoog keek – de jongens stonden buiten.

“Hoe kan dat nou?”, vroeg Leon.

“Niet goed gekeken,” zei Gijs die de trap afliep.

In de tussentijd tikte Esmée een berichtje. Voor papa. Om zich te verontschuldigen. Het was niet handig geweest wat ze hadden gedaan, maar hadden onmogelijk kunnen weten waar ze terechtkwamen.

“Wat ben jij aan het doen?”, vroeg Leon.

“Sorry? Waarvoor?”, vroeg Gijs die de woorden zag.

“We zijn dáárginds geweest,” zei Andrea.

Ook Jokke was de trap afgedaald. Ze waren compleet.

“Hoe?”, vroeg Jokke.

“We kwamen in de brandgang van Esmée haar oude huis terecht – hun oude schuurdeur en zo – we hebben zelfs de buurman eventjes gesproken. Om er te komen hoefden we alleen maar een deur open te maken.”

“Da’s best handig,” zei Gijs.

“Als het een keer niet anders kan,” zei Esmée.

“Precies.”

Binnen een minuut volgde het antwoord van papa.

‘Wees voorzichtig, liefie. Je trekt te veel aandacht.’

Buiten viel er nu een stevige bui die hopelijk snel voorbijgetrokken zou zijn – ze wilde naar de flat.

‘Het was een ongelukje. Ik wist het niet.’

‘Nu dus wel. Voortaan alleen in geval van nood.’

‘Kom je snel weer thuis?’

‘Overmorgen pas.’

‘Mis je.’

‘Daar geloof ik niks van.😊’


Plaats een reactie