De herfst heeft er geen zin in

Buurtbewoners zijn terug van vakantie – iedereen is terug van vakantie – afgestudeerde studenten hebben kamers achtergelaten – jongens en meisjes van net achttien jaar betrekken kamers in een flatgebouw dat eind jaren vijftig werd gebouwd. Enkele avonden geleden klonk er rond tien uur ’s avonds ineens jazzmuziek in de straat – het klonk als Coltrane – het geluid van een saxofoon dartelde langs gevels. Hij zat weer op zijn balkon – voet had hij tegen de reling geplaatst en hij luisterde. De echte zomer was alweer voorbij – verdwenen en zakte heel geleidelijke weg in een herfst die vooralsnog weigerde te beginnen – zo leek het althans. Bladeren verkleuren langzaam – worden geel – ze beginnen mistroostig te hangen – een duisternis die steeds eerder invalt. Veel blijft hetzelfde – er verandert weinig – dezelfde jongeren die hun auto’s parkeren en de straat over steken – er hangt een landerige rust. Boven zijn hoofd strekt zich een nachtelijke hemel uit – sterren die zich amper laten zien, omdat het licht van de stad te sterk is.

Er staat een groot flatgebouw schuin tegenover zijn huis – achttien verdiepingen of zo – elke avond omstreeks half elf lijkt er een wit, oplichtend puntje door de westelijke hemel te glijden – geen vliegtuig, een satelliet misschien, of het ruimtestation – hij weet het niet. Terwijl hij af en toe een slokje bier neemt, kijkt hij naar de sterrenbeelden die zich aan de nachtelijke hemel hebben geposteerd. Hij zoekt de Poolster – daar is het noorden – altijd.

Het begint ’s avonds al sneller af te koelen, maar koud is het nooit. Als hij lang genoeg wacht, ziet hij de lichten in het hoge flatgebouw uitgaan – soms één voor één – een andere keer zijn het er tien of twintig tegelijk. Hij blijft nog even zitten – meestal gaat hij rond half een naar bed. Soms nog iets later. Het theehuis sluit om twaalf uur – auto’s verdwijnen vrij plotseling – er komen geen nieuwe bezoekers – er heerst een volstrekte rust die zich nog beter laat voelen. Richting centrum torenen de gebouwen van een grote bank boven de stad uit. Daar tussenin ligt de Jaarbeurs – dichtbij – tien minuten lopen. Er zijn twee kanalen – eentje in het westen, eentje in het oosten. Opnieuw kijkt hij omhoog. Felgekleurde lichten zoeken een onzichtbaar punt hoog in de lucht – vliegtuigen die zijn opgestegen van Schiphol – of juist een landingsbaan zoeken. Het gaat altijd door, al lijkt het de laatste tijd rustiger te zijn in het luchtruim. Er zijn avonden geweest waarop hij om de twee minuten een toestel zijn geleidelijke afdaling zag inzetten.

Morgenochtend, als hij wakker wordt, is het kouder dan het een maand geleden was. De herfst heeft er nog geen zin in, maar probeert heel langzaam bezit te nemen van het continent. De muziek van Coltrane klinkt alleen nog in zijn gedachten en hij bedenkt dat dit tien jaar geleden ondenkbaar zou zijn geweest. Er was een buurman die urenlang muziek van André Hazes draaide, want de zanger was die dag overleden – urenlang en natuurlijk keihard, want muziek moest je kunnen voelen. Tegenwoordig wonen er mensen uit Oost-Europa – soms vraagt hij zich af of ze zijn vertrokken en dan zijn ze er ineens weer.   

Hij staat op en verfrommelt het lege blikje dat hij weggooit in de vuilnisbak. In het grote flatgebouw zijn er enkele huiskamers verlicht – net als de zijne – het is bijna half een – gelukkig heeft de herfst er voorlopig helemaal geen zin in. Het zijn avonden die in alle rust en zonder televisie voorbij gaan. Zelfs de man, die een beamer gebruikt om zijn tv-beelden op bioscoopformaat op de muur te projecteren, heeft het nu opgegeven. Het is donker – nog altijd warm. Voor meteorologen is de herfst al begonnen – ook in zijn straat ziet hij duidelijke sporen van het nieuwe seizoen, maar hij heeft er totaal geen zin in.


Plaats een reactie