Maandelijks archief: juli 2016

(Slot) Formules en Rituelen van de Magische Wereld – ‘of hoe de duivel alsnog een lange neus kreeg’

Seconden, minuten, misschien vele uren later ontwaakte hij weer, liggend op de vloer – een venijnige pijn doorsneed zijn hoofd – hij voelde elke slag van de zilveren knop die op zijn hoofd was neergekomen. Hij draaide zich op zijn rug en staarde naar het plafond. Was het allemaal echt gebeurd of had de reeks bizarre gebeurtenissen uitsluitend in zijn eigen verbeelding plaatsgevonden? Er moest een boek in de kast staan waarin formules en rituelen van de magische wereld waren beschreven. Zijn bevende vingers raakten zijn hoofd aan en hij voelde opgedroogd bloed.

Hij was in elk geval hard neergekomen. Gordijnen waren gesloten. Maximiliaan vertoonde zich nu eens niet, maar Ted voelde zich een slaaf van de negentiende-eeuwse schim. Had iemand hem wel eens gevraagd of hij dit wel wilde? Een man die belangstelling had voor een boek, geschreven in een niet-bestaande taal, moest haast een geschikte kandidaat zijn. Ted probeerde op te staan – de kamer begon ietwat te draaien, dus hij wachtte nog even. Straks zou hij gaan douchen – alle ellende van zich afspoelen. Goed – nu eens even alles samenvatten. Er stond een toverboek in de kast, een echt toverboek waarin je kon teruglezen hoe je mensen zou kunnen genezen van – bijvoorbeeld – enge ziektes. Hij wist het niet eens zeker, aangezien het boek was geschreven in een taal die Maximiliaan had bedacht. Waarom eigenlijk? Zouden er in de negentiende eeuw mensen hebben bestaan die oprecht geloofden in magie? Achterliggende eeuwen blonken vooral uit in jacht op mensen die zich met tovenarij en hekserij hadden verbonden. Ted liet zijn vingers over zijn gezicht glijden en voelde wederom de bloedkorsten die zich heel voorzichtig begonnen te vormen op zijn hoofd – klonters bloed in zijn haar. Hij zou het boek vernietigen en de kennis om dit te doen zou hij niet in het boek vinden, dus moest hij zich als een ijverige student voordoen. Komende weken en misschien zelfs maanden zou hij Maximiliaan zo goed mogelijk willen bedriegen. Ondertussen zou hij naar een manier zoeken om alle ellendige demonische figuren voor eens en voor altijd uit zijn leven te bannen.

Hij begreep niet waarom Maximiliaan hem zo vreselijk moest mishandelen. Zo erg zelfs dat Ted het bewustzijn was verloren. Er klonken voetstappen, iemand die snel dichterbij kwam, een man – of misschien een vrouw – nee, toch een man die in het trappenhuis naar boven of beneden liep. Schimmen hoorde je niet, die waren er ineens.

Na bijna tien minuten kwam hij overeind. Hij hield zich vast aan de deur die open was blijven staan, alsof de laatste bezoeker in grote haast was vertrokken. Ja, hij zou het boek vernietigen. Opnieuw klonken er voetstappen in het trappenhuis en hij vervloekte zijn eigen schrikachtigheid. Het was een domme reactie. Ted liet zijn kleding op de vloer van zijn badkamer vallen en boog een stuk voorover, draaide zijn hoofd naar links, zodat hij de verwondingen beter kon bekijken. Dit viel onmogelijk uit te leggen. Niemand, zijn familie en vrienden, zou begrijpen wat er was gebeurd. Niemand geloofde dat hij gewoon was gestruikeld en gevallen – of erger – dat hij geen idee had wat hem was overkomen. Ted achtte het een beter idee om te gaan zitten, een plastic krukje, dat er altijd stond, diende als waarborg tegen een nieuwe val. Warm water stroomde langs zijn lichaam – hij zag de douchebak enigszins rood kleuren, maar niet zo erg als hij had verwacht. Hij gebruikte geen shampoo, poetste lusteloos zijn tanden en veegde bijna tien minuten later de spiegel schoon, zodat hij de plekken opnieuw kon bestuderen, maar die nu waren schoongespoeld. Ja, het viel ontzettend mee. Zijn natte haren onttrokken de wonden heel mooi aan het zicht, behalve natuurlijk de vlek die Moonbeam had aangebracht op zijn hoofd. Die was heel goed te zien.

Om kwart voor negen zat hij te eten. Alles bij elkaar was hij bijna drie uur buiten westen geweest en Ted moest eten. Halverwege zijn maaltijd ontwaarde hij een stille schim die zich in de schaduw van een ondergaande zon bevond, maar niet verroerde. Ted herkende hem. Het was Maximiliaan die zich deze keer niet op wenste te dringen.

“Ga weg!”, beet Ted hem toe.

“De oude didactische methoden werken vaak het best,” zei Maximiliaan, “maar ik heb misschien een beetje overdreven.”

“Ik wil je niet meer zien – nooit meer.”

“Misschien ben je er nog niet klaar – ,” zei Maximiliaan, maar Ted stond erg abrupt op en stapte naar het raam – hij trok de jaloezieën wild omhoog, zodat de schim razendsnel in het licht verdween.

Hij dacht aan licht en ook aan vuur – een mooi, zuiverend vuur – toch wilde hij het zeker weten. Ted liet zijn dromen van een mooi, uitzonderlijk lang magisch leven voor wat ze waren – dromen. Hij weigerde een speelbal te zijn van onbekende machten die hun eigen gevaarlijke duistere belangen nastreefden. Ted zou zich nooit meer laten slaan – een schim liet zich heel gemakkelijk verdrijven – je had er alleen licht voor nodig – zonlicht – elektrisch licht – licht is licht. Er speelde een gedachte in zijn hoofd. Mogelijk waren de schimmen die hij had gezien alle tovenaars en heksen, alle opvolgers van Maximiliaan, uitgedoofde zielen die waren gestraft door een boze wrekende God die geen onnatuurlijke duivelse machten op aarde duldde. Ted nam een slok water, normaal een biertje, maar alcohol durfde hij nog niet aan – hij had te veel klappen gekregen.

Terwijl de ondergaande zon zich langzaam achter een flatgebouw begon te verschuilen, zag hij donkere schaduwen verschijnen die zich traag door het huis verplaatsten. Normaal gebruikte hij slechts een drietal schemerlampjes om zijn woning te verlichten – nu gingen alle lampen aan – de keuken, gang, beide slaapkamers en woonkamer – nooit eerder had hij zoveel licht aangedaan. Toch zag hij flitsen van schaduwen om zich heen – schimmen die heel kort uit het licht traden en voldoende duisternis hadden gevonden om zichtbaar te zijn. Iets na middernacht ging hij naar bed. Het werd een onrustige nacht waarbij Ted regelmatig ontwaakte, een lamp boven zijn hoofd gloeide fel genoeg om de schimmen uit zijn buurt te houden. ’s Ochtends, toen het licht van de opkomende zon zijn slaapkamer binnendrong, gleed hij weg in een diepe slaap. Ted werd pas om half een ’s middags wakker.

Goed – het was maandagmiddag en hij had allang aan het werk moeten zijn. Vijf telefoontjes en een app die bijna drie uur geleden was verstuurd – zijn werkgever had enkele hardnekkige pogingen ondernomen om contact met hem op te nemen. ‘Net wakker. Ik leef nog. Ben ziek. Sorry voor het late bericht.’ Daarna schakelde hij zijn telefoon meteen uit, want het laatste wat hij wilde was een gesprek met zijn direct leidinggevende die hem de volgende ochtend aan het werk hoopte te hebben. Een overheerlijk zonlicht kwam via alle richtingen zijn huis binnen – hij woonde in een hoekappartement – er zaten overal ramen. De schimmen, die zich gisteravond na zonsondergang massaal aan hem opdrongen, waren verdwenen – nee, ze waren nog – ze verborgen zich alleen in het licht en hielden hem evengoed in de gaten. Zouden het de schimmen zijn geweest die het boek telkens terug brachten en netjes op de plank zetten?

Hij nam plaats achter zijn computer en opende het forum – er waren geen nieuwe opmerkingen geplaatst. ‘Vraagje aan Gandalf. Waarom denk je dat het bloed van een maagd moet kunnen helpen?’ Gandalf merkte immers op dat het bloed van een maagd moest kunnen helpen om de betovering te breken. Het leek Ted erg vergezocht, want de formules en rituelen stonden op zichzelf – tot dusverre had hij geen seconde overwogen dat het boek een middel zou zijn om dode geesten aan de aarde te binden. Misschien was dat wel het doel van het boek? Hij voelde zich direct beter, want zijn hoofdpijn nam een beetje af. Om half drie verdween de zon achter een wolk – schimmen gleden over het plafond en langs muren – menselijke gestalten die tevoorschijn kwamen uit het licht dat hen eerder nog verborgen hield – vervagende herinneringen aan mensen die ooit hadden geleefd en lief gehad.

Zijn ogen bleven naar het beeldscherm van zijn laptop staren en zochten een definitieve oplossing voor zijn problemen, maar Gandalf antwoordde niet en mogelijk veel later pas. Waarschijnlijk was bloed geen passend middel om een toverboek te vernietigen. Waarom zou je magie gebruiken om diezelfde magie te stoppen? Buiten begon de lucht dicht te trekken – donkere onweerswolken stroomden door de atmosfeer – er hing een beangstigende windstilte die elk ogenblik doorbroken zou kunnen worden. Hij wachtte op een bliksemflits die zich knetterend een weg naar de aarde zocht. Schimmen kregen een vastere vorm, al slaagde hij er nauwelijks in om echte gezichten te ontwaren. De schimmen kregen een grauwe vale kleur, als echte mensen die uit een dichte mist tevoorschijn kwamen. Ze spraken niet, maar maakten dankbaar gebruik van de duisternis die de stad begon te overvallen. Op straat zochten voetgangers een veilig heenkomen – ze gingen flats binnen en prijsden zichzelf of God gelukkig, omdat ze net op tijd waren. Toch duurde het lange tijd voordat het onweer losbarstte. Zijn hordeur had hij dicht getrokken, balkondeur was geopend. Hij liep naar het raam en zag de onmiskenbare gedaante van Maximiliaan Brouwmeester wiens duim triomfantelijk omhoog was gestoken. Er lag een tevreden grijns op zijn gezicht bevroren. Een zwakke stem, die enigszins deed denken aan een zucht, sprak vlakbij zijn rechteroor. ‘Vuur zuivert, beter nog dan water, alle zonden van de mens.’ Hij draaide zich om en overzag zijn woonkamer die nooit eerder zo vol was geweest met geesten die niets anders deden dan afwachten. Er volgde een verblindende flits – als een blikseminslag die plaatsvond in zijn huis – de schimmen deinsden achteruit, Maximiliaan verscheen vanuit het niets naast de kast – het duurde slechts enkele seconden voordat ze met zijn tweeën waren overgebleven. “Je enige kans op een groots en meeslepend leven – om echt iemand te zijn die boven de grijze massa uitstijgt – een witte raaf tussen miljoenen zwarte raven.” Hij hief zijn armen verontschuldigend omhoog. “Ik zal je niets meer aandoen,” zei hij.

Op hetzelfde moment hulde een bliksemflits zijn huiskamer in een helder licht. De gestalte van Maximiliaan Brouwmeester, die zeer menselijk leek te zijn, kreeg gedurende een enkele seconden de aanblik van een duivel, zoals Ted zich er een zou voorstellen – een donkerrode huidskleur en vlammende ogen – twee priemende hoorns die op zijn voorhoofd staken – donkere, rood naar zwart neigende haren – . Het duurde maar zeer korte tijd. Een rollende donder walste door de atmosfeer. Maximiliaan herkreeg zijn menselijke gedaante, maar Ted zou het nooit vergeten en vroeg zich alleen af wat er in het leven van Moonbeam fout was gegaan – een hippie, symbool van vrede en liefde, die zich had verkocht aan een duivel. De verleiding was er geweest, maar Ted voelde de vernederende klappen van Brouwmeester nog altijd op zijn hoofd.

“Ik geef toe – het is heel aanlokkelijk,” zei Ted.

Buiten begon het hard te regenen – een zomerse wolkbreuk – een gordijn van water dat hard neerviel. Ted en Maximiliaan bestudeerden elkaar. Er volgde een nieuwe bliksemflits die ratelend en knetterend horizontaal door de atmosfeer schoot. De duivelse gedaante van Maximiliaan werd opnieuw zichtbaar – zijn hoorns prikten nijdig voorwaarts. Zijn ogen leken te branden – als gloeiende steenkolen. “Nu moet ik zeggen dat ik een makkelijke prooi in je dacht te hebben – maar je bent een veel gecompliceerder mens dan ik ooit had kunnen denken.”

“Verdwijn uit mijn leven en ik wil je nooit – echt, nooit meer terugzien – neem je boek mee, anders verbrand ik het,” zei Ted die een aansteker uit de la pakte. Hij brandde regelmatig wierookstokjes. Daarvoor bewaarde hij een aansteker.

“Groots – meeslepend,” zei de duivel die een heel gewone, menselijke naam had gebruikt.

“Soms denk ik wel eens dat God een soort gigantische immateriële bewustzijn is – jij en ik maken er deel van uit – Zijn bewustzijn moet je je net zo groot voorstellen als het universum. Wie zal het zeggen? Ik vermoed dat er ergens in dat onmetelijke bewustzijn een herinnering rondzweeft aan het bestaan van een mensensoort op aarde – ik geloof er niets van dat Hij ooit heeft bedacht dat mensen belangrijker zijn dan de nietigste bacteriën in het heelal – misschien herinnert Hij zich het bestaan van de mens niet eens – zo belangrijk zijn we nou eenmaal ook weer niet. Ik was het vergeten – ik wist niet meer dat ik dat een tijd geleden heb gedacht. Je hebt me geholpen – door jou ben ik een gelukkiger mens geworden. Ja, misschien ga ik zondag weer naar de kerk.”

“Barst,” zei de duivel en hij draaide zich om en verdween.

Ted voelde een heerlijk koele lucht zijn huiskamer binnenkomen – buiten regende het nog steeds heel hard – het bliksemde en donderde nog altijd, maar verder weg dan daarnet. Hij overwoog om eens naar de boekenkast te gaan – gewoon om te controleren of het toverboek er nog stond. Hij hoefde er niet naar te kijken. Dat wist hij heel zeker.

 

 


(2) Formules en Rituelen van de Magische Wereld

Het flatgebouw vormde een reusachtige letter ‘L’, langste zijde stond parallel aan de snelweg, maar Ted hoorde geen lawaai van voorbijrazende auto’s. Bomen groeiden als eenzame plukjes groen op het parkeerterrein dat ruimte gaf aan zowel nieuwe als oude auto’s. Hij liep naar de hoofdingang, zocht het juiste huisnummer dat zich op de dertiende verdieping bevond. Ted vond het heel toepasselijk. Zijn vinger drukte de bel in. Er klonk geen geluid, geen zoemertje, het bleef stil. Wel klikte de deur na ongeveer twintig seconden open. Hij ging verder en overwoog de lift te nemen – liftdeur was rijkelijk voorzien van graffiti – telefoonnummers van onbekenden die seks wilden hebben, maar het mogelijk zelf niet wisten. De liftkooi deed hem denken aan een grootmodel kliko, dus hij nam de trap.

Inderdaad wist hij waar de oudere vrouw woonde die hem ’s nachts had bezocht en een telefoonnummer op zijn muur had achtergelaten. Het gesprek met de jongeman speelde in zijn herinnering, maar ook het abrupte einde. Er zouden geen vreemde relikwieën in het appartement aanwezig mogen zijn, omdat er agenten zijn geweest die alle bijzonderheden zouden hebben meegenomen voor onderzoek. Er was gewoon niets, maar de macht van de oudere vrouw, wier achternaam Ted nog altijd niet kende, was veel groter dan hij had gedacht. Ze moest het boek van Maximiliaan Brouwmeester uit het hoofd hebben geleerd – alle formules en rituelen.

Op de dertiende verdieping passeerde hij hoofdzakelijk keukens en slaapkamers die huishoudens verraadden waarbij de diepe armoede nooit ver weg leek te zijn. Het appartement van de oude vrouw kenmerkte zich door zwaar ogende gordijnen die gesloten waren. Ted belde aan en gedurende een halve minuut gebeurde er niets. Deur ging langzaam open, een mannelijke gedaante verschool zich half in de schemering. In zijn ogen viel de ontzetting te zien die aan het eind van hun gesprek was verschenen. “Kom alsjeblieft binnen,” zei hij.

Ted wachtte niet langer en ging verder. “Waar is de badkamer?”, vroeg hij.

“Laatste deur rechts.”

Hij liep in een lange smalle gang – er waren deuren zonder drempels – heel geschikt voor mensen die afhankelijk waren van rolstoelen. Ted opende de badkamerdeur en probeerde zich geen voorstelling te maken van wat hij daarachter zou aantreffen. Zijn rechterhand zocht naar een lichtschakelaar. “Geen licht, mijnheer, als je het licht aandoet, zie je helemaal niets.” Hij gaf geen antwoord, maar duwde de deur weg. Zijn verbeelding toonde hem een kat die was opgehangen aan een lijn die slap omlaag boog. Zoiets was er helemaal niet. Hij ontwaarde verstilde, onbeweeglijke gedaanten die zelfs donkerder waren dan de donkerste nacht. Ook in het bad lag een man in een donker gekleurde, borrelende vloeistof, alsof het kookte. Gezicht stak boven het oppervlak uit dat een bloedhete, klamme hitte weggaf – Ted zag een gezicht dat ondenkbare kwellingen verraadde – een pijn waar je onmogelijk aan zou kunnen wennen.

“Wie zijn die mensen?”

“Ik zou het niet weten, mijnheer.”

De schimmen kwamen langzaam en met uitgestoken armen in zijn richting – hij dacht dat ze hem wilden vastgrijpen, zodat hij voortaan hun gezelschap kon delen. Ted deinsde achteruit en trok de badkamerdeur dicht. Een doffe klap. Geen echo.

“Er ligt een man in bad – het is geen water, maar iets heel anders en het lijkt te koken. Wat is het?”

“Dat heb ik niet gezien – sorry.”

“Ik wil de boekenkast zien.”

“Er is geen boekenkast.”

Ted opende wederom de badkamerdeur, maar zocht ogenblikkelijk de lichtknop – een gloeilamp verspreidde helder lichtgeel licht. Badkamer was leeg. Er waren geen schimmen die geduldig wachtten op een naïeve bewoner. Wat zou er gebeuren als er tijdens het douchen ineens de stroom uitviel? Hij onderdrukte een grijnslach. “Wat is de naam van je tante?” Hij hoorde zichzelf de vraag stellen en herinnerde zich weer dat ze Theodora heette.

“Mijn tante was – is een hippie. Ze noemde zich Moonbeam. Haar echte naam was – .” Hij glimlachte een beetje verlegen, terwijl hij dit zei.

“Theodora – ze heeft het gezegd – ik heb er niet aan gedacht,” zei Ted.

“O – oké,” zei hij. “Theodora Molenaar.”

“Ik ben benieuwd wat ik moet doen om niet te eindigen als een soort van spook die zijn eeuwen slijt in een badkamer,” zei Ted. Hoe kon hij weten dat de geesten, die zich in de badkamer verborgen, voorgangers van Moonbeam en hemzelf moesten zijn? Hij beschouwde zich als een erfgenaam. Welke misdaad moest je begaan om te eindigen in een bad vol kokende – ja – wat was het eigenlijk? Er lag geen aanwijzing die hem de zekerheid gaf dat hij gelijk had en toch geloofde hij het. Daarom kende hij het adres van de mevrouw die zich Moonbeam noemde en om dezelfde reden stond hij hier. Er daagde een nieuwe gedachte. Ted zou binnenkort optreden als bewaker van dit ondode gezelschap dat zich in de licht verborg. “Je probleem is tijdelijk,” zei hij, “ze zullen verdwijnen, zodra je tante komt te overlijden.”

“En dan?”

“ – Is het mijn probleem.”

“Het idee, dat je constant bespiedt wordt, lijkt me erg vervelend,” zei hij. Ted bedacht dat hij de naam van zijn gastheer niet wist en hij miste er weinig aan. Binnen enkele ogenblikken ging hij weg en zou hij het boek thuis bestuderen, omdat hij de vloek, die op zijn schouders neer dreigde te komen, wilde stoppen.

“Ik weet voldoende,” zei Ted.

“Dus ze gaan allemaal weg?”, vroeg hij.

“Je zult het weten als je tante is overleden.”

“Maar dat kan nog heel lang duren.”

“Ik hoop het.”

“Mijn ouders willen de huur nog niet opzeggen, maar wat moet ik doen als ze dat wel het plan doorzetten?”

Ted overwoog een antwoord. Het was zijn probleem niet eens. Hij had heel andere problemen.

“Laat ze gewoon aan je ouders zien en overtuig ze ervan dat de huisgasten vanzelf verdwijnen, als je tante eenmaal dood is. Het is een tijdelijk probleem. Bovendien is het jouw probleem niet eens.” Het was een harde constatering, maar wel waar. “Je kunt immers altijd zeggen dat ze er niet waren. Geloof me – ik zal er geen woord over zeggen.”

Ted liet de badkamer achter, een zorgvuldig gesloten deur – er hing een schemerduister in het huis dat permanent leek te zijn – een beetje vreemd, aangezien de geesten zich alleen in het donker vertoonden aan mensen. Ze hadden heel duidelijk menselijke contouren – graaiende handen en armen die ze vooruit hadden gestoken alsof ze hem wilden grijpen. Zombies die hun stoffelijke lichaam waren verloren. Bij de voordeur bleef hij staan en draaide zijn hoofd half om – jongeman stond middenin de gang en staarde hem met twee grote waterige ogen aan.

“Ik merk het vanzelf als je tante dood is.”

“Hoe moet ik dit nou uitleggen aan mijn ouders?”

Hij vond niet dat het zijn probleem was, maar wilde nu best reageren op de vraag van jongeman. “Duistere magie – zo noem je dit – ik vermoed dat je in de badkamer geesten van dode tovenaars en heksen bij elkaar ziet. Ik weet alleen niet wat ze daar doen.”

“En de man in het bad? Ik denk dat het bloed is.”

“Dat zou kunnen, ja. Weet je wat hij heeft misdaan?”

“Nee, ik heb geen idee.”

Ted verliet het appartement. Deur viel achter hem in het slot en hij wandelde op de galerij – terug naar het trappenhuis – hij negeerde opnieuw de lift en liep naar beneden, zodat hij kon nadenken. Twee schokkende ontdekkingen in zeer korte tijd. Magie bestond echt en het was eerder een duister bedrijf dan iets waar je ontzettend blij van werd. Bovendien waren er doden die de voorkeur leken te geven aan een langer verblijf op aarde in plaats van een definitief verblijf in het hiernamaals. Hij schudde met zijn hoofd, alsof hij zijn eigen gedachten niet wilde geloven. Het lag anders. Deze mensen, zowel mannen als vrouwen, waren gebonden aan aarde en vooral duisternis, want helder licht, elk licht, slaagde erin deze wezens te verdrijven.

Beneden in de hal zag hij de weerspiegeling van zijn eigen, ietwat slungelige gedaante in de ruit – een man van ongeveer veertig jaar oud – bruin haar dat iets over zijn oren viel en stoppelbaard. Theodorus, of Ted zoals zijn ouders hem noemden, bleek te zijn uitverkoren als magiër – en magie vormde de oudste van alle wetenschappen die de mensheid kende – nog gevaarlijker dan de atoombom – een schending van de natuurlijke wetten die hij kende. Hij verliet het flatgebouw en stelde meteen vast dat een jonge vrouw op de motorkap van zijn auto was gaan zitten – natuurlijk in kleermakerszit en ze zat heel ijverig te breien. Terwijl ze dit deed, keek ze af en toe om zich heen. Hij vloekte binnensmonds, maar de jonge vrouw bleef gewoon zitten – hij kwam snel dichterbij – ze strekte haar benen en liet zich keurig van de motorkap glijden. “Hoi,” zei ze. Ted bedacht dat hij haar al eens eerder had gezien, of een familielid die vanuit de duisternis zijn woning was binnengedrongen. “Ik ben Moonbeam,” zei ze.

“Dus toch.”

“Je hebt mijn neefje gesproken.”

“Klopt.”

“Nu moet je een hoop vragen hebben.”

“Die had ik al, hoor.”    

Moonbeam vouwde het breiwerkje op en liet het in een schoudertas glijden. “De geesten zijn er niet altijd – hopelijk is dat een geruststelling voor je – want ik werd doodsbang, toen ik ze in huis kreeg.”

“Wat doen ze? Wie zijn ze?”

“Ze zijn voorgangers van ons die het niet zo goed hebben gedaan – misdadigers en machtswellustelingen – er zitten enkele bekende Nederlanders tussen – nee, ik noem geen namen.”

“Jij komt er niet terecht, denk ik.”

“Nee, gelukkig niet,” zei Moonbeam. “Ik ga dood en hopelijk laten ze me zo kort mogelijk tussen de werelden zweven, want ik heb zin in het Walhalla.”

“En de man in het bad?”

“Het lot van de moordenaar,” zei Moonbeam. “Waar menig zondaar tot de keel moest koken in bloed! Ik vind sommige van die oude zeden en gewoonten toch wel goed. Het is heel fijn om van tevoren te weten wat je lotsbestemming zal zijn als je iets verkeerd doet.”

“Ik las op internet dat het bloed van een maagd mij van het boek zou kunnen verlossen.”

“Beste Ted – je ontkomt niet aan je lot – heel je leven zul je net zo eenzaam zijn, als ik altijd ben geweest, maar de kracht die het boek je verleent, zal minder duister zijn dan jezelf al vreesde – anders gezegd – je kunt zelf een hele hoop invloed uitoefenen – hoe je leven, maar ook je dood tenslotte zal zijn.”

“Ik moet het boek eerst leren lezen.”

Ted ontgrendelde zijn auto en trok het portier open. Terwijl hij instapte in de veronderstelling dat Moonbeam hem zou volgen, verdween de vrouw, of geest, in een oogwenk. Hij zat achter het stuur en keek nog eens of hij het verkeerd had gezien. Moonbeam, zoals ze zich echt noemde, was verdwenen – misschien was ze er in werkelijkheid nooit geweest.

Hij reed langzaam achteruit, draaide naar rechts en verliet het parkeerterrein en wist dat hij hier nooit meer zou terugkeren. Magie, duister als de donkerste nacht, blootgesteld aan de ergste hebzucht van een mens, of licht als een sprankelende lentedag, symbool van vrede en voorspoed. Het zou allebei kunnen, maar duistere magie werd genadeloos afgestraft – duistere magiërs bleven op aarde rondzwerven, misschien wel tot het einde der tijden en zelfs langer, als God hun bestaan allang was vergeten. Rechts van de weg, voordat hij de snelweg op zou draaien, stond een man wiens leeftijd zich moeilijk liet schatten – hij hield een kartonnen bordje vast waarop slechts één woord stond. Valhalla. Er lag een donkere gloed over zijn ogen. Ted draaide het stuur van zijn auto naar rechts en stopte – hij gooide het portier open.

“Daar ga ik echt niet naar toe, kerel.”

De onbekende drukte het bordje tegen zijn been en nam plaats. “Dank je.”

“Ik ben alleen maar gestopt.”

“Het is erg belangrijk dat je dat hebt gedaan, want ik denk dat Moonbeam inmiddels allerlei onzin in je hoofd heeft gepropt,” zei de man wiens uiterlijk en kleding deden denken aan een personage van Dickens. Hij legde het kartonnen bordje op het dashboard, maar leek dat vooral te doen – er was helemaal geen kartonnen bordje. Het was een illusie. “Je moet onthouden dat er geen hemel bestaat en ook geen hel – behalve de hel van het dagelijks leven.”

“Als ik het goed begrijp, wil je dat ik mijn eigen genoegens moet nastreven – je spreekt over egoïsme, onbegrensd narcisme en maatschappelijk verantwoorde zelfbevlekking, een duivels carnaval, zoals de televisie ons bijna dagelijks laat zien.”

“O, ik ben te laat.”

“Dat ben je al ruim veertig jaar.”

“Ik zal je nooit meer lastig vallen.”

“Dank je.”

Man stapte uit en verdween ook direct weer, alsof hij er nooit was geweest. Ted liet het verschijnsel maar voor een deel tot zich doordringen en trapte het gaspedaal omlaag. Een man die veranderde in een verblindende lichtflits, omdat de zon door de bewolking heen brak. Zoiets moest het zijn geweest.

Hij probeerde zich de rest van zijn leven als magiër voor te stellen, een man die slechts een spreuk hoefde uit te spreken om een gedachte werkelijkheid te laten worden. Natuurlijk zou hij er goede en slechte dingen mee kunnen doen. In zijn gedachten speelde de herinnering aan de duistere schimmen die in de badkamer opgesloten leken te zitten, maar volgens Moonbeam zaten ze er niet altijd. Als de oude magiër weg leek te zullen glippen uit het leven en de beoogde opvolger moest wennen aan zijn nieuwe rol, dan drongen de geesten uit het verleden zich hinderlijk op. Hij stuurde zijn auto zonder veel moeite door het drukke verkeer, passeerde vrachtauto’s – er speelde zachte klassieke muziek, al wilde hij vaak genoeg naar klassieke rockmuziek luisteren. Wat zou een magiër kunnen betekenen voor de samenleving? Natuurlijk mocht niemand er ooit achter komen. Het moest altijd een geheim blijven. Onderzoek naar genezing van kankerpatiënten kwam abrupt tot stilstand, want Ted kon moeiteloos alle zieken genezen. Er groeide een tevreden glimlach op zijn gezicht – hij staarde een ogenblik naar links en keek de vrouwelijke passagier van een oudere man in het gezicht. Ze begon ook direct te lachen, maar Ted wist dat hij zijn idee onmogelijk zou kunnen uitvoeren. Chronisch zieken genezen en kankerpatiënten in het algemeen, omdat zijn vader aan kanker was overleden, armoede bestrijden door iedere burger voldoende eten en drinken te schenken, want armoede begon in je maag. Uiteraard zorgde hij ervoor dat hijzelf keurig oud zou worden en nooit te veel last kon krijgen van enge ziekten, of in het ziekenhuis zou komen te liggen vanwege een hersenbloeding. Zijn glimlach veranderde in een hikkende lach – hij negeerde zijn overige weggebruikers, want er daagde een verrukkelijk leven aan de horizon. Alleen moest hij het boek zien te begrijpen, de tekst leren lezen, de sleutel vinden die hem zou helpen de geheimen van Maximiliaan Brouwmeester te ontsluieren.

Het kostte hem thuis enige moeite zijn auto te parkeren. Omdat hij dichtbij een tramhalte woonde, was het er altijd druk – gratis parkeren en dan binnen tien minuten in het centrum. Misschien kon hij daar ook eens wat aan veranderen – altijd een vrij parkeerplekje voor de deur, maar hij zou hier sowieso niet erg lang blijven wonen. Een magiër behoorde een oud huis te bewonen, liefst erg achteraf, dat schuilging achter een rij dichtbegroeide bomen die zomer en winter groen bleven. Ted sloot het portier van zijn auto en wandelde naar huis. Er lag geen post, zelfs geen reclamefolder die ondanks het stickertje toch in de bus was gegooid. Hij draaide de sleutel van zijn voordeur naar rechts en rook direct een uiterst kwalijke, walgelijke lucht, als van een lijk dat al langere tijd lag te stinken. Veel meer dan een uur of twee was er niet eens verstreken. Hij zocht naar de lichtknop, maar aarzelde bij de aanblik van een roerloze gedaante die in het schemerduister zichtbaar werd. Lang grijzend haar, matzwarte ogen die in het niets leken te kijken, een vrolijk gekleurde jurk die bizar contrasteerde met de aanblik van een dode.

“Moonbeam?”, vroeg hij en zijn woorden sloegen dof neer. Haar lippen bewogen heel traag, alsof ze iets wilde zeggen en de vrouw ondernam verschillende zinloze pogingen tot hij een drietal woorden herkende die ze telkens weer herhaalde: ‘Ik ben dood.’ Betekende dit nou dat dode magiërs geen toegang hadden tot het Walhalla? Ze bleef bewegingsloos staan. Hij meende zich er langs te moeten wurmen, de aanwezigheid van een ongewenste bezoeker negerend, alsof het een hinderlijk insect betrof. Ze probeerde haar arm op te tillen, een beweging die moeite kostte, want er bestond een echte herinnering aan de aandoening die haar het leven had gekost. Zijn hand tikte op de lichtknop – een zacht geel schijnsel trok heel langzaam de aanwezigheid van Moonbeam naar een onzichtbare wereld – ze was verdwenen.

Nog steeds hing er een ellendige stank – als van rottend vlees. Ted ging verder en klemde zijn autosleutels stevig vast, terwijl hij de woonkamer betrad. Hij had de gordijnen opengelaten, maar ze bleken nu te zijn gesloten. Ted zocht de gedaante van een man die zich, zoals Moonbeam eerder had gedaan, toegang had verschaft tot zijn huis. In de woonkamer vond hij niemand, maar een verrassend tengere, kleine man had zich toegang verschaft tot zijn boekenkamer en bestudeerde alle titels die er op de planken waren neergezet. “Ik wou dat ik nog leefde, dan zou ik alles willen lezen – uw verzameling zou ik willen lezen.” Een vinger tikte op het boek van Brouwmeester. “Maar dit kennen we natuurlijk wel.”

Ted wilde vragen hoe de man heette, maar hij begreep wie deze figuur moest zijn die zich nog niet had voorgesteld. Maximiliaan Brouwmeester. Hij gebruikte een wandelstok die, net als hijzelf, bestond uit pure energie. Maximiliaan was een geest – een schim – een man die lang geleden was doodgegaan.

“U zou uiteraard een hoofdstuk kunnen voorlezen.”

De wandelstok had een zilveren handgreep en Ted herkende er een perfect gevormde wolvenkop in.

“Is dit nu mijn lot?”, vroeg Ted. “Altijd weer mensen in huis aantreffen die tientallen jaren geleden dood zijn gegaan en zich bemoeien met mijn dagelijks leven. Kun je me niet eens met rust laten?” Hij was zijn dromen van een lang magisch leven al weer vergeten. Bovendien greep er een hinderlijke smerige lucht in de kamer en Maximiliaan vormde de bron.

“Ondankbare hond!”, schreeuwde Maximiliaan die zijn rechterarm bijna vuistdiep in de borstkas van Ted liet verdwenen die onmiddellijk een felle hartpijn voelde. “Je krijgt een unieke kans om iets van je leven te maken.” Maximiliaan trok zijn hand uit de borstkas van Ted. “Er is altijd maar één levende magiër.” Maximiliaan begon met de knop van zijn wandelstok op het hoofd van Ted te slaan die zich trachtte te verweren, maar het sorteerde geen enkel effect. De wandelstok, of pure energie, drong door zijn armen heen en raakte daadwerkelijk, keer op keer, zijn hoofd. Maximiliaan hield zijn wandelstok met twee handen vast en het leek alsof hij hout stond te hakken.

Ted liet zich vallen, zijn knie raakte de vloer en hij dreigde om te vallen – heel even was hij bang het bewustzijn te verliezen. Er stroomde een kleverige vloeistof langs zijn gezicht. Zijn vingers gleden er doorheen en oogden erg rood – hij likte – proefde – het was erg warm en lekker. De ijskoude vingers van Maximiliaan rustten op zijn hoofd en leken de wonden te zullen genezen die waren ontstaan.

“Ik weet zeker dat je een blije, ijverige student zult zijn – misschien wel de beste die ik ooit heb gehad.”

Ted dwong zichzelf omhoog te kijken en zag twee brandende, bloedrode ogen van Maximiliaan, maar dat was ook het laatste wat hij zich herinnerde.

Citaat uit ‘Divina Commedia’ van Dante:

115       Wat verder is de paardmens blijven staan,

Waar menig zondaar tot de keel moest koken

In bloed, en wees ons een der schimmen aan


(1) Formules en Rituelen van de Magische Wereld

Normaal kocht hij niets meer op rommelmarkten, maar dit boek was een uitzonderlijk mooi exemplaar – een harde kaft en stofomslag, rijkelijk voorzien van bladgoud. Hij verzamelde oude boeken en dit was een buitenkansje vanwege de geringe prijs. Hij betaalde er tien euro voor en voelde zich een een mazzelaar. De verkoper liet hem stilzwijgend begaan, alsof hij de zoveelste belangstellende was die het boek stond te bekijken. Onbekende auteur en titel – de taal leek erg Nederlands of Duits, maar week in elk opzicht af. Hij herkende er zelfs geen enkele moderne Europese taal in, terwijl de grammatica en spelling wel degelijk duidelijke Nederlandse kenmerken vertoonden. Misschien wilde hij het daarom wel kopen.

Thuis zocht hij op internet of er iets bekend was over de schrijver en titel, maar hij slaagde er niet in om relevante informatie te vinden. Hij verdrong een gevoel van teleurstelling – wel leerde zijn ervaring hem dat ontbrekende info eveneens kon betekenen dat er geen verkopers waren, omdat vrijwel niemand het in de kast had staan. Misschien bestond er wereldwijd slechts één enkel exemplaar, al rekende hij nergens op. Het was een prachtige gedachte. Dat wel. Hij beëindigde zijn zoektocht en zette het boek in de kast.

Enkele avonden later, toen hij zich danig verveelde, typte hij achter zijn laptop de naam van de auteur. Maximiliaan Brouwmeester, gevolgd door een jaartal dat hij in het boek had gevonden. Natuurlijk vond hij helemaal niets. Om die reden plaatste hij een vraag op een forum waarbij er gedurende enkele dagen niemand, maar dan ook werkelijk niemand reageerde. Ted, zoals hij heette, begon zijn belangstelling voor het boek te verliezen, gooide het zelfs in de vuilnisbak en de volgende avond stond het toch weer op de boekenplank. Dat was erg vreemd, Ted dronk ’s avonds regelmatig een glas bier, maar nooit te veel. Hij wist honderd procent zeker dat hij het boek had weggegooid en herhaalde dezelfde handeling opnieuw. Hij gooide het boek weg en de volgende ochtend, voordat hij naar zijn werk ging, controleerde hij zijn boekenkast – en daar stond het boek opnieuw op de inmiddels vertrouwde plek. Hij had geen filmpje gemaakt om zijn eigen herinnering te controleren – bovendien zouden zijn vrienden hem niet eens geloven. Het was onzin en toch wist het boek op één of andere manier terug op de plank te komen. Ted was zijn vraag op internet vergeten. Het boek nam hem volledig in beslag en, om zeker te zijn dat hij niet slaapwandelend het balkon betrad en het boek uit de vuilnisbak viste, deponeerde hij de complete vuilniszak in een ondergrondse container – ongeveer honderd meter van zijn voordeur – voor altijd verloren. Hij wist heel zeker dat het nooit meer terugkwam. Het was onmogelijk. Een boek dat hij had gekocht vanwege de omslag, uitvoering, een tekst die hij niet eens kon lezen, maar een auteur met een zeer Hollandse naam. Maximiliaan Brouwmeester. Hij feliciteerde zichzelf, terwijl hij terug naar huis slofte – het was zeer warm buiten, ondanks het late uur – hij droeg teenslippers, een korte broek en een ruimvallend bloemetjeshemd. Ted gooide de voordeur in het slot en wist zich te bedwingen – hij wilde niet controleren of het boek er weer stond. Het was te absurd voor woorden. In plaats daarvan nam hij plaats achter zijn laptop – er was een voetbalkampioenschap bezig waarbij Nederland toch niet meedeed, dus keek hij nog minder televisie dan normaal.

Wel ging hij naar het forum, want het werd tijd om eens te kijken of iemand onverhoopt kennis droeg van het bestaan van een zekere Maximiliaan Brouwmeester die een boek had volgeschreven in een onbekende taal. Een man of vrouw die zichzelf de schilderachtige naam ‘Gandalf’ had gegeven, wist te vertellen dat hij een heus toverboek had gekocht en dat het een geweldig grote verzamelwaarde had – hij moest denken aan vele duizenden euro’s.

Uiteraard keek hij langdurig naar het woordje ‘toverboek’. Er danste een grijnslach op zijn gezicht, al duurde dat maar eventjes. Zijn herinnering aan de mysterieuze gebeurtenissen van de afgelopen dagen zorgde ervoor dat hij niet eens een sarcastische reactie durfde te schrijven. Ted schoof zijn stoel achteruit en liep naar de kamer om alsnog te checken of het boek er weer stond. Het hoorde in een afvalcontainer te liggen, bijna honderd meter verderop, maar het stond god-godverdomme gewoon weer in de kast.

Oké – Zou het kwaad kunnen om een toverboek in je kast te hebben? Hij had het drie keer weggegooid en het was drie keer teruggekomen. Hij had nog niet geslapen, dus ook niet geslaapwandeld en het boek stond weer in de kast. Zijn hart liet zich iets luider horen dan normaal – hij voelde een akelige knoop in zijn maag. Toverboeken behoorden tot een categorie verschijnselen die hij nooit tot zijn wereld wilde rekenen. Hij nam plaats achter zijn laptop. Er stond een nieuwe reactie, net getypt, nog geen minuut geleden. Het was toeval, het gebeurde vrijwel tegelijkertijd. ‘Een toverboek of een betoverd boek?’, vroeg een zekere Marilyn.

Ted vond beide ideeën absurd. Gedurende enkele minuten dacht hij na over zijn antwoord, maar besloot af te wachten. Misschien kwamen er meer reacties. Het leek hem zo’n soort avond. Opnieuw stelde de man die zich Gandalf noemde een vraag: ‘In welke taal is het boek geschreven?’ Nu zag hij zich genoodzaakt te reageren. ‘Geen bekende Europese taal, al zijn er overeenkomsten met Duits, Nederlands en Engels. Ik kan het niet lezen.’ Zijn persoonlijke ervaringen met het boek – hij had het drie keer weggegooid en het keerde alle drie de keren terug naar zijn boekenplank – liet hij achterwege. Hij geneerde zich ervoor, alsof hij niet durfde te vertellen wat er was voorgevallen. Een arts zou mogelijk zeggen dat hij aan een vorm van geheugenverlies leed – hij dacht dat hij het had weggegooid. Er waren ongetwijfeld neutrale flatbewoners die hadden gezien dat hij met het boek in zijn hand terug was gelopen naar huis, maar Ted wist het zeker hij had het boek weggegooid en dat had hij drie keer gedaan. Opnieuw Gandalf: ‘Volgens mij heb je ‘Formules en Rituelen van de Magische Wereld’ gekocht – een heel zeldzaam boek – er zijn mensen die er een hoop geld voor willen betalen, maar het is ook een gevaarlijk boek. Marilyn zei het al een beetje. Het is een toverboek, maar ook een betoverd boek. Je kunt er gevaarlijke dingen mee uitrichten.’

‘Hoe kom ik er van af?’

‘Je moet het dopen in het bloed van een maagd.’

Hij weigerde antwoord te geven op de laatste vraag. Ted wilde niet meer reageren op het advies van Gandalf. Man – of vrouw – Ted dacht steeds aan een man – had gereageerd en blijk gegeven van kennis van zaken.

Ted stond bij de boekenkast en bestudeerde de rug van het boek en inderdaad, als hij lang genoeg keek, herkende hij de titel van het boek. Zou die Maximiliaan Brouwmeester een variant op een moderne westerse taal hebben bedacht? Boeken waren bedoeld om te lezen. Dit boek week beduidend af. Het was geschreven om niet te lezen. Je moest het heel graag willen lezen. Een negentiende-eeuws boek dat was geschreven in een onbekende en waarschijnlijk bedachte taal.

Om half een lag hij op bed en hij viel vrijwel meteen in slaap. Het kostte hem nooit veel moeite de slaap te vatten en deze nacht vormde geen uitzondering. Hij woonde alleen, had een appartement op de derde verdieping en er waren geen huisdieren. Een heel enkele keer speelde er iemand laat op de avond nog muziek, soms ging er op straat een gesprek tussen late restaurantbezoekers een tijdje verder, of hoorde hij dat zijn buren het toilet doorspoelden – het waren allemaal bekende geluiden. Hij viel in slaap en werd meestal om vijf uur wakker – dan ging hij naar het toilet. Hij gebruikte geen verlichting – hij deed alles in het donker. Na toiletbezoek liet hij zich op bed vallen en trok hij zijn donsdeken over zich heen.

Nu werd hij ’s nachts om half drie wakker, veel eerder dan normaal. Hij hoorde een auto rijden en bedacht dat het erg hard moest regenen. Wielen die door flinke plassen regenwater reden. Ted weerstond zijn eerste idee om naar het toilet te gaan, maar bedacht dat dat veel te vroeg was en draaide zich op zijn linkerzij. Hij bleef luisteren naar de repeterende tikken op het asfalt, trottoir en de metalen rand die enkele jaren terug over zijn balkonrand heen was geplaatst. Terwijl hij langzaam maar zeker weg begon te zakken in een diepe slaap, hoorde hij een deur dichtgaan – een deur die erg dichtbij was. Het waren de bovenburen.

Hij woonde alleen en er was niemand. Zijn voordeur was voorzien van een slot die het inbrekers onmogelijk maakte binnen te komen – zelfs de brandweer zou de deur er volledig uit moeten breken. Hij woonde alleen. Ted liet zich op zijn rug rollen en bestudeerde het plafond van zijn slaapkamer. Deur stond op een kiertje. Langs de jaloezieën golfden gebroken lichtstralen naar binnen, omdat het buiten nog harder ging regenen dan het al deed. Voetstappen kwamen dichterbij en hij draaide zijn hoofd naar rechts.

Hij was niet bang uitgevallen, toch lag er een hamer onder zijn bed, klaar om vast te pakken, indien er toch een indringer binnen zou komen. Maanden geleden had iemand geprobeerd in te breken. Daarom lag die hamer onder zijn bed en had hij een inbraakveilig slot laten installeren. Maar hij hoorde voetstappen. Ted ging op de rand van zijn bed zitten en graaide naar de hamer. Ja, hij oogde volslagen belachelijk als de indringer een vuurwapen bij zich had en bereid was die ook te gebruiken. Ted trok de deur van zijn slaapkamer open en stond meteen oog in oog met een vrouw – of nee, het was geen normale vrouw, want hij kon er gewoon doorheen kijken, alsof er sprake was van een geestverschijning. Hij liet de hamer één enkele keer omlaag suizen – doel was het hoofd van de vrouw, maar zijn hamer zeilde naar beneden zonder ook maar iets te raken. Zijn andere hand tastte naar een lichtknop die daar ergens moest zitten. Hij wilde weten hoe de indringer er werkelijk uitzag. Het was een oudere vrouw, ongeveer zestig jaar oud, lang grijzend haar, regelmatige trekken, diepliggende ogen. Ze droeg een nachtjapon die er bijna als een cliché uitzag en tot haar voeten reikte. Er klonk een doffe klap – de steel van zijn hamer tikte zijn voet aan. Seconden gingen voorbij – of uren – hij had geen flauw idee. Ze keken elkaar aan en Ted vroeg zich af of ze elkaar al eens eerder hadden gezien. Met zijn voet schoof hij de hamer opzij. De geest lachte haar tanden bloot – donkere, bijna zwarte tanden – er droop een donkerrode vloeistof langs haar onderkin die haar nachtjapon langzaam rood kleurde. Haar arm ging omhoog – een vinger gleed over het bloed dat haar kin geheel had bedekt – daarna drukte ze haar vinger op zijn rechterslaap. Het zou onmogelijk moeten zijn, maar de vingerafdruk brandde – hij sloeg de hand weg – als een hinderlijke vlieg – hij maaide domweg door de lucht.

Ze draaide zich om, deed enkele stappen – de geestverschijning bleef bij een muur staan, een wit geschilderde muur en ze bewoog haar arm en hand – zeer regelmatig, zodat het erop leek dat ze aan het schrijven was. De lamp verspreidde een helder licht in de gang. Omtrekken van de geest begonnen geleidelijk te verdwijnen – Ted zag haar weglopen en ze liep dwars door de deur.

Hij zag wat ze had geschreven op de muur. Het was een reeks getallen, een reeks cijfers die niets leek te betekenen. Zijn verstand overtuigde hem direct van de volstrekte willekeur van de cijfers op de muur. Ted staarde half naar de deur, want de geest was er zomaar doorheen gezeild, zo leek het tenminste. Nou ja, morgenochtend zou hij nog wel eens een keer kijken. De cijfers zouden zijn verdwenen. Hij zou alles hebben gedroomd. Er was niets aan de hand. Zijn vingers tikten de lichtknop aan en hij keerde terug naar bed. Terwijl hij zijn hoofd op het kussen liet vallen, bedacht hij dat de plek pijn deed – waar de geest hem had aangeraakt – zijn hoofd – het deed verrekte veel pijn. Hoe kon een geest hem nou verdomme pijn doen? Hij had toch alles gedroomd? Bovendien bestond een geest uit de energie van een overledene en kon dus niet bloeden uit een mond of zelfs cijfers schrijven op een muur. Ted vond het een zeer acceptabele verklaring die hem vrij spoedig in slaap bracht.

Volgende ochtend ontwaakte hij erg vroeg. Hij opende zijn ogen veel eerder dan normaal en hij herinnerde zich het nachtelijke incident. Zijn verstand vertelde hem dat hij zich alles verbeeld moest hebben, maar de pijn in zijn hoofd verraadde een andere waarheid. Hij zocht naar een merkwaardig voorval, dat afgelopen nacht plaats had gevonden en waarbij hij zijn hoofd had gestoten. Wekkerradio vertelde hem dat het drie minuten over zeven was. Ted stond op en betrad de gang. Voorbij de drempel bleef hij staan. Er stond een reeks getallen op de muur. Donkerrode druipers trokken smerige sporen over het smetteloze wit. Hij dacht aan bedorven bloed en er hing ook een smerige rottende lucht. Er moest afgelopen nacht een lijk hebben rondgelopen in zijn huis. Hij probeerde de gedachte te verdringen, maar de realiteit hield hem bij de les. Tien getallen die weinig met willekeur te maken hadden en alles met een telefoonnummer. Straks zou hij ernaar kijken – een boodschap uit het hiernamaals – verdomme. Drie stappen waren er nodig om Ted in de badkamer te krijgen. Hij deed het licht aan en bestudeerde uitgebreid de plek op zijn rechterslaap. Heel langzaam begreep hij dat er een kale plek was ontstaan – een brandmerk, daar leek het op, een brandmerk in de vorm van een vingerafdruk. Hij boog voorover en meende zelfs de lijnen te ontwaren die een mens als dader van een misdrijf kunnen aanwijzen. ‘Godverdomme,’ vloekte hij. Zijn vingers gleden zachtjes over de brandplek die er zeer echt uitzag – de geest had hem domweg gebrandmerkt.

Ted liet zich op de bank vallen – een mok thee stond op het tafeltje – erg veel trek in een ontbijt had hij niet en hij vroeg zich af hoe hij aan familie, vrienden, collega’s ging uitleggen wat er was gebeurd. Er zat een vingerafdrukvormig brandmerk op zijn hoofd en hij zou uiteraard een pet kunnen dragen of zelfs een ijsmuts. Vroeg of laat stelde iemand er een hinderlijke vraag over en moest hij met een plausibel antwoord komen. Zijn telefoon lag op het kladbriefje dat hij had gebruikt om het telefoonnummer op te schrijven. Nog zoiets, ja. Een telefoonnummer dat op zijn muur was geschreven door een geest. Hij zat op de bank en verzamelde voldoende moed om een onbekend persoon te spreken die hem iets ging vertellen wat zo belangrijk was dat een geest er voor wilde terugkeren naar de realiteit van de levenden. Alle ellende was begonnen met het boek dat hij had gekocht op de rommelmarkt – vanaf dat moment gebeurde er allemaal vreemde dingen in zijn leven dat tot nu toe zeer overzichtelijk was geweest. Hij toetste het nummer in en wachtte voordat hij zijn duim op de groene rechthoek legde, alsof hij nog altijd niet had beslist dat hij inderdaad contact wilde hebben met iemand wiens telefoonnummer door een geest op zijn muur was geschreven. Feitelijk kon het onmogelijk vreemder worden dan het al was – een toverboek of betoverd boek, onleesbare tekst, want het was geschreven in een niet-bestaande taal, een geestverschijning die een geur van verrotting had achtergelaten in zijn huis. Oké – hij liet zijn duim neerkomen op het diagonale witte telefoontje en wachtte op een reactie. Hij hoefde niet eens lang te wachten, slechts enkele seconden, alsof de mijnheer of mevrouw de telefoon al vasthield. ‘Hè, hè. Dat heeft lang geduurd, zeg. Ik begon me al zorgen te maken. Durfde je soms niet te bellen?’ Ted hoorde prettige en geruststellende klanken, een vrouwelijke stem, geen agressie of sarcasme.

‘Met wie spreek ik?’

‘Ik heb het boek aan jou verkocht.’

‘De verkoper was een man, als ik het me goed herinner.’

‘Je zag alleen maar wat ik wilde dat je zou zien.’

Ted gaf geen reactie, zocht naar woorden, maar wist niets te zeggen en dat gebeurde hoogst zelden. De deur van zijn woonkamer gleed open – er klonk een piepje van een scharnier – hij draaide zijn hoofd naar links en er stond daadwerkelijk een man – middelbare leeftijd, donker, ietwat grijzend haar, stoppelbaardje van enkele dagen,  heldere groene ogen – hij stak zijn arm groetend omhoog, draaide zich ogenblikkelijk weer om en verdween in de gang. Ted sprong omhoog en ging kijken – hij had de voordeur op slot gedraaid, er kon niemand binnenkomen – sleutels hingen in de deur – zoals altijd. De onbekende man verdween, net zoals de geest afgelopen nacht had gedaan, door de voordeur.

Het telefoonnummer, dat op de muur was geschreven, bleek te zijn verdwenen – het was er nooit geweest.

‘Het is een kleine demonstratie van mijn macht,’ zei de vrouw. ‘Wat wij doen, hoort helemaal niet te bestaan.’

Ted zweeg nog altijd.

‘Ben je er nog?’

‘Ja – ik ben er nog.’

‘Ik heb je afgelopen nacht gemarkeerd, omdat ik dacht dat je een waardige opvolger zou zijn. Je bent erg verbaasd, maar kunt goed logisch nadenken, maar je hecht veel waarde aan een macht die boven de gewone natuur van een mens staat – anders had je het boek niet eens gekocht.’ Er viel een korte stilte. ‘Ik moet opschieten – mijn tijd is op. Als je einde is gekomen, moet je je herinneren dat je een vrouwelijke opvolger moet vinden – het boek mag hierna onder geen voorwaarde opnieuw bij een man terechtkomen – er hoort evenwicht in het universum te zijn.’

‘We moeten praten. Waar woon je?’

‘Dat weet je allang, Theodorus.’

‘Da’s mijn doopnaam.’

‘Zo heten we allebei. Jij bent Theodorus – ik heet Theodora.’

Er viel een langdurige stilte. Ted keek naar het display van zijn telefoon en stelde vast dat de verbinding was verbroken. Hij probeerde opnieuw contact te krijgen met de mysterieuze vrouw, maar er gebeurde niets. Zijn telefoon lag op het tafeltje – hij ging naar de keuken om brood klaar te maken – hij had er honger van gekregen. Bijna drie uur later, terwijl hij aan het schoonmaken was, begon het toestel nerveus te trillen. Ted herkende het nummer dat op zijn muur had gestaan – ’s nachts, ’s ochtends, maar nu werd hij zelf gebeld. ‘Hallo?’ Hij hoorde een heldere, jonge mannelijke stem die erg zelfverzekerd klonk.

‘Ted,’ zei hij.

‘Dit is het – eh – toestel van mijn tante. Ik ben erg benieuwd of u kunt vertellen wat er is gebeurd – u bent mogelijk de enige die dat kan.’

‘Kan je tante je dat niet beter vertellen?’

‘Nee – nee,’ zei de man wiens stem iets luider klonk, ‘volgens de ambulancebroeders heeft ze een hersenbloeding gehad en kan ze niets meer – nooit meer waarschijnlijk – ze ligt in het ziekenhuis. Ik heb haar pincodes gevonden en zo – ben ook een beetje aan het opruimen – het is vreselijk – een chaos – ik weet amper waar ik moet beginnen – daarom heb ik een tijd gezocht naar de code waarmee ik haar telefoon kan ontgrendelen.’

Er speelde een idee in zijn hoofd – het bloed op zijn muur – het was er echt geweest – misschien was het geen hersenspinsel – er had bovendien een vreemde stank gehangen in de gang – nog steeds trouwens. ‘Ruikt het soms vreemd in het huis van je tante?’

‘Ja – ja, maar – Hoe weet u dat nou?’

‘Vertel eens – Was je tante zo’n lieve oude vrouw die altijd een zwarte kat in huis had rondlopen? Waar is het dier nu? Of heb ik het mis en is er niks aan de hand?’

‘Nee – integendeel zelfs – .’

‘Ben je al in de badkamer geweest?’

‘Nee – ik – .’

De stilte werd alleen onderbroken door de man die flink hijgde, terwijl hij naar de badkamer liep in een huis dat niet zo heel erg groot kon zijn.

‘O mijn God.’

‘Wat is er? Heb je de kat gevonden? Is hij dood?’

‘O mijn God – Wat erg!’

‘Wat is er nou? Wat heb je gezien?’

Hij hoorde een klap – daarna was de verbinding verbroken.