De thermometer heeft hij vastgeschroefd aan een muur die de warmte van zijn omgeving heel goed weet te absorberen – of kou, nu de winter is ingevallen. Hij komt weinig buiten, al herinneren de klapstoeltjes aan de laatste warme dagen van het jaar. Een week geleden had het ’s nachts gesneeuwd – mensen liepen ongemakkelijk op straat, alsof ze in hun broek hadden gepoept.
Het is zaterdagochtend en er liggen sneeuwrestjes op voorruiten van auto’s, ook de zijne, geen echte sneeuw, maar ook geen water, iets daar tussenin, al is het ongetwijfeld ijzig koud.
Er hangt een dicht bewolkte lucht boven de stad – asgrauw, soms regent het, of ziet hij sneeuw vallen. Boven de horizon ligt er een heldere, oplichtende streep boven de gebouwen – zonlicht dat door de bewolking heen tracht te breken, maar het lukt niet. Sinds enkele dagen heeft hij last van zijn keel, een keelontsteking, een verkoudheid – hij heeft erg veel lopen hoesten – het gaat nu wat beter. Buiten wachten er auto’s voor verkeerslichten, er passeert een tram – koplampen weerspiegelen in drijfnat asfalt.
Een vrouw passeert op een fiets, dik ingepakt – ze draagt een muts en daaroverheen een capuchon – dikke wanten – haar knalrode fietsbanden lijken ongepast vrolijk.
De strook lichte bewolking, waar de zon doorheen probeert te dringen, begint ineens te klimmen en verdrijft de asgrauwe bewolking een beetje. Hij staat op, laat zijn notebook achter – en komt terug met koffie. Ondertussen steekt er een jonge vrouw over op een fiets – ze heeft lang roodbruin haar en probeert te verdwijnen in een enorme sjaal.
Een onbekende graffiti-artiest heeft grote oranje, geel en rode letters gespoten. Het woord staat op de muur van een voormalig ziekenhuis, terwijl alle andere bebouwing is gesloopt. Er gaan nieuwe woningen verrijzen.
In heel Utrecht is er een drukte van belang – overal liggen er bouwterreinen – klaar voor de eerste bouwvakkers, maar het is erg koud, het vriest regelmatig en er valt ook sneeuw. Regendruppels vallen op de ruiten van zijn appartement. Er passeert opnieuw een tram – nu naar het centrum.
Er vliegt een meeuw laag door de straat en hij herinnert zich de woorden van zijn vader – ‘als het echt koud gaat worden, dus bij matige en strenge vorst, zul je geen vogel horen roepen, schreeuwen of krassen. Aan het einde van een vorstperiode hoor je ze pas weer’.
Er staat een boom naast zijn huis – in de takken is een stuk plastic verstrikt geraakt – hij ziet het altijd en alleen in de winter. In het voorjaar verdwijnt hetzelfde stukje plastic in bladeren die langzaam tevoorschijn komen, alsof ze nog stiekem bang zijn voor de kou. Elk jaar verschijnt het en elk jaar verdwijnt het ook weer, maar het is er altijd.
De asgrauwe deken neemt opnieuw bezit van de stad – auto’s blijven rijden, de tram laat zich nog even niet zien – een jongen rijdt voorbij – op de fiets – hij draagt weliswaar handschoenen en een jas, maar geen muts of pet en met zijn blote nek lijkt hij vooral te willen protesteren tegen de winter. Het regent nog steeds of het is niet eens echt droog geweest.
In maart zijn er pas verkiezingen, maar de jongen krijgt vandaag al zijn proteststem.
16 januari 2017 at 13:55
mooi sfeer verhaal, ik zie het voor mij gebeuren..
LikeLike