De Buurvrouw (3/6)

Er volgde een drukke periode waarbij Vernon vooral hard aan het werk was. Het betekende weinig thuis zijn. Hij kreeg de buurman nauwelijks te zien. Een enkele keer sjouwde hij met een boodschappentas en Vernon vermoedde dat Van Kerkrade veel warme maaltijden uit de magnetron haalde. Dochter en zoon vertoonden zich helemaal niet en hetzelfde gold voor de kleinkinderen, alsof het huis van opa besmet gebied was geworden.

De woorden galmden erg lang na, zoals de trillingen in het wateroppervlak zichtbaar bleven als je een steen in het water had gegooid. ‘Ik heb het kreng vergiftigd.’ Vernon begreep goed – hij had het zelfs opgezocht – dat ‘bitch’ toch echt iets anders inhield dan ‘kreng’ – volgens Google translate – het waren verschillen die alleen in detail bestonden, want de emoties kwamen uit dezelfde bron. Hij legde de situatie uit aan een collega – buurman had de hondjes van zijn overleden vrouw opgeruimd – weggedaan – nu was de dochter boos. Antwoord luidde: “Jammer dan. Die meid draait wel weer bij. Duurt een tijdje.” Een vrouwelijke collega vond het onbeschoft, tactloos. Hij had best mogen wachten, al was het een maand.

Zaterdagochtend in de buurtsupermarkt verwachtte hij roddels over buurman Van Kerkrade, maar het bleef opmerkelijk stil. Geen verhalen, geen praatjes. Mensen gingen nu eenmaal onverwacht dood. Het gebeurde regelmatig en iedereen die oud genoeg was, kende voorbeelden uit zijn directe omgeving – iedereen kende wel iemand die iemand kende…

Mocht een man – blij zijn dat de bitch dood was?

Vernon stond middenin de supermarkt na te denken over zijn boodschappen. Zoals altijd maakte hij geen lijstje, want meestal gooide hij dezelfde producten in zijn karretje. Er zat geen variatie in. Nog altijd hield hij zich bezig met de overleden buurvrouw. Een jonge vrouw duwde een winkelkarretje voor zich uit, terwijl ze ondertussen een briefje vasthield.

Het probleem was een beetje dat Vernon nooit een hekel aan de buurvrouw had gehad. Ze groette altijd netjes, vroeg ook hoe het met hem ging, zeker als hij een tijdje weg was geweest vanwege zijn werk. Dat dan weer wel, ja. Ze hield alles goed in de gaten. Er ontging haar verdomd weinig. Als de buurman het parkietje van zijn vrouw had vergiftigd, dan moest hij slim te werk zijn gegaan. De buurvrouw gaf altijd een complimentje weg als hij – bijvoorbeeld – nieuwe schoenen droeg, maar Vernon kreeg het ook te horen als ze iets lelijk vond. Ze had het hart op de tong. Ze was nooit echt diplomatiek. Alleen de knetterende ruzies die zijn buurtjes nu en dan hadden, vond hij echt vervelend. Hij hoefde niet direct te weten dat de buurvrouw haar partner een grote lul vond. Vernon begreep het wel dat zijn buurman de hondjes naar een asiel had gebracht.

Na ongeveer anderhalve maand beëindigde hij een periode waarin hij bijna uitsluitend had gewerkt. Komende week zou hij veel tijd in huis doorbrengen, heerlijk lanterfanten. Volgende ochtend kwam hij laat uit bed, zijn eerste echt rustige dag. Mobiele telefoon lag op de eettafel, zodat zijn werkgever hem altijd zou kunnen bereiken. Wel liet hij zijn telefoon altijd thuis liggen, als hij het huis uitging. Hij hield ervan om moeilijk bereikbaar te zijn als hij niet hoefde te werken.

Vernon besloot zijn fiets maar eens te pakken voor de boodschappen. De koelkast was leeg en hij haalde hooguit voor twee à drie dagen eten in huis. Hij deed de garagedeur open en zette zijn fiets buiten die een zachte achterband had. Het was koud, maar droog. Van Kerkrade stond eveneens buiten.

Vernon overwoog even de man enigszins te negeren en gewoon naar de Hoofdstraat te fietsen, omdat hij zijn boodschappen snel binnen wilde hebben, dus de achterband oppompen, zwijgen en wegrijden, maar erg vriendelijk zou het niet zijn. Daarom besloot hij eerst maar eens te vragen hoe het ging. Het was anderhalve maand geleden.

“Buurman,” zei Vernon.

Van Kerkrade reageerde helemaal niet.

“Hé, buurman.” Vernon riep iets harder, maar de man staarde onverminderd voor zich uit. Alsof hij stond te wachten. Alsof zijn vrouw elk ogenblik thuis zou kunnen komen. Misschien gebeurde er iets, viel er wat te zien aan de horizon en wist Vernon het gewoon niet.

Hij liep naar Van Kerkrade en legde een hand op diens schouder. De buurman sprong zo ongeveer omhoog, draaide zijn hoofd naar Vernon, die zijn handen verontschuldigend omhoog stak. “Ik ben het maar, hoor.”

“Jezus… man!”, riep Van Kerkrade. “Je laat me schrikken.”

“Sorry. Het was niet mijn bedoeling om je een rolberoerte te bezorgen.”

“Godverdomme, ik sta gewoon te trillen,” zei Van Kerkrade.

“Wat is er dan? Wat is er gebeurd?”

Van Kerkrade veegde enkele zweetdruppels van zijn voorhoofd, die er in werkelijkheid niet waren. Zijn handen trilden. Opnieuw zocht hij naar een punt aan de horizon en Vernon begreep ineens dat het om een politiesirene ging die Van Kerkrade had gehoord. Of een ambulance. Hoe hield je ooit al die sirenes uit elkaar? Waren ze verschillend? Was het belangrijk? Deed het er iets toe? Vernon moest het vergeten.

“Niks… helemaal niks… mijn vrouw is dood… da’s alles, buurman. Je kent het verhaal.” Van Kerkrade draaide zich half om, heel even leek hij terug naar huis te willen lopen. Toch bleef hij staan. Zijn rechter ooglid trilde een beetje, terwijl hij naar Vernon keek. “Een hoop gezeik met mijn dochter.”

“Waarom? Vanwege die hondjes?”

“Nee, daar hebben we het niet meer over.”

“Wat dan wel?”, vroeg Vernon die heel relaxt probeerde te klinken.

“Ze beschuldigt me van moord.”

Vernon dacht aan het parkietje en de hondjes die Van Kerkrade mogelijk in de tuin zou hebben kunnen begraven, als hij boos genoeg was geweest… nee, hij heeft ze afgeleverd bij een asiel en zou er nooit een verhaal over hebben opgehangen. Vernon probeerde zich te herinneren hoe het ook alweer zat. Had hij het verteld? Had de buurman gezegd wat hij met de honden had gedaan?

Er ontglipte een zenuwachtig lachje aan Vernons mond. “Sorry.”

Van Kerkrade zweeg.

“Het gaat toch niet om het parkietje?”

“Nee,” zei de buurman die een denkbeeldige steen wegschopte.

“Ik ga er niet naar raden, buurman.”

“Ze denkt dat ik haar moeder… mijn vrouw… heb vermoord… Mam was nooit ziek, mankeerde nooit iets… Je had een sectie aan moeten vragen.” Hij imiteerde de stem van zijn dochter die net zo goed zijn vrouw had kunnen zijn. “Je hebt haar gewoon vermoord, pap. Dàt heb je gedaan!”


Plaats een reactie