Jokke en de lichtdwergen (1)

Deur van het balkon staat open – de hordeur houdt insecten weg uit het appartement – jaloezieën van zijn slaapkamer zijn omlaag. Er hangt een glinsterende halve maan boven de stad, sterren fonkelen als edelstenen. Lichten van de stad zijn ver weg en op de snelweg zijn ze de rommel aan het opruimen van het ongeluk. Rust is teruggekeerd in de flat. Shirt plakt aan zijn lijf. Het is warm – erg vervelend natuurlijk, omdat hij slecht zal kunnen slapen. Moeder zit ook op balkon. Jokke heeft zijn voeten op de reling gelegd en staart naar de lucht. Er passeren met enige regelmaat vliegtuigen, maar hij hoort ze niet. Er is een hoop gebeurd vanavond. Hij is niet langer een gewone jongen, maar een halfengel van wie veel verwacht wordt. Volgens Andrea wordt hij belangrijk en dat wil hij niet. Een koud glas limonade staat op het tafeltje.

“Daar gaat Nosferatus,” hoort hij zijn moeder zeggen, “hij zal wel honger hebben.”

“Pech voor de dieren,” merkt Jokke op. “Hij is een kerel met een enorme honger.” Hij neemt een slok en zet het glas weer terug. “Wat wilde Edith nou eigenlijk bereiken?”

“Je moet er niet over piekeren,” zegt zijn moeder, “Edith is zowel dom als kwaadaardig – een slechte combinatie – terwijl ze zelf vindt dat ze erg slim is.”

“Lijkt me knap lastig.”

“Dat is het – eh,” zegt zijn moeder die midden in de zin blijft steken. Ze kijkt naar links – het is in de buurt van de plek waar Jokke en zijn vrienden een uur geleden in de kelder hebben gestaan. Ze hebben er gesproken met een schikgodin. “Kijk nou toch eens!”, roept ze. Haar ogen sperren ver open en ze blijft staren. Jokke hoort stemmen van andere bewoners die net zo goed op het balkon zijn gaan zitten. Dat doet bijna iedereen. Ze kijken allemaal. Honderd – misschien tweehonderd meter verderop dansen er allemaal lichtjes boven de bomen. Het is onmogelijk te zien wat ze precies zijn – menselijk – of juist niet-menselijk. Jokke denkt aan de figuurtjes die tevoorschijn kwamen nadat de TL-lampen waren geëxplodeerd. Normaal wonen er geen elven, of kabouters, of wat dan ook in lampen. Jokke gaat recht zitten – zet zijn voeten neer en buigt voorover. Het is een spectaculair gezicht. Vonken als sterretjes – vuurwerk dat boven de boomtoppen uiteen spat. Alle kleuren van de regenboog. Wat tot nu toe een saaie zomer scheen te gaan worden, zou best eens heel boeiend kunnen zijn. Jokke bijt op zijn onderlip en blikt eventjes opzij – naar zijn moeder.

“Het is nog vroeg,” zegt hij.

“Het is al donker,” zegt zijn moeder, “misschien denkt Nosferatus wel dat je een sappig hapje bent.”

“Nee, hoor.”

“Kom je wel weer thuis?”, vraagt zijn moeder.

“Tuurlijk, je hebt Andrea toch gehoord?”

Jokke staat op en loopt weg. Zijn moeder wil hem niet eens tegenhouden. Hij pakt zijn huissleutels mee en verlaat het appartement. Er kan helemaal niets gebeuren. Alle rottigheid heeft vanavond al op de snelweg plaatsgehad. Brandweer en politie zijn de troep aan het opruimen. Op de trap komt hij Andrea tegen. Haar lange rode haar deint heen en weer. Ze kijkt over haar schouder en er ontstaat een glimlach op haar gezicht.

“Jij dus ook,” zegt ze.

“Je hebt ze daarstraks toch gezien? De lampen gingen kapot. Het moet ermee te maken hebben. Anders kan ik het niet begrijpen. Ik wil weten hoe het zit.”

Ze verlaten het gebouw. Jokke kijkt naar links en rechts, alsof er verkeer aan zou kunnen komen, maar het blijft volkomen rustig. Niets aan de hand. Niemand te zien. Politie is bezig met getuigenverklaringen – mensen die misschien iets zouden kunnen zeggen over een meisje met rood haar dat waarschuwde voor een dreigende ramp. Ze betreden het bos – het is erg donker – veel licht komt er niet van de flat. Jokke en Andrea wandelen naar de plek waar ze ongeveer een uur eerder een kelder hebben verlaten. Ze waren naar beneden gegaan, omdat Jokke het licht volgde – het licht van een schikgodin.

Na bijna vijftig meter bereiken ze een open plek – ze blijven allebei stilstaan en zien een donkere gedaante – een bekende man die enigszins gebogen staat en zijn tanden in een konijn heeft gezet – Het is Nosferatus. Het dier zou bruin moeten zijn, maar is natuurlijk besmeurd met bloed. Nosferatus laat het dier zakken en staart naar de kinderen die alleen naar het konijn kijken. De vampier gooit het karkas opzij en zegt: “Het is wat ik doe – het is wie ik ben. Als je de aanblik niet kunt verdragen, blijf dan lekker thuis.” Nosferatus draait zich om en verdwijnt verrassend snel in het bos – op zoek naar een volgende prooi. Hij heeft natuurlijk gelijk. Al oogt het erg wreed.

Jokke probeert het beeld uit zijn hoofd te verdrijven – Andrea doet uiteraard hetzelfde, maar ze praten er niet over. Ze volgen het spoor van lichtjes die onverminderd door de atmosfeer buitelen. Hun snelheid neemt af – Jokke wil hen niet afschrikken. Heel langzaam sluipen ze langs struiken – bomen. Hij kent het bos heel goed en ook ’s nachts weet hij goed de weg. Met zijn ogen dicht zelfs. Er ligt daar ergens een plas water – niet zo heel erg diep – de laatste tijd is het droog geweest, maar de gemeente laat het waterniveau bewust hoog. Kelders staan wel eens onder water – vaak een meter hoog, zodat je er niet eens kunt komen of je moet het geen probleem vinden om drijfnat te worden. De maan weerspiegelt heel mooi in het wateroppervlak. Jokke en Andrea zien de wezentjes – die er uitzien als mensen, maar dan behaard, alsof ze een vacht hebben en in de lucht dansen – ze dansen ècht – hij onderscheidt geen mannen of vrouwen. Er zijn geen kinderen bij of ze moeten zo klein zijn dat hij ze niet opmerkt.

“Dat zijn lichtdwergen,” zegt Andrea die in het kniehoge gras gaat zitten – Jokke volgt haar voorbeeld. “Sommige mensen verwarren hen vaak met elfjes, maar dat ze niet.”

“Nooit van gehoord,” zegt Jokke die naar het schouwspel blijft kijken. “En ze kunnen zomaar vliegen.”

“Ja – net als elfjes, ik heb altijd gehoord dat ze primitieve wezens zijn – als dieren, al lijken ze heel erg menselijk.”

“Wat is het verschil tussen lichtdwergen en elfjes?”

“Ja, grote elven zijn natuurlijk anders, zoals de elven die in onze flat wonen, maar de kleintjes hebben vleugels – lichtdwergen vliegen feitelijk niet eens, maar zweven en gebruiken daarbij de energie van – bijvoorbeeld – de lampen die we hebben zien ontploffen.”

“Bizar.”

“Nou, het is vooral bijzonder om te zien.”

Nosferatus verschijnt aan de andere zijde van de plas – een licht gebogen gedaante – zijn gezicht moet met bloed besmeurd zijn – Jokke kan in het donker vlekken onderscheiden, maar ziet geen bloed – maar het moet bloed zijn – het kan niet anders. De vampier bukt en gebruikt het water om zijn gezicht schoon te wassen. De lichtdwergen komen één voor één naar beneden – enkele minuten geleden gaven ze nog een heel fel licht af – alsof ze zeer kleine mensachtige gloeilampen waren – nu lijken ze op mensen, maar dan erg klein. Misschien is het een vreugde-explosie geweest. Jokke probeert het niet te begrijpen. Ja, ze lijken enorm veel op mensen, maar ze dragen geen kleding en zijn erg behaard.

Enkele lichtdwergen blijven te lang in de lucht en vallen domweg in het water – er klinkt hoog gesnater – Jokke verstaat er niets van, maar hij denkt dat ze met elkaar praten. Nosferatus is er nog altijd. Aan de andere kant van de plas blijft hij stilstaan en toekijken. Zijn gezicht beweegt heel traag naar rechts. Jokke kijkt recht voor zich uit en ziet een nieuwe, onbekende gestalte uit het bos komen. Geen man in uniform. Het is geen agent of zo. Het is een gewone man in zomerse kleding, zoals iedereen draagt.

Nosferatus verandert in de gitzwarte wolk die ze eerder hebben gezien. Jokke begrijpt nu waarom het bos bij nacht ook wel eens verboden gebied heet te zijn. Vanavond zijn er gelukkig geen weerwolven, omdat zijn eigen vriend Leon dan een gevaarlijk roofdier kan zijn. Nosferatus verandert ongeveer een meter van de nieuwkomer in een mens. Gezicht druipt van het water. Jokke begint op te staan – hij is klaar om Nosferatus te verbieden de nieuwkomer wat aan te doen.

De onbekende nieuwkomer staart naar Nosferatus die er enkele seconden eerder niet eens wàs. “Ik dacht dat dat alleen maar sterke verhalen waren,” zei hij. Nosferatus laat zijn onderkaak zakken – bovenlip glijdt omhoog – er verschijnen twee hoektanden die als dolken omlaag schieten.

Jokke loopt naar voren. De lichtdwergen verdwijnen in groepjes – Jokke hoort het gras ritselen. Zijn voeten staan in het water – niet eens zo heel erg koud, wel lekker fris. Hij hoeft niets te zeggen. Geen woord. Geen mensen. Nosferatus mag geen mensen aanvallen. Dieren geen probleem. Mensen wel. Als er iets gebeurt, dan komen er agenten zoeken naar een man die door een vampier is leeggezogen.

Nosferatus loopt verder – hij gaat het bos in – zijn schouder botst op die van de onbekende wiens auto langs de snelweg moet staan, anders kan hij hier niet eens komen. De vampier is alweer verdwenen. “Ik dacht dat het alleen verhalen waren,” herhaalt de man wiens stem duidelijk te horen is.

Jokke schudt met zijn hoofd. Hij geeft geen antwoord. Zegt niets.

“En die wezens dan?”, vraagt hij. “Elfjes?”

“Je hebt niets gezien en gehoord,” zegt Jokke, “ga terug naar je auto – ga terug naar huis – vergeet alles. Praat er met niemand over. Ik kan je veiligheid niet garanderen. Als je denkt dat ik er altijd ben om je te redden.”

“Maar – elfjes?”

“Ik heb geen elfjes gezien,” zegt Jokke die naar Andrea kijkt. “Jij wel?”

“Nee,” zegt Andrea. Ze liegen niet eens. Lichtdwergen zijn nu eenmaal geen elfjes.

De onbekende wijst naar het gras dat beweegt, omdat de kleine wezens haast hebben. De onbekende man, die zijn naam niet heeft genoemd, kijkt vertwijfeld naar de lichtdwergen – ze zijn nu bijna allemaal verdwenen.

“Ik moet er eentje hebben,” zegt de man. Jokke bekijkt hem iets beter. Hij heeft kort, donker haar. Man draagt een T-shirt en een korte broek. Teenslippers, net als Jokke. Misschien is het gewoon iemand uit de stad die nieuwsgierig is en wil weten of de verhalen waar zijn. Ja, dat zijn ze. Maar ook Jokke kent niet alle verhalen. Andrea weet er een heleboel. Dat wel.

“Beter van niet,” zegt Andrea. “Je kunt beter teruggaan.”

“Waarom? Wat kunnen die dingen nou aanrichten?”

“Meer dan je denkt. Bovendien zijn ze met een heleboel.”

“Ik moet er eentje hebben en dan word ik beroemd – en rijk.”

“Je moet het zelf weten,” zegt Andrea die zich om draait en wegloopt. Heel demonstratief.

Jokke volgt zijn vriendin en laten de man achter die lijkt te twijfelen. Een paar stappen en Jokke blijft staan – hij gebruikt de dichtheid van het bos om te zien wat de man doet die vertwijfeld om zich heen kijkt. “Kutbos – die dingen zijn allemaal weg. Ze hebben me aan de praat gehouden, die kinderen.”

Jokke blijft lang genoeg staan om te zien dat de man inderdaad teruggaat – richting snelweg – verstandig en heel veilig naar huis. Er zijn meer gevaren in het bos – voor buitenstaanders. Als je het niet weet.

“Lichtdwergen,” zegt Jokke.

“Ik zal moeder eens vragen wat ze weet. Ze bestaan – ik heb ze gezien – maar dat is ook echt alles.”

“Toch mooi dat je dat wist.”

“Moeder heeft een oude encyclopedie liggen en ik blader het boek wel eens door – op regenachtige dagen. Er is volgens mij weinig bekend over lichtdwergen – alleen dat ze bestaan.”

“Waarom zou je ze opsluiten in die TL-lampen?”

“Geen idee.”

“En wie zou dat hebben gedaan?”

“Goeie vraag.”

Ze keren terug naar het flatgebouw en alles is rustig. Er zijn nog veel appartementen waar een helder licht te zien is. Het is te warm om vroeg te gaan slapen.

“Hoe zit het met de lichtjes?”, vraagt mevrouw Madsen, de moeder van Andrea.

“Lichtdwergen – volgens mij,” zegt Andrea en de meeste bewoners horen haar antwoord.

Er volgt geen reactie. Niemand zegt niets. Het blijft stil. En Jokke vraagt zich af of het betekent dat Andrea iets verkeerds heeft gezegd. Hij schudt zijn hoofd. Hoe zou de waarheid verkeerd kunnen zijn?

Zijn ogen glijden langs balkons – gezichten van mensen, elven en dwergen, zoals de huismeester, maar ook de vader van Gijs – ze leunen soms op de reling of zitten op stoelen en nippen van koude drankjes die alleen lekker zijn als het zo vreselijk warm is. Lichtdwergen. Ze zijn erg klein en je kunt ze onmogelijk verstaan. Waarom zou je ze opsluiten? Dat moet iemand hebben gedaan. Hoe kwamen ze anders in die TL-lampen terecht?

Er is iets aan de hand en Jokke weet niet wat het is. 


Plaats een reactie