Maandelijks archief: januari 2016

(4) En de vierde is een gewone jongen

’s Avonds laat zit hij op het balkon – er staan twee houten stoeltjes en hij gebruikt meestal de groene – de stoeltjes hebben elk een andere kleur – het is niet echt belangrijk, maar het valt op. Zijn vader heeft op dezelfde stoel gezeten als Jokke. Dus voordat de vader van Jokke ging wandelen en nooit meer terugkeerde. Zijn moeder zit binnen een trui te breien voor Jokke, want binnen een maand zou de herfst kunnen beginnen. September is vaak al koud.

Niemand heeft hem ooit verteld dat hij helemaal geen gewone jongen is – hij zou zich nu heel bijzonder moeten voelen, veel meer dan bijvoorbeeld vanochtend, maar feitelijk is er niets veranderd. Hij is dezelfde gewone jongen, al zou Andrea hem direct inpeperen dat er niets van klopt. Hij is de minst gewone van allemaal. Jokke is een halfengel die mensen moet genezen en mensen genezen is nu eenmaal wat halfengelen moeten doen. Noem het een lotsbestemming of zo. Hij heeft er totaal geen zin in. Veel liever was hij een weerwolf geweest, maar natuurlijk geneest Jokke daar meteen weer van, terwijl Leon met zijn vader een hele nacht lang door het bos mag rennen. Of zou hij een spookachtig drankje willen brouwen, zoals Andrea met haar moeder, mevrouw Madsen. Het woord ‘halfengel’ vindt hij erg saai klinken. Niets is saaier dan iemand die andere mensen moet genezen. Hij zet zijn voeten tegen het muurtje en kijkt naar lampen die straten en gebouwen in zeeën van licht hullen. Zou je vanuit de ruimte hun flat kunnen zien? En het bos? Zijn moeder heeft een paar kaarsjes aangestoken en er hangt een gaslamp aan het plafond. Het is voldoende. Ze hebben elektrisch licht, maar dat bewaart ze voor de lange, koude winteravonden.

Hij zit er al bijna een half uur voordat de deur opengaat en zijn moeder komt naast hem zitten.

Je zult wel vragen hebben,” zegt ze, “anders zou ik teleurgesteld zijn.”

Best wel.”

Nou?”

Waarom heb je nooit iets gezegd?”

Zoals Anne Madsen al zei – ik zou het je beslist wel een keer hebben verteld, maar niet vandaag en beslist niet tegenover alle flatbewoners. Het was een beetje – eh – vervelend om mee te maken.”

Ik zou erg blij moeten zijn, maar ben het niet.”

En toch is het een voorrecht – het is heel bijzonder om een halfengel te zijn – je hebt het gehoord – er zijn er niet eens zo heel erg veel van op de wereld. Een select groepje – je bent er eentje van misschien vier of vijf – nou – en dat op zeven miljard mensen, of met hoeveel zielen leven we inmiddels op aarde.”

Jokke kijkt naar de asfaltstraat die groen is uitgeslagen. Overdag ziet hij heel duidelijk. In het donker, zoals nu, is het stukken moeilijker. Er zijn wel straatlantaarns, maar die werken allang niet meer. De flat vormt echt een eiland in een groene zee. Schaarse verlichting in flatwoningen. Inbrekers blijven er angstvallig weg, omdat er niets te halen valt. Misschien zouden ze verhalen in elkaars oren fluisteren over vampiers en monsters, dwergen en heksen, zelfs feeën. Stel je voor dat een fee je ineens in een goed mens zou veranderen? Jokke wil er een grap over maken, maar zwijgt en luistert, want zijn moeder spreekt. “Je mag het niet lichtzinnig oppakken, Jokke, je bent een heel bijzondere jongen, al zegt natuurlijk elke moeder dat tegen haar kind.”

En nou moet ik de rest van mijn leven het ene zeikverhaal na het andere aanhoren,” zegt Jokke, “allemaal mensen die problemen hebben.”

Nu zou het best wel eens kunnen helpen als je vader terugkwam van zijn wandeling, al is er dan niemand ziek.”

Waarom had jij vroeger hulp nodig van papa?”

Zijn moeder glimlacht ietwat verlegen en staart naar de vloer – daarna zoekt ze een punt in de verte – ver voorbij de stad die steeds helderder verlicht begint te raken – allemaal verschillende kleuren. “Als ik het vertel, dan valt het best wel mee, denk ik. Zo erg was het niet eens. Dat vond ikzelf tenminste. Ik heb een goede opleiding gevolgd, universiteit dus, dan ben je een slimme meid, rechten gestudeerd en gaan werken. Ik heb veel geld verdiend, hard gewerkt, maar was in werkelijkheid diep ongelukkig. Er zijn genoeg mensen die op die manier heel oud worden. Toen kwam ik op een dag je vader tegen. Geen levenskunstenaar – of ander woord voor wat je van mij een nietsnut zou mogen noemen – maar een handige vent met een goed stel handen aan zijn lijf. Nu had ik al meer relaties gehad, maar je vader was echt goed voor me – en hij had andere prioriteiten. Niet je werk, maar je leven is wat telt. Je krijgt het maar één keer en dat moet je goed doen, want een herkansing krijg je niet. Ik raakte zwanger – van jou – we gingen samenwonen in deze flat – destijds verdiende ik genoeg geld om de flat te kunnen kopen – het complete gebouw dus – maar ik nam ontslag en werd een moeder, een taak die moeilijker bleek te zijn dan alles wat ik ooit eerder had gedaan. Het is net zo hard werken als mijn oude baan, maar veel leuker. En in de zevende maand van mijn zwangerschap ging je vader ineens wandelen om daarna nooit meer terug te komen. Maar het maakte niet zoveel uit. Ik was gelukkiger dan ooit en ik wist dat je vader in orde was, want natuurlijk wist ik diep in mijn hart – ik snapte wie hij moest zijn geweest. Een aura als de zijne mis je niet zo snel. Begrijp je? Ik heb het vanaf het begin geweten. Sindsdien brei ik truien voor de mensen in de flat. Truien en mutsen.”

Je verdient geen geld, niet zoveel als toen, maar je bent veel en veel gelukkiger,” zegt Jokke.

Ja, inderdaad. We doen bijna alles zelf. In een supermarkt komen we zelden of nooit. Behoefte aan sterke drank of nicotine heb ik niet, dus – .”

Veel meer dan vriendschappen aanknopen met mensen doet een halfengel niet eens,” zegt Jokke, “tijdje met iemand optrekken en dan op een avond ga je wandelen en kom je nooit meer terug. Al laat je wel een vrouw en kind achter.”

Je bent boos op je vader – dat snap ik. En toch wist ik wel dat hij niet zou blijven. Ik heb het nooit tegen de politie gezegd natuurlijk. Tegen hun zei ik dat mijn partner weg was gegaan en niet meer thuis is gekomen. Ja, ik had een foto van hem.”

Heb je een foto van papa?”

Niet meer. Ik had een foto van hem.”

Wat is ermee gebeurd?”

Ik bewaarde hem op een computer en zoals veel informatie die je digitaal bewaart is die foto ook verdwenen – alle digitale informatie verdwijnt op den duur. Alles wat je op memorysticks hebt staan. Alleen papier blijft altijd. We hebben onszelf ondergedompeld in een digital dark age. Zo heet het vandaag de dag.”

Nu klink je erg duister, mama.”

Veel informatie die je bewaart op een computer verdwijnt op termijn – ik had foto’s van je vader opgeslagen en die zijn allemaal foetsie. Ik heb echt helemaal niks meer over je vader. Alleen herinneringen. Geen foto die ik je kan laten zien. Totaal niets. Alles is weg.”

Geluiden uit de stad – auto’s die over de snelweg rijden – bereiken het balkon. Jokke kijkt naar zijn moeder – een vrouw van ongeveer vijftig jaar oud, lang grijzend haar dat in een staart omlaag hangt. Ze gebruikt geen make-up. Hij ziet rimpels in haar gezicht, maar het zijn vriendelijke rimpels. “Heb je onze flat digitaal laten verdwijnen?”, vraagt Jokke. Er glanst een vrolijke grijns op zijn gezicht, terwijl hij de vraag stelt. Na al die jaren is het nog altijd een raadsel hoe dit kon gebeuren.

Doe niet zo raar, jongen, je kunt een gebouw wel laten verdwijnen in een computersysteem, maar dan staat het er in werkelijkheid nog steeds. Je zult je rechten toch beslist vast moeten leggen, zodat ze er nooit meer aan kunnen komen – de mensen uit de stad. Al denk ik dat ze tegenwoordig vooral jaloers zijn op onze manier van leven.”

Jij hebt de onderhandelingen gevoerd en alle afspraken vastgelegd met de mensen uit de stad.”

Ja, ik heb geholpen, inderdaad. Er wonen een heleboel talentvolle mensen in onze flat – nuttige talentvolle mensen die een hoop werk hebben verzet.”

Mm, het zou me niet eens verbazen als je het gebouw en terrein gewoon hebt opgekocht.”

Kom nou, jongen, dat laten ze nooit gebeuren.”

Zijn moeder lacht vriendelijk en begint op te staan. Ze loopt naar de deur die openstaat – er is een hordeur die insecten buiten houdt. Zo hoef je geen beesten met een oude krant dood te slaan.

Jullie hebben trucjes gebruikt – je hebt ze laten geloven dat ze moeilijk anders konden,” zegt Jokke die zichzelf plotseling erg slim vindt.

Zijn moeder wacht bij de hordeur. “Als je iets te drinken wilt hebben, dan moet je het zelf pakken.”

Doe ik – straks – ik wil eerst de sterren tellen.”

O, maar dan heb je wel iets te doen vanavond.”

Het is nog vroeg en ik heb vakantie.”

Zijn moeder gaat naar binnen – trekt de hordeur dicht. Beneden steekt een gezelschap van drie heren de straat over – ze zijn vampiers – ook Nosferatus is erbij – ze dragen een zwarte smoking – hoge hoeden ontbreken vanavond, dus gaan ze op jacht – konijnen of andere onvoorzichtige dieren die in het bos leven. Het is een nacht zonder volle maan, dus Leon en zijn vader blijven gewoon thuis. Bovendien moet er evengoed een drankje voor hen worden gemaakt. Alleen heeft mevrouw Madsen er het speeksel van een echte gewone jongen voor nodig. Hij kijkt naar de lucht en ziet een vliegtuig – daarginds – in het noordwesten ligt Schiphol – over exact twee minuten volgt een nieuw toestel en zo gaat het nog urenlang door – de hele avond en nacht.

Vijf minuten na de vampiers ziet Jokke hoe het monster van Frankenstein de straat oversteekt – dezelfde richting als de vampiers. Nu begint zijn nieuwsgierigheid te groeien, want de heksensabbat is weken geleden al gevierd. Blijkbaar is er een vergadering in het bos. Want het monster van Frankenstein heeft totaal andere behoeften dan een vampier. Een monster, zoals hij, kan zich voeden met konijnen en herten, maar lust ook sla en worteltjes. Jokke schuift zijn stoel naar de reling en blijft omlaag kijken – naar de straat – inderdaad begint een groepje van minstens veertien dwergen de weg over te steken. Er moet gewoon een vergadering zijn. Wat moet je ’s nachts anders in het bos doen als er geen heksensabbat is? Misschien lopen ze naar de heuvel. Jokke en zijn vrienden verblijven er ook graag, liefst als de zon schijnt.

Mam?”, vraagt hij en Jokke gaat de woonkamer in, maar zijn moeder staat aan de voordeur. Hij hoort haar praten met mevrouw Madsen. Een vergadering, ja, maar het is normaal om niet gewoon te zijn, zoals mensen, die in de stad wonen, erg gewoon zijn. Jokke draait zich weer om en trekt de hordeur dicht. Vier feeën steken de straat over – hun gestalten lijken sierlijke lichten die zich voortbewegen in het duister. Deur gaat dicht en zijn moeder keert terug. Ze blijft thuis. Bijna alle bewoners zijn onderweg, naar het bos, maar sommigen blijven thuis, zoals de moeder van Jokke. Ook de vader van Leon verdwijnt in het bos, zo op het eerste gezicht een gewoon iemand, zoals Jokke altijd heel gewoon leek te zijn.

Wat gaan ze doen?”, vraagt Jokke. Ja – natuurlijk – de heksensabbat – nee, die is weken terug al geweest. Maar wat zou het anders kunnen zijn? Als de bewoners van de flat geen heksensabbat vieren – Wat zijn ze vanavond dan aan het doen met zijn allen? In de keuken hangt een kruidenkalender en het is half augustus – hij weet het zeker. Hij heeft nog twee weken vrij.

Zijn moeder blijft achter de hordeur staan en ziet, net als Jokke, drie reuzen de straat oversteken. De heksensabbat – hij kent het feest, maar is er nooit bij geweest. Heksen beginnen om half elf op trommels te slaan – het geluid van dreunende trommels tot ver in de zomernacht. Zelfs het verkeer van de snelweg hoort hij dan niet meer. Alleen nog die trommels.

Jokke gaat een glas limonade halen en laat zich neerploffen op zijn stoel. Om precies elf uur beginnen ze op trommels te slaan. Het is een luide, bijna betoverende klank en hij denkt zelfs een rookpluim te zien opstijgen, maar het is de heuvel en die is veel te ver weg. Hij zou er zelf heen moeten gaan in plaats hier op het balkon zitten. Ook zijn moeder heeft plaatsgenomen bij het raam en kijkt naar de heuvel. Er ligt een gedachterimpel op haar voorhoofd als ze zich zorgen maakt, zoals nu.

Jokke ziet haar mond bewegen en hij denkt dat zijn moeder zegt: “Ik weet eerlijk gezegd ook niet goed wat ze aan het doen zijn.” De heksensabbat was weken geleden. Hij kijkt naar zijn moeder – dan weer naar de heuvel – en hij bedenkt ineens dat het iets betekent als de vampiers er wel bij zouden zijn. Jokke begint nu wel heel erg nieuwsgierig te worden naar het geheim.

Geen heksensabbat. Dat was weken terug.

Doffe klappen van trommels dragen vele honderden meters ver – in de stad moeten ze hen ook horen.

Vieren ze een feest in het bos? Is het een feest – of is er iets totaal anders? Hoe hebben ze het toch voor elkaar gekregen dat de flat en het omringende terrein onaangeroerd mochten blijven? Hij wil het weten.

Hij kijkt naar zijn moeder die opnieuw enkele woorden zegt – en ze spreekt ze praktisch onverstaanbaar uit, maar Jokke kan ze goed horen – ondanks de trommels.

“Het is de tuin der geesten.”

Mam, ik moet gaan kijken,” zegt Jokke.

Doe je voorzichtig?”

Tot straks.”

Ik hoop het.”


(3) En de vierde is een gewone jongen

Ze zijn er allemaal. De dwergen, weerwolven, heksen, feeën, reuzen, het monster van Frankenstein natuurlijk, zelfs de vampiers zijn gekomen, al mopperen ze vanwege het vroege tijdstip. De zon moet nog ondergaan. De moeder van Jokke kijkt alles behalve gelukkig, want haar zoon was altijd een gewone jongen en vandaag blijkt er ineens iets totaal anders aan de hand te zijn. Anders was het drankje van mevrouw Madsen nooit mislukt. Eén van de ingrediënten was verkeerd. Ze gebruikte speeksel van een jongen die absoluut niet gewoon was.

De huismeester neemt het woord – een dwerg met een indrukwekkende baard die zijn glimmende kale kop moet doen vergeten. “Medebewoners,” zegt hij en alle stemmen verstommen direct, “Anne Madsen heeft om een bijeenkomst van de bewonersraad gevraagd en naar mijn mening is dat terecht. Ze heeft een drankje geprobeerd te maken voor Anthony en Leon, zodat ze hun menselijke gedaante kunnen behouden als het volle maan is. Nu kennen we allemaal de kwaliteiten van Anne en we waarderen haar drankjes allemaal.”

“Hoe kon je drankje nou mislukken?”, vraagt een vampier genaamd Nosferatus en die een smoking draagt. Hij geniet van de schaduw die een ondergaande zon over de gemeenschappelijke tuin werpt.

“Ik had het speeksel van een gewone jongen nodig,” zegt mevrouw Madsen die er geen genoeg van lijkt te krijgen haar verhaal uit te leggen. “Het was niet de eerste keer dat ik het drankje heb gemaakt. Ik heb alles gedaan zoals het moest en toch ging het mis.”

“Maar je hebt het speeksel gebruikt van Jokke – de Vries, want hij is een gewone jongen,” zegt de vampier wiens achterover gekamde haar glimt.

“Ja.”

“Nu begrijp ik wel waarom je aan de jongen hebt gedacht,” beaamt Nosferatus.

“Allemaal vooroordelen,” zegt het monster van Frankenstein op beschaafde toon.

“Misschien is hij ziek,” zegt een fee die Madeleine heet.

“Nee, dat heeft geen effect op zijn DNA.”

“O – ja, natuurlijk.”

“En hij is ook geen vampier,” zegt Nosferatus die Jokke uitvoerig bestudeert en hij zoekt kenmerken die typerend zijn voor een vampier. Maar Jokke ligt graag in de zon, dus is hij geen vampier.

“En ook geen dwerg,” zegt de vader van Gijs die een broer van de huismeester is, ook een dwerg met een enorme authentieke baard en kale kop.

“Misschien een fee,” zegt Madeleine.

“Zou je een soortgenoot herkennen?”, vraagt Nosferatus en zijn stem klinkt ijzig kalm.

“Ja.”

“Dan is de jongen geen fee.”

“Tja, da’s ook waar.”

“Ik wil hem geen reus noemen, maar hij is ook geen dwerg,” zegt Zephyr, een reus, maar niet degene die langs het raam liep,

“En hij is gewoon geboren, niet door een dokter bij elkaar gezocht en toen opgebouwd,” zegt het monster van Frankenstein die alle aanwezigen laat verstommen.

“Misschien is hij een weerwolf,” zegt Edith, een heks, maar niet zo’n goeie als mevrouw Madsen.

“Heb je wel eens de neiging om in het bos naar de volle maan te huilen, jongen?”, vraagt de vampier. Nee, Nosferatus en Edith zijn geen vrienden.

“Nee, niet echt,” antwoordt Jokke.

“Dan is de jongen geen weerwolf,” zegt Nosferatus.

Leon fluistert iets in het oor van zijn vader die meteen reageert: “Tijdens de bewonersraad spreek je hardop. Dat heb ik je verteld. Je spreekt of je zwijgt. Maar als je spreekt, dan doe je dat luid en duidelijk, zodat iedereen je kan verstaan.”

“Ja papa.”

“Dus vertel wat je net zei. Het is belangrijk.”

“Ik heb het geprobeerd – Jokke in een weerwolf te veranderen – door zijn huid open te krassen.”

“En dat heeft niet gewerkt,” stelt de huismeester vast.

“Nee.”

“Zou dat moeten werken dan?”, vraagt Nosferatus.

“Ja, normaal is het zeer effectief.”

“Als een besmetting?”, vraagt mevrouw Madsen.

“Maar dat kan toch helemaal niet,” reageert Edith.

“Zeker wel, het is zelfs volgens het boekje en mijn zoon weet het verdomde goed. Leon is dom geweest – hij heeft een fout gemaakt. Het is stom toeval dat er geen ongelukken zijn gebeurd. Ik ben blij dat het op Jokke geen effect heeft gehad. Heel erg blij.”

“Frauke – Is je zoon ooit ziek geweest?”, vraagt Nosferatus.

“Nee – nooit.”

“Heel opvallend,” en de vampier zwijgt verder.

“En de vader van Jokke – Was hij hetzelfde?”, vraagt de huismeester. Het is de vraag die vanaf het begin werd verwacht, maar door niemand gesteld.

“Ik – eh – heb geen flauw idee. We hebben elkaar leren kennen en hij was ontzettend aardig voor me, een lieverd, zoals nog nooit iemand voor me was geweest – en we gingen samenwonen – hier dus. Op een avond ging hij een stukje wandelen. Ik was toen al in de zevende maand van mijn zwangerschap.” De moeder van Jokke staart naar het grasveld. “Hij is gaan wandelen en nooit meer teruggekomen.”

“Da’s een pittige wandeling,” zegt Nosferatus.

“Op het politiebureau zeiden ze dat ik vrij snel een kaartje zou krijgen uit een ver tropisch land.”

“En?”, vraag de huismeester.

“Ik wacht nog steeds op een kaartje.”

“Daar hebben we met andere woorden ook niks aan,” zegt Nosferatus die een stapje naar voren doet, omdat de zon nog lager begint te zakken.

“Hij is altijd aardig voor me geweest en heette Jokke, dus ik heb mijn zoon ook zo genoemd.”

“Ik proef een beetje uit je woorden dat dat voor het eerst was,” zegt de huismeester.

“Ja, het was voor het eerst dat iemand zo aardig voor me is geweest en het maakt me niet uit hoelang hij weg is. Ik houd nog steeds van hem.”

“Ware liefde is toch wel mooi, hè,” zegt Madeleine die haar lichtblonde haar over haar schouders gooit als een zonnestraal die de schemering doorbreekt.

“Je hebt er geen ruk aan,” zegt Nosferatus.

“Nou – en ik vind het mooi – romantisch.”

“Zeg eens, Frauke – Wat kun je nog meer vertellen over de vader van Jokke?”, vraagt de huismeester die vragen blijft stellen. Hij is de liefde van je leven, dus je zult er toch wel meer over kunnen vertellen.”

“Hij heeft een goudkleurige aura,” zegt Frauke die de dwergen, feeën, reuzen, weerwolven, vampiers en het monster van Frankenstein blijft aanstaren en nu eens niet wegkijkt of het grasveld ineens erg interessant vindt. Haar ogen beginnen te glinsteren. “En dat heb ik nooit meer bij iemand anders gezien, ja, Jokke – mijn zoon heeft een goudkleurige aura – ja – maar hij is precies zijn vader – hij lijkt sprekend op hem.” Er valt nu echt een stilte. Jokke hoort boombladeren ruisen. Aanwezigen kijken elkaar aan – lijken elkaar te bestuderen of ze wachten op een opmerking van wie dan ook. “De aura van Nosferatus is zwart.”

Zelfs Nosferatus zegt niets. Zijn ogen verbergen het gevaar dat hij is. Gevaarlijker dan een weerwolf die afhankelijk is van een volle maan om van gedaante te kunnen verwisselen. De vampier is een jager, soms charmant, vaak bloeddorstig.

“Je bedoelt eigenlijk te zeggen,” en het is Madeleine die spreekt, “dat je zoon een halfengel is – zijn vader is een halfengel, dus hij is er ook eentje.”

Zelfs Nosferatus houdt zijn mond. Er volgt geen cynisch commentaar. Het hoofd van de vampier hangt schuint en hij kijkt naar Jokke – iedereen kijkt naar Jokke die heel goed beseft dat alle ogen op hem zijn gericht. Madeleine, de fee, heeft hem een halfengel genoemd en niemand lacht erom of voelt zich geroepen om hatelijke, cynische opmerkingen te maken. Jokke voelt zijn wangen warmer worden – rood kleuren. Andrea bijt op haar onderlip en haar moeder, mevrouw Madsen, houdt een hand voor haar mond. Dus Jokke is helemaal geen gewone jongen. Hij is een halfengel en hij heeft geen flauw idee wat het betekent om een halfengel te zijn. Hoe kun je nou zo gewoon zijn als Jokke en toch zo bijzonder dat iedereen letterlijk met stomheid lijkt te zijn geslagen?

“Mama,” zegt Andrea. “Waarom is het zo bijzonder als je een halfengel bent?

“Mijn moeder heeft er ooit iets over verteld,” zegt mevrouw Madsen, “een halfengel geneest mensen die lichamelijk of geestelijk ziek zijn. Als een leven kapot is, komt er een halfengel die je leven herstelt, zodat je weer verder kunt. Je moet het wel verdienen en niet iedereen krijgt hulp van een halfengel. De moeder van Jokke heeft het verdiend. Dat is wat het betekent. Frauke heeft het verdiend.”

“Ik vind dat erg mooi, hoor, mama.”

Het liefst wil Jokke naar het bos vluchten om er rustig na te kunnen denken over alles wat hij heeft gehoord vanavond. Dus hij is een halfengel. Iemand die mensen geneest, omdat ze het verdienen. Maar hoe weet je nou of iemand het verdient? Hij kan niet iedereen helpen.

Dus iemand die hij besluit te negeren – of niet te helpen – die verdient het dan ook niet?

“Sorry hoor, Frauke, ik zou er nooit over zijn begonnen, als ik dit had geweten. Je zou het je zoon beslist hebben verteld, maar niet vandaag.”

“Je kon het niet weten,” zegt Frauke.

“En nu?”, vraagt Jokke.

“Straks ga je gewoon naar bed en morgen heb je nog steeds vakantie,” zegt zijn moeder.

“Gelukkig wel.”

De huismeester herneemt het woord. “Voelt iemand de behoefte iets toe te voegen aan wat er al is gezegd? Nee?” Hoofden schudden traag ontkennend. Jokke is een jongen waarvan ze allemaal dachten dat hij heel gewoon moest zijn. Hij blijkt de meest bijzondere te zijn van allemaal. Een halfengel. “Dan sluit ik de vergadering en begroet tevens een ziel met een gouden aura, een halfengel.”

Ze beginnen allemaal weg te lopen – alle bewoners – naar binnen, terwijl de zon, die langzaam achter het gebouw wegzakt, doet vermoeden alsof het altijd warm en droog zal blijven. Mevrouw Madsen staat ineens naast Jokke. “Mocht je vragen hebben, dan weet je me te vinden, hè?”

“Tuurlijk.”

“Ga je mee naar binnen?”, vraagt de moeder van Jokke. “Het begint al laat te worden.”

“Ja.”

Mevrouw Madsen en haar dochter Andrea lopen voor hen. “Mam – wat voor drankje kun je maken met het speeksel van een halfengel?”

“Daar kun je wel leuke dingen mee doen, ja. Het zijn ook gevaarlijke drankjes, omdat ze erg verslavend schijnen te zijn, zoals je mag verwachten.”

“Heb je er ooit een gemaakt, mam?”

“Ik zal die mislukte drank weggooien,” zegt mevrouw Madsen die daarmee de vraag van haar dochter volkomen negeert. “En ik wil er geen druppeltje van bewaren. Ik wil niet eens weten wat er gebeurt als je ervan zou drinken.”

“Wat gebeurt er dan?”, vraagt Andrea die uitdagend met haar handen op haar heupen gaat staan.

“Jij verandert misschien in een gewoon meisje en Leon zal nooit meer als weerwolf door het bos kunnen rennen. Ik moet mijn toverboek verbergen, omdat je er de stomste dingen mee wil doen.”

“Ik zou mezelf in een muis kunnen veranderen,” zegt Andrea.

“Bijvoorbeeld.”

“Dan moet Jokke me redden, want hij is een halfengel en mensen genezen is wat hij doet.”

“Misschien zoek ik wel een knappe jongensmuis voor je,” zegt Jokke.

“Goed, goed, we gooien die drank wel weg,” zegt Andrea die er een zeer serieus gezicht bij trekt.

 


de win-winmethode

 

Je moest eens weten hoe makkelijk het voor mij is om jouw huis binnen te komen. Het is echt doodsimpel. Ik doe dit werk toch al een hele tijd en er zijn nog altijd huizen die zo slecht zijn beveiligd dat mensen soms denken dat ik er zelf woon.

Ik begin met de schroef – er moet een schroef in de cilinder – normaal gaat jouw huissleutel daarin – nu is het mijn schroef, omdat ik de schroef, waarmee de cilinder is vastgezet, in tweeën wil breken. Het slot van je voordeur zit namelijk vast op één schroef. Daarna trek ik de cilinder met mijn schroef eruit – ik gebruik er een klauwhamer voor. In minder dan twee minuten sta ik bij jou in de gang. Je bent niet thuis, dus vanaf dat moment is het mijn plekkie en ik neem alles mee dat ik kan gebruiken. Ik ruim je huis gewoon een beetje op, neem je troep mee en word er ook zelf beter van. Ik noem het de win-winmethode.

Het cliché schrijft voor dat ik ’s nachts aan het werk moet zijn, maar net als gewone mensen lig ik dan ook liever in bed. Mensen werken overdag, kinderen gaan naar school, zodat werkelozen en bejaarden in hun huizen achterblijven. Zo ga ik meestal aan de slag – ik begin met observeren – donkere huizen – licht uit – weinig beweging – soms aanbellen – doet er iemand open? Natuurlijk moet je ook niet te lang en opvallend observeren – rondhangen. Ik doe soms alsof ik een appartement wil kopen. Mensen willen je vaak heel erg veel vertellen. Sociale dieren, hoor, die mensen. Succes draait om snelheid. Hoe snel krijg je een deur open? Dat is de truc.

Ik heb een huis gevonden waarvan ik vermoed dat er een hoop te halen valt. Oude voordeur en een cilinder die ik makkelijk los kan krijgen. Oud herenhuis, dus ik sta meteen binnen. Grote appartementengebouwen zijn anders. Je komt wel makkelijk in het gebouw zelf, hoor. Er is altijd iemand die open wil doen als je een goed verhaal hebt. O, misschien moet je vooraf eens opzoeken welke postcode bij het adres hoort. Sommige mensen horen die postcode graag. Vooral in grote steden waar veel mensen bij elkaar wonen, ben je gewoon een gezicht in de massa – een onbekende. Doe normaal en niemand zal je gezicht onthouden. Zo werkt het echt. Gebruik een versleten rugzak, liefst van een merk waar je half Nederland mee ziet lopen. Op woensdag of vrijdag moet je nooit overdag een huis binnengaan, omdat mensen dan graag vrij nemen van hun werk. Bedenk liever op welke dagen de meeste files staan in ons land. Maar er zijn uitzonderingen. Je moet je goed voorbereiden en de mensen moeten tevens zo welwillend zijn dat ze hun huizen minder goed beveiligen dan ze eigenlijk zouden moeten doen. Zo heb ik werk.

Vandaag ga ik een herenhuis binnen – het staat in een winkelstraat. Daarom begin ik donderdagavond om half tien. Zoals ik hierboven al heb verteld, is het een fluitje van een cent om zo’n woning binnen te komen. Heel gemakkelijk en ik ga het niet opnieuw vertellen. Het is onnodig. Binnen anderhalve minuut sta ik in een donkere hal. Het huis is altijd donker. Tot hiertoe verloopt alles naar wens. Er zou niemand thuis mogen zijn, ik heb mijn werk gedaan. En anders ben ik heel snel weg. Ik kan hard lopen als het moet. Bovendien zijn mensen totaal overrompeld – verbijsterd wanneer er een onbekende hun huis binnenkomt. Geloof me, je hebt tijd genoeg om weg te komen. Ik wil naar de woonkamer – die is rechts – deze mensen hebben geen dieren, alles is stil.

Er gaat een deur open – ik zie een oudere man wiens gebalde vuist razendsnel naar mijn gezicht komt en ik verlies het bewustzijn. Onbekende tijd later doe ik mijn ogen weer open. Bewoner, zoals ik hem noem, want ik ken zijn naam niet, heeft me op een stoel gezet – armen en benen zijn vastgebonden. Hij heeft er tiewraps voor gebruikt. Ik kan geen kant op.

Nou ja, hij zal de politie bellen, of heeft dat al gedaan, zoals elke keurige burger doet als hem zoiets is overkomen. Maar het is wel de eerste keer dat ik ben neergeslagen door een bewoner. Hij zal de politie wel bellen. Ja toch? Waarom zou hij dat niet doen? Hij gaat de politie bellen, maar voorlopig zit hij voor me – hij zit op een gewone stoel en staart naar me. De man heeft blauwe ogen – twee ijskoude blauwe ogen die naar me blijven staren.

“Je bent toch wel de grootste stommeling van het westelijk halfrond, hè?” De bewoner heeft een prettige stem, hypnotisch bijna, zoals hij praat, rustgevend. Hoe doet hij dat? Bewoner noemt me een stommeling en het interesseert me totaal niet.

“Bel de politie,” zeg ik en ik probeer dreigend te klinken, maar het mislukt. Mijn woorden klinken als een smeekbede. Als een kleine jongen die zijn moeder om een ijsje vraagt. “Ik heb mijn rechten.”

“Je rechten heb je bij de voordeur achtergelaten die je zo fraai open hebt gebroken – ik moet je er voor complimenteren – deze methode kende ik nog niet.”

“Je moet de politie bellen, want – .” Ik krijg niet eens de tijd om uit te spreken. Bewoner staat op en geeft me een harde klap in mijn gezicht. Volgens mij ben ik eventjes buiten westen geweest. Eventjes maar. Denk ik.

Hij begint weer te spreken, anders dan daarnet. Bewoner is een keiharde vent. Niet zomaar iemand die hier woont. Wie is deze kerel? Waarom ken ik hem niet? Hij moet een gangster zijn – of zo. “Om te beginnen wil ik dat je ‘mijnheer’ en ‘u’ tegen me zegt. We zijn geen vrienden en zullen dat ook nooit worden. Begrijp je dat?”

“Ja – mijnheer.” Ik wil het helemaal niet zeggen, maar het moet. Zoals de man naar me kijkt, dwingt hij me ertoe. Het moet. Ik moet.

“Mooi, da’s een begin,” zegt hij, “weet je – eigenlijk moet ik je dankbaar zijn. Want mijn kleinzoon komt hier wonen en de jongen is net als ik. Snap je wel?” Nee, ik begrijp er eerlijk gezegd helemaal niets van. Ik wil alleen maar dat de man begint te bellen – de politie – hij moet godverdomme de politie bellen. Alleen – ik durf het niet te zeggen. Zijn ijskoude ogen die me aan blijven staren – hij heeft me vastgebonden. Ik zou me niet eens durven te bewegen – of weg te lopen. Het gaat gewoon niet.

“De jongen heet Bastiaan,” zegt de bewoner die op kalme toon verder blijft praten. “Een fijn joch, het is erg vervelend wat zijn ouders is overkomen, maar ja, je kunt niet alles hebben. Soms raak je mensen kwijt. Zulke dingen gebeuren nu eenmaal.”

“Mijnheer – alsjeblieft – mijnheer – Wilt u de politie voor me bellen?”

“Nee, ik peins er niet over. Je komt hier niet meer weg – nooit meer. Je bent mijn huis binnengedrongen en nu ben je van mij. Het is een beroepsrisico. Zo moet je het maar zien. Een overvaller kan doodgeschoten worden – Jij blijft hier – in mijn huis.”

“Wat – wat g-gaat u met me doen?”

“Ik geef je de tijd om na te denken over je zonden – Zeg eens – Geloof je in God?”

“N-nee.”

“Dat zou ik dan toch maar eens serieus overwegen. Misschien biedt het enige troost. Ik heb er zelf niet zo veel mee. Het zijn van die burgerlijke cultuuruitingen waar ik totaal niks mee heb.”

Ik begin echt bang te worden voor deze man die toch gewoon een ouwe kerel zou moeten zijn. Waarom ben ik dit huis binnengegaan? Waarom wilde ik per se dit huis in? Het lijkt onbewoond – het is donker – gordijnen zijn altijd gesloten. Er is gewoon niemand! Nu blijkt er toch iemand te leven en hij is een gemene, oude motherfucker. Ik kijk naar rechts en probeer zijn ogen te ontwijken, al is het maar voor heel even. Boven een bank zie ik een zeer oud schilderij – ik ben geen kunstkenner – het lijkt heel oud. Vierhonderd jaar. Minstens. Rembrandt of één van zijn tijdgenoten? Het zou zomaar kunnen. Het is een portret van de bewoner – de man die me hier gevangen houdt. Hij lijkt op zijn voorvader – of nee – hij ìs die voorouder, maar het is onmogelijk. Mensen worden niet zo oud. Wie is deze vent? Hij staat op en legt zijn hand in mijn nek – koude vingers. Leeft die vent eigenlijk wel? Waarom ben ik goddomme dit huis binnengegaan? Vroeg of laat zit je zonder geluk. Ik heb het wel eens iemand horen zeggen, maar nooit geloofd. Hij legt zijn hand in mijn nek en ik voel een prik – alsof hij een naald in mijn nek heeft gestoken. Had hij een injectienaald bij zich of heb ik niet opgelet? Ik moet hebben zitten suffen.

Geen idee wat er gebeurt, maar ik hang als een slappe theedoek over zijn schouder. Ik kan me niet bewegen. Mijn lijf brandt – ik wil me bewegen, maar kan het niet. We lopen – hij loopt een trap af en we komen in een oude kelder – zo’n kelder die je in heel oude gebouwen hebt – heel gotisch, zeer oud. Wie is deze kerel? Wat gaat hij met me doen? Ik ben bang – zo bang – ik wou dat ik vanochtend in bed was blijven liggen. Mensen letten slecht op – je kunt meestal gewoon je gang gaan en je staat in een mum van tijd in huis. Het is gelukt vandaag – ik ben binnen geraakt, maar het had nooit gemogen. De bewoner heeft me opgewacht – hij heeft zich schuil gehouden in het donker tot ik binnen was en me daarna knock-out geslagen. Hij heeft me opgewacht – gewoon opgewacht.

Hij gooit me op de vloer – een harde stenen vloer en ik hoor iets breken – er breekt iets in mijn knie – ik hoor het knappen – echt waar. De bewoner trekt me omhoog, alsof hij met een lappenpop aan het werk is, alsof ik helemaal niks weeg en ik ben bijna negentig kilo. Voordat ik het begin te begrijpen, klikt hij boeien vast en laat hij me los. Zoals in de middeleeuwen mensen werden vastgeklonken in een kerker, zo hang ik nu aan een paar roestige kettingen. Mijn knie begint pijn te doen – mijn polsen en ook enkels. Hij vouwt een metalen kraag om mijn nek – doet een stap achteruit. “Een vriend van me merkte laatst eens op dat er tegenwoordig geen mensen meer worden ingemetseld. Vroeger gebeurde dat best veel. Niet alleen noodgedwongen, vaak ook vrijwillig. Meisjes van zestien die een roeping bleken te hebben en zich lieten inmetselen – er bleef wel een gleuf vrij, zodat er eten door kon worden aangegeven. Een harde manier om aan een gedwongen huwelijk te ontsnappen. Trouwen of een leven in afzondering.”

“J-je g-g-gaat me toch niet inmetselen, hè?”

“Erg snugger ben je niet,” zegt de bewoner, “ik dacht dat je wat slimmer zou zijn.”

“J-ja d-d-dus.”

“Voor jou is het misschien een beetje rottig, maar ik bewijs mezelf en de maatschappij een geweldige dienst. Bovendien heb je me op tijd duidelijk gemaakt dat ik mijn huis beter moet beveiligen tegen criminele types zoals jij. Het is een soort win-winsituatie. We worden er allemaal beter van. Ik wil je mede namens mijn kleinzoon heel erg bedanken.” Hij begint metselspecie aan te maken en ik kijk gewoon toe, terwijl hij het muurtje begint te metselen. Hij zegt: “Ik heb er wel eens over gelezen – de hongerdood. In het begin is het erg pijnlijk – vooral de eerste weken – daarna wordt het makkelijker – aan het eind raak je in een soort euforie – dus je sterft als een heel blije klootzak.” Hij blijft stenen opstapelen – licht verandert in een schemering en duisternis. Ik probeer omhoog te kijken, maar de kraag beperkt mijn bewegingen en ik doe mezelf alleen maar meer pijn. “Het kan ruim twee maanden duren voordat je dood bent – ik ken een verhaal over een man die er 66 dagen over deed. Misschien dronk hij wel en at hij niet – zoiets. Ik weet het niet zeker.” Het is alleen nog maar een stem die spreekt – mijn beul legt een laatste steen op zijn plek.

Het is stil nu. Ik vraag me af wat er fout is gegaan en het lukt me gewoon niet om een antwoord te bedenken. Zoals ik al vele malen eerder heb gedaan, ben ik een huis binnen gedrongen. Ik heb mijn eigen methode gebruikt – eentje die ik zelf heb bedacht. Niemand heeft me ooit geholpen of iets geleerd. Ik heb alles zelf gedaan. Echt, alles zelf gedaan.

Zoveel huizen en ik kies uitgerekend dit ene huis uit.

“Help! Help!” Ik schreeuw zo hard als ik kan, maar niemand kan me horen. Ik blijf schreeuwen tot mijn keel er pijn van doet.

Niemand kan me horen. Niemand kan me horen.

Niemand —-

Kut, ik heb honger. Nu al.

“Help!” Zinloos, joh. Niemand kan je horen. Het is voorbij. Afgelopen.     

Duisternis. Waarom moest ik nou zo nodig dit huis binnengaan? Bewoner heeft zijn huis opzettelijk slecht beveiligd. Ik heb honger.

“Help!”

Het is zinloos. Afgelopen. Einde.

Hoelang zou het duren voordat ik dood ben? Hij had het over 66 dagen. Godverdomme.

Zinloos. Einde.

Shit – alles is volgens plan verlopen en toch ging het compleet fout.

Shit – Shit – shit – sh —

 


(2) En de vierde is een gewone jongen

Na het avondeten gaat Jokke naar Andrea en haar moeder. Hij heeft aardappelen gegeten met doperwtjes en een karbonade. Heel gewoon. Niks bijzonders.

Het blijkt dat de moeder van Andrea allang bezig is met het drankje. Het is een beproefd recept en staat uitgebreid beschreven in het toverboek. Andrea wijst naar een opmerking bovenaan de bladzijde. Alleen voor ervaren heksen. Haar wijsvinger prikt op het zinnetje. “Zie je wel?”

Verander je Leon en zijn vader anders in een kip – als het fout gaat?”, vraagt Jokke.

Nee, maar ik kan jou wel in een kip veranderen,” zegt mevrouw Madsen.

Liever niet.”

Een kip zonder kop,” gaat Andrea verder en ze klinkt opgewekt, omdat de rollen nu omgedraaid zijn. Ze mag Jokke voor de verandering een beetje plagen. Het hoort erbij.

Ik heb zijn speeksel nu nodig,” zegt mevrouw Madsen. Dat is de naam die op haar brievenbus staat. “Je moet het zilveren lepeltje gebruiken.”

Andrea gaat voor Jokke staan die zijn mond open houdt alsof hij bij de tandarts zit. Met een speeksellepeltje schraapt ze welgeteld drie keer speeksel van de binnenkant van zijn wang. Mevrouw Madsen dompelt het lepeltje elke keer onder in de borrelende vloeistof. Rookpluimen dwarrelen omhoog. Andrea wast het lepeltje steeds goed af en poetst het zorgvuldig droog met een theedoek. Jokke voelt zich voor lul staan als hij zijn mond moet openen, maar hij doet het wel.

Zo, speeksel van een gewone jongen,” zegt mevrouw Madsen en ze klinkt heel erg tevreden. “Het is geen belediging, hoor, Jokke, absoluut niet.”

Geeft niks, hoor mevrouw, u kunt er ook weinig aan doen,” zegt Jokke die het eens te meer als een handicap voelt.

Wees liever blij dat je gezond bent, een gezonde intelligente knaap,” zegt mevrouw Madsen.

Jokke zei vanmiddag dat iedereen een toverdrankje moet kunnen maken met zo’n boek erbij,” zegt Andrea die haar opmerking vrijwel direct betreurt.

Nou – dat klopt ook wel. Daar heeft hij gelijk in,” zegt mevrouw Madsen en zowel Jokke als Andrea luisteren verbijsterd naar de oudere heks. “Je hebt alleen een dik probleem als het fout gaat. Nooit ‘De tovenaarsleerling’ gelezen? Nou, het kan gruwelijk fout gaan. Gevolgen kunnen in één woord verschrikkelijk zijn. Je kunt niet voorspellen wat er gebeurt als het mis gaat.”

Oké,” zegt Andrea die haar hand uitsteekt naar Jokke, “dan moet ik je alsnog gelijk geven en ik zeg sorry voor de klappen die ik je heb gegeven.”

Heb je hem geslagen?”, vraagt mevrouw Madsen die de bloedhete vloeistof blijft doorroeren.

Ja en ik heb mezelf meer pijn gedaan,” zegt Andrea, “want Jokke heeft sterke spieren.”

Jullie mogen nooit vergeten dat je onderling geen ruzie mag maken, want samen sta je sterk. De toekomst van onze flat ligt in jullie handen. Er zijn erg veel mensen die ons weg willen hebben.”

Gelukkig kunnen ze ons niet wegjagen,” zegt Andrea.

Zolang we eensgezind blijven, kan er niks gebeuren,” zegt mevrouw Madsen.

Ik heb dat wel vaker gehoord,” zegt Jokke, “mijn moeder heeft het er ook wel eens over, maar ik snap het toch niet zo goed. Ze hadden ons kunnen onteigenen – dwingen te verhuizen zoals ze altijd doen met mensen die niet willen vertrekken.”

Dat hebben ze ook geprobeerd,” zegt mevrouw Madsen, “geloof me – dat hebben ze echt geprobeerd.” Er verschijnt een grijnslach op haar gezicht die weinig goeds beloofd. Jokke weet dat hij er geen vragen over moet stellen. Volwassenen geven de antwoorden niet.

Als je toch eens gewoon zou willen vertellen hoe jullie dat hebben gedaan, mam,” zegt Andrea.

Later – als je groot bent,” zegt mevrouw Madsen die een raadselachtige glimlach onderdrukt.

Jokke kijkt naar Andrea – die weer naar hem kijkt. Er moeten toch andere manieren zijn om te achterhalen wat er is gebeurd. Op school hebben ze computers waarmee ze dingen kunnen opzoeken. Maar dat duurt nog een paar weken. Er begint een rottige geur te ontstaan in de keuken. Mevrouw Madsen gebaart naar haar dochter. Ze moet het keukenraam openzetten. Hij kent het niet van gewoon eten zoals zijn moeder het klaarmaakt. Rook begint van kleur te veranderen en mevrouw Madsen blijft roeren.

Kunst is om te blijven roeren,” zegt ze en Andrea staat naast haar moeder toe te kijken. Er staan glazen potten op het aanrecht, zodat Jokke rustig kan bestuderen wat er allemaal in zit. En hij heeft geen flauw idee wat de ingrediënten nou zo speciaal maken dat je er een drankje van kunt brouwen. Kruiden die je zo uit het bos kunt halen, als je tenminste weet welke je moet hebben – en daar heb je natuurlijk het boek voor nodig. Blaadjes die van een willekeurige struik afkomstig lijken te zijn. Natuurlijk ook insecten die er soms erg levend uitzien. Er ligt een plankje met pincetten, lepeltjes, mesjes. Pincetten en lepels van koper, hout en zilver. Voor elk ingrediënt een ander materiaal. “De vader van Gijs heeft ze voor me gemaakt. Ik heb erg veel respect voor het vakmanschap van de dwergen.”

Zo’n pincet kun je niet kopen in een winkel?”, vraagt Jokke. Hij is een beetje verbaasd.

Nee – beslist niet,” zegt mevrouw Madsen. Er valt geen spoor van twijfel te bespeuren in haar stem.

Jokke wil de lepeltjes en messen eventjes aanraken, maar besluit het niet te doen. Woorden van mevrouw Madsen over de vader van Gijs, die zo’n geweldige vakman is, klinken in het hoofd van Jokke. Hij zou ook best wel zo’n vader willen hebben die ruw metaal in handige lepeltjes en messen verandert. Pincetten waarmee je takjes uit een glazen pot pakt, omdat je er nou eenmaal niet met je blote handen aan mag zitten. Het zou hem weinig verbazen als mevrouw Madsen in haar huis gouden gereedschappen heeft liggen waarmee je uiterst zeldzame en moeilijke drankjes kunt maken.

Rook kruipt omhoog en rolt langs het plafond naar het raam. Buiten moeten ze ruiken dat de moeder van Andrea bezig is met het drankje voor Leon en zijn vader. Zodat ze allemaal veiliger wonen. Eén weerwolf is oké. Twee weerwolven zijn een risico.

Ik ben bijna klaar,” mompelt mevrouw Madsen die nu in de borrelende dampende vloeistof blijft kijken alsof daar ergens het verlossende antwoord klaarligt. “Het boek is er duidelijk over. Wat je precies zou moeten zien als de drank klaar is. Het staat er echt.”

Er dient een zilvergrijze rook uit de ketel op te stijgen,” leest Andrea voor. “Het gaat er om dat je het goede materiaal hebt gebruikt. Een koperen pan. Het is een koperen pan die moeder heeft gepakt.”

Net als Panoramix,” zegt Jokke die nog altijd gefascineerd toekijkt en bedenkt dat hij zich heeft vergist in de moeilijkheidsgraad. Zo makkelijk is het echt niet. Je moet goed bedenken welk kruid je met welk lepeltje opschept – of zelfs speeksel van een gewone jongen. Mevrouw Madsen kijkt verbaasd naar Jokke. “O, da’s uit een boek – een stripboek,” zegt hij. Hij voelt zich een beetje dom. Alsof iedereen Panoramix zou moeten kennen.

Ja, het kan elk moment gebeuren,” zegt mevrouw Madsen die haar woorden mompelt – bijna onverstaanbaar en ze blijft ietwat bezorgd in de pan staren. Voorlopig gebeurt er niet zoveel. Alleen rook die omhoog kringelt en langs het plafond het raam uit lijkt te willen zweven. De drank blijft erg scherp ruiken en mevrouw Madsen zegt: “Kijk eens in het boek of dat zo hoort. Er hoort iets te staan over hoe het ruikt – Andrea, wil jij het voorlezen?”

In het begin zult u een scherpe geur waarnemen die afneemt na een kook van vijftien minuten. De geur verandert als u de goede ingrediënten heeft gebruikt.” Andrea stopt met lezen en kijkt afwachtend naar moeder.

Vijftien minuten,” zegt mevrouw Madsen, “en zover zijn we nog niet. We moeten geduld oefenen.” Ze blijft roeren. De drank begint gruwelijk te stinken. Volgens Jokke is er allang een kwartier verstreken, maar mevrouw Madsen zal het wel beter weten. Hij kijkt naar Andrea die alleen aandacht heeft voor haar moeder. De geur zou minder penetrant moeten worden. Het succes van het drankje is eraan verbonden. Er loopt een man langs het keukenraam die naar binnen kijkt en een bedenkelijk gezicht trekt. Hij zegt niets. Het is een lange man, bijna tweeënhalve meter, te klein om een reus te mogen heten, maar hij is wel degelijk een afstammeling.

Hij heeft gelijk,” zegt mevrouw Madsen. “Het gaat helemaal niet goed.” Aan de muur hangt een klok die de seconden weg laat tikken. “Er is nu echt een kwartier verstreken. Ik moet iets fout hebben gedaan!” Toch blijft ze roeren in een pan die een rottende geur verspreidt. “En dat is onmogelijk.”

Wat zou je dan verkeerd hebben gedaan, mama?”, vraagt Andrea.

Geen idee – het is niet de eerste keer dat ik dit drankje maak. Ik heb het eerder gedaan voor de vader van Leon. Jaren geleden toen zijn vrouw zwanger was. Hij wilde niet veranderen in een weerwolf terwijl zijn vrouw – nou ja, je kunt je er misschien wel iets bij voorstellen.” De moeder van Leon moet tijdens haar zwangerschap wel eens hebben gedacht dat ze zelf het eten was. “Toen is het ook gelukt. Ik heb het toverboek erbij gepakt, omdat ik het niet elke dag doe. Snap je wel? Ik heb het al een keer gedaan.” Met een nijdige zwaai draait ze het gas uit en gooit ze de pollepel op het aanrecht. “Verdomme.”

Maar je hebt wel alles hetzelfde gedaan?”, vraagt Andrea. “Ja toch?”

Alles hetzelfde, behalve – .” Mevrouw Madsen kijkt naar Jokke die zich  – erg verlegen voelt, alsof hij het drankje heeft laten mislukken. “Zou het misschien kunnen – ja, zou het kunnen?” Ze maakt haar vraag niet eens af, maar blijft steken.

Speeksel van een gewone jongen,” zegt Andrea.

Ja – beslist, het speeksel van een gewone jongen.”

Hoor nou eens, dat verhaal ken ik al en daar kan ik ook geen fluit aan doen. Ik ben een gewone jongen.”

Wat nou ,” begint mevrouw Madsen te zeggen, “stel je nou eens voor dat je geen gewone jongen bènt? Misschien bèn je niet de gewone jongen waar we je al die tijd voor hebben gehouden, maar ben je iets anders en weten we alleen nog niet precies wàt.”

Maar dat kan toch helemaal niet?”, vraagt Jokke. Zijn stem kan onmogelijk  verbaasder klinken.

Alle ingrediënten zijn hetzelfde, behalve één – ik moest het speeksel hebben van een gewone jongen en aangezien we altijd hebben geloofd dat jij dat bent – was mijn veronderstelling dat dat juist was.”

Ik vind dat moeilijk te geloven,” zegt Jokke die zich op zijn achterhoofd begint te krabben.

Het moet – er bestaat geen andere verklaring voor het mislukken van mijn drank,” zegt mevrouw Madsen, “jij bent helemaal geen gewone jongen.”

Wat is hij dan wel, mama?”

Daar zullen we achter moeten komen.”

Hoe?”, vraagt Jokke.

Om te beginnen moeten we de bewonersraad bij elkaar roepen en dat is voor het eerst sinds de acties die we hebben gevoerd om het flatgebouw te kunnen behouden.” Ze legt het deksel op de pan en veegt haar grijzer wordende rode haar over haar schouders. “En da’s al heel erg lang geleden.”

Ik heb zelfs nog nooit iedereen bij elkaar gezien,” zegt Andrea.

Zal me moeder leuk vinden,” zegt Jokke.

Mm, nee, niet echt,” reageert mevrouw Madsen.

Hè, goed zeg, Jokke, nu moet je wel ophouden met zeuren dat je zo gewoon bent, want dat ben je niet.”

Maar wat ben ik dan wel?”

Dat is een goeie vraag,” zegt mevrouw Madsen. “Je moeder moet ons vertellen over je vader. Wie hij was. Wat voor werk hij deed. Waar hij woonde. Misschien kan ze ons vertellen hoe je moeder en jij in onze flat terecht zijn gekomen. Jullie wonen hier niet zomaar. Daar is een verdomd goeie reden voor.”

Ik verheug me niet echt op de bewonersraad, hoor,” zegt Jokke.

We zijn pas later – dus tijdens de acties – een hele hechte gemeenschap geworden – en nu weten we inmiddels veel van elkaar, maar echt niet alles.”

Gaaf – Jokke is helemáál geen gewone jongen,” zegt Andrea.

 


de nieuwe tanden van jochem sluijters – een avontuur van tom van alsem

Een maand na zijn vakantie in Zeeland kreeg Tom van Alsem post – een echte brief – dus geen mailtje – nee, een brief zoals mensen vroeger verstuurden. Zijn boekentas lag op de trap. Moeder zat een boek te lezen. “Er ligt een brief voor je,” zei ze en wees naar de enveloppe die behalve een paar ezelsoren ook een scherpe vouw had.

Tom bekeek de achterzijde, omdat hij daar moest kunnen lezen wie de afzender was. Er stond niets. Zelfs geen postcode. Hij scheurde de envelop open en vond een kort, handgeschreven briefje. Mooie gekrulde letters, heel ouderwets. Hij zag de naam van de afzender en er ging een rilling langs zijn ruggenwervel.

Jochem Sluijters – de man die hij in Zeeland voor het laatst had gezien – op sterven na dood – misschien nog enkele weken – hooguit – maanden te leven. Een wrede straf voor zijn verraad.

‘Beste Tom, Ik wil je ontmoeten. Kom donderdagavond om 19:00 uur naar de parkeerplaats van Mister Shi in Lunetten. Bedenk wel dat dit geen vrijblijvende uitnodiging is. Je moet komen. En neem je lompe vriend mee, dan wordt het ook nog gezellig. Groetjes, Jochem Sluijters.’

Tom vouwde het briefje weer dubbel en begon het terug in de enveloppe te proppen. Dus hij moest naar Lunetten fietsen, donderdagavond en Sjors moest mee.

Waar gaat het over?”, vroeg zijn moeder.

Iemand die ik in Den Bosch heb leren kennen,” zei Tom, “hij wil me ontmoeten donderdagavond, want hij is in de stad.”

O, leuk,” antwoordde zijn moeder.

Ik weet nog niet of ik wel ga.”

Nou, dat moet je wel doen, hoor.”

Hij wil dat Sjors meegaat.”

Waarom dan?”

Die was er in Zeeland ook bij.”

Er is iets met die jongen wat me totaal niet aanstaat. Ik heb je vader wel eens over hem gehoord, maar het bevalt me maar matig. Wil je wel oppassen?” Zijn moeder sprak de waarschuwing uit, maar Tom wist heel goed dat de meeste mensen voor hèm dienden op te passen in plaats van andersom. Sinds de kogels van het volmaakte evenwicht in zijn bezit waren gekomen, kon Tom toveren. Hij had er geen stok of boek bij nodig. Zijn gedachten waren genoeg. Een onvoorstelbare macht die steeds meer mensen leek aan te trekken.

Ik ben niet bang,” zei hij.

Dat verontrust me nou juist zo.”

Niet zo benauwd, moeder, er gebeurt niets,” zei hij, “bovendien gaat Sjors mee en ik ken niemand die – .” Hij maakte zijn zin niet af. Er was geen reden voor. Zo meteen zou hij de brief bespreken op de website. Sinds een paar dagen had ook Sjors toegang gekregen. Het kostte wat tijd, maar de groep van vier was uitgebreid. Ze waren vanaf nu met zijn vijven.

Tien minuten later had hij de tekst gedeeld met zijn vrienden. Tom herhaalde alleen de afspraak, donderdagavond om zeven uur, dus ook Sjors – ze moesten met zijn tweeën komen. De verwijzing naar de lompheid van Sjors liet hij weg, want het was onnodig kwetsend.

Wat wil Sluijters dan van jullie?

Het was een vraag van Sophie die allerhande bezwaren begon op te sommen. Tom had er geen behoefte aan. Bovendien zou een zieke oude man weinig of geen problemen kunnen opleveren. En terminaal ziek was Sluijters beslist. Dus geen zorgen.

Afscheid nemen, denk ik.

Het was een kort, maar gevat antwoord van Tom. Zo dacht hij er ook echt over. Hij verwachtte geen problemen met Sluijters. Misschien ontstond er een kans om met Herr Weiss in gesprek te raken. Vorige keer dook hij ook ineens op. Herr Weiss, beter bekend als de alchemist.

Nou, pas toch maar op en ik ben blij dat Sjors meegaat.

Sophie ging meteen daarna offline. Tom begon aan zijn huiswerk. Het meeste had hij op school al gedaan. Nog een paar opdrachten en hij was helemaal klaar.

Tijdens het avondeten kwam de brief niet meer ter sprake. Moeder had het misschien verteld aan vader. Misschien niet. Het duurde drie dagen voordat het zover was. De poststempel verraadde dat de brief afgelopen weekend in de brievenbus was gegooid. Sluijters bedoelde ook echt aanstaande donderdagavond. Er kon geen twijfel over bestaan en anders zouden Tom en Sjors voor niets naar Lunetten fietsen. Omstreeks acht uur kreeg Tom een app van Chris die zei vanaf de loggia van zijn oom de ontmoeting te kunnen volgen en filmen.

Mocht Sluijters toch iets geks van plan zijn, dan stond alles op film en Chris zou het direct op internet gooien. Tom haalde zijn schouders erover op, want er kon gewoon niks gebeuren. Een zieke man met een wandelstok – een uitgeteerd en dodelijk ziek lichaam – een levende dode. Tom antwoordde dat hij filmen een goed idee vond. Het kon geen kwaad en zo waren zijn vrienden een tikkie geruster.

Dagen gingen voorbij – het werd donderdag. Op school werd de afspraak opnieuw besproken. Tom vertelde over de bijnamen die ze hadden gekregen. Eljakim en Gladius. De engel en de duivel. Tom en Sjors.

Sluijters had een chauffeur en lijfwacht meegenomen,” zei Sjors, “vent bleek een blaffer bij zich te hebben. Ik heb hem een schop gegeven waardoor hij – nou ja – volgens Tom is hij een beetje dood geweest.” Verbaasde blikken die naar beide jongens staarden.

Een beetje dood?”, vroeg Emke. “Dat meen je toch niet, hè?”

Jawel,” zei Tom. “Ik heb hem gered en een pacifist van de man gemaakt.”

Maak je geen zorgen. Ik ga alles filmen,” zei Chris. “Vanaf de loggia van mijn oom.”

Zal ik meegaan, Chris?”, vroeg Emke.

Goed.”

Gelukkig regende het ’s avonds het niet. Ze fietsten in twee groepjes naar Lunetten. Chris en Emke, Tom en Sjors, zodat Sluijters niet zou weten dat ze met zijn vieren waren gekomen. Bovendien zou Chris doen alsof hij met zijn telefoon stond te spelen en Sluijters kwam nergens achter. Het klopte helemaal. Er kon niets fout gaan. Tom en Sjors zette hun fietsen in de beugels recht tegenover het restaurant. Het was er druk. Bij het pompstation reden auto’s af en aan.

Tom zocht de vertrouwde Audi, de lievelingsauto van Sluijters, zwart of rood. Het kon allebei. Geen Audi, wel een Volkswagen en er stapte een man uit die onmiddellijk breeduit begon te lachen. Met uitgestoken hand kwam hij naar Tom en Sjors. Maar deze man leek niet eens op Sluijters. Deze man was twintig jaar jonger en zag er kerngezond uit. Geen spoor van een enge ziekte. Totaal niets.

Ze schudden elkaar de hand en Tom noemde zijn naam. Sjors deed hetzelfde, maar bleef indringend naar de onbekende kijken die net was uitgestapt en zijn eigen naam weigerde te noemen. De zon scheen, een bleek zonnetje dat weg begon te zakken achter de horizon. Man had een heldere stem. Hij lachte een rij hagelwitte tanden bloot en hij bleef maar lachen.

Ik wist wel dat je me niet meer zou herkennen,” zei de man die continu lachte alsof hij reclame stond te maken voor een nieuw merk tandpasta.

Sluiters – jij bent Jochem Sluijters – ik weet niet hoe je het hebt geflikt, maar jij bent hem echt – Sluijters,” zei Sjors.

Tom blikte opzij en zocht naar woorden, want nu herkende hij een glans in de ogen van de man die hij alleen bij hun eerste ontmoeting had gezien. Lang geleden. ‘De wereld maakt een sprongetje van vreugde, omdat het volmaakte evenwicht in jouw handen terecht is gekomen.’ Zijn woorden.

Hoe heb je dit voor elkaar gekregen?”

Ze stonden alle drie op de parkeerplaats. Er waren genoeg mensen, maar niemand interesseerde zich voor twee jongens en een man van ongeveer vijftig jaar oud, misschien iets jonger. Sluijters moest zeker zeventig zijn.

Je kent mijn talent,” zei Sluijters, “ik heb een setje tanden gevonden, tijdje geleden, ruim een maand. Voordat we elkaar in Zeeland tegenkwamen.” Sluijters keek om zich heen, alsof hij zeker wilde zijn dat er niemand was die hem zou kunnen horen. “Magische objecten – dat is altijd mijn vak geweest. Ik heb deze tanden gevonden – een bevriende tandarts heeft ze als mijn laatste wens geplaatst. Beetje waardig heengaan. Dat heb ik hem verteld, want hij snapte niet waarom ik dit wilde.”

Als ik het goed begrijp,” zei Tom, “heb je de tanden van een onbekende vent afgespoeld en in je eigen mond laten zetten.”

Ja – ja, inderdaad.”

Stapelkrankjorum.”

Inderdaad,” zei Sjors.

Ze moesten mijn ziekte stoppen en dat is ook echt gebeurd,” zei Sluijters wiens lach begon te verdwijnen en er verscheen een diepe gedachterimpel op zijn voorhoofd. “Ik was er heel blij mee, maar verleden week begon ik te merken dat er iets was veranderd aan mijn uiterlijk. Mijn kleindochter Margot wil nu niets meer met me te maken hebben.”

Ja en?”, vroeg Tom.

Maar snap je het dan niet, verdomme? Ik wilde mijn ziekte stoppen en ineens word ik jonger.”

Sjors probeerde een grijns te onderdrukken, maar het lukte erg slecht. Hij begon voluit te lachen. Het was de smerigste lach die Tom ooit had gehoord. “Nou,” zei Sjors, “je probleem lost zich vanzelf op. Vroeg of laat heb je de leeftijd van een baby en vallen je tandjes uit en kun je opnieuw beginnen met je leven. Is dat niet geweldig?”

Maar ik wil niet opnieuw beginnen, domoor!”, schreeuwde Sluijters die Sjors verder negeerde en zich exclusief tot Tom besloot te richten. “Je moet me helpen, jongen. Jij bent de enige die het kan.”

Tom legde zijn hand op de schouder van Sjors en duwde zijn vriend weg. “Ga terug naar je tandarts en laat al je nieuwe tanden trekken, Jochem. Dan is je probleem opgelost. Ik help je niet.”

Tom en Sjors lieten Sluijters alleen achter op de parkeerplaats, pakten hun fietsen mee en reden weg – naar het gebouw waar de oom van Chris woonde.

Tom? To-hom?”

De smeekbede van Sluijters weerklonk lange tijd over de parkeerplaats. Toen ze echt helemaal uit het zicht waren verdwenen, remden Tom en Sjors allebei af om lange tijd heel hard te lachen.

Terwijl Tom hun fietsen aan elkaar bond met een loodzwaar kettingslot, drukte Sjors op de bel. Deur van de hoofdingang klikte open, zodat ze verder konden lopen. De oom van Chris woonde beneden. Emke deed open en zag er zeer ernstig uit.

Het was heel grappig,” zei Tom die weer begon te grinniken, net als Sjors.

Wacht maar tot je het filmpje hebt gezien.” Emke klonk erg dreigend.

Tom en Sjors gingen het appartement binnen – een lange smalle gang – twee slaapkamers – een toilet en douche. De oom van Chris bleek een enorme woonkamer te hebben en een keuken die verstopt leek te zijn achter een muur. Chris en zijn oom stonden het filmpje te bekijken. De oom, die Ernest heette, wees naar het scherm. “Nee, Chris, wat je ziet, is echt, geen fout, maar echt, ik heb dit nog nooit meegemaakt.” Chris liet het filmpje opnieuw beginnen en Tom vermoedde niet voor het eerst. Sluijters lachte dus toch het laatst en niet Tom en Sjors. Er was iets vreemds aan de hand.

Tom stelde zich kort voor, Sjors deed hetzelfde, maar de meeste aandacht ging toch echt naar het filmpje dat een vreemde fout leek te vertonen. Op de plaats waar Sluijters had moeten staan, of de man die hij beweerde te zijn, zag Tom een witte, mensvormige vlek. Geen scherpe randen, eerder als een soort aura. Het leek bijna een geest. Tom vroeg een herhaling en daarna nog een.

Hij had een gitzwarte aura en jullie lachten er gewoon om!”, riep Emke. Ze hoefde het filmpje niet meer te zien.

Op internet zetten,” zei Tom, “en gewoon zien welke reacties je krijgt. Je hoeft niet bang te zijn voor Sluijters, want die is onherkenbaar.”

Je vriend heeft gelijk,” zegt Ernest.

Wat is er gebeurd?”, vroeg Chris. “Wat hebben jullie drieën besproken. We zagen weliswaar dat jullie weggingen, maar de man was helemaal niet blij.”

Jochem Sluijters – je hebt hem nooit gezien – maar hij zou een man van ongeveer zeventig jaar moeten zijn. Zo oud zag hij er ook uit. Je kunt het Sjors vragen – die was er in Zeeland bij. Deze man beweerde Jochem Sluijters te zijn. Hij heeft betoverde tanden laten implanteren door een bevriende tandarts – sinds een week wordt hij jonger. Hij wilde dat ik het zou stoppen. Omdat hij bang is als baby te eindigen. Of nee. Sjors zei dat.”

Hij eindigt als bevruchte eicel – zo begint elk menselijke leven,” zei Sjors die er als enige de humor van in zag – hij grijnsde breeduit. “Tenzij – tenzij – ,” zijn lach verdween heel langzaam. Hij sprak de zin niet uit. Dat deed Tom.

Tenzij het proces stopt en dan is Jochem Sluijters volkomen gezond, maar welke leeftijd zou hij in dat geval hebben?”

Jullie verbazen me nogal,” zei oom Ernest, “want jullie praten over tovenarij alsof het werkelijk bestaat.”

Tom zei niets, maar keek lange tijd naar zijn vrienden die net zo min iets zeiden. Oom Ernest tikte het schermpje wederom aan en bekeek de witte mensvormige vlek die zelfs praatte, al konden ze niet verstaan wat hij zei.

Zou iemand dat – effect – kunnen onderzoeken?”, vroeg oom Ernest.

Misschien kent mijn vader wel iemand. Ik kan het eens vragen. Je weet maar nooit.” De vader van Tom was niet alleen een welgesteld man, maar ook een wetenschapper die veel mensen kende met uiteenlopende specialiteiten. Er was altijd wel iemand die zou willen aantonen dat het filmpje vervalst moest zijn – special effects. “Dan heeft hij het originele filmpje en toestel nodig Of het geheugenkaartje. Misschien is dat wel genoeg.”

Je kunt het beter eerst aan je pa laten zien,” zei oom Ernest.

Dat denk ik ook wel,” zei Tom, “en dan krijg je vermoedelijk een theorie over magnetisme, aardstralen en antennes.”

Vijf minuten later stonden ze alle vier op straat. Ze moesten een behoorlijk stuk fietsen voordat ze thuis waren.

Tom staarde naar de parkeerplaats, maar Sluijters was allang verdwenen. Hij twijfelde er niet eens aan dat de man van middelbare leeftijd echt Sluijters was. Uit doodsangst had hij zijn toevlucht gezocht tot zwarte magie, zodat de dood hem nog een tijdje zou negeren. Zijn kleindochter was vol walging weggelopen. Of Tom maar effetjes het verjongingsproces wilde stoppen en Tom had er geen zin in. Ze lieten de stad achter zich – Sjors verdween al snel in een andere richting. Zijn vrienden zouden hem later die avond informeren.

Chris en Emke waren erg benieuwd naar wat de vader van Tom zou zeggen.

Het huis van Tom lag aan een polderweggetje, auto’s konden elkaar moeiteloos passeren. Er waren meer huizen, ook echte boerderijen. De rozenstruiken stonden er troosteloos bij, maar dat was normaal in de herfst.

Tom ging als eerste naar binnen. Moeder zat op de bank. Televisie stond aan, maar ze zat een krant te lezen. Zo ging het tegenwoordig wel vaker.

Waar is pap?”, vroeg Tom.

In de garage,” antwoordde ze.

Oké, dank je.”

Hoe is het gegaan?”

Beetje vreemd.”

Moet ik al aan de drakentuin denken?”, vroeg moeder die zich ongetwijfeld het bed van Tom herinnerde dat een stukje boven de vloer zweefde.

Nee, het is wel raar, maar anders.”

Tom duwde zijn vrienden naar buiten. Lippen van Chris en Emke vormden vragen die ze nog niet hardop zeiden.

Straks – straks – alles op zijn tijd.”

Sophie zou het moeten weten, maar ze sprak tegenwoordig zelden of nooit over de magische fenomenen die Tom veroorzaakte. Sophie en Astrid, een nicht van Tom die in Den Bosch woonde, hadden veelvuldig contact met elkaar.

Het was erg slecht van Tom, maar hij vertelde niet alles aan zijn vrienden.

Tom bonsde enkele keren op de deur van de garage waarna er een bekende grom volgde van zijn vader. “Binnen!”

Hoi pap, ik wil je wat laten zien,” zei Tom. In de garage heerste een fijne temperatuur. Rond de eenentwintig graden en de vader van Tom zat achter het beeldscherm van zijn computer. Er was een grote lap tekst te zien. “Ben je weer een boek aan het schrijven?”

Als ik er de tijd voor krijg,” zei Thomas van Alsem, zoals de vader van Tom heette. Ze hadden allebei dezelfde voornaam.

Chris begon het filmpje te openen en draaide het beeldscherm naar de vader van Tom die zwijgend toekeek. Geen commentaar, zelfs geen cynisch lachje. De vader van Tom had de draak ook gezien. Ze hadden hem allemaal gezien.

Ogen van vader Thomas bestudeerden de mensvormige witte vlek aandachtig. “Kun je me het filmpje mailen?”, vroeg de vader van Tom aan Chris. “Ik zal het aan Henny geven, dan heeft hij ook eens iets om op te kauwen. Ben je van plan om het op internet te zetten?”

Ja.”

Wacht daar nog maar even mee. Zo meteen gaat het ineens viral en begint iedereen zich ermee te bemoeien.”

Goed mijnheer.”

Tom geeft je mijn e-mailadres – en nu wegwezen, jongens. Ik heb meer te doen.”

Niet veel later stonden ze bij hun fietsen. “Wat is er met de drakentuin?”, vroeg Emke en haar gezicht gloeide van nieuwsgierigheid. “Vertel – vertel.”

Tom vertelde over zijn bezoek aan zijn nichtje Astrid die een prachtige draak had getekend op een oud basketbalveld – het dier zag eruit alsof het zijn snuit tegen een venster had gedrukt en wilde ontsnappen – en probeerde dat het ook te doen, nadat Tom had geslapen. Een medium genaamd Elisabeth hielp hem het beest te verslaan. Nu moest hij regelmatig naar Elisabeth, zodat hij zijn gave leerde controleren. In de echte wereld waren er nu eenmaal geen scholen waar je kon leren toveren.

Ik heb een foto van de rommel die is achtergebleven,” zei Tom, “Astrid en ik zijn er zelfs voor teruggegaan.”

Plaatsen op de site – vanavond nog!” zei Emke die met haar vinger op de borst van Tom prikte. “En voortaan moet je ons alles vertellen, verdorie.”

Aangezien we er ook last van kunnen hebben, omdat we jouw vrienden zijn,” zei Chris.

Dinsdagmiddag moet ik er trouwens weer naar toe – naar Elisabeth.”

Wat doe je dan allemaal?”

Vorige keer heb ik alleen over Sanne gepraat – en dat was ook wel weer leuk.”

Maar geen – ,” en Chris begon met zijn handen begon te gebaren als een goochelaar die een trucje uitvoerde.

Ik wil je niet dwingen, hoor, maar misschien moest je maar eens vertellen over het gedoe met Sluijters,” zei Emke.

Best wel een goed idee,” zei Tom.

*****

Elisabeth van Zuidtleeven woonde dichtbij het centraal station. Het was de derde afspraak sinds de drakentuin en Tom ging altijd alleen. Zijn moeder vond het ook geen probleem. Gezien de magische krachten in zijn lijf die alsmaar sterker leken te worden, moesten àndere mensen juist zijn bang voor hem. Hij liep langs een school – passeerde de plek waar jaren geleden zijn zusje op het asfalt neer was gekomen. Net voorbij de bocht en soms bleef hij er eventjes stilstaan. Auto’s reden net zo hard als altijd, zeker 60 kilometer per uur en de best remden laat af.

Het appartement van Elisabeth vertoonde een mengeling van oud en nieuw. Oude meubelen die best wel eens uit de negentiende eeuw konden stammen, een televisie, vanzelfsprekend ook een computer, maar als hij binnenkwam was het altijd doodstil. Ze zorgde altijd voor een mok thee. De eerste vraag, die ze stelde, was: “Heb je nog iets meegemaakt afgelopen week?”

Meestal moest hij ontkennend antwoorden, maar vandaag had hij een verhaal. Elisabeth was een bekende van zowel Jochem Sluijters als Herr Weiss. Hij zocht naar de woorden die ze had gebruikt om beide mannen te typeren.

Elisabeth zette zijn mok op tafel en nam plaats.

Ja, ik heb Sluijters ontmoet,” zei hij.

Alweer?”, vroeg ze. Elisabeth zette haar eigen mok neer. “Wat wou hij?”

Sluijters heeft een nieuw setje tanden op de kop getikt,” zei Tom die een grijnslach moest onderdrukken. “Ik vind het een vreemd verhaal, maar ja. Magische tanden – want ze hebben zijn ziekte gestopt – hij is niet langer terminaal – en – nog veel erger – hij ziet er twintig jaar jonger uit.”

En wat was zijn vraag? Of wou hij verder niks? Wilde hij alleen vertellen dat hij die tanden heeft laten implanteren, want dat begrijp ik uit je verhaal.”

En Sjors zei dat hij waarschijnlijk zou eindigen als een baby,” zei Tom.

Hoeft niet. Het zou kunnen dat hij net zo oud wordt als de vorige gastheer.”

Bah. Dan zitten we nog lange tijd met die vent opgescheept.”

Ik zou willen wie de vorige gastheer was,” zei Elisabeth die haar witte haren over haar schouders veegde.

Herr Weiss moet het weten.”

Ongetwijfeld, ja. Maar dan moet je contact maken.”

Kan ik dat?”

Met zijn tweeën moeten we het kunnen, maar het zal niet eenvoudig zijn.”

Tom liet zijn ogen langs de boekenkast gaan. Er stonden voornamelijk oude bijbels. Boven de tafel hing een oude lamp. Zelf zat hij op een leren fauteuil. Zijn rugtas hing er lui tegenaan. “Laten we het dan maar proberen,” zei hij. Elisabeth ging gemakkelijker zitten. Handen op de leuning en zocht oogcontact met Tom.

Je moet je concentreren,” zei ze.

Tom antwoordde niet meer en dacht aan de limousine van Herr Weiss. Er hadden oude potscherven op het strand gelegen. Herr Weiss had ze gebruikt als versterker van zijn gedachten. Een buitenstander kon er helemaal niets mee, maar bij elkaar vormden ze een magisch object – daarom dook Sluijters ook in Zeeland op. Herr Weiss. Sluijters.

Tom dacht aan een oude man – halflang wit haar, witte baard, wit kostuum, zwart lapje voor zijn linkeroog. Herbert Weiss zou de allereerste kerstman zijn geweest, maar hij werd de hebzucht van mensen zo beu dat hij ermee ophield. Daarna is hij voor eigen rekening gaan werken. Man die zich graag verplaatste in een limousine. Hij hield van comfort.

Muren en plafond veranderden en verdwenen – net als Elisabeth die achterbleef in haar appartement – Tom ging naar een compleet andere plek. Misschien bleef hij in die fauteuil zitten, maar zijn geest vertrok. Dat was ook de bedoeling. Plafond hing hoog boven zijn hoofd. Tom keek om zich heen en zag een magazijnloods. Grijze roldeuren met ramen. Lampen die weigerden licht te geven. Een verlengde Mercedes stond er geparkeerd – verduisterde ramen – chauffeur leunde verveeld tegen de motorkap.

Op de grijze vloer waren potten neergezet – rood aardewerk, bijna als een cliché – Tom vroeg zich af of Herr Weiss de scherven aan elkaar had gelijmd. Misschien. Wolken wit licht stroomden uit de potten. Herr Weiss stond in het midden van een pentagram die hij er had neergezet. Tom zag dat zijn ogen weg waren gedraaid, zodat hij alleen het oogwit kon zien. Hij voelde zich dichtbij en veraf tegelijk.

Zijn voeten maaiden door het niets en Tom begreep dat alleen zijn geest de reis had afgelegd. Lichaam was achtergebleven in het appartement van Elisabeth. Soms dacht hij de vloer te raken, maar er was gewoon niets.

Ik wist niet dat ik je had geroepen,” zei Herr Weiss.

Had je ook niet,” zei Tom.

Er volgde geen antwoord van Herr Weiss.

Wat ben je aan het doen?”, vroeg Tom.

Zo is het genoeg,” zei Herr Weiss. Hij spreidde zijn armen en het licht begon direct uit te doven. Hij sloot zijn ogen – opende ze weer en hij keek naar Tom.

We doen allemaal hetzelfde,” zei Herr Weiss, “maar welke wegen willen we bewandelen? Dat wil je toch weten, hè? Ik weet wat hij aan het doen is, maar weet hij het zelf ook? We willen allemaal hetzelfde – ik wil dat – hij wil dat – de dame die je helpt, die wil dat ook. We willen het allemaal.”

Tom probeerde de pentagram binnen te gaan, maar het lukte niet. Een onbekende kracht hield hem tegen. Hij hield een vloek binnensmonds en keek naar Herr Weiss die gewoon bleef staan.

Je wilt weten wat je moet doen,” zegt Herr Weiss, “hij zal terug blijven komen – Jochem Sluijters zal leren genieten van zijn nieuw verworven kracht – waarmee hij overigens louter afschuw zal oogsten. Hij is een afschuwelijk wezen geworden. Hoe heeft hij contact gezocht?”

Hij stuurde een briefje.”

Ik kan je niet helpen. Het spijt me. Want ik sta bij je in het krijt. Zorg ervoor dat je nieuwe vriend, die jongen van Rooijackers, in de buurt is. Sluijters wordt sterker dan jij met je magische gave.”

Wist Sluijters waar hij aan begon?”

Misschien.”

En waarom doet hij zichzelf dit aan?”, vroeg Tom.

Dat is geen relevante vraag, jongen,” zei Herr Weiss, “Bid maar liever dat hij geen honger krijgt als jij of je vrienden in zijn nabijheid zijn – ai, wat zeg ik nou toch weer voor iets raars?”

Tanden – honger – ik begrijp het niet.”

En je mag één ding nooit vergeten, Tom – We willen allemaal hetzelfde – echt allemaal.”

Wat dan wel?”

Je bent nog veel te jong om dat te kunnen begrijpen. Als je ouder wordt, komt het vanzelf.”

Herr Weiss begon naar Tom te lopen en maakte een vegende beweging met zijn hand. Er volgde een korte, verblindende flits. Tom trachtte overeind te blijven staan – hij was bang om te vallen – maar hij constateerde dat hij nog steeds in de fauteuil zat. Tom was nooit weg geweest – zijn lichaam niet tenminste. Al die tijd had hij in de stoel gezeten. Stem van Herr Weiss galmde in zijn hoofd. We willen allemaal hetzelfde. Dat had hij gezegd.

Zijn mond begon langzaam te bewegen. “We willen allemaal hetzelfde,” zei hij en Tom zag hoe Elisabeth haar mok vasthield en wachtte met drinken – ze tuurde naar hèm – en hij keek rustig om zich heen – Tom bedacht dat ze inderdaad erg veel bijbels in haar kast had staan. Zouden ze veel geld waard zijn?

En wat willen we dan allemaal?”, vroeg ze. Haar ogen stonden niet minder gespannen.

Weet ik niet,” antwoordde Tom, “dat wilde hij niet zeggen.” Hij vertelde in korte bewoordingen wat hij had gezien – Herr Weiss die middenin een pentagram stond – de potten die hij had hersteld – of misschien nieuwe gemaakt – dat zou ook kunnen. Ook vertelde hij over de waarschuwingen die betrekking hadden op Sluijters. Elisabeth zette de mok direct op tafel zonder gedronken te hebben. Haar ogen stonden erg duister. Ze leek te begrijpen wat Herr Weiss bedoelde. Tom snapte in één keer waarom hij geen details prijs had gegeven. Dat zou Elisabeth veel beter kunnen dan Herr Weiss.

Ik weet wat hij bedoelt en daar gaan we allemaal een bak ellende aan beleven – je moet me mijn taalgebruik maar vergeven, Tom. Dit is zelfs erger dan ik al dacht,” zei Elisabeth die opstond en naar de kast liep. Er stonden weliswaar veel bijbels, maar ze had ook andere literatuur in haar verzameling.

Hij is aan het veranderen, hè?”, vroeg Tom.

Ja, inderdaad.” Ze sloeg een groot, zeer dik boek open en begon te bladeren. Tom ging naast Elisabeth staan die flinterdunne bladzijden omsloeg – heel oude spelling – tekeningen van onbekende monsters. Niet één foto. Elisabeth stopte met bladeren en drukte haar vinger op een mensachtig gedrocht dat over een volwassen vrouw heenboog. Enorme kaken – scherpe tanden – maar beslist geen vampier. Het was iets anders en Tom kende de naam van het monster.

De waarschuwing van Herbert duidt erop dat hij hieraan denkt – ik ken hem veel te goed,” zei ze.

Waar kennen jullie elkaar van?”

We zijn getrouwd geweest,” zei Elisabeth en heel even verscheen er een glimlach op haar gezicht. “Lang geleden. Kijk, Jochem is een akelig serpent, maar Herbert was vroeger een prettig iemand die veel heeft betekend voor mensen die weinig geld hadden of zelfs helemaal niets. Mensen begonnen op hem te rekenen en leken geen moeite meer te willen doen om zelf wat te ondernemen. Egoïsme, hebzucht, zulk soort dingen.”

Dus het verhaal van de eerste kerstman – ?”, vroeg Tom, maar hij maakte zijn vraag niet eens af.

Dat klopt wel, ja. Met een uiterlijk als het zijne kun je het bijna niet mislopen.”

Hoe is hij zijn oog kwijtgeraakt?”

Weet ik niet – dat gebeurde na mijn tijd,” zei Elisabeth die dreigend vervolgde: “En waag het niet te vragen hoe oud ik in werkelijkheid ben, jongeman.”

Ik zou niet durven.”

Tom las nog eenmaal het woord dat onder de tekening stond – een zwart-wittekening van een gedrocht dat over een vrouw heen stond gebogen. Naam van het monster was – ghoul.

*****

In de trein plaatste hij een berichtje op de groepsapp. Hij schreef dat Sluijters waarschijnlijk in een ghoul aan het veranderen was. Volgens google ging het om een monster dat zich met mensenvlees in leven hield, dood of levend, dat maakte weinig uit. Tom verwachtte reacties en kreeg ze ook vrijwel direct. Allemaal uitingen van afgrijzen. Sophie antwoordde ook op zijn bericht. ‘Fijn dat dat duidelijk is, maar wat doen we eraan?’ Tom bedacht dat het misschien niet zo handig is geweest om Sluijters zo uit te lachen – ze hadden hem niet in zijn nabijheid uitgelachen, maar hij moest het leedvermaak hebben gevoeld. Bovendien zouden ze weinig kunnen uitrichten, want de politie zou hen nooit geloven. Het was onmogelijk. Sophie had een goede vraag gesteld. Zonder meer. Wat deden ze eraan?

Naar school fietsen deden ze toch al gezamenlijk, nu werd het belangrijker om bij elkaar te blijven, aangezien er een echte reële dreiging bestond. Zolang Sluijters zich kalm hield, gebeurde er niets. En waarom gaf het filmpje van Chris een witte vlek te zien waar Sluijters had moeten staan? Geen idee.

‘Gedaanteveranderingen – dat staat er op internet.’ Berichtje van Chris. ‘Kan die vent dat dan ook? In dat geval weet je niet eens hoe hij eruit ziet!’

Ze moesten verduveld goed oppassen. De trein passeerde Culemborg. Tom was er bijna. Terugkijkend kon hij alleen zeggen dat het een nuttige middag was geweest. Chris had overigens ook gelijk. Ze wisten niet hoe Sluijters eruit zag.

Ter hoogte van Houten typte hij de naam Elisabeth van Zuidtleeven – misschien stond er wel iets. Het duurde erg lang. Trein reed station Lunetten voorbij. Er stond helemaal niets dat op het medium duidde.

*****

‘We willen allemaal hetzelfde.’ Tom schreef de woorden thuis op een briefje en voegde direct drie namen toe. Zelf was hij te jong om er zich druk over te maken. Tom was alleen thuis, ouders waren er niet.

Sluijters dreigde dood te gaan en wist dat te voorkomen door tanden van een mythisch monster te laten implanteren. Het idee was alleen al bizar, maar de man moest uit wanhoop hebben gehandeld. Herr Weiss, Elisabeth van Zuidtleeven, Jochem Sluijters. Ze waren allemaal bang om dood te gaan, wilden blijven leven, zo lang mogelijk en liefst gezond. Welk magisch ritueel voerde Herr Weiss uit in de loods, terwijl zijn chauffeur toekeek?

Er gingen enkele dagen voorbij. Er gebeurde niets en de opwinding begon geleidelijk te verdwijnen. Maar Tom dacht er wel regelmatig aan en besprak het met Sjors die het allemaal niet zo interessant leek te vinden. Zijn aandacht werd afgeleid door ander verontrustend nieuws – de vader van Sjors dreigde zijn werk kwijt te raken, omdat de olieprijzen bleven dalen. Sjors haatte zijn vader die een kwade dronk had. En thuis was mijnheer Rooijackers dronken, had een kater of begon weer te drinken.

*****

Vrijdagmiddag na school zaten de ouders van Tom thuis aan tafel – ze wachtten op hem. Vader vroeg hem te gaan zitten, want ze hadden belangrijk nieuws. Tom dacht dat het om het filmpje zou kunnen gaan, maar begreep direct dat zijn moeder er in dat geval niet bij wilde zijn. Het moest om iets anders gaan.

Hij ging zitten en herkende een opgewonden glans in de ogen van zijn moeder. “We zijn dinsdag naar het ziekenhuis geweest, omdat ik me al langere tijd niet zo goed voelde. Een onderzoek gehad. Nee, maak je geen zorgen, ik ga niet dood.” Ze maakte een afwerend gebaar met haar handen. “Het is een hele verrassing voor ons, omdat het niet meer zou moeten kunnen. Ik ben zwanger. Je krijgt er weer een broertje of zusje bij.”

Heel even moest hij de herinnering aan Sanne verdringen. Haar lichaampje kwam neer op het asfalt nadat ze was aangereden door een automobilist. “Mam – pap – jullie moeten één ding beloven. Als het een meisje is, mag ze geen Sanne heten. Ik wil geen goedmaakzusje. Sanne is dood, er komt geen andere voor terug.”

Je moeder en ik zitten aan Marijke te denken.”

Of Jens, als het een jongen wordt.”

Een nieuwe Sanne willen we onszelf en jullie beslist niet aandoen,” zei zijn vader.

Gefeliciteerd mam,” zei Tom die opstond en zijn moeder op de wang zoende. “Ik vind het leuk.”

Ik zei toch dat hij goed zou reageren,” zei zijn vader.

We vonden het best wel spannend,” zei zijn moeder, “omdat we niet goed wisten hoe je zou reageren.”

Leuk, heel erg leuk.”

Daar ben ik blij om,” zei zijn vader.

Mag ik het rondbazuinen?”, vroeg Tom.

Ja, dat mag je. De moeder van Sophie is op de hoogte. Die voorspelde het al een beetje.”

Een half uur later zat hij achter zijn computer en de felicitaties kwamen  direct binnen. Moeder was zwanger. Er was een broertje of zusje op komst.

*****

Zaterdagochtend zat Tom om half tien aan de ontbijttafel – kopje thee, geroosterd brood, een krant die hij half had opengevouwen. Opvallend nieuws op de voorpagina. In Den Bosch was het lijk van een jonge vrouw gevonden, een zekere Margot Sluijters. Tom zette zijn kop thee terug op tafel en zocht zijn telefoon, maar er waren geen berichten binnengekomen. Las dan niemand van zijn vrienden de krant of hadden ze het bericht gemist? Het stoffelijk overschot bleek vreselijk te zijn toegetakeld, al begreep hij niet goed wat het zou kunnen betekenen.

Margot Sluijters was het verveeld kijkende meisje dat hem het kistje van het volmaakte evenwicht had verkocht, kleindochter van Jochem Sluijters, die sinds twee weken haar grootvader niet meer wilde zien. Hij fotografeerde het bericht met zijn telefoon en zette het op de groepsapp, want dit ging inmiddels iedereen aan. Reacties volgden meteen. Sophie natuurlijk. Sjors. Maar Chris en Emke lieten op zich wachten. Sophie sloeg de spijker op zijn kop. ‘Wat is ‘toegetakeld’ als je grootvader zich in een ghoul heeft veranderd? Bah, wat smerig allemaal. Gedverrie zeg!’ Daarmee wees Sophie terecht een goede verdachte aan.

Sjors kwam met een ander bericht dat hij erger vond dan de dood van Margot Sluijters. Zijn vader kwam thuis en het betekende voor zijn moeder en hemzelf erg slecht nieuws. Tom las het bericht en besloot er niet op te antwoorden. Bovendien wist hij zich maar heel slecht los te maken van Sluijters en zijn kleindochter Margot. Hopelijk zou de politie snel bij Sluijters zelf terechtkomen, als ze wisten dat het de man zelf was. Zoals Chris eerder al zei – een ghoul werd verondersteld van gedaante te kunnen veranderen.

Zijn moeder Tom deed gewoon haar werk in huis, vader was alweer bezig in zijn garage en Tom zocht naar ongewone, vreemde berichten op internet. Vandaag moest er iets gebeuren. Zijn intuïtie waarschuwde hem heel duidelijk. Nog een bijgevolg van zijn nieuw verworven krachten. Hij voelde het als er wat stond te gebeuren. Zoals vandaag. Om half één hoorde hij een nieuwslezer op de radio iets zeggen over een hond die in een trein naar Utrecht diverse reizigers had aangevallen en gebeten. Toen men op zoek ging naar het dier, werd het niet langer aangetroffen. Terwijl de trein afgesloten was.

Voor Tom bewees het dat Sluijters onderweg moest zijn naar Utrecht, maar hij kon er niets over zeggen. Alleen op de groepsapp maakte hij er een opmerking over. Reacties kwamen er niet meteen, later pas. Chris vroeg: ‘Wat moeten we doen dan?’ Waarna Sophie reageerde: ‘Je kunt moeilijk naar de politie.’

Toch wilde Tom iets doen en misschien moest hij alleen met Sjors iets afspreken. Eljakim en Gladius, zoals Herr Weiss al verwoordde die het nog altijd veel te druk zou hebben met zijn aardewerken potten. Hij stuurde een berichtje aan Sjors en zei: ‘We kunnen altijd nog met zijn tweeën hinderlijk rondhangen op het centraal station tot Sluijters komt opdagen en dan volgt er wel een confrontatie.’ Het bleef een tijdje stil. Na bijna een kwartier kwam er een reactie. ‘Met zijn tweeën?’ Tom typte: ‘Ja.’

Sjors volgde niet veel later met een nieuwe reactie. ‘Het is toch prettig als de anderen weten wat we gaan doen.’ Tom begreep dat hij nog altijd alles alleen wilde doen in plaats van de hele groep erbij te halen. Het was precies wat Witoog bedoelde. Tom moest zijn vrienden leren vertrouwen. ‘Oké.’

Een minuut later deponeerde Sjors op de groepsapp het bericht dat ze Sluijters gingen opzoeken en confronteren. Man was onderweg naar Utrecht. In de trein had hij enkele slachtoffers gemaakt. Tom trok zijn jas aan, stapte op de fiets en ging naar de stad. Af en toe voelde hij zijn telefoon trillen. Hij checkte elk bericht en begreep dat al zijn vrienden onderweg waren naar het centraal station, zelfs Sophie.

Hij stalde zijn fiets bij Hoog Catherijne, ingang Moreelsepark, nam de roltrap omhoog en belandde vrij snel tussen de winkels. Misschien had hij moeten wachten op zijn vrienden vanwege het gevaar dat een Sluijters met zich mee bracht. Aan de andere kant – er waren zoveel mensen in het winkelcentrum en station – wat er zou er in hemelsnaam kunnen gebeuren? Tom wilde Sluijters opzoeken voordat de man compleet onverwacht voor zijn neus stond – als een overval. Hij passeerde winkels die er ouder waren dan hijzelf, zoals een natuurdrogisterij, of een winkel die games verkocht. Op bankjes zaten enkele mannen en vrouwen waarvan Tom vermoedde dat ze er bijna altijd zaten – daklozen – een man met een donkerrood, bijna blauw gezicht en wild haar. Op de kruising ging hij links. Na bijna vijftig meter bleef hij staan, want Tom ontdekte een boekwinkeltje.

Nee, ‘boekspot’ stond er op de ruit. Een openbare boekenkast – je mocht een boek meenemen, maar ook achterlaten. Er stonden mannen en vrouwen, jong en oud. Hij plaatste een berichtje op de groepsapp dat hij daar op hen zou wachten. Sophie reageerde als eerste. ‘Mooi, ik weet waar het is.’

Het duurde nog eens vijftien minuten voordat zijn vrienden begonnen binnen te druppelen. Emke, Chris, Sophie en Sjors als laatste, die de grootste afstand moest afleggen om er te komen. Tom, Sjors en Chris verlieten de boekspot weer, Emke trok Sophie aan haar arm mee, want ze wilde wat langer kijken – ze had een boek gezien van Neil Gaiman en nam het ook mee. “Hoe ziet Sluijters er nu uit?”, vroeg Chris. Ze betraden de stationshal, nog altijd een grote bouwput, maar ook deels klaar. Een supermarkt, drogist, boekhandel, alles wat er altijd al is geweest. Niks nieuws. Het zag er wel aardig uit.

Geen idee,” zei Tom, “ik weet niet eens zeker of de hond in die trein er wat mee te maken had. Het is alleen een vermoeden. Meer niet.”

Als je gelijkt hebt, is hij erg gevaarlijk geworden.”

Sophie liep het boek te lezen, geschreven in het Engels, Emke keek over haar schouder mee. Ze lazen met zijn tweeën één boek. Tom zocht naar Sluijters en begreep dat het een onmogelijke missie was. Elke man die tussen de dertig en vijftig jaar oud was zou hem kunnen wezen. Mannen passeerden hen, verlieten winkels of gingen er juist binnen. Een ghoul was een wezen dat van gedaante kon veranderen. Het zou met andere woorden letterlijk iedereen kunnen zijn, zelfs een van zijn eigen vrienden.

Tom probeerde het idee te verdringen en wees naar de trap. Er was nog een andere verdieping boven hun hoofd, verschillende trappen, kluisjes waar je spullen kon opbergen, maar ook een koffiehuis, zoals er op de luifel stond. “Wanneer ben je hier voor het laatst geweest?”, vroeg Sjors. In het koffiehuis liep alleen een serveerster, er zat niemand aan de tafels.

“Daarginds,” en hij wees richting Jaarbeurs, “zat een drankenzaak, mijn vader was er vaste klant.” Dinsdag had Tom in ditzelfde station gelopen, na zijn bezoek aan Den Bosch, Elisabeth van Zuidtleeven. Sjors moest dat weten.

Je vader zuipt toch niet?”, vroeg Sjors.

Nee,” antwoordde Tom die zich afvroeg wanneer hij dit al eens eerder met Sjors had besproken. Tom schudde het idee van zich af en liep naar de reling. Ja, in Zeeland stelde Sjors er een vraag over. En Sjors was geen jongen die twee keer over hetzelfde onderwerp begon. Tom boog over de reling en keek naar beneden, omdat hij een bekende gedaante zag.

Beneden stond Sjors Rooijackers zoekend om zich heen te kijken. De ogen van Tom ontmoetten die van zijn vriend, maar hij legde zijn vinger op zijn lippen. Hij draaide zich om naar de dubbelganger en zei met ijzige stem: “Laat zien wie je werkelijk bent!” Hij staarde naar degene die zich voordeed als Sjors, maar hem niet was.

Sophie staarde verbijsterd naar – , Emke en Chris deden hetzelfde. Tom stapte naar de dubbelganger van Sjors die zo laconiek over het drankgebruik van de Thomas van Alsem was begonnen. “Laat goddomme zien wie je bent en wel nu!” Hij sprak nog luider dan daarnet en Chris stond onhandig met zijn telefoon te spelen. Voetstappen dreunden op de trap en kwamen dichterbij. De dubbelganger probeerde de transformatie tegen te houden. Tom herhaalde zijn woorden voor een derde keer en nu begon de dubbelganger te veranderen in een man van ongeveer dertig jaar.

Alles veranderde aan de ghoul – haar, uiterlijk, kleding zelfs en Chris bleef alles filmen in de wetenschap dat er slechts een silhouet zichtbaar moest zijn.

De verleiding was wel heel erg groot,” zei Sluijters.

Sjors voegde zich nu werkelijk bij de groep – en droeg totaal andere kleren dan Sluijters net had gedaan. Sluijters baseerde zich op een vorige ontmoeting, een week geleden in Lunetten. Sjors hijgde amper en zag er niet moe uit, terwijl hij toch hard had gelopen. “Ik zal het je wel afleren.”

Wie denk je nou eigenlijk dat je bent?”, vroeg Sluijters die hartelijk begon te lachen. “Conan de Barbaar of zo? Je kunt me niet de baas. Zelfs al zou je willen, dan nog – .” Sluijters lachte zijn tanden bloot, een harde galmende lach die aandacht trok.

Het zou je verbazen,” antwoordde Sjors.

Kinderen,” zei Sluijters. “Jullie zijn kinderen. Wat zou je me aan kunnen doen? Vertel me dat nou eens? Ik heb belangstelling voor één enkel ding.” Tong van Sluijters gleed langs zijn lippen, kwijl droop over diens kin, ogen waren wijd open gesperd, irissen kregen een felle gele kleur. “Zijn hart! Het kloppende hart van Tom van Alsem, de tovenaar!”

Sluijters sprong naar voren en een schouder van Tom vast – die zich heel even liet overdonderen. Tom trok zijn knie snel omhoog en raakte Sluijters heel hard in diens kruis – de ghoul kromp schreeuwend ineen. Sjors pakte hem bij de schouders en duwde hem op de grond. “Ik zal je leren mijn vrienden lastig te vallen, ouwe!”, riep Sjors, die zijn knieën op de borstkas van Sluijters drukte en hard begon te slaan – echt, heel hard. Tom hoorde iets kraken – op elkaar geperste lippen kleurden rood.

Tom schreeuwde heel hard en trok Sjors aan zijn schouders – Chris bleef filmen. “Stop nou, je vermoordt hem zo nog!” Sophie en Emke bleven kijken, ondanks het geweld, hun blikken verraadden afgrijzen – vanwege Sluijters – vanwege Sjors.

Sjors stond op – Jochem Sluijters begon overeind te komen – hij hoestte en spuugde een paar tanden uit – tanden die hij opving met zijn handen.

Wat denk je, ouwe? Je spuugt een paar tanden uit – Zou het genoeg zijn om de betovering te verbreken? Want daarom heb je klappen gekregen. Nergens anders om. Ik wilde je tandjes beschadigen, een klein beetje maar. Zou het voldoende zijn?”

Sluijters krabbelde overeind en zei: “Je bent echt een barbaar, godverdomde schooier.” Hij hield de pols van zijn linkerarm voor zijn mond, zodat hij zijn woorden enigszins gedempt uitsprak. “Smerige bastaard, serpent – reageerbuisrat.” Sluijters ontvluchtte het vijftal dat hem lange tijd nastaarde.

Wat denk je, Tom? Zou het voldoende zijn?”

Tom knikte met zijn hoofd. “Ik hoop het wel.”

Een serveerster stond in de deuropening van het koffiehuis – ze had alles gezien. “Binnen vijf minuten ben je alles vergeten wat je net hebt gezien,” zei Tom die zijn hand op haar arm legde. De betovering verliep sneller als hij haar aanraakte.

Politie is onderweg,” zei de serveerster, “maar ik weet ook niet goed waarom – er is niks meer.”

Ze begonnen weg te lopen. Vergetelheid moest aan het werk. De serveerster begon te vergeten. “Ik dacht dat je hem ging vermoorden,” zei Tom.

Nee, hoor, niet nodig. Daar krijg je alleen maar trammelant van,” zei Sjors. “Het zag er akelig uit.”

Behoorlijk,” zei Emke.

Sorry hoor.”

Chris bekeek de opnamen die hij had gemaakt tot en met de klappen die Sluijters van Sjors had gekregen. Ze keken allemaal naar het filmpje en zagen aan het einde de witte vlek op de grond veranderen in een man van ongeveer dertig jaar oud – Sluijters.

Je opzet lijkt te zijn gelukt,” zei Tom.

Betovering verbroken.”

Geen echte slachtoffers,” zei Chris.

Jawel,” reageerde Tom, “Margot, de kleindochter, ik denk dat Sluijters haar heeft vermoord en verminkt.”

Maar je kunt niks bewijzen,” zei Sophie.

Nee.”

Sjors bestudeerde zijn roodgekleurde knokkels. “Ik moet mijn handen even wassen,” zei hij.

Zullen we iets gaan drinken?”, vroeg Emke.

Starbucks?”, vroeg Tom.

Nee, ik wil koffie in een echt kopje,” zei Sophie.

Tom en zijn vrienden liepen de trap af.

Zouden we nu van die akelige vent verlost zijn, denk je?”, vroeg Emke.

Misschien,” zei Tom. “Je weet maar nooit.”

Wat wil die vent nou eigenlijk echt?”, vroeg Sjors.

Tom dacht aan de woorden van Herr Weiss, maar zei ze niet hardop. We willen allemaal hetzelfde.